This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0822
Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on procedural safeguards for children suspected or accused in criminal proceedings
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure
/* COM/2013/0822 final - 2013/0408 (COD) */
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure /* COM/2013/0822 final - 2013/0408 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL 1. Dit voorstel voor een
richtlijn van het Europees Parlement en de Raad heeft ten doel voor de hele
Europese Unie gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen inzake de
rechten van kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure en
van kinderen tegen wie een procedure loopt krachtens Kaderbesluit 2002/584/JBZ
(procedure er uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel). 2. Het programma van Stockholm[1] legde sterk de nadruk
op het versterken van de rechten van het individu in strafprocedures. In punt
2.4 verzocht de Europese Raad de Commissie om voorstellen in te dienen voor een
stapsgewijze verbetering van de rechten van verdachten en beklaagden door
middel van gemeenschappelijke minimumnormen voor het recht op een eerlijk
proces. Deze maatregel maakt tevens deel uit van de EU-agenda voor de rechten
van het kind, waaraan is bijgedragen door het Europees Parlement, het Comité
van de Regio's, het Economische en Sociaal Comité, de Raad van Europa en andere
belangrijke partijen, zoals Unicef, de nationale ombudspersonen voor kinderen
en het maatschappelijk middenveld[2]. 3. Er zijn al drie maatregelen
vastgesteld, te weten Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de
Raad betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures[3] (oktober 2010),
Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het
recht op informatie in strafprocedures[4]
(mei 2012) en Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22
oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in
strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf
de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te
communiceren tijdens de vrijheidsbeneming[5].
Maatregelen betreffende het recht op voorlopige rechtsbijstand van verdachten
of beklaagden bij vrijheidsbeneming, worden met het onderhavige initiatief
gepresenteerd als een pakket, samen met een richtlijn betreffende de
versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en het recht
om strafzittingen bij te wonen. 4. Dit voorstel voor een
richtlijn bevat specifieke minimumvoorschriften inzake de rechten van kinderen
die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. Aldus bevordert zij de
toepassing van het Handvest, met name de artikelen 4, 6, 7, 24, 47 en 48, en
bouwt zij voort op de artikelen 3, 5, 6 en 8 van het EVRM zoals uitgelegd door
het Europees Hof voor de rechten van de mens, dat in zijn rechtspraak normen
vaststelt inzake speciale waarborgen voor kwetsbare personen, en met name
kinderen. Uit deze rechtspraak volgt onder meer dat het eerlijke verloop van de
procedure en het recht op een eerlijk proces inhouden dat de betrokkene in
staat moet zijn de procedure in hoofdlijnen te begrijpen en hieraan deel te
nemen, dat hij zijn rechten daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen en dat hij
bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer moet kunnen genieten. Deze
richtlijn dient dan ook uitdrukkelijk te voorzien in een versterking van de
procedurele waarborgen voor kinderen. 5. Bij de tenuitvoerlegging van
deze maatregelen dienen de belangen van het kind voorop te staan,
overeenkomstig artikel 24 van het Handvest van de grondrechten. 6. Verdachte of aangeklaagde
kinderen worden als zodanig erkend en respectvol, waardig en deskundig
behandeld, op een persoonlijke en niet-discriminerende wijze, wanneer zij in
contact komen met de bevoegde autoriteit die optreedt in het kader van een
strafprocedure. Dit moet ook de maatschappelijke herintegratie bevorderen van
kinderen die met het strafrechtsysteem in aanraking zijn gekomen. De in deze
richtlijn vervatte rechten zijn op niet-discriminerende wijze op verdachte of
aangeklaagde kinderen van toepassing, ook waar het gaat om hun verblijfsstatus. 7. Deze maatregel wordt tegelijk
gepresenteerd met een aanbeveling van de Commissie betreffende procedurele
waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een
strafprocedure en kwetsbare personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is
uitgevaardigd. 8. Het voorstel is gebaseerd op
artikel 82, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 9. Het recht op een
doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een eerlijk proces en het
recht van verdediging zijn verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie (het "Handvest") en in
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
(EVRM). De mate waarin deze rechten ook daadwerkelijk kunnen worden
uitgeoefend, hangt voor een groot deel af van de mate waarin de verdachte of
beklaagde in staat is de procedure te volgen en er ten volle aan deel te nemen;
deze capaciteit kan beperkt zijn door de leeftijd, een gebrek aan rijpheid, en
handicaps. Dit betekent dat voor kinderen en kwetsbare volwassenen speciale
maatregelen moeten worden genomen om te waarborgen dat zij daadwerkelijk kunnen
deelnemen aan de procedure en hun recht op een eerlijk proces evenzeer kunnen
uitoefenen als andere verdachten of beklaagden[6]. 10. Bij ontstentenis van een
gemeenschappelijke omschrijving van "kwetsbare volwassene" en gelet
op de overwegingen betreffende de beginselen van subsidiariteit en
evenredigheid, ziet de Commissie er vooralsnog van af om het toepassingsgebied
van deze richtlijn uit te breiden tot kwetsbare volwassenen. In plaats daarvan
zal de Commissie een aanbeveling vaststellen waarbij de lidstaten worden
opgeroepen om een aantal waarborgen in te voeren voor kwetsbare personen. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN 11. Er zijn drie bijeenkomsten met
deskundigen gehouden, op 23 september 2011, 26 april 2012 en 11
december 2012. Vertegenwoordigers van de lidstaten en een groep van deskundigen
van de Raad van Europa, de International Association of Youth and Family Judges
and Magistrates, de Verenigde Naties, kinderartsen en in jeugdzaken
gespecialiseerde juristen bespraken maatregelen die op EU-niveau zouden kunnen
worden genomen om kinderen en kwetsbare volwassenen bij strafzaken beter te
beschermen. 12. De Commissie heeft ter
onderbouwing van haar voorstel een effectbeoordeling uitgevoerd. Het verslag
van de effectbeoordeling is beschikbaar op: http://ec.europa.eu/governance. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Artikel 1 – Onderwerp 13. Deze richtlijn heeft ten doel
minimumregels vast te stellen voor de rechten van kinderen die verdachte of
beklaagde zijn in een strafzaak en van kinderen tegen wie een Europees
aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Artikel 2 – Toepassingsgebied 14. De richtlijn is van toepassing
op kinderen, dat wil zeggen op personen die nog geen 18 jaar oud zijn op het
moment dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te
hebben gepleegd, en wel tot en met de beëindiging van de procedure. 15. Deze richtlijn laat de
nationale bepalingen inzake de strafrechtelijke meerderjarigheid onverlet. Dit
is de leeftijd waarop een kind strafrechtelijk aansprakelijk wordt voor zijn
daden. 16. In bepaalde lidstaten zijn op
kinderen die een strafbaar feit hebben gepleegd, niet de nationaalrechtelijke
strafprocedures van toepassing, maar andere procedures op grond waarvan bepaalde
beperkende maatregelen kunnen worden opgelegd (onder meer inzake bescherming en
onderwijs). Dergelijke procedures vallen niet onder het toepassingsgebied van
deze richtlijn. Artikel 3 – Definitie 17. Overeenkomstig internationale
rechtsinstrumenten[7]
wordt eenieder die minder dan 18 jaar oud is, beschouwd als een kind. Artikel 4 – Recht op informatie van het
kind 18. Het kind dient onverwijld te
worden geïnformeerd over de rechten krachtens deze richtlijn, in aanvulling op
de rechten waarin de artikelen 3 tot en met 7 van Richtlijn 2012/13/EU
voorzien, tenzij het gaat om lichte strafbare feiten, als bedoeld in artikel 2,
lid 2, van Richtlijn 2012/13/EU. 19. Indien een kind zijn vrijheid
wordt ontnomen, dienen in de verklaring van rechten die het kind overeenkomstig
artikel 6 van Richtlijn 2012/13/EU wordt verstrekt, ook de rechten te worden
genoemd waarin de onderhavige richtlijn voorziet. 20. Deze richtlijn dient ten
uitvoer te worden gelegd overeenkomstig de normen die zijn vastgesteld in
Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in
strafprocedures. Artikel 5 – Recht op informatie van de
persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt 21. Deze richtlijn voorziet in
verdere aanvullende waarborgen met betrekking tot het informeren van de persoon
die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt of een andere geschikte
volwassene, teneinde rekening te houden met de specifieke behoeften van
kinderen, mits dit geen belemmering vormt voor het goede verloop van de
strafprocedure tegen de betrokkene of van andere strafprocedures. 22. Onder "persoon die de
ouderlijke verantwoordelijkheid draagt" wordt elke persoon of instantie verstaan
die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt, overeenkomstig de
omschrijving van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november
2003, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. 23. De rol van de persoon die de
ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, is van belang voor de morele en
psychologische ondersteuning en passende begeleiding van het kind. De persoon
die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, bevindt zich in een goede
positie om de bescherming van de rechten van de verdediging van het verdachte
kind te versterken (bv. door een advocaat aan te wijzen of te besluiten beroep
in te stellen). Bovendien zijn de ouders ook wettelijk aansprakelijk en kunnen
zij civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van hun kind.
24. Deze bepaling sluit aan bij
internationale regels, zoals de richtsnoeren van het Comité van ministers van
de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie, de Beijingregels en algemene
opmerking nr. 10 over de rechten van het kind bij de jeugdrechtspraak (2007)
bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. 25. Indien het in strijd zou zijn
met het belang van het kind om de persoon die de ouderlijke
verantwoordelijkheid draagt, te informeren, dient dit recht niet te worden
toegepast. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn, wanneer de persoon die
de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, bij hetzelfde strafbare feit
betrokken is als het kind en er een belangenconflict is. In dit geval dient een
andere geschikte volwassene te worden geïnformeerd en te worden verzocht
aanwezig te zijn. Onder het begrip "andere geschikte volwassene"
wordt een ander verstaan dan de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid
draagt, die als familielid of op grond van een sociale relatie tot het kind
bereid is contact met de autoriteiten te onderhouden en het kind in staat te
stellen zijn procedurele rechten uit te oefenen. Artikel 6 – Recht op een advocaat 26. Dit artikel waarborgt de
verplichte toegang tot een advocaat voor kinderen die als verdachte of
beklaagde bij een strafprocedure betrokken zijn. 27. Artikel 6, lid 3, onder c),
EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest waarborgen het recht van een
persoon op toegang tot een advocaat. In Richtlijn 2013/48/EU zijn algemene
regels vastgesteld inzake een dergelijk recht voor alle verdachten of beklaagden
in strafprocedures. Diezelfde richtlijn biedt verdachten en beklaagden echter
de mogelijkheid om afstand te doen van hun recht zich door een advocaat te
laten bijstaan. De onderhavige richtlijn biedt de aanvullende waarborg dat
kinderen geen afstand mogen doen van dit recht. 28. Het EHRM heeft er meermaals op
gewezen dat het van belang is dat kinderen vanaf het begin van de procedure en
gedurende politieverhoren worden bijgestaan door een advocaat; daarmee geeft het
aan dat kinderen grote risico's lopen als zij afstand doen van dit recht. Dat
het voor kinderen van belang is om toegang tot een advocaat te hebben, spreekt
ook uit alle relevante internationale regels, zoals de richtsnoeren van het
Comité van ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie[8], de Beijingregels[9] en algemene opmerking
nr. 10 (2007) over de rechten van het kind bij de jeugdrechtspraak bij het
VN-Verdrag inzake de rechten van het kind[10]. 29. Met betrekking tot bepaalde
lichte strafbare feiten zou verplichte toegang tot een advocaat echter
onevenredig zijn. In een aantal lidstaten zijn bepaalde lichte feiten strafbaar
gesteld; het betreft met name lichte verkeersovertredingen, lichte
overtredingen van algemene gemeentelijke verordeningen en lichte schendingen
van de openbare orde. Voor dergelijke strafbare feiten hoeven andere bevoegde
autoriteiten dan een openbare aanklager of een in strafzaken bevoegde rechtbank
het krachtens deze richtlijn verleende recht op verplichte toegang tot een
advocaat niet te waarborgen. Artikel 7 – Recht op een individuele
beoordeling 30. Dit artikel waarborgt dat elk
kind het recht heeft op een individuele beoordeling. Een dergelijke individuele
beoordeling is nodig om de specifieke behoeften van het kind wat betreft
bescherming, onderwijs, opleiding en sociale herintegratie te kunnen
vaststellen en om te kunnen bepalen of, en zo ja, in hoeverre tijdens de
strafprocedure speciale maatregelen nodig zijn voor het kind. Persoonlijke
kenmerken als rijpheid en economische en sociale achtergrond kunnen per kind
sterk verschillen. 31. De individuele beoordeling
dient plaats te vinden op een passend moment in de procedure en in elk geval
vóór de tenlastelegging. De beoordeling dient overeenkomstig het nationale
recht te worden vastgelegd. 32. Onverminderd artikel 8 van
Richtlijn 2011/36/EU dient bij een individuele beoordeling bijzondere aandacht
te worden geschonken aan kinderen die betrokken zijn bij criminele activiteiten
waartoe zij als slachtoffer van mensenhandel zijn aangezet. 33. De omvang en uitvoerigheid van
een dergelijke beoordeling kan worden afgestemd op de ernst van het strafbare
feit en op de straf die wordt opgelegd als het kind schuldig wordt bevonden aan
het ten laste gelegde strafbare feit. Zo is wellicht een grondiger beoordeling
geboden bij ernstige strafbare feiten als roof of moord. 34. De individuele beoordeling
dient gedurende de gehele strafprocedure te worden geactualiseerd en van
eerdere individuele beoordelingen van het kind mag alleen gebruik worden
gemaakt als deze zijn geactualiseerd. 35. De lidstaten mogen van deze
verplichting afwijken indien een individuele beoordeling niet evenredig is,
gelet op de omstandigheden van het geval en het feit of het kind al eerder
onder de aandacht van de betrokken autoriteiten is gekomen in het kader van een
strafprocedure. In voorkomend geval dient een voor de bescherming of het
welzijn van kinderen verantwoordelijke autoriteit ervan in kennis te worden
gesteld dat er geen individuele beoordeling wordt verricht. Artikel 8 – Recht op medisch onderzoek 36. Internationale
rechtsinstrumenten, zoals algemene opmerking nr. 10 over de rechten van het
kind bij de jeugdrechtspraak (2007) bij het VN-Verdrag inzake de rechten van
het kind, bevelen aan ervoor te zorgen dat het kind toegang tot een medisch
onderzoek door een arts en passende medische zorg krijgt zolang het zich in detentie
bevindt. Door hun jonge leeftijd en fysieke en mentale onrijpheid lijden
kinderen erger onder mishandeling en gezondheidsproblemen dan andere verdachten
of beklaagden. Vaak zullen zij niet eens in staat zijn om hun
gezondheidsklachten duidelijk kenbaar te maken. Het waarborgen van hun integriteit
vereist bijzondere zorg, met name in detentie. 37. Bij vrijheidsbeneming dient
het kind recht te hebben op een medisch onderzoek, wanneer de persoon die de
ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, de geschikte volwassene of de advocaat
van het kind. Een dergelijk medisch onderzoek dient te worden uitgevoerd door
een medisch deskundige. 38. Bij verlenging van de
vrijheidsbeneming of uitbreiding van de maatregelen met betrekking tot het kind
kan het medisch onderzoek worden herhaald. 39. Indien het medisch onderzoek
van een kind uitwijst dat de voorgenomen maatregelen in het kader van de
strafprocedure tegen het kind (zoals verhoor en detentie) onverenigbaar zijn
met de algehele mentale en fysieke conditie van het kind, dienen de bevoegde
autoriteiten passende maatregelen te nemen overeenkomstig het nationaal recht
(zoals uitstel van verhoor of medische behandeling van het kind). Er dient
terdege rekening te worden gehouden met het belang van het kind. Artikel 9 – Verhoor van kinderen 40. Het verhoor van een kind is
een potentiële risicosituatie, waarin zijn procedurele rechten en waardigheid
wellicht niet altijd worden geëerbiedigd en zijn kwetsbaarheid wellicht niet
altijd genoegzaam in aanmerking wordt genomen. 41. Om kinderen, die de inhoud van
de verhoren die hen worden afgenomen, met begrip van politieverhoren, niet
altijd begrijpen, voldoende bescherming te bieden, dienen van elk verhoor
audiovisuele opnames te worden gemaakt. Het zou echter onevenredig zijn als de
bevoegde autoriteiten in alle gevallen voor audiovisuele opnames zouden moeten
zorgen. Er dient rekening te worden gehouden met de complexiteit van de zaak, de
ernst van het ten laste gelegde strafbare feit en de sanctie die zou kunnen
worden opgelegd. Bij vrijheidsbeneming van een kind dienen van een verhoor
echter altijd opnames te worden gemaakt. 42. Deze opnames moeten alleen
toegankelijk zijn voor de gerechtelijke autoriteiten en de procespartijen met
het oog op het waarborgen van de inhoud en context. Elke openbare verspreiding
van de opnames dient te worden voorkomen. De verhoren dienen wat duur, stijl en
ritme betreft te worden aangepast aan de leeftijd en rijpheid van het betrokken
kind. Artikel 10 – Recht op vrijheid 43. Het persoonlijk recht op
vrijheid en veiligheid is verankerd in artikel 5, lid 1, EVRM en artikel 6 van
het Handvest. 44. Overeenkomstig internationale
regels, waaronder punt 79 van artikel 37 van algemene opmerking nr. 10 over de
rechten van het kind bij de jeugdrechtspraak (2007) bij het VN-Verdrag inzake
de rechten van het kind, en de aanbeveling van het Comité van Ministers van de
Raad van Europa[11],
dient elke vorm van vrijheidsbeneming bij kinderen een uiterste maatregel te
zijn en zo kort mogelijk te worden toegepast[12]. 45. Aansluitend bij deze
internationale normen zijn in deze richtlijn minimumregels betreffende detentie
vastgesteld. Dit laat onverlet dat de lidstaten deze internationale normen
inzake detentie ook na een veroordeling moeten naleven, met name wat betreft de
scheiding van kinderen en volwassenen, en de toegang tot onderwijsmaatregelen. Artikel 11 – Alternatieve maatregelen 46. Om vrijheidsbeneming bij
kinderen te voorkomen, dienen de bevoegde autoriteiten waar mogelijk alternatieve
maatregelen te nemen, indien dit in het belang van het kind is. Daarbij dient
het onder meer te gaan om de plicht zich te melden bij de bevoegde
autoriteiten, beperkingen van het contact met specifieke personen, verplichte
therapeutische of verslavingsbehandeling, en pedagogische maatregelen[13]. Artikel 12 - Recht op specifieke
behandeling bij vrijheidsbeneming 47. In bepaalde gevallen kan
vrijheidsbeneming nodig zijn, bijvoorbeeld om manipulatie van bewijsstukken en
beïnvloeding van getuigen te voorkomen en wanneer er gevaar van collusie of
vluchtgevaar is. In dergelijke gevallen dient bijzondere aandacht te worden
besteed aan de wijze waarop kinderen in detentie worden behandeld. 48. Gelet op de kwetsbaarheid van
kinderen in geval van vrijheidsbeneming, het belang van familiebanden en de
noodzaak de sociale herintegratie te bevorderen, dienen de bevoegde
autoriteiten de verwezenlijking van de in de internationale en Europese
instrumenten vervatte rechten van het kind e eerbiedigen en actief te
ondersteunen. Voorts dienen kinderen met name recht te hebben op: (a)
geregeld en zinvol contact met ouders, familie en
vrienden. Beperkingen van dit recht dienen nooit als straf te worden gebruikt; (b)
een passende vorm van onderwijs, begeleiding en
opleiding; (c)
medische zorg. 49. Overeenkomstig de
internationale normen[14]
dienen kinderen in verband met hun behoeften en kwetsbaarheid gescheiden van
volwassenen te worden vastgehouden. Wanneer een kind in detentie de leeftijd
van 18 jaar bereikt, dient het de mogelijkheid te hebben om de gescheiden detentie
voort te zetten. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de individuele
omstandigheden van de zaak. De maatregelen waarin deze richtlijn voorziet,
houden echter niet in dat er afzonderlijke detentiecentra of gevangenissen voor
kinderen moeten worden gecreëerd. Artikel 13 – Tijdige en zorgvuldige
behandeling van zaken 50. In procedures waarbij kinderen
betrokken zijn, dient het urgentiebeginsel te worden toegepast om tot een
snelle respons te komen en het belang van het kind te beschermen. Rechters
dienen bijzondere zorgvuldig te werk te gaan om te voorkomen dat de
familiebanden en sociale contacten van het kind worden aangetast. Artikel 14 – Recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer 51. Uit internationale normen
vloeit voort dat de persoonlijke levenssfeer van kinderen die als verdachte of
beklaagde bij een strafprocedure betrokken zijn, moet worden beschermd[15]. Betrokkenheid bij een
strafproces is stigmatiserend en kan met name bij kinderen nadelige gevolgen
hebben voor hun kansen op sociale herintegratie en voor hun toekomstige
beroeps- en maatschappelijk leven. De bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van kinderen die betrokken zijn bij een strafprocedure is een
cruciaal onderdeel van jeugdreclassering. 52. Jeugdzaken dienen te worden
behandeld achter gesloten deuren. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter,
met in achtneming van het belang van het kind, beslissen dat een zitting openbaar
is. 53. Voorts dienen de autoriteiten
in het belang van het kind en diens familie te voorkomen dat informatie die tot
identificatie zou kunnen leiden, openbaar wordt gemaakt (bv. naam en afbeelding
van kind en familieleden). Artikel 15 – Recht op toegang tot rechtszittingen
van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt 54. Om te waarborgen dat het kind
gedurende de rechtszittingen passende bijstand en ondersteuning krijgt, dient
de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt of een andere
geschikte volwassene als bedoeld in artikel 5 aanwezig te zijn. Artikel 16 – Recht van kinderen om
persoonlijk aanwezig te zijn bij de zitting waarop hun schuld wordt beoordeeld 55. Als kinderen niet aanwezig
zijn bij het proces, staat het recht van de verdediging op het spel. De
verweerders kunnen in dat geval hun versie van de feiten niet aan de rechter
voorleggen en hier evenmin bewijs voor aandragen. Zij zouden dan ook schuldig
kunnen worden bevonden zonder in staat te zijn gesteld om de gronden voor een
dergelijk vonnis te weerleggen. 56. Het recht aanwezig te zijn bij
het proces, of afstand te doen van dit recht na erover te zijn geïnformeerd, is
onontbeerlijk voor de uitoefening van de rechten van de verdediging. 57. Artikel 16 bepaalt dat de lidstaten
moeten waarborgen dat het recht aanwezig te zijn van toepassing is op elk
proces waarbij de schuldvraag van de beklaagde wordt beoordeeld (of het nu tot
een veroordeling of tot vrijspraak komt), overeenkomstig de rechtspraak van het
EHRM. Gelet op de consequenties die dit moment kan hebben, is het van groot
belang dat het kind hierbij aanwezig is. Artikel 17 – Procedures ter uitvoering van
een Europees aanhoudingsbevel 58. Deze richtlijn is van
toepassing op kinderen tegen wie een procedure krachtens Kaderbesluit
2002/584/JBZ loopt, vanaf het moment dat zij in de uitvoerende staat zijn
aangehouden. Het verbeteren van het EAB-systeem is een kernpunt van het derde
verslag van de Commissie over de uitvoering van het kaderbesluit van de Raad
betreffende het Europees aanhoudingsbevel[16]. 59. De bevoegde autoriteiten in de
uitvoerende lidstaten moeten de rechten overeenkomstig de huidige richtlijn
toepassen. Dit zal wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning bevorderen
doordat kinderen in de uitvoerende lidstaat eenzelfde minimumbescherming wordt
geboden als in de uitvaardigende lidstaat. 60. De procedures voor de
uitvoering van een EAB zullen niet langer gaan duren, aangezien dit artikel de
in het kaderbesluit vastgestelde uiterste termijnen onverlet laat. 61. Met het oog op het belang van
het kind en overeenkomstig internationale regels op grond waarvan elke vorm van
vrijheidsbeneming bij kinderen een uiterste maatregel dient te zijn en zo kort
mogelijk dient te worden toegepast (zie artikel 10 hierboven), moeten de
bevoegde autoriteiten alle maatregelen nemen om de duur van de
vrijheidsbeneming bij kinderen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is
uitgevaardigd, te beperken. Artikel 18 – Recht op rechtsbijstand 62. Hoewel deze richtlijn niet ten
doel heeft de rechtsbijstand te regelen, houdt zij wel in dat de lidstaten
ervoor moeten zorgen dat hun nationale rechtsbijstandsregelingen waarborgen dat
het recht op toegang tot een advocaat ook daadwerkelijk kan worden uitgeoefend.
63. Het recht van verdachte of
aangeklaagde kinderen op voorlopige rechtsbijstand wanneer hen de vrijheid is
ontnomen of wanneer er een procedure in verband met een Europees
aanhoudingsbevel tegen hen loopt, zal worden gewaarborgd door [een voorstel
voor] een richtlijn betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en
beklaagden in een strafprocedure wie de vrijheid is ontnomen en voor gezochte
personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en
door het [voorstel voor een] aanbeveling van de Commissie inzake het recht op
rechtsbijstand voor verdachten of beklaagden in strafprocedures. In het
laatstgenoemde instrument wordt de situatie van kinderen specifiek genoemd in
verband met de 'toetsing van de draagkracht' en de 'toetsing van de juridische
merites van de zaak'[17].
Artikel 19 – Opleiding 64. Personeel van justitiële,
rechtshandhavings- en penitentiaire instanties dat te maken krijgt met zaken
waarbij kinderen betrokken zijn, dient rekening te houden met de bijzondere leeftijdsgebonden
behoeften van kinderen en ervoor te zorgen dat de procedure op hen wordt
afgestemd. Daartoe dienen zij naar behoren te worden opgeleid inzake de
wettelijke rechten en leeftijdsgebonden behoeften van kinderen, de ontwikkeling
en psychologie van het kind, pedagogische vaardigheden, communicatie met
kinderen in alle leeftijden en ontwikkelingsstadia, en inzake kinderen in
bijzonder kwetsbare situaties[18].
Ook advocaten die zich toeleggen op jeugdzaken dienen een dergelijke opleiding
te volgen. 65. Partijen die kinderen ondersteuning
en diensten voor herstelrecht verlenen, dienen ook voldoende te worden opgeleid
om te waarborgen dat kinderen met respect, onpartijdig en professioneel worden
behandeld. Artikel 20 – Het verzamelen van gegevens 66. Teneinde de doeltreffendheid en
doelmatigheid van deze richtlijn te bewaken en te evalueren dienen de lidstaten
betrouwbare gegevens te verzamelen over de uitoefening van de in deze richtlijn
vervatte rechten. Tot de relevante gegevens behoren gegevens die zijn
geregistreerd door de gerechtelijke autoriteiten en rechtshandhavingsinstanties
en, in voorkomend geval, administratieve gegevens die zijn bijeengebracht door
diensten voor gezondheidszorg of maatschappelijk welzijn. Artikel 21 – Kosten 67. De kosten die uit de
toepassing van deze richtlijn voortvloeien met betrekking tot de beoordeling
van het kind, het medisch onderzoek en audiovisuele opnames moeten worden
gedragen door de lidstaten, ook als het verdachte of aangeklaagde kind wordt
veroordeeld. Artikel 22 – Non-regressieclausule 68. Dit artikel zorgt ervoor dat
de vaststelling van gemeenschappelijke minimumvoorschriften overeenkomstig deze
richtlijn niet leidt tot minder strenge voorschriften in bepaalde lidstaten en
dat de voorschriften die in het Handvest en in het EVRM zijn vastgesteld,
gehandhaafd blijven. Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumregels, blijft
het de lidstaten vrijstaan om strengere normen vast te stellen dan hetgeen in
deze richtlijn is bepaald. Artikel 23 – Omzetting 69. De lidstaten moeten de
richtlijn uiterlijk [24 maanden na de bekendmaking ervan] tenuitvoerleggen en
uiterlijk op diezelfde datum aan de Commissie de tekst toezenden van de
bepalingen waarmee de richtlijn in hun nationale recht wordt omgezet. 70. De lidstaten dienen de
kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of
meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de
overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.
Artikel 24 – Inwerkingtreding 71. Dit artikel bepaalt dat de
richtlijn in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. 4. subsidiariteitsbeginsel 72. De doelstelling van dit
voorstel kan niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt,
aangezien deze richtlijn erop is gericht het wederzijds vertrouwen tussen de
lidstaten te bevorderen en het derhalve van belang is overeenstemming te
bereiken over gemeenschappelijke minimumnormen inzake procedurele waarborgen die
in de hele Europese Unie gelden voor kinderen die als verdachte of beklaagde
bij een strafprocedure betrokken zijn. In de effectbeoordeling bij het voorstel
voor een richtlijn wordt uitgebreider ingegaan op de noodzaak van EU-optreden
en wordt nader uitgelegd waarom maatregelen inzake procedurele waarborgen voor
kinderen die bij een strafprocedure betrokken zijn, beter door de EU kunnen
worden genomen. 5. evenredigheidsbeginsel 73. Het voorstel is in
overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het is beperkt tot het minimum
dat vereist is om de genoemde doelstelling op Europees niveau te
verwezenlijken, en gaat niet verder dan wat daartoe nodig is. Maatregelen tot
verdere harmonisering van normen, bijvoorbeeld inzake de strafrechtelijke
meerderjarigheid, de oprichting van jeugdrechtbanken en regels inzake
buitengerechtelijke afdoening, zouden tot ingrijpende veranderingen in de
strafrechtsstelsels van de lidstaten hebben geleid en zijn verworpen. Met het
oog op de evenredigheid van het EU-optreden omvat deze richtlijn dan ook geen
volledig pakket regels voor strafprocedures waarbij kinderen betrokken zijn.
Zij stelt slechts de minimumregels vast die absoluut noodzakelijk worden geacht
voor de verwezenlijking van de doelstelling om tot een doeltreffende norm
inzake de bescherming van kinderen te komen en zowel het wederzijds vertrouwen
als de justitiële samenwerking te bevorderen. 6. gevolgen voor de begroting 74. Dit voorstel heeft geen
gevolgen voor de begroting van de EU. 2013/0408 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende procedurele waarborgen voor
kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[19], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[20], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) Deze richtlijn heeft ten doel
procedurele waarborgen vast te stellen om te verzekeren dat kinderen die
verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure deze procedure kunnen
begrijpen en volgen, om dergelijke kinderen in staat te stellen hun recht op
een eerlijk proces uit te oefenen, om recidive bij kinderen te voorkomen en om hun
sociale integratie te bevorderen. (2) Door minimumnormen vast te
stellen voor de bescherming van de procedurele rechten van verdachten of
beklaagden, dient deze richtlijn het vertrouwen van de lidstaten in de
strafrechtsstelsels van andere lidstaten te versterken; aldus kan de richtlijn
de wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken helpen verbeteren.
Voorts dienen dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften op het hele
grondgebied van de lidstaten de belemmeringen voor het vrije verkeer van
burgers weg te nemen. (3) Hoewel alle lidstaten partij
zijn bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,
heeft de ervaring geleerd dat deze omstandigheid op zich niet altijd zorgt voor
voldoende vertrouwen in de strafrechtsstelsels van andere lidstaten. (4) Het programma van Stockholm[21] legde sterk de nadruk
op het versterken van de rechten van het individu in strafprocedures. In punt
2.4 ervan verzocht de Europese Raad de Commissie om voorstellen in te dienen
voor een stapsgewijze versterking[22]
van de rechten van verdachten en beklaagden. (5) Tot dusver zijn er drie
maatregelen vastgesteld, namelijk Richtlijn 2010/64/EU van het Europees
Parlement en de Raad[23],
Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad[24] en Richtlijn
2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad[25]. (6) Deze richtlijn strekt tot
bevordering van de rechten van het kind en houdt rekening met de richtsnoeren
van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie. (7) Aan kinderen die verdachte of
beklaagde zijn in een strafzaak, dient bijzondere aandacht te worden geschonken
om hun mogelijkheden tot ontwikkeling en sociale herintegratie te behouden. (8) Deze richtlijn dient van
toepassing te zijn op kinderen, dat wil zeggen op personen die nog geen 18 jaar
oud zijn op het moment dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een
strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht hun leeftijd gedurende de
strafprocedure tot en met de definitieve uitspraak. (9) Deze richtlijn dient ook van
toepassing te zijn op strafbare feiten die eenzelfde verdachte of beklaagde na
het bereiken van de leeftijd van 18 jaar heeft gepleegd en die gezamenlijk
worden onderzocht en vervolgd omdat deze onlosmakelijk verbonden zijn met de
strafbare feiten in verband waarmee een strafprocedure is ingeleid toen de
betrokkene nog geen 18 jaar oud was. (10) Wanneer iemand ouder is dan 18
jaar wanneer hij verdachte of beklaagde in een strafzaak wordt, doen de
lidstaten er goed aan om de procedurele waarborgen van deze richtlijn toe te
passen tot de betrokkene de leeftijd van 21 jaar bereikt. (11) De lidstaten dienen de
leeftijd van kinderen vast te stellen op basis van de verklaringen van de
kinderen zelf, controles van hun burgerlijke staat, documentenonderzoek, overig
bewijs en, indien dergelijk bewijs niet beschikbaar of niet overtuigend is,
medisch onderzoek. (12) Deze richtlijn dient ten
uitvoer te worden gelegd met inachtneming van de bepalingen van Richtlijn
2012/13/EU en Richtlijn 2013/48/EU. Informatie over lichte strafbare feiten
dient te worden verstrekt onder dezelfde voorwaarden als die van artikel 2, lid
2, van Richtlijn 2012/13/EU. Gelet op de specifieke behoeften van kinderen
bevat deze richtlijn echter nadere aanvullende waarborgen met betrekking tot de
informatie die de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, moet
worden verschaft, en inzake de verplichte toegang tot een advocaat, met het oog
op de specifieke behoeften van kinderen. (13) Als een kind zijn vrijheid wordt ontnomen, dient de verklaring van
rechten die het kind krachtens artikel 4 van Richtlijn 2012/13/EU wordt
verstrekt, duidelijke informatie te bevatten over de rechten die hij op grond
van deze richtlijn geniet. (14) Onder de term "persoon
die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt" wordt een ieder verstaan
die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt, overeenkomstig de
omschrijving van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad[26]. Onder
"ouderlijke verantwoordelijkheid" worden alle rechten en
verplichtingen verstaan die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een
rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon
zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind,
waaronder het gezagsrecht en het omgangsrecht. (15) Kinderen dienen het recht te
hebben de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, mondeling of
schriftelijk te laten informeren over de toepasselijke procedurele rechten.
Deze informatie dient onverwijld te worden verstrekt en wel zo gedetailleerd
als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de
daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging van het kind te
waarborgen. Indien het in strijd zou zijn met het belang van het kind om de
persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt van deze rechten in
kennis te stellen, dient een andere geschikte volwassene op de hoogte te worden
gebracht. (16) Kinderen dienen geen afstand
te kunnen doen van hun recht op toegang tot een advocaat, omdat zij niet in
staat zijn een strafprocedure volledig te begrijpen en te volgen. De
aanwezigheid of bijstand van een advocaat dient voor kinderen dan ook verplicht
te zijn. (17) In sommige lidstaten is een
andere autoriteit dan een openbare aanklager of een in strafzaken bevoegde
rechtbank bevoegd om voor relatief lichte strafbare feiten andere straffen op
te leggen dan vrijheidsbeneming. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking
tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen
worden vastgesteld bij een verkeerscontrole. Het zou onredelijk zijn als de
bevoegde autoriteiten in dergelijke situaties de verplichte toegang tot een
advocaat zouden moeten waarborgen. Indien het recht van een lidstaat erin
voorziet dat voor lichte strafbare feiten een dergelijke autoriteit een straf
oplegt, en indien ofwel daartegen beroep kan worden ingesteld ofwel de zaak
anderszins kan worden doorverwezen naar een in strafzaken bevoegde rechtbank,
dient de verplichte toegang tot een advocaat alleen van toepassing te zijn op
de procedure die bij die rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dat beroep
of die verwijzing. In bepaalde lidstaten kunnen procedures waarbij kinderen
betrokken zijn, worden behandeld door openbare aanklagers die straffen mogen
opleggen. In dergelijke procedures dienen kinderen verplicht toegang tot een
advocaat te hebben. (18) In bepaalde lidstaten is een
aantal lichte feiten strafbaar gesteld; het betreft met name lichte
verkeersovertredingen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke
verordeningen en lichte schendingen van de openbare orde. Het zou onevenredig
zijn als de bevoegde autoriteiten in verband met zulke lichte strafbare feiten
de verplichte toegang tot een advocaat zouden moeten waarborgen. Indien het
recht van een lidstaat bepaalt dat lichte strafbare feiten niet met
vrijheidsbeneming kunnen worden bestraft, dient het recht op verplichte toegang
tot een advocaat derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een
in strafzaken bevoegde rechtbank. (19) Kinderen die als verdachte of
beklaagde bij een strafprocedure betrokken zijn, dienen er recht op te hebben
dat hun specifieke behoeften wat betreft bescherming, onderwijs, opleiding en
sociale integratie door middel van een individuele beoordeling worden
vastgesteld, zodat kan worden bepaald of, en zo ja, in hoeverre tijdens de
strafprocedure voor hen speciale maatregelen nodig zijn, in hoeverre zij
strafrechtelijk aansprakelijk zijn en of een straf of pedagogische maatregel
voor hen passend is. (20) Om de persoonlijke integriteit
te waarborgen van een kind dat is aangehouden of in detentie is, dient het kind
toegang te hebben tot een medisch onderzoek. Dit medisch onderzoek dient te
worden uitgevoerd door een arts. (21) Om kinderen, die de inhoud van
de verhoren die hen worden afgenomen, niet altijd begrijpen, voldoende
bescherming te bieden, teneinde te voorkomen dat de inhoud van een verhoor
wordt aangevochten en de betrokkene opnieuw moet worden ondervraagd, dienen van
elk verhoor van een kind audiovisuele opnames te worden gemaakt. Dit geldt niet
voor de vragen die worden gesteld om het kind te identificeren. (22) Het zou echter onevenredig
zijn als de bevoegde autoriteiten in alle omstandigheden voor audiovisuele
opnames zouden moeten zorgen. Er dient rekening te worden met de complexiteit
van de zaak, de ernst van het ten laste gelegde strafbare feit en de straf die
zou kunnen worden opgelegd. Indien een kind voor zijn veroordeling zijn
vrijheid wordt ontnomen, dienen van elk verhoor audiovisuele opnames te worden
gemaakt. (23) Dergelijke audiovisuele
opnames dienen uitsluitend voor de gerechtelijke autoriteiten en de
procespartijen toegankelijk te zijn. Bij het ondervragen van kinderen dient
bovendien rekening te worden gehouden met hun leeftijd en rijpheid. (24) Wat betreft de beslissing
inzake rechtsbijstand dienen de lidstaten regels na te streven die waarborgen
dat kinderen het recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk kunnen
uitoefenen. (25) Kinderen die zich in detentie
bevinden, verkeren in een bijzonder kwetsbare positie. Er dient uitdrukkelijk
naar te worden gestreefd om vrijheidsbeneming bij kinderen te voorkomen, gelet
op de inherente risico's voor hun lichamelijke, psychische en sociale
ontwikkeling. De bevoegde autoriteiten dienen alternatieve maatregelen te
overwegen en deze op te leggen wanneer dit in het belang is van het kind. Daarbij
kan het gaan om de verplichting zich te melden bij een bevoegde autoriteit,
beperking van het contact met specifieke personen, verplichte therapeutische of
verslavingsbehandeling, en pedagogische maatregelen. (26) Wanneer kinderen een
vrijheidsbeneming wordt opgelegd, dienen voor hen speciale
beschermingsmaatregelen te gelden. Zij dienen met name gescheiden van
volwassenen te worden vastgehouden, tenzij dit niet in het belang van het kind
wordt geacht, overeenkomstig artikel 37, onder c), van het VN-Verdrag inzake de
rechten van het kind. Bereikt een kind in detentie de leeftijd van 18 jaar, dan
dient de mogelijkheid te bestaan om de afzonderlijke detentie voort te zetten,
wanneer de individuele omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen. Er dient
met name aandacht te worden besteed aan de wijze waarop kinderen in detentie
worden behandeld, gelet op hun inherente kwetsbaarheid. Kinderen dienen toegang
te hebben tot de onderwijsfaciliteiten die zij nodig hebben. (27) Personen die beroepsmatig
rechtstreeks in contact komen met kinderen, dienen rekening te houden met de leeftijdsgebonden
behoeften van kinderen en ervoor te zorgen dat de procedure op hen wordt
afgestemd. Zij dienen dan ook speciaal te worden opgeleid om met kinderen om te
gaan. (28) Jeugdzaken dienen achter
gesloten deuren te worden behandeld, teneinde de persoonlijke levenssfeer van
de kinderen te beschermen en hun sociale herintegratie te bevorderen. In
uitzonderlijke gevallen kan de rechter, met in achtneming van het belang van
het kind, beslissen dat een hoorzitting openbaar is. (29) Om te waarborgen dat kinderen
passende bijstand en ondersteuning krijgen, dient de persoon die de ouderlijke
verantwoordelijkheid draagt of een andere geschikte volwassene toegang te
hebben tot de rechtszittingen waarbij het verdachte of aangeklaagde kind
betrokken is. (30) Het recht van een verdachte om
tijdens het proces in persoon te verschijnen, berust op het recht op een
eerlijk proces dat is vervat in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd door het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens. (31) De in deze richtlijn vervatte
rechten dienen vanaf de aanhouding in de uitvoerende lidstaat van toepassing te
zijn op kinderen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. (32) De in deze richtlijn bedoelde
individuele beoordelingen, medische onderzoeken en audiovisuele opnames mogen
geen kosten meebrengen voor het kind. (33) Teneinde de doeltreffendheid
van deze richtlijn te bewaken en te evalueren dienen de lidstaten gegevens te
verzamelen over de tenuitvoerlegging van de in deze richtlijn vervatte rechten.
Daarbij gaat het onder meer om gegevens die door de justitiële autoriteiten en
rechtshandhavingsinstanties zijn geregistreerd alsmede, voor zover mogelijk, om
administratieve gegevens die zijn verzameld door diensten voor gezondheidszorg
of maatschappelijk welzijn, met betrekking tot de in deze richtlijn vervatte
rechten, met name wat betreft het aantal kinderen dat toegang is geboden tot
een advocaat, het aantal individuele beoordelingen dat is uitgevoerd, het
aantal verhoren waarvan audiovisuele opnames zijn gemaakt en het aantal
kinderen wie hun vrijheid is ontnomen. (34) Deze richtlijn eerbiedigt de
door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden erkende fundamentele rechten en
beginselen, zoals het verbod op foltering en onmenselijke en onterende
behandeling, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het
privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op menselijke
integriteit, de rechten van het kind, de integratie van mensen met een
handicap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een
eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging.
Deze richtlijn dient te worden toegepast overeenkomstig deze rechten en
beginselen. (35) In deze richtlijn worden
minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten mogen de in deze richtlijn
opgenomen rechten uitbreiden teneinde in een hoger niveau van bescherming te
voorzien. Dit hogere beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de
wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die door deze
minimumvoorschriften moet worden bevorderd. Het beschermingsniveau mag onder geen
beding achterblijven bij de normen van het Handvest van de Grondrechten van de
Europese Unie of het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, als uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van
Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof van de Rechten van Mens. (36) Aangezien de doelstellingen van
deze richtlijn, namelijk het vaststellen van gemeenschappelijke minimumnormen
inzake procedurele waarborgen voor kinderen die als verdachte of beklaagde bij
een strafprocedure betrokken zijn, niet voldoende door de lidstaten kunnen
worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang van de maatregel beter door de
Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5
van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde
subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde
artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan
nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (37) [Overeenkomstig artikel 3 van
Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland
ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat gehecht is aan
het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, hebben deze lidstaten kennis gegeven van hun wens
om aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn deel te nemen] OF
[Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie
van het Verenigd Koninkrijk en Ierland in verband met het gebied van vrijheid,
veiligheid en recht, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese
Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en
onverminderd artikel 4 van genoemd protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en
Ierland niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet
bindend voor, noch van toepassing in deze landen][27]; (38) Overeenkomstig de artikelen 1
en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken,
gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming
van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in
Denemarken, (39) Overeenkomstig de gezamenlijke
politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011
over toelichtende stukken[28]
hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de
kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of
meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de
overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.
Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die
stukken gerechtvaardigd, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 Voorwerp Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften met
betrekking tot bepaalde rechten van kinderen die als verdachte of beklaagde bij
een strafprocedure betrokken zijn en van kinderen tegen wie een procedure van
overlevering loopt krachtens Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad[29] ("procedure ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel"). Artikel 2 Toepassingsgebied 1. Deze richtlijn is van
toepassing op kinderen tegen wie een strafprocedure loopt, vanaf het moment dat
zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan
tot de beëindiging van de strafprocedure. 2. Deze richtlijn is van
toepassing op kinderen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel loopt, vanaf ogenblik waarop de uitvoerende lidstaat hun
aanhoudt. 3. Deze richtlijn is van
toepassing op verdachten en beklaagden tegen wie strafprocedures als bedoeld in
lid 1 lopen en op personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel als bedoeld in lid 2 loopt, wanneer zij gedurende deze
procedures de volwassen leeftijd hebben bereikt, maar nog kind waren toen deze
werden ingeleid. 4. Deze richtlijn is ook van
toepassing op kinderen die geen verdachte of beklaagde zijn, maar in de loop
van een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie
verdachte of beklaagde worden. 5. Deze richtlijn laat de
nationale voorschriften voor de vaststelling van strafrechtelijke meerderjarigheid
onverlet. Artikel 3 Omschrijving Voor de toepassing van deze richtlijn
wordt onder "kind" verstaan een persoon die jonger dan 18 jaar is. Artikel 4 Recht op
informatie van kinderen 1. De lidstaten waarborgen dat
kinderen onverwijld worden geïnformeerd over hun rechten overeenkomstig
Richtlijn 2012/13/EU. Ook worden zij geïnformeerd over de volgende rechten, die
eveneens onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2012/13/EU vallen: (1)
hun recht om de personen die de ouderlijke
verantwoordelijkheid dragen, te laten informeren, overeenkomstig artikel 5, (2)
hun recht op een advocaat, overeenkomstig artikel
6, (3)
hun recht op een individuele beoordeling,
overeenkomstig artikel 7, (4)
hun recht op een medisch onderzoek, overeenkomstig
artikel 8, (5)
hun recht op vrijheid en hun recht op een specifieke
behandeling in detentie, overeenkomstig de artikelen 10 en 12, (6)
hun recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, overeenkomstig artikel 14, (7)
hun recht op toegang tot de rechtszittingen van de
personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen,, overeenkomstig artikel
15, (8)
hun recht om tijdens het proces in persoon te
verschijnen, overeenkomstig artikel 16, (9)
hun recht op rechtsbijstand, overeenkomstig artikel
18. 2. De lidstaten waarborgen dat
in de verklaring van rechten die kinderen bij vrijheidsbeneming wordt verstrekt
uit hoofde van Richtlijn 2012/13/EU, hun rechten krachtens de onderhavige
richtlijn zijn opgenomen. Artikel 5 Recht van het
kind om de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, te laten
informeren De lidstaten waarborgen dat de informatie die
het kind overeenkomstig artikel 4 ontvangt, wordt verstrekt aan de persoon die
de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt, of, indien zulks in
strijd zou zijn met het belang van het kind, aan een andere geschikte
volwassene. Artikel 6 Het recht op
verplichte toegang tot een advocaat 1. De lidstaten waarborgen dat
kinderen gedurende de hele strafprocedure door een advocaat worden bijgestaan
overeenkomstig Richtlijn 2013/48/EU. Van het recht op toegang tot een advocaat
kan geen afstand worden gedaan. 2. Het recht op toegang tot een
advocaat is ook van toepassing op strafprocedures die ertoe kunnen leiden dat
de openbare aanklager definitief van strafvervolging afziet wanneer het kind
aan bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Artikel 7 Recht op een
individuele beoordeling 1. De lidstaten waarborgen dat
er rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kinderen wat betreft
bescherming, onderwijs, opleiding en sociale integratie. 2. Daartoe worden kinderen individueel
beoordeeld. Bij de beoordeling wordt in het bijzonder rekening gehouden met de
persoonlijkheid en rijpheid van het kind en met zijn economische en sociale
achtergrond. 3. De individuele beoordeling
vindt plaats op een passend moment in de procedure en in elk geval vóór de
tenlastelegging. 4. De omvang en de uitvoerigheid
van de individuele beoordeling hangen af van de omstandigheden van het geval,
de ernst van het ten laste gelegde strafbare feit, de straf die wordt opgelegd
als het kind schuldig wordt bevonden aan het ten laste gelegde strafbare feit,
en het feit of het kind al eerder onder de aandacht van de betrokken
autoriteiten is gekomen in het kader van een strafprocedure. 5. Het kind wordt nauw bij de
individuele beoordeling betrokken. 6. Indien de elementen die ten
grondslag liggen aan de individuele beoordeling substantieel veranderen, zorgen
de lidstaten ervoor dat de individuele beoordeling tijdens de gehele
strafprocedure wordt geactualiseerd. 7. De lidstaten mogen afwijken
van de in lid 1 vervatte verplichting indien een dergelijke beoordeling niet
evenredig is, gelet op de omstandigheden van het geval en het feit of het kind
al eerder onder de aandacht van de betrokken autoriteiten is gekomen in het
kader van een strafprocedure. Artikel 8 Recht op
medisch onderzoek 1. Bij vrijheidsbeneming van een
kind waarborgen de lidstaten dat het kind toegang heeft tot een medisch
onderzoek, waarbij met name de algemene mentale en fysieke gesteldheid van het
kind wordt beoordeeld om vast te stellen in hoeverre het betrokken kind in
staat is om een verhoor, of een andere onderzoekshandeling of procedure voor
het vergaren van bewijsmateriaal te ondergaan, dan wel enige andere maatregel
die met betrekking tot het kind is genomen of gepland. 2. De volgende personen hebben
het recht om een medisch onderzoek aan te vragen: (a)
het kind, (b)
de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid
draagt of de geschikte volwassene bedoeld in artikel 5, (c)
de advocaat van het kind. 3. De conclusies van het medisch
onderzoek worden schriftelijk vastgelegd. 4. De lidstaten waarborgen dat
het medisch onderzoek wordt herhaald wanneer de omstandigheden daartoe nopen. Artikel 9 Verhoren van
kinderen 1. De lidstaten waarborgen dat
van elk verhoor van kinderen dat de politie of andere rechtshandhavings- of
justitiële autoriteiten afnemen vóór de tenlastelegging, audiovisuele opnames
worden gemaakt, tenzij zulks niet evenredig is, gelet op de complexiteit van de
zaak, de ernst van het ten laste gelegde strafbare feit en de straf die zou
kunnen worden opgelegd. 2. Van een verhoor van kinderen
worden in elk geval audiovisuele opnames gemaakt indien het kind zijn vrijheid
is ontnomen, ongeacht de fase van de strafprocedure. 3. Lid 1 doet geen afbreuk aan
de mogelijkheid om vragen te stellen met het oog op de identificatie van het
kind, zonder dat daarvan dergelijke audiovisuele opnames worden gemaakt. Artikel 10 Recht op
vrijheid 1. De lidstaten waarborgen dat
kinderen voorafgaand aan hun veroordeling de vrijheid uitsluitend wordt ontnomen
als uiterste maatregel en wel zo kort mogelijk. Er wordt rekening gehouden met
de leeftijd en de individuele situatie van het kind. 2. De lidstaten waarborgen dat
vrijheidsbeneming van kinderen voorafgaand aan hun veroordeling onderworpen is
aan periodieke toetsing door een rechter. Artikel 11 Alternatieve
maatregelen 1. De lidstaten waarborgen dat
ook als aan de voorwaarden voor vrijheidsbeneming wordt voldaan, de bevoegde
autoriteiten waar mogelijk gebruikmaken van alternatieve maatregelen. 2. Bij alternatieve maatregelen
kan het gaan om: (a)
de verplichting dat het kind verblijf moet houden
op een specifieke plaats, (b)
beperkingen van het contact met specifieke
personen, (c)
de plicht zich te melden bij de bevoegde
autoriteiten, (d)
therapeutische of verslavingsbehandeling, (e)
deelname aan pedagogische maatregelen. Artikel 12 Recht op
specifieke behandeling bij vrijheidsbeneming 1. De lidstaten waarborgen dat
kinderen gescheiden van volwassenen worden vastgehouden, tenzij het in het
belang van het kind wordt geacht om hiervan af te wijken. Bereikt een kind in detentie
de leeftijd van 18 jaar, dan voorzien de lidstaten in de mogelijkheid om de
gescheiden detentie voort te zetten, wanneer de individuele omstandigheden van
de persoon in detentie dit rechtvaardigen. 2. De lidstaten nemen gedurende
de vrijheidsbeneming alle passende maatregelen om: (a)
de gezondheid en fysieke ontwikkeling van het kind
te waarborgen en te beschermen, (b)
het recht op onderwijs en opleiding van het kind te
waarborgen, (c)
de daadwerkelijke en geregelde uitoefening van het
recht op eerbiediging van het familie-en gezinsleven, met inbegrip van de
instandhouding van de familiebanden, te waarborgen, (d)
de ontwikkeling van het kind en diens toekomstige
integratie in de samenleving te bevorderen. Artikel 13 Tijdige en
zorgvuldige behandeling van zaken 1. De lidstaten waarborgen dat
strafprocedures waarbij kinderen betrokken zijn, met spoed en de nodige
zorgvuldigheid worden behandeld. 2. De lidstaten waarborgen dat
kinderen worden behandeld op een wijze die past bij hun leeftijd, hun
bijzondere behoeften, hun rijpheid en hun begripsvermogen, en dat rekening
wordt gehouden met de communicatieproblemen die zij mogelijkerwijs ondervinden. Artikel 14 Recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer 1. De lidstaten waarborgen dat
strafprocedures waarbij kinderen betrokken zijn, achter gesloten deuren plaatsvinden,
tenzij uitzonderlijke omstandigheden een afwijking wettigen, met inachtneming
van de belangen van het kind. 2. De lidstaten waarborgen dat
de bevoegde autoriteiten in strafprocedures passende maatregelen nemen om de
persoonlijke levenssfeer van het kind en familieleden te beschermen, met
inbegrip van hun namen en beeltenissen. De lidstaten waarborgen dat de bevoegde
autoriteiten informatie die tot identificatie van het kind zou kunnen leiden,
niet openbaar maken. 3. De lidstaten waarborgen dat
de in artikel 9, lid 1, bedoelde opnames niet openbaar worden gemaakt. Artikel 15 Recht op
toegang tot rechtszittingen van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid
draagt De lidstaten waarborgen dat de persoon die de
ouderlijke verantwoordelijkheid draagt of een andere geschikte volwassene als
bedoeld in artikel 5 toegang heeft tot de rechtszittingen waarbij het kind
betrokken is. Artikel 16 Recht van
kinderen om persoonlijk aanwezig te zijn bij de zitting waarop hun schuld wordt
beoordeeld 1. De lidstaten waarborgen dat
kinderen aanwezig zijn bij het proces. 2. De lidstaten waarborgen dat
wanneer kinderen niet aanwezig waren bij de zitting die tot een beslissing
inzake hun schuld leidde, zij het recht hebben op een procedure waarbij zij
recht op deelname hebben en waarbij de zaak opnieuw ten gronde kan wordt
behandeld, nieuw bewijs kan worden onderzocht en de oorspronkelijke beslissing
kan worden herzien. Artikel 17 Procedures ter
uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel 1. De lidstaten waarborgen dat
een gezocht kind in de uitvoerende lidstaat bij aanhouding op grond van een
procedure in verband met een Europees aanhoudingsbevel de in de artikelen 4, 5,
6, 8, 10, 11, 12, 14, 15 en 18 bedoelde rechten geniet. 2. Onverminderd artikel 12 van
Kaderbesluit 2002/584/JBZ nemen de uitvoerende autoriteiten alle maatregelen
die nodig zijn om de vrijheidsbeneming van kinderen tegen wie een procedure in
verband met een Europees aanhoudingsbevel loopt, zoveel mogelijk in duur te
beperken. Artikel 18 Recht op
rechtsbijstand De lidstaten waarborgen dat de nationaal
wetgeving inzake rechtsbijstand de daadwerkelijke uitoefening van het in
artikel 6 bedoelde recht op toegang tot een advocaat garandeert. Artikel 19 Opleiding 1. De lidstaten waarborgen dat
het personeel van justitiële, rechtshandhavings- en penitentiaire instanties
dat te maken krijgt met zaken waarbij kinderen betrokken zijn, deskundigen zijn
die zich toeleggen op strafprocedures waarbij kinderen betrokken zijn. Zij
volgen specifieke opleiding inzake de wettelijke rechten van kinderen,
geschikte verhoortechnieken, kinderpsychologie, kindvriendelijk taalgebruik en
pedagogische vaardigheden. 2. De lidstaten waarborgen dat
advocaten die kinderen verdedigen, dergelijke opleiding eveneens volgen. 3. Via hun overheidsdiensten of
door subsidiëring van kinderhulporganisaties stimuleren de lidstaten
initiatieven die ervoor zorgen dat degenen die diensten voor ondersteuning en
herstelrecht aanbieden, passende opleiding krijgen, op een niveau dat aangepast
is aan hun contact met het kind, en professionele normen in acht nemen,
teneinde te garanderen dat zij deze diensten op een onpartijdige, respectvolle
en professionele manier verlenen. Artikel 20 Het verzamelen
van gegevens 1. De lidstaten zenden de
Commissie uiterlijk op […] en vervolgens om de drie jaar, gegevens toe over de
wijze waarop de in deze richtlijn vervatte rechten ten uitvoer zijn gelegd. 2. Dergelijke gegevens omvatten
met name het aantal kinderen dat toegang tot een advocaat is geboden, het
aantal individuele beoordelingen dat is verricht, het aantal verhoren waarvan
audiovisuele opnames zijn gemaakt en het aantal kinderen dat de vrijheid is
ontnomen. Artikel 21 Kosten De lidstaten dragen de kosten die uit de
toepassing van de artikelen 7, 8 en 9 voortvloeien, ongeacht de uitkomst van de
procedure. Artikel 22 Non-regressieclausule Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag
worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele
waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM of andere toepasselijke
bepalingen van het internationale recht, met name het VN-Verdrag inzake de
rechten van het kind, of het recht van lidstaten dat een hoger
beschermingsniveau biedt. Artikel 23 Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op
[24 maanden na de bekendmaking daarvan] aan deze richtlijn te voldoen. Zij
stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. 2. Wanneer de lidstaten die
bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële
bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing
worden vastgesteld door de lidstaten. 3. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder
deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 24 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Artikel 25 Adressaten Deze richtlijn
is gericht aan de lidstaten overeenkomstig de Verdragen. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter [1] PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1. [2] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de
regio’s, 15.2.2011, COM(2011) 60 definitief. [3] Richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het
recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010,
blz. 1). [4] Richtlijn 2012/13/EU betreffende het recht op informatie
in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1). [5] Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang
tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een
Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten
brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten
te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1). [6] Wanneer het Europees Hof voor de rechten van de mens een
mogelijke schending van artikel 6 van het EVRM onderzoekt in verband met
verdachten of beklaagden die als kwetsbaar kunnen worden aangemerkt, hanteert
zij als leidend beginsel dat moet worden vastgesteld of de betrokkene al dan
niet in staat was daadwerkelijk aan het proces deel te nemen. [7] Artikel 1 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het
kind. [8] Punt 37 (tot en met 43). [9] Punt 15.1. [10] Punt 49. [11] Aanbeveling van het Comité van Ministers (2008), 11,
inzake de Europese regels voor jeugdige delinquenten, punt 59.1; Richtsnoeren
van het Comité van Ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke
justitie, punt 19. [12] Groenboek "Versterking van het wederzijds vertrouwen
in de Europese rechtsruimte", hoofdstuk 5 over kinderen, COM(2011) 327
definitief, 14.6.2011. [13] Zie artikel 8 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad
van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese
Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake
toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PB L 294 van
11.11.2009, blz. 20). [14] Artikel 37 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het
kind, artikel 13.4 van de Beijingregels, Richtsnoeren van het Comité van
Ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie, punt
IV.A.6.20. [15] Richtsnoeren van het Comité van Ministers van de Raad van
Europa voor kindvriendelijke justitie, punt IV.A.2.6. [16] Verslag van de Commissie aan de het Europees Parlement en
de Raad over de uitvoering sinds 2007 van het kaderbesluit van de Raad van 13
juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van
overlevering tussen de lidstaten, – COM(2011) 175, 11.4.2011. [17] Zie de punten 6 en 12. [18] Dit vloeit ook voort uit internationale normen als artikel
40, leden 1 en 3, van het IVRK en punt 63 van de richtsnoeren van het Comité
van Ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie. [19] PB C , , blz. . [20] PB C , , blz. . [21] PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1. [22] PB C 291 van 4.12.2009, blz. 1. [23] Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in
strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1). [24] Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L
142 van 1.6.2012, blz. 1). [25] Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in
strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees
aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf
de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren
tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1). [26] Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november
2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (PB L 338 van 23.12.2003,
blz. 1). [27] De definitieve formulering van deze overweging van de
richtlijn zal afhangen van de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland,
overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 21. [28] PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14. [29] Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van
13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures
van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1).