This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0715
Proposal for a COUNCIL DIRECTIVE amending Directive 2009/71/EURATOM establishing a Community framework for the nuclear safety of nuclear installations
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2009/71/EURATOM tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2009/71/EURATOM tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties
/* COM/2013/0715 final - 2013/0340 (NLE) */
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2009/71/EURATOM tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties /* COM/2013/0715 final - 2013/0340 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL 1.1. Algemene context Het ongeval met de kerncentrale van Fukushima
Daiichi in 2011 heeft aanzienlijke economische, maatschappelijke en
milieuschade tot gevolg gehad en heeft bezorgdheid doen rijzen over de eventuele
effecten op de gezondheid van de betrokken bevolking in Japan. Hoewel het
ongeval werd veroorzaakt door een aardbeving en tsunami van ongekende
magnitude, zijn uit het onderzoek naar de oorzaken van het ongeval een reeks
voorspelbare elementen aan het licht gekomen die in combinatie met elkaar tot
een catastrofaal resultaat hebben geleid. De analyse van het Fukushima-ongeval
heeft bepaalde fundamentele en steeds terugkerende technische problemen aan het
licht gebracht, alsook persistente institutionele zwakheden die enigszins te
vergelijken zijn met die welke in de evaluaties van de Three Mile Island- en
Tsjernobyl-ongevallen van enkel decennia geleden zijn geanalyseerd. Het
nucleaire ongeval in Japan heeft eens te meer het vertrouwen van het publiek in
de veiligheid van kernenergie ondermijnd, juist nu over het gebruik van
kernenergie wordt gesproken als een mogelijke optie om op duurzame wijze aan de
wereldwijde energievraag te voldoen. Het ongeval in de kerncentrale van Fukushima
heeft opnieuw de aandacht gevestigd op het feit dat het bijzonder belangrijk is
om in de EU en wereldwijd een maximaal niveau van nucleaire veiligheid te
waarborgen. Kernenergie is momenteel goed voor bijna 30%
van alle in de EU geproduceerde elektriciteit en voor ongeveer twee derde van
de op CO2-arme wijze geproduceerde elektriciteit. In de EU worden 132 reactoren
geëxploiteerd, wat ongeveer een derde is van de 437 kernreactoren die
wereldwijd in bedrijf zijn. Veel van de kerncentrales in de EU zijn reeds drie
of vier decennia oud en zijn gebouwd overeenkomstig een ontwerp en met
veiligheidsvoorzieningen die intussen gestaag zijn geactualiseerd en verbeterd.
Nucleaire veiligheid is van het grootste
belang voor de EU en haar bevolking. De effecten van een nucleair ongeval stoppen
niet aan de nationale grenzen en kunnen potentieel schadelijke gevolgen met
zich meebrengen voor de gezondheid van werkers en burgers, maar ook eventueel
verreikende economische consequenties hebben. Het is daarom essentieel voor de
samenleving en de economie dat het risico van een nucleair ongeval in een
EU-lidstaat wordt geminimaliseerd door strenge normen voor de nucleaire
veiligheid op te leggen en een hoog niveau van kwaliteit van het regelgevend
toezicht te waarborgen. Na het ongeval met de kerncentrale van
Fukushima volgde onmiddellijk een reactie van de EU. Op basis van het door de Europese Raad tijdens
de vergadering van 24-25 maart 2011 verstrekte mandaat[1] heeft de Europese Commissie
samen met de Groep Europese Regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid
(ENSREG) de aanzet gegeven tot EU-brede alomvattende risico- en
veiligheidsbeoordelingen van kerncentrales (de zogenaamde
"stresstests"). De stresstests waren gedefinieerd als een gerichte
herbeoordeling van de veiligheidsmarges van kerncentrales in het licht van de
gebeurtenissen van Fukushima na een extreem natuurfenomeen dat de
veiligheidsfuncties van de centrale in het gedrang had gebracht. Alle 14
EU-lidstaten die over kerncentrales beschikken[2]
plus Litouwen[3]
hebben deelgenomen aan deze evaluaties. Zwitserland, Oekraïne en Kroatië hebben
volledig deelgenomen aan de EU-stresstests en het proces van collegiale
toetsing, terwijl andere buurlanden (zoals Turkije, Wit-Rusland en Armenië)
ermee hebben ingestemd dezelfde methodologie te gebruiken, maar met een ander
tijdsschema werken. De stresstests werden in 2011 opgestart met
zelfbeoordelingen door de nucleaire exploitanten en de voorbereiding van
nationale verslagen door de nationale regelgevende autoriteiten. De eerste
bevindingen werden in november 2011 door de Commissie gepresenteerd in een
mededeling betreffende het tussentijds verslag over de stresstests[4] en in de periode van januari
tot april 2012 werd een uitgebreid EU-breed proces van collegiale toetsing
uitgevoerd. Daarop heeft het ENSREG-comité voor
collegiale toetsing[5]
een overzichtsrapport gepubliceerd dat door de ENSREG zelf werd bekrachtigd.
Voorts heeft de ENSREG ook zijn goedkeuring gehecht aan een actieplan[6] met het oog op de
tenuitvoerlegging van de uit de collegiale toetsing voortgekomen aanbevelingen.
In oktober 2012 heeft de Commissie een mededeling bekendgemaakt betreffende het
definitieve stresstestsverslag[7].
Momenteel zijn, in lijn met de aanbevelingen van het actieplan van de
ENSREG, nationale actieplannen[8]
opgesteld op basis van de lessen die geleerd zijn uit het Fukushima-ongeval en
de aanbevelingen uit de collegiale toetsing, die op een workshop in april 2013
zijn besproken wat de inhoud en stand van tenuitvoerlegging ervan betreft. Het
is de bedoeling het samenvattend verslag van de workshop te presenteren op de
tweede ENSREG-conferentie inzake nucleaire veiligheid in Europa[9] die in 2013 zal plaatsvinden.
Om een goede follow-up van de stresstests te waarborgen zal de Commissie
bovendien, in nauwe samenwerking met de ENSREG, een geconsolideerd verslag over
de stand van tenuitvoerlegging van de stresstest-aanbevelingen opstellen, dat
naar planning in juni 2014 zal wonden gepubliceerd en bij de Europese Raad zal
worden ingediend. Wat het wetgevingsgebied betreft heeft de
Europese Commissie in maart 2011 een duidelijk mandaat gekregen van de Europese
Raad om "de bestaande wet- en regelgeving inzake de veiligheid van
kerninstallaties opnieuw te bezien" en alle nodige verbeteringen voor te
stellen. Het Europees Parlement heeft ook een evaluatie
van de wetgeving voorgesteld. In zijn resolutie van 2011 "Prioriteiten
voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder"[10] heeft het Europees Parlement
gesteld dat "toekomstige wetgevingsinitiatieven tot instelling van een
gemeenschappelijk kader voor nucleaire veiligheid van essentieel belang zijn om
de veiligheidsstandaard in Europa voortdurend te kunnen verhogen". Voorts
heeft het Parlement in zijn resolutie van 2011 over het werkprogramma van de
Commissie voor 2012[11]
aangedrongen "op een spoedige herziening van de richtlijn betreffende
nucleaire veiligheid teneinde deze te versterken, waarbij met name rekening
moet worden gehouden met de resultaten van de in de nasleep van het ongeluk in
Fukushima uitgevoerde stresstests". Meer recentelijk heeft het
Parlement in zijn resolutie van 2013 over de stresstests[12] beklemtoond dat de herziening
"ambitieus moet zijn en de mogelijkheid moet bieden om aanzienlijke
verbeteringen aan te brengen op terreinen als veiligheidsprocedures en -kaders
– met name door de vaststelling en toepassing van bindende
nucleaire-veiligheidsnormen conform de meest moderne werkwijzen in de EU op
technisch, regelgevings- en operationeel vlak – en de rol en de middelen van
nucleaire regelgevende instanties, waarbij de onafhankelijkheid, de openheid en
de transparantie van deze instanties moeten worden vergroot en het toezicht en
de "peer review" moeten worden verbeterd". In zijn advies van 2012 betreffende het
eindverslag van de Commissie over de stresstests[13] heeft het Europees Economisch
en Sociaal Comité zijn steun uitgesproken voor het "voornemen van de
Commissie om een ambitieuze herziening te ondernemen van de richtlijn nucleaire
veiligheid". In antwoord op het mandaat van de Europese
Raad en de adviezen van de andere EU-instellingen en -lichamen heeft de
Commissie een veelomvattend proces opgezet van analyse en inzameling van
standpunten teneinde de passende gebieden en mechanismen voor interventie op
wetgevingsgebied af te bakenen. Dit proces omvatte een open publieke
raadpleging via het internet (december 2011 – februari 2012), aangevuld met een
uitgebreide dialoog met de betrokken partijen. In de mededelingen
van 2011 en 2012 betreffende de stresstests zijn de potentiële gebieden van
verbetering van de wetgeving aangegeven. In deze context heeft de Commissie in
haar laatste mededeling met betrekking tot de bestaande
Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad tot vaststelling van een
communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties[14] (hierna de "richtlijn
nucleaire veiligheid" genoemd) de volgende gebieden omschreven:
veiligheidsprocedures en -kaders, rol en middelen van de bevoegde regelgevende
autoriteiten op nucleair gebied, openheid en transparantie, monitoring en
verificatie. Bovendien hebben de Commissiediensten in de
loop van 2012 een effectbeoordeling opgesteld, gebaseerd op vele verschillende
informatiebronnen en rekening houdend met de na Fukushima opgetreden
ontwikkelingen op nucleair gebied in de EU en wereldwijd. Op basis hiervan is een voorstel voor een
richtlijn tot wijziging van de richtlijn nucleaire veiligheid opgesteld,
waarbij werd voortgebouwd op de input en deskundigheid van de bij
artikel 31 van het Euratom-Verdrag ingestelde groep van wetenschappelijke
deskundigen en op de input van het uitvoerige raadplegingsproces met
hooggeplaatste vertegenwoordigers van de nationale regelgevende autoriteiten op
nucleair gebied, verenigd in de ENSREG. 1.2. Redenen voor en
doelstellingen van het voorstel De huidige
richtlijn nucleaire veiligheid was destijds een grote vooruitgang. In de geest
van de nucleaire-veiligheidsfilosofie van continue verbetering en dus met het
voornemen om onder meer rekening te houden met de lessen uit het
Fukushima-ongeval en met de resultaten van daaropvolgende stresstests, was het
echter noodzakelijk opnieuw af te wegen of de bestaande bepalingen volstaan. Het Fukushima-ongeval heeft aangetoond dat
belangrijke lessen uit ongevallen van decennia geleden niet voldoende zijn
geïntegreerd door bepaalde spelers uit de sector en niet voldoende zijn
gehandhaafd door de regelgevers, zelfs niet in een land als Japan, waarvan werd
aangenomen dat er zeer hoge normen voor de industriële en nucleaire veiligheid
golden. De technische en organisatorische problemen die aan het licht zijn
gekomen bij de analyse van dit ongeval zijn dus in een breder verband relevant. In Europa hebben de stresstests bevestigd dat
er nog steeds verschillen blijven bestaan tussen de lidstaten bij het
waarborgen van een alomvattende en transparante identificatie van cruciale
veiligheidskwesties en bij het beheer daarvan. Voorts hebben de stresstests
duidelijk de baten van samenwerkings- en coördinatiemechanismen aangetoond
tussen alle partijen die verantwoordelijkheid dragen voor de nucleaire veiligheid,
zoals collegiale toetsingen. Bovendien werd op de publieke bijeenkomsten
die zijn gehouden in het kader van de stresstests, verzocht de evaluatie ook
uit te breiden tot de paraatheid voor noodsituaties en de respons op dergelijke
situaties. De Commissie vindt het derhalve noodzakelijk
de bestaande richtlijn nucleaire veiligheid te wijzigen, te versterken en aan
te vullen, door technische verbeteringen te combineren met bredere
veiligheidsaspecten zoals governance, transparantie, locatiegebonden paraatheid
voor en respons op noodsituaties. De voorgestelde wijzigingen hebben ten doel
het regelgevingskader voor nucleaire veiligheid in de EU te versterken, met
name door: –
versterking van de rol en daadwerkelijke
onafhankelijkheid van de nationale regelgevende autoriteiten; –
versterking van de transparantie op het gebied van
nucleaire veiligheid; –
versterking van de bestaande beginselen en de
invoering van nieuwe algemene doelstellingen en eisen op het gebied van de
nucleaire veiligheid, voor de aanpak van specifieke technische problemen
gedurende de hele levenscyclus van kerninstallaties, met name kernreactoren; –
versterking van de monitoring en de uitwisseling
van ervaring door de vaststelling van een Europees systeem van collegiale
toetsingen; –
vaststelling van een mechanisme voor de uitwerking
van EU-brede geharmoniseerde richtsnoeren voor de nucleaire veiligheid. 1.3. Bestaande EU-wetgeving op het
gebied van nucleaire veiligheid Na de erkenning
door het Hof van Justitie van de EU in Zaak 29/99[15] van de intrinsieke band tussen
stralingsbescherming en nucleaire veiligheid en derhalve van de bevoegdheid van
de Euratom-gemeenschap om als wetgever op te treden op het gebied van nucleaire
veiligheid, was de richtlijn nucleaire veiligheid het eerste EU-brede juridisch
bindende instrument over dit onderwerp[16].
Bij de richtlijn wordt een wettelijk bindend kader vastgesteld, gebaseerd op
erkende beginselen en verplichtingen uit hoofde van de voornaamste beschikbare
internationale instrumenten, namelijk het Verdrag inzake nucleaire veiligheid[17] en de fundamentele
veiligheidsnormen[18]
als vastgesteld door de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA). 1.4. Consistentie met andere
beleidsgebieden Gezien het feit dat de Euratom-wetgeving op
het gebied van nucleaire veiligheid in de eerste plaats ten doel heeft de
werkers en het algemene publiek te beschermen tegen de aan ioniserende straling
verbonden gevaren, is bedoelde wetgeving voornamelijk verbonden met het
Euratom-wetgevingscorpus inzake stralingsbescherming, waarvan de voornaamste
pijler de richtlijn tot vaststelling van de basisnormen[19] is. Het is niet mogelijk de
werkers en het algemene publiek te beschermen tegen de aan ioniserende straling
verbonden gevaren zonder toezicht te houden op de potentieel schadelijke
bronnen van dergelijke straling. Nucleaire veiligheid is ook van het
allergrootste belang voor de algemene preventie van en de algemene paraatheid
voor en respons op rampen in de lidstaten. De richtlijn nucleaire veiligheid is
dus nauw verbonden met het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie[20] dat een kader biedt voor de
EU-samenwerking op dit gebied, inclusief de respons op radiologische
noodsituaties binnen en buiten de Unie. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGINGEN VAN DE BETROKKEN PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN 2.1. Raadpleging van betrokken
partijen In de periode na het ongeval in de
kerncentrale van Fukushima heeft de Commissie een uitgebreid en transparant
proces opgestart van dialoog met de verschillende belanghebbenden en het
publiek, met daarbij een open raadpleging via het internet, in lijn met de
minimumnormen van de Commissie voor raadpleging van de betrokken partijen[21]. In reactie op de openbare internetraadpleging
waarbij voorstellen werden ingewacht voor de versterking van het bestaande Euratom-wetgevingskader
inzake nucleaire veiligheid, zijn bijdragen ontvangen van de regelgevende
autoriteiten op nucleair gebied, andere overheidsinstanties, ondernemingen,
niet-gouvernementele organisaties en particulieren.
Deze raadpleging heeft inzicht gegeven in de talrijke onderscheiden standpunten
van de belanghebbenden. Het resultaat van dit alles was dat meer dan 90%
van de respondenten het eens is over het belang van het Euratom-kader voor
nucleaire veiligheid, waarbij gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor
de EU-lidstaten, terwijl 76% van oordeel is dat het bestaande wettelijke
veiligheidskader moet worden versterkt. De Commissie heeft
ook zowel schriftelijke als tijdens bijeenkomsten uitgesproken bijdragen
ontvangen van verschillende betrokken partijen, zoals de nucleaire regelgevende
autoriteiten, andere overheidsinstanties, afzonderlijke ondernemingen,
sectorverenigingen en niet-gouvernementele organisaties. Bovendien heeft de
Commissie samen met de ENSREG conferenties en openbare debatten georganiseerd
waarbij vele verschillende belanghebbenden waren betrokken, inclusief
niet-gouvernementele organisaties, over het proces en de tussentijdse en
definitieve resultaten van de stresstests[22].
De Europese
sociale partners van het Comité voor sectorale dialoog van de industrie zijn
eveneens geraadpleegd. In hun reactie hebben de sociale partners de rol
onderstreept van het wetgevingskader van Euratom inzake nucleaire veiligheid
bij de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor de lidstaten. Een speciale rol
werd toebedeeld aan de ENSREG, die een uniek centrum van deskundigheid is
aangezien in die organisatie vertegenwoordigers op hoog niveau van de nationale
bevoegde regelgevende autoriteiten op nucleair gebied uit alle EU-lidstaten, al
dan niet beschikkend over kerncentrales, zijn verenigd. De ENSREG heeft een
gedetailleerde bijdrage ingestuurd, waarmee rekening is gehouden. De Commissie
heeft, als onderdeel van de in het Euratom-Verdrag neergelegde procedure, de
bij artikel 31 opgerichte groep van wetenschappelijke deskundigen
geraadpleegd. In hun advies hebben die deskundigen het Commissievoorstel voor
een wijziging van de richtlijn nucleaire veiligheid ondersteund en hebben zij
verscheidene voorstellen gedaan om de band met de wetgeving inzake
stralingsbescherming te versterken. Ten slotte heeft
het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) in zijn overeenkomstig
artikel 31 van het Euratom-Verdrag uitgebrachte advies[23] aangegeven te waarderen dat de
Commissie snel is gestart met de voorbereiding van het voorstel voor wijziging
van de richtlijn nucleaire veiligheid. Het Comité waardeert verder dat
ettelijke vraagstukken die het in eerdere adviezen over nucleaire veiligheid
heeft aangesneden, in het voorstel worden behandeld. Het Comité staat met name
positief tegenover meer harmonisatie tussen de lidstaten, de verduidelijking
van regelgevende verantwoordelijkheden, bevoegdheden en capaciteit, de grotere
onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties alsmede de
maatregelen ten aanzien van locatiegebonden paraatheid voor en respons op
noodsituaties. Het Comité is met name tevreden over de grote aandacht voor
algehele transparantie. Het Comité benadrukt dat de nieuwe wettelijke eisen
noodzakelijk en proportioneel moeten zijn en de veiligheid van de burgers ten
goede moeten komen en vindt dat de gewijzigde richtlijn in dit opzicht
evenwichtig is. Het Comité heeft
voorgesteld de bepalingen van het ontwerpvoorstel op een aantal punten aan te
scherpen en heeft aanbevolen dat de lidstaten er verplicht voor moeten zorgen
dat er inspraakprocessen worden ontwikkeld, teneinde de bevolking meer bij de
planning, evaluatie en besluitvorming te betrekken. De Commissie is wat dat
betreft van mening dat de rol van de bevolking bij de besluitvorming op
regelgevend gebied wordt erkend doordat in het voorstel is vastgelegd dat de
bevolking daadwerkelijk inspraak krijgt bij de vergunningverlening voor
kerninstallaties. De raadpleging van
het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake het ontwerpvoorstel
overeenkomstig de in artikel 31 van het Euratom-Verdrag vastgelegde
procedure was een noodzakelijke voorwaarde voor de goedkeuring van het
uiteindelijke voorstel door de Commissie. 2.2. Effectbeoordeling In 2012 is een effectbeoordeling uitgevoerd. In
dit document wordt de uitdaging geanalyseerd om een voldoende niveau van
nucleaire veiligheid in de EU te garanderen. De algemene en specifieke
doelstellingen voor een versterking van de preventie van en respons op
nucleaire ongevallen worden omschreven. Vervolgens zijn diverse beleidsopties
voorgesteld en geanalyseerd, gaande van instandhouding van de huidige situatie
tot meer diepgaande hervormingen. Elke optie is geëvalueerd met het oog op de
verwachte effecten op veiligheids-, economisch, milieutechnisch en sociaal
gebied. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL 3.1. Rechtsgrondslag Elke
wetgevingswijziging moet voortbouwen op de aanpak van de huidige richtlijn
nucleaire veiligheid en moet die aanpak versterken. De rechtsgrondslag wordt
dus nog steeds gevormd door de artikelen 31 en 32 van het Euratom-Verdrag. 3.2. Subsidiariteit en
evenredigheid Het voorstel heeft
tot doel de rol en onafhankelijkheid van de bevoegde regelgevende autoriteiten
nog verder te versterken aangezien het duidelijk is dat alleen sterke
regelgevers, aan wie alle nodige bevoegdheden en garanties qua
onafhankelijkheid zijn verstrekt, toezicht kunnen houden op de veilige
bedrijfsvoering van kerninstallaties in de EU en die veiligheid kunnen
handhaven. Nauwe samenwerking en het delen van informatie tussen de
regelgevers, rekening houdend met de potentieel grensoverschrijdende effecten
van een nucleair ongeval, worden aangemoedigd. Gezien de grote
gevolgen van een nucleair ongeval en met name de nijpende behoefte van de brede
bevolking aan informatie bij degelijke ongevallen, is een EU-brede aanpak
inzake transparantiekwesties essentieel. Dit kan ervoor zorgen dat het publiek,
ongeacht de staatsgrenzen, naar behoren wordt geïnformeerd over alle relevante
nucleaire-veiligheidskwesties. De bestaande bepalingen van de richtlijn worden
in die zin aangepast. In Europa hebben
de stresstests bevestigd dat er niet alleen nog steeds aanzienlijke verschillen
bestaan tussen de EU-lidstaten bij het waarborgen van een alomvattende en
transparante identificatie en een transparant beheer van essentiële
veiligheidskwesties, maar dat er ook nog grote leemten blijven bestaan. Daarom
wordt de Euratom-wetgeving versterkt om daarin een reeks van gedeelde
doelstellingen op te nemen die erop gericht zijn de EU-aanpak voor nucleaire
veiligheid te versterken en te harmoniseren. Daarenboven hebben de ervaring uit
het Fukushima-ongeval en de waardevolle inzichten die zijn verworven dankzij de
stresstests duidelijke aangetoond dat de uitwisseling van informatie en collegiale
toetsingen essentiële elementen zijn om de effectieve en permanente
tenuitvoerlegging van elk veiligheidsstelsel te garanderen. In overeenstemming met het
evenredigheidsbeginsel mag de voorgestelde herziening niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen te bereiken. Voorts moet, rekening houdend met de
diverse situaties in de verschillende lidstaten, een flexibele en evenredige
aanpak wat het niveau van toepasselijkheid betreft, worden omschreven. Er moet
worden gedacht aan een mechanisme voor de gezamenlijke uitwerking door de
lidstaten van EU-brede technische richtsnoeren met bijzondere aandacht voor het
beginsel van evenredigheid, waarbij de kennis en praktische ervaring van de
regelgevingsdeskundigen uit de lidstaten wordt benut. De toepasbaarheid en de reikwijdte van de
bepalingen van het voorstel variëren naargelang van het type kerninstallatie.
Wanneer zij deze bepalingen ten uitvoer leggen moeten de lidstaten daarom
kiezen voor een evenredige aanpak, rekening houdend met de specifieke risico's
van de verschillende types kerninstallaties. 3.3. Juridische elementen van het
voorstel Bij het voorstel worden nieuwe of stringenter
gemaakte bestaande bepalingen in de richtlijn nucleaire veiligheid ingevoerd
met het algemene doel de nucleaire veiligheid en de regulering daarvan op
EU-niveau op continue wijze te verbeteren. Hieronder wordt specifieke
informatie gegeven over de voornaamste voorgestelde wijzigingen van de
richtlijn nucleaire veiligheid. Doelstellingen Artikel 1 wordt aangevuld met de nieuwe
doelstelling, namelijk het voorkomen van radioactieve lozingen/emissies
gedurende alle stadia van de levenscyclus van kerninstallaties (keuze van de
vestigingsplaats, ontwerp, bouw, inbedrijfstelling, bedrijfsvoering en
buitenbedrijfstelling). Definities In artikel 3
worden nieuwe definities toegevoegd die verband houden met de termen die in de
nieuwe bepalingen worden gebruikt, zoals "ongeval", "abnormale
gebeurtenis", "ontwerpbasis", "ontwerpongeval", "buitenontwerpongeval",
"periodieke veiligheidsbeoordeling". Deze definities lopen parallel
met die welke worden gebruikt in de internationale terminologie, als opgenomen
in het veiligheidsglossarium van de IAEA. Kader voor
wetgeving, regelgeving en organisatie Artikel 4
wordt gewijzigd om de voornaamste elementen van het nationale kader verder te
verduidelijken. Er wordt bijvoorbeeld nader verduidelijkt dat de in
artikel 4, lid 1, onder a), genoemde nationale veiligheidseisen
betrekking moeten hebben op alle stadia van de levenscyclus van kerninstallaties.
Bevoegde regelgevende autoriteit
(daadwerkelijke onafhankelijkheid, regelgevende rol) De richtlijn nucleaire veiligheid bevat, in
artikel 5, lid 2, slechts minimale bepalingen met betrekking tot de
onafhankelijkheid van de nationale bevoegde regelgevende autoriteit. In lijn
met de internationale richtsnoeren[24]
worden deze bepalingen nu versterkt via de omschrijving van sterke en
effectieve referentiecriteria en -eisen om de daadwerkelijke onafhankelijkheid
van de regelgevers te waarborgen. De nieuwe eisen omvatten de garantie van de
daadwerkelijke onafhankelijkheid bij de besluitvorming, eigen passende
toewijzing van begrotingsmiddelen en autonomie bij de tenuitvoerlegging,
duidelijke eisen voor de aanwijzing en het ontslag van personeelsleden, het
vermijden van belangenconflicten en de oplossing ervan, en personeelsbezetting
met de nodige niveaus van kwalificatie, ervaring en deskundigheid. In artikel 5,
lid 2, van de richtlijn nucleaire veiligheid worden in algemene termen de
voornaamste bevoegdheden van de bevoegde regelgevende autoriteit genoemd.
Dankzij de wijziging worden deze bepalingen nader gedetailleerd om ervoor te
zorgen dat de regelgevers over de nodige bevoegdheden beschikken om een sterk
regulerend toezicht uit te oefenen. Met dit doel voor ogen wordt de kerntaak
van de bevoegde regelgevende autoriteit, namelijk de omschrijving van nationale
nucleaire-veiligheidseisen, toegevoegd aan de bestaande catalogus van
regelgevingsbevoegdheden. Transparantie
De bestaande bepalingen van artikel 8 van
de richtlijn nucleaire veiligheid zijn beperkt tot zeer algemene eisen inzake
voorlichting van het publiek. Bovendien worden bij dit artikel geen
verplichtingen opgelegd aan de vergunninghouder, die als eerste
verantwoordelijk is voor de nucleaire veiligheid. Om deze leemten te vullen,
worden in de voorgestelde wijziging de bestaande bepalingen versterkt en nader
omschreven. Zowel op de bevoegde regelgevende autoriteit als op de
vergunninghouder rust voortaan de verplichting om een transparantiestrategie te
ontwikkelen, die zowel informatieverstrekking onder normale omstandigheden bij
de bedrijfsvoering van de kerninstallatie omvat als communicatie in het geval
van een ongeval of abnormale gebeurtenis. De rol van het publiek wordt volledig
erkend, namelijk door de eis dat het effectief moet worden betrokken bij het
vergunningverleningsproces. Recentelijk georganiseerde uitwisselingen met
deskundigen[25]
op het gebied in kwestie hebben bevestigd dat het publiek een zeer belangrijke
rol moet spelen door daadwerkelijk te worden betrokken bij de
besluitvormingsprocedures, en dat met hun standpunten rekening moet worden
gehouden overeenkomstig het bepaalde in het Verdrag van Aarhus[26]. Doelstellingen op het gebied van nucleaire
veiligheid De huidige richtlijn
nucleaire veiligheid omvat geen specifieke eisen voor de verschillende stadia
van de levenscyclus van kerninstallaties. Het type risico's dat verband houdt
met de problemen die bij de analyse van het Fukushima-ongeval en de
daaropvolgende stresstests aan het licht zijn gekomen, is bijvoorbeeld niet
voldoende omschreven en behandeld in de bepalingen van de huidige richtlijn,
bijvoorbeeld de noodzaak om: ·
de geschiktheid van de keuze van de
vestigingsplaats van kerninstallaties te beoordelen op basis van overwegingen
in verband met de preventie, waar mogelijk, van externe gevaren, en de
minimalisering van de gevolgen daarvan; ·
op een permanente wijze de waarschijnlijkheid van
dergelijke gevaren en de impact daarvan opnieuw te beoordelen, in het kader van
periodieke veiligheidsevaluaties, en een daarmee verband houdende evaluatie van
de ontwerpbasis uit te voeren voor elke kerninstallatie, inclusief wanneer
wordt overwogen de levensduur van die installatie te verlengen; ·
risicobeoordelingen, met inbegrip van die voor
externe gebeurtenissen, te baseren op methoden die de vooruitgang van de
wetenschappelijke kennis weerspiegelen en zo een effectieve continue
verbetering van de veiligheid mogelijk te maken. Overeenkomstig het
beginsel van continue verbetering van de nucleaire veiligheid worden bij de
wijziging algemene veiligheidsdoelstellingen voor kerninstallaties
geïntroduceerd (artikel 8 bis) die de vooruitgang weerspiegelen die op
WENRA-niveau is bereikt bij de uitwerking van veiligheidsdoelstellingen voor nieuwe
kerncentrales. Om deze stringente veiligheidsdoelstellingen
te kunnen bereiken, worden meer gedetailleerde bepalingen toegevoegd voor de
verschillende stadia van de levenscyclus van kerninstallaties (artikel
8 ter). Teneinde de samenhangende tenuitvoerlegging
van deze doelstellingen te ondersteunen zijn bovendien methodologische eisen
betreffende keuze van de vestigingsplaats, ontwerp, bouw, inbedrijfstelling,
bedrijfsvoering en buitenbedrijfstelling van kerninstallaties ingevoerd in
artikel 8 quater. Deze aanpak zorgt
voor de nodige flexibiliteit van de nationale kaders, door de vaststelling van
doelstellingen op hoog niveau die worden bereikt via nationale wetgeving in
lijn met het beginsel van continue verbetering van de nucleaire veiligheid. Dit
maakt het voor de lidstaten bijvoorbeeld mogelijk om te kiezen tussen de
verschillende beschikbare technische oplossingen om hun kerninstallaties te
moderniseren en zo een antwoord te bieden op veiligheidsproblemen die bij
ernstige ongevallen aan het licht zijn gekomen, zoals de noodzaak om bij een
ongeval een veilige drukverlaging in de reactorinsluiting mogelijk te maken
(bv. door middel van gefilterde drukverlaging van de reactorinsluiting). Locatiegebonden paraatheid voor en respons
op ongevallen De wijziging omvat bepalingen met betrekking
tot locatiegebonden paraatheid voor en respons op noodsituaties aangezien de
huidige richtlijn niet voorziet in dergelijke maatregelen. De nieuwe bepalingen
omvatten aanwijzingen voor de plannings- en organisatorische maatregelen waarin
door de vergunninghouder moet worden voorzien (artikel 8 quinquies). Een
voorbeeld van de nieuwe eisen is dat bij elke kerninstallatie ter plaatse een
"centrum voor de reactie op noodsituaties"- moet worden ingericht, dat
voldoende is beschermd tegen de effecten van externe gebeurtenissen en ernstige
ongevallen, met inbegrip van stralingsgebeurtenissen, en dat is uitgerust met
het nodige materiaal om de effecten van ernstige ongevallen te beperken. Collegiale toetsingen De in artikel 9, lid 3, van de
richtlijn nucleaire veiligheid vervatte bepalingen omvatten de eis van een
periodieke zelfevaluatie van hun nationaal kader en van de bevoegde
regelgevende autoriteit, gecombineerd met de verplichting om te verzoeken om
een internationale toetsing door vakgenoten ("collegiale toetsing")
van relevante segmenten. Dit concept blijft onveranderd in het voorstel
(artikel 8 sexies, lid 1)). Bij de wijziging worden nieuwe bepalingen
ingevoerd inzake zelfevaluaties en collegiale toetsingen van kerninstallaties,
gebaseerd op gezamenlijk door de lidstaten en in nauwe samenwerking met de
Commissie geselecteerde nucleaire-veiligheidstopics met betrekking tot de hele
levenscyclus van een kerninstallatie (een voorbeeld daarvan kan de hierboven
reeds vermelde drukverlaging van de reactorinsluiting in het geval van een
ernstig ongeval zijn teneinde een waterstofontploffing te voorkomen). Als de
lidstaten er niet in slagen gezamenlijk ten minste één topic te selecteren,
moet de Europese Commissie de topics kiezen die aan collegiale toetsingen
moeten worden onderworpen. Voorts moet elke lidstaat een methodologie
vaststellen voor de tenuitvoerlegging van de technische aanbevelingen die
voortkomen uit het proces van collegiale toetsing. Als de Commissie aanzienlijke
afwijkingen van of vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de technische
aanbevelingen uit het proces van collegiale toetsing vaststelt, moet zij de
bevoegde regelgevende autoriteiten van de niet-betrokken lidstaten ertoe
uitnodigen een verificatiemissie te organiseren en uit te voeren om een
volledig beeld te krijgen van de situatie en de betrokken lidstaat te
informeren over mogelijke maatregelen om de vastgestelde tekortkomingen te
verhelpen. In het geval van een ongeval met gevolgen
buiten de locatie, moet een speciale collegiale toetsing worden georganiseerd. Dit nieuwe verplichte en periodieke mechanisme
van collegiale toetsingen in de EU (artikel 8 sexies, lid 2) t/m
5)) heeft tot doel het niveau van de technische inachtneming van de veiligheidsdoelstellingen
in elke lidstaat te verifiëren. Deze nieuwe bepalingen met betrekking tot het
mechanisme van collegiale toetsing laten de regels inzake inbreukprocedures
onverlet voor het geval een lidstaat een uit de Verdragen voortkomende
verplichting, als neergelegd in de artikelen 258, 259 en 260 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, niet naleeft. Evenredige tenuitvoerlegging van de
gewijzigde richtlijn Bij de wijziging
wordt er rekening mee gehouden dat de toepasselijkheid en de reikwijdte van de
bepalingen van de gewijzigde richtlijn variëren naargelang van het type
kerninstallatie. Wanneer zij bedoelde bepalingen ten uitvoer leggen, moeten de
lidstaten een evenredige aanpak ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met
de specifieke risico's die samenhangen met de diverse types kerninstallaties
die zij willen bouwen of die zij exploiteren. Verslaglegging over de praktische
tenuitvoerlegging van de gewijzigde richtlijn De bepalingen van de richtlijn nucleaire
veiligheid inzake verslaglegging worden door dit voorstel niet gewijzigd,
waarbij de eerste verslagleggingsdatum 22 juli 2014 blijft wanneer van de
lidstaten wordt verwacht dat zij verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging
van de bepalingen van de oorspronkelijke richtlijn. Op het tijdstip van het
tweede verslag over de tenuitvoerlegging echter, namelijk 22 juli 2017, moeten
de lidstaten rapporteren over de uitvoering van de richtlijn nucleaire
veiligheid als gewijzigd bij dit voorstel. 4. Gevolgen voor de begroting Het voorstel heeft geen
gevolgen voor de EU-begroting. 5. Toelichtende stukken Overeenkomstig de gezamenlijke politieke
verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over
toelichtende stukken, hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde
gevallen de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van
één of meer toelichtende stukken, waarmee het verband wordt toegelicht tussen
de elementen van een richtlijn en de daarmee overeenstemmende onderdelen van de
nationale omzettingsinstrumenten. Wat deze richtlijn betreft is de Commissie van
oordeel dat toezending van dergelijke documenten om de volgende redenen
verantwoord is: ·
De complexiteit van de omzetting van de
gewijzigde richtlijn nucleaire veiligheid op nationaal niveau De bestaande bepalingen van de richtlijn
nucleaire veiligheid worden door dit voorstel aanzienlijk versterkt, waarbij
ook nieuwe belangrijke bepalingen op verschillende gebieden worden ingevoerd.
De complexiteit van de omzetting van de gewijzigde richtlijn wordt daarom
bepaald door het feit dat die betrekking heeft op vele verschillende kwesties,
onder meer eisen inzake het nationaal kader voor de veiligheid van
kerninstallaties, de rol en onafhankelijkheid van de nationale regelgevende
autoriteiten, de plichten van de vergunninghouders, de bekwaamheden op het
gebied van nucleaire veiligheid, de transparantie op het vlak van kwesties van
nucleaire veiligheid, de technische doelstellingen en eisen inzake de nucleair
veiligheid van kerninstallaties, de locatiegebonden paraatheid voor en respons
op noodsituaties en bepalingen betreffende de nationale evaluaties van
kerninstallaties en daarmee verband houdende thematische collegiale toetsingen.
Bovendien worden krachtens de richtlijn ook eisen opgelegd aan verschillende
instanties van de lidstaten, alsook aan particuliere spelers. De diverse
verplichtingen die eigen zijn aan de gewijzigde richtlijn zullen dus
waarschijnlijk resulteren in een complexe omzetting op nationaal niveau. De bestaande bepalingen van de richtlijn
nucleaire veiligheid zijn in het algemeen reeds omgezet via verschillende
nationale omzettingsmaatregelen per lidstaat; het aantal daarvan overschrijdt
in sommige gevallen echter 15 omzettingsmaatregelen. Het aantal aan de
Commissie toegezonden omzettingsmaatregelen zal naar verwachting toenemen met
de nieuwe bepalingen die door dit voorstel aan de bestaande richtlijn worden
toegevoegd. Gezien de specificiteit van nucleaire veiligheid worden vele
diverse omzettingsmaatregelen gebruikt en bij de Commissie aangemeld, gaande
van wetten, regeringsdecreten en ministeriële besluiten tot instructies en
besluiten van de nationale nucleaire regelgevende autoriteiten. In deze omstandigheden lijkt de behoefte aan
toelichtende stukken waarin het verband wordt toegelicht tussen de bepalingen
van de gewijzigde richtlijn nucleaire veiligheid en de daarmee overeenstemmende
nationale omzettingsmaatregelen dan ook evident. ·
Reeds bestaande nationale wetgeving In sommige lidstaten is er reeds bepaalde
wetgeving ingevoerd op het gebied van de bij dit voorstel in te voeren
wijzigingen van de richtlijn. De omzetting van de gewijzigde richtlijn zal
derhalve naar alle waarschijnlijkheid resulteren in een combinatie van
amendementen op de bestaande nationale wetgeving en de vaststelling van nieuwe
wetgeving. In een dergelijke situatie zijn toelichtende stukken noodzakelijk om
een duidelijk en alomvattend zicht te krijgen op de omzetting. ·
Kaderrichtlijn De voorgestelde wijzigingen brengen geen
fundamentele verandering met zich van het "kaderrichtlijn"-karakter
van de richtlijn nucleaire veiligheid. De gewijzigde richtlijn blijft algemene
beginselen en eisen omvatten. Het is belangrijk voor de Commissie om bij
haar taak van toezicht op de omzetting en tenuitvoerlegging van de gewijzigde
richtlijn te weten welke nationale bepalingen de algemene beginselen en eisen
van de gewijzigde richtlijn omzetten. Het voorstel introduceert bijvoorbeeld
algemene veiligheidsdoelstellingen en -eisen voor alle types kerninstallaties.
Gezien de zeer grote reikwijdte van deze nieuwe veiligheidsdoelstellingen en
-eisen is het van het grootste belang, voor de Commissie, maar ook voor het
grote publiek, om na te gaan hoe zij op nationaal niveau zijn omgezet. EVENREDIGHEIDSBEGINSEL De eis om toelichtende stukken toe te zenden
kan een administratieve belasting vormen voor de lidstaten. Deze last is echter
niet buitenproportioneel gezien de doelstellingen van de gewijzigde richtlijn
nucleaire veiligheid en de complexiteit van het desbetreffende onderwerp. De
toelichtende stukken zijn voor de Commissie bovendien noodzakelijk om de
correcte omzetting van de richtlijn daadwerkelijk te kunnen verifiëren. Gezien
de verwachte complexiteit van de omzetting op nationaal niveau, die kan leiden
tot nieuwe of gewijzigde wetgeving, zijn er geen minder belastende maatregelen
om een efficiënte verificatie mogelijk te maken. Ook moet worden vermeld dat
een vrij groot aantal lidstaten reeds nuttige toelichtende documenten over hun
omzetting van de bestaande Euratom-wetgeving, zoals de huidige richtlijn
nucleaire veiligheid of andere wetgevingsbesluiten, aan de Commissie hebben
toegezonden. 2013/0340 (NLE) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn
2009/71/EURATOM tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire
veiligheid van kerninstallaties DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name de artikelen 31 en 32, Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
opgesteld na advies van een door het Wetenschappelijk en Technisch Comité
aangewezen groep van deskundigen uit de lidstaten, Gezien het advies van het Europees Parlement, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité, Overwegende hetgeen volgt: (1) In artikel 2, onder b), van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het
"Euratom-Verdrag") is bepaald dat er uniforme veiligheidsnormen voor
de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werkers moeten worden
vastgesteld. (2) In artikel 30 van het
Euratom-Verdrag is bepaald dat voor de bescherming van de gezondheid van de
bevolking en de werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren
binnen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (de "Gemeenschap")
basisnormen moeten worden vastgesteld. (3) Bij Richtlijn 96/29/Euratom
van de Raad van 13 mei 1996 zijn basisnormen vastgesteld voor de bescherming
van de gezondheid van de bevolking en de werkers tegen de aan ioniserende
straling verbonden gevaren[27].
Bij deze richtlijn zijn eisen vastgesteld voor een systeem van
stralingsbescherming, inclusief de rechtvaardiging en optimalisering van
blootstelling aan straling, alsook dosislimieten voor blootstelling van de
bevolking en beroepsmatige blootstelling. In de richtlijn zijn eisen
gespecificeerd voor toezicht op de stralingsblootstelling van de bevolking en
de werkers, onder zowel normale bedrijfsomstandigheden als in noodsituaties. De
bepalingen van Richtlijn 96/29/Euratom zijn aangevuld met meer specifieke
wetgeving. (4) In zijn jurisprudentie[28] heeft het Hof van Justitie van
de Europese Unie erkend dat de Gemeenschap met de lidstaten bevoegdheden deelt
op gebieden die vallen onder het Verdrag inzake nucleaire veiligheid[29]. (5) Bij Richtlijn 2009/71/Euratom
van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader
voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties[30] worden aan de lidstaten
verplichtingen opgelegd om een nationaal kader voor nucleaire veiligheid tot
stand te brengen en te handhaven. Deze richtlijn is geënt op de bepalingen van
de voornaamste internationale instrumenten op dit gebied, namelijk het Verdrag
inzake nucleaire veiligheid[31]
en de fundamentele veiligheidsnormen[32]
als vastgesteld door de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (de
"IAEA"). De uiterste termijn om de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in werking te doen treden en de tekst daarvan aan de Commissie mede
te delen teneinde aan Richtlijn 2009/71/Euratom te voldoen, is op
22 juli 2011 verstreken. (6) Bij Richtlijn 2011/70/Euratom
van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader
voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief
afval[33]
wordt aan de lidstaten de verplichting opgelegd om een nationaal kader voor
verbruikte splijtstof en radioactief afval tot stand te brengen en te
handhaven. (7) In de Conclusies van de Raad
van 8 mei 2007 betreffende nucleaire veiligheid en veilig beheer van afgewerkte
kernsplijtstof en radioactief afval[34]
werd beklemtoond dat "nucleaire veiligheid een nationale
verantwoordelijkheid is die, waar passend in een EU-kader wordt uitgeoefend Het
blijft alleen aan de exploitanten en de nationale autoriteiten om beslissingen
in verband met veiligheidsacties en het toezicht op nucleaire installaties te
nemen". (8) Naar aanleiding van het
verzoek van de Raad om een EU-groep op hoog niveau op te richten, zoals vervat
in bovengenoemde conclusies van 8 mei 2007, is bij
Beschikking 2007/530/Euratom van de Commissie van 17 juli 2007 tot instelling
van de Europese groep op hoog niveau voor nucleaire veiligheid en afvalbeheer[35] de Groep Europese Regelgevers
op het gebied van nucleaire veiligheid (ENSREG) opgericht teneinde bij te
dragen tot de verwezenlijking van de communautaire doelstellingen op het gebied
van nucleaire veiligheid. (9) Het ongeval met de
kerncentrale van Fukushima in Japan in 2011 heeft wereldwijd opnieuw de
aandacht gevestigd op de maatregelen die moeten worden getroffen om de risico's
te minimaliseren en de meest robuuste niveaus van nucleaire veiligheid te
garanderen. Op basis van het mandaat van de Europese Raad van maart 2011[36] heeft de Commissie, samen met
Groep Europese Regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid
("ENSREG"), Unie-brede alomvattende risico- en veiligheidsbeoordelingen
van kerncentrales ("stresstests") uitgevoerd. Daarbij zijn een aantal
mogelijkheden tot verbetering aan het licht gekomen die ten uitvoer kunnen
worden gelegd in de benaderingen voor de nucleaire veiligheid en in de industriële
praktijk in de deelnemende landen[37]. (10) Voorts heeft de Europese Raad
de Commissie ook gemandateerd om het bestaande wettelijke en regelgevingskader
voor de veiligheid van kerninstallaties opnieuw te evalueren en alle
noodzakelijke verbeteringen voor te stellen. De Europese Raad heeft tevens
beklemtoond dat in de EU de hoogste normen voor nucleaire veiligheid ten
uitvoer moeten worden gelegd en permanent moeten worden verbeterd. (11) De Commissie heeft haar eerste
standpunten over mogelijke gebieden van verbetering van de wetgeving neergelegd
in haar mededeling betreffende het tussentijds verslag over de alomvattende
risico- en veiligheidsbeoordeling ("stress tests") van kerncentrales
in de Europese Unie[38]
van 24 november 2011. (12) In lijn met de algemene beginselen
van raadpleging en dialoog heeft de Commissie tussen december 2011 en februari
2012 tevens een openbare internetraadpleging gehouden, waarbij voorstellen
werden ingewacht voor aspecten waarop het communautaire kader voor nucleaire
veiligheid zou kunnen worden versterkt. (13) De Commissie heeft een aantal
gebieden voor herziening van de huidige Richtlijn 2009/71/Euratom
aangemerkt, zoals zij heeft omschreven in haar Mededeling van de Commissie
aan de Raad en het Europees Parlement van 4 oktober 2012 inzake de volledige
risico- en veiligheidsevaluatie ("stresstests") van kerncentrales in
de Europese Unie[39]. (14) Bij de vaststelling van de
relevante gebieden voor verbetering heeft de Commissie rekening gehouden met de
technische vooruitgang die op Europees en internationaal niveau is bereikt, de
ervaring en resultaten van de stresstests, de bevindingen van de verschillende
na het Fukushima-ongeval gepubliceerde rapporten, de naar aanleiding van de
openbare raadpleging naar voren gebrachte standpunten inzake de gebieden voor
versterking van het communautaire wetgevingskader, de standpunten van de
verschillende belanghebbenden, met inbegrip van de nationale bevoegde
regelgevende autoriteiten, de industriële sector en het middenveld, en de
resultaten van de preliminaire evaluatie van de omzettingsmaatregelen van de
lidstaten. (15) Een sterke en onafhankelijke
bevoegde regelgevende autoriteit is een fundamentele voorwaarde van het
Europese kader voor nucleaire veiligheid. De onafhankelijkheid ervan en de
onpartijdige en transparante uitoefening van haar bevoegdheden zijn cruciale
factoren om een hoog niveau van nucleaire veiligheid te waarborgen. Er moeten
objectieve regelgevingsbesluiten en handhavingsmaatregelen worden vastgesteld,
zonder ongepaste externe beïnvloeding die de veiligheid in het gedrang kan
brengen, zoals politieke druk die verband houdt met gewijzigde politieke,
economische of maatschappelijke omstandigheden, of druk van overheidsdiensten
of ander publieke of particuliere entiteiten. De negatieve gevolgen van het
gebrek aan onafhankelijkheid zijn bij het ongeval van Fukushima in het oog
gesprongen. De bepalingen van Richtlijn 2009/71/Euratom inzake de
functionele scheiding van de bevoegde regelgevende autoriteiten van andere
organen moeten worden versterkt teneinde de daadwerkelijke onafhankelijkheid
van de regelgevende autoriteiten te waarborgen en te garanderen dat zij over de
nodige middelen en bevoegdheden beschikken om de hen toegewezen taken naar
behoren te vervullen. Met name moeten de regelgevende autoriteiten beschikken
over afdoende juridische bevoegdheden, voldoende personeel en voldoende
financiële middelen om de hen toegewezen verantwoordelijkheden naar behoren te
vervullen. De versterkte eisen, die tot doel hebben de onafhankelijkheid van de
regelgevende autoriteiten bij de uitvoering van hun regelgevingstaken te
waarborgen, moeten echter de eventuele nauwe samenwerking met andere relevante
nationale autoriteiten of ten aanzien van algemene beleidslijnen die worden
getrokken door de regering en die geen verband houden met de
regelgevingsbevoegdheden en -taken, onverlet laten. (16) De onafhankelijkheid van de
besluitvorming van de regelgevende autoriteit hangt verder af van de
competentie van de personeelsleden ervan. De regelgevende autoriteit moet
daarom personeel in dienst nemen met de nodige kwalificaties, ervaring en
deskundigheid om in staat te zijn de relevante functies uit te voeren en
verantwoordelijkheden op zich te nemen. Gezien de gespecialiseerde aard van de
nucleaire industrie en de beperkte beschikbaarheid van personen met de vereiste
expertise en deskundigheid, wat eventueel kan resulteren in de overstap van
personen met leidinggevende verantwoordelijkheid van de nucleaire industrie
naar de regelgevende autoriteiten vice versa, moet speciale aandacht worden
besteed aan het vermijden van belangenconflicten. Voorts moeten er regelingen
worden getroffen om te waarborgen dat er geen belangenconflicten bestaan bij de
organisaties die de regelgevende autoriteit van advies en dienstverlening
voorzien. (17) Wanneer
infrastructuurprojecten worden opgezet die een effect kunnen hebben op de
nucleaire veiligheid van kerninstallaties, moeten de nodige nationale
mechanismen van overleg met de nationale regelgevende autoriteiten en het publiek
zijn vastgesteld en ingevoerd en moet ten volle rekening worden gehouden met
hun standpunten. (18) Richtlijn 2011/92/EU
betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten[40]
is relevant voor kerninstallaties. Die richtlijn bepaalt dat de lidstaten de
nodige maatregelen moeten nemen om te verzekeren dat een vergunning vereist is
voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer
gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten
plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. In dit opzicht is bedoelde
richtlijn een instrument om te waarborgen dat milieuoverwegingen geïntegreerd
zijn in het vergunningverleningsproces voor kerninstallaties. (19) Een beoordeling overeenkomstig
deze richtlijn laat elke relevante milieueffectbeoordeling onverlet. (20) Voor kerninstallaties waarvoor
de verplichting om een beoordeling te maken van de effecten op het milieu
tegelijk uit deze richtlijn en uit andere wetgeving van de Unie voortvloeit,
kunnen de lidstaten voorzien in gecoördineerde of gezamenlijke procedures
waarmee wordt voldaan aan de eisen van de relevante wetgeving van de Unie. (21) Aangezien de gevolgen van een
nucleair ongeval verder kunnen reiken dan de landsgrenzen moet nauwe
samenwerking, coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de regelgevende
autoriteiten van buurlanden of landen die in dezelfde regio liggen, ongeacht of
er kerninstallaties worden geëxploiteerd of niet, worden aangemoedigd. De
lidstaten moeten ervoor zorgen dat passende regelingen zijn vastgesteld om een
dergelijke samenwerking over kwesties van nucleaire veiligheid met
grensoverschrijdende effecten te vergemakkelijken, ook met derde landen. Er
moet worden gestreefd naar synergieën met het mechanisme van de Unie voor
civiele bescherming[41]
dat een EU-kader biedt voor samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van
civiele bescherming door de doeltreffendheid te verbeteren van systemen voor de
preventie van, de paraatheid voor en de respons op natuurrampen en door de mens
veroorzaakte rampen. (22) Om ervoor te zorgen dat de
nodige bekwaamheden worden verworven en dat adequate niveaus van competentie
worden bereikt en gehandhaafd, moeten alle partijen ervoor zorgen dat alle
personeelsleden (inclusief die van onderaannemers), die verantwoordelijkheden
dragen met betrekking tot de nucleaire veiligheid van kerninstallaties en de
locatiegebonden regelingen voor de paraatheid voor en de respons op
noodsituaties, betrokken zijn bij een continu leerproces. Dit kan worden
bereikt door de inrichting van opleidingsprogramma's en -plannen, door de
vaststelling van procedures voor de geregelde evaluatie en actualisering van de
opleidingsprogramma's en door te voorzien in passende budgettaire middelen voor
opleidingen. (23) Een andere cruciale les die is
geleerd uit het nucleair ongeval van Fukushima is het belang van de versterking
van de transparantie bij nucleaire veiligheidskwesties. Transparantie is ook
een belangrijk middel om de onafhankelijkheid van de besluitvorming van de
regelgevers te bevorderen. Daarom moeten de huidige bepalingen van
Richtlijn 2009/71/Euratom betreffende de aan het publiek te verstrekken
informatie nader worden gespecificeerd wat het type informatie betreft dat
minimaal door de bevoegde regelgevende autoriteit en de vergunninghouder moet
worden verstrekt, en binnen welke termijnen. Daartoe moet bijvoorbeeld het type
informatie dat minimaal door de bevoegde regelgevende autoriteit en door de
vergunninghouder moet worden verstrekt als onderdeel van hun bredere
transparantiestrategieën, nader worden omschreven. Bedoelde informatie moet
tijdig worden vrijgegeven, met name in het geval van abnormale gebeurtenissen
en ongevallen. Ook de resultaten van de periodieke veiligheidsbeoordelingen en
internationale collegiale toetsingen moeten openbaar worden gemaakt. (24) De eisen van deze richtlijn
inzake transparantie vormen een aanvulling op die van de bestaande
Euratom-wetgeving. Krachtens Beschikking 87/600/Euratom van de Raad van
14 december 1987 inzake communautaire regelingen voor snelle uitwisseling
van informatie in geval van stralingsgevaar[42]
rust op de lidstaten de verplichting om in het geval van een noodsituatie met
stralingsgevaar op hun grondgebied de Commissie en de overige lidstaten daarvan
in kennis te stellen en de nodige informatie te verstrekken, terwijl
Richtlijn 89/618 Euratom van de Raad van 27 november 1989[43] de eis voor de lidstaten omvat
om het publiek te informeren over de toe te passen
gezondheidsbeschermingsmaatregelen en de te volgen gedragslijn in het geval van
een noodsituatie met stralingsgevaar, en de bevolkingsgroepen die door
dergelijk stralingsgevaar getroffen kunnen worden op passende wijze vooraf en
permanent te informeren. Bovenop de informatie die bij een dergelijke gebeurtenis
moet worden verstrekt, moeten de lidstaten overeenkomstig de onderhavige
richtlijn echter passende transparantieregelingen vaststellen, met een snelle
en geregeld geactualiseerde informatieverstrekking om ervoor te zorgen dat
werkers en het grote publiek geïnformeerd blijven over alle met nucleaire
veiligheid verband houdende gebeurtenissen, inclusief abnormale gebeurtenissen
of ongevalssituaties. Bovendien moet het publiek de gelegenheid worden geboden
om daadwerkelijk een rol te spelen bij het vergunningverleningsproces voor
kerninstallaties en moet de bevoegde regelgevende autoriteit alle met
veiligheid verband houdende informatie op onafhankelijke wijze verstrekken,
zonder dat zij daarvoor voorafgaand toestemming moet verkrijgen van enige overheidsinstanties
of particuliere entiteiten. (25) Bij
Richtlijn 2009/71/Euratom is een juridisch bindend communautair kader
vastgesteld waarop een wetgevings-, administratief en organisatorisch systeem
is gegrondvest. Dit omvat geen specifieke eisen voor kerninstallaties. Gezien
de technische vooruitgang die is bereikt door de IAEA en de West-Europese
Vereniging van Regelgevende Autoriteiten op Nucleair Gebied ("WENRA")
en andere bronnen van deskundigheid, met inbegrip van de lessen die zijn getrokken
uit de stresstests en het onderzoek in verband met het Fukushima-kernongeval,
moet Richtlijn 2009/71/Euratom worden aangepast om er communautaire
nucleaire-veiligheids-doelstellingen in op te nemen die betrekking hebben op
alle stadia van de levenscyclus van kerninstallaties (keuze van de
vestigingsplaats, ontwerp, bouw, inbedrijfstelling, bedrijfsvoering en
buitenbedrijfstelling). (26) Bij methoden op basis van
risicogegevens wordt de waarschijnlijkheid onderzocht van elke gebeurtenis in
een gebeurtenissenreeks die naar verwachting tot een ongeval kan leiden of
bijdragen, en wordt gekeken naar de mogelijke gevolgen daarvan. De resultaten
kunnen worden gebruikt om een inzicht te geven in de sterke en zwakke punten
van het ontwerp en de bedrijfsvoering van een kerninstallatie en kunnen dus een
leidraad zijn voor eisen en regelgeving in verband met kwesties waar de
grootste winst voor de veiligheid van een kerninstallatie kan worden behaald.
Aangezien zij in de afgelopen decennia aanzienlijke middelen hebben geïnvesteerd
in de ontwikkeling van probabilistische veiligheidsbeoordelingen voor
kerninstallaties, met name voor kerncentrales en onderzoeksreactoren, zijn de
vergunninghouders en de bevoegde regelgevende autoriteiten wereldwijd nu in een
goede positie om de verworven inzichten te gebruiken om de veiligheid van
kerninstallaties via methoden op basis van risicogegevens te verhogen en
tegelijk bedoelde installaties op de meest efficiënte wijze te gebruiken. (27) De veroudering van met
veiligheid verband houdende structuren, systemen en componenten van een
kerninstallatie, met name het verbrossen van componenten die in de praktijk
moeilijk te vervangen zijn, zoals reactordrukvaten, stellen een natuurlijke
grens aan de aanvaardbare levensduur van de installatie. Zowel uit het oogpunt
van de veiligheid als in economisch opzicht is de grens van de operationele
levensduur van dergelijke installaties typisch 40 jaar na de start van de
commerciële bedrijfsvoering. De lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat
een eventuele verlenging van de levensduur van bestaande kerncentrales de
werkers en het publiek niet blootstelt aan extra risico's. Daartoe moet
Richtlijn 2009/71/Euratom worden gewijzigd om er nieuwe communautaire
veiligheidsdoelstellingen in op te nemen waaraan de regelgevende autoriteiten
en vergunninghouders bij een verlenging van de levensduur van bestaande
kerncentrales moeten voldoen. (28) Momenteel wordt duidelijk
verwacht dat in het oorspronkelijke ontwerp van nieuwe reactoren bescherming
wordt opgenomen tegen ontwerpongevallen die verder gaan dan de ontwerpbasis
voor de vorige generatie reactoren. Omstandigheden die verder gaan dan de
vroegere ontwerpbasis ("buitenontwerp-ongevallen") zijn
ongevalssituaties die bij ontwerpongevallen buiten beschouwing worden gelaten,
maar waarmee in het ontwerpproces voor de installatie rekening wordt gehouden
volgens de beste beschikbare ramingsmethodologieën en waarbij het lozen van
radioactief materiaal binnen aanvaardbare grenzen wordt gehouden. Een
verzameling voorwaarden ter verruiming van de ontwerpbasis kan ernstige
ongevalssituaties omvatten. (29) Toepassing van het begrip
"defensie in de diepte" op organisatorische, gedragsmatige of
ontwerpactiviteiten met betrekking tot een kerninstallatie zorgt ervoor dat met
veiligheid verband houdende activiteiten het voorwerp uitmaken van
onafhankelijke lagen van voorschriften, zodat wanneer een onderdeel of
component faalt, dit kan worden ontdekt en met passende maatregelen kan worden
gecompenseerd. De doeltreffendheid van elk van de verschillende lagen
afzonderlijk is een essentieel element van "defensie in de diepte" om
ongevallen te voorkomen en, als zich ongevallen voordoen, de gevolgen ervan te
matigen. (30) Na de nucleaire ongevallen van
Three Mile Island en Tsjernobyl heeft het ongeval in Fukushima eens te meer het
grote belang van de insluitingsfunctie aangetoond, wat de laatste barrière is
om de bevolking en het milieu te beschermen tegen het vrijkomen van
radioactiviteit ten gevolge van een ongeval. De aanvrager voor een vergunning
voor de bouw van een nieuwe elektriciteitsproductie- of onderzoeksreactor moet
derhalve kunnen aantonen dat het ontwerp daarvan in de praktijk de effecten van
schade aan de reactorkern beperkt tot de insluiting zelf, d.w.z. hij moet
kunnen aantonen dat een radioactieve lozing buiten de insluiting fysiek
onmogelijk is of met een hoog betrouwbaarheidsniveau als uiterst
onwaarschijnlijk kan worden beschouwd. (31) Richtlijn 2009/71/Euratom
bevat geen maatregelen met betrekking tot locatiegebonden paraatheid voor en
respons op noodsituaties, wat, zoals het Fukushima-kernongeval heeft
aangetoond, cruciaal is om de gevolgen van een nucleair ongeval binnen de
perken te houden. Overeenkomstig Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad moet
er bij noodgevallen met stralingsgevaar een passende interventie worden
georganiseerd om de emissie van radionucliden te stoppen of te beperken en
moeten de gevolgen van de desbetreffende noodsituatie en de doeltreffendheid
van de daaropvolgende interventie worden geëvalueerd en vastgelegd. Er moeten
ter plaatse ook maatregelen zijn vastgesteld voor de monitoring en bescherming
van het milieu en de bevolking. Er zijn echter meer specifieke bepalingen met
betrekking tot locatiegebonden paraatheid voor en respons op noodsituaties nodig
om situaties te beoordelen die eventueel beschermende maatregelen op de locatie
nodig maken, een organisatorische structuur en coördinatie tussen de
responsinstanties waarborgen en garanderen dat voldoende middelen beschikbaar
zijn om deze passende beschermingsmaatregelen zelfs in extreme gevallen toe te
passen. (32) De stresstests hebben de
cruciale rol van versterkte samenwerkings- en coördinatiemechanismen tussen
alle partijen die verantwoordelijk zijn voor nucleaire veiligheid aangetoond.
Er is duidelijk gebleken dat collegiale toetsing een goed middel is om
vertrouwen op te wekken, met daarbij als doel ervaringen op te doen en uit te
wisselen en een gemeenschappelijke toepassing van stringente normen voor de
nucleaire veiligheid te waarborgen. Het toepassingsgebied van het bepaalde in
Richtlijn 2009/71/Euratom is echter beperkt tot zelfbeoordeling en
internationale collegiale toetsing van de wetgevende, regelgevende en
organisatorische infrastructuur van de lidstaten; het toepassingsgebied van de
richtlijn moet derhalve worden uitgebreid om er ook collegiale toetsing van
kerninstallaties in op te nemen. (33) Bij deze richtlijn worden
nieuwe bepalingen inzake zelfbeoordeling en collegiale toetsing met betrekking
tot kerninstallaties ingevoerd, gebaseerd op geselecteerde topics in verband
met de nucleaire veiligheid voor de gehele levenscyclus van installaties. Op
internationaal niveau is er reeds bevestigde ervaring met de toepassing van
collegiale toetsing op kerncentrales. Op EU-niveau toont de ervaring uit het
stresstestproces de waarde aan van een gecoördineerde oefening om de veiligheid
van kerncentrales in de EU af te wegen en te beoordelen. Een soortgelijk
mechanisme, gebaseerd op samenwerking tussen de regelgevende autoriteiten van
de lidstaten en de Commissie, moet hier worden toegepast. Daarom kunnen
bevoegde regelgevende autoriteiten, die samenwerken in de context van groepen
van deskundigen zoals de ENSREG, met hun deskundigheid ertoe bijdragen de
relevante veiligheidstopics te identificeren en deze collegiale toetsingen uit
te voeren. Wanneer de lidstaten er niet in slagen minimaal één topic te
selecteren, moet de Commissie één of meer aan collegiale toetsingen te
onderwerpen topics selecteren. De deelname van andere belanghebbenden, zoals organisaties
voor technische ondersteuning, internationale waarnemers of
niet-gouvernementele organisaties, kunnen bij de collegiale toetsingen een
toegevoegde waarde leveren. (34) Teneinde de strikte toepassing
en de objectiviteit van de collegiale toetsingen te garanderen, moeten de
lidstaten toegang verlenen tot alle noodzakelijke informatie, met inachtneming
van de vereiste procedures voor veiligheidsmachtiging, tot het personeel en tot
de desbetreffende kerninstallatie. (35) Er moet een geschikt follow-up-mechanisme
worden ingesteld om te waarborgen dat het resultaat van deze collegiale
toetsingen naar behoren ten uitvoer wordt gelegd. Collegiale toetsingen moeten
bijdragen tot een verbetering van de veiligheid van afzonderlijke
kerninstallaties en tot de formulering van generieke technische
veiligheidsaanbevelingen en -richtsnoeren die geldig zijn voor de gehele Unie. (36) Wanneer de Commissie
substantiële afwijkingen of vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de
technische aanbevelingen uit het proces van collegiale toetsing waarneemt, moet
zij de bevoegde regelgevende autoriteiten van de niet-betrokken lidstaten ertoe
uitnodigen een verificatiemissie te organiseren en uit te voeren om een
volledig beeld van de situatie te krijgen en de betrokken lidstaat te
informeren over mogelijke maatregelen om de vastgestelde tekortkomingen te
verhelpen. (37) De in deze richtlijn vervatte
bepalingen tot vaststelling van het mechanisme van collegiale toetsing laten de
regels onverlet voor de op te starten procedure wanneer een lidstaat een
krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting, als neergelegd in de
artikelen 258, 259 en 260 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, niet nakomt. (38) De periodiciteit van de
collegiale toetsingen en van de rapportering overeenkomstig deze richtlijn moet
gelijk worden getrokken met de evaluatie- en rapporteringscycli van het Verdrag
inzake nucleaire veiligheid. (39) In lijn met het
evenredigheidsbeginsel hangt de toepasselijkheid van het bepaalde in hoofdstuk 2,
afdeling 2, "Specifieke verplichtingen", van deze richtlijn af
van het type kerninstallaties op het grondgebied van een lidstaat. Wanneer deze
bepalingen in nationale wetgeving worden omgezet, moeten de lidstaten derhalve
rekening houden met de risico's die verbonden zijn aan de specifieke types
kerninstallaties die zij plannen of exploiteren. Met name is het
evenredigheidsbeginsel van toepassing op lidstaten die slechts beschikken over
een kleine inventaris van kerntechnisch en nucleair materiaal, bv. in verband
met de exploitatie van kleinere onderzoeksreactoren, die in het geval van een
ernstig ongeval geen gevolgen hebben die kunnen worden vergeleken met die welke
zich zouden voordoen bij een kerncentrale. (40) De bepalingen van deze
richtlijn die niet intrinsiek verband houden met het bestaan van
kerninstallaties, namelijk die welke betrekking hebben op de verplichtingen van
de vergunninghouders, de nieuwe specifieke eisen voor kerninstallaties en de
bepalingen betreffende de locatiegebonden paraatheid voor en respons op
noodsituaties, gelden niet voor de lidstaten die niet over kerninstallaties als
gedefinieerd in deze richtlijn beschikken. Deze lidstaten behoeven de eis om
sancties op te leggen aan wie het bepaalde in deze richtlijn niet in acht neemt
niet om te zetten en ten uitvoer te leggen. De andere bepalingen van deze
richtlijn moeten worden omgezet en op een evenredige wijze ten uitvoer worden
gelegd overeenkomstig de nationale omstandigheden en rekening houdend met het
feit dat deze lidstaten geen kerninstallaties hebben, waarbij wordt gewaarborgd
dat aan nucleaire veiligheid passende aandacht wordt besteed door de regering
en de bevoegde autoriteiten. (41) Overeenkomstig
Richtlijn 2009/71/Euratom moeten de lidstaten een nationaal wettelijk,
regelgevend en organisatorisch kader voor de veiligheid van kerninstallaties
instellen en in stand houden (het "nationale kader") voor de
nucleaire veiligheid van kerninstallaties. Het is aan de lidstaten om te
bepalen hoe dit nationale kader wordt vastgesteld en met behulp van welke
instrumenten het wordt toegepast. (42) Overeenkomstig de gezamenlijke
politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september
2011 over toelichtende stukken hebben de lidstaten er werk van gemaakt om, in
gerechtvaardigde gevallen, de mededeling van hun omzettingsmaatregelen
vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarmee het verband tussen de
bepalingen van de richtlijn en de daarmee overeenstemmende onderdelen van hun
nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Wat de onderhavige richtlijn
betreft, is de wetgever van oordeel dat toezending van dergelijke documenten
gerechtvaardigd is. (43) Richtlijn 2009/71/Euratom
moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 2009/71/Euratom wordt als volgt
gewijzigd: (1)
De titel van hoofdstuk 1 wordt vervangen door
de volgende titel: "DOELSTELLINGEN, TOEPASSINGSGEBIED EN
DEFINITIES ". (2)
In artikel 1 wordt het volgende punt c)
toegevoegd: "c) ervoor zorgen dat de lidstaten voorzien
in passende nationale regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de keuze van
de vestigingsplaats, de bouw, de inbedrijfstelling, de bedrijfsvoering en de
buitenbedrijfstelling van kerninstallaties zodanig plaatsvinden dat ongeoorloofde
lozingen van radioactief materiaal worden vermeden." (3)
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: (a)
lid 1 wordt vervangen door: "1. Deze richtlijn is van toepassing op
civiele kerninstallaties die onderworpen zijn aan een vergunningsplicht als
bedoeld in artikel 3, punt 4, die geldt voor alle in die vergunning genoemde
stadia."; (b)
lid 3 wordt vervangen door: "3. Deze richtlijn vormt een aanvulling op de
basisnormen bedoeld in artikel 30 van het Verdrag betreffende de nucleaire
veiligheid van kerninstallaties en laat de bestaande communautaire wetgeving
voor de bescherming van de gezondheid van de werkers en het algemene publiek
tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, en met name
Richtlijn 96/29/Euratom, onverlet.". (4)
In artikel 3 worden de volgende punten 6 tot
en met 17 toegevoegd: "6. "verdediging in de
diepte": een hiërarchische inzet van verschillende niveaus van diverse
apparatuur en procedures om de escalatie van verwachte operationele
gebeurtenissen te voorkomen en de doeltreffendheid van de fysieke barrières,
die geplaatst zijn tussen een stralingsbron of een radioactief materiaal en de
werkers, het publiek en de lucht, het water en de bodem, te handhaven in gewone
bedrijfsomstandigheden en, wat sommige barrières betreft, in ongevalssituaties; 7. "abnormale gebeurtenis": een
onbedoelde gebeurtenis waarvan de gevolgen of potentiële gevolgen niet
verwaarloosbaar zijn uit het oogpunt van bescherming of nucleaire veiligheid; 8. "ongeval": een ongeplande
gebeurtenis, inclusief bedrijfsvoeringsfouten, gebrekkige werking van
uitrusting en andere incidenten, waarvan de gevolgen of potentiële gevolgen
niet verwaarloosbaar zijn uit het oogpunt van bescherming of nucleaire
veiligheid; 9. "vroegtijdige lozingen":
situaties die noodmaatregelen buiten de locatie noodzakelijk zouden maken, maar
waarvoor onvoldoende tijd rest om die ten uitvoer te leggen; 10. "grote lozingen": situaties die
beschermingsmaatregelen voor het publiek vergen die niet beperkt kunnen worden
in tijd of ruimte; 11. "in de praktijk uitsluiten":
situaties waarin het fysiek onmogelijk of met een grote mate van zekerheid
extreem onwaarschijnlijk is dat een bepaalde situatie zich voordoet; 12. "redelijkerwijs haalbaar": de
situatie waarin er, afgezien van het feit dat moet worden voldaan aan de eisen
van goede praktijken bij engineering, wordt gestreefd naar sterkere
veiligheids- of risicobeperkingsmaatregelen voor het ontwerp, de
inbedrijfstelling en de bedrijfsvoering of buitenbedrijfstelling van een
kerninstallatie en waarbij deze maatregelen ten uitvoer worden gelegd tenzij
kan worden aangetoond dat zij absoluut buitensporig zijn ten opzichte van de
veiligheidsbaten die zij zouden opleveren; 13. "ontwerpbasis": de reeks
voorwaarden en gebeurtenissen waarmee expliciet rekening is gehouden bij het
ontwerp van een installatie, overeenkomstig vastgestelde criteria, op zodanige
wijze dat die installatie weerstand kan bieden aan die gebeurtenissen zonder
dat de vergunningsgewijs toegestane grenswaarden voor de geplande werking van
de veiligheidssystemen worden overschreden; 14. "ontwerpongeval":
ongevalsomstandigheden waartegen een installatie qua ontwerp gewapend is
overeenkomstig de vastgestelde criteria en waarvoor de schade aan de splijtstof
en de lozing van radioactief materiaal binnen de vergunde grenzen blijven; 15. "buitenontwerpongeval": een
ongeval dat mogelijk is, maar waarmee bij het ontwerp niet volledig rekening is
gehouden omdat het als te onwaarschijnlijk werd beschouwd; 16. "analyse ter verruiming van de
ontwerpbasis": een verzameling van voorwaarden ter verruiming van de
ontwerpbasis, opgesteld op grond van technische beoordelingen, deterministische
evaluaties en probabiliteitsanalyses met als doel de veiligheid van
kerncentrales verder te verbeteren door een versterking van het vermogen van de
centrale om, zonder onaanvaardbare gevolgen op het gebied van de
stralingsveiligheid, ongevallen te weerstaan die ernstiger zijn dan
ontwerpongevallen of waarbij extra storingen optreden. Deze voorwaarden ter
verruiming van de ontwerpbasis worden gebruikt om de aanvullende
ongevalscenario's te identificeren die bij het ontwerp moeten worden
ingecalculeerd en om praktische maatregelen te plannen voor de preventie van
dergelijke ongevallen of om, in voorkomend geval, de gevolgen daarvan te matigen; 17. "periodieke
veiligheidsbeoordeling": een systematische herbeoordeling van de
veiligheid van een bestaande installatie, op gezette tijden uitgevoerd om zicht
te krijgen op de cumulatieve effecten van veroudering, wijzigingen, bij de
bedrijfsvoering opgedane ervaring, technische ontwikkelingen en locatiegebonden
aspecten en die bedoeld is om een hoog veiligheidsniveau gedurende de hele
levenscyclus van een installatie te waarborgen.". (5)
In hoofdstuk 2 wordt het volgende kopje
ingevoegd na de titel "VERPLICHTINGEN": "AFDELING
1 Algemene
verplichtingen". (6)
Artikel 4, lid 1, wordt als volgt
gewijzigd: (a)
het inleidende deel wordt vervangen door: "1. Er wordt door de lidstaten een passend
nationaal wettelijk, regelgevend en organisatorisch kader voor de nucleaire
veiligheid van kerninstallaties ingesteld en in stand gehouden (hierna het
"nationale kader" genoemd) waarmee de verantwoordelijkheden worden
toegewezen en wordt voorzien in coördinatie tussen de betrokken
overheidsinstanties. In het nationale kader worden met name
verantwoordelijkheden vastgesteld voor:"; (b)
punt a) wordt vervangen door: "a) de nationale
nucleaire-veiligheidsregelingen die betrekking hebben op alle stadia van de
levenscyclus van kerninstallaties, als bedoeld in artikel 3,
lid 4);"; (c)
punt b) wordt vervangen door: "b) een stelsel van vergunningen en
van verboden op de bedrijfsvoering van kerninstallaties zonder
vergunning;"; (d)
punt c) wordt vervangen door: "c) een
stelsel van toezicht op de nucleaire veiligheid;". (7)
In artikel 5, worden de leden 2 en 3 vervangen
door: "2. De lidstaten garanderen de
daadwerkelijke onafhankelijkheid van de bevoegde regelgevende autoriteit van
ongewenste beïnvloeding van haar besluitvorming op regelgevingsgebied, met name
bij de uitvoering van de in lid 3 genoemde regelgevingstaken, waardoor
ervoor wordt gezorgd dat veiligheid niet ondergeschikt wordt gemaakt aan
politieke, economische of maatschappelijke belangen. Voor dit doel zorgen de
lidstaten ervoor dat overeenkomstig het nationale kader wordt geëist dat de bevoegde
regelgevende autoriteit: a) functioneel gescheiden is van andere
publiekrechtelijke of particuliere entiteiten die betrokken zijn bij de
bevordering of het gebruik van kernenergie of elektriciteitsproductie; b) bij de uitvoering van haar regelgevende taken
geen instructies vraagt of aanneemt van enige andere publiekrechtelijke of
particuliere entiteit die betrokken is bij de bevordering of het gebruik van
kernenergie of elektriciteitsproductie; c) regelgevingsbesluiten vaststelt die gegrondvest
zijn op objectieve en verifieerbare veiligheidscriteria; d) over eigen afdoende begrotingsmiddelen
beschikt, met autonomie bij de gebruikmaking van de toegewezen begroting. Het
financieringsmechanisme en het begrotingstoewijzingsproces moeten in het
nationale kader duidelijk zijn omschreven; e) over een voldoende aantal personeelsleden
beschikt met toereikende kwalificaties, ervaring en deskundigheid; f) procedures en criteria vaststelt voor de
indienstneming of voor het ontslag van personeelsleden en voor het voorkomen en
beslechten van belangenconflicten; g) met veiligheid verband houdende informatie
verstrekt zonder herziening of vrijgave door enige andere publiekrechtelijke of
particuliere entiteit, overeenkomstig artikel 8, lid 2. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat de
bevoegde regelgevende autoriteit de juridische bevoegdheden krijgt om haar
verplichtingen in verband met het in artikel 4, lid 1, omschreven
nationale kader te vervullen, met de nodige voorrang aan veiligheid. Met dit
doel voor ogen zorgen de lidstaten ervoor dat het nationale kader voorziet in
de volgende voornaamste regelgevingstaken: (a) de omschrijving van de nationale
voorschriften voor de nucleaire veiligheid; (b) de eis aan de vergunninghouder om de
nationale voorschriften voor de nucleaire veiligheid en het bepaalde in de
relevante vergunning in acht te nemen; (c) het aantonen van de inachtneming van deze
voorschriften, inclusief de eisen van artikel 6, lid 2 tot en met 5,
en van de artikelen 8 bis tot en met 8 quinquies; (d) de verificatie van deze naleving door
middel van op de regelgeving gestoelde evaluaties en inspecties; (e) de uitvoering van handhavingsmaatregelen,
waaronder het schorsen van de bedrijfsvoering van kerninstallaties
overeenkomstig de voorwaarden van het nationale kader als bedoeld in artikel 4,
lid 1.". (8)
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt vervangen door: "1. De lidstaten zorgen ervoor dat
overeenkomstig het nationale kader wordt geëist dat de
hoofdverantwoordelijkheid voor de nucleaire veiligheid van een kerninstallatie
bij de vergunninghouder berust. Deze verantwoordelijkheid kan niet worden
overgedragen."; b) lid 2 wordt vervangen door: "2. De
lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig het nationale kader van
vergunninghouders wordt geëist dat zij, onder toezicht van de bevoegde
regelgevende autoriteit, op systematische en verifieerbare wijze de nucleaire
veiligheid van hun kerninstallaties regelmatig beoordelen en controleren, en
zoveel als redelijkerwijs haalbaar continu verbeteren."; c) lid 3 wordt vervangen door: "3. Tijdens de in lid 2 bedoelde
beoordelingen wordt ook nagegaan of er, gebaseerd op een alomvattende
veiligheidsbeoordeling, maatregelen zijn genomen ter voorkoming van ongevallen
en de verdere beperking van de gevolgen ervan, inclusief de verificatie van de
toereikendheid van de bepalingen met het oog op de defensie in de diepte en de
organisatorische beschermingsmaatregelen van de vergunninghouders die zouden
moeten falen voordat de werkers en de bevolking op significante wijze door ioniserende
straling worden getroffen."; d) lid 4 wordt vervangen door: "4. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig het nationale kader van
vergunninghouders wordt geëist dat zij hun beheerssystemen met gepaste voorrang
voor nucleaire veiligheid instellen en uitvoeren, en dat die door de bevoegde
regelgevende autoriteit regelmatig worden gecontroleerd."; e) het volgende lid 4 bis wordt
ingevoegd: "4 bis. De lidstaten zorgen
ervoor dat overeenkomstig het nationale kader wordt geëist dat wanneer een
vergunning wordt aangevraagd, de aanvrager op een gedetailleerde wijze de
veiligheid moet aantonen. De reikwijdte en het niveau van detail moet evenredig
zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico. Dit zal
overeenkomstig duidelijk omschreven procedures worden geëvalueerd en beoordeeld
door de bevoegde regelgevende autoriteit."; f) lid 5 wordt vervangen door: "5. De lidstaten zorgen ervoor dat
overeenkomstig het nationale kader van vergunninghouders wordt geëist dat zij
zorgen voor adequate personele en financiële middelen, met toereikende
kwalificaties en bekwaamheden, om te voldoen aan de in de leden 1 tot en met
4 bis van het onderhavige artikel en de artikelen 8 bis tot en
met 8 quinquies van deze richtlijn genoemde verplichtingen inzake de nucleaire
veiligheid van een kerninstallatie. Deze verplichtingen strekken zich ook uit
tot de werkers van onderaannemingen." (9)
De artikelen 7 en 8 worden vervangen
door: "Artikel 7 Deskundigheid
en bekwaamheid inzake nucleaire veiligheid De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig het
nationale kader van alle partijen wordt geëist dat zij voorzien in regelingen
voor opleiding, training en oefening van hun personeelsleden die
verantwoordelijk zijn voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties en voor
de locatiegebonden paraatheids- en responsregelingen, teneinde een bij de tijd
gebrachte en wederzijds erkende deskundigheid en bekwaamheid op het gebied van
nucleaire veiligheid op te bouwen, in stand te houden en verder te ontwikkelen.
Artikel 8 Transparantie 1. De lidstaten zorgen ervoor dat geactualiseerde
en tijdige informatie met betrekking tot de nucleaire veiligheid van
kerninstallaties en de daarmee verbonden risico's beschikbaar wordt gesteld
voor de werkers en het publiek, met speciale aandacht voor de bevolking die in
de nabijheid van een nucleaire installatie woont. De in de eerste alinea vervatte verplichting houdt
in dat de bevoegde regelgevende autoriteit en de vergunninghouders, elk binnen
hun verantwoordelijkheidsgebied, een transparantiestrategie uitwerken,
bekendmaken en ten uitvoer leggen die onder meer informatie omvat over de
normale bedrijfsomstandigheden van kerninstallaties, niet-verplichte
raadplegingsactiviteiten, gericht op de werkers en het publiek, en communicatie
in het geval van abnormale gebeurtenissen en ongevallen. 2. De informatie wordt aan het publiek beschikbaar
gesteld overeenkomstig de Uniale en nationale wetgeving en de internationale
verplichtingen, mits hiermee geen andere, in de nationale wetgeving en de
internationale verplichtingen erkende en overheersende belangen, onder meer
inzake beveiliging, in het gedrang worden gebracht. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek op
vroegtijdige en daadwerkelijke wijze de kans krijgt deel te nemen aan het
vergunningsproces voor kerninstallaties, in overeenstemming met de relevante
Uniale en nationale wetgeving en met hun internationale verplichtingen.". (10)
De volgende afdeling 2 wordt ingevoegd na
artikel 8: "AFDELING 2 Specifieke
verplichtingen Artikel 8 bis Veiligheidsdoelstelling
voor kerninstallaties 1. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig
het nationale kader wordt geëist dat bij het ontwerp, de keuze van de
vestigingsplaats, de bouw, de inbedrijfstelling, de bedrijfsvoering en de
buitenbedrijfstelling van kerninstallaties de doelstelling voor ogen wordt
gehouden dat potentiële radioactieve lozingen worden vermeden, meer bepaald
door: (a)
in de praktijk uit te sluiten dat zich een
opeenvolgende reeks van ongevallen voordoet die zou kunnen resulteren in
vroegtijdige of grote lozingen; (b)
voor ongevallen die niet in de praktijk konden
worden uitgesloten, ontwerpmaatregelen ten uitvoer te leggen zodat uitsluitend
qua ruimtelijke omvang en in de tijd beperkte beschermingsmaatregelen nodig
zijn voor het publiek en zodat voldoende tijd beschikbaar is om deze
maatregelen ten uitvoer te leggen, en zodat de frequentie van dergelijke
ongevallen wordt geminimaliseerd. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig
hun nationale kader wordt geëist dat de in lid 1 bedoelde doelstelling in
de mate dat dit redelijkerwijs haalbaar is ook geldt voor bestaande
kerninstallaties. Artikel 8 ter Tenuitvoerlegging
van de veiligheidsdoelstelling voor kerninstallaties Om de in artikel 8 bis uiteengezette
veiligheidsdoelstelling te verwezenlijken, zorgen de lidstaten ervoor dat
overeenkomstig hun nationale kader wordt geëist dat: (a) bij de keuze van de vestigingsplaats
van kerninstallaties de nodige aandacht wordt gegeven om, waar dat mogelijk is,
externe natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te kunnen vermijden en
de eventuele effecten ervan te kunnen minimaliseren; (b) kerninstallaties zijn ontworpen en
worden gebouwd, in bedrijf gesteld, geëxploiteerd en buiten bedrijf gesteld op
basis van het concept van verdediging in de diepte, zodat: (i) de stralingsdoses voor de werkers en het
publiek beneden de voorgeschreven grenswaarden blijven en zo laag als
redelijkerwijs haalbaar worden gehouden; (ii) het zich voordoen van abnormale
gebeurtenissen wordt geminimaliseerd; (iii) het potentieel voor een escalatie van
ongevalssituaties wordt verminderd door de versterking van de capaciteit van
een kerninstallatie om abnormale gebeurtenissen effectief te kunnen beheren en
controleren; (iv) de schadelijke gevolgen van abnormale
gebeurtenissen en ontwerpongevallen, als die zich zouden voordoen, worden
beperkt teneinde te waarborgen dat zij geen stralingsgevolgen, of slechts een
uiterst beperkt stralingsgevolg, hebben buiten de locatie; (v) externe door de natuur of door de mens
veroorzaakte risico's waar mogelijk worden vermeden en hun effect wordt
geminimaliseerd. Artikel 8 quater Methodologie
voor de keuze van de vestigingsplaats, het ontwerp, de bouw, de
inbedrijfstelling, de bedrijfsvoering en de buitenbedrijfstelling van
kerninstallaties 1. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig
het nationale kader wordt geëist dat de vergunninghouder, onder het toezicht
van de bevoegde regelgevende autoriteit: (a)
op gezette tijden de stralingseffecten van een
kerninstallatie op de werkers, het publiek en de lucht, het water en de bodem
evalueren, zowel bij normale bedrijfsomstandigheden als in ongevalssituaties; (b)
op gezette tijden, en minimaal om de tien jaar, de
ontwerpbasis van kerninstallaties definiëren, documenteren en herbeoordelen via
een periodieke veiligheidsbeoordeling, en deze aanvullen met een analyse ter
verruiming van de ontwerpbasis, om ervoor te zorgen dat alle redelijkerwijs
haalbare verbeteringsmaatregelen ten uitvoer worden gelegd; (c)
ervoor zorgen dat de analyse ter verruiming van de
ontwerpbasis betrekking heeft op alle ongevallen, gebeurtenissen en combinaties
van gebeurtenissen, inclusief interne en externe door de natuur en door de mens
veroorzaakte risico's en ernstige ongevallen, resulterend in een toestand die
niet is opgenomen en beschreven bij de ontwerpongevallen; (d)
strategieën ontwikkelt en ten uitvoer legt om zowel
ontwerpongevallen als buitenontwerpongevallen te matigen; (e)
richtsnoeren voor het beheer van ernstige
ongevallen ten uitvoer legt voor alle kerncentrales en, eventueel, andere kerninstallaties,
die betrekking hebben op alle bedrijfsomstandigheden, ongevallen in de bassins
voor verbruikte splijtstof en gebeurtenissen met een lange duur; (f)
een specifieke veiligheidsbeoordeling uitvoert voor
kerninstallaties waarvoor de bevoegde regelgevende autoriteit van oordeel is
dat zij zich dichtbij het einde van hun operationele levensduur, als
oorspronkelijk bedoeld, bevinden en waarvoor een aanvraag voor een verlenging
van de levensduur is ingediend. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig
het nationale kader wordt geëist dat het verlenen van of de evaluatie van een
vergunning voor de bouw en/of de exploitatie van een kerninstallatie wordt
gebaseerd op een passende locatie- en installatiespecifieke
veiligheidsbeoordeling. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig
het nationale kader wordt geëist dat voor kerncentrales en, indien van
toepassing, voor onderzoeksfaciliteiten, waarvoor voor de eerste keer een
bouwvergunning is aangevraagd, de bevoegde regelgevende autoriteit de aanvrager
ertoe verplicht aan te tonen dat het ontwerp in de praktijk de effecten van
schade aan de reactorkern beperkt houdt tot binnen de insluiting. Artikel 8 quinquies Locatiegebonden
paraatheid voor en respons op ongevallen De lidstaten zorgen ervoor dat overeenkomstig het
nationale kader wordt geëist dat de vergunninghouder, onder het toezicht van de
bevoegde regelgevende autoriteit: (a)
locatiegebonden noodplannen opstelt en regelmatig
actualiseert die: (i) gebaseerd zijn op een beoordeling van
gebeurtenissen en situaties die locatiegebonden beschermingsmaatregelen of
beschermingsmaatregelen buiten de locatie vergen; (ii) gecoördineerd worden met alle andere
betrokken lichamen en die voorbouwen op lessen welke zijn getrokken uit de
feedback met betrekking tot ervaring uit ernstige ongevallen, als die zich
zouden voordoen; (iii) met name gericht zijn op gebeurtenissen die
een impact kunnen hebben op meerdere eenheden van een nucleaire installatie; (b)
de vereiste organisatorische structuur voor een
duidelijke toewijzing van de verantwoordelijkheden vaststelt en de
beschikbaarheid van de nodige middelen en activa waarborgt; (c)
regelingen invoert voor de coördinatie van
activiteiten op de vestigingsplaats en voor de samenwerking met de autoriteiten
en agentschappen die verantwoordelijk zijn voor de respons op noodsituaties in
alle fasen van een noodsituatie, waarbij die regelingen regelmatig worden
ingeoefend; (d)
voorziet in maatregelen ter voorbereiding van de
werkers op de locatie op potentiële abnormale gebeurtenissen en ongevallen; (e)
voorziet in regelingen voor grensoverschrijdende en
internationale samenwerking, inclusief vooraf omschreven regelingen voor de
ontvangst op de locatie van externe bijstand, als dat nodig mocht zijn; (f)
een op de vestigingsplaats gelegen centrum voor de
reactie op noodsituaties inricht, dat voldoende beschermd is tegen natuurrampen
en radioactiviteit zodat het steeds bemand kan zijn; (g)
in het geval van een noodsituatie beschermende
maatregelen treft teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid en voor de
lucht, het water en de bodem te matigen.". (11)
Het volgende hoofdstuk 2 bis wordt
ingevoegd na hoofdstuk 2: "HOOFDSTUK 2 bis COLLEGIALE
TOETSINGEN EN RICHTSNOEREN Artikel 8 sexies Collegiale
toetsingen 1. De lidstaten organiseren ten minste om de tien
jaar periodieke zelfevaluaties van hun nationale kader en de bevoegde
regelgevende autoriteit, en verzoeken om een internationale toetsing door
vakgenoten ("collegiale toetsing" of "peer review") van
relevante segmenten van hun nationale kader en de bevoegde regelgevende
autoriteiten teneinde de nucleaire veiligheid continu te verbeteren. De
resultaten van iedere collegiale toetsing worden aan de lidstaten en de
Commissie bekendgemaakt wanneer zij beschikbaar zijn. 2.
Met de steun van de bevoegde regelgevende autoriteiten voorzien de lidstaten op
gezette tijden en minimaal om de zes jaar in een systeem van thematische
collegiale toetsingen en komen zij spreken zij een tijdschema en de voorwaarden
voor de tenuitvoerlegging daarvan af. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat
zij: (a)
gezamenlijk en in nauwe samenwerking met de
Commissie één of meer specifieke topics in verband met de nucleaire veiligheid
van kerninstallaties selecteren. Als de lidstaten er niet in slagen gezamenlijk
ten minste één topic te selecteren binnen het in dit lid bedoelde tijdskader,
kiest de Europese Commissie de topics die aan collegiale toetsingen moeten
worden onderworpen; (b)
in verband met deze topics, nationale beoordelingen
uitvoeren, in nauwe samenwerking met de vergunninghouders, en de resultaten
daarvan publiceren; (c)
gezamenlijk een methodologie vaststellen en een
collegiale toetsing uitvoeren met betrekking tot de onder b) bedoelde nationale
beoordelingen, waaraan de Commissie wordt uitgenodigd deel te nemen; (d)
de resultaten van de onder c) bedoelde collegiale
toetsingen publiceren. 3.
Iedere lidstaat die aan de in lid 2 bedoelde collegiale toetsing is
onderworpen, stelt regelingen vast voor de planning en
tenuitvoerleggingsmethode op zijn grondgebied van de relevante technische
aanbevelingen die uit het proces van collegiale toetsing zijn voortgekomen, en
stelt de Commissie daarvan op de hoogte. 4. Als de Commissie substantiële afwijkingen van
of vertragingen bij de uit het proces van collegiale toetsing voortgekomen
technische aanbevelingen vaststelt, nodigt zij de bevoegde regelgevende
autoriteiten van de niet-betrokken lidstaten uit een verificatiemissie te
organiseren en uit te voeren om een volledig beeld te krijgen van de situatie
en de betrokken lidstaat te informeren over mogelijke maatregelen om de
vastgestelde tekortkomingen te verhelpen. 5. In het geval van een ongeval dat resulteert in
een vroegtijdige of grote lozing of een abnormale gebeurtenis die leidt tot
situaties die noodmaatregelen buiten de locatie of maatregelen ter bescherming
van het publiek noodzakelijk maken, vraagt de betrokken lidstaat binnen een
periode van zes maanden een collegiale toetsing overeenkomstig lid 2 aan
van de betrokken installatie, waaraan de Commissie wordt verzocht deel te
nemen. Artikel 8 septies
Richtsnoeren voor de verbetering van de nucleaire veiligheid Op
basis van de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 sexies,
lid 2, uitgevoerde collegiale toetsingen en de daaruit voortgekomen
technische aanbevelingen werken de lidstaten, overeenkomstig de beginselen van
transparantie en continue verbetering van de nucleaire veiligheid en met de
steun van de bevoegde regelgevende autoriteiten, gezamenlijk richtsnoeren uit
en stellen die vast in verband met de specifieke, in artikel 8 sexies,
lid 2, onder a), bedoelde specifieke topics.". (12)
Het volgende kopje wordt ingevoegd na
hoofdstuk 2 bis: "HOOFDSTUK 2 ter ALGEMENE
BEPALINGEN". (13)
In artikel 9 wordt lid 3 geschrapt. (14)
Het volgende artikel 9 bis wordt
ingevoerd na artikel 9: "Artikel 9 bis
Sancties De lidstaten stellen de regels vast voor de
sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn
vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te
zorgen dat deze ten uitvoer worden gelegd. De voorziene sancties moeten
doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie
uiterlijk op [insert date –this date must correspond to the deadline for
transposition set out in article 2 of this proposal] in kennis van die
bepalingen en delen eventuele latere wijzigingen die daarop betrekking hebben
onverwijld mede.". (15)
In Artikel 10 wordt het volgende
lid 1 bis ingevoegd na lid 1: "1 bis. De verplichting tot omzetting en
tenuitvoerlegging van de artikelen 6, 8 bis, 8 ter, 8 quater,
8 quinquies en 9 bis van deze richtlijn geldt niet voor Cyprus,
Ierland, Luxemburg en Malta, tenzij die landen besluiten enige activiteit met
betrekking tot kerninstallaties te ontwikkelen waarvoor een vergunning onder
hun jurisdictie moet worden verleend.". Artikel 2 1. De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op
[deadline for transposition to be inserted in the course of the legislative
process] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld
in kennis van de tekst van deze bepalingen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld
mede . Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen
zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De
regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de voornaamste bepalingen van intern recht mede die zij
op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen, alsmede van elke
latere wijziging van die bepalingen. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Artikel 4 Deze
richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
Voorzitter [1] Conclusies Europese Raad, EUCO 10/1/ 11. [2] België, Bulgarije, Tsjechië, Finland, Frankrijk,
Duitsland, Hongarije, Nederland, Roemenië, Slowakije, Slovenië, Spanje, Zweden,
Verenigd Koninkrijk. [3] De kerncentrale van Ignalina wordt ontmanteld. [4] COM(2011) 784 definitief. [5] Verslag van de collegiale toetsing "Stress Tests
performed on European nuclear power plants", www.ensreg.eu [6] ENSREG-actieplan voor de follow-up van de collegiale
toetsing die is uitgevoerd bij Europese kerncentrales. [7] COM(2012) 571 van 4.10.2012. [8] Er zijn 17 nationale actieplannen beschikbaar die kunnen
worden geraadpleegd op de ENSREG-website www.ensreg.eu [9] http://www.ensreg.eu/ensreg-conferences [10] P7_TA(2011)0318. [11] P7_TA(2011)0327. [12] P7_TA(2013)0089. [13] TEN/498. [14] PB L 172 van 2.7.2009. [15] Arrest van het Hof van 10 december 2002 [2002] ECR
I-11221. [16] Er bestonden voordien slechts twee juridisch niet-bindende
resoluties van de Raad van 22 juli 1975 en 18 juni 1992 inzake de
technologische problemen van nucleaire veiligheid. [17] INFCIRC/449 van 5 juli
1994. [18] Safety Standard Series van de IAEA , nr. SF-1 (2006). [19] Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad tot vaststelling van
de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der
werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren. [20] Commissievoorstel voor een besluit van het Europees
Parlement en de Raad betreffende een EU-mechanisme voor civiele bescherming
(COM(2011) 934 definitief), bedoeld, onder meer, ter vervanging van
Beschikking 2007/779 van de Raad van 8 november 2007 tot vaststelling
van een communautair mechanisme voor civiele bescherming (herschikking). [21] COM(2002)
704 definitief. [22] Bijvoorbeeld, de eerste ENSREG-conferentie op 28-29 juni
2011, een conferentie van belanghebbenden inzake collegiale toetsingen op 17
januari 2012, een openbaar debat over de resultaten van stresstests en de
collegiale toetsingen op 8 mei 2012. De tweede ENSREG-conferentie is gepland
voor juni 2013. [23] Advies van het EESC (TEN/529) van 2 september 2013 over
het ontwerpvoorstel voor een richtlijn van de Raad houdende wijziging van
Richtlijn 2009/71/EURATOM tot vaststelling van een communautair kader voor
de nucleaire veiligheid van kerninstallaties. [24] Bv. Governmental, Legal and Regulatory Framework for
Safety - General safety requirements - IAEA safety standards series nr. GSR
deel 1. [25] Serie van internationale workshops tussen 2009-2013 met
de deelname van DG ENER en DG ENV van de Commissie en van de Nationale
vereniging van comités en commissies die informatie verschaffen –
"commissions locales d'information" (CLI's) en hun nationale
federatie (ANCCLI). [26] Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij
besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden,
geratificeerd op 17 februari 2005 bij Besluit 2005/370/EG van de
Raad. [27] PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1. [28] C-187/87 (1988 ECR blz. 5013), C-376/90 (1992 ECR
I-6153) and C-29/99 (2002 ECR I-11221). [29] PB L 172
van 6.5.2004, blz. 7. [30] PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18. [31] PB L 318 van 11.12.1999, blz. 20. [32] IAEA Safety Fundamentals: Fundamental safety
principles, IAEA Safety Standard Series No SF-1 (2006). [33] PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48. [34] Vastgesteld door het Coreper op 25 april 2007 (doc. Ref.
8784/07) en de Raad Economische en Financiële Zaken op 8 mei 2007. [35] PB L 195 van 27.7.2007, blz. 44. [36] Europese Raad, EUCO 10/1/11. [37] ENSREG-Verslag inzake de collegiale toetsing "Stress
Tests performed on European nuclear power plants", 25 April 2012. [38] COM(2011) 784
definitief. [39] COM (2012) 571 definitief. [40] PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1 –
Gecodificeerde versie van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de
milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, als
gewijzigd. [41] Voorstel van de Commissie voor een besluit van het
Europees Parlement en de Raad betreffende een EU-mechanisme voor civiele
bescherming (COM(2011) 934 definitief). [42] PB L 371 van 30.12.1987, blz. 76. [43] PB L 357 van 7.12.1989, blz. 31.