Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013PC0604

Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan

/* COM/2013/0604 final - 2013/0293 (NLE) */

52013PC0604

Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan /* COM/2013/0604 final - 2013/0293 (NLE) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•           Motivering en doel van het voorstel

Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn ("de basisverordening") in het kader van de gedeeltelijke heropening van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan.

•           Algemene context

Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de uitvoering van een arrest van het Gerecht over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn[1] ("de basisverordening") en is het resultaat van een onderzoek dat werd uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen van de basisverordening.

•           Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 van de Raad van 27 september 2010[2].

•           Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

Niet van toepassing.

2.           RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

            •           Raadpleging van belanghebbende partijen

Partijen die belang bij de procedure hebben, werden overeenkomstig de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen.

            •           Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.

            •           Effectbeoordeling

Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening.

De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een volledige lijst van factoren die moeten worden beoordeeld.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

•           Samenvatting van de voorgestelde maatregel

Op 17 mei 2013 heeft de Commissie met een bericht ("het bericht van gedeeltelijke heropening") in het Publicatieblad van de Europese Unie[3] de gedeeltelijke heropening van het antisubsidieonderzoek betreffende de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan aangekondigd.

De aanleiding voor die heropening was de gedeeltelijke nietigverklaring door het Gerecht van artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 van de Raad voor zover het de Pakistaanse producent-exporteur Novatex Ltd ("Novatex" of "de betrokken onderneming") betreft. Overeenkomstig artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn de instellingen van de Europese Unie gehouden het arrest van het Gerecht uit te voeren. Daarom heeft de Europese Commissie het antisubsidieonderzoek gedeeltelijk heropend voor zover het Novatex betreft.

Het bijgevoegde voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot instelling van een gewijzigd definitief compenserend recht ten aanzien van Novatex wordt gedaan nadat de belanghebbenden voldoende tijd hebben gekregen om opmerkingen te maken over de herziene mededeling van de definitieve bevindingen van 25 juni 2013.

De Raad wordt verzocht het bijgevoegd voorstel voor een verordening goed te keuren, waarna de verordening zo spoedig mogelijk in het Publicatieblad van de Europese Unie moet worden bekendgemaakt.

•           Rechtsgrondslag

Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn.

•           Subsidiariteitsbeginsel

Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

•           Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel aangezien de vorm van de maatregelen wordt voorgeschreven in de basisverordening en geen ruimte laat voor nationale besluitvorming.

Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing.

•           Keuze van instrumenten

Voorgesteld instrument: verordening van de Raad.

Andere instrumenten zouden ongeschikt zijn omdat de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet.

4. Gevolgen voor de begroting

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.

2013/0293 (NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn[4] ("de basisverordening"), en met name artikel 15, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie ("de Commissie"), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

(1)       Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010[5] van de Raad ("de betwiste verordening") heeft de Raad een definitief compenserend recht van 44,02 tot 139,70 EUR per ton ingesteld op bepaald polyethyleentereftalaat met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer volgens ISO-norm 1628-5, van oorsprong uit Iran, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten.

(2)       Op 6 december 2010 heeft de medewerkende producent-exporteur in Pakistan, Novatex Ltd ("Novatex" of "de betrokken onderneming"), bij het Gerecht een verzoekschrift tot nietigverklaring van de betwiste verordening neergelegd voor zover deze op de verzoekende partij van toepassing was[6].

(3)       Op 11 oktober 2012 heeft het Gerecht in zijn arrest in zaak T-556/10 ("het arrest van het Gerecht") gesteld dat het feit dat de Commissie en de Raad geen rekening hebben gehouden met het bedrag dat resulteert uit de herziening van lijn 74 van de aangifte van inkomsten voor het aanslagjaar 2008 en de daaruit voortvloeiende fout de wettigheid van artikel 1 van de betwiste verordening aantasten voor zover het door de Raad vastgestelde definitief compenserend recht hoger is dan het recht dat van toepassing zou zijn indien deze vergissing niet was gemaakt. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 1 van de betwiste verordening nietig verklaard voor zover het Novatex betrof en voor zover het definitief compenserend recht hoger was dan het recht dat van toepassing zou zijn indien deze vergissing niet was gemaakt.

(4)       In zaak T-2/95[7] (de "zaak IPS") heeft het Gerecht erkend dat wanneer een procedure uit verschillende administratieve stappen bestaat, de nietigverklaring van een van deze stappen niet de volledige procedure nietig verklaart. Deze antisubsidieprocedure is een voorbeeld van een dergelijke procedure met verschillende stappen. Bijgevolg houdt de nietigverklaring van een deel van de betwiste antisubsidieverordening niet de nietigverklaring van de gehele procedure vóór de vaststelling van de desbetreffende verordening in. Bovendien zijn de instellingen van de Europese Unie op grond van artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ("VWEU") verplicht het arrest van het Gerecht van 11 oktober 2012 uit te voeren. Dit houdt ook de mogelijkheid in om alleen de aspecten van de betwiste verordening te corrigeren die tot de gedeeltelijke nietigverklaring van de verordening hebben geleid en de niet‑betwiste delen waarop het arrest van het Gerecht geen betrekking heeft, ongewijzigd te laten[8]. Er zij opgemerkt dat alle andere bevindingen in de betwiste verordening geldig blijven.

(5)       Na het arrest van het Gerecht van 11 oktober 2012 heeft de Commissie het antisubsidieonderzoek ten aanzien van de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit onder meer Pakistan[9] op 17 mei 2013 gedeeltelijk heropend. De heropening was beperkt tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht, voor zover het Novatex betreft.

(6)       De Commissie heeft de producenten-exporteurs, importeurs, de haar bekende betrokken gebruikers en leveranciers van grondstoffen, de vertegenwoordigers in het land van uitvoer en de bedrijfstak van de Unie van de gedeeltelijke heropening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Geen van de belanghebbenden heeft verzocht te worden gehoord.

(7)       Alle betrokken partijen werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen voor Novatex een gewijzigd definitief compenserend recht in te stellen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.

B.        UITVOERING VAN HET ARREST VAN HET GERECHT

1.           Opmerking vooraf

(8)       Er wordt op gewezen dat de betwiste verordening gedeeltelijk nietig werd verklaard omdat de Commissie en de Raad rekening hadden moeten houden met het feit dat lijn 74 van de aangifte van inkomsten van de betrokken onderneming voor het aanslagjaar 2008 was herzien.

2.           Opmerkingen van de belanghebbenden

(9)       De betrokken onderneming, Novatex, heeft binnen de vastgestelde termijn opgemerkt dat het definitieve compenserende recht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Pakistan dat in de Europese Unie wordt ingevoerd na het arrest van 11 oktober 2012 met 1,02 % moest worden verlaagd. Novatex voerde voorts aan dat het compenserend recht voor Novatex met ingang van 1 juni 2010 (de datum waarop het voorlopig recht volgens Novatex in werking was getreden) op 4,1 % of 35,39 EUR per ton moest worden vastgesteld.

(10)     De Commissie heeft verder geen wezenlijke opmerkingen over de gedeeltelijke heropening ontvangen.

3.           Analyse van de opmerkingen

(11)     Na analyse van de bovenstaande opmerkingen wordt bevestigd dat de nietigverklaring van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 ten aanzien van Novatex, voor zover het definitief compenserend recht hoger was dan het recht dat van toepassing zou zijn indien de door het Hof opgemerkte vergissing niet was gemaakt, niet de nietigverklaring van de hele procedure vóór de vaststelling van de verordening tot gevolg heeft.

(12)     De herberekening van het compenserend recht dat van toepassing is op Novatex, rekening houdend met de gewijzigde lijn 74 van de aangifte van inkomsten van de onderneming, resulteert inderdaad in het gecorrigeerde bedrag van 35,39 EUR per ton.

(13)     Het herziene recht moet inderdaad retroactief worden toegepast, me name vanaf de datum van inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010. Krachtens artikel 2 van die verordening zal het eveneens gelden vanaf de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 473/2010 van de Commissie tot instelling van een voorlopig compenserend recht. Die verordening van de Commissie is in werking getreden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, namelijk op 2 juni 2010 (en niet op 1 juni 2010 zoals Novatex stelt).

4.           Conclusie

(14)     Rekening houdend met de opmerkingen en de analyse daarvan wordt bijgevolg geconcludeerd dat de uitvoering van het arrest van het Gerecht de vorm moet krijgen van een herziening van het compenserend recht dat van toepassing is op Novatex, dat van 44,02 EUR/ton moet worden verlaagd tot 35,39 EUR/ton. Aangezien Novatex tijdens het onderzoektijdvak de enige producent-exporteur van het betrokken product in Pakistan was, is het herziene recht van toepassing op alle polyethyleentereftalaat dat uit Pakistan wordt ingevoerd. Het herziene recht moet retroactief worden toegepast, me name vanaf de datum van inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010. Krachtens artikel 2 van die verordening moet het eveneens gelden vanaf de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 473/2010 van de Commissie tot instelling van een voorlopig compenserend recht.

(15)     De douaneautoriteiten moeten worden belast met de terugbetaling overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving van de te veel betaalde rechten (boven de 35,39 EUR/ton) voor de betrokken ingevoerde producten.

C.        MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(16)     De Commissie heeft de belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was het arrest van het Gerecht uit te voeren. Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 30, lid 5, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

(17)     Er werden geen wezenlijke opmerkingen ontvangen.

D.        WIJZIGING VAN DE MAATREGELEN

(18)     Gezien de resultaten van de gedeeltelijke heropening wordt het passend geacht het compenserend recht op het betrokken product van oorsprong uit Pakistan te wijzigen en op 35,39 % vast te stellen.

(19)     Deze procedure heeft geen gevolgen voor de datum waarop de bij de betwiste verordening ingestelde maatregelen zullen vervallen, namelijk 30 september 2015,   

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.           De tabel in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

Land || Definitief compenserend recht (EUR/ton)

Iran: alle ondernemingen || 139,70

Pakistan: alle ondernemingen || 35,39

Verenigde Arabische Emiraten: alle ondernemingen || 42,34

2.           Het herziene recht van 35,39 EUR/ton voor Pakistan zal van toepassing zijn vanaf 30 september 2010.

3.           De bedragen van de overeenkomstig artikel 1 van de oorspronkelijke versie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 857/2010 betaalde of geboekte rechten en de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 van de oorspronkelijke versie van dezelfde verordening definitief geïnde voorlopige rechten, die hoger zijn dan die welke zijn vastgesteld op grond van artikel 1 van deze verordening, moeten worden terugbetaald of kwijtgescholden. De terugbetaling of kwijtschelding wordt overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving bij de nationale douaneautoriteiten aangevraagd. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De voorzitter

[1]               PB L 188 van 18.7.2009, blz. 10.

[2]               PB L 254 van 29.9.2010, blz. 10.

[3]               PB C 138 van 17.5.2013, blz. 32-34.

[4]               PB L 188 van 18.7.2009, blz. 104-105.

[5]               PB L 254 van 29.9.2010, blz. 10.

[6]               Zaak T-556/10 Novatex Ltd / Raad van de Europese Unie.

[7]               Zaak T-2/95 Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad [1998] Jurispr. II-3939.

[8]               Zaak T-2/95 Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad [1998] Jurispr. II-3939.

[9]               PB C 138 van 17.5.2013, blz. 32-34.

Top