This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0022
Proposal for a COUNCIL DECISION authorising France to apply reduced levels of taxation to petrol and gas oil used as motor fuels in accordance with Article 19 of Directive 2003/96/EC
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij Frankrijk overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingniveau toe te passen op benzine en gasolie die als motorbrandstof worden gebruikt
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij Frankrijk overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingniveau toe te passen op benzine en gasolie die als motorbrandstof worden gebruikt
/* COM/2013/022 final - 2013/0018 (NLE) */
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij Frankrijk overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingniveau toe te passen op benzine en gasolie die als motorbrandstof worden gebruikt /* COM/2013/022 final - 2013/0018 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL De belastingheffing van energieproducten en
elektriciteit in de EU is geregeld bij Richtlijn 2003/96/EG[1] van de Raad (hierna "de
energiebelastingrichtlijn" of "de richtlijn" genoemd). Behalve op grond van de bepalingen van met
name de artikelen 5, 15 en 17 kan de Raad ook uit hoofde van artikel 19, lid 1,
van de richtlijn op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen
besluiten dat een lidstaat uit specifieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd
om verdere belastingvrijstellingen of -verlagingen in te voeren. Dit voorstel strekt ertoe om Frankrijk toe te
staan de belasting op loodvrije benzine en gasolie, met uitzondering van
commerciële gasolie, binnen bepaalde grenzen te blijven differentiëren. Deze
differentiatie moet het mogelijk maken om invulling te geven aan de
decentralisatie van bepaalde specifieke bevoegdheden die voorheen door de
centrale overheid werden uitgeoefend. Verzoek en
algemene context Bij Uitvoeringsbesluit 2011/38/EU[2] van de Raad (hierna
"Besluit 2011/38/EU), dat voorzag in verlenging van Beschikking
2005/767/EG[3]
van de Raad (hierna "Beschikking 2005/767/EG"), werd Frankrijk in het
kader van een staatshervorming en met name de decentralisatie van bepaalde
specifieke bevoegdheden die voorheen door de centrale overheid werden
uitgeoefend, gemachtigd om tot 31 december 2012 op regionaal niveau verlaagde
belastingtarieven voor loodvrije benzine en gasolie toe te passen. Op basis van dat besluit past Frankrijk thans
een regeling toe waarbij de Franse administratieve regio's de belasting op
loodvrije benzine en gasolie, met uitzondering van die op commerciële gasolie,
mogen verlagen. De belasting in kwestie is meer bepaald een accijns, namelijk
de Taxe Intérieure sur les Produits Pétroliers (binnenlandse accijns op
aardolieproducten of TIPP). Bij brief van 10 februari 2012 hebben de
Franse autoriteiten op grond van artikel 19 van de richtlijn verzocht om
verlenging van deze regeling onder dezelfde voorwaarden, maar voor een periode
van zes jaar, gaande van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2018. De Franse
autoriteiten hebben aanvullende informatie en nadere toelichtingen verstrekt op
24 mei 2012 en 5 oktober 2012. Opzet van de
maatregel Het Franse douanewetboek voorziet in één
maximumbelastingtarief voor loodvrije benzine en één maximumbelastingtarief
voor gasolie. De regio's mogen deze tarieven verlagen met
een bedrag dat, net als voorheen, niet hoger mag zijn dan EUR 35,4 per
1 000 liter loodvrije benzine, inclusief E10-benzine, en EUR 23,0 per
1 000 liter gasolie gedurende de gehele looptijd van de derogatie. Deze
bedragen vormen de maximale opbrengsten per 1 000 liter die rechtstreeks
toekomen aan de regio's. Iedere jaar wordt in de regionale raden bij stemming
vastgesteld hoe groot de belastingverlaging wordt - deze werkwijze is niet
alleen een bewijs van de onafhankelijkheid van de besluitvorming van de
regio's, maar geeft hen ook een stimulans om te streven naar beter bestuur,
hetgeen niet kan worden bereikt door een overdracht van middelen van de
nationale begroting naar de lokale begrotingen. Het belastingniveau na de verlaging mag nooit
onder de bij Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde EU-minima liggen en er is niet
voorzien in een verlaging voor commerciële gasolie. Maatregelen
met betrekking tot de overbrenging van en de controle op de producten in
kwestie De centrale overheid blijft bevoegd voor de
inning van en de controle op de accijns op gasolie en loodvrije benzine,
ongeacht de verlagingen die door de regio's zijn vastgesteld. De overbrenging van de producten gebeurt onder
de regeling "accijns betaald" en de motorbrandstoffen worden bij de
uitslag tot verbruik in de heffing betrokken naar het accijnstarief dat van
toepassing is in de regio waar ze worden geleverd. Omdat er een specifiek frauderisico bestaat
(namelijk dat leveringen worden omgeleid om te profiteren van het verschil
tussen de belastingniveaus van twee regio's), zal er toezicht worden
uitgeoefend op de toeleveringsketen. De leveranciers moeten daartoe vooraf de
identiteit van de geadresseerden vaststellen en deze aan de douanediensten
meedelen. Volgens de risicoanalyse moeten de geadresseerden in drie
categorieën worden ingedeeld: eindverbruikers met grote opslagcapaciteit,
tankstations en distributeurs van veraccijnsde brandstoffen. Bij een
binnenlandse overbrenging van veraccijnsde brandstoffen kan de douane de
oorsprong van het product en de regio van bestemming controleren. Wordt een
ongewoon traject gevolgd of duurt het vervoer onverklaarbaar lang, dan kan de douane
onderzoeken of er van de aanvankelijk opgegeven regionale bestemming werd
afgeweken. Evaluatie
van Frankrijk wat betreft de gevolgen voor de interne markt en staatssteun De Franse autoriteiten verwachten niet dat de
maatregel de goede werking van de interne markt zal belemmeren, met name omdat
hij is beperkt tot brandstoffen voor niet-commercieel gebruik. Wat de
detailhandelsprijzen voor die brandstoffen betreft, zijn de verschillen tussen
de diverse distributienetwerken volgens hen bovendien groter dan de verschillen
die uit de maatregel kunnen voortvloeien. Tijdens de toepassing van de
maatregel hebben zij ook geen klachten ontvangen over eventuele verstorende
effecten. Wat de uitsluiting van commerciële gasolie van
de maatregel betreft, is het zo dat Franse of EU-wegvervoerders die voldoen aan
de voorwaarden voor een gedeeltelijke teruggaaf van de accijns op commerciële
gasolie, aan hetzelfde accijnstarief onderworpen zullen zijn, ongeacht de regio
waarin zij de brandstof hebben aangekocht. In de beoogde regeling wordt de
thans geldende teruggaafprocedure gehandhaafd, waarbij de gevolgen van de door
de regio's vastgestelde tariefverlagingen volledig worden geneutraliseerd door
overeenkomstige verlagingen van het bedrag van de teruggaaf voor commerciële gasolie.
De regeling leidt dus niet tot verstoring van de mededinging in de
vervoersector en heeft geen negatieve invloed op het handelsverkeer in de EU.
Volgens de Franse autoriteiten is er ook geen sprake van staatssteun, omdat de
wegvervoerders voor commerciële gasolie aan hetzelfde accijnstarief onderworpen
zullen zijn, ongeacht de regio waarin zij de brandstof hebben aangekocht. Evaluatie
van Frankrijk wat betreft de geldigheidsduur van de maatregel Wat de looptijd van de regeling betreft,
benadrukt Frankrijk dat de derogatie voor een periode van zes jaar moet worden
verlengd om de regio's in staat te stellen hun beleid gedurende een bepaalde
tijd te voeren. De periode van drie jaar waarin Besluit 2011/38/EU voorzag, is
bijzonder kort gebleken en de enige rechtvaardiging hiervoor waren het ongewone
karakter van de maatregel en de vrees van lidstaten voor een mogelijke
verstoring van de mededinging. De maatregel is oorspronkelijk opgezet om de
overgang naar decentralisatie in Frankrijk te flankeren. In dit verband is een
geldigheidsduur van drie jaar bijzonder kort en niet geschikt om het beoogde
doel te bereiken, aangezien een dergelijk krap tijdschema de regio's geen
duidelijkheid biedt. Aangezien er zich geen van de moeilijkheden hebben
voorgedaan die in verband met de maatregel werden verwacht, vragen de Franse
autoriteiten voor de nieuwe derogatie een geldigheidsduur van zes jaar. Toetsing van
de maatregel in het kader van artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG Specifieke beleidsoverwegingen Artikel 19, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn
luidt als volgt: "Naast de bepalingen van de voorgaande
artikelen, met name de artikelen 5, 15 en 17, kan de Raad op voorstel van de
Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten dat een lidstaat uit
specifieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd verdere vrijstellingen of
verlagingen in te voeren." Volgens Besluit 2011/38/EU voldoet de
nationale maatregel in kwestie aan deze vereiste. Uit dat besluit blijkt dat de
regionale tariefdifferentiatie, die deel uitmaakt van een breder
decentralisatiebeleid, gericht is op de specifieke beleidsdoelstelling om een
effectiever bestuur te bewerkstelligen. De mogelijkheid tot regionale
differentiatie werd beschouwd als een extra stimulans voor de regio's om de
kwaliteit van hun bestuur op transparante wijze te verbeteren. Voorts dienen de
verlagingen volgens dit besluit verband te houden met de sociaaleconomische
omstandigheden in de regio's waar zij worden toegepast. In dit opzicht bevestigden de door Frankrijk
verstrekte gegevens dat er inderdaad een verband bestaat tussen de toepassing
van een regionaal tarief dat onder het nationale tarief ligt, en de
sociaaleconomische omstandigheden in de betrokken regio's. Tijdens de geldigheidstuur van Besluit
2011/38/EU (2010, 2011 en 2012) hebben respectievelijk twee (Poitou-Charentes
en Corsica), vijf (Ile-de-France, Poitou-Charentes, Rhône-Alpes,
Provence-Alpes-Côte d'Azur en Corsica) en drie regio's (Poitou-Charentes,
Rhône-Alpes en Corsica) het belastingtarief neerwaarts gedifferentieerd. De meeste regio's die een lager tarief
toepasten, hadden ook een lager bbp per hoofd van de bevolking dan het
nationale gemiddelde. Een van de regio's in kwestie had ook een hogere
werkloosheidsgraad dan de gemiddelde nationale werkloosheidsgraad. Er kan dus worden geconcludeerd dat de
mogelijkheid om het nationale tarief neerwaarts te differentiëren, de regionale
autoriteiten blijkbaar de kans heeft gegeven om de belasting in kwestie af te
stemmen op de sociaaleconomische omstandigheden op hun grondgebied. Samenhang met andere beleidsgebieden en
doelstellingen van de Unie Overeenkomstig artikel 19, lid 1, derde
alinea, van de richtlijn moet ieder verzoek worden onderzocht met inachtneming
van, onder andere, de goede werking van de interne markt, de noodzaak eerlijke
mededinging te verzekeren en het communautair gezondheids-, milieu-, energie-
en vervoersbeleid. Dit onderzoek is al verricht naar aanleiding
van de vorige verzoeken van Frankrijk, op basis waarvan Beschikking 2005/767/EG
en Besluit 2011/38/EU zijn aangenomen. Volgens deze beschikking en dit besluit
hield de algemene opzet van de maatregel geen belemmering in voor het
handelsverkeer in de EU; tegelijkertijd bevatten zij een aantal voorwaarden om
te garanderen dat de toepassing van de derogatie geen afbreuk zou doen aan de
werking van de interne markt en niet zou ingaan tegen de verwezenlijking van de
EU-beleidsdoelstellingen, met name op het gebied van energie,
klimaatverandering en milieu. Voor een eventuele verlenging zoals Frankrijk
heeft gevraagd, moet de Commissie dus, in het licht van de voorwaarden die in
artikel 1, leden 2 en 3, van voorgaand besluit zijn vastgesteld, onderzoeken of
de regeling is uitgevoerd in overeenstemming met de in artikel 19, lid 1, derde
alinea, van de richtlijn genoemde doelstellingen en beleidslijnen. Als dat zo
is, kan voor de periode die ingaat op 1 januari 2013, in beginsel ook van die
veronderstelling worden uitgegaan. In dit verband moet ook worden nagegaan of er
zich sinds de vaststelling van Besluit 2011/38/EU in de EU-beleidscontext
relevante wijzigingen hebben voorgedaan of dat er zich in de toekomst
wijzigingen kunnen voordoen die een invloed hebben op de evaluatie. Interne markt en eerlijke mededinging Het risico van verstoring van de mededinging
werd als laag beschouwd, omdat ook de maximale bedragen van de verlagingen
waarin Beschikking 2005/767/EG en Besluit 2011/38/EU voorzagen, laag waren. De
differentiatie van de accijnstarieven tussen de regio's blijft daardoor beperkt
en kan zelfs onder het niveau van de prijsverschillen tussen de
distributienetwerken blijven. Bovendien is commerciële gasolie van de
toepassing van de maatregel uitgesloten. Aan de differentiatie werden strikte marges
verbonden, namelijk dat de verlagingen niet meer mochten bedragen dan
EUR 35,4 per 1 000 liter loodvrije benzine en EUR 23,0 euro per
1 000 liter gasolie. Frankrijk heeft deze voorwaarde nageleefd. De ervaringen met de toepassing van de
derogatie lijken geen afbreuk te doen aan de in 2005 en 2011 verrichte
evaluatie. Er zijn de Commissie geen klachten ter ore gekomen over eventuele
verstorende effecten van de maatregel op het handelsverkeer binnen de EU. Er is ook geen melding gemaakt van
belemmeringen voor de goede werking van de interne markt, meer in het bijzonder
met betrekking tot het verkeer van de producten in kwestie als accijnsgoederen. Wat staatssteun betreft, moet er op de eerste
plaats aan worden herinnerd dat commerciële gasolie niet onder de maatregel
valt. Voor zover evenwel andere zakelijke gebruikers die niet onder de
definitie van artikel 7, lid 3, van de energiebelastingrichtlijn vallen, in
aanmerking zouden komen voor de verlaagde tarieven of de concurrentie tussen de
producenten van olieproducten zou worden beïnvloed, kan de maatregel toch
staatssteun vormen overeenkomstig artikel 107, lid 1, VWEU. Op voorwaarde dat
de verlaagde tarieven boven de EU-minima liggen, zou de maatregel – voor zover
hij staatssteun zou vormen - onder artikel 25 van Verordening (EG)
nr. 800/2008[4]
(de algemene groepsvrijstellingsverordening) vallen en dus als verenigbaar met
de interne markt worden aangemerkt. Aangezien evenwel de geldigheidsduur van de
algemene groepsvrijstellingsverordening afloopt op 31 december 2013, zou iedere
vorm van steun die in de maatregel besloten ligt, volgens de staatssteunregels
bij de Commissie moeten worden aangemeld, indien deze tegen die datum geen
nieuwe verordening heeft vastgesteld die vergelijkbaar is met de algemene
groepsvrijstellingsverordening of indien een dergelijke nieuwe verordening
geen overeenkomstige regel als het huidige artikel 25 bevat. EU-beleid op het gebied van energie,
klimaatverandering en milieu Belastingen op energieproducten leiden tot een
lagere vraag naar deze producten en dus ook lagere emissies als gevolg van het
verbruik ervan. Daarom moet de Commissie nagaan of de tariefverlaging die in
sommige regio's wordt toegepast, niet tot een hoger brandstofverbruik (en
bijbehorende emissies) leidt, hetgeen in tegenspraak zou zijn met de hierboven
genoemde doelstellingen. Bij Besluit 2011/38/EU werd opgemerkt dat de
mogelijkheid om de tarieven te verlagen, werd ingevoerd in combinatie met een
verhoging van het onderliggende nationale tarief in Frankrijk. Het werd
onwaarschijnlijk geacht dat de stimulans voor brandstofefficiëntie door de
nieuwe regeling uiteindelijk lager zou uitvallen, omdat de derogatie de regio's
niet toestond onder het tarief te gaan dat van toepassing was op nationaal
niveau vóór de invoering van de regeling. Bij Besluit 2011/38/EU werd ook
geconcludeerd dat het risico dat de regionale verschillen tot uiteenlopende
detailhandelsprijzen en daardoor tot een omleiding van het verkeer zouden
leiden, niet groot was omdat de differentiatie gering was en de
prijsverschillen werden uitgevlakt door de prijsverschillen tussen de
distributienetwerken. Er werd derhalve verwacht dat de maatregel in beginsel
niet in tegenspraak zou zijn met het EU-beleid op het gebied van energie,
klimaatverandering en milieu. Er zijn de Commissie in dit verband geen
nieuwe elementen bekend geworden en de vorengenoemde evaluatie geldt nog
altijd. Geldigheidsduur
van de maatregel en ontwikkeling van het EU-kader voor energiebelasting Het voorstel van de Commissie van 13 april
2011 tot herziening van de energiebelastingrichtlijn[5] voorziet in een permanente
derogatie op grond waarvan Frankrijk binnen welomschreven grenzen de hoogte van
de belastingen op het niveau van de Franse regio's mag differentiëren. De
Commissie is daarom van mening dat de geldigheidsduur van een nieuw besluit van
de Raad tot drie jaar moet worden beperkt en in ieder geval moet aflopen op de
dag waarop de gewijzigde regels van toepassing worden. Los van het bovenstaande moet er ook aan
worden herinnerd dat de energiebelasting volgens voornoemd voorstel in twee
componenten zou worden opgesplitst. Dit systeem zou afwijken van dat van
Richtlijn 2003/96/EG in haar huidige vorm, waarop deze machtiging is gebaseerd.
Het is zaak dergelijke toekomstige algemene ontwikkelingen van het bestaande
rechtskader niet te ondergraven. Bijgevolg moet ook worden bepaald dat mocht de
Raad op grond van artikel 113 van het Verdrag een gewijzigde algemene regeling
voor de belasting van energieproducten invoeren waaraan de huidige machtiging
niet zou zijn aangepast, dit besluit vervalt op de dag waarop die gewijzigde
regelgeving van toepassing wordt. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Raadpleging van belanghebbende
partijen Dit voorstel
is gebaseerd op een verzoek van Frankrijk en heeft uitsluitend betrekking op
deze lidstaat. Bijeenbrengen en benutten van
deskundigheid Er behoefde
geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. Effectbeoordeling Dit voorstel
betreft een machtiging van een afzonderlijke lidstaat op diens eigen verzoek. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Dit voorstel strekt ertoe om Frankrijk te
machtigen af te wijken van de algemene bepalingen van Richtlijn 2003/96/EG van
de Raad en de belasting op gasolie en loodvrije benzine binnen bepaalde grenzen
te differentiëren. Rechtsgrondslag Artikel 19 van
Richtlijn 2003/96/EG van de Raad. Subsidiariteitsbeginsel Het onder
artikel 113 VWEU vallende gebied van de indirecte belastingen ressorteert als
zodanig niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap in de zin van
artikel 3 VWEU. De lidstaten
mogen hun overeenkomstige bevoegdheden op dit gebied evenwel slechts uitoefenen
binnen de welomschreven grenzen van de bestaande EU-wetgeving. Overeenkomstig
artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG kan alleen de Raad een lidstaat machtigen
verdere vrijstellingen of verlagingen in te voeren in de zin van dat artikel.
De lidstaten kunnen niet in de plaats van de Raad treden. Het voorstel
is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is
in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. De belastingverlaging gaat
niet verder dan wat nodig is om het beoogde doel te verwezenlijken. Keuze van instrumenten Voorgesteld
instrument: besluit van de Raad. Artikel 19 van
Richtlijn 2003/96/EG voorziet uitsluitend in dit soort maatregel. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING De maatregel
leidt niet tot financiële of administratieve lasten voor de EU. Het voorstel
heeft derhalve geen gevolgen voor de begroting van de EU. 2013/0018 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij Frankrijk overeenkomstig artikel 19
van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingniveau toe te
passen op benzine en gasolie die als motorbrandstof worden gebruikt DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27
oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de
belasting van energieproducten en elektriciteit[6],
en met name artikel 19, lid 1, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) Bij Uitvoeringsbesluit
2011/38/EU van de Raad (hierna "Besluit 2011/38/EU" genoemd) werd
Frankrijk in het kader van een staatshervorming en met name de decentralisatie
van bepaalde specifieke bevoegdheden die voorheen door de centrale overheid werden
uitgeoefend, gemachtigd om gedurende een periode van drie jaar de belasting op
gasolie en loodvrije benzine te differentiëren. Besluit 2011/38/EU vervalt op
31 december 2012. (2) Bij brief van 10 februari
2012 heeft Frankrijk verzocht om de belastingtarieven na 31 december 2012 onder
dezelfde voorwaarden gedurende een nieuwe periode van zes jaar te mogen
differentiëren. (3) Besluit 2011/38/EU is
aangenomen omdat de door Frankrijk gevraagde maatregel werd geacht aan de in
artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG gestelde voorwaarden te voldoen, op grond
waarvan een vrijstelling of verlaging, maar geen verhoging van de belastingen
mag worden ingevoerd uit specifieke beleidsoverwegingen. De maatregel werd met
name geacht de goede werking van de interne markt niet te belemmeren. Hij werd
ook geacht in overeenstemming te zijn met het communautaire beleid op de
relevante gebieden. (4) De nationale maatregel maakt
deel uit van een beleid dat tot doel heeft de overheid door
kwaliteitsverbetering en kostenverlaging efficiënter te laten functioneren, en
van een beleid dat is gericht op subsidiariteit. Hij vormt voor de regio’s een
extra stimulans om de kwaliteit van hun bestuur op transparante wijze te
verbeteren. In dit opzicht vereist Besluit 2011/38/EU dat de verlagingen verband
houden met de sociaaleconomische omstandigheden in de regio’s waar zij worden
toegepast. Dienovereenkomstig heeft een aantal regio's met een lager bbp dan
het gemiddelde dan wel een hogere werkloosheid dan het gemiddelde lagere
tarieven toegepast. In het algemeen is de nationale maatregel op specifieke
beleidsoverwegingen gebaseerd. (5) Door de strikte marges voor
de regionale verlaging van de tarieven en de uitsluiting van commerciële
gasolie is het risico op verstoring van de mededinging op de interne markt zeer
klein. Uit de toepassing van de maatregel tot dusver is bovendien gebleken dat
de regio’s in vele gevallen het toegestane maximumtarief hanteren, hetgeen de
mogelijkheid van eventuele verstoringen van de mededinging nog verder heeft
beperkt. (6) Er is geen melding gemaakt
van belemmeringen voor de goede werking van de interne markt, meer in het
bijzonder met betrekking tot het verkeer van de producten in kwestie als
accijnsgoederen. (7) Ten tijde van het
oorspronkelijke verzoek is de nationale maatregel voorafgegaan door een
belastingverhoging, gelijk aan de marge voor de regionale verlagingen. Tegen
deze achtergrond en rekening houdende met de aan de machtiging verbonden
voorwaarden en de opgedane ervaringen lijkt de nationale maatregel in dit
stadium niet in strijd te zijn met het energie- en klimaatveranderingsbeleid
van de Unie. (8) Uit artikel 19, lid 2, van
Richtlijn 2003/96/EG volgt dat iedere uit hoofde van dat artikel verleende
machtiging in de tijd beperkt moet zijn. Bovendien bevat het voorstel van de
Commissie voor een richtlijn van de Raad houdende wijziging van Richtlijn
2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting
van energieproducten en elektriciteit[7]
een permanente bepaling op grond waarvan Frankrijk de belastingen binnen
welomschreven grenzen op het niveau van de Franse regio's mag differentiëren.
Het is derhalve passend de geldigheidsduur van dit besluit te beperken tot drie
jaar en vast te leggen dat dit besluit in ieder geval verstrijkt wanneer deze
permanente bepaling van toepassing wordt. Om evenwel toekomstige algemene
ontwikkelingen van het bestaande juridische kader niet te ondergraven, is het
ook zaak te bepalen dat dit besluit, mocht de Raad een gewijzigde algemene
regeling voor de belasting van energieproducten invoeren waaraan de huidige
machtiging niet zou zijn aangepast, vervalt op de dag waarop de regelgeving met
betrekking tot die gewijzigde regeling van toepassing wordt. (9) Er moet zorg voor worden
gedragen dat de toepassing van de specifieke verlaging door Frankrijk waarop
dit besluit betrekking heeft, naadloos aansluit bij de regeling die bestond
vóór 1 januari 2013 in het kader van Besluit 2011/38/EU. De gevraagde
machtiging moet derhalve worden verleend met ingang van 1 januari 2013. (10) Dit besluit laat de toepassing
van de Unieregels betreffende staatssteun onverlet, HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD: Artikel 1 1. Frankrijk wordt gemachtigd
verlaagde belastingtarieven toe te passen op loodvrije benzine en gasolie gebruikt
als motorbrandstof. Deze mogelijkheid tot verlaging geldt niet voor commerciële
gasolie in de zin van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/96/EG. 2. Administratieve regio’s kan
worden toegestaan gedifferentieerde verlagingen toe te passen, voor zover de
volgende voorwaarden worden nageleefd: a) de verlagingen zijn niet
hoger dan EUR 35,4 per 1 000 liter loodvrije benzine en EUR 23,0
per 1 000 liter gasolie; b) de verlagingen zijn niet
hoger dan het verschil tussen de belastingniveaus voor niet-commerciële gasolie
en commerciële gasolie; c) de verlagingen houden verband
met objectieve sociaaleconomische omstandigheden in de regio's waar zij worden
toegepast; d) de toepassing van regionale
verlagingen leidt er niet toe dat een bepaalde regio concurrentievoorsprong
krijgt in de handel binnen de Unie. 3. De verlaagde tarieven moeten
in overeenstemming zijn met de verplichtingen van Richtlijn 2003/96/EG en met
name met de in artikel 7 vastgestelde minimumtarieven. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing vanaf 1 januari
2013 en vervalt op 31 december 2015. Dit besluit vervalt evenwel op de dag waarop
een van de volgende wijzigingen van Richtlijn 2003/96/EG van toepassing wordt: - de algemene regeling voor de belasting van
energieproducten wordt gewijzigd op een wijze waaraan de onderhavige machtiging
niet is aangepast; - Frankrijk wordt gemachtigd de belastingen te
differentiëren op het niveau van de Franse regio's. Artikel 3 Dit besluit is gericht tot de Franse
Republiek. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot
herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van
energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51). [2] PB L 19 van 22.1.2011,
blz. 13. [3] PB L 290 van 4.11.2005,
blz. 25. [4] Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6
augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87
en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden
verklaard (PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3). [5] COM(2011) 169. [6] PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51. [7] COM(2011) 169 van 13 april 2011.