This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0014
Proposal for a COUNCIL IMPLEMENTING REGULATION imposing a definitive anti-dumping duty on imports of bioethanol originating in the United States of America
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
/* COM/2013/014 final - 2013/0009 (NLE) */
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika /* COM/2013/014 final - 2013/0009 (NLE) */
TOELICHTING
1.
ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van
Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende
beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn
van de Europese Gemeenschap ("de basisverordening") in het kader van
de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bio-ethanol van oorsprong uit
de Verenigde Staten van Amerika. Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de
tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek
dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen in de
basisverordening. Bestaande bepalingen op het door het
voorstel bestreken gebied Voorlopige maatregelen zijn in dit geval niet
opgelegd. Samenhang met andere beleidsgebieden en
doelstellingen van de Unie Niet van toepassing.
2.
RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE
PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING
Raadpleging van belanghebbende partijen Partijen die belang hebben bij de procedure
werden overeenkomstig de basisverordening in de loop van het onderzoek in de
gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Er behoefde geen beroep te worden gedaan op
externe deskundigheid. Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de
tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een
algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een uitputtende lijst van factoren
die moeten worden beoordeeld.
3.
JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL
Samenvatting van de voorgestelde
maatregel(en) Bijgaand voorstel voor een verordening van de
Raad is gebaseerd op de definitieve bevindingen inzake dumping, schade,
oorzakelijk verband en het belang van de Unie. Aan de Raad wordt derhalve
voorgesteld zijn goedkeuring te hechten aan bijgaand voorstel voor een
verordening, die uiterlijk op 22 februari 2013 moet worden bekendgemaakt. Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de
Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met
dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de
exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel
is derhalve niet van toepassing. Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is in overeenstemming met het
evenredigheidsbeginsel en wel om de volgende redenen: de vorm van de maatregel wordt voorgeschreven
in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. Beschrijving van de wijze waarop de financiële
en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke
overheden, de marktdeelnemers en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en
hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. Keuze van instrumenten Voorgesteld(e) instrument(en): verordening. Andere instrumenten zouden om de volgende
reden ongeschikt zijn: andere instrumenten zouden ongeschikt zijn
omdat de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet.
4.
GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting van de Unie. 2013/0009 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief
antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van
Amerika DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, Gezien Verordening (EG)
nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende
maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de
Europese Gemeenschap[1]
("de basisverordening"), en met name artikel 9, lid 4, Gezien het voorstel van de
Europese Commissie ("de Commissie"), ingediend na raadpleging van het
Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: 1.
PROCEDURE 1.1.
Inleiding van de procedure (1)
Op 25 november 2011 heeft de Europese Commissie met
een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie[2] de inleiding van een
antidumpingprocedure ("de AD-procedure" of "de procedure")
betreffende de invoer in de Unie van bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde
Staten van Amerika ("de VS" of "het betrokken land")
aangekondigd. (2)
Diezelfde dag heeft de Commissie met een bericht in
het Publicatieblad van de Europese Unie[3]
de inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Unie van
bio-ethanol van oorsprong uit de VS aangekondigd en in dat verband een
afzonderlijk onderzoek geopend ("de AS-procedure"). Deze procedure
zal op 21 december 2012 worden beëindigd zonder instelling van compenserende
maatregelen. (3)
De AD-procedure werd ingeleid naar aanleiding van
een klacht die op 12 oktober 2011 was ingediend door ePURE, de Europese
vereniging van producenten van hernieuwbaar ethanol ("de klager"),
namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van
bio-ethanol in de Unie voor hun rekening nemen. Het bij die klacht gevoegde
voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het genoemde product en de
aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek
te openen. 1.2.
Bij de procedure betrokken partijen (4)
De Commissie heeft de klager, andere bekende
producenten in de Unie, de exporteurs/producenten in de VS, importeurs en
andere betrokken partijen en de autoriteiten van de VS officieel van de
inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de
gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn
schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. (5)
Alle belanghebbenden die daar met opgave van
redenen om hadden verzocht, werden gehoord. 1.2.1.
Steekproef van exporteurs/producenten in de
VS (6)
Gezien het potentieel grote aantal
exporteurs/producenten in de VS is in het bericht van inleiding overwogen om
overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een
steekproef. (7)
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of
een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze ook samen te stellen, werd aan
exporteurs/producenten in de VS gevraagd zich binnen 15 dagen na de datum van opening
van het onderzoek kenbaar te maken en een steekproefformulier in te vullen
teneinde, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisgegevens te
verstrekken over hun activiteiten in verband met de productie en verkoop van
bio-ethanol in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 (het
"onderzoektijdvak" of "OT"). (8)
Ook de bevoegde autoriteiten van de VS werden
geraadpleegd over de samenstelling van een representatieve steekproef. (9)
Meer dan zestig exporteurs/producenten hebben zich
binnen de termijn van 15 dagen kenbaar gemaakt en de verlangde informatie
verstrekt. (10)
Overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening
heeft de Commissie een steekproef samengesteld op basis van de grootste
representatieve hoeveelheid uitvoer van bio-ethanol naar de Unie die binnen de
beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. De steekproef bestond
uit zes bio-ethanolproducenten in de VS ("de VS-steekproef"). (11)
Tijdens het onderzoek bleek dat de productie van
een van de producenten in de VS-steekproef niet naar de Unie was uitgevoerd in
het OT. Deze onderneming is daarom uit de steekproef verwijderd. (12)
Ondanks het feit dat de andere in de steekproef
opgenomen producenten in hun steekproefformulier uitvoer van bio-ethanol naar
de Unie vermeldden, bleek uit het onderzoek dat in feite geen van hen
bio-ethanol naar de markt van de Unie exporteerde. In feite verkochten zij op
de binnenlandse markt aan niet-verbonden handelaren/mengers, die vervolgens de
bio-ethanol met benzine vermengden en dat product weer verkochten op de
binnenlandse markt en ook voor uitvoer, met name naar de Unie. Tijdens het
onderzoek ter plaatse bleek dat, in tegenstelling tot de indruk die werd gewekt
door de informatie die de in de steekproef opgenomen producenten in de VS in
hun steekproefformulieren hadden verstrekt, die producenten niet in alle
gevallen wisten of hun producten bestemd waren voor de markt van de Unie of
voor een andere bestemming, met inbegrip van de Amerikaanse markt, en ook niet
op de hoogte waren van de verkoopprijzen van de handelaren/mengers. Dit
betekent dat de producenten van bio-ethanol in de VS niet beschouwd kunnen
worden als de exporteurs van het betrokken product naar de Unie. De exporteurs
zijn in feite de handelaren/mengers. De in dit voorlopige stadium verzamelde en
gecontroleerde gegevens op het niveau van de VS-steekproef maakten het derhalve
niet mogelijk om vast te stellen of bio-ethanol van oorsprong uit de VS in het
OT tegen dumpingprijzen werd geëxporteerd naar de Unie. (13)
Op dat moment konden daarom geen
antidumpingmaatregelen worden ingesteld. (14)
Om de uitvoer van bio-ethanol naar de Unie te
kunnen vaststellen, werd bij de VS-steekproef voornamelijk uitgegaan van
gegevens verstrekt door de onafhankelijke mengbedrijven/handelaren die in de
voorlopige fase niet werden onderzocht. Hoewel in de voorlopige fase één
dergelijke handelaar aan het onderzoek meewerkte en aanvullende gegevens
verstrekte, waren die gegevens ontoereikend om de nodige gegevens voor de
berekening van de dumpingmarges nauwkeurig en betrouwbaar vast te stellen. (15)
Ter voltooiing van het dumpingonderzoek werd het
daarom nodig geacht de conclusies veeleer te baseren op de gegevens van
handelaren en mengbedrijven die het betrokken product daadwerkelijk naar de
Unie uitvoerden. (16)
Derhalve werden dumpingvragenlijsten gestuurd aan
de acht grootste handelaren/mengers in de VS die tijdens het onderzoek van de
VS-steekproef geïdentificeerd waren. Deze handelaren/mengers vertegenwoordigen
meer dan 90 % van de totale uitvoer van bio-ethanol naar de Unie. Twee
daarvan verleenden medewerking aan het onderzoek en hun uitvoer
vertegenwoordigt ongeveer 51 % van de totale uitvoer van bio-ethanol naar
de Unie in het OT. 1.2.2.
Steekproef van producenten in de Unie (17)
Gezien het potentieel grote aantal producenten in
de Unie werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel
17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef. (18)
In het bericht van inleiding deelde de Commissie
mede dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie ("de
EU-steekproef") had samengesteld. Deze steekproef bestond uit vijf
ondernemingen en groepen, gekozen uit de 19 producenten in de Unie die haar
vóór de opening van het onderzoek bekend waren. De steekproef werd samengesteld
op basis van de productiehoeveelheid bio-ethanol tijdens het onderzoektijdvak
en de vestigingsplaats van de bekende producenten. Deze steekproef
vertegenwoordigde 48 % van de totale geraamde productie in de Unie in het
OT. (19)
Het onderzoek bracht echter aan het licht dat de in
de EU-steekproef opgenomen groepen uit een groot aantal ondernemingen of aparte
entiteiten bestonden die het soortgelijke product produceerden en verkochten.
In dit geval zou dat betekend hebben dat dertien bedrijven onderzocht hadden
moeten worden, wat gezien de voor het onderzoek beschikbare tijd niet mogelijk
was. Er is dus besloten de beschikbare gegevens opnieuw te bestuderen met het
oog op de samenstelling van een representatieve steekproef. Daarbij werd ervan
uitgegaan dat de steekproef gebaseerd diende te zijn op de grootste
afzonderlijke producerende entiteiten in de Unie en binnen de groepen, terwijl
ook rekening werd gehouden met een zekere geografische spreiding van de
producenten in de Unie. (20)
Uiteindelijk is een definitieve EU-steekproef van
zes afzonderlijke producenten samengesteld op basis van de representativiteit
van de geproduceerde en verkochte hoeveelheid bio-ethanol in het OT en van de
geografische locatie van de producent. Deze producenten in België, Nederland,
Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Duitsland vertegenwoordigen
36 % van de totale geschatte productie in de Unie en 44 % van de
totale aangegeven productie van de ondernemingen die gegevens voor de
samenstelling van een steekproef indienden. Deze steekproef werd representatief
geacht voor het onderzoek naar mogelijke schade voor de bedrijfstak van de
Unie. (21)
Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om
over de juistheid van de keuze van de steekproef opmerkingen te maken. (22)
Een aantal partijen argumenteerde dat de EU-steekproef
minder representatief was dan de oorspronkelijk samengestelde steekproef die
complete groepen ondernemingen omvatte. Volgens hen zou een objectieve analyse
van de situatie van de bedrijfstak van de Unie alleen mogelijk zijn door alle
ondernemingen die deel uitmaken van groepen in de steekproef op te nemen. Zij
voerden in het bijzonder aan dat bepaalde kosten en inkomsten zouden kunnen
worden toegeschreven aan bepaalde niet bezochte ondernemingen in een groep en
daardoor misschien niet in de schadeanalyse zouden worden weerspiegeld. (23)
In dit verband moet worden opgemerkt dat de
Commissie de gegevens die werden verstrekt door alle (al dan niet in de
steekproef opgenomen) ondernemingen, in het bijzonder de ondernemingen die tot
groepen behoren, naar behoren in aanmerking heeft genomen en heeft bestudeerd
om zich ervan te vergewissen dat alle kosten en inkomsten in verband met
productie en verkoop door de voor de steekproef geselecteerde ondernemingen
volledig en juist werden weerspiegeld in de schadeanalyse. (24)
Sommige partijen verzetten zich tegen de opname in
de EU-steekproef van producenten in de Unie die zich in een opstartfase
bevonden. Ook argumenteerden zij dat één bepaalde onderneming met belangrijke
niet benutte capaciteit in 2011, gevestigd in een lidstaat die de richtlijn
hernieuwbare energie niet ten uitvoer had gelegd, niet in de steekproef had
mogen worden opgenomen. Ook werd aangevoerd dat de Commissie, indien deze
ondernemingen in de definitieve steekproef zouden worden opgenomen, hun
gegevens zou moeten aanpassen om deze bijzondere omstandigheden in aanmerking
te nemen. (25)
Het feit dat ondernemingen hun activiteiten kort
geleden hebben gestart of hervat, wordt niet beschouwd als belemmering om hen
deel te laten uitmaken van de steekproef. De opname van deze ondernemingen is
niet in tegenspraak met de criteria voor de samenstelling van een steekproef
zoals vastgesteld in artikel 17 van de basisverordening. Ten aanzien van de
aanpassing van hun gegevens voerden partijen geen specifieke punten of onderbouwd
bewijsmateriaal aan om hun argument te staven, noch een berekeningsmethode
waarop de bepleite aanpassing zou kunnen worden gebaseerd. (26)
Bovendien bracht het onderzoek geen kosten, zoals
bijvoorbeeld versnelde afschrijvingen, aan het licht die zouden moeten worden
aangepast om een verstoring als gevolg van het opstarten van activiteiten te
corrigeren. Dit argument wordt daarom verworpen. (27)
Enkele partijen maakten er bezwaar tegen dat een
onderneming die voorlopig voor de EU-steekproef was geselecteerd, en die
gevestigd was in een lidstaat met een hoge consumptie en productie van
bio-ethanol, niet langer deel uitmaakte van de EU-steekproef. Zij beweerden dat
de economische situatie van deze onderneming goed was en suggereerden dat dit
de reden was voor de uitsluiting uit de steekproef. Zij argumenteerden voorts
dat de samenstelling van de steekproef was vertekend met het doel schade te
kunnen constateren. Volgens deze partijen had de Commissie de zogenaamde
minivragenlijsten aan alle producenten moeten zenden om alle gegevens te
verzamelen die relevant waren voor de samenstelling van een steekproef. (28)
Ten aanzien van de verzending van minivragenlijsten
moet worden opgemerkt dat de Commissie voorafgaand aan de samenstelling van de
steekproef aan alle bekende betrokken producenten in de Unie inlichtingen heeft
gevraagd teneinde relevante gegevens te verzamelen met het oog op de
samenstelling van een steekproef. Deze informatie was, zoals vermeld in punt
5.2.1 van het bericht van inleiding, vanaf de datum van opening van het
onderzoek beschikbaar in het dossier dat de belanghebbenden konden raadplegen,
en was niet van dien aard dat de economische situatie van de respondenten eruit
afgeleid kon worden. De Commissie beschikte dus over voldoende gegevens om een
representatieve steekproef te selecteren met inachtneming van artikel 17 van de
basisverordening, maar niet om bedrijven te selecteren op basis van hun
resultaten. De bovengenoemde argumenten werden derhalve afgewezen. (29)
Ten slotte werd betoogd dat de steekproef ondernemingen
had moeten omvatten die bio-ethanol produceren uit suikerbieten, omdat de
productie uit deze grondstof veel winstgevender kan zijn dan bijvoorbeeld uit
tarwe. Hoewel dit argument niet werd onderbouwd, blijkt uit de beschikbare
informatie dat uit suikerbieten geproduceerd bio-ethanol slechts een gering
deel van de totale productie in de Unie uitmaakt, in 2011 circa 12 %, en
dat twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen deels gebruikmaken van
suikerbieten als grondstof voor de productie van bio-ethanol. Daarom wordt het
argument verworpen. (30)
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd
dat de steekproef die zoals hierboven uiteengezet geselecteerd is met het oog
op de analyse van de schade representatief is voor de bedrijfstak van de Unie. 1.2.3.
Steekproef van niet-verbonden importeurs (31)
Gezien het potentieel grote aantal bij de procedure
betrokken importeurs werd in het bericht van inleiding overwogen om
overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening voor de importeurs van een
steekproef gebruik te maken. (32)
Binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde
termijn hebben slechts drie importeurs de gevraagde informatie verstrekt en
ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het beperkte
aantal medewerkende importeurs werd het gebruik van een steekproef niet
noodzakelijk geacht. 1.2.4.
Antwoorden op de vragenlijst en controles (33)
De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar
alle haar bekende betrokken partijen. Zo is een vragenlijst gestuurd naar de in
de steekproef opgenomen exporteurs/producenten in de VS, de in de steekproef
opgenomen producenten in de Unie, de drie medewerkende importeurs in de Unie,
en alle gebruikers waarvan bekend was dat zij bij het onderzoek betrokken
waren. (34)
Er werden antwoorden ontvangen van de in de steekproef
opgenomen producenten/exporteurs uit de VS, de in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie, twee niet-verbonden importeurs en vier gebruikers. (35)
De Commissie heeft alle gegevens van de
belanghebbenden die zij voor de definitieve vaststelling van dumping, de schade
als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en
gecontroleerd. (36)
Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een
controle uitgevoerd: Producenten/exporteurs in de VS: · - Marquis Energy LLC, Hennepin, Illinois · - Patriot Renewable Fuels LLC, Annawan, Illinois · - Platinum Ethanol LLC, Arthur, Iowa · - Plymouth Energy Company LLC, Merrill, Iowa · - POET LLC, Wichita, Kansas en Sioux Falls, South Dakota Niet-verbonden handelaar in de VS · - Bio Urja Trading LLC, Houston, Texas Verbonden handelaar in Zwitserland · - Cargill International SA, Genève Producenten in de Unie: · - Abengoa Energy Netherlands B.V., Rotterdam, Nederland · - BioWanze, S.A. Wanze, België · - Crop Energies Bioethanol GmbH, Mannheim, Duitsland · - Ensus, Yarm, Verenigd Koninkrijk · - Lantmännen Energi / Agroetanol, Norrköping, Zweden · - Tereos BENP, Lillebonne, Frankrijk Niet-verbonden importeurs in de Unie: · - Shell Trading Rotterdam B.V., Rotterdam, Nederland · - Greenergy Fuels Limited, Londen, Verenigd Koninkrijk Gebruikers in de Unie: · - Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V., Rotterdam, Nederland 1.3.
Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode (37)
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking
op de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011. Het onderzoek
van de ontwikkelingen die relevant waren voor de beoordeling van het optreden
van schade had betrekking op de periode van januari 2008 tot het einde van het
OT ("de beoordelingsperiode"). 2.
BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT 2.1.
Betrokken product (38)
Het betrokken product is bio-ethanol, soms
"brandstofethanol" genaamd, d.w.z. ethylalcohol die is vervaardigd
uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie), al dan niet gedenatureerd, met uitzondering
van producten die meer dan 0,3 % (m/m) water bevatten, gemeten
overeenkomstig norm EN 15376, maar inclusief ethylalcohol die is vervaardigd
uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie) en is vervat in mengsels van benzine die meer
dan 10 % (v/v) ethylalcohol bevatten, van oorsprong uit de Verenigde
Staten van Amerika, dat momenteel valt onder de GN-codes ex 2207 10 00, ex 2207
20 00, ex 2208 90 99, ex 2710 12 21, ex 2710 12 25, ex 2710 12 31, ex 2710 12
41, ex 2710 12 45, ex 2710 12 49, ex 2710 12 51, ex 2710 12 59, ex 2710 12 70,
ex 2710 12 90, ex 3814 00 10, ex 3814 00 90, ex 3820 00 00 en ex 3824 90 97. (39)
Bio-ethanol kan worden geproduceerd uit
verschillende landbouwgrondstoffen, zoals suikerriet, suikerbieten,
aardappelen, maniok, en mais. In de VS wordt een onderscheid gemaakt op basis
van de verschillende grondstoffen, zoals hieronder beschreven: a) Conventionele biobrandstof (hoofdzakelijk
geproduceerd uit mais en gewoonlijk maisethanol genoemd), gedefinieerd als
hernieuwbare brandstof afgeleid van maiszetmeel en geproduceerd in installaties
waarvan de bouw is begonnen na de datum van vaststelling van de Energy
Independence and Security Act in december 2007[4],
waarmee in de toekomst een reductie van 20 % in de emissie van
broeikasgassen in vergelijking met een nulmeting van broeikasgasemissies van
benzine en diesel moet worden bereikt. b) Geavanceerde biobrandstof, gedefinieerd als
hernieuwbare brandstof anders dan ethanol afgeleid van maiszetmeel, die wordt
afgeleid van hernieuwbare biomassa en broeikasgasemissies veroorzaakt, zoals
bepaald door de Energy Policy Act ("EPA") Administrator, die ten
minste 50 % lager zijn dan de emissies bij de nulmeting. Deze term omvat ook
"cellulosebiobrandstoffen" zoals bio-ethanol en "diesel op
biomassabasis". Het schema voor geavanceerde biobrandstoffen omvat het
schema voor cellulosebiobrandstoffen, diesel op biomassabasis en
ongedifferentieerde geavanceerde biobrandstoffen. (40)
Meer specifiek wordt cellulosebiobrandstof[5] gedefinieerd als een
hernieuwbare brandstof afgeleid van enige vorm van cellulose, hemicellulose of
lignine die is afgeleid van hernieuwbare biomassa en die broeikasgasemissies
veroorzaakt, zoals bepaald door de EPA Administrator, die ten minste 60 %
lager zijn dan de emissies bij de nulmeting. Cellulose-biobrandstoffen omvatten
cellulosehoudende bio-ethanol. Er zijn grotendeels door de federale overheid
van de VS ondersteunde onderzoeks- en proefprojecten voor de productie van geavanceerde
biobrandstoffen, in het bijzonder cellulosebio-ethanol, met name geproduceerd
uit land- en bosbouwafval. Volgens functionarissen van de VS en openbare
gegevens[6]
zal de productie van dit type bio-ethanol een omvang van circa 4 miljard
liter in 2014 en van meer dan 50 miljard liter in 2021 bereiken. De
productie van cellulosebio-ethanol was in het OT verwaarloosbaar. (41)
In het OT en tot op heden is mais de voornaamste
gebruikte grondstof in de VS, terwijl de voornaamste gebruikte grondstof in de
Unie tarwe is. (42)
Uit het onderzoek bleek dat bio-ethanol in het
algemeen in zuivere vorm wordt verkocht aan mengers/handelaren die het
vermengen[7] met vooral benzine om mengsels van hoog niveau te produceren die
worden geëxporteerd of op de binnenlandse markt worden verkocht voor verdere
vermenging en gebruik als brandstof. Vermenging is geen erg complexe bewerking
en kan worden bewerkstelligd door de producten samen te voegen in speciale
tanks onder toevoeging van de gewenste percentages bio-ethanol en benzine. (43)
Om de verschillende soorten bio-ethanol,
bio-ethanolmengsels en andere mengsels die wereldwijd worden gebruikt, te
kunnen identificeren, hebben gemengde ethanolbrandstoffen E-nummers die het
volumepercentage ethanolbrandstof in het mengsel aanduiden. Zo bestaat E85 voor
85 % uit watervrij ethanol en voor 15 % uit benzine. Lage
ethanolmengsels, van E5 tot E25, staan ook wel bekend als gasohol, hoewel
internationaal de term gasohol meestal verwijst naar het mengsel E10. Mengsels
van E10 of lager werden in 2011 gebruikt in meer dan twintig landen over de
hele wereld, met als grootste gebruiker de VS, waar bijna alle in de
detailhandel verkochte benzine in 2010 was vermengd met 10 % bio-ethanol. (44)
Uit het onderzoek bleek dat alle soorten
bio-ethanol als biobrandstoffen worden beschouwd op grond van het huidige
programma voor een National Renewable Fuel Standard (RFS1), dat is opgezet uit
hoofde van de Energy Policy Act van 2005, die als wijziging van de Clean Air
Act voor het eerst een nationale norm voor hernieuwbare brandstof definieert.
Het Congres van de VS belastte het federale Environmental Protection Agency
(EPA) met de verantwoordelijkheid voor de coördinatie met het Ministerie van
Energie, het Ministerie van Landbouw en de belanghebbenden teneinde dit
programma te ontwerpen en uit te voeren. (45)
Als gevolg van dit energiebeleid is de VS sinds
2005 de grootste producent van bio-ethanol, met 57,5 % van de mondiale
productie. In 2009 leidden de voorschriften van de EPA tot productie van
minstens 11 miljard Amerikaanse gallons hernieuwbare brandstoffen, met name om
doelstellingen van de Energy Independence and Security Act van 2007 te halen.
Deze grootschalige productie stelde producenten in de VS ook in staat om
bio-ethanol naar andere markten te exporteren, met inbegrip van die van de
Unie. (46)
Afgaande op officiële bronnen, markt- en algemeen
beschikbare informatie[8],
worden alle soorten bio-ethanol en bio-ethanol in mengsels, namelijk mengsels
van bio-ethanol met minerale benzine zoals uiteengezet in overweging 43, die in
de VS worden vervaardigd en in de VS verkocht of uitgevoerd worden, beschouwd
als bio-ethanolbrandstoffen en vallen onder een wetgevingspakket inzake
energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en alternatieve brandstoffen in de
VS. (47)
Vastgesteld is dat alle soorten bio-ethanol en het
bio-ethanol in de mengsels waarop dit onderzoek betrekking heeft, ondanks
mogelijke verschillen wat de gebruikte grondstoffen en het productieproces
betreft, dezelfde of sterk gelijkende fysische, chemische en technische basiseigenschappen
hebben en voor dezelfde doelen worden gebruikt. De mogelijke kleine variaties
in het betrokken product veranderen niets aan zijn basisdefinitie en
eigenschappen of aan de perceptie die de verschillende partijen ervan hebben. (48)
Enkele partijen voerden aan dat de definitie van
het betrokken product niet duidelijk was, in het bijzonder omdat die geen
duidelijk onderscheid maakte tussen bio-ethanol voor brandstoftoepassingen en
bio-ethanol voor andere toepassingen. Zij betoogden dat het onderzoek daarom
betrekking moest hebben op ethanol voor alle soorten gebruik en uit alle
bronnen, met inbegrip van synthetisch ethanol, dat voor industrieel gebruik een
concurrent van bio-ethanol is. (49)
Een andere partij betoogde het tegendeel, namelijk
dat het onderzoek alleen betrekking diende te hebben op bio-ethanol voor
brandstoftoepassingen, dus met uitsluiting van bio-ethanol voor industrieel
gebruik. (50)
In dit verband zij opgemerkt dat het betrokken
product voornamelijk op basis van de fysische, chemische en technische
basiseigenschappen moet worden gedefinieerd, niet op basis van zijn gebruik of
toepassing. Een product met verschillende toepassingen kan immers ongeacht zijn
verdere gebruik dezelfde of soortgelijke basiseigenschappen hebben en in
bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn de analyse van de
productdefinitie en de productomschrijving te verdiepen in het licht van de
specifieke kenmerken van de sector en de markt. (51)
In het onderhavige geval was het duidelijk dat het
bericht van inleiding niet de bedoeling had om synthetisch ethanol in de
productdefinitie op te nemen. Synthetisch ethanol heeft andere eigenschappen
dan bio-ethanol en voldoet niet aan de voornoemde criteria in verband met de
definitie van het betrokken product. Er heeft geen producent die zich richt op
de productie van dat product deelgenomen aan dit onderzoek. Derhalve kan
synthetisch ethanol niet worden opgenomen in de definitie van het betrokken
product en valt het buiten de reikwijdte van het onderzoek. Deze
verduidelijking betekent, in tegenstelling tot wat enkele partijen
suggereerden, geen verandering van de reikwijdte van het onderzoek en heeft ook
geen gevolgen voor de kwaliteit van de gebruikte gegevens. (52)
Bio-ethanol voor brandstof en bio-ethanol bestemd
voor andere toepassingen kunnen vergelijkbare kenmerken hebben. In de loop van
het onderzoek werd de dumping echter onderzocht op het niveau van de
VS-exploitanten die bio-ethanol voor brandstoftoepassingen produceerden of
vermengden, met name bio-ethanol voor verwerking in een brandstofmengsel. Ook
het onderzoek van de producenten in de Unie was gericht op bio-ethanol bestemd
voor brandstoftoepassingen en niet voor andere doeleinden. Bio-ethanol bestemd
voor andere toepassingen dan brandstof valt dus niet onder dit onderzoek. (53)
Importeurs die het ingevoerde VS bio-ethanol niet
voor brandstof (zullen) gebruiken, hebben de mogelijkheid om een verklaring af
te leggen uit hoofde van de bepalingen inzake eindgebruik als vastgelegd in de
uitvoeringsbepalingen in de artikelen 291 tot en met 300 van het communautaire
douanewetboek[9]. 2.2.
Soortgelijk product (54)
Er werd vastgesteld dat het door de bedrijfstak van
de Unie vervaardigde en op de markt van de Unie verkochte bio-ethanol dezelfde
fysische, chemische en technische basiseigenschappen heeft als het bio-ethanol
dat uit de VS naar de Unie wordt uitgevoerd. (55)
Zoals in overweging 39 wordt beschreven, kan
bio-ethanol worden geproduceerd uit verschillende grondstoffen. Uit het
onderzoek is echter niet gebleken dat de gebruikte grondstof leidt tot verschillen
in de kenmerken van het eindproduct. Vastgesteld werd dat het in de VS
geproduceerde en naar de Unie uitgevoerde betrokken product, hoofdzakelijk op
basis van mais, uitwisselbaar is met het door producenten in de Unie
geproduceerde betrokken product, waarvoor hoofdzakelijk tarwe als grondstof
wordt gebruikt. Bovendien waren er geen significante verschillen in het gebruik
en in de perceptie die producenten en gebruikers op de markt van het product
bio-ethanol hebben. (56)
Derhalve wordt bevestigd dat in de Unie
geproduceerd en verkocht bio-ethanol en het vanuit de VS geëxporteerde
betrokken product moeten worden beschouwd als soortgelijk in de zin van
artikel 1, lid 4), van de basisverordening. (57)
Sommige van de in de steekproef opgenomen
Amerikaanse producenten voerden aan dat het bio-ethanol dat wordt geproduceerd
en verkocht op de markt van de VS en het betrokken product niet soortgelijk
zijn, aangezien het eerstgenoemde product niet strikt overeenstemt met de
beschrijving van het product in het bericht van inleiding. De soorten
bio-ethanol die op de markt van de VS worden verkocht, hebben inderdaad een
vochtgehalte boven de drempel van 0,3 % en komen overeen met de VS-norm
(ASTM) in plaats van met EN 15376. (58)
Uit het onderzoek bleek echter dat bio-ethanol
geproduceerd voor verkoop op de markt van de VS grotendeels dezelfde fysische,
technische en chemische basiseigenschappen heeft als het betrokken product.
Artikel 1, lid 4, van de basisverordening bepaalt dat een
"soortgelijk" product niet noodzakelijkerwijs in elk opzicht gelijk
aan het betrokken product hoeft te zijn; het kan ook een product zijn dat,
hoewel niet in alle opzichten gelijk, kenmerken bezit die grote overeenkomst
vertonen met die van het betrokken product. Dit is het geval voor het
bio-ethanol dat op de Amerikaanse markt verkocht wordt en het bio-ethanol dat
naar de Unie wordt uitgevoerd. Er zijn precedenten waar producten als
soortgelijk aan het betrokken product beschouwd werden in weerwil van bepaalde
verschillen[10].
(59)
Daarom werd besloten de voorlopige bevinding in te
trekken en er van uit te gaan dat het ASTM-bio-ethanol die op de markt van de
VS verkocht wordt een product is dat soortgelijk is aan het betrokken product
in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. 3.
DUMPING 3.1.
Inleiding (60)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 6 tot en met
16 had het onderzoek, om na te gaan of er sprake was van dumping, betrekking op
producenten van bio-ethanol, enerzijds, en op handelaren/mengbedrijven, die het
betrokken product naar de markt van de Unie uitvoerden, anderzijds. (61)
Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de
basisverordening wordt in de verordening waarbij het recht wordt ingesteld,
gespecificeerd welk recht voor elke leverancier geldt, of, indien dit om
praktische redenen niet mogelijk is, welk recht voor het betrokken land van
levering geldt. (62)
Enkele producenten beweerden dat het mogelijk was
hun producten te identificeren en te traceren wanneer die aan VS-handelaren
werden verkocht voor uitvoer, met name naar de Unie. Zij verwezen naar het in
de RED voorziene certificeringsproces, maar waren niet in staat om met name een
duidelijke link aan te geven tussen hun verkoop in de VS en de uitvoer van
andere handelaren naar de EU. Zoals aangegeven in de overwegingen 12 en 63
waren deze producenten ook niet op de hoogte van het peil van de uitvoerprijzen
naar de Unie. (63)
In het onderhavige geval bleek dat de structuur van
de bio-ethanolindustrie en de wijze waarop het betrokken product werd
vervaardigd, op de markt van de VS werd verkocht en naar de Unie werd uitgevoerd,
het praktisch niet mogelijk maakte om individuele dumpingmarges voor
producenten in de VS vast te stellen. Meer in het bijzonder voerden de
producenten van de VS-steekproef het betrokken product niet uit naar de Unie en
de onderzochte handelaren/mengers kochten bio-ethanol van verschillende
producenten, mengden het en verkochten het vervolgens, met name voor uitvoer
naar de Unie; het was dan ook in tegenstelling tot wat bovenbedoelde partijen
beweerden niet mogelijk om alle afzonderlijke aankopen na te gaan en normale
waarden met de relevante uitvoerprijzen te vergelijken, en het is evenmin
mogelijk om op het moment van de uitvoer naar de Unie vast te stellen wie de
producent was. Met andere woorden, iedere zending naar de EU bevat bio-ethanol dat
door verschillende producenten in de VS is geproduceerd, niet alleen door de
producenten van de steekproef. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de prijzen
die de ondernemingen van de steekproef aan hun afnemers in de VS berekenden
niet overeenstemden met de feitelijk betaalde en te betalen prijzen voor het
betrokken product wanneer dat naar de Unie werd uitgevoerd. (64)
Daarom meent de Commissie dat er een voor het
gehele land geldende dumpingmarge moet worden vastgesteld. 3.2.
Normale waarde (65)
Voor de vaststelling van de normale waarde
overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie
eerst vastgesteld of de binnenlandse verkoop van het betrokken product door de
twee medewerkende handelaren/mengers aan onafhankelijke afnemers in representatieve
hoeveelheden plaatsvond, d.w.z. of de totale omvang van die verkoop in het OT
ten minste 5 % van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie bedroeg. (66)
Aangezien de verkoop van het soortgelijke product
op de binnenlandse markt plaatsvond in voldoende hoeveelheden werd de normale
waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij
de twee bovengenoemde handelaren/mengers, in het kader van normale
handelstransacties, door onafhankelijke afnemers in de VS. 3.3.
Uitvoerprijs (67)
De medewerkende handelaren/mengers verstrekten
gegevens die het mogelijk maakten een uitvoerprijs te bepalen op basis van hun
werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van
de basisverordening. Voor die transacties waarbij de invoer in de Unie via een
verbonden handelsonderneming plaatsvond, werd de uitvoerprijs overeenkomstig
artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de eerste
wederverkoopprijs van de verbonden handelaar aan onafhankelijke afnemers in de
Unie. (68)
Wat de verkopen via de verbonden
handelsmaatschappij in Zwitserland betreft, werden verkoopkosten, algemene
kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en winst niet afgetrokken van de
uitvoerprijs, aangezien die kosten niet beschouwd werden als kosten tussen
invoer en wederverkoop in de Unie. Uit het onderzoek bleek dat de voornaamste
activiteit van de verbonden handelaar bestond uit het beheer van de kasstroom
voor de bedrijfseenheid "suiker", waaronder ook biobrandstoffen
vallen, en de afdekking van de risico's die inherent zijn aan de landbouwsector
door het sluiten van derivatencontracten, op zowel "over the
counter"- als georganiseerde financiële markten. (69)
Enkele producenten in de VS voerden aan dat het
vaste praktijk van de instellingen is de prijs van de verkoop door de exporteur
aan de eerste onafhankelijke afnemer als de uitvoerprijs te beschouwen voor de
berekening van dumping. In dit geval zou dat de prijs zijn die de producenten
in de VS berekenen aan niet-verbonden handelaren/mengers in de VS. Zoals
vermeld in de overwegingen 62 en 63 voerde geen van de bio-ethanolproducenten
in de VS zelf het betrokken product uit naar de Unie en waren zij niet op de
hoogte van het peil van de uitvoerprijzen naar de EU. De binnenlandse prijs kan
dus niet worden gebruikt aangezien het geen betaalde of te betalen uitvoerprijs
voor het betrokken product in de Unie is. Dit argument kan daarom niet worden
aanvaard. 3.4.
Vergelijking (70)
De vergelijking tussen de gewogen gemiddelde
normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs per producttype voor de
medewerkende handelaren/mengers werd vastgesteld op basis van de prijs af
fabriek, rekening houdende, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de
basisverordening, met verschillen in factoren waarvan werd aangetoond dat zij
van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Eén
handelaar/menger beweerde dat de gegevens over binnenlandse verkoop niet
representatief waren. Aangezien de handelaren/mengers geen gegevens over alle
binnenlandse verkooptransacties verstrekten, is de berekening gebaseerd op de
gegevens in de antwoorden op de vragenlijst en de bij het bezoek ter plaatse
verstrekte gegevens. (71)
Eén handelaar/menger voert aan dat de berekening
van de binnenlandse verkoopprijs gebaseerd zou moeten zijn op NYMEX-gegevens
betreffende de contantmarkt. De Commissie is van mening dat gecontroleerde
gegevens van de twee handelaren/mengers betrouwbaarder zijn. (72)
Daartoe werd, in de vorm van correcties, rekening
gehouden met verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, lading,
overlading, lossing en aanverwante kosten, waar van toepassing en
gerechtvaardigd. (73)
Het betrokken product en het soortgelijke product
vertonen de bijzonderheid dat handelaren/mengers tijdens het OT een subsidie op
hun verkoop van bio-ethanolmengsels hebben ontvangen, hoofdzakelijk in de vorm
van belastingkredieten. De methode die is gebruikt voor de vaststelling van de
normale waarde en de uitvoerprijs is een methode waarbij de feitelijke
verkoopprijzen, op de interne markt en bij uitvoer, van deze handelaren/mengers
ten volle in aanmerking worden genomen. Bij een vergelijking van de verkopen
van handelaren/mengers op de markt van de VS en de uitvoerprijzen van de
handelaren/mengers naar de EU met het oog op de berekening van de dumpingmarge voor
het betrokken product wordt dan ook ieder mogelijk effect van de subsidie op de
prijzen geëlimineerd, aangezien de subsidie van invloed was op zowel de
binnenlandse verkoop als de uitvoer tijdens het OT. Eén handelaar/menger
beweerde geen subsidies te hebben ontvangen voor binnenlandse verkoop. Deze
bewering werd echter niet met bewijzen gestaafd, en is ook moeilijk verenigbaar
met door de autoriteiten van de VS verstrekte informatie over het gebruik van
de subsidie. 3.5.
Dumping (74)
Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de
basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort
vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort
van het betrokken product. Op basis van deze vergelijking bleken de
medewerkende niet-verbonden handelaren/mengers dumpingpraktijken te hebben
bedreven . (75)
De gewogen gemiddelde dumpingmarge van 9,5 %
werd vastgesteld op basis van de geaggregeerde gegevens van de medewerkende
handelaren/mengers en vormt de dumpingmarge voor het hele land voor de VS. (76)
Enkele in de steekproef opgenomen producenten in de
VS lieten weten dat zij in het geval van instelling van definitieve
antidumpingmaatregelen een individueel antidumpingrecht verwachtten. In het
licht van de inhoud van overwegingen 6 tot en met 16 en de redenering in de
overwegingen 60 tot en met 64 kan hieraan geen gevolg worden gegeven, aangezien
het onderzoek bevestigde dat het voor deze marktdeelnemers, met name omdat zij
zelf niet naar de EU exporteerden gedurende het OT, niet mogelijk was hun naar
de EU uitgevoerde producten te traceren, en dat zij over het algemeen geen idee
hadden van de tijdstippen van de uitvoer en van de door de importeurs van de
Unie betaalde of te betalen prijzen, zodat het niet mogelijk was om voor deze
producenten op betrouwbare basis een uitvoerprijs en dumpingmarge vast te
stellen. (77)
Bepaalde producenten verzochten om meer informatie
over de dumpingberekeningen betreffende de twee medewerkende
handelaren/mengers. Het is echter enerzijds zo dat de verzochte informatie vertrouwelijke
bedrijfsinformatie omvat en daarom niet aan andere partijen doorgegeven kan
worden. Anderzijds is het de vaste praktijk van de instellingen om uitsluitsel
te geven over de algemene methode voor de vaststelling van dumping aan alle
partijen waarvoor geen individuele gegevens zijn gebruikt bij de berekeningen.
Deze methode wordt beschreven in het algemene informatiedocument dat aan alle
partijen is toegezonden. 4.
SCHADE 4.1.
Productie in de Unie en bedrijfstak van de
Unie (78)
De productie in de Unie werd vastgesteld op basis
van een marktverslag dat de klager tijdens het onderzoek indiende. De totale
productie in de Unie van het soortgelijke product vermeld in dit verslag werd
vergeleken met de gegevens van de 17 medewerkende producenten in de Unie. Er werd
een klein verschil van circa 5 % vastgesteld tussen de twee reeksen
gegevens. Dit wordt verklaard door het feit dat sommige relatief kleine
niet-medewerkende producenten in de Unie geen productiegegevens hebben
verstrekt. Op basis daarvan werd de totale productie in de Unie gedurende het
OT op 3,42 miljoen ton geschat. De producenten van de Unie die de totale
productie van de Unie vertegenwoordigen, vormen de bedrijfstak van de Unie in
de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening en
worden daarom aangeduid als "de bedrijfstak van de Unie". 4.2.
Verbruik in de Unie (79)
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis
van de totale productie in de Unie van de bedrijfstak van de Unie, waarbij de
omvang van de invoer uit derde landen (vastgesteld op basis van de beste
beschikbare statistieken) werd opgeteld, waarna de voorraadmutatie en de
uitvoer van de bedrijfstak van de Unie, zoals aangegeven door de bedrijfstak
zelf, werden afgetrokken. Enkele partijen voerden aan dat de voor de vaststelling
van het verbruik gebruikte statistieken niet volledig waren, aangezien een
aanzienlijke invoer van bio-ethanol uit andere derde landen, met name in het
OT, niet in aanmerking werd genomen. Zij waren ook van mening dat de omvang van
de invoer uit de VS door de Commissie werd overschat en dat de cijfers voor
verbruik en marktaandeel derhalve onbetrouwbaar waren. (80)
Deze beweringen werden onderzocht en getoetst aan
de beschikbare informatie. Wat de invoer uit andere landen betreft, verstrekten
de partijen geen bewijzen met betrekking tot de omvang van de invoer van het
betrokken product. Niettemin is bij de schatting van de invoer rekening
gehouden met invoer uit andere landen. Wat de omvang van de invoer uit de VS
betreft, werd een rekenfout gevonden in de schatting van die invoer gedurende
het OT. Daarom is de omvang van de invoer opnieuw beoordeeld en is de schatting
waar nodig aangepast. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor de conclusies van de
beoordelingen van schade en oorzakelijk verband. (81)
Wat de invoer van het betrokken product betreft,
moet worden benadrukt dat er geen specifieke codes van de gecombineerde
nomenclatuur voor het betrokken product bestaan. Bovendien omvatten de codes
van de gecombineerde nomenclatuur waaronder het betrokken product bij de douane
kan worden aangegeven ook andere producten dan het betrokken product. (82)
Wat de invoer van bio-ethanolmengsels betreft,
bleek uit de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de niet-verbonden
importeurs dat het merendeel van de invoer bij de douane werd gedeclareerd
onder TARIC-code 3824 90 97 99. De omvang van de invoer kan echter niet
rechtstreeks uit de gegevens van Eurostat worden afgeleid, aangezien deze
TARIC-code naast het betrokken product ook verschillende andere chemische
producten omvat. . (83)
Wat de invoer aangegeven onder de GN-codes 2207 10
00 en ex 2207 20 00 betreft, was het niet mogelijk een onderscheid te maken
tussen het betrokken product en andere producten die niet onder het onderzoek
vallen, gezien het ontbreken van voldoende informatie over het ingevoerde
product. (84)
Daarom werd, bij gebrek aan volledige
Eurostat-gegevens over de invoer, besloten gebruik te maken van andere bronnen
van informatie voor het vaststellen van de invoer van het betrokken product in
de markt van de Unie. (85)
Met het oog op een zo juist mogelijke schatting van
de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VS werden de
statistieken van de US International Trade Commission (ITC) als de meest
betrouwbare basis beschouwd. De omvang van de gerapporteerde uitvoer betreft de
VS-douanecodes 2207 10 60 en 2207 20 00. (86)
Voor de raming van deze invoer werd een redelijke
aanpak gevolgd, en alle door de ITC gerapporteerde hoeveelheden werden in
aanmerking genomen voor het bepalen van de invoer uit de VS in de markt van de
Unie. (87)
De raming betreffende de invoer in de Unie van
oorsprong uit Brazilië was gebaseerd op de volgende informatiebronnen:
verslagen van het Britse Renewable Fuels Agency voor de invoer in het Verenigd
Koninkrijk; extracten van douanedatabases over invoer verstrekt door Nederland,
Zweden en Finland en door Eurostat. Voor Nederland, Finland en Zweden werd de
omvang van de invoer geraamd op basis van de namen van de importeurs en de
exporteurs en de productbeschrijving, voor zover beschikbaar. Voor de raming
van deze invoer is gekozen voor een behoudende aanpak. Alle opgegeven
hoeveelheden werden in aanmerking genomen voor de berekening van de invoer. (88)
Ten slotte werd ook gebruik gemaakt van gegevens
van Eurostat voor de raming van de resterende invoer in de Unie voor de andere
lidstaten dan de in overweging 87 genoemde. Een aanpassing van de omvang van de
invoer werd toegepast op basis van het percentage bio-ethanol dat in de Unie
als brandstof gebruikt wordt. De reden van deze aanpassing is te vinden in de
klacht. Dit percentage is afgeleid uit de jaarlijkse voorzieningsbalans inzake
ethylalcohol zoals gepubliceerd door de Europese Commissie[11]. Het percentage in de Unie
voor brandstof gebruikte bio-ethanol bedroeg 54 % in 2008, 66 % in
2009, en 68 % in 2010. Voor het onderzoektijdvak is het percentage van
2010 gebruikt voor het schatten van de desbetreffende invoer tijdens het OT. (89)
Voor de schatting van de invoer uit andere bronnen
waren de gebruikte informatiebronnen Eurostat en de door Nederland, Zweden en
Finland verstrekte extracten van de gedetailleerde douanedatabases over invoer.
Dezelfde methode als die voor het vaststellen van invoer uit Brazilië werd
gebruikt. (90)
Wat betreft de berekening van de gemiddelde
cif-prijs per eenheid voor de invoer uit de Verenigde Staten en Brazilië is de
informatiebron de door Nederland, Zweden en Finland verstrekte extracten van de
gedetailleerde douanedatabases over invoer. Voor de VS werden ook gegevens uit
de gecontroleerde vragenlijst voor niet-verbonden importeurs gebruikt. Voor de
VS zijn de gemiddelde cif-prijzen voor 2008 en 2009 geraamd op basis van de
gemiddelde prijs die door de Amerikaanse International Trade Commission (ITC)
is gerapporteerd voor deze jaren, uitgedrukt in verhouding tot de gemiddelde cif-prijs
per eenheid voor 2010. (91)
De voorraadmutatie werd vastgesteld aan de hand van
door de klager verstrekte informatie over de bedrijfstak van de Unie. (92)
Daarbij werd vastgesteld dat het verbruik in de
Unie zich als volgt ontwikkelde: || 2008 || 2009 || 2010 || OT Totale productie in de Unie (ton) (A) || 2.153.118 || 2.797.948 || 3.274.665 || 3.389.503 Totale invoer uit derde landen met inbegrip van het betrokken land (ton) (B) || 1.252.705 || 1.130.703 || 859.605 || 1.031.226 De totale uitvoer van de bedrijfstak van de Unie naar landen buiten de EU (ton) (C) || 26.263 || 41.023 || 53.085 || 59.633 Voorraadmutatie[12] (ton) (C) || 0 || 4.730 || -8.415 || -5.458 Verbruik in de Unie (ton) || 3.379.559 || 3.882.897 || 4.089.600 || 4.366.554 Index: 2008=100 || 100 || 115 || 121 || 129 Bron: (A)
Marktverslag, (B) Eurostat, de internationale handelscommissie van de VS (ITC),
het Britse Renewable Fuels Agency en de gegevens uit douanedatabases over
invoer verstrekt door Nederland, Zweden en Finland, (C) Klacht, antwoorden op
de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, door
de bedrijfstak van de Unie in de klacht verstrekte informatie (93)
Tijdens de beoordelingsperiode is het verbruik in
de Unie aanzienlijk gestegen, namelijk met 29 %. Deze stijging werd
gestimuleerd door de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de richtlijn
hernieuwbare energie (Renewable Energies Directive, RED), die
groeistreefcijfers voor het verbruik van hernieuwbare energie aangeeft. 4.3.
Invoer in de Unie uit het betrokken land 4.3.1.
Hoeveelheid, marktaandeel en prijs van de
invoer uit het betrokken land (94)
In termen van volume, marktaandeel en prijs
ontwikkelde de invoer in de Unie uit de VS zich tijdens de beoordelingsperiode
als volgt: || 2008 || 2009 || 2010 || OT Omvang van de invoer uit de VS (ton) (A) || 63.406 || 53.332 || 348.868 || 686.185 Index: 2008=100 || 100 || 84 || 550 || 1082 Marktaandeel (%) || 1,9% || 1,4% || 8,5% || 15,7% Index: 2008=100 || 100 || 73 || 454 || 837 Gemiddelde prijs in EUR/ton (B) || 590,6 || 552,5 || 542,5 || 626,7 Index: 2008=100 || 100 || 94 || 92 || 106 Bron: (A)
Uitvoervolume aangegeven door de internationale handelscommissie (ITC) van de
VS, (B) douanedatabase over invoer verstrekt door Nederland, Finland en Zweden,
en geverifieerde antwoorden op de vragenlijst voor niet-verbonden importeurs. (95)
In termen van volume nam de invoer uit de VS
aanzienlijk toe in de beoordelingsperiode, van 63 406 ton tot 686 185
ton . Ook het marktaandeel van de Amerikaanse exporteurs in de Unie steeg
aanzienlijk in deze periode, van 1,9 % tot 15,7 % . (96)
Hoewel de gemiddelde prijzen van de invoer uit de VS
in de beoordelingsperiode met 6 % toenamen, bleven de prijzen die de
exporteurs van de VS berekenden constant lager dan de gemiddelde prijzen van de
producenten in de Unie, zoals uiteengezet in overweging 117. Deze systematische
prijsonderbieding door de Amerikaanse exporteurs verklaart de belangrijke
toename van hun marktaandeel die zij tijdens de beoordelingsperiode konden
verwezenlijken. 4.3.2.
Prijsonderbieding van de invoer uit het
betrokken land (97)
Met het oog op de beoordeling van de
prijsonderbieding in het onderzoektijdvak werd de gewogen gemiddelde
verkoopprijs per producttype van de in de steekproef opgenomen producenten in
de Unie voor onafhankelijke afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd naar
het prijspeil af fabriek, vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde
prijzen per productsoort die de Amerikaanse exporteurs berekenden aan de eerste
onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, vastgesteld op cif-basis. Met
het oog op een billijke prijsvergelijking werden de nodige aanpassingen voor de
bestaande douanerechten en kosten na invoer toegepast op de VS-prijs. (98)
De resultaten van deze vergelijking, uitgedrukt als
percentage van de verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten
in de Unie gedurende het onderzoektijdvak, lieten consistente prijsonderbieding
van gemiddeld 5,6 % zien. Deze prijsonderbieding geeft aan welke prijsdruk
werd uitgeoefend door de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie,
met name tijdens het OT. 4.4.
Economische situatie van de bedrijfstak van
de Unie 4.4.1.
Inleidende opmerkingen (99)
Ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening
omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de
bedrijfstak van de Unie een evaluatie van alle relevante economische
indicatoren voor een beoordeling van de situatie van de bedrijfstak van de Unie
in de beoordelingsperiode. (100) De schadeanalyse met betrekking tot de macro-economische gegevens zoals
productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, omvang van de verkoop,
marktaandeel, groei, voorraden, werkgelegenheid, productiviteit en omvang van
de dumpingmarge is gebaseerd op de gegevens van ePURE betreffende de
bedrijfstak van de Unie als geheel. (101) De schadeanalyse met betrekking tot micro-economische gegevens zoals
prijzen, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van
investeringen, vermogen om kapitaal aan te trekken, lonen en voorraden is
gebaseerd op gegevens die door de in de steekproef opgenomen producenten van de
Unie zijn verstrekt in de (gecontroleerde) antwoorden op de vragenlijst. (102)
De bio-ethanolindustrie in de Unie bevindt zich nog
in de beginfase. Ondernemingen hebben recentelijk geïnvesteerd in nieuwe
productiefaciliteiten of hebben bestaande capaciteiten uitgebreid om te voldoen
aan de groeiende vraag in de Unie. Het feit dat nieuwe producenten tijdens de
beoordelingsperiode met de productie gestart zijn, heeft geleid tot positieve
ontwikkelingen voor indicatoren zoals productie, productiecapaciteit, omvang
van de verkoop en de werkgelegenheid. (103) Uit het onderzoek bleek ook dat ondernemingen in deze bedrijfstak een
bepaalde aanlooptijd, van twee tot drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip van
de start van de productie, nodig hebben om normale productieniveaus te
bereiken. 4.4.2.
Productie, productiecapaciteit en
bezettingsgraad || 2008 || 2009 || 2010 || OT Productievolume (ton) || 2.153.118 || 2.797.948 || 3.274.665 || 3.389.503 Index: 2008=100 || 100 || 130 || 152 || 157 Productiecapaciteit (ton) || 3.443.766 || 3.992.640 || 4.670.076 || 4.734.915 Index: 2008=100 || 100 || 116 || 136 || 137 Bezettingsgraad || 63% || 70% || 70% || 72% Index: 2008=100 || 100 || 112 || 112 || 114 Bron: gebaseerd op
gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt (104)
Als gevolg van de RED is de productie in de Unie in
de beoordelingsperiode aanzienlijk toegenomen, namelijk met ongeveer 57 %.
Van 2008 tot 2010 nam de productie in de Unie toe met 36 %, maar het tempo
van de groei nam daarna sterk af en bedroeg slechts 3,5 % in het
onderzoektijdvak, vergeleken met 2010. (105)
De productiecapaciteit nam in de
beoordelingsperiode toe met 37 % en volgde een vergelijkbaar patroon als
de productie. (106) De bezettingsgraad nam in de beoordelingsperiode toe met 14 %, en
deze stijging werd verwezenlijkt in het begin van die periode. Aangezien
bepaalde producenten in de Unie zich in 2009 nog in de aanloopfase bevonden,
werd verwacht dat de bezettingsgraad nog verder zou toenemen, overwegende dat
producenten normaal gesproken twee à drie jaar nodig hebben, te rekenen vanaf
de start, om normale productieniveaus te bereiken, zoals uiteengezet in
overweging 103. Dit was echter niet het geval. (107)
Het onderzoek bevestigde dus dat verschillende
ondernemingen in de EU aan het begin van of tijdens de beoordelingsperiode met
hun activiteiten begonnen, in afwachting van publicatie van de RED. Dit leidde
tot positieve ontwikkelingen, met name wat bovengenoemde schadefactoren
betreft, vooral in de periode vóór 2010. Maar de situatie op de markt van de
Unie veranderde met de sterke stijging van de invoer met dumping uit de VS in
2010, en de verwachte toename van de activiteit tijdens het onderzoektijdvak
werd niet gerealiseerd. 4.4.3.
Verkoopvolume en marktaandeel || 2008 || 2009 || 2010 || OT Verkoopvolume (ton) || 2.035.367 || 2.650.526 || 3.117.410 || 3.229.326 Index: 2008=100 || 100 || 130 || 152 || 159 Marktaandeel || 60,2% || 68,3% || 76,2% || 74,0% Index: 2008=100 || 100 || 113 || 126 || 122 Bron: gebaseerd op
gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt (108)
Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie is
met 59 % gestegen en het marktaandeel nam tijdens de beoordelingsperiode
toe met 13,8 procentpunten. De omvang van de verkoop nam gestaag toe tussen
2008 en 2010, maar tussen 2010 en het onderzoektijdvak minder dan de
consumptie, die in die periode een stijging met 6,8 % vertoonde. (109)
Ook het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie
nam toe tot 2010 maar daalde weer tijdens het OT. In de periode tussen 2010 en
het OT, toen het marktaandeel van de invoer uit de VS bijna verdubbelde en
toenam met 7,2 procentpunten, verloor de bedrijfstak van de Unie 2,2
procentpunten. 4.4.4.
Groei (110)
Het verbruik in de Unie is in de
beoordelingsperiode aanzienlijk toegenomen, met 29,2 %. Hoewel het
verkoopvolume en het marktaandeel in deze periode eveneens zijn toegenomen, kon
de bedrijfstak van de Unie niet volledig profiteren van deze groei van het
verbruik, met name vanaf 2010. Vanaf 2010 tot het OT vertraagde de groei van
het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie en daalde het marktaandeel in
vergelijking met de voorafgaande jaren. (111)
Enkele partijen voerden aan dat het groeipatroon
zoals dat blijkt uit een aantal indicatoren tijdens de beoordelingsperiode niet
het beeld oplevert van een bedrijfstak die schade lijdt. Zoals hierboven
uiteengezet, bleek echter uit het onderzoek dat de vertraging van de groei van
de bedrijfstak van de Unie in 2010 en in het onderzoektijdvak samenviel met de
sterke stijging van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VS. 4.4.5.
Werkgelegenheid en productiviteit || 2008 || 2009 || 2010 || OT Aantal werknemers || 2.331 || 2.419 || 2.523 || 2.552 Index: 2008=100 || 100 || 104 || 108 || 109 Productiviteit (eenheden per werknemer) || 924 || 1157 || 1298 || 1.328 Index: 2008=100 || 100 || 125 || 141 || 144 Bron: gebaseerd op
gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt (112)
De werkgelegenheid steeg met 9 % tijdens de
beoordelingsperiode. Om precies te zijn, de groei bedroeg 8 % in de
periode 2008-2010 maar slechts 1 % gedurende het OT. Deze trend
weerspiegelt die van capaciteit en productie in de Unie. (113)
De productiviteit van de bedrijfstak van de Unie
werd gemeten als de output per werknemer per jaar. Die steeg aanzienlijk in de
beoordelingsperiode, namelijk met 44 %, wat wijst op een leereffect en
toenemende efficiëntie tijdens en na de aanloopfase. 4.4.6.
Hoogte van de werkelijke dumpingmarge (114)
Gelet op de omvang, het marktaandeel en de prijzen
van de invoer met dumping uit het betrokken land kan het effect van de tijdens
het OT vastgestelde dumpingmarges op de bedrijfstak van de Unie niet als te
verwaarlozen worden beschouwd. 4.4.7.
Herstel van de gevolgen van eerdere dumping (115)
Dit aspect is in het onderhavige geval niet
relevant aangezien er geen gevolgen van dumping in het verleden zijn. 4.4.8.
Gemiddelde prijzen per eenheid van de
bedrijfstak van de Unie || 2008 || 2009 || 2010 || OT Prijzen per eenheid (EUR) || 702,59 || 634,88 || 657,41 || 768,59 Index: 2008=100 || 100 || 90 || 94 || 109 Bron: de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie. (116)
De prijzen van de bedrijfstak van de Unie namen
tijdens de beoordelingsperiode in totaal met 9 % toe. In 2009 stegen de
prijzen, vergeleken met 2008, maar daarna daalden ze weer gestaag tot het einde
van het OT. Uit het onderzoek bleek echter dat deze prijsstijgingen onvoldoende
waren om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen zijn kosten te dekken.
De kloof tussen de verkoopprijzen en de kosten werd met name in het OT nog
breder. Deze ontwikkeling viel samen met de toenemende aanwezigheid van
laaggeprijsde invoer met dumping uit de VS op de markt van de Unie. (117)
Uit het onderzoek bleek dat in de
beoordelingsperiode de prijzen van de bedrijfstak van de Unie hoger bleven (tot
23 %) dan die van de invoer met dumping uit de VS . 4.4.9.
Winstgevendheid, kasstroom, investeringen,
rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken || 2008 || 2009 || 2010 || OT Netto winst vóór belasting (EUR) || -33.305.225 || 1.343.823 || -33.932.738 || -82.070.168 Index: 2008= -100 || -100 || 4 || -102 || -246 Winstgevendheid verkoop bedrijfstak van de Unie (% van nettoverkoop) || -11,65% || 0,33% || -5,72% || -9,74% Index: 2008= -100 || -100 || 3 || -49 || -84 Kasstroom (EUR) || -2.528.061 || 34.783.260 || 48.733.697 || 36.832.646 Index: 2008=-100 || -100 || 1376 || 1928 || 1457 Kasstroom in % van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden partijen || -0,9% || 8,7% || 8,2% || 4,4% Index: 2008=-100 || -100 || 980 || 930 || 494 Investeringen (EUR) || 330.441.830 || 86.279.988 || 38.710.739 || 23.018.175 Index: 2008=100 || 100 || 26 || 12 || 7 Rendement van investeringen || -10% || 2% || -88% || -357% Index: 2008=100 || -100 || 15 || -870 || -3538 Bron: antwoorden
op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (118)
De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie
is in absolute bedragen (nettowinst vóór belastingen) vastgesteld en ook door
de nettowinst (of verlies) vóór belastingen uit te drukken als een percentage
van de omzet van het soortgelijke product. De winstgevendheid van de
bedrijfstak van de Unie was tijdens de beoordelingsperiode negatief, met
uitzondering van 2009, toen de in de steekproef opgenomen ondernemingen
verliezen konden vermijden. (119)
Het rendement van investeringen volgde een
vergelijkbaar patroon en bleef duidelijk onder het rendement dat vereist zou
zijn om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen om te overleven. (120)
De kasstroom was in 2008 negatief en verbeterde in
2009 en 2010. Tijdens het OT begon de kasstroom evenwel opnieuw te slinken als
gevolg van het afnemende vermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn
activiteiten zelf te financieren. (121)
De ontwikkeling van de winstgevendheid, de
kasstroom en het rendement van investeringen in de beoordelingsperiode beperkte
het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om te investeren in zijn
activiteiten en ondermijnde de ontwikkeling van de bedrijfstak, zoals duidelijk
blijkt uit de daling van de investeringen met 93 % gedurende deze periode. 4.4.10.
Lonen || 2008 || 2009 || 2010 || OT Lonen (euro) || 45.066.253 || 57.253.228 || 68.711.959 || 76.030.008 Gemiddelde arbeidskosten per werknemer (in EUR) || 75.691 || 81.233 || 88.638 || 99.646 Index: 2008=100 || 100 || 107 || 117 || 132 Bron: antwoorden
op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (122)
De lonen stegen met 32% in de loop van de
beoordelingsperiode, en hielden daarmee gelijke trend met de toenemende
productiviteit van de werknemers. 4.4.11.
Voorraden || 2008 || 2009 || 2010 || OT Eindvoorraden van de SP (ton) || 34.585 || 24.022 || 38.649 || 31.408 Index: 2008=100 || 100 || 69 || 112 || 91 Voorraad in verhouding tot productie || 8,3% || 3,5% || 3,8% || 2,5% Bron: antwoorden
op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (123) De voorraden daalden licht in de loop van de beoordelingsperiode. 4.5.
Conclusie betreffende schade (124)
Uit het onderzoek is gebleken dat er een sterke
toename van de laaggeprijsde invoer met dumping plaatsvond in 2010, en met name
gedurende het OT. Weliswaar verbeterden bepaalde schade-indicatoren betreffende
de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in die periode, maar de
groei hield geen gelijke tred met de toename van de consumptie in de
beoordelingsperiode en de verbeteringen waren onvoldoende om de bedrijfstak van
de Unie in staat te stellen zijn activiteiten te ontwikkelen. (125)
Zoals te verwachten is bij een nieuwe en
snelgroeiende activiteit vertoonden bepaalde indicatoren, zoals verkoop,
productie en bezettingsgraad, een positieve trend in de beoordelingsperiode.
Dit is te verklaren door het feit dat er nieuwe producenten van de Unie op de
markt kwamen in die periode. Het onderzoek heeft niettemin uitgewezen dat de
situatie op de markt van de Unie vanaf 2010, toen de omvang van de
laaggeprijsde invoer sterk toenam, zodanig was dat de producenten in de Unie
niet in staat waren een voldoende mate van activiteit en prijsniveau te
bereiken om zich verder te kunnen ontwikkelen en de belangrijke investeringen
in de beoordelingsperiode op peil te kunnen houden. (126)
Vastgesteld werd dat de laaggeprijsde invoer
voortdurend de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood. Het niveau van
de prijzen maakte het de bedrijfstak onmogelijk de kosten te dekken en de voor
ontwikkeling van de activiteiten noodzakelijke kasstroom en winst te
verwezenlijken. (127)
De schade-indicatoren in verband met de financiële
prestaties van de bedrijfstak van de Unie, zoals winstgevendheid, kasstroom en
rendement van de investeringen, verslechterden of bleven ruim onder het normale
niveau. Dit had zeer nadelige gevolgen voor het vermogen van de bedrijfstak van
de Unie om kapitaal aan te trekken en te investeren in zijn activiteiten. (128)
In het licht van het voorgaande werd geconcludeerd
dat de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT aanmerkelijke schade in de zin
van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden. 5.
OORZAKELIJK VERBAND 5.1.
Inleiding (129)
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, en
artikel 3, lid 6, van de basis-antidumpingverordening werd onderzocht
of de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit het
betrokken land de bedrijfstak van de Unie schade berokkende. Andere bekende
factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie
terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, om uit
te sluiten dat mogelijke schade als gevolg van deze andere factoren aan de
invoer met dumping werd toegeschreven. 5.2.
Gevolgen van de invoer met dumping (130)
Zoals hierboven vermeld, is het verbruik in de Unie
tijdens de beoordelingsperiode sterk gestegen, namelijk met 29 %. De
omvang van de invoer met dumping uit het betrokken land nam echter aanzienlijk
toe, namelijk van een aandeel van 1,9 % van de markt van de Unie aan het
begin van de beoordelingsperiode tot 15,7 % in het OT. Daardoor werd
duidelijk druk uitgeoefend op de bedrijfstak van de Unie, met name van 2010 tot
het einde van het OT, toen deze invoer meer dan verdubbelde. Met ingang van
2010, en in het bijzonder in het OT, was de laaggeprijsde invoer uit de VS in
grote hoeveelheden aanwezig op de markt van de Unie en onderbood de prijzen van
de bedrijfstak van de Unie. Door deze situatie kon de bedrijfstak zich tijdens
het OT niet ontwikkelen zoals verwacht. (131)
Enkele partijen hebben aangevoerd dat de situatie
van de bedrijfstak van de Unie juist verbeterde van 2010 tot het OT,
gelijktijdig met de verdubbeling van de invoer uit de VS. Zoals uiteengezet in
de overwegingen 102 en 107 leidde het feit dat in de beoordelingsperiode veel
nieuwe producenten in de Unie de markt betraden tot positieve trends van
bepaalde schade-indicatoren, zoals de productie en de omvang van de verkoop. De
bedrijfstak van de Unie verloor echter marktaandeel in het OT, ten opzichte van
2010, en tegelijkertijd ondervond de markt van de Unie de grootste toename van
invoer met dumping uit de VS. Prijsonderbieding en prijsdruk leidden tot
verslechtering van de algemene financiële situatie, met name de
winstgevendheid, van de bedrijfstak van de Unie. (132)
Aldus heeft de laaggeprijsde invoer een belangrijke
rol gespeeld bij de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie tijdens
het OT heeft geleden. 5.3.
Gevolgen van andere factoren (133)
Afgezien van de invoer met dumping waardoor de
bedrijfstak van de Unie schade zou kunnen hebben geleden, werden ook de
volgende bekende factoren onderzocht om uit te sluiten dat schade veroorzaakt
door deze andere factoren aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven:
de invoer uit andere landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de
Unie, het effect van de economische crisis, en andere factoren zoals de
schommelingen van grondstofprijzen, de ontwikkeling van de vraag, en beweerde
interne problemen van ondernemingen in de bedrijfstak van de Unie. 5.3.1.
Invoer uit andere landen (Brazilië) (134)
Volgens de beschikbare informatie was er afgezien
van Brazilië geen ander land dat in de beoordelingsperiode het betrokken
product in aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie exporteerde. Wat de prijzen
betreft, bleven de Braziliaanse invoerprijzen aanzienlijk lagen dan die van de
producenten in de Unie. De invoer uit Brazilië vertoonde tijdens de
beoordelingsperiode echter duidelijk een dalende trend qua omvang (‑81 %)
en marktaandeel (–25,8 %). Aangezien de omvang van de invoer in het OT tot
een dergelijk laag niveau terugviel, kan die invoer niet worden geacht het
oorzakelijk verband verbroken te hebben tussen de goedkope invoer uit de VS en
de schade voor de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT. || 2008 || 2009 || 2010 || OT Omvang van de invoer van oorsprong uit Brazilië (ton) || 1.022.980 || 884.020 || 396.249 || 195.342 Index: 2008=100 || 100 || 86 || 39 || 19 Marktaandeel van de invoer uit Brazilië (%) || 30,3% || 22,8% || 9,7% || 4,5% gemiddelde cif-prijs per eenheid (EUR/ton invoer) || 560,8 || 496,2 || 580,8 || 622,4 Index: 2008=100 || 100 || 88 || 104 || 111 Bron: Eurostat,
het Britse Renewable Fuels Agency, douanedatabase over invoer van Nederland,
Finland en Zweden, en de klacht. (135)
Enkele partijen argumenteerden dat de invoer uit
Brazilië boven de de-minimisdrempel bleef in de beoordelingsperiode en dat die
invoer plaatsvond tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie. Zij voerden
verder aan dat de invoer uit de VS alleen het marktaandeel van de invoer uit
Brazilië had overgenomen. De invoer uit de VS zou daarom niet kunnen worden
beschouwd als de oorzaak van de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de
Unie. (136)
Zoals hierboven uiteengezet, is de invoer uit
Brazilië in de beoordelingsperiode aanzienlijk afgenomen. Het marktaandeel
daalde van 30,3 % tot 4,5 % in een periode waarin het verbruik
aanzienlijk steeg. Gezien het prijsniveau dat de Braziliaanse exporteurs op de
markt van de Unie hanteerden, kan niet worden uitgesloten dat de aanwezigheid
van Braziliaanse bio-ethanol in zekere mate heeft bijgedragen tot de schade
voor de bedrijfstak van de Unie. De Commissie meent echter dat deze invoer
tijdens het OT daalde tot een zodanig niveau dat die niet kan worden beschouwd
als een belangrijke oorzaak van die schade. In de periode tussen 2010 en het
onderzoektijdvak daalde de invoer uit Brazilië met ongeveer 200 000 ton,
terwijl de invoer met dumping uit de VS toenam met meer dan 330 000 ton.
Derhalve wordt geoordeeld dat de aanwezigheid van de Braziliaanse bio-ethanol
op de markt van de Unie, met name tijdens het OT, niet het oorzakelijke verband
heeft verbroken tussen de invoer met dumping uit de VS en de schade voor de
bedrijfstak van de Unie in die periode. 5.3.2.
Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|| 2008 || 2009 || 2010 || OT Omvang van de verkoop voor uitvoer (ton) || 26.263 || 41.023 || 53.085 || 59.633 Bron: klacht en
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in
de Unie (137)
Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens het
onderzoektijdvak geringe hoeveelheden bio-ethanol werden uitgevoerd door de
bedrijfstak van de Unie, tegen prijzen die ruim boven de prijzen op de markt
van de Unie lagen. Dit heeft geleid tot de conclusie dat de exportprestatie
geen factor is die het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de
Unie geleden schade en de invoer met dumping uit het betrokken land kon
verbreken. 5.3.3.
Gevolgen van de economische crisis (138)
Het is niet gebleken dat de economische crisis een
negatief effect op de bedrijfstak van de Unie had. Het verbruik van bio-ethanol
in de Unie nam sterker toe dan ooit in 2009, het jaar dat algemeen als het
dieptepunt van de economische crisis wordt beschouwd. In dezelfde periode zijn
de productie en de verkoop door de producenten in de Unie ook toegenomen. (139)
Op basis van het bovenstaande wordt ervan uitgegaan
dat de economische crisis niet het oorzakelijke verband heeft verbroken tussen
de laaggeprijsde invoer uit het betrokken land en de aanmerkelijke schade voor
de bedrijfstak van de Unie. 5.3.4.
Andere factoren (140)
Partijen hebben ook andere factoren vermeld die het
oorzakelijk verband verbroken zouden kunnen hebben, zoals de schommelingen van
de grondstofprijzen, de ontwikkeling van de vraag die lager was dan verwacht,
een regelgevingskader in de Unie dat naar beweerd wordt in het nadeel van de
producenten in de Unie werkt, en bepaalde beweerde interne problemen van
producenten in de Unie. (141)
Wat de schommelingen van de grondstofprijzen
betreft, bleek dat tijdens de beoordelingsperiode de prijzen van mais en tarwe
beide aan dergelijke schommelingen onderhevig waren. Het onderzoek wees echter
uit dat de meeste producenten zich tegen dit risico dekken door een specifiek
prijsbepalingsmechanisme met hun leveranciers, dan wel via de financiële
markten. Het is waar dat de prijzen van grondstoffen fluctueerden, met name van
2008 tot 2010, toen de prijs van mais lager was dan die van tarwe, maar in de
tweede helft van het OT waren de prijzen min of meer gelijk. Dit wijst erop dat
de prijsverschillen minimaal en niet van blijvende aard waren. (142)
Enkele partijen voerden aan dat de
tenuitvoerlegging van de RED in de lidstaten te traag verliep en dat het
verbruik achterbleef bij de in die richtlijn bepaalde streefcijfers. Maar ook
al werden de aanvankelijke doelen niet ten volle gehaald in de
beoordelingsperiode, het feit dat het verbruik in die periode sterk groeide,
namelijk met 29,2%, is een positieve factor die niet kan worden genegeerd in
het kader van deze analyse. Hoe dan ook, de vermeende trage tenuitvoerlegging
van de RED kan geen rechtvaardiging zijn voor de aanwezigheid van laaggeprijsde
invoer met dumping in grote hoeveelheden op de markt van de Unie, die de
prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood en die bedrijfstak schade
berokkende. Dit argument wordt daarom verworpen. (143)
Partijen hebben ook aangevoerd dat de bedrijfstak
van de Unie alleen niet kon voldoen aan de vraag in de Unie, als gevolg van de
onzekerheid met betrekking tot de regelgeving, en dat het systeem van
certificering uiterst langzaam is en daardoor de voordelen voor de
gecertificeerde producenten in de Unie grotendeels teniet doet. Ten slotte
argumenteerden enkele partijen dat het feit dat veel producenten in de Unie
tijdens de beoordelingsperiode met interne problemen te maken hadden een
verklaring was voor de eventuele schade die zij hebben geleden. Deze beweringen
werden echter niet met bewijzen gestaafd en ook niet door het onderzoek
bevestigd. Er zij echter op gewezen dat uit het onderzoek bleek dat het
beweerde lage niveau van de productie in de Unie hoofdzakelijk toe te schrijven
was aan het lage niveau van de verkoopprijzen op de markt van de Unie, dat weer
grotendeels te wijten was aan de sterke toename van laaggeprijsde invoer met
dumping uit de VS waardoor de prijzen van de producenten van de Unie werden
onderboden, met name gedurende het OT. Het bleek dat de producenten in de EU
gedwongen waren de productie te staken, aangezien de marktprijzen niet eens de
kosten van de grondstoffen dekten, met name gedurende het OT. De bovengenoemde
beweringen zijn dus onbewezen en verbreken niet het oorzakelijk verband tussen
de invoer met dumping en de schade voor de bedrijfstak van de Unie gedurende
het OT. (144)
Bijgevolg wordt geconcludeerd dat alle
bovenvermelde factoren niet geleid hebben tot verbreking van het oorzakelijk
verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer
met dumping uit de VS. (145)
Ten slotte maakten partijen melding van het feit
dat gedurende het OT een aanzienlijk aantal ingevoerde zendingen gedeclareerd
werd onder GN-rubriek 3824, waarvoor een lager douanetarief geldt. Na het einde
van het OT werd dit douanerecht verhoogd. Zij zijn van mening dat de schade
veroorzaakt werd door het lage douanerecht en niet door dumping. In dit verband
volstaat het erop te wijzen dat douanerechten op ieder moment aangepast kunnen
worden, en dat dit argument daarom niets afdoet aan het feit dat er schade was
tijdens het onderzoektijdvak. 5.4.
Conclusie inzake het oorzakelijk verband (146)
Uit bovenstaande analyse is gebleken dat de omvang
en het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer van oorsprong uit het betrokken
land in de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn toegenomen. Bovendien werd
vastgesteld dat de prijzen van deze invoer lager waren dan de prijzen die de
bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie berekent. (147)
Deze toename van de omvang en het marktaandeel van
de laaggeprijsde invoer uit het betrokken land viel samen met een algemene en
voortdurende stijging van het verbruik in de Unie en ook met de negatieve
resultaten van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode. De
exporteurs uit het betrokken land slaagden erin hun marktaandeel te verhogen
door systematisch de prijzen van de bedrijfstak van de Unie te onderbieden.
Tegelijkertijd was de bedrijfstak van de Unie niet in staat een niveau van
duurzame winstgevendheid te bereiken, ondanks de toename van de activiteit. (148)
Uit het onderzoek van de andere bekende factoren
die schade voor de bedrijfstak van de Unie hadden kunnen veroorzaken, is
gebleken dat zij niet van dien aard zijn dat zij het oorzakelijke verband
tussen de invoer met dumping uit het betrokken land en de door de bedrijfstak
van de Unie geleden schade kunnen verbreken. (149)
Op grond van bovenstaande analyse, waarbij een
duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren
voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke gevolgen van
de invoer met dumping, luidt de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie door
de invoer met dumping uit de VS aanmerkelijke schade in de zin van
artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden. 6.
BELANG VAN DE UNIE 6.1.
Opmerking vooraf (150)
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening
werd nagegaan of er ondanks de conclusie in verband met de schade geleden door
de invoer met dumping uit het betrokken land dwingende redenen waren om te
concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit bijzondere
geval antidumpingmaatregelen in te stellen. Het belang van de Unie werd
geanalyseerd aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen,
waaronder de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers van het
betrokken product. 6.2.
Belang van de bedrijfstak van de Unie (151)
Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak
van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden als gevolg van de invoer met
dumping uit de VS. Als er geen maatregelen worden genomen om de
handelsverstorende gevolgen van deze invoer te corrigeren, is een verdere
verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zeer
waarschijnlijk. (152)
Verwacht wordt dat de instelling van
antidumpingmaatregelen zal leiden tot een herstel van de effectieve
handelsvoorwaarden op de markt van de Unie, zodat de prijzen van de bedrijfstak
van de Unie aangepast kunnen worden aan de productiekosten. Het valt te verwachten
dat de instelling van maatregelen de bedrijfstak van de Unie ook in staat zal
stellen om grotere hoeveelheden te verkopen en daardoor het vanwege de invoer
met dumping verloren marktaandeel terug te winnen. Dit zal een aanvullend
positief effect hebben op de financiële situatie en de winstgevendheid van de
bedrijfstak. (153)
De conclusie luidt derhalve dat de instelling van
antidumpingmaatregelen op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit
de VS niet indruist tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie. 6.3.
Belang van de importeurs (154)
Twee ondernemingen hebben antwoorden ingediend op
de vragenlijst die bedoeld was voor niet-verbonden importeurs in de Unie. Bij
deze medewerkende importeurs zijn controlebezoeken verricht. Voor beide
bezochte ondernemingen vormt de handel in bio-ethanol slechts een klein deel
van hun totale omzet (minder dan 5 %). Bovendien hebben beide
ondernemingen aangegeven dat zij in staat zouden zijn om prijsstijgingen door
te berekenen aan hun afnemers, de gebruikers. (155)
Op basis van de beschikbare informatie werd
geconcludeerd dat de instelling van maatregelen geen aanzienlijke negatieve
gevolgen zou hebben voor de importeurs. 6.4.
Belang van de gebruikers (156)
Vier ondernemingen verzonden antwoorden op de
vragenlijst voor gebruikers in de Unie. Bij een daarvan vond een controlebezoek
plaats. (157)
Voor de bezochte onderneming vormt de handel in
bio-ethanol slechts een klein deel van de omzet, minder dan 5 %. De
onderneming verrichte een effectbeoordeling met betrekking tot een E5-mengsel
en berekende dat een recht van 100 euro/m³ zou leiden tot een prijsverhoging
van 0,5 eurocent per liter aan de pomp. (158)
Wat de andere drie gebruikers betreft, is het op
basis van gegevens in hun antwoorden op de vragenlijst duidelijk dat de
gevolgen beperkt zouden zijn. Voor één onderneming zijn de aangekochte
hoeveelheden uit het betrokken land zeer beperkt, en de instelling van een
antidumpingrecht zou slechts een minimaal effect op de winstgevendheid hebben. (159)
De twee andere medewerkende gebruikers zijn verbonden
en hebben verklaard dat eventuele antidumpingrechten kunnen worden doorberekend
aan hun afnemers. Voorts maakten zij duidelijk dat zij voldoende keuze hebben
wat hun leveringsbronnen betreft en dat zij niet afhankelijk zijn van invoer
uit de VS. (160)
Partijen voerden aan dat er in de EU niet voldoende
capaciteit is om aan de totale vraag te beantwoorden, en dat de Unie invoer
nodig heeft om aan de behoefte aan bio-ethanol te voldoen. De gecontroleerde
cijfers tonen aan dat er onbenutte capaciteit was in de Unie, gezien met name
het lage niveau van de verkoopprijzen. De producenten in de Unie zouden in
staat zijn hun productie te verhogen om te voldoen aan de toenemende vraag,
vooral wanneer de handelsverstoringen van de markt verdwijnen. Voorts wordt
verwacht dat er in de nabije toekomst nieuwe fabrieken zullen worden gebouwd en
met de productie zullen beginnen, waardoor het vermeende risico van tekorten in
de Unie verder beperkt zal worden. (161)
Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat het
effect van de antidumpingmaatregelen tegen de invoer van het bio-ethanol uit de
VS geen aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor de gebruikers in de
Unie. 6.5.
Conclusie inzake het belang van de Unie (162)
Gezien deze overwegingen luidde de conclusie dat
er, gezien de beschikbare informatie over het belang van de Unie, over het
geheel genomen geen dwingende redenen zijn die tegen de instelling van
antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bio-ethanol van oorsprong
uit de VS pleiten. 7.
DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN 7.1.
Schademarge (163)
Gelet op de conclusies inzake dumping, schade,
oorzakelijk verband en het belang van de Unie moeten definitieve
antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van
de Unie nog meer schade lijdt door invoer met dumping. (164)
Om de hoogte van deze maatregelen te bepalen, werd
rekening gehouden met de dumpingmarges en het bedrag aan rechten dat
noodzakelijk is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen,
zonder de vastgestelde dumpingmarges te overschrijden. (165)
Bij de berekening van het recht dat nodig is om de
gevolgen van de schade veroorzakende dumping op te heffen, werd ervan uitgegaan
dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen om de
productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te maken die bij normale
concurrentie, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping,
redelijkerwijs op de verkoop van het soortgelijke product in de Unie door een
dergelijke bedrijfstak in de sector kan worden behaald. (166)
In dit geval meent de Commissie, gelet op de
opmerkingen in met name de overwegingen 102 en 103, dat de streefwinst voor de
bedrijfstak van de Unie gebaseerd zou moeten zijn op de winst die geboekt werd
toen de invoer uit de VS te verwaarlozen was, d.w.z. de gemiddelde winstmarge, vóór
belastingen, van een van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie
in 2008 en 2009, een producent die zich toen niet meer in de start-up-fase
bevond. Daarom wordt een marge van 6,8 % op de omzet beschouwd als
redelijk en als een passend minimum dat de bedrijfstak van de Unie onder
normale handelsvoorwaarden en in afwezigheid van schade veroorzakende dumping
had kunnen verwachten in het OT. (167)
Op basis hiervan is voor het soortgelijk product
een prijs berekend waarbij de bedrijfstak van de Unie geen schade lijdt. Die
prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie te corrigeren voor het werkelijke verlies of de
werkelijke winst in het OT en bovengenoemde winstmarge daarbij op te tellen. (168)
De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens
berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de
medewerkende exporteurs/producenten in de VS, zoals vastgesteld voor de
berekening van de prijsonderbieding, met de geen schade veroorzakende prijs van
de producten die de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT op de markt van de
Unie heeft verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd
vervolgens uitgedrukt als percentage van de gemiddelde totale cif-waarde bij
invoer. 7.2.
Vorm en hoogte van de rechten (169)
Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat,
overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, ten aanzien van de
invoer van het betrokken product definitieve antidumpingmaatregelen moeten
worden ingesteld die volgens de regel van het laagste recht gelijk zijn aan de
dumpingmarge of de schademarge indien deze lager is. Dienovereenkomstig moeten
alle rechten worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde
dumpingmarges. (170)
De voorgestelde definitieve antidumpingrechten zijn
als volgt: || Dumpingmarge || Schade- marge || Definitief recht Dumpingmarge voor het hele land || 9,5% || 31,1% || 9,5% (171)
Gezien het feit dat het antidumpingrecht ook van
toepassing is op mengsels die meer dan 10 % (v/v) bio-ethanol bevatten, in
verhouding tot hun bio-ethanolgehalte, wordt het voor een doeltreffende
toepassing van de maatregel door de douaneautoriteiten van de lidstaten zinvol
geacht om het recht te bepalen als een vast bedrag op basis van het gehalte
pure bio-ethanol. (172)
Het bij deze verordening vastgestelde antidumpingrecht
is gebaseerd op de bevindingen van het huidige onderzoek. Het is dus in
overeenstemming met de situatie zoals die in het kader van dat onderzoek werd
vastgesteld. Dit voor het gehele land geldende recht, dat van toepassing is op
alle ondernemingen, is van toepassing op de invoer van het betrokken product
van oorsprong uit de VS. (173)
Het was oorspronkelijk de bedoeling de duur van de
maatregelen tot drie jaar te beperken, gezien de verwachte dynamische
ontwikkeling van de markt voor het betrokken product, maar dit punt is opnieuw
overwogen naar aanleiding van de opmerkingen van de belanghebbenden. Met name
de klagers voerden aan dat het in dit stadium nog te vroeg is om aan te nemen
dat er grote veranderingen van de marktpatronen zullen optreden, aangezien de
overstap naar bio-ethanol van de nieuwe generatie hoogstwaarschijnlijk veel
tijd zal vergen, en dat het onderhavige voorstel daarom geen rekening met die
overstap zou moeten houden.
Het is eveneens nog te vroeg om te kunnen
voorspellen wat het resultaat van bepaalde voorgestelde regelgeving en het
effect ervan op de verschillende marktdeelnemers zou zijn. Na bestudering
van deze argumenten werd besloten dat er geen reden was om af te wijken van de
normale geldigheidsduur van maatregelen zoals bepaald in artikel 11, lid 2, van
de basisverordening. Dit sluit echter niet uit dat belanghebbenden, als de omstandigheden
dat rechtvaardigen, overeenkomstig artikel 11, lid 3, om herziening kunnen
verzoeken. 8.
REGISTRATIE (174)
De Commissie heeft diverse verzoeken van de klager
ontvangen betreffende registratie van de invoer van bio-ethanol van oorsprong
uit de VS. Volgens artikel 14, lid 6, van de basisverordening kan de Commissie,
na raadpleging van het Raadgevend Comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende
maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens rechten
kunnen worden geheven op de betrokken producten met ingang van de datum van
registratie. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar
aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat
voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen.
De klager betoogde dat, aangezien de registratie is ingesteld in het kader van
de parallelle antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bio-ethanol van
oorsprong uit de VS[13],
automatisch aan deze voorwaarden is voldaan. (175)
De registratie in het kader van de parallelle
antisubsidieprocedure werd echter onder volledig andere omstandigheden
ingesteld. Zoals vermeld in overweging 10 van de verordening 771/2012 besloot
de Commissie, ondanks de positieve bevindingen van compenserende subsidiëring
en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie
tijdens het onderzoektijdvak, geen voorlopige compenserende rechten in te
stellen, omdat voorlopig werd vastgesteld dat de voornaamste subsidieregeling
die van kracht was tijdens het onderzoektijdvak was stopgezet, in die zin dat
die regeling niet langer een voordeel zou opleveren op het ogenblik dat
voorlopige maatregelen zouden zijn ingesteld. Er waren evenwel aanwijzingen dat
de VS de voornaamste subsidieregeling waarvan was vastgesteld dat die
aanleiding zou moeten geven tot compenserende maatregelen, in de komende
maanden wellicht met terugwerkende kracht opnieuw zou invoeren. De Commissie
was van mening dat zij in dat geval gerechtigd zou zijn in het huidige
onderzoek voorlopige compenserende rechten vast te stellen (en uiteindelijk te
innen). Derhalve heeft de Commissie, teneinde de rechten van de Europese Unie
in het kader van deze bijzondere omstandigheden te waarborgen, besloten om de
douaneautoriteiten opdracht te geven om de invoer te registreren. Deze
specifieke omstandigheden zijn niet van toepassing in de huidige AD-procedure, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1.
Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld
op bio-ethanol, soms "brandstofethanol" genoemd, d.w.z. ethylalcohol
die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), al dan niet
gedenatureerd, met uitzondering van producten die meer dan 0,3 % (m/m)
water bevatten, gemeten overeenkomstig norm EN 15376, maar inclusief
ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage
I van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en die is vervat
in mengsels van benzine die meer dan 10 % (v/v) ethylalcohol bevatten,
bestemd voor gebruik als brandstof en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex
2207 10 00, ex 2207 20 00, ex 2208 90 99, ex 2710 12 21, ex 2710 12 25, ex 2710
12 31, ex 2710 12 41, ex 2710 12 45, ex 2710 12 49, ex 2710 12 51, ex 2710 12
59, ex 2710 12 70, ex 2710 12 90, ex 3814 00 10, ex 3814 00 90, ex 3820 00 00
en ex 3824 90 97 (TARIC-codes 2207 10 00 12, 2207 20 00 12, 2208 90 99 12 12
21, 2710 11 25, 2710 12 92, 2710 12 12, 2710 11 31, 2710 11 41, 2710 11 45 12
12 49 11, 2710 12 51 11, 2710 12 59 11, 2710 12 70 11, 2710 12 90 11, 3814 00
10 11, 3814 00 90 71, 3820 00 00 11 en 3824 90 97 67, van oorsprong uit de Verenigde
Staten van Amerika. 2.
Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing
is op het in lid 1 omschreven product bedraagt 62,3 EUR per ton nettogewicht.
Het antidumpingrecht is van toepassing naar gelang van het aandeel in het
product, in gewichtspercenten, van het totale gehalte aan zuivere ethylalcohol
verkregen uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie) ("bio-ethanolgehalte"). 3.
In lid 1 beschreven producten zijn vrijgesteld van
het definitieve antidumpingrecht indien zij voor andere doeleinden dan als
brandstof bestemd zijn. De vrijstelling is onderworpen aan de voorwaarden
vastgesteld bij de op dit gebied geldende voorschriften van de Europese Unie
met het oog op het douanetoezicht op de bestemming van deze producten (zie de
artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93). 4.
Indien goederen zijn beschadigd voor zij in het
vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs
dientengevolge overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van
de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter
uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van
het communautair douanewetboek[14],
voor het bepalen van de douanewaarde verhoudingsgewijze wordt verlaagd, wordt
het bedrag van het antidumpingrecht, berekend op basis van de voorgenoemde
bedragen, verlaagd met een percentage dat overeenstemt met de
verhoudingsgewijze verlaagde werkelijk betaalde of te betalen prijs. 5.
Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen
inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 Deze
verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB L 343 van 22.12.2009, blz.51. [2] PB C 345 van 25.11.2011, blz. 7. [3] PB C 345 van 25.11.2011, blz. 13. [4] Zie www.ethanol.org – RFS (Renewable Fuels
Standard) overeenkomstig de Energy Independence and Security Act van 2007. [5] Zie US Internal Revenue Code (IRC) – Sec. 40(b)(4),
point E. [6] Zie www.ethanol.org – RFS (Renewable Fuels
Standard) overeenkomstig de Energy Independence and Security Act van 2007. [7] Uit het onderzoek bleek dat om in aanmerking te komen
voor de "alcohol mixture credit", zoals bepaald in Sec. 40(b)(3) van
de IRC het al voldoende is om pure bio-ethanol met 0,1 % benzine te
mengen. [8] Bijvoorbeeld a) de informatie die op internet is
gepubliceerd door de American Coalition for Ethanol (ACE), b) de Energy Policy
Act (EPA) van 2005, met name P.L. 109-58, c) de Energy Independence and
Security Act van 2007 (P.L. 110-140, H.R.6) waardoor de Renewable Fuels
Standard (RFS) gewijzigd en verhoogd werd, zodat in 2008 9 miljard gallons (34
miljard liter) hernieuwbare brandstof verbruikt moest worden, en 13,9 miljard
gallons (52,6 miljard liter) in 2011, d) informatiemateriaal van het US
Department of Energy in het kader van de acties voor schone steden, enz. [9] Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van
2.7.1993. [10] Bijvoorbeeld de verordening van de Raad betreffende
persulfaten waarin gesteld werd dat het Chinese product "soortgelijk"
was aan het EU-product ondanks kwaliteitsverschillen in zuiverheid en
ijzergehalte, PB L 308 van 21.12.1995, blz. 61, overweging 10. Zie ook het
arrest van het Gerecht in T-2/95 Industrie des poudres spheriques, waarin het
Hof verklaarde dat de instellingen rechtmatig tot de conclusie konden komen dat
Chinees en Russisch metallisch calcium "soortgelijk" waren aan
metallisch calcium uit de EU, ondanks verschillen in zuurstofgehalte die het
EU-product ongeschikt maakten voor een specifieke toepassing, die meer dan 11%
van het verbruik in de EU vertegenwoordigde (T-2/95 punten 202-221). 202-221).
Dit punt werd niet aangevochten bij beroep (C-458/98 P). [11] PB C 225 van 18.9.2009, blz. 13, PB C 176 van 2.7.2010,
blz. 6, PB C 236 van 12.8.2011, blz. 16. [12] Aangenomen wordt dat er in 2008 geen voorraadmutatie was. [13] Verordening (EG) nr. 771/2012 van de Commissie van
23.8.2012, PB L 229 , blz.20. [14] PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.