This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0858
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL AND THE EUROPEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE on the application of Regulation (EC) No 1393/2007 of the European Parliament and of the Council on the service in the Member States of judicial and extrajudicial documents in civil or commercial matters (service of documents)
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken)
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken)
/* COM/2013/0858 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken) /* COM/2013/0858 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Verordening (EG) nr.
1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken) 1. Inleiding Samenwerking tussen de justitiële autoriteiten
van de lidstaten is een fundamentele voorwaarde voor een Europese ruimte van
vrijheid, veiligheid en recht zoals genoemd in artikel 3, lid 2, van het
Verdrag betreffende de Europese Unie. Deze samenwerking is in het bijzonder
noodzakelijk om een doeltreffende verzending van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken ter betekening of kennisgeving tussen de lidstaten
te waarborgen. De betekening of kennisgeving van stukken vormt een onderdeel
van elke rechtszaak. Een snelle en veilige verzending van stukken is dus van
essentieel belang voor een goede rechtsbedeling en voor de bescherming van de
rechten van de partijen, in het bijzonder verweerders, in gerechtelijke
procedures. Voordat de Europese Unie op dit gebied enige
actie had ondernomen, werd de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving
van stukken tussen de lidstaten hoofdzakelijk beheerst door het Verdrag van
's-Gravenhage van 1965 inzake de betekening en kennisgeving van stukken[1]. Op 29 mei 2000 heeft de Europese Unie
Verordening (EG) nr. 1348/2000[2]
aangenomen tot vastlegging van procedurevoorschriften om de
grensoverschrijdende verzending van stukken te vereenvoudigen ("de
verordening van 2000"). De verordening was van toepassing op alle
lidstaten van de Europese Unie met uitzondering van Denemarken. De toepassing
ervan is evenwel tot Denemarken uitgebreid door middel van een parallelle
overeenkomst tussen de Europese Unie en Denemarken[3]. Op 1 oktober 2004 heeft de Europese Commissie
een verslag[4]
over de toepassing van de verordening van 2000 goedgekeurd. Het verslag kwam
tot de conclusie dat door de toepassing van de verordening de verzending en de
betekening en kennisgeving van stukken tussen de lidstaten beter verliepen
sinds de inwerkingtreding ervan in 2001. Het verslag stelde echter ook dat het
kennisniveau van de personen die bij de toepassing van de verordening zijn
betrokken, in het bijzonder de plaatselijke instanties, moest worden verbeterd
en dat een aanpassing van enkel bepalingen van de verordening de toepassing
ervan verder kon verbeteren en bevorderen. Bijgevolg heeft de Commissie in 2005
een wijziging voorgesteld[5]. Met ingang van 13 november 2008 werd de
verordening van 2000 vervangen door Verordening (EG) nr. 1393/2007[6] van het Europees
Parlement en de Raad ("de verordening van 2007" of "de
verordening"). Deze verordening is krachtens de parallelle overeenkomst
tussen de Europese Unie en Denemarken ook op Denemarken van toepassing. De belangrijkste wijzigingen die bij de
verordening van 2007 zijn ingevoerd, zijn: ·
de verplichting voor de ontvangende instantie om
alle nodige stappen te ondernemen om de betekening of kennisgeving van het stuk
zo snel mogelijk en in ieder geval binnen een maand na ontvangst te verrichten; ·
de totstandkoming van een nieuw modelformulier om
de geadresseerde ervan in kennis te stellen dat hij het stuk mag weigeren; ·
de invoering van een enkele, vaste vergoeding voor
de kosten van betekening of kennisgeving, die vooraf door de lidstaten wordt
bepaald, en ·
uniforme voorwaarden voor betekening of
kennisgeving per post. Artikel 24 van de verordening van 2007 bepaalt
dat de Commissie uiterlijk op 1 juni 2011 en vervolgens om de vijf jaar de
toepassing van de verordening moet beoordelen en desgevallend wijzigingen moet
voorstellen. De Commissie heeft in 2011 een studie[7] op touw gezet om
gegevens te verzamelen en de toepassing van de verordening te beoordelen (hierna de "studie" genoemd). Deze studie omvat
een juridische analyse en een empirisch gedeelte dat gebaseerd is op een
enquête onder verschillende groepen belanghebbenden uit alle lidstaten[8]. De toepassing van de verordening van 2007 werd
besproken tijdens de vergaderingen van het Europees justitieel netwerk in
burgerlijke en handelszaken op 14 januari 2008, 18 september 2008, 30 april
2009, 23 juni 2010 en 9-10 februari 2012. Daarnaast heeft de Commissie rekening gehouden met brieven van burgers,
klachten, petities en prejudiciële beslissingen van het Europees Hof van
Justitie met betrekking tot de verordening[9]. In dit verslag wordt de eerste beoordeling van
de Commissie voorgesteld van de toepassing van de verordening van 2007 tussen
2008 en 2012. 2. Belangrijkste elementen van
de verordening De verordening is van toepassing in
burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk
stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter
betekening of kennisgeving aldaar. Ze voorziet in verschillende wijzen van
verzending tussen de lidstaten, in het bijzonder via verzendende en ontvangende
instanties, per post, langs consulaire of diplomatieke weg, dan wel
rechtstreeks[10].
Een bijzonder voorschrift over de bepaling van de datum van betekening of
kennisgeving beschermt de belangen van de aanvrager en de geadresseerde. De
geadresseerde wordt voorts beschermd door de voorschriften betreffende het
taalgebruik van de stukken waarvan betekening of kennisgeving moet worden
verricht, en door de voorschriften die de gerechten moeten naleven wanneer de
verweerder niet verschijnt. Voor de betekening of kennisgeving mogen in de
aangezochte lidstaat geen kosten of heffingen worden aangerekend, behalve bij
de toepassing van een bijzondere vorm van betekening of kennisgeving, of in
geval van bijstand door een rechterlijke ambtenaar. In dat geval moet de
aanvrager een enkele vaste vergoeding betalen. De lidstaten zijn verplicht om aan de
Commissie alle informatie te verstrekken die voor de goede werking van de
verordening noodzakelijk is. Elke lidstaat heeft een centrale instantie[11] die informatie moet
verstrekken aan de instanties, oplossingen moet zoeken voor de problemen die
zich kunnen voordoen, en aanvragen voor betekening of kennisgeving van de
verzendende instantie aan de bevoegde ontvangende instantie moet doen toekomen. 3. Toepassing van de
verordening Algemeen genomen, kan worden geconcludeerd dat
de verordening goed werkt en haar doelstelling heeft verwezenlijkt om de
rechtszekerheid bij grensoverschrijdende betekening of kennisgeving van stukken
en de snelheid en doelmatigheid van de verzending tussen de lidstaten te
verbeteren[12].
Niettemin moet aan een aantal punten nadere aandacht worden besteed om te
bekijken of en hoe het systeem van betekening of kennisgeving tussen de
lidstaten nog verder kan worden verbeterd. 3.1. Werkingssfeer van de
verordening De verordening is van toepassing op
gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken die in burgerlijke of handelszaken
van een lidstaat naar een andere lidstaat moeten worden verzonden ter
betekening of kennisgeving aldaar. Met betrekking tot de werkingssfeer van de
verordening zijn verschillende vragen geformuleerd: 3.1.1. Welke stukken mogen ter
betekening of kennisgeving tussen lidstaten worden verzonden: het begrip
gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken In zaak C-14/08 (Roda
Golf) heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat het niet tot de
bevoegdheid van het nationale recht behoort om te bepalen welke stukken in
overeenstemming met de verordening tussen de lidstaten ter betekening of
kennisgeving mogen worden verzonden. De vraag die aan het
Hof was voorgelegd, betrof de betekening en kennisgeving van een notariële akte
buiten het kader van een gerechtelijke procedure. Het
Hof heeft verduidelijkt dat het begrip "buitengerechtelijk stuk" in
de zin van artikel 16 van de verordening van 2000 (dat hetzelfde is als artikel
16 van de verordening van 2007) een EU-begrip is dat autonoom moet worden
geïnterpreteerd. Gezien de doelstellingen van
het Verdrag en de verordening die erop gericht zijn een systeem voor
intracommunautaire betekening of kennisgeving in te voeren met het oog op de
goede werking van de interne markt, mag de justitiële samenwerking zowel in het
kader van gerechtelijke procedures als buiten dergelijke procedures om plaatsvinden.
Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat de betekening of kennisgeving van
notariële akten buiten een gerechtelijke procedure om, binnen de werkingssfeer
van de verordening valt. 3.1.2. Wanneer moeten gerechtelijke
of buitengerechtelijke stukken tussen lidstaten worden verzonden ter betekening
of kennisgeving ervan? In zaak C-325/11 (Alder)
is een andere belangrijke vraag met betrekking tot de werkingssfeer van de
verordening aan het Europees Hof van Justitie voorgelegd. De
vraag was of het binnen de bevoegdheid van het nationale recht valt om te
bepalen in welke omstandigheden een stuk, in overeenstemming met de
verordening, tussen lidstaten moet worden verzonden ter betekening of
kennisgeving ervan. In dit geval hadden twee in
Duitsland verblijvende burgers bij de Poolse gerechten een zaak aanhangig
gemaakt tegen twee in Polen verblijvende burgers. Volgens het Poolse
procesrecht moeten buitenlandse eisers een vertegenwoordiger voor het in
ontvangst nemen van te betekenen stukken met woonplaats in Polen aanwijzen;
indien dit niet gebeurt, worden de voor de betrokken partij bestemde stukken in
het dossier gelaten en als betekend beschouwd. De eisers hadden geen
vertegenwoordiger aangewezen en hun vordering werd afgewezen na de zitting
waarop ze niet waren verschenen. Het Hof heeft geoordeeld dat wanneer de
geadresseerde in een andere lidstaat verblijft, de betekening of kennisgeving
van een gerechtelijk stuk met inachtneming van de eisen van de verordening moet
worden verricht[13]. Bijgevolg is een systeem dat de aanwijzing vereist van een
vertegenwoordiger in de lidstaat waar de procedure aanhangig is gemaakt, met
het oog op de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan partijen
die in een andere lidstaat verblijven, niet in overeenstemming met de
verordening. 3.1.3. Elektronische betekening of
kennisgeving Elektronische betekening of kennisgeving maakt in de lidstaten opgang
als wijze van betekening of kennisgeving van stukken. Bij de meeste systemen
waarin een dergelijke wijze van betekening of kennisgeving bestaat, registreren
burgers (gewoonlijk commerciële of financiële instellingen) zich bij de
gerechten, waardoor het mogelijk wordt om betekening of kennisgeving van
stukken rechtstreeks via elektronische weg aan hen te verrichten. Momenteel is
er in de verordening geen sprake van elektronische betekening of kennisgeving.
In sommige lidstaten is de vraag geformuleerd of buitenlandse burgers zich in
het nationale systeem voor elektronische betekening of kennisgeving kunnen
registreren en of betekening of kennisgeving aan deze buitenlanders in het
kader van de verordening als grensoverschrijdende betekening of kennisgeving
moet worden beschouwd. Het antwoord op deze vraag heeft grote gevolgen,
bijvoorbeeld, voor de toepasselijkheid van het recht op weigering om een stuk
in ontvangst te nemen dat niet in een van de talen is gesteld, zoals bepaald in
artikel 8. Er moet worden overwogen of elektronische betekening of kennisgeving
op grensoverschrijdende schaal beschikbaar moet worden gesteld en of en hoe de
verordening dan moet worden toegepast. De invoering van elektronische
betekening of kennisgeving als een van de in de verordening opgenomen wijzen kan
een doelmatig gebruik van technologie bevorderen en de kosten en de duur van
procesvoering op afstand verminderen. Er lopen momenteel diverse
proefprojecten, zoals het project "E-justice service of documents"
dat door de Commissie wordt medegefinancierd. Dit project heeft tot doel om via
een elektronisch platform een gedematerialiseerde en beveiligde uitwisseling
van stukken tot stand te brengen tussen de ministeries van Justitie, gerechten,
rechterlijke ambtenaren (deurwaarders) en advocaten. Dit project hangt samen
met het e-Codexproject dat er meer algemeen op gericht is de veilige,
toegankelijke en duurzame grensoverschrijdende uitwisseling van informatie in
gerechtelijke procedures te verbeteren. 3.1.4. De betekening of kennisgeving
van stukken en de afschaffing van het exequatur De geleidelijke
afschaffing van het exequatur doet de vraag rijzen of een grotere harmonisering
van de nationale procedurevoorschriften in burgerlijke zaken in het algemeen en
van de voorschriften voor de betekening of kennisgeving van stukken in het
bijzonder noodzakelijk is. Uit de gesprekken tijdens de onderhandelingen over
het voorstel van de Commissie voor een verordening
betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging
van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking van Brussel I)[14], over het voorstel
voor een verordening tot vaststelling van een Europees bevel tot conservatoir
beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van
schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken,[15] en over het voorstel
voor een verordening betreffende de
wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken[16] is gebleken dat de voorschriften van de lidstaten in
belangrijke mate verschillen op fundamentele vlakken zoals ·
de stukken waarvan aan de partijen betekening of
kennisgeving wordt verricht in gerechtelijke procedures: hoewel stukken waarbij
een geding wordt ingeleid doorgaans in alle lidstaten worden betekend, is er
een grote variatie in de betekening of kennisgeving van uitspraken, oproepingen
voor hoorzittingen enz. Uitspraken, bijvoorbeeld, worden in sommige lidstaten
betekend, soms zelfs als voorwaarde voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak in
het land waar de zaak aanhangig is gemaakt, terwijl in andere lidstaten
uitspraken doorgaans niet worden betekend, maar door de partijen zelf in het
gerecht moeten worden afgehaald; ·
de omstandigheden waarin betekening of kennisgeving
van stukken wordt verricht: in sommige lidstaten worden uitspraken bijvoorbeeld
niet betekend als de partijen tijdens de procedure aanwezig of vertegenwoordigd
waren, terwijl in andere lidstaten de uitspraak verplicht moet worden betekend
als eerste stap in de tenuitvoerleggingsprocedure; ·
de personen die de betekening of kennisgeving van
stukken verrichten: in sommige lidstaten is betekening of kennisgeving
doorgaans de verantwoordelijkheid van de partijen, terwijl in andere lidstaten
het gerecht de betekening of kennisgeving van stukken regelt. In diverse
lidstaten kan de verantwoordelijkheid variëren afhankelijk van het soort stuk
waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht (stuk waarbij een
geding wordt ingeleid, oproeping voor een hoorzitting, uitspraak enz.); ·
de personen aan wie betekening of kennisgeving van
de stukken moet worden verricht: in sommige lidstaten worden stukken
bijvoorbeeld aan de partijen zelf betekend, terwijl in andere lidstaten stukken
of bepaalde soorten stukken aan hun wettelijke vertegenwoordiger in het land
waar de zaak aanhangig is gemaakt, mogen of zelfs moeten worden betekend; ·
de wettelijke gevolgen verbonden aan een betekening
of kennisgeving (bv. de startdatum van de termijn om beroep in te stellen of om
de rente te berekenen) of aan het niet verrichten van een betekening of
kennisgeving (bv. mogelijke toevlucht tot bijzondere rechtsmiddelen). Door deze verschillen is
het momenteel onzeker in welke omstandigheden er werkelijk sprake is van de
bescherming die de verordening waarborgt. Het is in het bijzonder niet zeker
dat buitenlandse verweerders waar nodig beschermd zullen zijn door de
voorschriften van de verordening met betrekking tot het recht om ontvangst van
een stuk te weigeren (artikel 8), de datum van betekening of kennisgeving
(artikel 9) en de rechten van de verweerder bij verzuim. De vraag rijst in welke
mate dergelijke verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten en het
daaruit voortvloeiende gebrek aan rechtszekerheid voor de burgers passend zijn
in het kader van de justitiële samenwerking binnen de Europese Unie, in het bijzonder
in het licht van de afschaffing van het exequatur, waar de bescherming van de
rechten van de verdediging een cruciaal element is dat over de grenzen heen
moet worden gevrijwaard. 3.1.5. Conclusies met betrekking tot
de werkingssfeer Uit voorgaande punten
blijkt dat de werkingssfeer van de verordening op Europese schaal eventueel
moet worden verduidelijkt met het oog op een bevredigende werking van de
verordening. Daarnaast is het mogelijk dat de rechtsonzekerheid die uit de
verschillen in de nationale procedurevoorschriften van de lidstaten
voortvloeit, moet worden aangepakt. Dit is vooral belangrijk in het licht van
de cruciale rol die de verordening speelt bij de hele justitiële samenwerking
in burgerlijke zaken en bij de afschaffing van het exequatur. Tegenwoordig
beschikt men over een grotere ervaring dankzij de jarenlange toepassing van
gemeenschappelijke voorschriften betreffende de verzending van stukken in
grensoverschrijdende zaken. Het is nu misschien het goede
moment om de noodzaak te bekijken om deze rechtsonzekerheid aan te pakken, in
het bijzonder via de invoering van gemeenschappelijke minimumnormen die bepalen
welke documenten aan buitenlandse partijen zouden moeten worden betekend, aan
wie ze mogen worden betekend en wanneer de betekening of kennisgeving moet
worden verricht. Op die manier zou een uniformere bescherming van de
verweerders in de hele Europese Unie worden gewaarborgd en zouden de
rechtszekerheid en de bescherming van de rechten van de verdediging
ongetwijfeld verbeteren. 3.2. Beperkingen van de
werkingssfeer van de verordening 3.2.1. De niet-toepasselijkheid van
de verordening als het adres van degene aan wie betekening of kennisgeving moet
geschieden, onbekend is De verordening is niet van toepassing als het
adres van degene aan wie betekening of kennisgeving van het stuk moet
geschieden, onbekend is. Er zijn in deze context
problemen gemeld. Soms zijn er stukken verzonden in de verwachting dat de in
overeenstemming met artikel 3 van de verordening opgerichte centrale instanties
zouden helpen om de geadresseerde te lokaliseren. In andere gevallen is
Verordening (EG) nr. 1206/2001[17]
("de bewijsverordening") gebruikt om het adres van degene aan wie het
stuk moet worden betekend of kennisgeving van het stuk moet worden gedaan, te
vinden. Op deze laatstgenoemde methode is echter de kritiek uitgeoefend omdat
ze omslachtig is vanwege de noodzaak twee verschillende rechtsinstrumenten te gebruiken
louter en alleen om de betekening of kennisgeving van stukken te kunnen
verrichten. Bovendien is in twijfel getrokken of de bewijsverordening het
geschikte instrument is om het adres van een partij te vinden, vooral in het
licht van de werkingssfeer van die verordening en van de eis in artikel 4, lid
1, onder b), van de bewijsverordening om de namen en adressen van de partijen
in de procedure te vermelden, waardoor men van de veronderstelling lijkt uit te
gaan dat deze adressen bekend zijn. De vraag hoe en via welke
middelen het adres van de verweerder moet worden gevonden, is van aanzienlijk
belang, vooral in het licht van de toepassing van diverse civielrechtelijke
instrumenten, zoals Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke
bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in
burgerlijke en handelszaken (zie artikel 26 van deze verordening)[18] en
Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en
tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke
verantwoordelijkheid (zie artikel 18 van deze verordening). Volgens deze
instrumenten moet het bevoegde gerecht zijn uitspraak aanhouden zolang niet
vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk waarmee het
geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk zo tijdig als met het oog op zijn
verdediging noodzakelijk was, te ontvangen, of dat daartoe
al het nodige is gedaan. Het Hof
van Justitie heeft met betrekking tot artikel 26, lid 2, van Verordening (EG)
nr. 44/2001 geoordeeld dat een gerecht in dergelijke omstandigheden de procedure slechts redelijkerwijs kan voortzetten indien het zich
ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te
vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen (zie zaak C-327/10 Hypoteční
banka v. Lindner, punt 52 en C-292/10 Cornelius de Visser, punt 55).
In dit kader is het belangrijk te weten wat kan worden verstaan onder
"alle stappen die nodig zijn" en door wie ze moeten worden ondernomen
(door de geadieerde rechter, de partijen, de centrale instantie of de
ontvangende instantie in de aangezochte lidstaat). In het licht van deze
moeilijkheden kan het wenselijk zijn te bekijken hoe het elementaire en
praktische probleem van het vinden van het adres van degene voor wie het stuk
bestemd is, moet worden opgelost en de respectieve verplichtingen van de bij de
betekening of kennisgeving betrokken instanties te verduidelijken. Er kan
worden bekeken of het mogelijk zou zijn gevallen waarin het adres van de
verweerder onbekend is, binnen de werkingssfeer van de verordening te brengen
met bepaalde verplichtingen om het adres van de verweerder te zoeken. Op zijn minst kan worden verduidelijkt in welke mate de ontvangende
instanties het adres van de verweerder moeten zoeken indien het adres bekend
is, maar onjuist blijkt te zijn. 3.2.2. Betekening of kennisgeving van
stukken aan staten De verordening is met name niet van toepassing
in fiscale, douane- of administratieve zaken of in het geval van
aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening
van het overheidsgezag (acta iure imperii). In sommige lidstaten zijn
vragen gerezen over de betekening of kennisgeving van stukken aan staten.
Artikel 1 stelt inderdaad dat bovenvermelde zaken niet binnen de werkingssfeer
van de verordening vallen. A contrario en in overeenstemming met de
richtsnoeren van het Europees Hof van Justitie over de interpretatie van de
term "burgerlijke en handelszaken" in geschillen tussen een
overheidsdienst en een privépersoon kunnen dergelijke geschillen onder de
verordening vallen voor zover ze betrekking hebben op burgerlijke vorderingen
en de betrokken staat als een privépersoon handelde (acta iure gestionis).
Er zij opgemerkt dat zelfs als de geadresseerde van een gerechtelijk of
buitengerechtelijk stuk in een burgerlijke of handelszaak een land of een overheidsorgaan
is, alle in de verordening opgenomen wijzen van verzending voor de betekening
of kennisgeving van stukken in het buitenland mogen worden gebruikt. 3.3. Snelheid van verzending en
betekening of kennisgeving Wanneer de betekening of kennisgeving van
stukken via verzendende en ontvangende instanties wordt verricht, bedraagt de
termijn om de aanvraag uit te voeren één maand[19].
Er zijn echter geen termijnen vastgelegd wanneer de stukken per post,
rechtstreeks of langs diplomatieke weg worden verzonden. Uit de studie blijkt dat de verordening van
2007 de betekening of kennisgeving van stukken tussen de lidstaten in
vergelijking met de verordening van 2000 matig heeft versneld (zie bijlage 1).
Dit resultaat kan bevredigend worden genoemd, vooral aangezien tegelijk ook het
aantal aanvragen voor grensoverschrijdende betekening of kennisgeving is
toegenomen. Zo is in Duitsland het aantal zaken gestegen van 14 463 in
2009 tot 16 329 in 2010 en in het Verenigd Koninkrijk van 9 852 in
2009 tot 10 395 in 2010. Ondanks deze stijging wordt de betekening of
kennisgeving van de stukken sneller verricht dan vroeger. Er mag bijgevolg
worden geconcludeerd dat de verordening van 2007 haar doelstelling heeft
verwezenlijkt om de betekening of kennisgeving tussen de lidstaten verder te
versnellen. Uit de empirische gegevens blijkt echter dat
betekening of kennisgeving in het buitenland nog altijd relatief veel tijd in
beslag neemt. Vooral wanneer stukken via de verzendende en ontvangende
instanties worden verzonden, bedraagt de tijd die deze instanties nodig hebben
om te handelen opgeteld in de meeste gevallen toch nog meerdere maanden.
Verschillende factoren spelen hierbij een rol. Ten eerste kan het enige tijd
duren om een verkeerd geadresseerde aanvraag naar de bevoegde ontvangende
instantie door te zenden. Belangrijker is dat de meeste vertragingen blijkbaar
te wijten zijn aan een gebrek aan taalvaardigheid van de instanties (de
instanties beheersen de talen niet die hun lidstaten voor te ontvangen stukken
hebben goedgekeurd) en/of aan hun gebrek aan kennis van de toepasselijke
voorschriften (zie punt 3.3 hieronder). Er zijn ook vertragingen gemeld die te
wijten zijn aan het feit dat de centrale instanties over te weinig uitrusting
beschikken (zie punt 3.4 hieronder). Voor een doelmatig verloop van de
gerechtelijke procedures in een geïntegreerde Europese Unie is een snelle
betekening of kennisgeving van stukken echter noodzakelijk. Er moet daarom worden
onderzocht hoe de duur van een betekening of kennisgeving nog verder kan worden
ingekort, in het bijzonder door de mogelijkheid van elektronische verzending en
betekening of kennisgeving te onderzoeken. 3.4. Verzendende en ontvangende
instanties De voornaamste wijze van verzending van
stukken krachtens de verordening is de verzending via de verzendende en
ontvangende instanties.[20] Naar verluidt functioneren de instanties
doorgaans naar tevredenheid in het kader van de verordening, hun gebrek aan
taalvaardigheid en/of aan kennis van de voorschriften van de verordening daargelaten[21]. Er is bijvoorbeeld
gemeld dat sommige ontvangende instanties aanvragen in een andere taal of talen
dan de officiële taal van de betrokken lidstaat weigeren hoewel die lidstaat op
grond van artikel 4, lid 3, van de verordening andere talen heeft aanvaard. Het
blijkt ook dat ontvangende instanties nu en dan
hebben geweigerd om het te betekenen stuk af te geven omdat het niet in hun
officiële taal is vertaald, wat in strijd kan zijn met artikel 8, lid 1, van de
verordening. 3.5. Centrale instanties Centrale instanties hebben een ondersteunende,
doch belangrijke functie aangezien zij de verzendende instanties informatie
moeten verschaffen, oplossingen moeten zoeken voor de problemen die zich kunnen
voordoen, en in buitengewone omstandigheden, op verzoek van een verzendende
instantie, aan de bevoegde ontvangende instantie een aanvraag voor betekening
of kennisgeving moeten doen toekomen. Doorgaans blijkt dat de centrale instanties naar
tevredenheid functioneren in het kader van de verordening: 49,6 % van de
voor de studie ondervraagde personen vond dat de praktische werking van de
centrale instanties heel doeltreffend of redelijk doeltreffend was, terwijl
slechts 18 % hun werk redelijk ondoeltreffend of ondoeltreffend vond.[22] Niettemin zijn in de
studie enkele problemen gemeld. Ten eerste is gemeld dat in sommige lidstaten
de centrale instanties op technisch vlak onvoldoende uitgerust zijn (bv. geen beschikking
over computers). Dit kan een negatieve weerslag hebben op de snelheid en de
zekerheid van de verzending. Ten tweede is in de studie vastgesteld dat
sommige verzendende instanties verwachten dat de centrale instanties hulp
zullen bieden bij het vinden van het adres van geadresseerden van wie het adres
onbekend is. Het is mogelijk dat uit de verordening niet helemaal duidelijk
blijkt in welke mate de centrale instanties in dit opzicht hulp moeten bieden.
Met betrekking tot het probleem van het vinden van het adres van degene voor wie
het stuk bestemd is, moet de rol van de centrale instanties worden bekeken en
verduidelijkt om uniforme toepassing en verwachtingen in het kader van de
verordening te waarborgen. Ten slotte blijkt dat de door de lidstaten in
de justitiële atlas[23]
verstrekte informatie over de centrale instanties van lidstaat tot lidstaat
verschilt. In sommige gevallen is de informatie gedetailleerder dan in andere.
Artikel 23, lid 1, juncto artikel 3 van de verordening biedt geen duidelijke
richtsnoeren over welke informatie de lidstaten moeten meedelen. Het kan wenselijk
zijn om de eisen betreffende de beschikbare informatie te stroomlijnen zodat de
informatie nuttiger is voor de gebruikers van het systeem. 3.6. Taal van de aanvraag voor
betekening of kennisgeving Alle lidstaten behalve Luxemburg aanvaarden
Engels als taal voor de ontvangst van aanvragen om betekening of kennisgeving
van stukken (zie bijlage 2). Er blijkt dus één taal te zijn die tussen bijna
alle lidstaten wordt gebruikt. Bovendien blijkt dat alle lidstaten behalve
Ierland, Luxemburg en Malta aanvragen in minstens één andere taal dan hun
officiële taal of talen aanvaarden. Meer dan de helft van de lidstaten
aanvaardt aanvragen in drie, vier of zelfs vijf (Frankrijk) talen. 3.7. Taal van de stukken waarvan
betekening of kennisgeving moet worden verricht - recht van weigering van
ontvangst van een stuk Artikel 8 van de verordening heeft tot doel de
procedurele rechten van de geadresseerde te vrijwaren; hij heeft het recht
ontvangst van het stuk te weigeren als het niet is gesteld in een officiële
taal van de plaats waar de betekening of kennisgeving wordt verricht, of in een
taal die hij begrijpt. In verband met de toepassing van dit artikel zijn
verschillende problemen onder de aandacht van de Commissie gebracht[24]. In zaak C-14/07 (Weiss) heeft het Europees Hof van Justitie enkele praktische aspecten
van het recht van weigering onder de loep genomen. In deze zaak weigerde de
geadresseerde ontvangst omdat alleen de aanvraag in de krachtens artikel 8 van
de verordening voorgeschreven taal was vertaald, en niet de bijlagen. Het Hof
was van oordeel dat een geadresseerde van een gedinginleidend stuk niet het
recht heeft ontvangst van dat stuk te weigeren, als de niet-vertaalde bijlagen
ervan enkel een bewijsfunctie hebben en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp
en de grond van de vordering te begrijpen. In dezelfde zaak werd het Hof
verzocht te oordelen over de rol van een contractueel beding tussen de
aanvrager en de geadresseerde, waarin deze laatste zich akkoord had verklaard
dat tussen de partijen zou worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat
van verzending. Het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijke contractuele
overeenkomst geen vermoeden oplevert dat de geadresseerde deze taal kent, maar
niettemin een aanwijzing vormt die de rechter in aanmerking kan nemen wanneer
hij nagaat of de geadresseerde de taal van de lidstaat van verzending begrijpt.
Daarnaast zijn er ook
problemen gemeld met betrekking tot het gebruik van de modelformulieren in het
kader van de uitoefening van het recht van weigering. Ten eerste is het in de bewoording van artikel
8 niet duidelijk of het noodzakelijk is om in het modelformulier informatie te
verstrekken (bijlage II bij de verordening) als het stuk waarvan betekening of
kennisgeving moet worden verricht, in de taal van de aangezochte lidstaat is
gesteld en de geadresseerde de betekening of kennisgeving ervan dus niet
rechtsgeldig kan weigeren (artikel 8, lid 1, onder b)). In de praktijk kan het
toevoegen van het modelformulier in dergelijke omstandigheden de geadresseerde
ten onrechte doen geloven dat hij het recht heeft ontvangst van het stuk te
weigeren. Ten tweede is de praktische vraag gesteld of
bijlage II bij de verordening in haar volledige versie, dus met de tekst in
alle officiële talen van de Europese Unie, aan de verweerder moet worden
afgegeven, dan wel of alleen de tekst in de taal van de aangezochte lidstaat
voldoende is. De laatste oplossing kan financiële besparingen opleveren en
beter zijn voor het milieu. Ten derde is de vraag gesteld wat de
wettelijke gevolgen zijn wanneer de ontvangende instantie geen informatie over
het recht van weigering van ontvangst verstrekt (bijlage II niet bijvoegt). Het
is niet duidelijk volgens welke wetten de gevolgen van een dergelijke
betekening of kennisgeving (m.a.w. haar geldigheid) moeten worden beoordeeld. Vanuit
het oogpunt van de rechtszekerheid van de geadresseerde is deze situatie
onbevredigend aangezien zijn bescherming van lidstaat tot lidstaat kan
verschillen. Een uniforme oplossing kan wenselijk zijn. Ten vierde zijn er
problemen gemeld met het bepalen of de weigering van ontvangst van een betekend
of ter kennis gebracht stuk door de geadresseerde al dan niet rechtsgeldig is. Volgens artikel 8 en bijlage II bij de verordening kan de geadresseerde
weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in
ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving (direct
aan de persoon die de betekening of kennisgeving verricht) ofwel door
het stuk naar de ontvangende instantie terug te zenden. Tegelijk suggereert
bijlage II dat het formulier zelf moet worden teruggezonden met het stuk
waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht (cfr. verklaring van de
geadresseerde). Er bestaat dus een zekere dubbelzinnigheid over hoe het recht
van weigering rechtsgeldig kan worden uitgeoefend. In sommige gevallen hebben
geadresseerden hun recht van weigering niet uitgeoefend op het ogenblik van de
betekening of kennisgeving, maar hebben ze bijlage II volledig ingevuld
(verklaring van weigering) teruggezonden, echter zonder ook het stuk
zelf waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, terug te zenden.
De vraag is gesteld of dit al dan niet als een rechtsgeldige weigering kan
worden beschouwd. Een letterlijke lezing van artikel 8 suggereert dat de
weigering in dit geval niet rechtsgeldig is. Het is twijfelachtig of dit een
bevredigende interpretatie is: als het simpelweg terugzenden van het stuk een
rechtsgeldige weigering vormt, zou a fortiori een uitdrukkelijke
verklaring in het formulier, zelfs zonder het stuk zelf, rechtsgeldig moeten
zijn. Het kan wenselijk zijn om dit punt in de verordening te verduidelijken. Ten slotte legt de
verordening het gebruik van een weigeringsformulier op, maar schrijft ze niet
voor hoe dit formulier moet worden verzonden. De weigering kan dus worden
verricht, bijvoorbeeld, door het formulier aan de deurwaarder te geven op het
ogenblik van de poging tot betekening of kennisgeving of via een gewone brief.
De vraag stelt zich of het niet wenselijk zou zijn om bepaalde formele eisen op
te leggen om de rechtszekerheid te vergroten met betrekking tot een effectieve
weigering van ontvangst van het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet
worden verricht. 3.8. Datum van betekening of
kennisgeving Algemeen genomen, blijkt dat de toepassing van
artikel 9 (de bepaling van de datum van betekening of kennisgeving) bevredigend
is en dat ze de doelstelling heeft verwezenlijkt om de rechtmatige
verwachtingen en rechten van de aanvrager en geadresseerde te beschermen[25]. Er zijn echter
verschillende problemen gemeld: een eerste probleem is de bepaling van de datum
waarop betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte
lidstaat is geschied (artikel 9, lid 1) in gevallen waarin betekening of
kennisgeving in een bijzondere vorm wordt gevraagd krachtens artikel 7, lid 1,
en deze vorm in de aangezochte lidstaat onbekend is, ook al is ze verenigbaar
met haar recht. Uiteraard is het mogelijk dat het recht van de aangezochte
lidstaat in dergelijke gevallen niet voorziet in de datum van betekening of
kennisgeving. De vraag is gerezen of artikel 9, lid 1, in dergelijke gevallen
toelaat te besluiten dat de datum van betekening of kennisgeving wordt beheerst
door het recht van de verzoekende lidstaat waar de bijzondere vorm wel bestaat.
Daarnaast schept overweging 15 verwarring over
de toepassing van artikel 9: ze suggereert dat artikel 9 niet in alle lidstaten
van toepassing is en dat de lidstaten aan de Commissie moeten melden of het
voorschrift al dan niet in hun nationale recht wordt toegepast. Het is
duidelijk dat volgens de tekst van de verordening artikel 9 in alle lidstaten
van toepassing is en dat het, in het belang van de betrokken partijen, overal zou
moeten gelden. Het is voor het nationale recht niet nodig om een "systeem
van twee data" te hebben zoals overweging 15 suggereert. Artikel 9 is
direct van toepassing en bepaalt alleen welk recht van toepassing is op de
bepaling van de datum vanuit het oogpunt van ofwel de aanvrager ofwel de
verweerder. Het lijkt wenselijk om overweging 15 in dit opzicht te
verduidelijken. 3.9. Kosten van betekening of
kennisgeving Als algemene regel geeft de betekening of
kennisgeving van uit een andere lidstaat afkomstige stukken geen aanleiding tot
betaling van heffingen of kosten voor de door de aangezochte lidstaat verleende
diensten. De aanvrager is echter gehouden de kosten te betalen indien de
betekening of kennisgeving door een deurwaarder of een volgens de wet van de
aangezochte lidstaat bevoegde persoon wordt verricht of indien een bijzondere
vorm van betekening of kennisgeving wordt gevraagd. Om de rechtstoegang te
bevorderen, moeten deze kosten met een enkele vaste vergoeding overeenkomen. In principe heeft de bepaling van een enkele
vaste vergoeding en de bekendmaking ervan in de justitiële atlas de kosten
verbonden aan grensoverschrijdende betekening of kennisgeving veel
transparanter gemaakt. De communicatie door sommige lidstaten is echter niet
duidelijk genoeg[26],
terwijl anderen meedelen dat er geen vergoeding moet worden betaald hoewel dit
in de praktijk toch het geval blijkt te zijn[27].
Voorts is er melding gemaakt van een aantal
praktische problemen in verband met de betaling van de kosten. Er is in het bijzonder
gesuggereerd dat het nuttig zou zijn om de bankgegevens van de instanties,
inclusief hun IBAN-nummer en BIC-code, en indien relevant ook hun btw-nummer op
te nemen in de informatie over de verzendende en ontvangende instanties in de
justitiële atlas. Er is bovendien ook gemeld dat instanties die
betekeningen of kennisgevingen verrichten, in sommige lidstaten naast de vaste
vergoeding diverse extra kosten in rekening brengen. Dit lijkt in strijd te
zijn met de verordening en de verzoekende instanties twijfelen of alleen de
vaste vergoeding moet worden betaald, dan wel of ook extra kosten in rekening mogen
worden gebracht. Het kan wenselijk zijn om dit in de verordening duidelijker te
formuleren. 3.10. Betekening of kennisgeving per
post Betekening of kennisgeving per post zoals
voorzien in artikel 14 van de verordening is een van de wijzen van betekening
of kennisgeving. Elke lidstaat kan de betekening of kennisgeving van stukken
aan in een andere lidstaat verblijvende personen rechtstreeks door postdiensten
doen verrichten. Dergelijke betekening of kennisgeving per post geschiedt bij
aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze. De
Commissie heeft vastgesteld dat minstens één lidstaat, op grond van een
letterlijke interpretatie van de bewoording van het artikel, het gebruik van
deze wijze van betekening of kennisgeving beperkt tot de gevallen waarin de
verantwoordelijkheid voor de betekening of kennisgeving van stukken bij de
staat berust, m.a.w. wanneer aan de gerechten wettelijk de taak is toevertrouwd
om stukken te betekenen.[28]
Deze enge interpretatie houdt in dat wanneer de partijen voor de betekening of
kennisgeving verantwoordelijk zijn, zij deze wijze van grensoverschrijdende
verzending van stukken niet mogen gebruiken en niet aan de volgens de wet van
de lidstaat van hun verblijfplaats bevoegde instantie of persoon mogen vragen
om de betekening of kennisgeving van het stuk aan de geadresseerde in het
buitenland in overeenstemming met artikel 14 van de verordening te verrichten.
De Commissie is van oordeel dat de formulering van het artikel voor verbetering
vatbaar is zodat deze dubbelzinnigheid in de interpretatie wordt weggewerkt en
betekening of kennisgeving per post in grensoverschrijdende zaken voor iedereen
beschikbaar wordt. Uit de evaluatiestudie is gebleken dat deze
wijze van verzending wegens de geringe kosten die daaraan verbonden zijn en
haar snelheid vaak wordt gebruikt en zelfs de voorkeur geniet boven verzending
via verzendende en ontvangende instanties.[29]
Toch zijn er praktische problemen die de doelmatigheid van deze wijze van
verzending negatief beïnvloeden. De uiteenlopende oplossingen die de nationale regels
van burgerlijk procesrecht bieden voor de bepaling van de groep personen
aan wie betekening of kennisgeving per post is toegelaten, vormt een eerste
probleem. In sommige lidstaten moeten de stukken volgens bepaalde
civielrechtelijke procedures aan de geadresseerde in persoon worden betekend.
In andere lidstaten is er ruimte voor een zogenaamde "vervangende
betekening" waarbij het stuk niet aan de geadresseerde zelf moet worden
afgegeven, maar ook aan een andere persoon op hetzelfde adres mag worden
afgegeven of in de brievenbus mag worden gedeponeerd of gedurende een zekere
tijd op een specifieke plaats mag worden gedeponeerd om er door de
geadresseerde te worden afgehaald. Bij "vervangende betekening" kan
het zijn dat de betekening of kennisgeving van een stuk rechtsgeldig is volgens
het recht van de aangezochte lidstaat, maar niet volgens de eisen van het burgerlijk
procesrecht van de verzoekende lidstaat. Aangezien de voorschriften betreffende
betekening of kennisgeving per post tussen de lidstaten onderling sterk
verschillen, vormt dit probleem een ernstige belemmering voor een doelmatig
gebruik van deze wijze van betekening of kennisgeving. Een ander probleem in verband met betekening
of kennisgeving per post is het juridisch kader waaraan postbedrijven zijn
onderworpen wanneer ze een stuk aangetekend aan de geadresseerde bezorgen.
Openbare of private postdiensten hanteren gewoonlijk hun eigen
"regels" (bv. regels van de Wereldpostunie of regels van bedrijven
die gespecialiseerde private postdiensten aanbieden) om aangetekende brieven
met ontvangstbevestiging af te leveren. Daarnaast moeten postbedrijven in
diverse lidstaten bijkomende wettelijk voorgeschreven regels in acht nemen
wanneer het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, een
gerechtelijk of ander officieel stuk is. In voornoemde gevallen zijn de
postbedrijven bijvoorbeeld verplicht om specifieke certificaten van betekening
of kennisgeving te gebruiken of moeten ze verschillende opeenvolgende pogingen
tot betekening of kennisgeving ondernemen. Hoewel de toepassing van dergelijke
regels geen problemen oplevert als de stukken waarvan betekening of
kennisgeving moet worden verricht, afkomstig zijn van nationale gerechten of
instanties waarmee de postbedrijven vertrouwd zijn, is het mogelijk dat de
regels niet worden toegepast als het postbedrijf de gerechtelijke aard van een
buitenlands stuk niet herkent. In sommige gevallen gelden de wettelijk
voorgeschreven regels zelfs alleen voor stukken die van de nationale gerechten
of instanties afkomstig zijn, en niet voor stukken die van buitenlandse
gerechten of instanties afkomstig zijn. Daardoor kan de betekening of
kennisgeving uiteindelijk ongeldig zijn volgens het recht van de lidstaat van
herkomst of van de aangezochte lidstaat of zelfs, als het postbedrijf de
gerechtelijke aard van het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden
verricht niet heeft herkend, volgens het recht van beiden. Daarnaast lijkt er in de praktijk doorgaans
vaker een probleem te zijn met ontvangstbevestigingen die niet naar
behoren of niet volledig worden ingevuld, aangezien ze de relevante feiten van
de verrichte betekening of kennisgeving of de poging daartoe niet op geschikte
wijze kunnen bewijzen.[30]
Gerechten in de verzoekende lidstaten zijn vaak niet in staat om aan de hand
van de ontvangstbevestiging te bepalen aan wie of wanneer de betekening of
kennisgeving is verricht. Deze praktische problemen tonen aan dat, ook
al worden alle wijzen van verzending uit de verordening volgens de
jurisprudentie van het Hof van Justitie (cfr. zaak C-473/04 Plumex) als
gelijkwaardig beschouwd, dit in de praktijk niet noodzakelijk het geval is. Ter
waarborging van de rechtszekerheid met betrekking tot de betekening of
kennisgeving per post en ter bevordering van deze wijze van betekening of
kennisgeving, die gewoonlijk goedkoper is dan de andere wijzen van betekening
of kennisgeving, zou het mogelijk moeten worden gemaakt om precies te bepalen
aan wie het stuk is afgegeven en in welke omstandigheden de betekening of
kennisgeving is verricht. Een mogelijke oplossing hier kan de invoering van een
internationale modelontvangstbevestiging zijn die door de postbedrijven moet
worden gebruikt. Daarnaast kan het ook nodig zijn voor een hogere graad van
convergentie te zorgen tussen de voorschriften voor "vervangende
betekening of kennisgeving" in geval van grensoverschrijdende betekening
of kennisgeving per post in de lidstaten. 3.11. Rechtstreekse betekening of
kennisgeving De verordening biedt de mogelijkheid om
rechtstreekse betekening of kennisgeving van stukken als wijze van verzending
te gebruiken (artikel 15). Voor zover toegestaan door de wetgeving van de
lidstaat waar de betekening of kennisgeving wordt verricht, mag een partij bij
een rechtsgeding de betekening of kennisgeving van stukken rechtstreeks doen
verrichten door de bevoegde personen in die lidstaat. Deze wijze van betekening of kennisgeving van
stukken wordt niet algemeen aanvaard. Momenteel ziet de toestand er als volgt
uit: rechtstreekse betekening of kennisgeving ·
is mogelijk in België, Denemarken, Griekenland,
Frankrijk, Italië, Cyprus, Malta, Nederland, Portugal, Finland, Zweden (in
principe), het Verenigd Koninkrijk (Schotland en Gibraltar); ·
is niet mogelijk in: Bulgarije, Tsjechië, Estland,
Spanje, Ierland, Letland, Litouwen, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Roemenië,
Slovenië, Slowakije, het Verenigd Koninkrijk (Engeland, Wales en Noord-Ierland). ·
In Duitsland hangt de aanvaarding van rechtstreekse
betekening of kennisgeving af van de aard van de stukken waarvan betekening of
kennisgeving moet worden verricht. Luxemburg laat rechtstreekse betekening of
kennisgeving toe op basis van wederkerigheid. Deze wijze van verzending van stukken werkt
vooral goed in lidstaten waar deurwaarders de betekening of kennisgeving van
stukken verrichten, bv. Frankrijk, Cyprus, Griekenland of België. De aarzeling
om deze wijze van verzending te gebruiken lijkt groter in andere lidstaten
omdat er onzekerheid bestaat over wie de rechterlijke ambtenaren, ambtenaren of
andere bevoegde personen zijn naar wie in artikel 15 van de verordening wordt
verwezen, en over de omstandigheden waarin de betekening of kennisgeving in de
aangezochte lidstaat zal worden verricht. De contactgegevens van de personen
die bevoegd zijn om rechtstreekse betekening of kennisgeving te verrichten,
zijn niet opgenomen in de justitiële atlas en het is niet zeker in welke mate
deze personen van de ontvangende instanties verschillen. Om deze wijze van
betekening of kennisgeving te verbeteren en haar voor alle lidstaten
aanvaardbaar te maken, moet worden overwogen om de transparantie te vergroten
met betrekking tot wie dergelijke betekening of kennisgeving verricht. Er moet
ook worden bekeken of er eventueel minimumnormen moeten worden vastgesteld
(zoals bij betekening of kennisgeving per post). 3.12. Niet-verschenen verweerder De afschaffing van het exequatur om een echt
vrij verkeer van uitspraken binnen de Europese Unie mogelijk te maken, heeft de
Europese integratie op het gebied van justitie verdiept. Het zou voorts nuttig
zijn om te proberen een zekere harmonisatie te bereiken van de situaties waarin
rechters een beslissing kunnen geven ook al is er geen certificaat van
betekening, kennisgeving of afgifte ontvangen (artikel 19, lid 2) en van de
termijnen waarbinnen de verweerders een verzoek kunnen indienen om te worden
vrijgesteld van de gevolgen van het verstrijken van de termijn waarbinnen een
rechtsmiddel had moeten worden aangewend (artikel 19, lid 4). Volgens artikel
19 mogen lidstaten momenteel in dit verband verklaringen afleggen waardoor een
uniforme toepassing van de verordening niet gewaarborgd is op het uitermate
belangrijke vlak van de bescherming van de rechten van de verdediging. Om alle verwarring over de identiteit van de
in artikel 19 bedoelde stukken te vermijden, kan het bovendien aangewezen zijn
om de bewoording van dit artikel af te stemmen op de bewoordingen die in andere
civielrechtelijke instrumenten worden gebruikt. Artikel 19 verwijst naar een
"stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk",
terwijl andere instrumenten (bv. artikel 26 van verordening (EG) nr. 44/2001)[31] naar een "stuk
dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk" verwijzen. 4. Internationaal kader
betreffende de betekening of kennisgeving van stukken 4.1. Parallelle overeenkomst met
Denemarken Tijdens de verslagperiode heeft de Raad in 2009 een besluit aangenomen
tot vaststelling van een procedure voor de uitvoering van artikel 5, lid 2, van
de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken
betreffende de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken[32].
Deze procedure schrijft voor hoe de coördinatie tussen Denemarken en de
Europese Unie moet verlopen in geval van onderhandelingen over internationale
overeenkomsten die de werkingssfeer van de verordening kunnen beïnvloeden of
wijzigen. 4.2. Verdrag van 's-Gravenhage van
1965 inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken Het Verdrag van 's-Gravenhage
van 1965 inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken is een multilateraal verdrag dat de betekening en
kennisgeving van gerechtelijke stukken tussen ondertekenende staten toelaat
zonder gebruik te maken van consulaire en diplomatieke kanalen. Alle lidstaten
met uitzondering van Oostenrijk en Malta hebben dit verdrag ondertekend. Het
Verdrag van 's-Gravenhage valt sinds de goedkeuring van de verordeningen van
2000 en 2007 onder de exclusieve externe bevoegdheid van de Europese Unie. Aangezien de Europese Unie er baat bij heeft dat
alle lidstaten het Verdrag van 's-Gravenhage toepassen, moet aan Oostenrijk en
Malta toestemming worden gegeven om, in het belang van de Europese Unie, toe te
treden tot het verdrag. De Europese Unie kan zelf niet tot het verdrag
toetreden omdat volgens het verdrag alleen staten kunnen toetreden en geen
regionale organisaties voor economische integratie, zoals de Europese Unie.
Door de toetreding van Oostenrijk en Malta zouden uniforme voorschriften inzake
betekening en kennisgeving van toepassing kunnen zijn op geschillen voor de
gerechten van de lidstaten waarbij verweerders uit derde landen betrokken zijn.
Met deze toetreding zou de Unie de politieke toezegging de Haagse instrumenten
te bevorderen, gestand doen, die zij bij haar toetreding tot de Haagse
Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in 2007 had gedaan. De Commissie
heeft op 6 juni 2013 voorgesteld om Malta en Oostenrijk toestemming te geven om
tot het verdrag toe te treden[33].
4.3. Betrekkingen met Noorwegen,
Zwitserland en IJsland (Lugano-staten) Met betrekking tot de staten die het Verdrag
van Lugano van 2007 hebben ondertekend, namelijk Noorwegen, Zwitserland en
IJsland, heeft de Commissie in 2012 de Raad aanbevolen om onderhandelingen toe
te laten teneinde met deze staten een overeenkomst te sluiten over, onder
andere, de betekening en kennisgeving van stukken. De overeenkomst zou het
bestaande niveau van justitiële samenwerking versterken omdat de betekening en
kennisgeving van stukken tussen de EU-lidstaten en deze staten sneller en eenvoudiger
zouden verlopen. Daarenboven zou ze de doelmatige werking van het Verdrag van
Lugano van 2007 ondersteunen, aangezien de betekening en kennisgeving van
stukken een belangrijk element is voor de bescherming van de rechten van de
verweerder bij verstek en voor de erkenning en tenuitvoerlegging van
uitspraken. 5. Conclusie De verordening is in zijn algemeenheid op
bevredigende wijze toegepast door de overheidsinstanties van de lidstaten.
Niettemin heeft de toenemende justitiële integratie van de lidstaten de
beperkingen van de huidige tekst van de verordening blootgelegd. In het licht
van de rol van de verordening binnen het volledige kader van de justitiële
samenwerking in burgerlijke zaken en met name in het licht van de afschaffing
van het exequatur kan een verdere integratie binnen de Europese Unie worden
overwogen, bijvoorbeeld via minimumnormen inzake betekening en kennisgeving.
Hoewel de termijnen voor grensoverschrijdende betekening of kennisgeving steeds
korter zijn geworden, is het voor een doelmatig verloop van de gerechtelijke
procedures in Europa noodzakelijk dat er nog verdere vooruitgang wordt geboekt. Dit verslag dient om een breed publiek debat
op gang te brengen over de rol van de betekenings- en kennisgevingsverordening
in burgerlijke zaken binnen de Europese Unie en in het bijzonder over de
manieren waarop de betekening en kennisgeving van stukken nog verder kan worden
verbeterd. Bijlage 1 Gemiddelde termijn voor de uitvoering van aanvragen door verzendende en
ontvangende instanties met een vergelijking tussen de toestand onder
Verordening (EG) nr. 1348/2000 en Verordening (EG) nr. 1393/2007[34] Lidstaat || Instanties || Verordening 1348/2000 || Verordening 1393/2007 || Uitvoeringstermijn aanvraag OOSTENRIJK || Ontvangende || 1-3 maanden || 1-2 maanden || + Verzendende || -1 maand || -1 maand || = BELGIË || Ontvangende || 1-3 maanden || 1-2 maanden || + Verzendende || --- || --- || FINLAND || Ontvangende || 1-3 maanden || 1 maand || + Verzendende || 2-6 maanden || 1 maand || + FRANKRIJK || Ontvangende || 1-2 maanden || 2-4 maanden || - Verzendende || --- || 1 maand || DUITSLAND || Ontvangende || 1-3 maanden || 1-2 maanden || + Verzendende || 1-2 maanden || 1-2 maanden || = GRIEKENLAND || Ontvangende || 2-6 maanden || 3-4 maanden || + Verzendende || -1 maand || -1 maand || = IERLAND || Ontvangende || 2-3 maanden || 2-3 maanden || = Verzendende || -1 maand || -1 maand || = ITALIË || Ontvangende || 2-3 maanden || 3-6 maanden || - Verzendende || 2-3 maanden || 2-3 maanden || = LUXEMBURG || Ontvangende || 1-2 maanden || 1-2 maanden || = Verzendende || --- || 1-2 maanden || PORTUGAL || Ontvangende || 1-6 maanden || 2-3 maanden || + Verzendende || --- || 9 maanden || - SPANJE || Ontvangende || 2-6 maanden || 3-5 maanden || = Verzendende || 1-2 maanden || 1-4 maanden || - ZWEDEN || Ontvangende || 1-2 maanden || --- || = Verzendende || -1 maand || --- || = Bijlage 2 || TAAL AANVAARD VOOR ONTVANGST VAN AANVRAGEN || EN || DE || FR || ES || IT || DU || BG || SK || CZ || FI || LT || LV || PL || PT || RO || SE || SL || DA || GR AT || x || x || || || || || || || || || || || || || || || || || BE || x || x || x || || || x || || || || || || || || || || || || || BG || x || || x || || || || x || || || || || || || || || || || || CY || x || || || || || || || || || || || || || || || || || || x CZ || x || x || || || || || || x || x || || || || || || || || || || DK || x || || x || || || || || || || || || || || || || || || x || ES || x || || x || x || || || || || || || || || || x || || || || || FI || x || || || || || || || || || x || || || || || || x || || || FR || x || x || x || x || x || || || || || || || || || || || || || || DE || x || x || || || || || || || || || || || || || || || || || EL || x || || x || || || || || || || || || || || || || || || || x HU || x || x || x || || || || || || || || || || || || || || || || IE[35] || x || || || || || || || || || || || || || || || || || || IT || x || || x || || x || || || || || || || || || || || || || || LV || x || || || || || || || || || || || x || || || || || || || LT || x || || x || || || || || || || || x || || || || || || || || LU || || x || x || || || || || || || || || || || || || || || || MT || x || || || || || || || || || || || || || || || || || || NL || x || x || || || || || || || || || || || || || || || || || PL || x || x || || || || || || || || || || || x || || || || || || PT || x || || || x || || || || || || || || || || x || || || || || RO || x || || x || || || || || || || || || || || || x || || || || SK || x || || || || || || || || x || || || || || || || || || || SI || x || || || || || || || || || || || || || || || || x || || SE || x || || || || || || || || || || || || || || || x || || || UK || x || || x || || || || || || || || || || || || || || || || [1] Verdrag van 15 november 1965 inzake de betekening en
kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of handelszaken, http://hcch.e-vision.nl/index_en.php?act=conventions.text&cid=17 [2] Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad inzake de
betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, PB L 160,
30.6.2000, blz. 37-52, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32000R1348:EN:NOT [3] Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het
Koninkrijk Denemarken betreffende de betekening en de kennisgeving van
gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken,
PB L 300/55, 17.11.2005, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/en/oj/2005/l_300/l_30020051117en00550060.pdf
. Deze overeenkomst is op 1 juli 2007 in werking getreden. [4] Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees
Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van
Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad inzake de betekening en kennisgeving
in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke
of in handelszaken {SEC(2004)1145, COM/2004/0603 final, http://eurlex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexplus!prod!DocNumber&lg=en&type_doc=COMfinal&an_doc=2004&nu_doc=603
[5] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29
mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke
en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (COM(2005) 305
final - 2005/0126 (COD)). [6] Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees
Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken (betekening en kennisgeving van stukken), en
tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad,
PB L 324, 10.12.2007, blz. 79 - 120, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32007R1393:EN:HTML
. [7] MainStrat, Studie inzake de
toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke en in handelszaken, eindverslag juli 2012. [8] In totaal zijn in de hele
Europese Unie 465 interviews afgenomen en hebben 38 Europese deskundigen visies
en aanbevelingen voorgesteld. [9] In het bijzonder zaak C-14/08, Roda Golf & Beach
Resort SL en zaak C-325/11, Alder. [10] Hiermee wordt betekening of kennisgeving door de bevoegde
personen van de aangezochte lidstaat bedoeld wanneer dit volgens de wet van die
lidstaat is toegelaten. [11] Een federale staat, een staat met verschillende
rechtsstelsels of een staat met autonome territoriale structuren mag meer dan
één centrale instantie aanwijzen. [12] 78,5 % van de in het kader van de evaluatiestudie
ondervraagde personen deelde de visie dat de inwerkingtreding van de
verordening de betekening of kennisgeving van stukken tussen de lidstaten heeft
verbeterd en versneld, zie de verwijzing in voetnoot 7, blz. 22. [13] Arrest in zaak C- 325/11 (Alder) van 19 december
2012. [14] COM(2010) 748. [15] COM(2011) 445 definitief. [16] COM(2011) 276 definitief. [17] Verordening (EG) nr. 1206/2001 betreffende de samenwerking
tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in
burgerlijke en handelszaken, PB L 174/1 van 27.6.2001. [18] Verordening (EG) nr. 44/2001 wordt met ingang van 10
januari 2015 vervangen door Verordening (EG) nr. 1215/2012. [19] Artikel 7, lid 2, van de Verordening. [20] De instanties zijn door de lidstaten aangewezen overheidsfunctionarissen,
autoriteiten of andere personen die bevoegd zijn gerechtelijke stukken te
verzenden ter betekening of kennisgeving. [21] 29,9 % van de in het kader van de evaluatiestudie
ondervraagde personen ervoer het gebrek aan vertrouwdheid van de verzendende en
ontvangende instanties met de verordening (waaronder het fenomeen van het
gebruik van onjuiste talen) als een probleem in verband met het
gedecentraliseerde model van samenwerking tussen de plaatselijke overheden. Zie
verwijzing in voetnoot 7, blz. 26 en blz. 160. [22] Zie verwijzing in voetnoot 7, blz.165. [23] De Europese justitiële atlas
voor burgerlijke zaken is een informatiewebsite die door de diensten van de
Europese Commissie wordt bijgehouden. Hij wordt momenteel overgezet naar het
e-justitieportaal. [24] Slechts 35,7 % van de in het kader van de studie
ondervraagde personen meldde dat er geen problemen waren met de toepassing van
artikel 8 van de verordening, terwijl 52,9 % aangaf dat er problemen
waren. Zie verwijzing in voetnoot 7, blz. 172. [25] Het merendeel (45,6 %) van de in het kader van de studie
ondervraagde personen was van mening dat de toepassing van het artikel geen
problemen had opgeleverd. Zie verwijzing in voetnoot 7, blz. 175. [26] Zo stelt de Spaanse kennisgeving: "De kosten zijn die waarin de
toepasselijke Spaanse wetgeving voorziet. Momenteel zijn er geen specifieke
kosten vastgesteld". [27] Er is onlangs een klacht ingediend betreffende betekening
en kennisgeving in Ierland. [28] In Frankrijk wordt deze interpretatie bevestigd door de circulaire
van de minister of Justitie nr. 11-08 D3 van 10 november 2008 (zie Bulletin
officiel du Ministère de la Justice van 28 februari 2009). [29] 48,6 % van de in het kader van de studie ondervraagde personen
gaf toe heel geregeld gebruik te maken van betekening of kennisgeving per post
en 19,4 % dáárvan zei deze wijze te verkiezen boven de traditionele wijze
van verzending via de verzendende en ontvangende instanties. Zie verwijzing in
voetnoot 7, blz. 181. [30] In de evaluatiestudie geven de ondervraagden als vaakst
voorkomende problemen het niet volledig invullen van de ontvangstbevestiging
(41,1 %), het niet terugzenden van de ontvangstbevestiging (40,6 %)
of de onleesbaarheid van de handtekening (34 %) aan: zie verwijzing in
voetnoot 7, blz. 182. [31] Verordening (EG) nr. 44/2001 wordt met ingang van 10
januari 2015 vervangen door Verordening (EG) nr. 1215/2012. [32] Besluit van de Raad van 30 november 2009 (2009/943/EG) tot wijziging
van Besluit 2006/326/EG met het oog op de vaststelling van een procedure voor
de uitvoering van artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst tussen de Europese
Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de betekening en de
kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of
in handelszaken. [33] COM(2013) 338 final. [34] Gebaseerd op de informatie die de instanties hebben
verstrekt in het kader van de studie inzake de
toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken, eindverslag mei 2012. [35] Ierland aanvaardt ook de ontvangst van in het Gaelisch
gestelde stukken.