This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0566
REPORT FROM THE COMMISSION ANNUAL REPORT 2012 ON SUBSIDIARITY AND PROPORTIONALITY
VERSLAG VAN DE COMMISSIE JAARVERSLAG 2012 OVER SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
VERSLAG VAN DE COMMISSIE JAARVERSLAG 2012 OVER SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
/* COM/2013/0566 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE JAARVERSLAG 2012 OVER SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID /* COM/2013/0566 final */
VERSLAG VAN DE
COMMISSIE JAARVERSLAG 2012
OVER SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
1.
Inleiding
Dit is het twintigste jaarverslag
over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in het
wetgevingsproces van de EU. Het wordt ingediend in overeenstemming met artikel 9
van het Protocol (nr. 2) over de toepassing van deze beginselen (hierna:
"het Protocol" genoemd), dat als bijlage bij het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie (VWEU) is gevoegd. In dit verslag wordt
onderzocht op welke wijze deze twee beginselen door de verschillende
instellingen en organen van de EU zijn toegepast en of de uitvoering ervan
vergeleken bij voorgaande jaren is veranderd. Er wordt in detail een analyse
gemaakt van bepaalde voorstellen van de Commissie die het voorwerp vormden van
gemotiveerde adviezen in 2012. Aangezien de nationale parlementen in 2012 de
eerste "gele kaart" gaven, zoals geïntroduceerd door het Verdrag van
Lissabon, richt het verslag zich op dat speciale geval. Aangezien het mechanisme
inzake de subsidiariteitscontrole in nauw verband staat met de politieke
dialoog tussen de nationale parlementen en de Commissie, moet dit verslag
worden beschouwd als een aanvulling op het jaarverslag 2012 van de Commissie
over de betrekkingen met de nationale parlementen.[1]
2.
Toepassing van de beginselen door de
instellingen
2.1.
De Commissie
Vanwege het
initiatiefrecht heeft de Commissie de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat
in een vroeg stadium van het beleidsontwikkelingsproces de juiste keuze wordt
gemaakt over het al dan niet voorstellen van maatregelen op EU-niveau en de
wijze van voorstellen. Dientengevolge en in
overeenstemming met haar inzet voor slimme regelgeving controleert de Commissie
voordat er nieuwe initiatieven worden voorgesteld of de EU het recht heeft
maatregelen te nemen en of de doelstellingen van de voorgestelde maatregel niet
voldoende door de lidstaten kunnen worden bereikt. Eerst stelt de Commissie
algemeen beschikbare roadmaps op[2] voor alle
belangrijke initiatieven. Deze roadmaps bevatten een voorlopige beschrijving
van de mogelijke initiatieven en lichten de plannen van de Commissie toe inzake
beleid en raadpleging. Ze bevatten onder andere altijd een eerste
rechtvaardiging voor de actie wat betreft subsidiariteit en evenredigheid. Verder in het
beleidsontwikkelingsstadium wordt er een volledigere analyse uitgevoerd van de
subsidiariteitskwesties als onderdeel van het effectbeoordelingsproces, waarbij
rekening wordt gehouden met de tijdens de raadpleging van de belanghebbenden
geuite standpunten. Hiervoor wordt een reeks gestructureerde vragen betreffende
de analyse van de subsidiariteit en evenredigheid beschikbaar gesteld in de
Impact Assessment (IA) [effectbeoordelings]-richtsnoeren,[3]; deze dienen
als basis om het recht van de EU om maatregelen te treffen en de
rechtvaardiging ervan te bepalen. Derhalve wordt de
subsidiariteit en evenredigheid van mogelijke maatregelen van de EU beoordeeld
op basis van alle beschikbare bewijzen. De analyse wordt vervolgens door het
effectbeoordelingscomité (Impact Assessment Board) grondig gecontroleerd[4] Het comité is zich
bewust van de sleutelrol die effectbeoordelingen spelen bij het voorleggen van
de bewijzen voor politieke
besluitnemers en heeft in zijn jaarverslag 2012[5] de noodzaak
onderstreept van een krachtige, gedetailleerde rechtvaardiging inzake
subsidiariteit in alle effectbeoordelingen. In 2012 heeft het
effectbeoordelingscomité 97 effectbeoordelingen uitgevoerd en 144 adviezen
uitgebracht. In 33 % van de adviezen was er sprake van commentaar op
subsidiariteitskwesties. Een van de gevallen
waarop het effectbeoordelingscomité commentaar heeft geuit in verband met
subsidiariteit betrof de effectbeoordeling van het voorstel voor een Richtlijn
inzake het collectieve beheer van auteursrechten en aanverwante rechten (COM(2012)
372). In
dit geval verzocht het effectbeoordelingscomité de leidinggevende dienst ‘de
beoordeling verder te onderbouwen inzake de noodzaak voor, het tijdstip en de
meerwaarde van maatregelen op EU-niveau overeenkomstig de voorgestelde
rechtsgrond (eenheidsmarkt en culturele diversiteit)’. Het gevolg was
dat de herziene effectbeoordeling duidelijker de reden voor het voorgestelde
EU-initiatief weergaf, zoals door een betere uitleg van het
grensoverschrijdende karakter van de geconstateerde problemen, die aantoonde
dat het huidig juridisch kader op het nationale en EU-niveau onvoldoende is
gebleken om de problemen aan te pakken. Voor de
effectbeoordeling van het voorstel voor een regeling inzake een Europees
vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening[6] stelde het
effectbeoordelingscomité voor ‘de noodzaak en
meerwaarde van maatregelen op EU-niveau duidelijker te presenteren zodat de
politieke verwachtingen in de juiste samenhang kunnen worden geplaatst’. De leidinggevende
dienst werd ook gevraagd ‘om de complementariteit en coördinatie van [het
Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening] t.o.v. het werk van
andere organisaties uitvoeriger te bespreken, gezien de bezorgdheid van de
belanghebbenden aangaande overlapping en concurrentie’. In het herziene
effectbeoordelingsverslag zijn deze aanbevelingen ter harte genomen en wordt een
grondigere rechtvaardiging voor maatregelen op EU-niveau gegeven. De adviezen van het
effectbeoordelingscomité dragen bij tot een betere analyse van de naleving van
het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel en vormen tezamen met de
eigenlijke effectbeoordelingsverslagen belangrijke elementen ter onderbouwing
van het politieke besluitvormingsproces van de Commissie.
2.2.
Nationale parlementen
In 2012 ontving de
Commissie 70 gemotiveerde adviezen van nationale parlementen, praktisch
hetzelfde aantal als vorig jaar (64 in 2011), met een kleine toename van
ongeveer 9 %.
Het percentage gemotiveerde adviezen dat de Commissie in 2012 ontving, was
echter hetzelfde als het totale aantal adviezen dat binnenkwam in het kader van
haar ruimere politieke dialoog met de nationale parlementen in 2012 (663). Evenals in 2010
en 2011 bedroeg het totale percentage iets meer dan 10 % In 2012 werd de
gele kaart voor het eerst uitgereikt door nationale parlementen in het kader
van het subsidiariteitscontrolemechanisme, als reactie op het voorstel van de
Commissie voor een verordening inzake de uitoefening van het recht om
collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de
vrijheid van dienstverrichting. Dit geval is in detail beschreven in hoofdstuk 3. Gemotiveerde adviezen blijven
aanzienlijk variëren qua vorm en het soort argumenten dat door de nationale
parlementen wordt aangevoerd om hun conclusie te staven dat het
subsidiariteitsbeginsel is geschonden. Evenals in het voorgaande jaar hadden de
gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen betrekking op zeer
uiteenlopende onderwerpen. De 70 gemotiveerde adviezen betroffen niet minder
dan 23 verschillende voorstellen van de Commissie. Na het voorstel Monti II (12
gemotiveerde adviezen) gaf het voorstel voor een verordening inzake het Fonds
voor Europese hulp aan de minstbedeelden aanleiding tot het op één na grootste
aantal gemotiveerde adviezen (5). Er waren acht andere voorstellen die elk drie
gemotiveerde adviezen tot gevolg hadden (zie de bijlage voor nadere
bijzonderheden). Deze tendens lijkt de variërende politieke belangen van de
nationale parlementen te bevestigen; daar heersen immers verschillende
prioriteiten wanneer voorstellen van de Commissie worden gekozen ter
beoordeling in het kader van het subsidiariteitscontrolemechanisme en
verschillende criteria worden toegepast om de naleving van het
subsidiariteitsbeginsel te evalueren. Dit betekent dat de onderlinge
coördinatie tussen de parlementen een uitdaging blijft. Evenals in 2011 was de
Zweedse Riksdag het nationale parlement dat verreweg het grootste aantal
gemotiveerde adviezen heeft aangenomen (20), bijna het dubbele aantal van 2011
(11). De Riksdag controleert alle voorstellen van de Commissie op
het punt van subsidiariteit en de controle wordt gedelegeerd aan alle
parlementaire commissies die blijkbaar verschillende criteria hanteren. Dit kan
van invloed zijn op het aantal door de Riksdag uitgebrachte gemotiveerde
adviezen.[7]
De Franse Sénat bracht het op één na grootste aantal gemotiveerde
adviezen uit (7), gevolgd door de Duitse Bundesrat (5). Deze drie kamers
tezamen brachten bijna 50 % van alle door de nationale parlementen in 2012
uitgebrachte gemotiveerde adviezen uit. Het achttiende halfjaarlijkse
verslag van COSAC[8]
biedt een overzicht van de procedures en praktijken in verband met
parlementaire controle.[9]
Dit document is gebaseerd op de antwoorden op een vragenlijst die door de
nationale parlementen/kamers werden ingezonden en komt tot de conclusie dat de
procedures vooral verschillen wat betreft het gezichtspunt van de nationale
parlementen over de verhouding tussen het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
Terwijl sommigen menen dat ze even belangrijk zijn, zijn anderen de mening
toegedaan dat het evenredigheidsbeginsel slechts een onderdeel is van
subsidiariteit. De meeste nationale parlementen zijn echter van mening dat
subsidiariteitscontroles geen effect sorteren tenzij ze ook een
evenredigheidscontrole omvatten. Volgens het verslag melden
veruit de meeste nationale parlementen dat hun gemotiveerde adviezen veelal
gebaseerd zijn op een uitleg van het subsidiariteitsbeginsel die ruimer is dan
de bewoordingen van Protocol nr. 2. Zo meent de Nederlandse Eerste Kamer dat ' het
niet mogelijk is de beginselen van rechtmatigheid en evenredigheid uit te
sluiten bij een subsidiariteitscontrole....'. De Tsjechische Senát is
van mening dat subsidiariteit 'algemeen en abstract van aard is ..... en geen
strikt en duidelijk wettelijk begrip is' en daarom een ruime uitleg moet worden
gehanteerd.
Het Britse Hogerhuis heeft eenzelfde standpunt te kennen gegeven en argumenten
aangevoerd voor een ruimere interpretatie van dit beginsel omdat 'alhoewel het
beginsel een wettelijk begrip is, de praktische toepassing afhangt van een
politieke beoordeling'. De verschillende
standpunten van de nationale parlementen met betrekking tot de opvatting en de
toepassing van het subsidiariteitsbeginsel hebben geleid tot verschillende
standpunten aangaande de noodzaak voor richtsnoeren om de reikwijdte van de
subsidiariteitscontrole en aanverwante criteria te verduidelijken. Slechts de
helft van de nationale parlementen die de vragenlijst van de COSAC hebben
beantwoord, was hier voorstander van. Alle voorstanders benadrukten dat
eventuele richtlijnen niet bindend mogen zijn.
2.3.
Het Europees Parlement en de Raad
In de Raad ziet het
Comité van permanente vertegenwoordigers van elke lidstaat (Coreper) toe op de
inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Het
Europese Parlement heeft in 2012 een nieuw horizontaal directoraat opgericht
dat een uitgebreidere reeks diensten biedt aan de commissies van het Europees
Parlement inzake de Europese meerwaarde- en effectbeoordelingen. Het werk inzake
effectbeoordelingen omvat het onderzoeken van roadmaps van de Commissie met de
geplande beleids- en raadplegingswerkzaamheden en het uitvoeren van een eerste
evaluatie van de effectbeoordelingen van de Commissie. Op verzoek van de
afzonderlijke commissies levert het directoraat eventueel ook gedetailleerde
beoordelingen van de effectbeoordelingen van de Commissie, aanvullende analyses
over aspecten van de voorstellen waarmee de Commissie zich oorspronkelijk niet heeft
beziggehouden en effectbeoordelingen van door het parlement overwogen
wijzigingen. Het Europees Parlement kijkt
nu ook naar de Europese meerwaarde van voorstellen waarbij het potentiële
voordeel van toekomstige maatregelen op EU-niveau wordt geanalyseerd. Op
verzoek van een commissie van het Europees Parlement kunnen Europese-meerwaardebeoordelingen
worden gegeven om de potentiële effecten te beoordelen en de voor- en nadelen te
bepalen van in de parlementaire wetgevingsverslagen gedane voorstellen. Het
Europees Parlement kan nu ook verslagen uitbrengen over de kosten als er geen
maatregelen op EU-niveau worden genomen, over beleidsgebieden waar sprake is
van een belangrijk potentieel voor grotere efficiëntie en/of over mogelijke
maatschappelijk voordelen als er maatregelen op EU-niveau worden genomen
wanneer zulke maatregelen op dit moment ontbreken. In 2012 heeft het
Europees Parlement 10 eerste evaluaties uitgebracht van effectbeoordelingen van
de Commissie, alsmede één gedetailleerde evaluatie van een effectbeoordeling
van de Commissie en drie verslagen over Europese meerwaarde. Op 13 september 2012
heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen betreffende betere
wetgeving, hetgeen in zekere zin gevolg geeft aan het jaarverslag van de
Commissie 2010 over subsidiariteit en evenredigheid.[10] In dit
verband stelt het Europees Parlement, evenals de COSAC, voor om te onderzoeken
of er al dan niet criteria op EU-niveau moeten worden vastgelegd voor het
evalueren van de naleving van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen. Bovendien benadrukt het
verslag van het Europees Parlement de regionale en plaatselijke dimensie van
subsidiariteitscontrole en roept het op tot een onafhankelijke analyse door de
Commissie over de rol van de regionale en plaatselijke parlementen op het
gebied van subsidiariteitscontrole. In haar reactie op het verslag van het
Europees Parlement[11]
bevestigde de Commissie dat het Comité van de Regio's deze analyse al heeft voorbereid.[12]
2.4.
Comité van de Regio's
In 2012 werd door het
Comité van de Regio's (CdR) een nieuwe strategie voor toezicht op de naleving
van het subsidiariteitsbeginsel aangenomen. Hiermee wordt beoogd de
controlestructuur van het subsidiariteitstoezicht van het CdR te versterken,
een brede aanpak van het toezicht op naleving van het subsidiaritetitsbeginsel tijdens
het gehele communautaire besluitvormingsproces te realiseren, de EU en de
nationale instellingen bij deze werkzaamheden te betrekken en de bereidheid van
het CdR naar het Hof van Justitie te stappen te versterken. In dit verband heeft men
een subsidiariteitsstuurgroep opgericht voor de politieke governance van het
toezicht op de naleving van het subsidiaritetitsbeginsel door de CdR. Het hele
jaar door coördineert de stuurgroep de op naleving van het
subsidiariteitsbeginsel gerichte toezichtswerkzaamheden het hele jaar door en
zorgt hij voor de politieke follow-up. De groep is verantwoordelijk voor het
bepalen van de jaarlijkse subsidiariteitsprioriteiten en het doen van
voorstellen over het gebruik van de meest geschikte instrumenten en procedures
van het netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel,
ter ondersteuning van het werk van de rapporteurs van het CdR bij het
wetgevingsproces. De herziene strategie
onderstreept dat de op naleving van het subsidiariteitsbeginsel gerichte
toezichtswerkzaamheden van het CdR moeten beginnen in het aan de wetgeving voorafgaande
stadium. Deze aanpak steunt op de rol van een groep deskundigen op het gebied
van subsidiariteit, die 16 functionarissen uit het netwerk voor toezicht op de
naleving van het subsidiariteitsbeginsel omvat, welke zijn gekozen op basis van
hun deskundigheid aangaande subsidiariteit en hun grondige kennis van het
gemeenschapsrecht. De groep kwam op 25 oktober 2012 voor het eerst bijeen
en selecteerde de initiatieven die in aanmerking kwamen voor
prioriteitscontrole. Op basis daarvan heeft het Bureau van het CdR op 30 januari
2013 het werkprogramma voor subsidiariteit aangenomen.[13] Dit programma
omvat vier initiatieven die zijn opgenomen in het werkprogramma van de
Commissie voor 2013 (elektronische facturatie bij overheidsopdrachten, een
Blauwe Gordel voor een eenheidsmarkt voor zeevervoer, de evaluatie van
afvalbeleid en -wetgeving, het milieu-, klimaat- en energie-beoordelingskader
voor de veilige, zekere, niet-nucleaire extractie van koolwaterstoffen) en
Stedelijke mobiliteit (die niet onder het CWP 2013 valt; de Commissie heeft echter
plannen aangekondigd om een mededeling te publiceren over de stedelijke
dimensie van het communautaire vervoersbeleid in 2013). Het in 2007 opgerichte
netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel (SMN) is
het belangrijkste controle-instrument van het CdR en omvatte eind 2012 141
partners. Het aantal leden en de representatieve basis van het netwerk namen in
2012 nog verder toe, vooral omdat regionale parlementen en overheden toetraden.
Raadplegingen van de SMN-partners vormen het belangrijkste werktuig voor een
rapporteur van het CdR bij het opstellen van een ontwerpadvies. In 2012 zijn er
drie raadplegingen verricht: over de financieringsfaciliteit voor Europese
verbindingen,[14]
over het 7e actieprogramma voor het milieu (EAP)[15] en over de
uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de
vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting (‘Monti II’).[16] In het kader
van het actieprogramma van SMN heeft een groep het hele jaar gewerkt aan de
herziening van de TEN-T-richtlijnen en de financieringsfaciliteit voor Europese
verbindingen. In februari 2012 is REGPEX
(Regionaal parlementair uitwisselingsprogramma) gelanceerd als subnetwerk van
het netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel; dit
staat open voor regionale parlementen en overheden met wetgevende bevoegdheden.
Het programma ondersteunt die regio's zodat zij hun rol bij het toezicht op de
naleving van het subsidiariteitsbeginsel bij de communautaire wetgeving kunnen
vervullen, vooral in het kader van het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde
systeem voor vroegtijdige waarschuwing en hun potentiële raadpleging door de
nationale parlementen. Het CdR beschouwt REGPEX niet louter als een technische
databank die toegang biedt tot informatiebronnen en regionale standpunten
publiceert, maar ook als een netwerk ter bevordering van de contacten tussen de
´wetgevende regio´s´van de EU. De volgende door het CdR
in 2012 aangenomen adviezen wekten bezorgdheid over de naleving van de
beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, waarbij sommige op mogelijke
inbreuken wezen: het voorstel voor een verordening inzake het EFRO, het 7e
actieprogramma voor het milieu, het pakket overheidsopdrachten, het pakket
gegevensbescherming en de tewerkstelling van werknemers in het kader van het
verrichten van diensten.
2.5.
Hof van Justitie
In 2012 heeft het Hof van
Justitie geen uitspraken gedaan die een belangrijke uitbreiding van het
subsidiariteitsbeginsel vormden. In zaak C-288/11 P, Mitteldeutsche
Flughafen, arrest van 19 december 2012, heeft het Hof van Justitie echter
bevestigd dat het subsidiariteitsbeginsel niet geldt op het gebied van overheidssteun;
op dit gebied is uitsluitend de Commissie bevoegd. Bovendien heeft het Hof in
zaak C-221/10 P, Artegodan, arrest van 19 april 2012, opnieuw verklaard
dat subsidiariteit, en meer in het algemeen de bevoegdheidsregels van het
Verdrag, geen aanleiding vormen tot individuele rechten en dat een schending
van deze regels daarom op zich geen buitencontractuele aansprakelijkheid van de
Unie en haar instellingen oplevert.
3.
Belangrijke gevallen waarin bezwaren aangaande subsidiariteit en
evenredigheid werden geuit
Voorstel voor een
verordening betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te
voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van
dienstverrichting (Monti II). De nationale parlementen
hebben 12 gemotiveerde adviezen uitgebracht over het Monti II-voorstel; omdat
het hierbij om 19 stemmen ging (18 is het minimum), was er voor het eerst sprake
van een zogenoemde gele kaart.[17] Het doel van het Commissievoorstel was de
interactie tussen de uitoefening van maatschappelijke rechten en de uitoefening
van de in het Verdrag vastgelegde vrijheid van vestiging en het verrichten van
diensten te verduidelijken. Men probeerde iets te doen aan de bezwaren van
belanghebbenden (met name de vakbonden) dat na de arresten van het Hof van
Justitie inzake Viking Line en Laval de economische vrijheden het op de
eenheidsmarkt winnen van het stakingsrecht, door in een wetgevingsinstrument te
verduidelijken dat er geen sprake is van voorrang tussen de twee. De Commissie
wist dat de kwestie gevoelig lag en dat het moeilijk was om tussen de
tegengestelde belangen punten van overeenkomst te vinden over de beste manier
om industriële conflicten aan te pakken in situaties waarbij bedrijven en
werknemers in verschillende lidstaten betrokken zijn. De gemotiveerde adviezen
werden uitgebracht door SE Riksdag (2 stemmen), DK Folketing (2
stemmen), FI Eduskunta (2 stemmen), FR Sénat (1 stem), PL Sejm
(1 stem), PT Assembleia da República (2 stemmen), LV Saeima (2
stemmen), LU Chambre des Députés (2 stemmen), BE Kamer van
volksvertegenwoordigers (1 stem), UK House of Commons (1 vote), NL Tweede
Kamer (1 stem) en MT Kamra tad-Deputati (2 stemmen). De meeste nationale parlementen
die gemotiveerde adviezen aannamen, trokken de toepassing van artikel 352 VWEU
als de rechtsgrond voor het voorstel in twijfel. De meeste achtten de
toepassing van die rechtsgrond onvoldoende gerechtvaardigd. Sommige meenden dat
uitsluiting van het stakingsrecht van het toepassingsgebied van artikel 153
VWEU tevens de mogelijke toepassing van artikel 352 VWEU als rechtsgrond zou
uitsluiten. Hetzelfde aantal nationale parlementen uitte twijfels over de
meerwaarde van het voorstel en de noodzaak van de voorgestelde maatregel.
Sommige kamers wezen erop dat het voorstel de actuele wettelijke situatie niet
zou wijzigen, anderen beweerden dat het voorstel niet tot meer juridische
duidelijkheid en rechtszekerheid zou leiden. Voorts stelden vijf nationale
parlementen dat artikel 153(5) VWEU het stakingsrecht zou uitsluiten van
communautaire bevoegdheid, terwijl anderen beweerden dat het algemeen beginsel
en de evenredigheidsproef die in het voorstel vermeld stonden niet aansluiten
bij het subsidiariteitsbeginsel en het stakingsrecht negatief zouden kunnen
beïnvloeden. Een van de andere door de nationale parlementen aan de orde
gestelde kwesties betrof de vraag of het mechanisme voor alternatieve
geschillenbeslechting nodig was en of dit niet het nationale rechtsstelsel zou
verstoren. Ze uitten ook hun twijfel over de noodzaak van een
waarschuwingssysteem. Na een grondige
evaluatie van de argumenten in de gemotiveerde adviezen van de nationale
parlementen concludeerde de Commissie dat er geen sprake was van inbreuk op het
subsidiariteitsbeginsel. In haar antwoord aan de
nationale parlementen[18]
die gemotiveerde adviezen hadden uitgebracht, zette de Commissie uiteen dat het
Commissievoorstel tot doel had de algemene beginselen en geldende regels op
EU-niveau te verduidelijken aangaande de uitoefening van het grondrecht om
collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de
vrijheid van dienstverrichting, met inbegrip van de noodzaak deze in de
praktijk in grensoverschrijdende situaties op elkaar af te stemmen. De
Commissie stelde dat dit niet door de lidstaten alleen bewerkstelligd kon
worden en dat maatregelen op EU-niveau vereist waren. Met betrekking tot de
kwestie van de rechtsgrond besloot de Commissie artikel 352 VWEU toe te passen aangezien
het Verdrag daaromtrent geen expliciete bepaling bevat. Weliswaar sluit artikel
153(5) VWEU het stakingsrecht uit van de reeks zaken die voor de hele EU
geregeld kunnen worden met behulp van minimum normen in een richtlijn, maar
uitspraken van het Hof hebben duidelijk aangetoond dat het feit dat artikel 153
niet geldt voor het stakingsrecht collectieve actie niet uitsluit van het
toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht. Bovendien was de Commissie van
mening dat een verordening het meest geschikte rechtsinstrument zou zijn
geweest omdat deze rechtstreeks toepasbaar is en als zodanig de complexiteit
van de regelgeving zou hebben verminderd en meer rechtszekerheid zou hebben
geboden aan de EU-burgers waarvoor de wetgeving geldt doordat de toepasselijke
regels worden verduidelijkt. Voorts zou de
voorgestelde verordening de rol van de nationale gerechten hebben erkend bij
het vaststellen van de feiten en het bepalen of de maatregelen doelen beogen die
een gerechtvaardigd belang vormen, geschikt zijn om deze doelen te bereiken en
niet verder gaan dan daarvoor strikt noodzakelijk is. Hiermee zou ook het
belang van de bestaande nationale wetten en procedures zijn erkend voor de
uitoefening van het stakingsrecht, waaronder de bestaande instellingen voor alternatieve
geschillenbeslechting, die door het voorstel niet zouden zijn gewijzigd of
beïnvloed. De rol van informele, alternatieve mechanismen voor
geschillenbeslechting in bepaalde lidstaten zou erin zijn uitgelegd. De Commissie
concludeerde dat er geen sprake was van inbreuk op het subsidiariteitsbeginsel,
maar zij nam nota van de gezichtspunten van de nationale parlementen en het
stadium van de besprekingen tussen de belanghebbenden over de
ontwerpverordening. Zij erkende dat het voorstel waarschijnlijk niet de voor
aanname vereiste politieke steun in het Europees parlement en de Raad zou
krijgen. Om die reden lichtte de Commissie het Europees parlement, de Raad en
de nationale parlementen bij brieven van 12 en 13 september 2012 in over haar
plan tot intrekking van het voorstel en lichtte zij toe dat zij hiermee ook
hoopte de snelle onderhandeling te bevorderen over het voorstel voor een
Richtlijn van het Europees parlement en de Raad inzake de tenuitvoerlegging van
Richtlijn 96/71/EG en het mogelijk te maken vooruitgang te boeken met de
handhaving van de rechten van gedetacheerde werknemers, zoals benadrukt in punt
3 I) van het 'Pact voor groei en banen' waartoe de Europese Raad op 28-29 juni 2012
heeft besloten. De Commissie besloot het Monti II-voorstel in te trekken op 26
september 2012.[19] Voorstel voor een
verordening betreffende het Fonds voor Europese Hulp aan de meest behoeftigen [20] Het Commissievoorstel
waarover in 2012 het op één na grootste aantal gemotiveerde adviezen werd
uitgebracht (5) betrof het voorstel voor de oprichting van het fonds voor
Europese hulp aan de meest behoeftigen. Alle nationale parlementen die
gemotiveerde adviezen hadden ingediend,[21]
brachten dezelfde kwesties naar voren, namelijk onvoldoende rechtvaardiging in
het voorstel wat betreft de naleving van het subsidiariteitsbeginsel.[22] De Duitse Bundestag
stelde dat de artikelen 174 en 175 VWEU niet voorzien in EU-bevoegdheid voor
armoedebestrijding, dat het maatschappelijk beleid en de maatregelen in het
kader daarvan onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat het voorstel
in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De Zweedse Riksdag
stelde dat armoede en maatschappelijke uitsluiting het best voorkomen kunnen
worden door het bieden van werkgelegenheid die zelfstandigheid mogelijk maakt
en met sociale zekerheid voor de hele bevolking. Volgens de Riksdag zijn de
lidstaten verantwoordelijk voor de sociale zekerheid en wordt hulp op de meest
efficiënte wijze verstrekt door de lidstaten. De Deense Folketing deelde dit
standpunt en beweerde dat het doel van steun aan de meest hulpbehoevenden het
best kan worden bereikt door de lidstaten zelf, hetzij gecentraliseerd hetzij op
regionaal of plaatselijk niveau. Het Britse Hogerhuis meende dat de Commissie
geen overtuigende argumenten had aangedragen ter rechtvaardiging van haar
voorstel in het licht van het subsidiariteitsbeginsel en dat eventuele
onzekerheid over het vermogen van de lidstaten om voldoende maatschappelijke
uitgaven en investeringen te doen, kon worden opgevangen door maatregelen in
het kader van de bestaande cohesieprogramma´s van de EU. Het Britse Lagerhuis
betwijfelde de noodzaak van de voorgestelde maatregel. In haar antwoord op deze
gemotiveerde adviezen benadrukte de Commissie dat zij het recht van de EU om te
handelen en de meerwaarde daarvan in de loop van het effectbeoordelingsproces had
bestudeerd en dat een samenvatting van deze bevindingen stond vermeld in de
begeleidende toelichting bij het voorstel. De Commissie erkende dat de
bevordering van werkgelegenheid en zelfstandigheid de beste manier is om
maatschappelijke uitsluiting te bestrijden en dat het Europees Sociaal Fonds
het belangrijkste communautaire instrument blijft voor de bestrijding van
armoede en maatschappelijke uitsluiting door de ondersteuning van
activeringsmaatregelen. De Commissie wees er echter op dat een groeiend aantal
Europeanen zich te ver van de arbeidsmarkt bevindt om voordeel te kunnen hebben
van de door bestaande fondsen geboden steun. De Commissie vestigde de aandacht
op de voorgestelde verplichting om het distribueren van materiële bijstand te
koppelen aan begeleidende maatregelen gericht op de maatschappelijke
herintegratie van de ondersteunde personen, waardoor het voorgestelde fonds tot
een instrument wordt gemaakt dat verder gaat dan passieve interventie. Zij
benadrukte dat het voorgestelde fonds gebaseerd zou zijn op nationale
steunprogramma's en zou worden uitgevoerd onder gezamenlijk beheer, waarbij de
hoofdverantwoordelijkheid voor het bepalen van de meest geschikte doelgroepen
en het soort interventie bij de lidstaten zou berusten. Voorstel voor een
verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens en het vrije verkeer van die gegevens[23] Van de acht Commissievoorstellen
waarover drie gemotiveerde adviezen werden uitgebracht, was het voorstel voor
een verordening over de bescherming van persoonsgegevens het voorwerp van
kritiek uit hoofde van niet alleen subsidiariteit maar ook evenredigheid. Een
aantal nationale parlementen was van mening dat het toepassingsgebied van de
voorgestelde maatregel beperkt zou moeten worden tot grensoverschrijdende
gegevensuitwisseling. Aangaande de evenredigheid redeneerden zij dat het
voorstel de behandeling van persoonsgegevens door de overheidssector zou kunnen
beïnvloeden (vooral op het gebied van de gezondheidszorg en maatschappelijke
dienstverlening). Ten slotte betwijfelden verschillende nationale parlementen
het toepassingsgebied en het aantal door het voorstel aan de Commissie
toegewezen bevoegdheden. Dit laatste argument vond veel weerklank bij de
lidstaten tijdens de besprekingen in de Raad en bij verschillende leden van het
Europees parlement. In haar antwoord legde
de Commissie uit dat de keuze voor een verordening is gericht op de verdere
harmonisatie van de bestaande Europese wetgeving betreffende
gegevensbescherming om een hoge graad van bescherming in de Unie te verzekeren
en op die manier de vrije stroom van persoonsgegevens in de interne markt te
garanderen. Binnen de grenzen van de verordening zouden de lidstaten een zekere
manoeuvreerruimte in de overheidssector behouden, zoals reeds aangegeven in het
voorstel. Wat betreft de gedelegeerde bevoegdheden verduidelijkte de Commissie
dat deze zouden garanderen dat de wetgeving steeds op de juiste manier zou
kunnen worden aangepast aan de voortdurend veranderende wereld van elektronische
gegevens, zonder dat op het niveau van de medewetgevers opnieuw over de wet
onderhandeld dient te worden.
4.
Conclusies
In 2012 nam het besef van de beginselen van
subsidiariteit en evenredigheid in interinstitutioneel verband toe, niet in het
minst dankzij het feit dat de eerste gele kaart werd gegeven door de nationale
parlementen. Kwestie inzake subsidiariteitscontrole
en toezicht namen ook een belangrijke plaats in op de agenda van het Europees
parlement en het Comité van de Regio´s, die beide hun interne procedures
aanpasten zodat ze het effect en de meerwaarde van hun werk beter konden bestuderen.
De
Europese instellingen en organen onderzoeken momenteel ook de synergieën bij
het evalueren van de naleving van de beginselen van subsidiariteit en
evenredigheid. Als gevolg daarvan kan het Comité van de Regio´s nu op
uitdrukkelijk verzoek van de Commissie informatie over het regionale en plaatselijke
effect van een gepland voorstel kan bijdragen aan de effectbeoordelingen van de
Commissie. Het Europees parlement heeft zijn aanpak verstevigd met betrekking
tot beoordeling van effect en meerwaarde op EU-niveau. In 2012 was er sprake
van een intensivering van de besprekingen over de definitie van de beginselen
van subsidiariteit en evenredigheid, met name over de noodzaak van een betere
definitie van de reikwijdte van de in het Verdrag beschreven
subsidiariteitscontrole. Ofschoon de nationale parlementen duidelijk de
voordelen inzien van hechtere coördinatie van hun controlewerkzaamheden en er
meer stemmen opgaan voor richtsnoeren, willen zij het recht behouden op de
eigen interpretatie van deze beginselen. In dit verband zij opgemerkt dat in de
richtsnoeren voor effectbeoordeling van de Commissie[24] de criteria
waarmee de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in de
voorstellen van de Commissie wordt beoordeeld, reeds duidelijk zijn uiteengezet
en dat de Commissie de andere instellingen altijd heeft aangemoedigd dezelfde
criteria te hanteren. Bijlage Lijst van de initiatieven van de Commissie waarover de nationale
parlementen ten aanzien van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel in 2012
een met redenen omkleed advies hebben uitgebracht[25] [26] || Document van de Commissie || Titel || Gemotiveerde adviezen (Protocol 2) || Nationale kamers die een met redenen omkleed advies hebben uitgebracht 1 || COM(2012)130 || Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting (Monti II) || 12 || BE Chambre des Représentants DK Folketing FI Eduskunta FR Sénat LV Saeima LU Chambre des Députés MT Kamra tad-Deputati NL Tweede Kamer PL Sejm PT Assembleia da República UK House of Commons SE Riksdag 2 || COM(2012)617 || Voorstel voor een Verordening van het europees parlement en de raad betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen || 5 || DE Bundestag DK Folketing UK House of Commons UK House of Lords SE Riksdag 3 || COM(2012)380 || BIJLAGE bij het Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG || 5 || CY Vouli ton Antiprosopon NL Eerste Kamer NL Tweede Kamer FR Sénat SE Riksdag 4 || COM(2012)11 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) || 4 || DE Bundesrat BE Chambre des Représentants FR Sénat SE Riksdag 5 || COM(2011)778 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen || 3 || BE Chambre des Représentants SK Národná Rada SE Riksdag 6 || COM(2011)779 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang || 3 || BE Chambre des Représentants SK Národná Rada SE Riksdag 7 || COM(2011)828 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de vaststelling van regels en procedures voor de invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op EU-luchthavens in het kader van een evenwichtige aanpak, en tot intrekking van Richtlijn 2002/30/EG van het Europees Parlement en de Raad || 3 || DE Bundesrat FR Sénat NL Tweede Kamer 8 || COM(2011)897 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de gunning van concessieopdrachten || 3 || DE Bundesrat AU Bundesrat ES Congreso de los Diputados/Senado 9 || COM(2012)372 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt || 3 || FR Sénat PL Sejm SE Riksdag 10 || COM(2012)381 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen || 3 || CY Vouli ton Antiprosopon NL Eerste Kamer NL Tweede Kamer 11 || COM(2012)382 || BIJLAGE bij het Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG || 3 || CY Vouli ton Antiprosopon NL Eerste Kamer NL Tweede Kamer 12 || COM(2012)576 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan in de Unie || 3 || FR Sénat IT Senato della Repubblica SE Riksdag 13 || COM(2012)614 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen || 3[27] || DK Folketing NL Eerste Kamer/Tweede Kamer SE Riksdag 14 || COM(2011)821 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van het eurogebied || 2 || FR Sénat SE Riksdag 15 || COM(2012)10 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens || 2 || DE Bundesrat SE Riksdag 16 || COM(2012)167 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek || 2 || AU Bundesrat ES Congreso de los Diputados/Senado 17 || COM(2012)48 || Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat publieksvoorlichting over receptplichtige geneesmiddelen betreft || 2 || PL Senat SE Riksdag 18 || COM(2012)49 || Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat publieksgerichte voorlichting over receptplichtige geneesmiddelen voor menselijk gebruik betreft || 2 || PL Senat SE Riksdag 19 || COM(2012)84 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de transparantie van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de openbare stelsels van gezondheidszorg || 2 || AU Nationalrat LU Chambre des Députés 20 || COM(2011)793 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Richtlijn ADR consumenten) || 2 || DE Bundesrat NL Eerste Kamer 21 || COM(2011)895 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het gunnen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten || 2 || SE Riksdag UK House of Commons 22 || COM(2011)896 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het gunnen van overheidsopdrachten || 2 || SE Riksdag UK House of Commons 23 || COM(2011)747 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus || 1 || SE Riksdag 24 || COM(2011)794 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen (Verordening ODR consumenten) || 1 || NL Eerste Kamer 25 || COM(2011)824 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake grondafhandelingsdiensten op EU-luchthavens en tot intrekking van Richtlijn 96/67/EG || 1 || LU Chambre des Députés 26 || COM(2011)834 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (2014 - 2020) || 1 || SE Riksdag 27 || COM(2011)873 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) || 1 || SE Riksdag 28 || COM(2011)877 || Voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie || 1 || SE Riksdag 29 || COM(2012)150 || Voorstel tot wijziging van de Richtlijnen 1999/4/EG, 2000/36/EG, 2001/111/EG, 2001/113/EG en 2001/114/EG wat betreft de aan de Commissie toe te kennen bevoegdheden || 1 || AU Bundesrat 30 || COM(2012)280 || Totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 || 1 || SE Riksdag 31 || COM(2012)35 || Statuut van een Europese stichting (FE) || 1 || LT Seimas 32 || COM(2012)363 || Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt || 1 || SE Riksdag 33 || COM(2012)369 || Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG || 1 || PL Sejm 34 || COM(2012)511 || Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen || 1 || SE Riksdag || Gemotiveerde adviezen betreffende afzonderlijk meegetelde voorstellen || || 83 || || Gemotiveerde adviezen betreffende pakketten met voorstellen[28] || || -13 || || TOTAAL || || 70 || [1] COM(2013) 565. [2]
http://ec.europa.eu/governance/impact/planned_ia/planned_ia_en..htm. [3]
SEC(2009) 92. [4]
http://ec.europa.eu/governance/impact/iab/iab_en.htm. [5]
http://ec.europa.eu/governance/impact/key_docs/docs/iab_report_2012_en_final.pdf. [6] COM(2012) 514. [7] Verslag van de Grondwettelijke commissie van de Riksdag — 2012/13:KU8. [8]
COSAC is een Conferentie van de commissies van de nationale parlementen van de
lidstaten die gespecialiseerd zijn in communautaire aangelegenheden en
vertegenwoordigers van het Europees Parlement. [9] Achttiende zesmaandelijks verslag: Ontwikkelingen in communautaire
procedures en handelwijzen met betrekking tot parlementaire controle, 27
september 2012. [10] COM(2011) 344. [11] SP (2012) 766/2. [12] http://extranet.cor.europa.eu/subsidiarity/regpex/Pages/Study-on-Regional-Parliaments.aspx. [13] CDR2336-2012. [14] COM(2011) 659. [15] COM(2012) 95. [16] COM(2012) 130. [17] Zie Artikel 7(2) van Protocol nr. 2 over de toepassing van de
beginselen van subsidiariteit en evenredigheid [18] Brief van 14 maart 2013. [19] PV(2012) 2017; http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/10061/2012/EN/10061-2012-2017-EN-F-0.Pdf. [20] COM(2012) 617; dit voorstel werd voorafgegaan door het EU-programma
voor voedselverstrekking aan de meest hulpbehoevenden, dat in 2013 wordt
stopgezet — Commissie-voorstel COM(2010) 486 was ook het onderwerp van drie
gemotiveerde adviezen. [21] DE Bundestag, DK Folketing, UK Hogerhuis, UK Lagerhuis
en SE Riksdag. [22] Artikel 5 van Protocol nr. 2. [23] COM(2012) 11. [24] SEC(2009) 92. [25] Om als gemotiveerd advies volgens de definitie in Protocol 2 te worden
beschouwd moet het gemotiveerd advies duidelijk een schending van het
subsidiariteitsbeginsel vermelden en binnen acht weken na de verstrekking van
het voorstel aan de nationale parlementen naar de Commissie worden gestuurd. [26] Gerangschikt volgens het bij de Commissie van 1 januari tot 31
december 2012 ingekomen aantal gemotiveerde adviezen. [27] Aangaande dit voorstel zijn er bij de Commissie zes gemotiveerde
adviezen ingekomen. Drie gemotiveerde adviezen (PL Sejm; PL Senat; UK House of
Lords) zijn na 31 december 2012 ingekomen, maar vóór de uiterste termijn op 15
januari 2013. [28] Omdat sommige adviezen pakketten met voorstellen betreffen geeft de
tabel het aantal gemotiveerde adviezen weer dat op elk voorstel is uitgebracht.
Om tevens het aantal bij de Commissie ingekomen gemotiveerde adviezen te laten
zien, is het aantal gemotiveerde adviezen over meer dan één voorstel hiervan
afgetrokken.