Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013DC0350

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S EUROPEES SEMESTER 2013: LANDENSPECIFIEKE AANBEVELINGEN EUROPA UIT DE CRISIS TILLEN

/* COM/2013/0350 final */

52013DC0350

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S EUROPEES SEMESTER 2013: LANDENSPECIFIEKE AANBEVELINGEN EUROPA UIT DE CRISIS TILLEN /* COM/2013/0350 final */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

EUROPEES SEMESTER 2013: LANDENSPECIFIEKE AANBEVELINGEN EUROPA UIT DE CRISIS TILLEN

1. Inleiding

Eenmaal per jaar licht de Commissie de economische en sociale prestaties van alle EU-lidstaten door en doet zij landenspecifieke aanbevelingen die als leidraad fungeren voor het beleid van de lidstaten voor het komende jaar. Tegen de achtergrond van een diepe economische en financiële crisis, die voor velen sociale rampspoed heeft gebracht, en van recente prognoses waaruit blijkt dat de EU zich langzaam herstelt van een langdurige recessie, zullen de aanbevelingen van dit jaar bijzonder aandachtig worden bestudeerd.

Met het regelmatige toezicht dat de Commissie uitoefent, worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

· belangrijke economische en sociale uitdagingen voor de EU en de eurozone signaleren in het licht van de toenemende verwevenheid van onze economieën;

· gemaakte vorderingen beoordelen, vroeger dan in het verleden waarschuwingssignalen opvangen die op zich aandienende problemen wijzen, en aanbevelingen tot de lidstaten richten opdat deze hun beleid op zodanige wijze voeren dat dit de EU helpt zich aan te passen en duurzame groei te realiseren, zodat deze in staat is al haar burgers een baan te bezorgen en een behoorlijke levensstandaard te garanderen.

Uit de analyse van de Commissie waarvan de aanbevelingen voor 2013 vergezeld gaan, blijkt dat de EU blijvende veranderingen realiseert en tevens werk maakt van de ernstige structurele problemen die in de loop van de afgelopen tien jaar zijn ontstaan. Deze veranderingen vinden plaats tegen een mondiale achtergrond die wordt gekenmerkt door een behoefte aan hervormingen in de meeste geavanceerde economieën en een krachtige economische ontwikkeling in de opkomende economieën. De lidstaten voeren noodzakelijke hervormingen door en doen hard hun best om hun overheidsfinanciën onder controle te krijgen. Het tempo en de effecten van deze inspanningen lopen van land tot land uiteen, waarbij de aanpassing vooral in de programmalanden en in de kwetsbaardere lidstaten merkbaar is. De uitdaging bestaat erin de overeengekomen hervormingen door te voeren, waarbij soms grotere haast en meer ambitie geboden is. Wanneer de Commissie meent dat doortastender maatregelen zijn vereist, worden deze in de aanbevelingen beschreven.

De afgelopen vijf jaar zijn de inspanningen toegespitst geweest op crisisbeheersing, het herstellen van de financiële stabiliteit en de vrijwaring van de euro, omdat dit de vereisten zijn voor het veiligstellen van toekomstige groei. Op korte termijn wordt het herstel gehinderd doordat tal van lidstaten hoge – openbare en particuliere – schulden hebben geaccumuleerd en omdat de sanering van de bankensector slechts langzaam vruchten afwerpt. Bovendien hebben de omvang en urgentie van de onevenwichtigheden die over meerdere jaren zijn opgebouwd, ertoe geleid dat thans in heel Europa op hetzelfde moment ingrijpende aanpassingen moeten worden doorgevoerd, terwijl er van een sterke verwevenheid van de EU-economieën sprake is.

Het vinden van een duurzamer groeipad neemt meer tijd in beslag dan wenselijk is. De verschillende jaren van weinig of geen groei zijn niet zonder gevolgen gebleven voor de samenleving: in diverse delen van Europa is er sprake van zeer hoge werkloosheid en toenemende armoede. De mate van ongelijkheid en de kwestie van de rechtvaardigheid beheersen thans het publieke debat, wat aantoont dat beleid niet alleen goed doordacht moet zijn, maar ook op politieke en sociale steun moet kunnen rekenen om succesvol te zijn. Het feit dat de vooruitzichten op een verbetering van de arbeidsmarkt op korte termijn niet bijzonder gunstig zijn, zal de sociale vangnetten van de lidstaten verder op de proef stellen. Het zal immers enige tijd duren voordat de positieve effecten van de vandaag genomen beslissingen tot uiting komen in een dynamischere, groeiende en banenscheppende economie.

Europa heeft budgettaire consolidatie nodig – duurzame groei gaat immers niet samen met onhoudbare schulden – en Europa heeft reële groei nodig opdat mensen duurzame werkgelegenheid kunnen vinden. De problematiek van de jeugdwerkloosheid vereist een doelgericht en urgent optreden. Aangezien de heersende crisis zowel van structurele als van conjuncturele aard is, moet het tempo van de hervormingen overal in de EU worden opgevoerd om het herstel te vrijwaren en de herbalancering van de economie te verzekeren. "Tekortlanden" moeten hun concurrentiekracht versterken en "overschotlanden" moeten de structurele belemmeringen voor de groei van hun binnenlandse vraag uit de weg ruimen.

Het kan weliswaar moeilijk blijken om structurele hervormingen door te voeren, maar deze helpen wel de met de aanpassing gepaard gaande lasten en de voordelen gelijkmatiger over de samenleving te spreiden. Het verminderen van de administratieve formaliteiten voor ondernemingen draagt bij tot een bedrijfsvriendelijk klimaat, het verlagen van de kosten van diensten helpt lage-inkomensgroepen, en een efficiënter overheidsapparaat zorgt voor betaalbaardere sociale diensten van betere kwaliteit. Er is nood aan veel sterkere steunmaatregelen voor werklozen, zowel voor langdurig werklozen – om hen te helpen bij het verwerven van de vaardigheden of het krijgen van de begeleiding die zij nodig hebben om een nieuwe baan te vinden – als voor jongeren – om hen te helpen bij het maken van een geslaagde overstap van onderwijs naar werk. Er is nood aan oplossingen voor ondernemingen met solide bedrijfsplannen die er niet in slagen financiering aan te trekken. Er is in alle lidstaten nood aan grotere investeringen in de prestaties van het onderwijssysteem, in het toerusten van de mensen met de vaardigheden die nodig zijn in de economie van de eenentwintigste eeuw, en in het bevorderen van de innovatie en het concurrentievermogen.

Het optreden van de ECB heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij het wegnemen van de vermeende risico's voor de stabiliteit van de eurozone. De transmissie van lagere rentetarieven en het herstel van de normale kredietverlening aan de economie, met name in de periferie van de EU, laten echter nog steeds te wensen over. De voltooiing van de architectuur van de economische en monetaire unie (EMU), en met name van de bankenunie, zal van essentieel belang zijn voor het ondersteunen van toekomstige duurzame groei en voor het voorkomen van het ontstaan van nieuwe onevenwichtigheden.

Uit de door de Commissie verrichte analyse van de nationale hervormingsprogramma's blijkt duidelijk dat de lidstaten meer kunnen doen om zelf weer groei te realiseren en op die manier Europa uit de crisis te tillen. Het niet opheffen van belemmeringen, het nalaten om kansen te grijpen, het bieden van weerstand tegen verandering en het ontbreken van een besef van urgentie in sommige landen zijn even zoveel factoren die in uiteenlopende mate het ontstaan in de hand werken van een klimaat dat er niet meteen toe bijdraagt dat bedrijven gedijen en banen creëren. Talmen bij het doorvoeren van de noodzakelijke hervormingen zal alleen maar de uiteindelijke financiële, economische en sociale kosten ervan doen toenemen. In het licht van de omvang van deze uitdagingen is het noodzakelijk dat alle belanghebbenden, ook de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, samenwerken om de juiste antwoorden te vinden en deze vervolgens in daden om te zetten. Om deze gemeenschappelijke doelstellingen te realiseren, zal het van essentieel belang zijn dat de eengemaakte Europese markt in stand wordt gehouden en verder wordt verdiept.

2. Algemene beoordeling

De uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet, zijn complex en kunnen alleen maar worden overwonnen met een alomvattende reactie waarbij het EU-niveau en de nationale niveaus van beleidsvorming en –uitvoering de handen in elkaar slaan. Dat is een van de hoofddoelstellingen van het proces van het Europees semester.

Uit de gedetailleerde analyse die aan dit pakket ten grondslag ligt, blijkt dat:

· een herbalancering van de EU-economie gaande is. De afgelopen jaren zijn verregaande hervormingen doorgevoerd of aangevat om onevenwichtigheden uit het verleden te corrigeren en de economie op een duurzamer pad te brengen. De grote en hardnekkige tekorten op de lopende rekening die in diverse landen zijn geconstateerd, zijn sterk teruggedrongen en daarmee is ook het risico verkleind dat er zich plotse onderbrekingen in de externe financiering van deze economieën voordoen. Hoewel de effecten van sommige van deze hervormingen zich pas na enige tijd volledig zullen laten gevoelen, zijn overal in Europa reeds verbeteringen merkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van exportprestaties of de op de overheidsschuld betaalde rentetarieven;

· de werkloosheid, met inbegrip van de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid, een onaanvaardbaar hoog peil heeft bereikt en in de nabije toekomst waarschijnlijk hoog zal blijven, een situatie die een dringend en vastberaden optreden vereist. In diverse delen van Europa zijn hervormingen doorgevoerd om de arbeidsmarkt veerkrachtiger en flexibeler te maken, maar het zal tijd vragen voordat deze hervormingen overal in de economie nieuwe banen opleveren;

· de budgettaire consolidatie aan de gang is en ertoe bijdraagt dat de overheidsfinanciën weer onder controle worden gebracht. Dat neemt evenwel niet weg dat het vergrijzingsprofiel van tal van lidstaten een uitdaging inhoudt voor de toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen en de gezondheidszorg. Het komt er derhalve op aan nu actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat Europeanen ook in de toekomst een hoge levensstandaard kunnen blijven genieten;

· het van essentieel belang is dat structurele hervormingen worden doorgevoerd om de groei aan te zwengelen. Daarmee wordt een tweeledig doel gediend: de werkloosheid wordt teruggedrongen en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt hersteld. Het herstellen van het binnenlandse concurrentievermogen is een essentiële voorwaarde om ook de wereldwijde groeikansen te kunnen grijpen.

Uit de analyse kan een aantal lessen voor het beleid worden getrokken:

· Er moeten verdere maatregelen worden getroffen om de hoge openbare en particuliere schulden in tal van lidstaten aan te pakken, en het schuldafbouwproces in economieën met een te hoge schuldenlast moet worden voortgezet en zorgvuldig worden beheerd. Zoals uit de ECB-overzichten inzake leningen blijkt, is de verdere verbetering van de gezondheid van de banksector een prioriteit opdat deze sector in staat is financiële middelen naar de productieve delen van de economie, en met name naar kleine en middelgrote ondernemingen, te kanaliseren. In dit verband kan een belangrijke rol zijn weggelegd voor de nieuwe regelingen die financiering aan de reële economie verschaffen en die de Commissie en de EIB met de betrokkenheid van de ECB hebben ontwikkeld. De financiering van investeringen uit de EU-structuurfondsen zal de komende jaren een cruciale rol spelen in sommige delen van de EU. Ook de bevordering van alternatieve financieringsbronnen en de vermindering van de traditionele afhankelijkheid van het bedrijfsleven van bankfinanciering zijn van essentieel belang om de kredietverlening aan de economie wederom te normaliseren.

· Lidstaten met een hoge werkloosheidsgraad moeten meer actieve arbeidsmarktmaatregelen treffen op het gebied van bijvoorbeeld opleiding en arbeidsbemiddeling. Tevens wordt aanbevolen verdere hervormingen door te voeren om de toegang tot werk te vergemakkelijken, het voortijdig verlaten van de arbeidsmarkt te voorkomen, de loonkosten te reduceren en de segmentatie van de arbeidsmarkt tegen te gaan. Voor de sociale partners is een hoofdrol weggelegd bij de vormgeving en uitvoering van deze beleidsmaatregelen. De situatie van werkloze jongeren is bijzonder verontrustend en er wordt dan ook aanbevolen actie te ondernemen naar het voorbeeld van de overeengekomen EU-jongerengarantie die door de Commissie is voorgesteld en waarover de EU-lidstaten thans overeenstemming hebben bereikt.

· De lidstaten moeten meer doen om het concurrentievermogen van hun economieën op te krikken. De loonkosten spelen daarbij een belangrijke rol en er moet dan ook voor worden gezorgd dat zij gelijke tred houden met de productiviteitsgroei. Zij zullen bijgevolg verder nauwlettend in de gaten worden gehouden. Ook scherpere concurrentie op de producten- en dienstenmarkten is van essentieel belang om de productiviteit van de economie naar een hoger peil te tillen en de prijzen te verlagen. Tegelijkertijd kan en zal Europa niet uitsluitend op het vlak van de kosten concurreren in de wereldeconomie. Vóór en tijdens de crisis zijn in alle lidstaten de noodzakelijke investeringen uitgebleven in onderwijs en vaardigheden, onderzoek en innovatie en hulpbronnenefficiëntie. Het ontbreken van de juiste vaardigheden, producten en diensten vormt een ernstige bedreiging voor de toekomstige groeivooruitzichten van Europa. Op deze terreinen moeten dan ook snel corrigerende maatregelen worden genomen die stroken met de Europa 2020-doelstellingen.

· Er moeten dringend meer inspanningen worden geleverd om voorwaarden tot stand te brengen die de ontwikkeling van ondernemingen, de consumentenomgeving en de schepping van werkgelegenheid in de hand werken – zo dienen nog steeds aanzienlijke verbeteringen te worden aangebracht in de werking van de netwerksectoren, de mededinging in essentiële dienstensectoren, zoals de detailhandel, de toegang tot bepaalde beroepen en activiteiten, en de efficiëntie van het overheidsapparaat.

· Lidstaten met overschotten op de lopende rekening en voldoende budgettaire manoeuvreerruimte kunnen meer doen om de hoge belastingen en socialezekerheidsbijdragen terug te schroeven die zij op lage lonen heffen. Recente loonontwikkelingen in "overschotlanden" dragen bij tot het ondersteunen van de vraag en hebben tevens positieve overloopeffecten elders in de EU. Deze lidstaten kunnen ook de binnenlandse vraag stimuleren door hun dienstensector open te stellen door ongerechtvaardigde toegangsbeperkingen en –belemmeringen op te heffen, zodat diensten betaalbaarder worden voor lagere-inkomensgroepen en nieuwe investeringsmogelijkheden in de hand worden gewerkt.

· In het licht van de werkelijke vooruitgang die bij het terugdringen van de begrotingstekorten is geboekt, de mate van consolidatie die reeds heeft plaatsgevonden en de economische activiteit die zwakker is uitgevallen dan verwacht, is het volgens het stabiliteits- en groeipact in sommige gevallen mogelijk de lidstaten meer tijd te gunnen om een tekort van minder dan 3 % van het bbp te realiseren. De noodzakelijke consolidatie terugdraaien is echter geen optie en sommige lidstaten dienen nog steeds aanzienlijke aanpassingen door te voeren. De Commissie stelt voor een aantal onder hen meer tijd te gunnen om hun buitensporige tekorten te corrigeren. Deze extra tijd wordt niet voorgesteld om de inspanningen te laten verslappen – integendeel, deze extra tijd moet worden benut om het structurele begrotingstekort te reduceren, de hervormingen te intensiveren en het pad te effenen voor een duurzaam herstel.

· In het kader van de begrotingsstrategieën op middellange termijn kan en moet er meer worden gedaan om de overheidsmiddelen efficiënter te besteden en het belastingstelsel rechtvaardiger en doeltreffender te maken. De inefficiëntie die inherent is aan de opzet van sommige nationale belastingstelsels (bijvoorbeeld sommige verlaagde tarieven en andere belastingvrijstellingen) moet worden aangepakt. Ook is het noodzakelijk dat de bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking wordt geïntensiveerd. Hoewel de prioriteiten verschillen, worden in dit verband diverse actiepunten aanbevolen.

· Rechtvaardigheid is van essentieel belang voor de duurzaamheid en doeltreffendheid van de hervormingen. De crisis heeft al blijvende gevolgen gehad voor de minstbedeelden in onze samenleving. Zo is het percentage personen dat met armoede wordt bedreigd, in tal van landen gestegen. De lidstaten moeten dan ook investeren in hun menselijk kapitaal en in het verstrekken van adequate diensten aan hun burgers. Er dient meer aandacht te worden geschonken aan het verdelingseffect van hervormingen om te garanderen dat deze blijvende resultaten opleveren die iedereen ten goede komen. Diverse lidstaten moeten meer aandacht besteden aan de bestrijding van verschillende vormen van armoede (kinderarmoede, dakloosheid, armoede onder werkenden en overmatige schuldenlast van huishoudens) en dienen erop toe te zien dat de sociale vangnetten waarop de door deze vormen van armoede getroffen personen kunnen terugvallen, hun functie doeltreffend vervullen.

Op EU-niveau zijn al besluiten genomen die de hervormingsinspanningen van de lidstaten hebben ondersteund, maar er is dringend verdere actie geboden:

· Lidstaten die grote financiële moeilijkheden hebben ondervonden, hebben kunnen gebruikmaken van nieuwe financiële vangnetten die op EU-niveau tot stand zijn gebracht[1]. Wanneer financiële bijstand van de EU/het IMF is verleend, waren daaraan strenge voorwaarden verbonden. De uitvoering van de betrokken programma's ligt op schema en wordt nauwlettend gevolgd.

· Diverse nog in behandeling zijnde voorstellen voor EU-wetgeving bieden de kans groei- en werkgelegenheidsmogelijkheden te ontsluiten, bijvoorbeeld in de dienstensector en door het potentieel van de digitale economie te benutten. In het kader van het Pact voor groei en banen zal de Commissie tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van juni 2013 verslag uitbrengen over de ter zake gemaakte vorderingen.

· In december 2012 is de Commissie gekomen met een werkgelegenheidspakket voor jongeren, dat onder meer voorziet in een Europees Verbond voor leerlingplaatsen. Daarin wordt ook een jongerengarantie voorgesteld, die moet garanderen dat alle jonge Europeanen binnen de vier maanden nadat zij van school gaan of werkloos worden, een goede baan, verder onderwijs of verdere opleiding, een leerplaats of een stage aangeboden krijgen. Deze jongerengarantie is in april 2013 goedgekeurd door de Raad. In het volgend meerjarig financieel kader is 6 miljard EUR uitgetrokken om, parallel aan de inspanningen van het Europees Sociaal Fonds, via een jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de jongerengarantie te ondersteunen. Sinds 2012 werkt de Commissie met actieteams ter bevordering van de jeugdwerkgelegenheid om de lidstaten met de hoogste jeugdwerkloosheid te helpen bij de herprogrammering van EU-structuurfondsen zodat deze in de eerste plaats jongeren ten goede komen. Tevens staat zij aan het hoofd van een partnerschap tussen meerdere belanghebbenden om het gebrek aan vaardigheden in informatie- en communicatietechnologieën in de EU aan te pakken en de verwachte meerdere honderdduizenden vacatures voor deze vaardigheden in te vullen.

· Recente wetgeving heeft tot een versterking van de economische governance in de EU geleid. De tenuitvoerlegging ervan zal de geloofwaardigheid van het lopende hervormingsproces in de hand werken. Het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de EMU is thans van toepassing. Het stabiliteits- en groeipact is versterkt en de nieuwe procedure bij macro-economische onevenwichtigheden is van kracht ("sixpack"). De nieuwe wetgeving ter versterking van de coördinatie van het beleid binnen de eurozone ("twopack") zal op 30 mei 2013 in werking treden.

· Het EU-kader zal verder worden versterkt met nieuwe stappen om de EMU te verdiepen, zoals met name de totstandbrenging van een bankenunie en het leggen van de laatste hand aan de financiële vangnetten waarin het Europees stabiliteitsmechanisme voorziet. Er zijn ook discussies aan de gang over manieren om de sociale dimensie van de EMU te versterken.

· Zodra overeenstemming kan worden bereikt over het volgend meerjarig financieel kader van de EU, kan een nieuwe generatie financiële instrumenten van de EU (zoals Horizon 2020 voor onderzoek en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen voor infrastructuur) worden uitgerold ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Een doelgerichtere aanwending van de EU-structuurfondsen met het oog op de bevordering van groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid kan voor een krachtige groeistimulans zorgen in tal van lidstaten waar een groot deel van de overheidsinvesteringen medegefinancierd wordt uit de EU-begroting. De landenspecifieke aanbevelingen van dit jaar zijn van bijzonder belang omdat de lidstaten en regio's momenteel hun investeringsprioriteiten voor het cohesiebeleid 2014-2020 aan het vastleggen zijn.

3. Prioritaire actiepunten

Het Europees semester vangt aan met de publicatie door de Commissie van haar jaarlijkse groeianalyse. Voor 2013 heeft de Commissie dezelfde vijf prioriteiten aangehouden als voor 2012:

· een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie voeren;

· de kredietverschaffing aan de economie normaliseren;

· groei en concurrentievermogen bevorderen, nu en voor de toekomst;

· de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis aanpakken;

· het overheidsapparaat moderniseren.

In maart 2013 heeft de Europese Raad deze prioriteiten onderschreven en het raamwerk vastgesteld voor het optreden van de lidstaten op deze terreinen. Bijlage 1 bevat een overzicht van de aanbevelingen die in het kader van dit pakket tot elke lidstaat zijn gericht. In bijlage 2 wordt een samenvatting gegeven van de vorderingen die in de richting van de Europa 2020-doelstellingen zijn gemaakt. Meer achtergrondinformatie is beschikbaar in de werkdocumenten van de diensten van de Commissie en in de vergelijkende thematische fiches die op de Europa 2020-website zijn gepubliceerd.

De Commissie heeft ook aanbevelingen voor de eurozone geformuleerd. De Eurogroep dient een actieve rol te spelen in het versterkte toezicht op de eurozone door een coherent algemeen beleid te voeren en door de hervormingen te implementeren die voor de stabiliteit en de groei van de economie ervan zijn vereist. Ook zal de Eurogroep in de toekomst een bijzondere rol vervullen, zowel door beleidshervormingen van tevoren te bespreken en te coördineren, als door essentiële beleidsbeslissingen, zoals die vereist voor de overgang naar de bankenunie, snel ten uitvoer te leggen.

Dit aanbevelingenpakket bouwt tevens voort op de diepgaande evaluaties die de Commissie op 10 april 2013 heeft gepubliceerd als onderdeel van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden. In de landenspecifieke aanbevelingen die worden voorgesteld voor de dertien lidstaten waarop deze procedure betrekking had, is met de geconstateerde onevenwichtigheden rekening gehouden.

Inzetten op een gedifferentieerde, groeivriendelijke begrotingsconsolidatie

Begrotingsconsolidatie is geen doel op zich, maar een middel voor de overheid om haar budgettaire souvereiniteit te herwinnen teneinde in duurzame groei te kunnen investeren. Tegen de achtergrond van hoge overheidstekorten en toenemende schuldniveau's heeft de Commissie erop aangedrongen tot begrotingsconsolidatie over te gaan; deze zou op gedifferentieerde, groeivriendelijke en voor elk land specifieke wijze moeten plaatsvinden.

Begrotingsdiscipline en groei ondersteunen elkaar, mits de juiste maatregelen worden genomen. De Baltische landen vormen een recent voorbeeld: na een diepe recessie maakten Litouwen, Letland en Estland in 2012 de hoogste economische groei van de EU door met respectievelijk 3,6%, 5,6% en 3,2%. Deze drie landen hebben de begrotingsconsolidatie in een vroeg stadium doorgevoerd en hun economie in een zeer onzeker klimaat weer in evenwicht gebracht. De duidelijke verbetering van hun concurrentiepositie werpt thans vruchten af, en helpt deze landen hun overheidsfinanciën te consolideren en de werkloosheid verder terug te dringen, hoewel het hoge risico op armoede en sociale uitsluiting een bron van zorg blijft.

De begrotingsconsolidatie boekt in heel Europa vooruitgang. Het EU-tekort is van een recordhoogte van -6,9% in 2009 afgenomen tot -4% in 2012; verwacht wordt dat het tekort in 2013 tot -3,4% zal dalen doordat een toenemend aantal lidstaten hun buitensporig tekort hebben gecorrigeerd. De consolidatietrajecten in de richting van de tekort- en schulddoelstellingen die tot de beeïndiging van de buitensporigtekortprocedure kunnen leiden, zijn gebaseerd op in structurele termen berekende tekorten. Dit houdt in dat indien een ernstige verslechtering van de economische vooruitzichten ertoe leidt dat de nominale doelstelling niet wordt gehaald ondanks dat de vereiste structurele inspanning daadwerkelijk wordt geleverd, de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort kan worden verlengd. Het tempo van de begrotingsconsolidatie is, in overeenstemming met het overeengekomen EU-kader, onlangs reeds aangepast voor Griekenland, Spanje en Portugal, waarbij deze landen meer tijd kregen om hun buitensporige tekort te corrigeren. De Commissie actualiseert momenteel haar aanbevelingen op basis van de meest recente gegevens, waarbij zij de doeltreffendheid van de door de lidstaten vastgestelde maatregelen heeft beoordeeld (Box 1).

Box 1. Situatie van de lidstaten met betrekking tot het stabiliteits- en groeipact, overeenkomstig de aanbeveling van de Commissie van 29 mei 2013

Geen buitensporigtekortprocedure || BG, DE, EE, FI, LU, SE

Intrekking van de buitensporigtekortprocedure || HU, IT, LT, LV, RO

Lopende buitensporigtekortprocedures met 2013 als termijn || AT, DK, CZ, SK

Lopende buitensporigtekortprocedures met 2015 of 2016 als termijn || EL, IE, CY, UK

Voorgestelde verlenging van de termijnen om de begrotingsdoelstellingen te bereiken, met 2014, 2015 of 2016 als nieuwe termijn || ES, FR, NL, PL, SI, PT

Eerste stap naar de inleiding van een buitensporigtekortprocedure || MT

Ontoereikende maatregelen om het buitensporige tekort in 2012 te corrigeren – aanscherping van de buitensporigtekortprocedure || BE

Dank zij op EU-niveau genomen maatregelen en de inspanningen van een aantal lidstaten is de rente op overheidsschuld gedaald en zijn verscheidene landen die aanvankelijk met onhoudbaar hoge herfinancieringskosten werden geconfronteerd, thans in staat hun schuld tegen een veel lager tarief te financieren dan een jaar geleden. Gezien hun reeds hoge schuldniveaus en de kosten in verband met de vergrijzing blijft hun budgettaire en financiële situatie echter kwetsbaar.

Onder deze omstandigheden hebben sommige lidstaten meer tijd gekregen om de overeengekomen doelstellingen te bereiken. Daarmee worden zij in staat gesteld  hun overheidsfinanciën met grotere voortvarendheid op orde te brengen en hoognodige hervormingen door te voeren. De hervormingsinspanningen moeten worden geïntensiveerd om de vereiste resultaten binnen de nieuwe termijnen te bereiken, en buitensporige tekorten moeten worden gecorrigeerd. De Commissie zal de situatie nauwgezet volgen en gebruik maken van de versterkte regelingen op het gebied van budgettaire governance voor de landen van de eurozone. De begrotingsinstanties dienen zowel op nationaal als op subnationaal niveau te worden versterkt door de tenuitvoerlegging van geloofwaardige en doeltreffende begrotingskaders voor de middellange termijn.

De aard van de begrotingsconsolidatie is eveneens van belang. In veel gevallen is de belasting verhoogd in plaats van de uitgaven te beperken. Dit is over het algemeen nadeliger voor de groei dan de tegengestelde aanpak, met name in landen waar de belastingen al hoog zijn. De Commissie beveelt aan de begrotingsaanpassingen op meer groeivriendelijke wijze door te voeren, middels maatregelen die zowel gericht zijn op de inkomsten- als op de uitgavenzijde van de nationale begroting.

Wat de inkomsten betreft vormt de structuur van het belastingstelsel, en met name de verschuiving van de belastinggrondslag van arbeid naar andere bronnen, een cruciaal aspect van de lopende hervormingen. Voor veel lidstaten geldt als prioriteit dat de belasting op arbeid wordt beperkt ten einde de prikkel om te gaan werken te versterken en de relatief hoge arbeidskosten terug te dringen, met name voor laagopgeleide werknemers (zie Box 2). Uiteraard moeten deze hoognodige hervormingen financieel worden gecompenseerd met inkomsten uit andere bronnen. Een verhoging van de terugkerende onroerendgoedbelasting stuit in verscheidene lidstaten op politieke bezwaren, maar deze kan zodanig worden opgezet dat zij een effectief en rechtvaardig instrument vormt om overheidsinkomsten te genereren. Een andere mogelijkheid is de verschuiving naar milieubelastingen, bijvoorbeeld door de bronnen van vervuiling en van de uitstoot van broeikasgassen te belasten. Deze belasting kan een stimulans vormen voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën en daarnaast een efficiënt gebruik van hulpbronnen en de schepping van "groene" banen bevorderen, maar de gevolgen van hoge energieprijzen voor huishoudens en voor het concurrentievermogen, en ook voor energie‑intensieve bedrijven, moeten daarbij wel in de gaten worden gehouden zodat toekomstige besluiten op basis van deugdelijke informatie kunnen worden genomen.

De efficiëntie en billijkheid van belastingstelsels kunnen worden verhoogd door de bestaande belastinggrondslagen te verruimen. De meeste belastingstelsels omvatten vrijstellingen, toeslagen, verlaagde tarieven en andere specifieke regelingen die "belastinguitgaven" worden genoemd. Deze zijn niet altijd gerechtvaardigd en kunnen een inefficiënt middel zijn om de ermee beoogde sociale, ecologische of economische doelstellingen te bereiken. Zij kunnen ook leiden tot een gedifferentieerde fiscale behandeling van belastingbetalers die niet altijd terecht is en derhalve ten koste gaat van de billijkheid van het stelsel. Verder kunnen zij manipulatie in de hand werken, het stelsel ingewikkelder maken en tot hogere nalevings- en administratiekosten leiden. In verscheidene lidstaten zijn de belastingen verhoogd, maar de Commissie is van oordeel dat meer had kunnen worden gedaan om de belastinguitgaven en –vrijstellingen, waaronder ook belastingsubsidies die schadelijk zijn voor het milieu en de economie, te beperken.

Zo wordt bijvoorbeeld slechts de helft van het bedrag dat bij een volledige toepassing van het normale btw-tarief zou worden gegenereerd, daadwerkelijk geïnd (grafiek 1). Het verschil geeft de omvang weer van belastingverlagingen, mazen in de wetgeving, gebrekkige naleving en in sommige gevallen een slechte belastingadministratie, die de doeltreffendheid van het btw‑stelsel aantasten.

Grafiek 1. Feitelijke btw-inkomsten in 2011 (% van de theoretische inkomsten bij toepassing van het normale tarief)

Bron: Europese Commissie. Onder btw-inkomstenratio wordt verstaan de daadwerkelijk geïnde btw-inkomsten gedeeld door het product van het normale btw-tarief en de netto binnenlandse finale consumptie. De hoge waarde voor Luxemburg valt te verklaren door de hoge btw-inkomsten uit verkopen aan niet-ingezetenen.

Maatregelen om de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren en belastingfraude te bestrijden zijn cruciaal voor een grotere doeltreffendheid en rechtvaardigheid van het belastingstelsel[2]. In dit verband kunnen maatregelen op nationaal, Europees en mondiaal niveau de belastingstelsels wederzijds versterken. De Commissie is vastbesloten om, met alle middelen die haar ter beschikking staan, de bestrijding van belastingfraude en –ontduiking te intensiveren, en zij verzoekt de lidstaten om, in samenwerking met andere lidstaten, maatregelen op nationaal niveau en op het niveau van de EU te nemen.

Box 2. Voorbeelden van recente maatregelen om de belastingen naar groeivriendelijker grondslagen te verschuiven

BE heeft een aantal maatregelen genomen om de socialezekerheidsbijdragen voor kmo's en bepaalde categorieën werknemers te verlagen. Er is een "werkbonus" voor laagbetaalden ingevoerd, welke is versterkt door een verlaging van de socialezekerheidsbijdragen van werknemers en een personenbelastingkrediet. DK voert een geleidelijke verlaging van de belasting op arbeid door om de werkgelegenheid en de groei te stimuleren. HU heeft de socialezekerheidsbijdragen voor bepaalde doelgroepen verlaagd. FI heeft de basistoeslagen verhoogd om de belasting op de lage inkomens te verlichten. CZ en EE hebben algemene verlagingen van de belasting op arbeid gepland.

Wat de uitgaven betreft is de Commissie van oordeel dat prioriteit moet worden verleend aan overheidsinvesteringen in onderzoek, innovatie en menselijk kapitaal, onder meer door de kosteneffectiviteit van de uitgaven te verbeteren. Er is reden tot bezorgdheid in bepaalde lidstaten, waar de investeringen in onderwijs laag zijn of afnemen (bijvoorbeeld BG, EL, IT, SK en RO). Verder kunnen de reikwijdte en doeltreffendheid van diensten op het gebied van arbeidsbemiddeling en actieve beleidsmaatregelen op het gebied van de arbeidsmarkt, zoals opleidingen voor werklozen en garantieregelingen voor jongeren, worden gehandhaafd of verbeterd, en kan ook de kosteneffectiviteit van de overheidsuitgaven op veel gebieden, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, worden verhoogd.

De vergrijzing van de bevolking stelt de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de proef gezien de potentiële stijging van de kosten voor gezondheidszorg en door de overheid gefinancierde pensioenen. Om de lidstaten te helpen dit probleem onverwijld bij de horens te vatten heeft de Commissie aanbevolen de minimum wettelijke pensioenleeftijd in lijn met de stijging van de levensverwachting te verhogen en vervroegd-pensioenregelingen geleidelijk af te schaffen, naast maatregelen waarmee "een leven lang leren" en de participatiegraad van oudere werknemers worden ondersteund. Tabel 1 bevat een samenvatting van onlangs doorgevoerde en aangekondigde wijzigingen van de wettelijke pensioenleeftijd per lidstaat.

Tabel 1. Wettelijke pensioenleeftijd* in de EU

|| Wettelijke pensioenleeftijd in 2009 || Wettelijke pensioenleeftijd in 2020 || Verdere verhogin­gen na 2020 || || || Wettelijke pensioenleeftijd in 2009 || Wettelijke pensioenleeftijd in 2020 || Verdere verhogin­gen na 2020

V = vrouwen (indien verschillend) || V = vrouwen (indien verschillend || || || V = vrouwen (indien verschillend) || V = vrouwen (indien verschillend

BE || 65 || || 65 || || || CY || 65 || || 65+ (3) || ||

BG || 63 || V: 60 || 65 || V: 63 || || LV || 62 || || 63j9m || || 65 in 2025

CZ || 62 V: 56j8m (1) || 63.8 V: 60j6m (1) || 67+ (2) in 2044 || LT || 62j6m || V: 60 || 64 || V: 63 || 65 in 2026

DK || 65 || || 66 || || 67+ (3) || LU || 65 || || 65 || ||

DE || 65 || || 65,7 || || 67 in 2029 || HU || 62 || || 64 || || 65 in 2022

EE || 63 || V: 61 || 64 || || 65 in 2026 || MT || 61 || V: 60 || 63 || || 65 in 2026

IE || 66 || || 66 || || 68 in 2028 || NL || 65 || || 66j8m || || 67+ (3)

EL || 65 || V: 60 || 67 || || 67+ (3) || AT || 65 || V: 60 || 65 || V: 60 || 65 in 2033

ES || 65 || || 66j4m || || 67+ (3) || PL || 65 || V: 60 || 67 || V: 62 || 67 in 2040

FR || 60(1) || || 62 (1) || || || PT || 65 || || 65 || ||

IT || 65j4m V: 60j4m || 66j11m || 67+ (3) || RO || 63j4m || V: 58j4m || 65 || V: 61 || 65 / 63 (V) in 2030

Bron: Europese Commissie * Leeftijd waarop mensen voor het eerst een volledige uitkering kunnen ontvangen zonder actuariële verlaging voor vervroegde uittreding. Informatie gebaseerd op wetgeving per 30 april 2013. (1) Minimumleeftijd, variërend op grond van voorwaarden als het aantal grootgebrachte kinderen of het bereiken van het minimale verzekeringstijdvak voor een pensioen. (2) Wordt jaarlijks met twee maanden verhoogd tot verdere wijzigingen. (3) Toekomstige aanpassing aan stijgingen van de levensverwachting. (4) Flexibele pensioenleeftijd gekoppeld aan uitkeringsniveau. || SI || 63 || V: 61 || 65 || ||

SK || 62 V: 57j6m (1) || 62+ (3) || || 62+ (3) || SK

FI || 63-68 (4) || 63-68 (4) || || FI || 63-68 (4)

SE || 61-67 (4) || 61-67 (4) || || SE

UK || 65 || V: 60 || 66

Wat de gezondheidszorg en langdurige zorg betreft is het zaak de behoefte aan universele zorg in evenwicht te brengen met een stijging van de vraag als gevolg van een vergrijzende bevolking, technologische ontwikkelingen en hogere verwachtingen van patiënten in alle leeftijdsgroepen. Ruim 70 % van de verwachte stijging van de leeftijdsgebonden uitgaven betreft de gezondheidszorg en de langdurige zorg. Hervormingen zijn noodzakelijk om tot een efficiënter gebruik van de beperkte overheidsmiddelen te komen en toegang tot kwaliteitszorg te bieden.

De kredietverstrekking aan de economie normaliseren

De leningsvoorwaarden zijn, met name in de landen waarvan de financiën onder druk staan, nog steeds strikt en het kredietaanbod is beperkt, ondanks de massale steunverlening van regeringswege en het accomoderende monetaire beleid van de ECB. De situatie is met name verslechterd in Griekenland, Ierland, Portugal en Slovenië, maar ook in Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk. Alleen in Duitsland melden kmo’s dat de beschikbaarheid van bankleningen duidelijk verbetert. De zorgen van investeerders over het zwakke economische en financiële klimaat hebben hun weerslag op de kredietverlening aan kmo’s in een aantal landen. Bovendien is het herstel van het bankenstelsel nog niet volledig. Met het oog op de normalisering van de kredietverschaffing aan de meest productieve onderdelen van de economie heeft het saneren van bankbalansen in verschillende lidstaten nog steeds prioriteit.

Renteverschil tussen kleine en grote leningen aan niet-financiële vennootschappen

Grafiek 2. Krediet blijft krap en de kredietmarkten zijn gefragmenteerd

Kredietvoorwaarden in de eurozone ECB-enquête inzake bancaire kredietverlening

 

Gelet op de eerdere onhoudbare openbare en particuliere schuldenlast is de huidige correctie in de financiële sector onvermijdelijk. Deze aanpassing moet echter niet verder gaan dan nodig is en mag evenmin worden verergerd door slecht functioneren van gefragmenteerde markten. Daarom moet de bankensector worden versterkt door middel van overheidsbeleid dat erop gericht is obstakels voor de financiering van ondernemingen en voor investeringen in infrastructuur weg te nemen.

Het accent is verlegd van het aantrekken van kapitaal naar het verhelpen van risico’s in de bankensector. Om het vertrouwen in de banken in de EU te herstellen, moet de kwaliteit van de activa in de hele EU op geharmoniseerde wijze worden beoordeeld en dient duidelijkheid te worden verschaft over de activa en passiva van de banken. Zo kunnen resterende risico’s worden vastgesteld en kan het vertrouwen in de sector als geheel worden gesterkt.

De totstandbrenging van een Europese bankenunie, met één toezichthouder en één afwikkelingsmechanisme, is van groot belang voor het afronden van de reorganisatie van de financiële sector en het normaliseren van de kredietverschaffing. De herkapitalisatie van banken die daaraan behoefte hebben, dient snel te worden afgerond, zodat het nieuwe enkele toezichtmechanisme volledig operationeel kan worden en vervolgens kan worden aangevuld met één enkel afwikkelingsmechanisme.

Het ontwikkelen van alternatieve financieringsbronnen voor de economie, die minder afhankelijk zijn van bancaire financiering, moet prioriteit genieten. Er zijn aanwijzingen dat het bedrijfsleven zich voor financiering geleidelijk aan meer op de kapitaalmarkt richt, maar die trend is te zwak om in de nabije toekomst effect te sorteren. Bovendien hebben kmo’s vaak geen rechtstreekse toegang tot kapitaalmarktfinanciering. Initiatieven waarover inmiddels een akkoord is bereikt, zoals nieuwe EU-kaders voor investeringen in durfkapitaal en in sociaalondernemerschapsfondsen, moeten verlichting bieden. Ook is de kapitaalinbreng van de EIB uitgebreid met 10 miljard EUR, hetgeen zou moeten helpen om in de hele EU tot 180 miljard EUR aan extra investeringen te ontsluiten. Dankzij deze extra financiering zal er beduidend meer kunnen worden geleend aan kmo’s. Daarbij dient naar een brede geografische en sectorale spreiding te worden gestreefd. De EIB moet de kredietverlening dringend opvoeren, met name aan kmo’s.

Op nationaal en EU-niveau dient nog een aantal maatregelen te worden voorbereid om de toegang van kmo’s tot bancaire en niet-bancaire financiering te vergemakkelijken. Daarbij moet worden gedacht aan een beter kader voor durfkapitaal, speciale markten voor kmo's en gepoolde kmo’s, nieuwe securitisatie-instrumenten voor kmo's, standaarden voor kredietscorebeoordelingen van kmo's, en niet-traditionele financieringsbronnen zoals leasing, aanbodketenfinanciering en crowdfunding.

In het Europese pact voor groei en banen van juni 2012 is het belang van investeringen in infrastructuur benadrukt en is gewezen op de rol die de EU-Structuurfondsen en de EIB daarbij kunnen spelen. Het in november 2012 gestarte initiatief inzake projectobligaties moet ertoe bijdragen dat voor de financiering van infrastructuur in Europa weer een beroep kan worden gedaan op schuldkapitaalmarkten. Het initiatief moet nu worden uitgebreid en naast andere schuldinstrumenten worden ontwikkeld in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (2014-2020). In maart 2013 bracht de Commissie ook een groenboek over langetermijnfinanciering uit[3], dat belanghebbenden uitnodigt om zich uit te spreken over de wijze waarop de financiering van de reële economie kan worden verbeterd en obstakels voor langetermijninvesteringen kunnen worden weggenomen.

Tekstvak 3. Voorbeelden van recente maatregelen om bedrijven betere toegang tot financiering te bieden

Om de moeizame kredietverstrekking vlot te trekken heeft DK onder meer een nationaal investeringsfonds (Danish Growth Capital) en een ontwikkelings- en kredietpakket gecreëerd. Ook geldt er gedurende de periode 2013-2015 een kredietgarantieregeling voor kleine bankleningen. De Estse regering steunt het financieren van bedrijven door middel van KredEx, Enterprise Estonia en het Estse Ontwikkelingsfonds. Polen heeft een nieuwe kmo-garantie gesteld en een nieuw overkoepelend groeifonds gecreëerd met middelen van het Europees Investeringsfonds en BGK om investeringen in durfkapitaal, private equity en mezzaninefinanciering te stimuleren. In Italië is het gebruik van niet-bancaire financiering onder meer gestimuleerd door middel van een aftrek voor het eigen vermogen van een onderneming, de instelling van een fonds voor duurzame groei en de invoering van crowdfunding voor innovatieve starters. Het Verenigd Koninkrijk heeft een regeling (Funding for Lending Scheme) ingevoerd op grond waarvan banken goedkoper kunnen lenen bij de Bank of England, mits zij een deel van het geld gebruiken voor leningen aan het bedrijfsleven. De EU-Structuurfondsen en het optreden van de EIB ondersteunen verscheidene van deze regelingen.

Lidstaten als Zweden, Nederland en het Verenigd Koninkrijk moeten de hand houden aan de particuliere schuldenlast en de kwetsbaarheid van huishoudens bij mogelijke verschuivingen op de vastgoedmarkt[4]. Hiertoe is al een aantal maatregelen genomen, zowel op het gebied van regelgeving als tot beperking van de fiscale prikkels om schulden aan te gaan, zoals hypotheekrenteaftrek. Maatregelen om onevenwichtigheden aan te pakken die het gevolg zijn van een grote schuldenlast van de huishoudens en hoge huizenprijzen hebben ook het voordeel dat zij de impact van riskante leningen beperken. De lidstaten moeten ook de vennootschapsbelastingsystemen aanpassen; momenteel bevoordelen de meeste ervan het aangaan van schulden.

Groei en concurrentievermogen bevorderen, nu en voor de toekomst

Tal van lidstaten hebben te maken met teruglopende publieke en particuliere investeringen[5] en een stijgende spaarquote, doordat ondernemingen en huishoudens het huidige schuldenpeil willen verlagen en/of hun activa willen uitbreiden. Dat is weliswaar nodig op het niveau van afzonderlijke ondernemingen en huishoudens, maar zorgt er in de regel ook voor dat de totale vraag afneemt. Om de negatieve gevolgen voor de groei te beperken en het groeipotentieel op de lange termijn te bevorderen is een breed hervormingspakket voor de product- en arbeidsmarkten vereist.

Voor een geslaagd en blijvend herstel moet voorrang worden gegeven aan groei en dient het concurrentievermogen weer op peil te worden gebracht. De recente exportprestaties van Ierland, Spanje en Portugal wijzen uit dat aanpassingen ter verbetering van het concurrentievermogen, op het gebied van kosten of niet, al op korte termijn vrucht afwerpen.

Lidstaten met een tekort moeten hun bestedingen bijsturen en verleggen van sectoren met niet-verhandelbare goederen (zoals woningbouw) naar sectoren met verhandelbare goederen. Zij moeten de concurrentie over de hele linie bevorderen door de openstelling van zowel verhandelbare als niet-verhandelbare diensten, zoals netwerkdiensten. Lidstaten met een overschot kunnen en moeten de binnenlandse vraag stimuleren, bijvoorbeeld door de hoge fiscale en sociale lasten voor laagbetaalden te verlagen. De recente loonontwikkeling en veerkrachtige arbeidsmarkt in overschotlanden zullen de binnenlandse vraag helpen stimuleren en kunnen ook elders in de EU positief doorwerken. De betrokken lidstaten zouden meer kunnen doen om hun dienstensector open te stellen door onterechte beperkingen en barrières voor markttoegang te verhelpen, meer te investeren en diensten betaalbaarder te maken voor lagere inkomens.

In het recente verleden heeft het concurrentievermogen van een aantal lidstaten te lijden gehad van loonsverhogingen die boven de productiviteitstrends lagen. De Commissie had deze lidstaten aanbevolen om de loonvormingsmechanismen bij te stellen om ervoor te zorgen dat de lonen gelijke tred houden met de productiviteit. Inmiddels zijn er stappen genomen in deze richting. Een aantal lidstaten heeft wetgevingshervormingen ondernomen of stimulansen ingevoerd om loonontwikkeling en productiviteit te koppelen. In andere lidstaten zijn de loonindexeringssystemen gedeeltelijk hervormd of is de toepassing ervan bevroren, maar ontbreken vooralsnog de structurele hervormingen die nodig zijn om loonontwikkeling permanent te koppelen aan productiviteit. Hoewel de landspecifieke aanbevelingen voor 2013 zijn gehandhaafd, zijn zij wel geherformuleerd om rekening te houden met de wijzingen die worden ingevoerd.

Het is duidelijk dat Europa zijn inspanningen op het gebied van innovatie moet opvoeren en zijn productiepatroon moet verschuiven naar activiteiten met een hoge toegevoegde waarde. Volgens het meest recente Innovatie-Uniescorebord van de Commissie gaapt er nog steeds een forse kloof tussen de lidstaten die wat betreft innovatie het zwakst presteren (BG, RO, LV, PL) en zij die dat het beste doen (SE, DE, DK, FI). Hierdoor blijft de EU als geheel achter bij enkele van haar belangrijkste concurrenten.

Zwakke productiviteit is gedeeltelijk te wijten aan beperkte concurrentie op de product- en dienstenmarkten, maar ook aan povere prestaties op het gebied van onderwijs en onderzoek, en aan onvermogen om onderzoeksresultaten om te zetten in commerciële goederen en diensten. Rechtstreekse subsidies maken een belangrijk deel uit van de overheidsfinanciering van particuliere O&O. Er moeten alternatieve maatregelen worden ontwikkeld om het innovatievermogen te ondersteunen, zoals fiscale prikkels ter bevordering van particuliere financiering en strategisch gebruik van openbare aanbestedingen.

Het grote economische en banenpotentieel van de dienstensector blijft onaangeboord. Het bbp van de EU zou volgens een raming van de Commissie tussen 0,8% en 2,6% kunnen stijgen als de lidstaten overeenkomstig de dienstenrichtlijn een einde zouden maken aan beperkingen die gelden voor het verrichten van diensten. In het meest ambitieuze scenario zou de grootste winst worden behaald in CY, ES, UK, LU, NL, DK, AT, SE en FR[6]. Het verdient aanbeveling om de concurrentie in de dienstensector te verbeteren door middel van concrete maatregelen die een einde maken aan barrières in de detailhandel en aan buitensporige beperkingen met betrekking tot professionele diensten en gereglementeerde beroepen in het bijzonder. De volledige uitvoering van de EU-dienstenrichtlijn kan een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten en de productiviteit op de binnenlandse markten bevorderen.

Meer algemeen heeft het verbeteren van het ondernemingsklimaat prioriteit. Inmiddels zijn verschillende positieve stappen ondernomen (zie tekstvak 4). Een aantal van deze goede praktijken verdient bredere navolging.

Tekstvak 4. Voorbeelden van maatregelen die zijn genomen om economische activiteiten in de dienstensector te ontwikkelen

Sinds de inwerkingtreding van de dienstenrichtlijn is de regelgeving met voorschriften inzake de bedrijfsvorm of vereisten inzake de eigendomsstructuur versoepeld in Polen, Duitsland, Frankrijk, Cyprus en Italië. In Italië en Frankrijk is voor een aantal diensten geen voorafgaande toestemming meer nodig om een een onderneming op te zetten. Wat betreft de detailhandel hoeft in Spanje en Duitsland voor het openen van bepaalde vestigingen geen onderzoek naar de economische behoefte meer te worden uitgevoerd. Malta heeft ook de verplichte tarieven voor gereglementeerde beroepen afgeschaft, zodat bedrijven hun eigen prijzen kunnen bepalen.

Er is een faciliterend ondernemingsklimaat nodig dat de oprichting van nieuwe ondernemingen aanmoedigt en bestaande bedrijven in staat stelt door te groeien en investeringen aan te trekken. Hoewel het ondernemingsklimaat de laatste vijf jaar in bepaalde opzichten is verbeterd, zijn er nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten. Spanje heeft een ambitieus plan om de administratieve lasten te verminderen; als het wetsontwerp inzake de eenheid van de markt volgens voorstel wordt uitgevoerd, zou het bbp in het eerste jaar met 1,28% kunnen toenemen. Frankrijk heeft een omvangrijk vereenvoudigingsplan aangekondigd en in Portugal en Litouwen is aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van elektronische aanbesteding.

De kwaliteit, dekking en betaalbaarheid van netwerkindustrieën zijn van essentieel belang voor het concurrentievermogen van de economie. Verscheidene aanbevelingen betreffen de ontwikkeling van breedband, het verbeteren van de werking van de energiemarkt en verbeteringen in de vervoersector (spoorwegen, luchthavens, havens, wegvervoer). De ontwikkeling of renovatie van grote infrastructuurwerken moet, overeenkomstig de EU-prioriteiten, een belangrijke bron van activiteiten blijven. De spoorwegmarkt is het meest open in Denemarken, Zweden en het VK; in elk van deze lidstaten is het marktaandeel van het spoor gegroeid.

Het banenpotentieel van de groene economie wordt nog niet ten volle benut. Efficiënt gebruik van hulpbronnen is verstandig uit economisch en ecologisch oogpunt en vormt een integraal aspect van ons toekomstige concurrentievermogen. De lidstaten zouden hier in het kader van een duurzamer modernisering van de productiemethoden meer in moeten investeren. De maatregelen inzake energie-efficiëntie lopen achter, terwijl zij zowel voor banen zorgen als bedrijven en huishoudens geld besparen[7]. Overeenkomstig de verplichtingen van de EU blijft de beperking van de CO2-uitstoot, met name van de vervoer- en bouwsector, een duidelijke prioriteit. Er moet gebruik worden gemaakt van het potentieel van de afvalbeheer- en recyclingsector. Volledige tenuitvoerlegging van de afvalwetgeving van de EU zou naar schatting jaarlijks 72 miljard EUR besparen, de jaaromzet van de sector met 42 miljard EUR vermeerderen en tegen 2020 voor meer dan 400 000 banen zorgen[8].

Werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis aanpakken

De crisis heeft zowel voor de werkgelegenheid als in maatschappelijk opzicht ernstige en langdurige gevolgen. De socialebeschermingsstelsels hebben geholpen de ergste sociale gevolgen van de crisis te verzachten. Nu de crisis aanhoudt, komen enkele van deze stelsels echter onder druk te staan. Zoals blijkt uit tabel 2, nemen de verschillen tussen de lidstaten toe. In een aantal lidstaten is de werkloosheid sterk toegenomen. De totale werkloosheidscijfers zijn bijzonder hoog. Met name de jeugdwerkloosheid (gemiddeld 23,5%, maar in ES en EL respectievelijk 55,9% en 62,5%) en het steeds grotere percentage langdurig werklozen (toename van 4,1% van de beroepsbevolking in 2011 tot 4,6% in 2012) zijn bijzonder zorgwekkend.

Een aantal lidstaten heeft op het gebied van werkgelegenheid echter sterke prestaties geleverd. Oostenrijk heeft het laagste werkloosheidspercentage in de EU: 4,7% in maart 2013. De totale participatiegraad is licht toegenomen en bedraagt nu meer dan 75%. In Duitsland is de werkloosheid in slechts enkele jaren gedaald van 8% tot 5,4%. In het VK is het totale werkloosheidspercentage gedaald van 8,2% in 2011 tot 7,7% in februari 2013.

In verscheidene lidstaten zijn, al dan niet in overleg met de sociale partners, grote arbeidsmarkthervormingen ingevoerd om de veerkracht van de arbeidsmarkt te vergroten door de interne en externe flexibiliteit te bevorderen, de segmentatie te verminderen en het gemakkelijker te maken van baan te veranderen. Dit is met name het geval in programmalanden. Dergelijke hervormingen moeten geleidelijk aan vrucht afwerpen. Bij deze hervormingen moet er rekening mee worden gehouden dat er rechten moeten worden opgebouwd voor de toekomst en dat de inzetbaarheid van werknemers moet worden gewaarborgd.

Gelet op de demografische situatie in de EU moeten hervormingen er ook op gericht zijn de arbeidsparticipatie van vrouwen en oudere werknemers te vergroten. Daarom moet worden gewaarborgd dat de belasting- en uitkeringsstelsels ertoe aanzetten weer aan het werk te gaan en te blijven werken. In dat kader is het van belang de voor- en vroegschoolse educatie (meestal aangeduid als kinderopvang) te ontwikkelen, kinderarmoede aan te pakken en voortijdige schooluitval te voorkomen. De kwaliteit, de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de betrokken diensten zijn daarbij essentieel.

Het stijgend aantal werklozen stelt de capaciteit van de openbare arbeidsbemiddelingsbureaus op de korte termijn zwaar op de proef. In meerdere landen is behoefte aan doeltreffender hulp bij het zoeken naar werk en aan opleidingsmogelijkheden, waaronder ondersteuning van mobiliteitsregelingen. Alles wijst erop dat gepersonaliseerde ondersteuning tot betere resultaten leidt. Toch werkt een aantal landen waar de werkloosheid het hoogst is, er niet of niet snel genoeg aan om deze aanpak toe te passen. Nu de openbare arbeidsbemiddelingsbureaus zich voor een steeds grotere taak gesteld zien, moeten zij doeltreffender te werk gaan en nauwer samenwerken.

Het in het Verdrag verankerde grondrecht van vrij verkeer vergroot de arbeidskansen. Arbeidsmobiliteit is één van de mogelijkheden om de discrepantie tussen vaardigheden en banen aan te pakken. Arbeidsmobiliteit vormt ook een aanpassingsmechanisme in de EMU. De Commissie zal het Europees netwerk van werkgelegenheidsdiensten (Eures) verder uitbouwen. Daarbij zullen zijn activiteiten worden opgevoerd en verbreed, bijvoorbeeld door de jeugdmobiliteit te bevorderen.

Tabel 2: Werkloosheidspercentages en aantal werklozen, algemeen en onder jongeren (<25) – maart 2013*

* Maart 2013 of de meest recente gegevens.

Bron: Europese Commissie

Ook moet grondiger worden onderzocht hoe het onderwijs- en opleidingsaanbod transparanter en doeltreffender kan worden opgezet, hoe vaardigheden en beschikbare banen beter op elkaar kunnen worden afgestemd en hoe de synergieën tussen de verschillende aanbieders van opleidingen kunnen worden versterkt. In een aantal lidstaten is het aandeel voortijdige schoolverlaters met name onder kansarme groepen en mensen met een migrantenachtergrond nog steeds onaanvaardbaar hoog en de mogelijkheden om een leven lang te leren zijn niet optimaal. Het percentage voortijdige schoolverlaters ligt in MT, ES, PT, IT, RO en UK[9] hoger dan het EU-gemiddelde, terwijl in BG, RO, EL, HU en SK de participatie aan initiatieven voor een leven lang leren het laagst is[10]. Deze problemen bestonden al voor de crisis, maar zijn nijpender geworden door de brede economische aanpassingen die gaande zijn en het perspectief een langere loopbaan. Ook het feit dat er in tal van regio’s en sectoren sprake is van knelpuntberoepen en gebrekkige afstemming tussen vaardigheden en banen duidt erop dat bepaalde onderwijs- en opleidingsstelsels ontoereikend zijn.

Verscheidene lidstaten hebben hervormingen van hun stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding in gang gezet om de vaardigheden en competenties van jongeren af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Een aantal lidstaten heeft de grondslag gelegd voor hoogwaardige stages en goede beroepsopleidingen in het leerlingwezen (EL, ES, IT, LV, PT, SK), hoewel het proces nog zeer pril is en alleen kans van slagen heeft als de sociale partners er nauw bij worden betrokken. Andere lidstaten hebben hervormingen in gang gezet om hun hogeronderwijsstelsel doeltreffender te maken, teneinde de schooluitval terug te dringen en het hoger onderwijs beter af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt (AT, IT, PL). Om deze doelen te verwezenlijken wordt overigens steeds vaker gebruikgemaakt van innovatieve, prestatiegerelateerde financieringsmodellen (CZ, HU, SK, UK).

Vooral jongeren worden hard getroffen door de stijging van de werkloosheid. Op EU-niveau zijn belangrijke initiatieven genomen ter ondersteuning van nationale en regionale strategieën (tekstvak 5).

Tekstvak 5. Uitvoering van de Europese Jeugdgarantie

Op voorstel van de Commissie hebben de lidstaten besloten om een jeugdgarantieregeling in te voeren. Deze regeling houdt in dat jongeren onder de 25 jaar binnen vier maanden nadat zij het gewone onderwijs verlaten of werkloos worden, een goed aanbod krijgen in de vorm van een arbeidsplaats, een vervolgopleiding, een plaats in het leerlingwezen of een stage.

Finland heeft een garantie ingevoerd waarbij elke jongere onder de 25 jaar (30 jaar voor pas afgestudeerden) binnen drie maanden nadat zij werkloos worden, een baan, stage, opleiding op de werkplek, studie, seminar of cursus re-integratie in de arbeidsmarkt krijgt aangeboden. In Oostenrijk is er voor jongeren tussen 19 en 24 een werk- en opleidingsgarantie. Werkloze jongeren wordt binnen zes maanden nadat zij zich inschrijven bij de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling een al dan niet gesubsidieerde baan of een gerichte opleiding aangeboden. In Zweden worden jonge werklozen gestimuleerd door hen eerst drie maanden intensief te begeleiden bij het zoeken van werk en vervolgens actief voor afstemming te zorgen, in combinatie met een stage of vervolgonderwijs.

De Europese Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het voorstel van de Commissie voor een jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. In het kader van dit initiatief wordt gedurende het volgende meerjarig financieel kader (2014-2020) in regio’s met een jeugdwerkloosheid van meer dan 25% 6 miljard EUR beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van jongeren die geen baan hebben en geen onderwijs genieten of opleiding volgen. Dit initiatief kan een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Europese Jeugdgarantie.

De crisis heeft ernstige sociale gevolgen, waaronder toenemende armoede in verscheidene lidstaten. Een aantal lidstaten voert zijn inspanningen om armoede en sociale uitsluiting aan te pakken op, maar er moet meer gebeuren om de sociale vangnetten te versterken en de adequaatheid en kostenefficiëntie van uitkeringen te verbeteren, bijvoorbeeld door doelgerichtere toepassing, administratieve vereenvoudiging en betere benutting van rechten. Langdurig werklozen moeten worden geholpen om de arbeidsmarkt weer op te gaan. Daarbij is van het essentieel belang sociale bijstand en activeringsmaatregelen beter op elkaar af te stemmen.

Het overheidsapparaat moderniseren

De crisis heeft uitgewezen dat bestuurlijke gebreken afbreuk kunnen doen aan de slagkracht van de lidstaten bij de uitvoering van modern economisch en sociaal hervormingsbeleid. Dat het overheidsapparaat van de lidstaten toe is aan modernisering blijkt wel hieruit dat bepaalde openbare diensten voor arbeidsbemiddeling moeten worden gereorganiseerd, dat het ontbreekt aan economisch-analytische capaciteit om structurele hervormingen te ontwikkelen en uit te voeren, en dat het beheer en de geringe absorptie van de EU-Structuurfondsen moeten worden verbeterd.

Voor de modernisering van het overheidsapparaat moeten de strategische opzet en uitvoering worden verbeterd: ministeries en nationale, regionale en lokale overheden moeten ervoor zorgen dat zij beter in staat zijn om de belangrijkste problemen te inventariseren, de voornaamste prioriteiten voor de aanpak van die problemen vast te stellen, de economische, sociale en milieu-impact van maatregels te beoordelen en passende actieplannen met duidelijke mijlpalen op te zetten. Daarbij is een geïntegreerde aanpak cruciaal: om een wildgroei aan strategieën voor de hervorming van het overheidsapparaat te voorkomen, moet de ontwikkeling en uitvoering van dergelijke strategieën in alle diensten strak worden gecoördineerd.

Een modern overheidsapparaat is van groot belang voor de opzet en uitvoering van beleid dat werkgelegenheid, groei en concurrentievermogen bevordert. Voor de ontwikkeling van een kmo-vriendelijk klimaat moet bijvoorbeeld de administratieve belasting in verband met de oprichting van nieuwe bedrijven worden beperkt; ook is een administratief kader nodig dat innovatie bevordert. Hiervoor moet de overheid haar administratieve capaciteit opvoeren en is ondersteuning van onlinediensten en moderne informatie-infrastructuren geboden.

Het is belangrijk dat de overheid over capabel personeel beschikt, zeker wanneer in tijden van crisis de druk op de openbare financiën toeneemt. Het gaat er niet alleen om goed personeel aan te trekken, maar ook om het vast te houden door te waarborgen dat werken bij de overheid attractief blijft. Dit vereist in de allereerste plaats een deugdelijk aanwervingsbeleid, regelingen voor promoties en loopbaanontwikkeling, alsook bevordering van leiderschap via onder meer studie en opleiding.

Sommige lidstaten verminderen het aantal arbeidsplaatsen in de publieke sector en andere investeren in e-overheidsdiensten om doeltreffender en kostenefficiënter te kunnen optreden. De crisis heeft ook de negatieve economische gevolgen van trage en verouderde rechtsstelsels aangetoond en duidelijk gemaakt hoe belangrijk een hoogwaardig, onafhankelijk en efficiënt gerechtelijk apparaat is voor het behouden of herwinnen van het investeerdersvertrouwen. Sommige lidstaten ondernemen nu stappen om hun insolventiewetgeving te herzien teneinde de efficiëntie van hun gerechtelijk bestel te bevorderen (Portugal en Spanje). Aan andere lidstaten (Malta, Roemenië, Italië, Slowakije, Hongarije, Letland en Bulgarije) heeft de Commissie echter aanbevelingen gedaan met het oog op een sneller en doeltreffender optreden en/of ter versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ook moeten stappen worden ondernomen om de belastingadministratie en –wetgeving te hervormen, teneinde de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren, alsmede de administratieve en nalevingskosten te verminderen.

Tekstvak 6. Voorbeelden van recente maatregelen om de naleving van de belastingwetgeving te waarborgen en de belastingadministratie doeltreffender te maken

Om de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren passen lidstaten zowel op vrijwillige naleving gerichte maatregelen als handhavingsbeleid toe. De beleidsmix is afhankelijk van de nationale omstandigheden. BE heeft de straffen voor fraude verviervoudigd en de belastingdienst ruimere toegang tot personeelsgegevens verleend. BG heeft de elektronische dienstverlening uitgebreid en de mogelijkheden om te communiceren met het informatiecentrum van het nationaal agentschap voor ontvangsten verruimd, waardoor er thans meer van derden afkomstige informatie wordt gebruikt. CZ heeft de organisatie van zijn belastingdienst verder gestroomlijnd (in de richting van een geïntegreerd agentschap voor ontvangsten) en zijn risicobeheerscapaciteit verbeterd door de categorie "onbetrouwbare btw-betaler" in te voeren. Italië heeft enerzijds de controles opgevoerd, de sancties verscherpt en de informatieplicht van de belastingplichtige uitgebreid. Anderzijds heeft het land ook een aantal vereenvoudigingsmaatregelen getroffen. Litouwen heeft zijn nalevingsstrategie verbeterd, de ondersteuning van de belastingplichtigen uitgebreid en de controles verscherpt, met name met betrekking tot transacties in contanten. Slowakije heeft zijn risicobeheerstechnieken verbeterd, met name wat btw-fraude betreft, en maatregelen ter bestrijding van belastingontduiking getroffen waardoor betalingen boven een bepaald bedrag elektronisch moeten worden verricht.

4. Conclusie

Hoewel de Europese economische vooruitzichten voor de korte termijn nog zwak zijn, helpen veel van de maatregelen die de lidstaten nu nemen, de EU om de crisis achter zich te laten. De lopende rekeningen in de eurozone vertonen minder onevenwichtigheden en evolueren in de richting van een overschot. Alle lidstaten moeten zich blijven inspannen het evenwicht in de economie te herstellen: tekortlanden dienen hun concurrentievermogen op te voeren, terwijl overschotlanden belemmeringen voor de groei van hun binnenlandse vraag dienen weg te nemen.

De structurele hervormingen moeten krachtiger ter hand worden genomen, aangezien dit geen gewone neerwaartse conjunctuur is. Maar er verstrijkt vaak enige tijd voordat de resultaten tastbaar worden en de ervaring leert dat ook de werkgelegenheid pas achteraf aantrekt. Een actief arbeidsmarktbeleid is van cruciaal belang, met name voor de aanpak van jongerenwerkloosheid. De extra tijd die is voorgesteld voor de begrotingsconsolidatie van een aantal lidstaten, moet worden gebruikt om door middel van ambitieuze structurele hervormingen het aanpassingsvermogen te versterken en groei en werkgelegenheid te stimuleren. Doortastender optreden is geboden, bijvoorbeeld door vaart te zetten achter de besluitvorming en de beschikbaarstelling van financiering op nationaal niveau. De Europese Jeugdgarantie, die door de Commissie is voorgesteld en inmiddels is goedgekeurd door de lidstaten, kan hierbij een belangrijke rol spelen. De regeling moet dan ook snel op nationaal niveau worden toegepast. Hoge prioriteit moet ook worden toegekend aan het sluiten van een definitief akkoord over het volgende meerjarig financieel kader, dat in aanvullende financieringsinstrumenten voor de aanpak van jongerenwerkloosheid voorziet.

Het is van belang dat de financiële sector weer in staat wordt gesteld om besparingen aan te wenden voor het meest productieve gebruik, teneinde met name in Zuid-Europa het investeringsniveau te verhogen. Alle middelen en maatregelen die ter beschikking staan van de EU-instellingen, met inbegrip van de Europese Bank, moeten hiervoor worden aangewend, met name wat de toegang tot financiering voor kmo's betreft. Even belangrijk voor de economie van de EU is de vaststelling en uitvoering van het meerjarig financieel kader 2014-2020. De Commissie roept het Europees Parlement en de Raad op om hierover zo spoedig mogelijk een akkoord te bereiken. Tegelijkertijd dienen de lidstaten hun voorbereidingen voor het volgende meerjarig financieel kader te versnellen, zodat de EU vanaf begin 2014 de in de landspecifieke aanbevelingen bepleite hervormingen kan ondersteunen door cofinanciering ter beschikking te stellen voor investerings- en werkgelegenheidsmaatregelen. Tegelijkertijd moet er snel vooruitgang op weg naar een bankenunie worden geboekt om het vertrouwen te versterken. Op de korte termijn moet worden gewaarborgd dat de banken over voldoende kapitaal in verhouding tot hun balans beschikken om hun rol als financiële intermediair te kunnen spelen en tot de versterking van Europa’s groeipotentieel te kunnen bijdragen.

Het Europees Semester is inmiddels een vaste waarde, die ertoe bijdraagt dat de beleidsontwikkeling in de EU beter wordt gecoördineerd. Het instrument houdt rekening met de specifieke kenmerken van elk land en slaagt er tegelijkertijd in synergieën tussen landen te ontwikkelen doordat het de onderlinge afhankelijkheid van de EU-lidstaten onderkent. Voor de analyse van 2013 heeft de Commissie haar politieke en technische contacten met de lidstaten opgevoerd en tal van lidstaten hebben een grotere inspanning geleverd om nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de ontwikkeling en bespreking van hun nationale hervormingsprogramma. Cruciaal voor het welslagen van het hervormingsproces is de nationale inbreng.

De brede hervormingen die Europa nu doorvoert, zullen nieuwe, duurzame groei en veel nieuwe banen opleveren. Bij het aanpakken van de problemen is waakzaamheid geboden, zowel op nationaal als EU-niveau. De gemeenschappelijke Europese agenda staat de komende maanden in het teken van de tenuitvoerlegging van de structurele hervormingen. Door samenwerking op nationaal en EU-niveau kan Europa de huidige crisis achter zich laten en verruilen voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

Bijlage 1 – Overzicht van de landspecifieke aanbevelingen voor 2013-2014

Opmerking: Aanbevelingen van de Commissie voor 2013-2014, gepresenteerd op 29 mei 2013. Cyprus, Griekenland, Ierland en Portugal dienen hun verbintenissen in het kader van de EU/IMF-programma’s voor financiële steun uit te voeren. Meer informatie: http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm

Bijlage 2 – Overzicht van de streefcijfers in het kader van Europa 2020[11]

* Landen die voor hun nationale streefcijfer een andere indicator hebben gebruikt dan de centrale EU-doelstelling.

Lidstaat || Arbeidsparticipatie (in %) || O&O in % van bbp || Streefcijfers emissiereductie (t.o.v. 2005)[12] || Hernieuwbare energie || Energie-efficiëntie[13] || Schooluitval in % || Tertiair onderwijs in % || Verkleining bevolkingsdeel met risico op armoede en sociale uitsluiting, in aantal personen

Centrale doelstelling EU || 75% || 3% || -20% (t.o.v. 1990) || 20% || 20% || 10% || 40% || 20 000 000

Raming EU || 73,70-74% || 2,65-2,72% || -20% (t.o.v. 1990) || 20% || niet beschikbaar || 10,3-10,5% || 37,6-38,0%[14] ||

AT || 77-78% || 3,76% || -16% || 34% || 31,5 || 9,5% || 38% (incl. ISCED-niveau 4 – circa 12% in 2010) || 235 000

BE || 73,2% || 3,0% || -15% || 13% || || 9,5% || 47% || 380 000

BG || 76% || 1,5% || 20% || 16% || || 11% || 36% || 260 000*

CY || 75-77% || 0,5% || -5% || 13% || 2,8 || 10% || 46% || 27 000

CZ || 75% || 1% (alleen overheid) || 9% || 13% || || 5,5% || 32% || Handhaving op niveau 2008 (15,3% van totale bevolking), streven naar vermindering met 30 000

DE || 77% || 3% || -14% || 18% || 251,0 || <10% || 42% (inclusief ISCED-niveau 4 – 11,4% in 2010) || 320 000 (langdurig werklozen)*

DK || 80% || 3% || -20% || 30% || 17,8 || <10% || ten minste 40% || 22 000 (personen in huishoudens met lage arbeidsparticipatie)*

EE || 76% || 3% || 11% || 25% || 6,5 || 9,5% || 40% || Daling aantal mensen met armoederisico met 61 860*

EL || 70% || 0,67% || -4% || 18% || 27,1 ||  <10% || 32% || 450 000

ES || 74% || 2% || -10% || 20% || 121,6 || 15% || 44% || 1 400 000-1 500 000

FI || 78% || 4% || -16% || 38% || 35,9 || 8% || 42% (enge nationale definitie) || 150 000

FR || 75% || 3% || -14% || 23% || 236,3 || 9,5% || 50% || Vooralsnog geen nieuwe streefcijfer (oude streefcijfer was geldig tot en met 2012)*

HU || 75% || 1,8% || 10% || 14,65% || 26,6 || 10% || 30,3% || 450 000

IE || 69-71% || ca. 2%- 2,5% van het bbp || -20% || 16% || 13,9 || 8% || 60% || 200 000*

IT || 67-69% || 1,53% || -13% || 17% || 158,0 || 15-16% || 26-27% || 2 200 000

LT || 72,8% || 1,9% || 15% || 23% || || <9% || 40% || 170 000

LU || 73% || 2,3-2,6% || -20% || 11% || || <10% || 66% || 6 000

LV || 73% || 1,5% || 17% || 40% || 5,23* || 13,4% || 34-36% || 121 000*

MT || 62,9% || 0,67% || 5% || 10% || 0,825 || 29% || 33% || 6 560

NL || 80 % || 2,5 % || -16% || 14% || . || <8 % || >40% naar verwachting 45% in 2020 || 93 000*

PL || 71% || 1,7% || 14% || 15,48% || 96,4 || 4,5% || 45% || 1 500 000

PT || 75% || 3% || 1% || 31% || 22,5 || 10% || 40% || 200 000

RO || 70% || 2% || 19% || 24% || || 11,3% || 26,7% || 580 000

SE || ruim 80% || ca. 4% || -17% || 49% || 36,7-66,0 || <10% || 40-45% || Daling percentage personen die geen deel uitmaken van de beroepsbevolking (m.u.v. voltijds studenten), langdurig werklozen en langdurig zieken tot ruim onder 14% tegen 2020*

SI || 75% || 3% || 4% || 25% || || 5% || 40% || 40 000

SK || 72% || 1,2% || 13% || 14% || 16,2 || 6% || 40% || 170 000

UK || geen streefcijfer in NHP || geen streefcijfer in NHP || -16% || 15% || 177,6 || geen streefcijfer in NHP || geen streefcijfer in NHP || In de Child Poverty Act van 2010 opgenomen streefcijfers*

HR[15] || 59% || 1,4% || +26% || 20% || || 4% || 35% || 100 000

[1]               Eerst het Europees financieel stabilisatiemechanisme en de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit en vervolgens het Europees stabiliteitsmechanisme.

[2]               De Commissie heeft in december 2012 een omvattende reeks maatregelen gepresenteerd om belastingfraude en –ontduiking op Europees en mondiaal niveau te bestrijden. http://ec.europa.eu/taxation_customs/taxation/tax_fraud_evasion/index_en.htm

[3]               COM(2013) 150.

[4]               Bij deze landen zijn in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden op dit gebied onevenwichtigheden geconstateerd.

[5]               Vanaf 2013 ontvangen de lidstaten nieuwe inkomsten uit de veiling van de emissierechten, waarmee innovatieve koolstofarme projecten kunnen worden gefinancierd.

[6]               Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/economic_paper/2012/pdf/ecp_456_en.pdf

[7]               Twee lidstaten hebben verzuimd om overeenkomstig de artikelen 3 en 24 van de richtlijn betreffende energie-efficiëntie (Richtlijn 2012/27/EU) hun indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers mee te delen en negen lidstaten hebben onvolledige informatie meegedeeld.

[8]               Zie: http://ec.europa.eu/environment/waste/studies/pdf/study%2012%20FINAL%20REPORT.pdf

[9]               Zie: http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/themes/21_early_school_leaving.pdf

[10]             Zie: http://ec.europa.eu/europe2020/pdf/themes/22_quality_of_education_and_training.pdf

[11]             De nationale streefcijfers zoals opgenomen in de nationale hervormingsprogramma’s van april 2013.

[12]             De nationale emissiereductiedoelstellingen die in Beschikking 2009/406/EG (de “beschikking inzake de verdeling van de inspanningen”) worden genoemd, betreffen de emissies die niet onder het emissiehandelssysteem vallen. De emissies die onder het emissiehandelssysteem vallen, zullen met 21% worden verminderd ten opzichte van 2005. De dienovereenkomstige totale emissiereductie zal -20% bedragen ten opzichte van 1990.

[13]             Volgens Richtlijn 2012/27/EU (richtlijn betreffende energie-efficiëntie), artikel 3, lid 1, onder a), mag het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer bedragen dan 1474 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1078 Mtoe finale energie. Op twee (Tsjechië en Luxemburg) na hadden op 30 april 2013 alle lidstaten hun streefcijfers vastgesteld, maar niet alle lidstaten drukten deze streefcijfers overeenkomstig de richtlijn uit in termen van eind- ofwel primair verbruik van energie. Dit verklaart waarom voor bepaalde lidstaten en het EU-niveau gegevens ontbreken. Deze tabel geeft alleen het verbruik van primaire energie in 2020 weer, uitgedrukt in Mtoe. * Voorlopig streefcijfer.

[14]             Berekening exclusief ISCED 4 (Duitsland, Oostenrijk).

[15]             Kroatië heeft een lijst van voorlopige nationale streefcijfers voor 2020 ingediend. Omdat het voorlopige cijfers betreft, is er geen rekening mee gehouden bij de ramingen voor de EU als geheel.

Top