This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0135
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL on the animal testing and marketing ban and on the state of play in relation to alternative methods in the field of cosmetics
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het verbod op dierproeven en het verbod op in de handel brengen en betreffende de stand van zaken met betrekking tot alternatieve methoden op het gebied van cosmetische producten
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het verbod op dierproeven en het verbod op in de handel brengen en betreffende de stand van zaken met betrekking tot alternatieve methoden op het gebied van cosmetische producten
/* COM/2013/0135 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het verbod op dierproeven en het verbod op in de handel brengen en betreffende de stand van zaken met betrekking tot alternatieve methoden op het gebied van cosmetische producten /* COM/2013/0135 final */
INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 3 2........... Het verbod op het in de handel
brengen dat in 2013 van kracht wordt............................. 3 2.1........ Rechtskader................................................................................................................... 3 2.2........ Beschikbaarheid van alternatieve
methoden..................................................................... 4 2.3........ Beoordeling van de gevolgen van het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt 5 2.4........ Beslissen hoe het verder moet......................................................................................... 6 3........... Hoe het verder moet....................................................................................................... 8 3.1........ Het verbod op het in de handel
brengen dat in 2013 van kracht wordt toepassen en zorgvuldig toezicht houden op
de effecten ervan............................................................................................................ 8 3.2........ Verbintenis om het onderzoek naar
alsmede de ontwikkeling en de validatie van alternatieve methoden voor de
beoordeling van de veiligheid voor de mens te ondersteunen.......................................... 11 3.3........ Alternatieve methoden als onderdeel
van de agenda van de Unie voor handel en internationale samenwerking 14 4........... Conclusies.................................................................................................................... 15 Bijlage........................................................................................................................................ 17 MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het
verbod op dierproeven en het verbod op in de handel brengen en betreffende de
stand van zaken met betrekking tot alternatieve methoden op het gebied van
cosmetische producten (Voor de EER relevante tekst) 1. Inleiding Deze mededeling heeft een dubbel doel: –
zij brengt het Europees Parlement en de Raad op de
hoogte van de beslissing van de Commissie om geen wijzigingen van de bepalingen
inzake dierproeven in Richtlijn 76/768/EEG (de cosmeticarichtlijn)[1] en in Verordening (EG) nr. 1223/2009
(de cosmeticaverordening)[2]
voor te stellen, de redenen daarvoor en de volgende stappen. –
zij presenteert het jaarlijkse verslag overeenkomstig
artikel 9 van de cosmeticarichtlijn en aldus het tiende verslag van de
Commissie over de ontwikkeling, de validering en de wettelijke erkenning van
alternatieve methoden ter vervanging van dierproeven op het gebied van
cosmetische producten. 2. Het verbod
op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt 2.1. Rechtskader De cosmeticarichtlijn voorziet in een geleidelijke
afschaffing van dierproeven voor cosmetische producten. In de Unie zijn
dierproeven met cosmetische eindproducten verboden sinds 2004, en dierproeven
met cosmetica-ingrediënten sinds maart 2009 ("verbod op
dierproeven"). Sinds 11 maart 2009 is het bovendien verboden in de
Unie cosmetische producten en ingrediënten daarvan in de handel te brengen die
met het oog op de naleving van de richtlijn op dieren zijn getest ("het
verbod op het in de handel brengen dat in 2009 van kracht is geworden").
Dit verbod op het in de handel brengen is van toepassing op alle effecten op de
menselijke gezondheid, behalve de meest complexe ("eindpunten") die
moeten worden getest om aan te tonen dat de cosmetische producten veilig zijn
(systemische toxiciteit bij herhaalde toediening, huidsensibilisatie,
carcinogeniteit, toxiciteit met betrekking tot de voortplanting en
toxicokinetiek). Daarvoor hebben het Europees Parlement en de Raad de termijn
tot 11 maart 2013 verlengd ("het verbod op het in de handel brengen
dat in 2013 van kracht wordt"). De cosmeticaverordening, die de
cosmeticarichtlijn vanaf 11 juli 2013 intrekt en vervangt, bevat dezelfde
bepalingen. Gegevens verkregen uit dierproeven die vóór de respectieve
toepassingsdata van het verbod op het in de handel brengen (11 maart
2009/11 maart 2013) zijn uitgevoerd, mogen verder worden gebruikt in de
veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten. Het verbod op dierproeven en het verbod op het in
de handel brengen in de cosmeticarichtlijn/‑verordening zijn zelfs van
toepassing wanneer nog geen alternatieve methoden ter vervanging van
dierproeven beschikbaar zijn. Dit is een sectorspecifieke politieke keuze van
het Europees Parlement en de Raad. Andere wetgeving van de Unie erkent dat
dierproeven bij gebrek aan alternatieve methoden nog nodig zijn om de
bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu te garanderen, maar
stelt voor dergelijke proeven zeer hoge dierenwelzijnsnormen vast en eist dat
deze proeven waar mogelijk worden vervangen, beperkt en verfijnd. Overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2.3,
van de cosmeticarichtlijn werd de Commissie verzocht het Europees Parlement en
de Raad in te lichten wanneer, om technische redenen, één of meer van de
proeven waarop het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht
wordt van toepassing is, niet uiterlijk in 2013 zouden worden ontwikkeld en
gevalideerd, alsook een wetgevingsvoorstel in te dienen. De Commissie heeft in
twee stappen op deze bepaling gereageerd. 2.2. Beschikbaarheid
van alternatieve methoden De eerste stap bestond erin vast te stellen in
welke mate tegen 2013 alternatieve methoden beschikbaar zouden zijn om
cosmetische producten en ingrediënten daarvan voor de relevante eindpunten te
testen. De Commissie heeft in september 2011 aan het Europees Parlement en de
Raad een verslag overgelegd over de beschikbaarheid van alternatieve methoden[3], gebaseerd op een uitvoerig technisch
verslag dat het resultaat was van een brede wetenschappelijke input en een
openbare raadpleging[4].
De basisbevindingen van dit technisch verslag zijn nog steeds geldig en
de volledige vervanging van de eindpunten waarvoor het verbod op het in de handel
brengen in 2013 van kracht wordt door alternatieve methoden is nog niet
mogelijk. De laatste jaren is grote vooruitgang geboekt. Dat
is grotendeels te danken aan de onaflatende inspanningen van het
Referentielaboratorium van de Europese Unie voor alternatieve methoden ter
vervanging van dierproeven (EURL ECVAM), dat wordt beheerd door het
Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Commissie. Voor de
eindpunten waarop het verbod op het in de handel brengen dat in 2009 van kracht
is geworden van toepassing is, zijn alternatieve methoden met succes
gevalideerd en aangenomen als OESO-testrichtsnoeren op het gebied van
huidirritatie en ‑corrosie, fototoxiciteit en huidpenetratie.
Gedeeltelijk vervangende methoden die geschikt zijn om te worden opgenomen in
teststrategieën werden gevalideerd op de gebieden acute systemische toxiciteit
en oogirritatie, en werden aangenomen als OESO‑testrichtsnoeren op het
gebied van oogirritatie. De verfijning van de vastgestelde
in-vitrogenotoxiciteitstests en -teststrategieën zal bijdragen tot een
oplossing voor dit eindpunt. Voor de eindpunten waarvoor het verbod op het in
de handel brengen in 2013 van kracht wordt, heeft het ECVAM met succes
testmethoden gevalideerd op de gebieden huidsensibilisatie en carcinogeniteit,
die momenteel bij de OESO worden besproken. In de tabellen 1 en 2 in de bijlage is een
samenvatting opgenomen van recente validatieactiviteiten bij het ECVAM en van
de vorderingen wat de wettelijke erkenning betreft. Deze actualisering betreft
de periode van 2010 tot vandaag. Overzichten van de perioden vóór 2010 zijn
opgenomen in het technisch verslag van het ECVAM voor 2008-2009[5]. Voor de uitstaande complexe eindpunten kan één
dierproef niet door één in-vitrotest worden vervangen. Alternatieve methoden
kunnen alleen worden gevonden door middel van geïntegreerde teststrategieën,
waarbij verschillende in-vitro- en in‑silicomethoden worden gecombineerd.
Geen van de methoden voor huidsensibilisatie die momenteel worden gevalideerd
en waarnaar in de bijlage wordt verwezen zal bijvoorbeeld
huidsensibilisatietests als standalone-methode kunnen vervangen: het zijn
slechts mozaïeksteentjes in een brede teststrategie. Een uitvoeriger beschrijving van de voortgang die
wordt gemaakt met de ontwikkeling, de validering en de wettelijke erkenning van
alternatieve methoden op de verschillende toxicologische gebieden zal zijn
opgenomen in het technisch verslag van het ECVAM voor 2013, dat tegelijkertijd
met deze mededeling zal worden gepubliceerd[6].
Het bevoegde wetenschappelijke comité van de
Commissie, het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV), heeft
onlangs een geactualiseerde versie van zijn "Notes of Guidance"[7] goedgekeurd waarin het ook een
overzicht geeft van het gebruik van alternatieve methoden voor de
veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten. Het WCCV heeft ook specifieke
richtsnoeren goedgekeurd voor de veiligheidsbeoordeling van nanomaterialen in
cosmetische producten[8],
met inbegrip van de beschikbaarheid van alternatieve methoden. 2.3. Beoordeling
van de gevolgen van het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van
kracht wordt De tweede stap bestond erin een effectbeoordeling
uit te voeren en grondig na te denken over de beste aanpak van het verbod op
het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt, aangezien niet steeds
alternatieve methoden beschikbaar zijn. Deze effectbeoordeling werd
gepubliceerd als begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie bij
deze mededeling[9].
De opties die in de effectbeoordeling aan bod
komen, zijn de handhaving van het verbod op het in de handel brengen dat in
2013 van kracht wordt, de verlenging van de termijn en de invoering van een
uitzonderingsregeling. Met de uitzonderingsregeling zouden fabrikanten de
Commissie kunnen verzoeken om individuele uitzonderingen op het verbod op het
in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt voor innovatieve ingrediënten
die significante voordelen opleveren voor de gezondheid en het welzijn van
consumenten en/of voor het milieu. Uit de effectbeoordeling blijkt dat het verbod op
het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt tot gevolg kan hebben dat
de toegang tot ingrediënten van cosmetische producten wordt beperkt. De
meningen van de belanghebbenden over de gevolgen lopen evenwel uiteen. Ondanks
ernstige inspanningen om een degelijk gegevenscorpus samen te stellen, blijft
er vrij veel onzekerheid bestaan over de kwantificering van die gevolgen; het
lijkt mogelijk die gevolgen door passende maatregelen minstens te verzachten. Voor
het verbod op het in de handel brengen dat in 2009 van kracht is geworden,
konden evenmin alle testeindpunten volledig door alternatieve methoden worden
vervangen, en dat had tot nu toe geen ernstige negatieve gevolgen. Het verbod op het in de handel brengen dat in 2013
van kracht wordt, heeft geen gevolgen voor de doelstelling om een hoog niveau
van bescherming van de menselijke gezondheid te garanderen; die doelstelling
ligt ten grondslag aan de cosmeticarichtlijn en wordt in de
cosmeticaverordening nog versterkt. Een product kan eenvoudigweg niet in de
handel worden gebracht wanneer niet kan worden aangetoond dat het veilig is. In
de cosmeticaverordening worden nieuwe instrumenten verstrekt om dit te
garanderen, zoals beter markttoezicht en nieuwe regels inzake het melden van
ernstige ongewenste bijwerkingen. 2.4. Beslissen
hoe het verder moet Op basis van de effectbeoordeling is de Commissie
tot de conclusie gekomen dat de beste aanpak erin bestaat het verbod op het in
de handel brengen in 2013 van kracht te laten worden en geen wetgevingsvoorstel
in te dienen om ofwel de termijn te verlengen, ofwel in individuele
uitzonderingen te voorzien. Zij heeft daarvoor de volgende redenen. In de eerste plaats is de Commissie van oordeel
dat verdere verlengingen van de termijn voor het verbod op het in de handel
brengen dat in 2013 van kracht moet worden de politieke keuzes van het Europees
Parlement en de Raad ten tijde van de goedkeuring van de respectieve bepaling
niet zouden weerspiegelen. Overwegingen inzake dierenwelzijn motiveerden
twintig jaar geleden de invoering van de eerste bepalingen inzake het verbod op
het in de handel brengen van cosmetische producten die op dieren zijn getest[10]. Het verbod op het in de handel brengen werd
voor het eerst ingevoerd in 1993, met een termijn voor 1998, en had het
duidelijke politieke doel om een halt toe te roepen aan het gebruik van
dierproeven voor cosmetische producten. Dat verbod was niet gebaseerd op een
wetenschappelijke inschatting van wanneer voor alle dierproeven alternatieve
methoden beschikbaar zouden zijn. Zo ook hebben het Europees Parlement en de
Raad het verbod op dierproeven en het verbod op het in de handel brengen die in
2009 van kracht zijn geworden ingesteld in de wetenschap dat de desbetreffende
dierproeven tegen die tijd niet volledig door alternatieve methoden konden
worden vervangen. Het Europees Parlement en de Raad hebben het verbod op het in
de handel brengen dat in 2013 van kracht moet worden niet afhankelijk gemaakt
van de beschikbaarheid van alternatieve methoden voor alle relevante
dierproeven. Ondertussen werd dierenwelzijn opgenomen in artikel 13 van
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als een Europese
waarde waarmee in het beleid van de Unie rekening moet worden gehouden. In de tweede plaats kan een wijziging van het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt de
vastberadenheid om snel alternatieve methoden te ontwikkelen ernstig aantasten.
Ervaringen uit het verleden leren duidelijk dat de bepalingen inzake
dierproeven voor cosmetische producten de ontwikkeling van alternatieve
methoden in de sector zeer hebben versneld en een sterk signaal hebben gegeven
dat tot ver buiten de cosmeticasector en ver buiten Europa is aangekomen.
Methoden die in de cosmeticasector zijn ontwikkeld, zoals modellen van
gereconstrueerde menselijke huid, worden nu ook in andere sectoren gebruikt, en
de belangstelling voor alternatieve methoden voor cosmetische producten is in
veel landen buiten de Unie gegroeid. De bepalingen inzake dierproeven hebben
geleid tot de oprichting van het European Partnership on Alternative Approaches
to Animal Testing (EPAA)[11],
een nooit eerder geziene samenwerking tussen de Europese Commissie, Europese
vakbonden, en ondernemingen uit verschillende sectoren. De bepalingen hebben
ook bijgedragen tot een sterke stijging van het aantal gevalideerde methoden
sinds de huidige termijnen in 2003 werden vastgesteld[12]. In de derde plaats zou een uitzonderingsregeling
per geval, waardoor de Commissie van het verbod op het in de handel brengen dat
in 2013 van kracht wordt zou kunnen afwijken voor individuele ingrediënten die
significante voordelen opleveren voor de consumenten of voor het milieu, vooral
grotere producenten ten goede komen die in staat zijn om het nodige
bewijsmateriaal te verzamelen. Het zou ook leiden tot controversiële
beslissingen van de Commissie over wat een significant voordeel is, aangezien
daarvoor moeilijk objectieve criteria kunnen worden vastgesteld. Tot slot is de Commissie van oordeel dat de
mogelijke risico's die het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van
kracht wordt, inhoudt, door de Unie kunnen worden benut als een kans om het
goede voorbeeld te geven met verantwoorde innovatie op het gebied van
cosmetische producten, met positieve effecten tot buiten Europa. De behoefte
aan een nieuw paradigma voor risicobeoordeling vanuit wetenschappelijk oogpunt
wordt nu algemeen erkend[13].
Het effect reikt tot buiten de cosmeticasector – het is de bedoeling
strategieën te ontwikkelen die zullen leiden tot betere, snellere en goedkopere
instrumenten met meer voorspellende waarde om de veiligheid van chemische
stoffen voor de consument te beoordelen. Het ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden
van alternatieve methoden is een uitdaging waarvoor alle betrokkenen anders
zullen moeten gaan denken. De cosmeticasector kan ook hier een katalysator en
pionier zijn voor de ontwikkeling van deze nieuwe benaderingen. Aangezien een
volledige veiligheidsbeoordeling voor cosmetische producten die uitsluitend op
alternatieve methoden en benaderingen is gebaseerd nog niet is bereikt en voor
bepaalde aspecten zelfs nog niet in zicht is, moet evenwel het nodige kader
worden gecreëerd door: ·
het verbod op het in de handel brengen dat in 2013
van kracht wordt toe te passen en zorgvuldig toezicht te houden op de effecten
ervan; ·
het onderzoek naar en de ontwikkeling en de
validatie van alternatieve methoden voor de beoordeling van de veiligheid voor
de mens te blijven ondersteunen; en ·
alternatieve methoden op te nemen in de agenda van
de Unie voor handel en internationale samenwerking. 3. Hoe
het verder moet 3.1. Het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt toepassen en
zorgvuldig toezicht houden op de effecten ervan De effectieve en coherente toepassing en
handhaving van het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht
wordt zijn van essentieel belang – niet alleen om te garanderen dat de
doelstellingen werkelijk worden gerealiseerd, maar ook om voor marktdeelnemers
gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen. In deze mededeling staat het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt centraal. De
toepassingsmechanismen en -beginselen die erin worden beschreven gelden echter
ook voor het verbod op dierproeven en het verbod op het in de handel brengen
die in 2009 van kracht zijn geworden. Wat de toekomst betreft, biedt de
cosmeticaverordening het passende wetgevingskader om de toepassing van het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt te garanderen.
De bepalingen van deze verordening zijn vanaf 11 juli 2013 rechtstreeks
van toepassing in alle lidstaten. Het is dienovereenkomstig de taak en de
verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaten om toezicht te houden
op de naleving van de cosmeticaverordening via controle op de markt van de
cosmetische producten die op de markt worden aangeboden[14]. In de cosmeticaverordening is
de verplichting van de verantwoordelijke persoon[15] vastgesteld om de naleving van
de bepalingen inzake dierproeven te garanderen[16].
Overeenkomstig de verordening moeten de bevoegde instanties alle passende
maatregelen nemen om te garanderen dat de cosmetische producten aan de
bepalingen inzake dierproeven voldoen[17]
en moeten de lidstaten in geval van overtreding over doeltreffende, evenredige
en afschrikkende sancties beschikken[18].
Tot 11 juli 2013 blijven de bestaande toepassingsmechanismen in het kader van
de cosmeticarichtlijn van toepassing[19].
Voor de autoriteiten van de lidstaten is het
productinformatiedossier overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1,
onder h), van de cosmeticarichtlijn / artikel 11 van de
cosmeticaverordening het belangrijkste instrument om de naleving van het verbod
op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt te controleren. Dit
dossier moet gegevens bevatten "over eventuele dierproeven die door de
fabrikant, zijn gevolmachtigden of zijn leveranciers zijn verricht betreffende
de ontwikkeling of veiligheidsbeoordeling van het cosmetische product of de
ingrediënten daarvan, met inbegrip van eventuele dierproeven die zijn verricht
om te voldoen aan de voorschriften van derde landen". Daarnaast moet
het productinformatiedossier ook het productveiligheidsrapport omvatten zoals
gespecificeerd in bijlage I bij de cosmeticaverordening, dat informatie
moet bevatten over het toxicologisch profiel van de stof voor alle relevante
toxicologische eindpunten en duidelijk de bron van de informatie moet
vermelden. Uit die informatie kunnen de bevoegde instanties afleiden of voor de
veiligheidsbeoordeling gebruik is gemaakt van uit dierproeven verkregen
gegevens. Momenteel is er geen jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Unie ("het Hof") over de interpretatie
van het toepassingsgebied van het verbod op het in de handel brengen dat in
2013 van kracht wordt. De Commissie wijst erop dat alleen het Hof een wettelijk
bindende interpretatie van de wetgeving van de Unie kan geven. De Commissie zal
onder de controle van het Hof toezicht houden op de toepassing van het verbod
op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt. De Commissie zal dat
toezicht uitoefenen overeenkomstig haar huidige interpretatie van het
toepassingsgebied van het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van
kracht wordt, die gebaseerd is op de cosmeticaverordening/-richtlijn en die
geen nieuwe rechten en verplichtingen creëert. De praktische toepassing van het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt blijft een
beslissing die de autoriteit van de lidstaat voor elk geval afzonderlijk neemt.
Krachtens de cosmeticarichtlijn en de nationale omzettingsbepalingen daarvan
houden de lidstaten nu reeds toezicht op de naleving van het verbod op
dierproeven en het verbod op het in de handel brengen die in 2009 van kracht
zijn geworden. De Commissie heeft in haar laatste twee jaarverslagen verslag
uitgebracht over de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om de naleving
van deze verboden te garanderen[20].
De meeste ingrediënten die in cosmetische
producten worden gebruikt, worden ook gebruikt in veel andere
consumptiegoederen en industrieproducten, zoals farmaceutische producten,
detergenten en levensmiddelen, en het kan zijn dat dierproeven nodig zijn om te
garanderen dat die voldoen aan de wetgevingskaders die voor die producten gelden.
Ingrediënten die in cosmetische producten worden gebruikt, moeten over het
algemeen ook voldoen aan de horizontale eisen van Reach[21], en dierproeven kunnen nodig
zijn als ultiem middel om de nodige gegevens te vervolledigen. Het is bijgevolg
aan de lidstaten om deze beoordeling uit te voeren en te beslissen of
dergelijke proeven om te voldoen aan andere wettelijke kaders, worden geacht
onder het toepassingsgebied te vallen van het verbod op het in de handel te
brengen dat in 2013 van kracht wordt. Hiervoor is de formulering "om
aan de voorschriften van deze richtlijn/verordening te voldoen", die
in de cosmeticarichtlijn en in de cosmeticaverordening[22] wordt gebruikt om het
toepassingsgebied vast te stellen van het verbod op het in de handel brengen
dat in 2013 van kracht wordt, doorslaggevend. De Commissie is van oordeel dat dierproeven die
duidelijk werden uitgevoerd om te beantwoorden aan wettelijke kaders die geen
verband houden met cosmetische producten, niet mogen worden beschouwd als
dierproeven die werden uitgevoerd "om aan de voorschriften van deze
richtlijn/verordening te voldoen". De uit die dierproeven verkregen
gegevens mogen geen aanleiding geven tot een verbod op het in de handel brengen
en zouden vervolgens voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten
kunnen worden gebruikt. De gebruikmaking van dergelijke gegevens moet relevant
zijn voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten en moet voldoen
aan de eisen inzake de kwaliteit van de gegevens[23]. Proeven die voor eindpunten die relevant zijn voor
cosmetische producten worden uitgevoerd op ingrediënten die specifiek voor
cosmeticatoepassingen zijn ontwikkeld en uitsluitend in cosmetische producten
worden gebruikt, moeten volgens de Commissie steeds worden geacht te zijn uitgevoerd
"om aan de voorschriften van deze richtlijn/verordening te
voldoen". De Commissie is van oordeel dat het verbod op het
in de handel brengen geldt wanneer voor de veiligheidsbeoordeling in het kader
van de cosmeticarichtlijn/‑verordening gebruik wordt gemaakt van gegevens
verkregen uit dierproeven, en niet wegens de proeven op zich. Indien
dierproeven werden uitgevoerd om te voldoen aan eisen voor cosmetische
producten in derde landen, dan mogen die gegevens in de Unie niet worden
gebruikt voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten. In verband met de verplichting om de naleving van
de cosmeticarichtlijn/‑verordening te garanderen, moeten de lidstaten
erop toezien dat passende en doeltreffende regelingen worden ingesteld om
potentiële risico's van niet-naleving van het verbod op proeven en van het
verbod op het in de handel te brengen tegen te gaan. In voorkomend geval zal de
Commissie samen met de lidstaten werken aan richtsnoeren voor de toepassing van
het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt, die
gebaseerd zullen zijn op praktische ervaringen en concrete casestudy's. Het
platform van Europese instanties voor markttoezicht op het gebied van
cosmetische producten (Pemsac) biedt een specifieke structuur voor samenwerking
inzake markttoezicht. Om effectief markttoezicht mogelijk te maken,
moeten verantwoordelijke personen garanderen dat de datum en de plaats van de
proef duidelijk gedocumenteerd zijn wanneer in het productinformatiedossier
gebruik wordt gemaakt van gegevens die uit dierproeven zijn verkregen. Indien
de proeven hebben plaatsgevonden nadat het verbod op het in de handel brengen
in 2013 van kracht is geworden, moet op grond van het productinformatiedossier
kunnen worden gecontroleerd of de proeven werden uitgevoerd om aan de
voorschriften van de richtlijn/verordening te voldoen, dan wel voor andere
doelen. Daarom moet het dossier documentatie bevatten over het gebruik van de
stof in andere dan cosmetische producten (voorbeelden van producten, marktgegevens,
enz.), alsook documentatie over het voldoen aan andere wetgevingskaders (bv.
Reach of andere wetgevingskaders) en een verantwoording van de noodzaak om in
dat kader dierproeven uit te voeren (bv. testvoorstel in het kader van Reach). Het verbod op het in de handel brengen dat in 2013
van kracht wordt, geldt voor alle cosmetische producten die in de Unie in de
handel worden gebracht, dus evengoed voor cosmetische producten die in de Unie
worden vervaardigd als voor die welke worden ingevoerd. De bevoegde instanties
moeten toezien op gelijke concurrentievoorwaarden voor de verschillende
producten op de markt. Overwegende dat het gebrek aan alternatieve
testmethoden gevolgen zou kunnen hebben voor de innovatie wat cosmetische
producten en ingrediënten daarvan betreft en voor het concurrentievermogen van
de sector, zal de Commissie de situatie in de komende jaren op de voet volgen.
Een belangrijk toezichtsinstrument worden de jaarlijkse verslagen die de
Commissie overeenkomstig artikel 35 van de cosmeticaverordening moet
overleggen. Deze verslagen geven geregeld een overzicht van de situatie wat de
ontwikkeling, de validering en de wettelijke erkenning van alternatieve
methoden op het gebied van cosmetische producten betreft. Zoals vroeger ook
reeds het geval was, zullen deze verslagen gebaseerd zijn op technische
verslagen van het JRC van de Commissie (EURL ECVAM). Aangezien de verboden op
dierproeven ten volle van toepassing zijn, zullen de verslagen niet langer
statistische gegevens bevatten over het aantal en het soort dierproeven die
voor cosmetische producten in de Unie werden uitgevoerd. In de verslagen zullen
eventuele vrijstellingen worden opgenomen die zijn toegekend overeenkomstig
artikel 4 bis, lid 2.4, van de cosmeticarichtlijn en
artikel 18, lid 2, van de cosmeticaverordening. Op grond van deze
bepalingen kunnen de lidstaten vrijstelling vragen wanneer een probleem in
verband met de volksgezondheid wordt toegelicht voor een ingrediënt dat op
grote schaal wordt gebruikt en niet kan worden vervangen door een ander
ingrediënt met een soortgelijke functie. Tot nu toe heeft de Commissie slechts
één dergelijk verzoek ontvangen. De analyse loopt nog. Daarnaast zal de Commissie toezicht houden op
gevallen waarin door het verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van
kracht wordt geen afdoende veiligheidsbeoordeling mogelijk is. De Commissie zal
eveneens van nabij volgen welke sociaal-economische gevolgen het verbod op het
in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt heeft, met name in vergelijking
met de gegevens die in de effectbeoordeling worden vermeld en de ramingen en
voorspellingen die in die context werden gemaakt. 3.2. Verbintenis
om het onderzoek naar alsmede de ontwikkeling en de validatie van alternatieve
methoden voor de beoordeling van de veiligheid voor de mens te ondersteunen De EU wil het goede voorbeeld geven met
verantwoorde innovatie op het gebied van cosmetische producten zonder
gebruikmaking van nieuwe specifieke dierproeven. Het is derhalve van wezenlijk
belang om het onderzoek naar en de ontwikkeling van betere methoden voor de
beoordeling van de veiligheid voor de mens te blijven ondersteunen en profijt
te trekken uit de inspanningen die in het verleden zijn gedaan, door ervoor te
zorgen dat nieuwste vorderingen van de wetenschap worden omgezet in
dierproefvrije oplossingen. De Commissie heeft tussen 2007 en 2011 uitsluitend
voor onderzoek naar alternatieve methoden ter vervanging van dierproeven
ongeveer 238 miljoen EUR beschikbaar gesteld. Van dit bedrag ging het
grootste deel, zo'n 198 miljoen EUR, naar uit het zesde en het
zevende kaderprogramma en het LIFE+-programma gefinancierde projecten. De op
een na grootste tranche, ongeveer 38 miljoen EUR, werd vastgelegd bij
de institutionele begroting van het JRC, met name ter ondersteuning van de
werkzaamheden van het Instituut voor de gezondheid en de veiligheid van de
consument op het gebied van alternatieve methoden, met inbegrip van de werking
van het Referentielaboratorium van de Europese Unie voor alternatieve methoden
ter vervanging van dierproeven (EURL ECVAM). Het initiatief Seurat-1[24]
("Safety Evaluation Ultimately Replacing Animal Testing") is uniek
omdat het gezamenlijk door de Europese Commissie en de cosmetica-industrie
wordt gefinancierd, die tussen 2011 en 2015 elk 25 miljoen EUR
bijdragen. Dit is een bewijs dat de cosmetica-industrie een actieve rol speelt
bij de ontwikkeling van alternatieve testmethoden. In het kader van Seurat-1
werken meer dan zeventig Europese onderzoekteams samen binnen een cluster van
zes aanvullende projecten, waarbij hun werkzaamheden worden gefaciliteerd door
coördinatiemaatregelen. Doel van het vijfjarenprogramma Seurat-1 is om de
kennis van toxicologische processen te gebruiken voor de ontwikkeling en
rationele samenvoeging van nieuwe technologische bouwstenen die vereist zijn om
de systemische toxiciteit bij herhaalde toediening voor de mens die mogelijk
door blootstelling aan chemische stoffen wordt veroorzaakt, te kunnen
voorspellen. Ten slotte wordt met Seurat-1 beoogd het bewijs te leveren voor
centrale concepten die ten grondslag liggen aan het geloofwaardig gebruik van
combinaties van computersimulatie en in-vitromethoden ter onderbouwing van
beslissingen inzake veiligheidsbeoordeling. Het onderzoek naar alternatieve methoden staat
geenszins op het punt te worden afgerond: op velerlei gebied staat het huidige
onderzoek nog in de kinderschoenen. Horizon 2020[25] is het financieringsinstrument
voor de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie[26] en dient als kader voor de
onderzoekactiviteiten tussen 2014 en 2020. Horizon 2020 biedt de Unie de
mogelijkheid zich ook voortaan en in bredere zin in te zetten voor het
onderzoek naar alternatieve en betere methoden voor de beoordeling van de
veiligheid voor de mens, en munt te slaan uit eventuele innovatie op dit
gebied. De Commissie erkent het belang van onderzoek op
dit gebied. Tegelijkertijd is een sterk engagement nodig van de sectoren die
zouden profiteren van de ontwikkeling van nieuwe alternatieve methoden,
waaronder de cosmetica-industrie. De Commissie zal in overleg met de belanghebbenden
uit die sectoren de toekomstige onderzoekprioriteiten en de beste
uitvoeringsmechanismen vastleggen, die bijvoorbeeld de vorm van een nieuwe
publiek-private partnerschap zouden kunnen aannemen. In een recent
discussiestuk van de wetenschappelijke comités, "Addressing the New
Challenges for Risk Assessment", wordt gewezen op de onderzoekbehoeften op
het gebeid van omvangrijke gegevensbestanden met open toegang, in‑silicomethoden,
(toxicologische) werkingswijze en instrumenten voor beoordeling van de
blootstelling. Het EPAA kan eveneens een rol spelen bij het vastleggen van de
onderzoekbehoeften en onderzoekprioriteiten in de afzonderlijke bedrijfstakken,
waarbij er met name op moet worden gelet hoe kleine en middelgrote
ondernemingen bij deze activiteiten kunnen worden betrokken. Van doorslaggevend belang voor het welslagen is
ervoor te zorgen dat de alternatieve methoden, zodra zij zijn ontwikkeld, snel
ter beschikking van de eindgebruikers worden gesteld zodat hiermee voor de
regelgevende instanties aanvaardbare toxicologische informatie kan worden
gegenereerd. De Commissie zegt derhalve toe met de betreffende Europese en
internationale instanties te zullen samenwerken om het validatieproces voor
nieuwe testmethoden verder te verbeteren. Validatie is een intrinsiek onderdeel van het
wetenschappelijk proces en van fundamenteel belang voor het ingang doen vinden
van alternatieve methoden en het vertrouwen in de daarmee gegenereerde
informatie. In de afgelopen jaren heeft het EURL ECVAM van het JRC zijn
validatieproces verder verfijnd en gestroomlijnd, en meer middelen uitgetrokken
voor alternatieve methoden, onder meer door meer dan 50 leden van het
wetenschappelijk en technisch personeel hiervoor in te zetten. In Richtlijn
2010/63/EU[27]
wordt thans uitdrukkelijk naar het ECVAM verwezen en worden de bevoegdheden
daarvan duidelijk vastgelegd. Het ECVAM houdt zich niet alleen bezig met
validatiestudies, maar zal ook een grotere rol spelen bij het sturen van de
ontwikkeling van alternatieve methoden en bij vroegtijdige en frequente
contacten met de regelgevende instanties en de belanghebbenden om ervoor te
zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan de meest relevante methoden die de
grootste impact zullen hebben. Daartoe heeft het ECVAM eveneens een
adviesorgaan voor regelgevingkwesties[28]
en een forum voor belanghebbenden[29]
opgericht. Het wetenschappelijk adviescomité van het ECVAM
zal ook voortaan onpartijdig deskundig advies aanbieden, met name in het kader
van de intercollegiale toetsing van validatiestudies, en de aanbevelingen van
het ECVAM zullen het voornaamste instrument zijn voor het doorgeven van de
resultaten van de validatiestudies en van aanvullend advies over de wijze
waarop een alternatieve methode het meeste effect sorteert. Het ECVAM zal de
eindgebruikers via zijn voor het publiek toegankelijke databankdienst over
alternatieve methoden[30]
en de ECVAM-zoekgids ook verder actief van gedetailleerde informatie over
beschikbare methoden voorzien. In Verordening (EG) nr. 440/2008 van de
Commissie[31]
worden alle op EU-niveau bij regelgeving erkende testmethoden genoemd. Een
overzicht van de fasen waarin de verschillende methoden zich in het
erkenningproces bevinden is beschikbaar via het "Tracking System for
Alternative test methods Review, Validation and Approval in the Context of EU
Regulations on Chemicals"[32].
Er moet worden opgemerkt dat de tot dusverre gevalideerde en erkende
alternatieve methoden zich weliswaar lenen voor de veiligheidsbeoordeling van
cosmetische producten, maar niet uitsluitend op cosmetische ingrediënten kunnen
worden toegepast en met succes voor andere doeleinden kunnen worden ingezet.
Bijgevolg is bijlage IX bij de cosmeticarichtlijn[33] niet gewijzigd en zijn daarin
geen specifieke alternatieve methoden opgenomen. 3.3. Alternatieve
methoden als onderdeel van de agenda van de Unie voor handel en internationale
samenwerking Er bestaan dwingende redenen voor een nauwe
internationale samenwerking bij de ontwikkeling van alternatieve testmethoden
voor cosmetische producten. Cosmetische producten en de ingrediënten daarvan
worden over de hele wereld verhandeld en de Unie heeft enkele van de wereldwijd
toonaangevende cosmeticamerken voortgebracht. Een gemeenschappelijke opvatting
over de veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten en erkenning alom van
alternatieve methoden zullen de veiligheid voor de mens verbeteren en het
dierenwelzijn en de handel bevorderen, maar samenwerking is ook onontbeerlijk
omdat de daaraan ten grondslag liggende wetenschappelijke uitdagingen veel te
groot zijn om door een regio alleen te worden aangegaan. Samenwerking bij
onderzoek is derhalve een eerste belangrijk stap. Een cruciale factor voor het bereiken van
overeenstemming over instrumenten voor de veiligheidsbeoordeling is de
ontwikkeling van de OESO-testrichtsnoeren in het kader van het programma voor
bestaande chemische stoffen en de wederzijdse erkenning van gegevens. In de
OESO-testrichtsnoeren zijn alternatieve methoden opgenomen, wat van essentieel
belang is gebleken voor de internationale erkenning daarvan. De diensten van de
Commissie zijn actief betrokken bij de OESO-werkzaamheden. Wil er significante
vooruitgang kunnen worden geboekt, dan moet met name werk worden gemaakt van de
invulling die in de OESO-richtsnoeren aan geïntegreerde teststrategieën wordt
gegeven, aangezien de informatie die nodig is om de complexere eindpunten met
gevolgen voor de gezondheid te behandelen moet worden verkregen via de optimale
combinatie van dierproeven en alternatieve methoden. Op het gebied van cosmetische producten vormt de
ICCR (International Collaboration on Cosmetics Regulation) een belangrijk forum
voor samenwerking tussen de Verenigde Staten, Canada, Japan en Europa. Sinds de
oprichting ervan zijn alternatieven voor dierproeven een belangrijk
aandachtspunt voor de ICCR. De ICCR werkt sinds kort aan
in-silicovoorspellingsmodellen (via computersimulatie), die naast
in-vitromethoden cruciaal zijn voor de bevordering van alternatieve wijzen van
aanpak van de veiligheidsbeoordeling. De ICCR is er eveneens mee begonnen
niet-leden zoals Australië, Brazilië en de Volksrepubliek China bij de
werkzaamheden te betrekken. Een van de belangrijkste prestaties van de ICCR in
verband met alternatieve methoden is ontegenzeglijk de oprichting van de
International Cooperation on Alternative Test Methods in 2009. Hierin werken de
validatie-instanties van Europa, de Verenigde Staten, Japan en Canada samen. De
Zuid-Koreaanse validatie-instantie heeft zich in 2010 aangesloten. De
samenwerking is erop gericht de validatie van alternatieve methoden wereldwijd
te bevorderen en te harmoniseren, dubbel werk te voorkomen en te waarborgen dat
aanbevelingen inzake gevalideerde methoden wederzijds aanvaardbaar zijn en
rechtstreeks in verschillende rechtssystemen kunnen worden toegepast. Voorts
wordt hiermee de vaststelling beoogd van gemeenschappelijke standpunten over
gevalideerde methoden tussen de landen die bij de OESO zijn aangesloten en de
partnerorganisaties teneinde de erkenning van die methoden op internationaal
niveau te versnellen. Het EPAA heeft zich in 2012 vooral toegelegd op
internationale samenwerking en zal dat ook in 2013 blijven doen, wat opnieuw
een kans is om het gebruik van alternatieven op internationaal niveau te
promoten. De cosmetica-industrie (Cosmetics Europe[34] en diverse ondernemingen) is
een van de stuwende krachten hierin en heeft in 2012 gezelschap gekregen van de
parfumindustrie (IFRA). De Commissie is ervan overtuigd dat de algemene
langetermijndoelstelling om waar dat mogelijk is dierproeven te vervangen en
over te schakelen op een nieuwe en verbeterde veiligheidsbeoordeling
uiteindelijk door veel handelspartners van de Unie zal worden gedeeld, ook al
bevinden verschillende regio's zich in verschillende fasen van het proces en
kunnen de methoden om de doelstelling te bereiken verschillen. In de laatste
weken zijn er bemoedigende signalen opgevangen dat andere landen zoals Israel
en India overwegen om het voorbeeld van de Unie voor dierproeven voor het
testen van cosmetische producten te volgen. De Commissie is er dan ook van overtuigd dat het
thema alternatieve testmethoden voor cosmetische producten bovenaan de agenda
van de Unie voor handel en internationale samenwerking moet komen te staan. Zij
zal trachten dit thema op de agenda van alle relevante multilaterale en
bilaterale bijeenkomsten inzake cosmetische producten in 2013 te plaatsen, met
name van de bijeenkomsten met de Verenigde Staten en China, maar ook in de
contacten met Brazilië en India. De Commissie zal hierbij streven naar
synergieën met de internationale initiatieven van de bedrijfstak en
dierenwelzijnorganisaties. 4. Conclusies Het verbod op het in de handel brengen dat in de
cosmeticarichtlijn/-verordening voor 2013 is voorzien, wordt op 11 maart
2013 van kracht. Hiermee wordt een proces afgesloten dat twintig jaar geleden
is begonnen met het oog op de geleidelijke afschaffing van dierproeven voor de
veiligheidsbeoordeling van cosmetische producten. Er zijn de afgelopen jaren
veelbelovende resultaten geboekt bij de bevordering van alternatieve methoden
voor dierproeven, hoewel een volledige vervanging daarvan nog niet mogelijk is
en nog enige tijd op zich zal laten wachten. De Commissie is evenwel de mening
toegedaan dat de meest geschikte beleidskoers erin bestaat het verbod op het in
de handel brengen in 2013 van kracht te laten worden en de uitdagingen die het
verbod meebrengt om te zetten in kansen, met name door - te zorgen voor een coherente toepassing van het
verbod op het in de handel brengen dat in 2013 van kracht wordt en toezicht te
houden op de effecten ervan; - ondersteuning te blijven bieden voor het
onderzoek naar en de ontwikkeling en de validatie van nieuwe alternatieve
methoden voor het testen van de veiligheid voor de mens; en - "alternatieve methoden" een vaste
plaats op de agenda van de Unie voor handel en internationale samenwerking te
geven. Van het verbod op het in de handel brengen gaat
een belangrijk signaal uit, niet alleen voor de waarde die in de EU aan
dierenwelzijn wordt gehecht, maar ook voor de algemene omslag in het denken
over de beoordeling van de veiligheid voor de mens. Bijlage Tabel 1: Status van de validatie van in-vitrotestmethoden bij EURL ECVAM sinds 2010 Nr. || Soort toxiciteit || Beschrijving van testmethode || Validatiestatus[35] 1 || Carcinogeniteit || Celtransformatietest (CTA) SHE || Aanbeveling van EURL ECVAM gepubliceerd in 2011 2 || || Celtransformatietest (CTA) Balb/C || Aanbeveling van EURL ECVAM gepubliceerd in 2011 3 || || Celtransformatietest (CTA) BHAS || Peer review door ESAC afgesloten 4 || Huidsensibilisatie || Testmethode KeratinoSens || Peer review door ESAC afgesloten 5 || || Direct Peptide Reactivity Assay (DPRA) || Peer review door ESAC afgesloten 6 || || Human Cell Line Activation Test (h-CLAT) || Peer review door ESAC zal naar verwachting in 2013 beginnen 7 || Acute orale toxiciteit || Testmethode 3T3 Neutral Red Uptake (NRU) || Openbare raadpleging over ontwerpaanbeveling van EURL ECVAM in 2012 8 || Toxicokinetiek || Inductietest Cytochrome P450 (CYP) met gebruikmaking van gecryopreserveerde menselijke cellijn HepaRG® en gecryopreserveerde menselijke hepatocyten || Peer review door ESAC zal naar verwachting in 2013 beginnen 9 || Oogirritatie || Model met gereconstrueerd menselijk weefsel (EpiOcular™ EIT) || Peer review door ESAC zal naar verwachting in 2013 beginnen 10 || || Model met gereconstrueerd menselijk weefsel (SkinEthic™ HCE) || Peer review door ESAC zal naar verwachting in 2013 beginnen 11 || Hormoonontregeling || MELN® -oestrogeenreceptor-transactivatietest (agonisten- en antagonistenprotocollen) || Peer review door ESAC zal naar verwachting in 2013 beginnen 12 || || Androgeenreceptortransactivatietest (agonisten- en antagonistenprotocollen) || Validatie door EURL ECVAM zal naar verwachting in 2013 beginnen 13 || || Androgeenreceptortransactivatietest (agonisten- en antagonistenprotocollen) || Validatie door EURL ECVAM zal naar verwachting in 2013 beginnen Tabel 2: Status van de wettelijke erkenning van in-vitrotestmethoden sinds 2010 Nr. || Soort toxiciteit || Beschrijving van testmethode || Stand van erkenning 1 || Huidcorrosie || Testmethoden op basis van gereconstrueerde humane epidermis (RhE) overeenkomstig TG 431 van OESO[36]/TM B.40bis van EU[37] || Erkend in 2004, geactualiseerde versie (onderverdeling, prestatienormen, opneming van SkinEthic™, RHE en epiCS®) zal in 2013 in WNT[38] worden besproken 2 || || Test op basis van transcutane elektrische weerstand (TEW) overeenkomstig TG 430 van OESO/TM B.40 van EU || Erkend in 2004, geactualiseerde versie (prestatienormen) zal in 2013 in WNT worden besproken 3 || Huidirritatie || Testmethoden op basis van gereconstrueerde humane epidermis (RhE) overeenkomstig TG 439 van OESO/TM B.46 van EU || Erkend in 2010, geactualiseerde versie (prestatienormen, opneming van LabCyte EPI-model) zal in 2013 in WNT worden besproken 4 || Oogirritatie || FL-testmethode (voor opsporen van fluoresceïnelekkage) overeenkomstig TG 460 van OESO || Erkend in 2012 5 || || BCOP-testmethode (voor vaststellen van troebelheid en permeabiliteit van boviene cornea) overeenkomstig TG 437 van OESO/TM B.47 van EU || Erkend in 2009, geactualiseerde versie (positieve controle, gebruik in bottom-up-benadering voor identificeren van niet-ingedeelde chemische stoffen) zal in 2013 in WNT worden besproken 6 || || ICE-testmethode (Isolated Chicken Eye) overeenkomstig TG 438 van OESO/TM B.48 van EU || Erkend in 2009, geactualiseerde versie (gebruik in bottom-up-benadering voor identificeren van niet-ingedeelde chemische stoffen) zal in 2013 in WNT worden besproken 7 || || CM-testmethode (Cytosensor microphysiometer) || Nieuwe ontwerp-TG zal in 2013 in WNT worden besproken 8 || Carcinogeniteit || Celtransformatietest (CTA) SHE || Nieuwe ontwerp-TG zal in 2013 in WNT worden besproken 9 || Genotoxiciteit || Huidige TG's van OESO worden momenteel herzien || Ontwerp van TG 473 van OESO (in-vitrotest op chromosoomafwijkingen) en van TG 487 van OESO (in-vitromicronucleustest) zullen in 2013 in WNT worden besproken 10 || Hormoonontregeling || Oestrogeenreceptortransactivatietest (BG1Luc ER TA; agonisten- en antagonistenprotocollen) overeenkomstig TG 457 van OESO || Erkend in 2012 11 || || Op prestaties gebaseerde testrichtsnoer voor in-vitrotests op basis van stabiele transfectie en transactivatie voor opsporen van oestrogeenreceptor-agonisten (TG 455 van OESO) || Erkend in 2012 [1] Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976
betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake
cosmetische producten, PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169. [2] Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement
en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten,
PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59. [3] Verslag over de ontwikkeling, validering en wettelijke
erkenning van alternatieve methoden voor dierproeven op het gebied van
cosmetische producten (2009), 13.9.2011, COM(2011) 558 definitief. [4] "Alternative (non-animal) methods for cosmetics
testing: current status and future prospects—2010", zie: http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/files/pdf/animal_testing/final_report_at_en.pdf [5] Zuang
et al., 2010 , zie: http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/files/pdf/animal_testing/at_ecvam_2008-2009_en.pdf [6] Zie: http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/documents/animal-testing/index_en.htm [7] The SCCS'S Notes of Guidance for the testing of
cosmetic substances and their safety evaluation, 8e herziening,
SCCS/1501/12, zie:
http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/consumer_safety/docs/sccs_s_006.pdf [8] Guidance on the Safety Assessment of Nanomaterials in
Cosmetics, SCCS/1484/12, zie:
http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/consumer_safety/docs/sccs_s_005.pdf [9] Zie http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/animal-testing/index_en.htm [10] Richtlijn 93/35/EEG, PB L 151 van 23.6.1993, blz. 32. [11] Zie: http://ec.europa.eu/enterprise/epaa/ [12] Sinds 2003 en 2009 zijn er 13 nieuwe methoden bijgekomen,
tegenover slechts 6 tussen 1998 en 2002. [13] Zie het recente discussiestuk van de wetenschappelijke
comités "Addressing the New Challenges for Risk Assessment" (http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/emerging/docs/scenihr_o_037.pdf). [14] Artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1223/2009. [15] Zoals gedefineerd in artikel 4 van Verordening (EG)
nr. 1223/2009. [16] Artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1223/2009.
[17] Artikel 25, lid 1, onder g), en
artikel 25, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1223/2009. [18] Artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1223/2009. [19] Artikel 3 van Richtlijn 76/768/EEG. [20] Zie: http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/files/pdf/animal_testing/annual_report2009.pdf en
http://ec.europa.eu/consumers/sectors/cosmetics/files/pdf/animal_testing/at_report_2008.pdf [21] Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en
beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische
stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische
stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van
Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG)
nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en
de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de
Commissie, PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3. [22] Zie artikel 4 bis, lid 1, onder b), van de
cosmeticarichtlijn en artikel 18, lid 1, onder b), van de cosmeticaverordening.
[23] Artikel 7 bis, lid 2, van Richtlijn 76/768/EEG en artikel
10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1223/2009. [24] Zie http://www.seurat-1.eu [25] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad tot vaststelling van Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor
onderzoek en innovatie (2014-2020), COM(2011) 809 definitief. [26] Mededeling van de Commissie – Europa 2020-kerninitiatief
Innovatie-Unie, COM(2010) 546 definitief. [27] Richtlijn 2010/63/EU betreffende de bescherming van dieren
die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, PB L 276 van
20.10.2010, blz. 33. [28] Parere (Preliminary Assessment of Regulatory Relevance). [29] Estaf (ECVAM Stakeholder Forum). [30] http://ecvam-dbalm.jrc.ec.europa.eu/ [31] Zie artikel 10, lid 3, van Verordening (EG)
nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende
cosmetische producten, PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59. [32] Zie http://tsar.jrc.ec.europa.eu/ [33] Equivalent aan bijlage VIII bij de
cosmeticaverordening; beide bijlagen geven een opsomming van de gevalideerde
alternatieve methoden, die niet worden opgevoerd in Verordening (EG) nr.
440/2008 van de Commissie. [34] Cosmetics Europe is de brancheorganisatie die de Europese
cosmetica-industrie vertegenwoordigt. [35] Met "validatiestatus" worden de verschillende
stappen van het validatieproces bedoeld. [36] Met "TG van OESO" worden de
OESO-testrichtsnoeren bedoeld. [37] Met "TM van EU" worden de in Verordening (EG)
nr. 440/2008 van de Commissie opgesomde methoden bedoeld. [38] Werkgroep van nationale coördinatoren van het
testrichtsnoerenprogramma van de OESO.