This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012PC0236
Proposal for a DECISION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on the conclusion of the Nagoya-Kuala Lumpur Supplementary Protocol on Liability and Redress to the Cartagena Protocol on Biosafety
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD on the conclusion of the Nagoya-Kuala Lumpur Supplementary Protocol on Liability and Redress to the Cartagena Protocol on Biosafety
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD on the conclusion of the Nagoya-Kuala Lumpur Supplementary Protocol on Liability and Redress to the Cartagena Protocol on Biosafety
/* COM/2012/0236 final - NLE 2012/0120 */
BIJLAGE bij het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de sluiting van het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid Tekst van de overeenkomst AANVULLEND PROTOCOL VAN NAGOYA-KUALA LUMPUR INZAKE AANSPRAKELIJKHEID EN SCHADELOOSSTELLING BIJ HET PROTOCOL VAN CARTAGENA INZAKE BIOVEILIGHEID /* COM/2012/0236 final - NLE 2012/0120 */
TOELICHTING Het
Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), dat op 29 december 1993 in
werking is getreden, is momenteel het belangrijkste internationale instrument
voor het aanpakken van biodiversiteitsvraagstukken. De drie doelstellingen van
dat verdrag zijn het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame
gebruik van de bestanddelen daarvan en de eerlijke en billijke verdeling van de
voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen. Bioveiligheid,
één van de kwesties die in het verdrag aan de orde zijn, betreft de noodzaak om
de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen mogelijke nadelige
effecten van de producten van de moderne biotechnologie. De Conferentie van de
Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP) heeft op haar in
november 1995 gehouden tweede vergadering, overeenkomstig artikel 19,
lid 3, van het CBD, voor onbepaalde tijd een ad hoc-werkgroep
bioveiligheid ingesteld die werd belast met het opstellen van een ontwerp-protocol
inzake bioveiligheid. Daarbij moest specifiek aandacht worden besteed aan
grensoverschrijdende verplaatsingen van veranderde levende organismen. Deze
werkgroep is tussen juli 1996 en februari 1999 zes maal bijeengekomen. Het Protocol van
Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit
is op 29 januari 2000 aangenomen als een aanvullende overeenkomst bij het
CBD en op 11 september 2003 in werking getreden. Deze internationale
overeenkomst voorziet in een op het voorzorgbeginsel gebaseerd kader voor
veilige overdracht, veilige hantering en veilig gebruik van veranderde levende
organismen (VLO’s) die zijn voortgekomen uit de moderne biotechnologie en die
nadelige gevolgen kunnen hebben voor het behoud en het duurzame gebruik van de
biologische diversiteit of risico's kunnen opleveren voor de gezondheid van de
mens. Artikel 27 van
het Protocol van Cartagena machtigt de Conferentie van de Partijen die als
Vergadering van de Partijen bij het Protocol (COP/MOP) fungeert om tijdens haar
eerste vergadering een officieel proces op te starten ter uitwerking van
passende internationale voorschriften en procedures op het gebied van
aansprakelijkheid en schadeloosstelling voor schade die voortvloeit uit de
grensoverschrijdende verplaatsing van VLO's. Daarbij was het de bedoeling dit
proces binnen vier jaar (d.w.z. tegen 2008) af te ronden. Tijdens COP/MOP1, die
van 23 tot en met 27 februari 2004 te Kuala Lumpur heeft plaatsgevonden, is
voor onbepaalde tijd een ad hoc-werkgroep van juridische en technische
deskundigen inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling in de context van
het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid ingesteld om de vraagstukken te
analyseren, opties uit te tekenen en internationale voorschriften en procedures
ter zake voor te stellen. In mei 2008 is
tijdens de in Bonn gehouden COP/MOP4 een politieke doorbraak in de
onderhandelingen bereikt, ook al zijn de overeengekomen resultaten er nog niet
in een definitieve vorm gegoten. De Partijen hebben daarom afgesproken om
tijdens COP/MOP5 te Nagoya, Japan, in oktober 2010 werk te maken van de
voltooiing van een juridisch bindend instrument en voorts richtsnoeren inzake
wettelijke aansprakelijkheid te ontwikkelen. Dit juridisch bindend instrument,
dat in ruime mate geïnspireerd is op de EU-richtlijn betreffende
milieuaansprakelijkheid (RMA)[1],
zou nationale instanties de mogelijkheid bieden om op te treden in het algemeen
belang en van exploitanten herstelmaatregelen te verlangen wanneer VLO's schade
toebrengen aan de biodiversiteit – iets wat met name in veel
ontwikkelingslanden een nieuwigheid zou zijn. De
slotonderhandelingen over het juridisch bindend instrument en de richtsnoeren
inzake wettelijke aansprakelijkheid werden gevoerd door een groep 'Vrienden van
de medevoorzitters' (FoC), waarbij 26 van de 157 Partijen bij het Protocol van
Cartagena alsmede adviseurs van andere partijen waren betrokken. De EU
beschikte over twee plaatsen aan de onderhandelingstafel. In juni 2007 werd de
Commissie formeel door de Raad gemachtigd om als onderhandelaar voor de EU op
te treden met betrekking tot het juridisch bindend instrument. Deze machtiging
werd na COP/MOP4 verlengd. De onderhandelingsrichtsnoeren werden meermaals
verfijnd en instrueerden de Commissie ervoor te zorgen dat de resultaten van de
onderhandelingen in overeenstemming waren met de relevante wetgeving van de
Unie en met de basisbeginselen van de wetgeving van de lidstaten inzake
aansprakelijkheid en schadeloosstelling. Verder moesten zij in de EU kunnen
worden toegepast zonder essentiële regels inzake wettelijke aansprakelijkheid
te wijzigen of in te voeren. Op 15 oktober 2010
werd, aansluitend op de definitieve onderhandelingen in Nagoya, tijdens de
plenaire zitting van COP/MOP5 een internationale overeenkomst, 'Aanvullend
Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur bij het Protocol van Cartagena inzake
bioveiligheid'[2]
genoemd, aangenomen. Het besluit van
COP/MOP5 tot aanneming van het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur
roept de partijen bij het CBD op, het protocol zo spoedig mogelijk te
ondertekenen en hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dan wel,
in voorkomend geval, hun akte van toetreding zo spoedig mogelijk neer te
leggen. Op 20 december
2010 heeft de Raad uiting gegeven aan zijn tevredenheid over de aanneming van
het Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur[3]
en op 11 mei 2011 heeft de Europese Unie het Aanvullend Protocol
ondertekend. In
de Europese Unie worden de bepalingen van het Protocol van Cartagena inzake
bioveiligheid ten uitvoer gelegd middels de Europese wetgeving inzake
bioveiligheid, waarvan de hoeksteen het voorzorgsbeginsel blijft. De bepalingen
inzake aansprakelijkheid van het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur
worden bestreken door Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking
tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Die richtlijn stelt een op
het 'de vervuiler betaalt'-beginsel gebaseerd kader in dat de vervuiler
verplicht te betalen voor de milieuschade die hij heeft veroorzaakt. Nadat die
richtlijn op 30 april 2004 van kracht was geworden, beschikten de
EU-lidstaten over drie jaar om ze in intern recht om te zetten. In juli 2010
had de laatste lidstaat de omzetting voltooid. De richtlijn milieuaansprakelijkheid
is al twee keer gewijzigd, namelijk bij Richtlijn 2006/21/EG betreffende het
beheer van afval van winningsindustrieën en bij Richtlijn 2009/31/EG
betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van diverse
richtlijnen. Krachtens artikel 34 van het Verdrag inzake
biologische diversiteit kan elk protocol bij dat verdrag door staten en
regionale organisaties voor economische integratie worden bekrachtigd, aanvaard
of goedgekeurd. Krachtens artikel 34, lid 3, van het verdrag moeten regionale
organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake
van de door het protocol geregelde aangelegenheden aangeven. Om aan deze
verplichting te voldoen, heeft de Commissie de aan dit voorstel gehechte
verklaring opgesteld. Overeenkomstig het voorafgaand advies van het
Hof van Justitie[4]
dient het besluit over de sluiting van het Aanvullend Protocol te worden
gebaseerd op artikel 192, lid 1, van het VWEU in samenhang met
artikel 218, lid 6, onder a), van het VWEU. In het licht van het voorgaande stelt de
Commissie voor dat de Raad de voorzitter machtigt de persoon of personen aan te
wijzen die bevoegd is/zijn om de akte van goedkeuring van het Aanvullend
Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur namens de Unie neer te leggen, en hem/hun de
nodige volmachten te verlenen. 2012/0120 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting van het Aanvullend
Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling
bij het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid (Voor de EER relevante tekst) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 192 in samenhang met artikel 218, lid 6,
onder a), Gezien het voorstel van de Europese Commissie[5], Gezien de instemming van het Europees
Parlement[6], Overwegende hetgeen volgt: (1) Artikel 27 van het
Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid verplichtte de Partijen op de
eerste bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen die als Conferentie van
de Partijen bij het Protocol fungeert, een proces op te starten met betrekking
tot de uitwerking van passende internationale voorschriften en procedures op
het gebied van aansprakelijkheid en schadeloosstelling voor schade die
voortvloeit uit de grensoverschrijdende verplaatsing van veranderde levende
organismen. (2) In juni 2007 heeft de Raad
een besluit vastgesteld waarbij de Commissie gemachtigd wordt om namens de Unie
deel te nemen aan de onderhandelingen over aansprakelijkheid en
schadeloosstelling wat betreft zaken die onder de bevoegdheid van de Unie
vallen, overeenkomstig bepaalde onderhandelingsrichtsnoeren. Deze machtiging is
in oktober 2008 verlengd tot de eindfase van de onderhandelingen. (3) Tijdens de vijfde Conferentie
van de Partijen die als Conferentie van de Partijen bij het Protocol fungeert,
welke werd gehouden te Nagoya, Japan, heeft de EU op 11 oktober 2010
unaniem haar steun uitgesproken voor het definitieve compromis over het
Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur inzake aansprakelijkheid en
schadeloosstelling, nadat was gebleken dat dit voldeed aan de overeengekomen
EU-standpunten en aan de onderhandelingsrichtsnoeren die de Commissie had
gekregen. (4) Op 15 oktober 2010 werd op de
laatste plenaire zitting van COP/MOP5 het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala
Lumpur inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij het Protocol van
Cartagena inzake bioveiligheid aangenomen. (5) De Raad betuigde op 20
december 2010 zijn instemming met de aanneming van het Aanvullend Protocol van
Nagoya-Kuala Lumpur. (6) Overeenkomstig een besluit
van de Raad van 6 mei 2011[7]
is het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur inzake aansprakelijkheid en
schadeloosstelling bij het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid op
11 mei 2011 door de Unie ondertekend onder voorbehoud van de sluiting
ervan op een latere datum. (7) Krachtens artikel 34 van het
Verdrag inzake biologische diversiteit kan elk protocol bij dat verdrag door
staten en regionale organisaties voor economische integratie worden
bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. (8) Het Aanvullend Protocol van
Nagoya-Kuala Lumpur inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij het
Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid draagt bij tot het bereiken van de
doelstellingen van het milieubeleid van de Unie. Derhalve dient dit protocol zo
spoedig mogelijk namens de Unie te worden gesloten. (9) De overeenkomst dient namens
de Europese Unie te worden goedgekeurd, HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD: Artikel 1 Het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala
Lumpur inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij het Protocol van
Cartagena inzake bioveiligheid wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd. De tekst van de overeenkomst is aan dit
besluit gehecht. Artikel 2 De voorzitter van de Raad wijst de persoon aan
die gemachtigd is om namens de Europese Unie de in artikel 18 van de
overeenkomst genoemde akte van goedkeuring neer te leggen, waarmee de
instemming van de Europese Unie om door de overeenkomst gebonden te zijn tot
uiting wordt gebracht. Deze akte van goedkeuring wordt tegelijk met die van de
lidstaten neergelegd. Tegelijkertijd legt de aangewezen persoon de in de
bijlage bij dit besluit opgenomen verklaring neer overeenkomstig
artikel 34, lid 3, van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Artikel 3 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter BIJLAGE VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE OVEREENKOMSTIG
ARTIKEL 34, LID 3, VAN HET VERDRAG INZAKE BIOLOGISCHE DIVERSITEIT De Europese Unie
verklaart dat zij, overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, en met name artikel 191, bevoegd is om toe te treden tot
internationale overeenkomsten, en om de daaruit voortvloeiende verplichtingen
na te komen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de volgende
doelstellingen: –
behoud, bescherming en verbetering van de
kwaliteit van het milieu; –
bescherming van de gezondheid van de mens; –
behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke
hulpbronnen; –
bevordering op internationaal vlak van
maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen,
met inbegrip van klimaatverandering. Voorts stelt de
Europese Unie maatregelen op EU-niveau vast op het gebied van justiciële
samenwerking in burgerlijke zaken met het oog op de goede werking van haar
interne markt. De Europese
Unie verklaart dat zij met betrekking tot alle onder dit protocol vallende
zaken reeds wettelijke instrumenten heeft vastgesteld die bindend zijn voor
haar lidstaten. [1] Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot
het voorkomen en herstellen van milieuschade. [2] http://bch.cbd.int/protocol/NKL_text.shtml [3] Zie de conclusies van de Raad "Verdrag inzake
biodiversiteit: resultaat en follow-up van de Conferentie van Nagoya (11-29
oktober 2010)" van 20 december 2010, punt 2. [4] Advies 2/2000 van het EHJ, 6 december 2001. [5] … [6] … [7] Nog niet gepubliceerd besluit. BIJLAGE
bij het
Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de
sluiting van het Aanvullend Protocol van Nagoya-Kuala Lumpur inzake
aansprakelijkheid en schadeloosstelling bij het Protocol van Cartagena inzake
bioveiligheid Tekst van de overeenkomst
AANVULLEND PROTOCOL VAN NAGOYA-KUALA LUMPUR INZAKE AANSPRAKELIJKHEID EN
SCHADELOOSSTELLING BIJ HET PROTOCOL VAN CARTAGENA INZAKE BIOVEILIGHEID De Partijen bij dit Aanvullend
Protocol, Partij zijnde bij
het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake
biologische diversiteit, hierna te noemen “het Protocol”, Rekening houdende
met Beginsel 13 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, Opnieuw bevestigende de voorzorgbenadering die is opgenomen in Beginsel 15 van de
Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, Erkennende de
noodzaak op een met het Protocol verenigbare wijze te voorzien in passende
tegenmaatregelen bij schade of een gerede kans op schade, Herinnerend aan
artikel 27 van het Protocol, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1
Doel Het doel van dit Aanvullend Protocol is bij te
dragen aan het behoud en duurzaam gebruik van biologische diversiteit, waarbij
ook rekening wordt gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens,
door het vaststellen van internationale voorschriften en procedures op het
gebied van aansprakelijkheid en schadeloosstelling met betrekking tot
veranderde levende organismen. Artikel 2
Begripsomschrijvingen 1.
De begripsomschrijvingen in artikel 2 van het
Verdrag inzake biologische diversiteit, hierna te noemen “het Verdrag”, en
artikel 3 van het Protocol zijn van toepassing op dit Aanvullend Protocol. 2.
Voor de toepassing van dit Aanvullend Protocol
wordt voorts verstaan onder: (a) de “Conferentie van de Partijen die als
Vergadering van de Partijen bij het Protocol fungeert”: de Conferentie van de
Partijen bij het Verdrag die als Vergadering van de Partijen bij het Protocol
fungeert; (b) “schade”: een nadelig effect op het
behoud en duurzaam gebruik van biologische diversiteit, waarbij ook rekening
wordt gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens, dat: (i) meetbaar of anderszins waarneembaar is,
rekening houdend met door een bevoegde autoriteit erkende wetenschappelijk
vastgestelde uitgangswaarden, indien beschikbaar, waarbij rekening wordt
gehouden met andere door de mens veroorzaakte variaties en natuurlijke
variaties; en (ii) aanzienlijk is, zoals omschreven in
lid 3; (c) “exploitant”: elke persoon die direct of
indirect controle uitoefent over het veranderde levende organisme, waaronder
onder andere, naargelang het geval en zoals bepaald in het nationale recht, de
vergunninghouder, de persoon die het veranderde levende organisme op de markt
heeft gebracht, de ontwikkelaar, de producent, de kennisgever, de uitvoerder,
de invoerder, de vervoerder of de leverancier kan worden verstaan; (d) “tegenmaatregelen”: redelijke maatregelen
teneinde: (i) schade te voorkomen, tot een minimum te
beperken, te beheersen, te verminderen of op andere wijze te vermijden,
naargelang het geval; (ii) de biologische diversiteit te
herstellen door maatregelen die in de onderstaande volgorde van voorkeur dienen
te worden getroffen: (a) herstel van de biologische diversiteit in
de toestand die bestond voordat de schade optrad of in een toestand die deze zo
dicht mogelijk benadert; en indien de bevoegde autoriteit zulks niet mogelijk
acht; (b) herstel door onder andere het verlies aan
biologische diversiteit te compenseren door andere componenten van biologische
diversiteit voor dezelfde of een ander type toepassing op dezelfde of,
naargelang het geval, op een alternatieve locatie. 3.
Een “aanzienlijk” nadelig effect wordt vastgesteld
op grond van factoren als: (a) een verandering op de lange termijn dan
wel een permanente verandering, waaronder wordt verstaan een verandering die
niet langs natuurlijke weg binnen een redelijke termijn kan worden hersteld; (b) de omvang van de kwalitatieve of
kwantitatieve veranderingen die nadelige effecten hebben voor de componenten
van biologische diversiteit; (c) de beperking van het vermogen van
componenten van biologische diversiteit om goederen en diensten te leveren; (d) de omvang van eventuele nadelige effecten
voor de gezondheid van de mens in de context van het Protocol. Artikel 3
Reikwijdte 1.
Dit Aanvullend Protocol is van toepassing op schade
die wordt teweeggebracht door veranderde levende organismen afkomstig uit een
grensoverschrijdende verplaatsing. De betreffende veranderde levende organismen
zijn: (a) bedoeld voor direct gebruik als
voedingsmiddel of diervoeder, of voor be- of verwerking; (b) bestemd voor ingeperkt gebruik; (c) bedoeld voor doelbewuste introductie in
het milieu. 2.
Ten aanzien van doelbewuste grensoverschrijdende
verplaatsingen is dit Aanvullend Protocol van toepassing op schade die
voortvloeit uit elk toegestaan gebruik van de in lid 1 bedoelde veranderde
levende organismen. 3.
Dit Aanvullend Protocol is tevens van toepassing op
schade die voortvloeit uit onbedoelde grensoverschrijdende verplaatsingen,
bedoeld in artikel 17 van het Protocol, alsmede op schade die voortvloeit
uit illegale grensoverschrijdende verplaatsingen, bedoeld in artikel 25
van het Protocol. 4.
Dit Aanvullend Protocol is van toepassing op schade
die voortvloeit uit de grensoverschrijdende verplaatsing van veranderde levende
organismen die is aangevangen na de inwerkingtreding van dit Aanvullend
Protocol voor de Partij naar wier rechtsgebied de grensoverschrijdende
verplaatsing plaatsvond. 5.
Dit Aanvullend Protocol is van toepassing op schade
die zich voordoet binnen de grenzen van het nationale rechtsgebied van
Partijen. 6.
De Partijen kunnen in hun nationale recht vervatte
criteria hanteren voor het aanpakken van schade die zich voordoet binnen de
grenzen van hun nationale rechtsgebied. 7.
Het nationale recht ter uitvoering van dit
Aanvullend Protocol is tevens van toepassing op schade die voortvloeit uit
grensoverschrijdende verplaatsingen van veranderde levende organismen afkomstig
van niet-Partijen. Artikel 4
Causaal verband Een causaal verband dient te worden
vastgesteld tussen de schade en het betreffende veranderde levende organisme
overeenkomstig het nationale recht. Artikel 5
Tegenmaatregelen 1.
In het geval van schade verplichten Partijen de
betrokken exploitant of exploitanten, met inachtneming van eventuele vereisten
van de bevoegde autoriteit: (a) de bevoegde autoriteit onverwijld te informeren; (b) de schade te beoordelen; en (c) passende tegenmaatregelen te nemen. 2.
De bevoegde autoriteit: (a) stelt de identiteit vast van de
exploitant die de schade heeft veroorzaakt; (b) beoordeelt de schade; en (c) bepaalt welke tegenmaatregelen door de
exploitant zouden moeten worden genomen. 3.
Indien uit relevante informatie, met inbegrip van
beschikbare wetenschappelijke informatie of informatie die beschikbaar is via
het uitwisselingscentrum voor bioveiligheid, blijkt dat er een gerede kans
bestaat dat schade zal optreden wanneer niet tijdig tegenmaatregelen worden
genomen, wordt de exploitant verplicht passende tegenmaatregelen te nemen
teneinde dergelijke schade te vermijden. 4.
De bevoegde autoriteit kan passende
tegenmaatregelen nemen, met name ook wanneer de exploitant zulks verzuimd
heeft. 5.
De bevoegde autoriteit heeft het recht de kosten en
uitgaven van en verband houdend met de beoordeling van de schade en de uitvoering
van dergelijke passende tegenmaatregelen op de exploitant te verhalen. De
Partijen kunnen in hun nationale recht voorzien in andere omstandigheden waarin
niet verlangd kan worden dat de kosten en uitgaven voor rekening komen van de
exploitant. 6.
Besluiten van de bevoegde autoriteit die de
exploitant verplichten tot het nemen van tegenmaatregelen dienen met redenen te
worden omkleed. De exploitant dient van dergelijke besluiten in kennis te
worden gesteld. Het nationale recht voorziet in rechtsmiddelen, met inbegrip
van de gelegenheid tot bestuursrechtelijke of gerechtelijke toetsing van
dergelijke besluiten. De bevoegde autoriteit stelt de exploitant overeenkomstig
het nationale recht tevens in kennis van de beschikbare rechtsmiddelen. Het
beroep op dergelijke rechtsmiddelen belet de bevoegde autoriteit niet in de
betreffende omstandigheden tegenmaatregelen te nemen, tenzij in het nationale
recht anders is bepaald. 7.
De Partijen kunnen bij de uitvoering van dit
artikel en ten behoeve van de omschrijving van de door de bevoegde autoriteit
verplicht te stellen of te nemen specifieke tegenmaatregelen, naargelang het
geval beoordelen of in hun nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid
reeds in tegenmaatregelen wordt voorzien. 8.
Tegenmaatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig
het nationale recht. Artikel 6
Uitsluitingsgronden 1.
De Partijen kunnen in hun nationale recht voorzien
in de volgende uitsluitingsgronden: (a) natuurrampen of force majeure; en (b) oorlogshandelingen of maatschappelijke
troebelen. 2.
De Partijen kunnen in hun nationale recht voorzien
in andere uitsluitingsgronden of beperkingen die zij opportuun achten. Artikel 7
Termijnen De Partijen kunnen in hun nationale recht
voorzien in: (a) relatieve en/of absolute termijnen,
waaronder voor acties die samenhangen met tegenmaatregelen; en (b) de aanvang van het tijdvak waarop een
termijn betrekking heeft. Artikel 8
Financiële grenzen De Partijen kunnen in hun nationale recht
voorzien in financiële grenzen voor het verhalen van kosten en uitgaven die
verband houden met tegenmaatregelen. Artikel 9
Verhaalsrecht Dit Aanvullend Protocol begrenst noch beperkt
het recht van een exploitant op verhaal of schadeloosstelling jegens een andere
persoon. Artikel 10
Financiële zekerheid 1.
De Partijen behouden het recht in hun nationale
recht te voorzien in financiële zekerheid. 2.
De Partijen oefenen het in lid 1 bedoelde
recht uit op een wijze die verenigbaar is met hun rechten en verplichtingen uit
hoofde van het internationale recht en houden daarbij rekening met de laatste
drie alinea’s van de preambule van het Protocol. 3.
De eerste vergadering van de Conferentie van de
Partijen die als Vergadering van de Partijen bij het Protocol fungeert na de
inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol verzoekt het Secretariaat een
uitgebreid onderzoek te verrichten dat onder andere dient te omvatten: (a) de modaliteiten van mechanismen voor
financiële zekerheid; (b) een evaluatie van de gevolgen voor
milieu, economie en samenleving van dergelijke mechanismen, in het bijzonder voor
ontwikkelingslanden; en (c) een identificatie van de entiteiten die
geschikt zijn om te voorzien in financiële zekerheid. Artikel 11
Aansprakelijkheid van staten voor internationale onrechtmatige daden Dit Aanvullend Protocol laat de rechten en
verplichtingen van de staten uit hoofde van de regels van het algemene
internationale recht ten aanzien van de aansprakelijkheid van staten voor
internationale onrechtmatige daden onverlet. Artikel 12
Uitvoering en verhouding met wettelijke aansprakelijkheid 1.
De Partijen voorzien in hun nationale recht in
voorschriften en procedures ter zake van schade. Ter uitvoering van deze
verplichting voorzien de Partijen in tegenmaatregelen overeenkomstig dit
Aanvullend Protocol en kunnen zij, naargelang het geval: (a) hun bestaande nationale recht, in
voorkomend geval met inbegrip van algemene voorschriften en procedures inzake
wettelijke aansprakelijkheid, toepassen; (b) specifiek voor dit doel voorschriften en
procedures inzake wettelijke aansprakelijkheid toepassen of ontwikkelen; of (c) een combinatie hiervan toepassen of
ontwikkelen. 2.
Teneinde in hun nationale recht te voorzien in
adequate voorschriften en procedures inzake wettelijke aansprakelijkheid voor
materiële of persoonlijke schade die verband houdt met de in artikel 2,
lid 2, onder b), omschreven schade, dienen de Partijen: (a) hun bestaande algemene recht inzake
wettelijke aansprakelijkheid te blijven toepassen; (b) specifiek voor dat doel recht inzake
wettelijke aansprakelijkheid te ontwikkelen en toe te passen of te blijven
toepassen; of (c) een combinatie hiervan te ontwikkelen en
toe te passen of te blijven toepassen. 3.
Bij het ontwikkelen van recht inzake wettelijke
aansprakelijkheid als bedoeld onder b) of c) van lid 1 of lid 2,
behandelen de Partijen, voor zover nodig, onder andere de volgende elementen: (a) schade; (b) standaard van de aansprakelijkheid, met
inbegrip van risicoaansprakelijkheid of schuldaansprakelijkheid; (c) kanalisering van de aansprakelijkheid,
waar passend; (d) het recht vorderingen in te stellen. Artikel 13
Evaluatie en toetsing Vijf jaar na de inwerkingtreding en vervolgens
om de vijf jaar toetst de Conferentie van de Partijen die als Vergadering van
de Partijen bij het Protocol fungeert de effectiviteit van dit Aanvullend
Protocol, mits de voor een dergelijke toetsing benodigde informatie door
Partijen ter beschikking is gesteld. De toetsing geschiedt in het kader van de
evaluatie en toetsing van het Protocol zoals omschreven in artikel 35 van het
Protocol, tenzij anders wordt besloten door de Partijen bij dit Aanvullend
Protocol. De eerste toetsing behelst mede een toetsing van de effectiviteit van
de artikelen 10 en 12. Artikel 14
Conferentie van de Partijen die als Vergadering van de Partijen bij het
Protocol fungeert 1.
Met inachtneming van artikel 32, lid 2, van
het Verdrag fungeert de Conferentie van de Partijen die als Vergadering van de
Partijen bij het Protocol fungeert, als de Vergadering van de Partijen bij dit
Aanvullend Protocol. 2.
De Conferentie van de Partijen die als Vergadering
van de Partijen bij het Protocol fungeert, toetst geregeld de tenuitvoerlegging
van dit Aanvullend Protocol en neemt binnen haar mandaat de besluiten die nodig
zijn om de effectieve tenuitvoerlegging daarvan te bevorderen. Zij vervult de
functies die haar bij dit Aanvullend Protocol zijn toegewezen en,
dienovereenkomstig, de functies die haar bij artikel 29, lid 4, onder
a) en f), van het Protocol zijn toegewezen. Artikel 15
Secretariaat Het bij artikel 24 van het Verdrag ingestelde
Secretariaat fungeert als Secretariaat van dit Aanvullend Protocol. Artikel 16
Verhouding tot het Verdrag en het Protocol 1.
Dit Aanvullend Protocol vormt een aanvulling op het
Protocol en noch een aanpassing noch een wijziging daarvan. 2.
Dit Aanvullend Protocol laat de rechten en
verplichtingen van de Partijen bij dit Aanvullend Protocol uit hoofde van het
Verdrag en het Protocol onverlet. 3.
Behoudens waar in dit Aanvullend Protocol anders is
bepaald, zijn de bepalingen van het Verdrag en het Protocol van overeenkomstige
toepassing op dit Aanvullend Protocol. 4.
Onverminderd lid 3 laat dit Aanvullend
Protocol de rechten en verplichtingen van een Partij uit hoofde van het
internationale recht onverlet. Artikel 17
Ondertekening Dit Aanvullend Protocol staat open voor
ondertekening door Partijen bij het Protocol op het kantoor van de Verenigde
Naties te New York van 7 maart 2011 tot en met 6 maart 2012. Artikel 18
Inwerkingtreding 1.
Dit Aanvullend Protocol treedt in werking op de
negentigste dag na de datum van de nederlegging van de veertigste akte van
bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door staten of regionale
organisaties voor economische integratie die Partij zijn bij het Protocol. 2.
Voor een staat of regionale organisatie voor
economische integratie die dit Aanvullend Protocol bekrachtigt, aanvaardt of
goedkeurt dan wel daartoe toetreedt na de nederlegging van de veertigste akte
als bedoeld in lid 1, treedt dit Aanvullend Protocol in werking op de
negentigste dag na de datum waarop die staat of regionale organisatie voor
economische integratie zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding,
goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd of op de datum waarop het Protocol
voor die staat of regionale organisatie voor economische integratie in werking
treedt, indien deze datum later valt. 3.
Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt een
door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte
niet meegeteld naast de door lidstaten van die organisatie nedergelegde akten. Artikel 19
Voorbehouden Ten aanzien van dit Aanvullend Protocol kan
geen enkel voorbehoud worden gemaakt. Artikel 20
Opzegging 1.
Na het verstrijken van twee jaar na de datum waarop
dit Aanvullend Protocol voor een Partij in werking is getreden, kan die Partij
dit Aanvullend Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een
schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris. 2.
De opzegging wordt van kracht na het verstrijken
van een jaar na de datum waarop de Depositaris de kennisgeving van opzegging
heeft ontvangen of op enige latere in bedoelde kennisgeving vermelde datum. 3.
Elke Partij die het Protocol overeenkomstig artikel
39 van het Protocol opzegt, wordt geacht ook dit Aanvullend Protocol te hebben
opgezegd. Artikel 21
Authentieke teksten Het oorspronkelijke exemplaar van dit
Aanvullend Protocol, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse,
de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd
bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe
naar behoren gemachtigd, dit Aanvullend Protocol hebben ondertekend. GEDAAN te Nagoya op 15 oktober 2010.