This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0735
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL Strengthening law enforcement cooperation in the EU: the European Information Exchange Model (EIXM)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Samenwerking op het gebied van rechtshandhaving in de EU versterken: het Europees model voor informatie-uitwisseling (EIXM)
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Samenwerking op het gebied van rechtshandhaving in de EU versterken: het Europees model voor informatie-uitwisseling (EIXM)
/* COM/2012/0735 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Samenwerking op het gebied van rechtshandhaving in de EU versterken: het Europees model voor informatie-uitwisseling (EIXM) /* COM/2012/0735 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Samenwerking op het
gebied van rechtshandhaving in de EU versterken:
het Europees model voor informatie-uitwisseling (EIXM) 1. Inleiding Om in de EU en het Schengengebied een hoog
niveau van veiligheid te waarborgen, moeten criminele netwerken via gezamenlijk
Europees optreden worden aangepakt[1].
Dat is nodig om niet alleen ernstige en georganiseerde criminaliteit aan te
pakken, zoals mensenhandel of handel in illegale drugs of vuurwapens, maar ook
minder ernstige misdrijven die op grote schaal worden gepleegd door mobiele
georganiseerde criminele groepen of misdrijven die door individuele daders
worden gepleegd over de grenzen van de lidstaten heen. Informatie-uitwisseling tussen de lidstaten is
in dat verband een belangrijk instrument voor rechtshandhavingsinstanties.
Daarom werden internationale en bilaterale overeenkomsten aangevuld met
EU-instrumenten en -systemen, zoals het Schengeninformatiesysteem en het
Europolinformatiesysteem, met ingebouwde waarborgen om de persoonlijke
levenssfeer en de persoonsgegevens te beschermen overeenkomstig het Handvest
van de grondrechten. In deze mededeling wordt een stand van zaken opgemaakt van
de manier waarop de daaruit voortvloeiende grensoverschrijdende
informatie-uitwisseling in de EU vandaag werkt en worden tevens
aanbevelingen gedaan ter verbetering daarvan. De conclusie luidt dat de
informatie-uitwisseling in het algemeen goed werkt en om dat te illustreren,
worden voorbeelden gegeven van gunstige resultaten. Derhalve is er op
EU-niveau vooralsnog geen behoefte aan nieuwe gegevensbanken of informatie-uitwisselingsinstrumenten
op het gebied van rechtshandhaving. De bestaande EU-instrumenten kunnen en
moeten echter beter worden uitgevoerd en de uitwisselingen moeten consistenter
worden georganiseerd. Deze mededeling bevat dan ook aanbevelingen
voor de lidstaten over de wijze waarop de uitvoering van bestaande
instrumenten kan worden verbeterd en de gebruikte communicatiekanalen
kunnen worden gestroomlijnd. De klemtoon ligt daarbij op de noodzaak om hoge
gegevenskwaliteit, veiligheid en bescherming te waarborgen. In de
mededeling wordt ook uiteengezet hoe de Commissie de lidstaten zal steunen,
onder meer met financiering en opleiding. Op die manier biedt zij een
model met richtsnoeren voor activiteiten van de EU en de lidstaten. Deze mededeling is ook een reactie op het
verzoek aan de Commissie in het programma van Stockholm om op basis van
een evaluatie van de bestaande instrumenten na te gaan of er een Europees model
voor informatie-uitwisseling moet komen. Zij bouwt voort op de mededeling van
de Commissie van 2010 waarin een overzicht wordt gegeven van het
informatiebeheer op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (hierna „de
overzichtsmededeling van 2010” genoemd)[2]
en op de EU-strategie voor het beheer van rechtshandhavingsinformatie voor
interne veiligheid die in 2009[3]
is overeengekomen, alsook op maatregelen van de lidstaten, de Commissie en
Europol ter uitvoering daarvan (hierna „IMS-maatregelen” genoemd). Voorts is
rekening gehouden met een inventaris van informatie-uitwisseling in de EU
waarbij nationale en andere deskundigen (Europese toezichthouder voor
gegevensbescherming, EU-agentschappen, Interpol) betrokken zijn, een studie
over informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsinstanties[4] en overleg met belanghebbenden,
waaronder gegevensbeschermingsinstanties. 2. De huidige situatie Rechtshandhavingsinstanties
wisselen informatie uit voor uiteenlopende doelen: voor strafrechtelijke onderzoeken,
voor criminaliteitspreventie, voor opsporing van strafbare feiten (bv. met
gebruikmaking van criminele-inlichtingenoperaties) en voor het waarborgen van
de openbare orde en veiligheid. Wat de omvang van de grensoverschrijdende
uitwisseling betreft, blijkt uit de in de bovengenoemde studie van 2010 door
nationale instellingen van de lidstaten gegeven antwoorden dat in ongeveer een
kwart van hun onderzoeken en criminele-inlichtingenoperaties verzoeken werden
gericht aan andere EU- of Schengenstaten. 2.1. Instrumenten In de overzichtsmededeling van 2010 werden
alle EU-instrumenten beschreven die de verzameling, de opslag of de
grensoverschrijdende uitwisseling van persoonsgegevens met het oog op
rechtshandhaving of migratiebeheer regelen. In deze mededeling gaat het over instrumenten
die worden gebruikt voor de grensoverschrijdende uitwisseling tussen lidstaten.
De lidstaten hebben voorbeelden gegeven van wijzen waarop deze instrumenten
worden gebruikt. Het Zweeds initiatief[5] bevat
regels, waaronder termijnen, volgens welke de rechtshandhavingsinstanties van
de lidstaten informatie en inlichtingen kunnen uitwisselen teneinde
strafrechtelijke onderzoeken of criminele-inlichtingenoperaties uit te voeren.
Het hanteert het beginsel van „gelijkwaardige toegang”: gegevens moeten aan de
verzoekende lidstaat worden verstrekt onder voorwaarden die niet strikter zijn
dan die welke op het nationale niveau gelden. De uitgewisselde gegevens moeten
ook met Europol en Eurojust worden gedeeld voor zover deze betrekking hebben op
strafbare feiten die onder hun mandaat vallen. In 2012 werd een Zweedse onderneming door een bekende Italiaanse
fraudeur opgelicht en ertoe gebracht 65 000 euro op een Italiaanse
rekening over te maken. Het Zweedse SPOC (zie punt 3.2 hieronder) ontving via Sirene
(zie hieronder) een verzoek van Italië om contact op te nemen met de directeur
van de onderneming om na te gaan of de betaling had plaatsgevonden; in dat
geval zou Italië het geld bevriezen. Zweden heeft actie ondernomen en in het
kader van het Zweedse initiatief binnen 24 uur geantwoord. Door snel op te
treden werd de Zweedse politie ingelicht over het feit dat een onderneming het
slachtoffer was geworden van fraude, verkregen de Italiaanse autoriteiten de
nodige informatie om op te treden en zal het geld waarschijnlijk worden
teruggegeven. In 2012 legde een uit België afkomstige man op de spoeddienst van een ziekenhuis
in de buurt van Parijs verwarde verklaringen af over de wijze waarop hij een
ernstige schotwonde had opgelopen. De verklaringen van zijn metgezel leidden
onderzoekers naar mogelijke daden in België. Uit initiële onderzoeken bleek dat
de man ook in België bekend stond, onder meer voor moord. De Franse
autoriteiten hebben in het kader van het Zweedse initiatief onmiddellijk uit
eigen beweging informatie verstrekt aan de Belgische politie die snel het
verband legde met gebeurtenissen in België twee dagen eerder, waarbij vier
gewapende mannen een bediende van een juwelierswinkel hadden ontvoerd. Door
politie-ingrijpen waren de mannen op de vlucht geslagen; de mannen konden
ontkomen maar een van hen werd geraakt in een vuurgevecht met de politie. Deze
informatie heeft de Franse autoriteiten ertoe gebracht de man te bewaken in
afwachting van een Europees aanhoudingsbevel, dat nog dezelfde dag in België
werd uitgevaardigd en via Sirene aan Frankrijk werd doorgegeven. Het Prümbesluit[6] voorziet in de geautomatiseerde
uitwisseling van DNA-profielen, vingerafdrukken en voertuigregistratiegegevens
om strafbare feiten te onderzoeken (voor DNA, vingerafdrukken en
voertuigregistratiegegevens), strafbare feiten te voorkomen (vingerafdrukken en
voertuigregistratiegegevens) en om de openbare veiligheid te handhaven (voertuigregistratiegegevens).
De vergelijking van biometrische gegevens (DNA, vingerafdrukken) gebeurt op
basis van de „treffer/geen treffer-methode”: via een geautomatiseerde
vergelijking komt een anonieme „treffer” tot stand wanneer het DNA of de
vingerafdrukgegevens waarover de verzoekende staat beschikt, overeenstemmen met
de gegevens van een andere lidstaat. De betrokken persoonsgegevens of gegevens
van de zaak worden alleen verstrekt als antwoord op een afzonderlijk
vervolgverzoek. In een flat in een Duitse stad werd een dode man gevonden die was
neergestoken. Op een deurlijst werd een vingerafdruk gevonden. Een
geautomatiseerde Prümopzoeking leidde tot een treffer in de Bulgaarse
gegevensbank. De nadere informatie waarom Bulgarije de dag erna werd verzocht,
werd binnen drie uur doorgegeven en onmiddellijk in het Schengeninformatiesysteem
(SIS – zie hieronder) ingevoerd. ‘s Anderendaags werd de betrokkene in
Oostenrijk aangehouden. In 2007, bij de start van de Prümuitwisselingen, werd in Wenen
apparatuur uit een politiewagen gestolen. Een DNA-spoor uit de wagen stemde
overeen met een spoor in een soortgelijke zaak uit de Oostenrijkse
gegevensbank, maar het was een Prümtreffer in de Duitse gegevensbank die leidde
tot de identificatie van een Poolse serie-inbreker. Er werd een Europees
aanhoudingsbevel uitgevaardigd in Oostenrijk. De verdachte werd in Polen
aangehouden (door een treffer voor een SIS-signalering) en later in Oostenrijk
veroordeeld. Europol
ondersteunt het optreden van de lidstaten en hun onderlinge samenwerking bij de
voorkoming en bestrijding van georganiseerde criminaliteit, terrorisme en
andere vormen van ernstige criminaliteit (die zijn opgesomd in de bijlage bij
het Europolbesluit van de Raad[7])
waarbij twee of meer lidstaten betrokken zijn. Het biedt de lidstaten een platform
— via nationale Europoleenheden — om criminele inlichtingen en informatie uit
te wisselen. Het Europolinformatiesysteem is een gegevensbank met informatie (183 000
items) die lidstaten verstrekken over grensoverschrijdende criminaliteit die binnen
het kader van het Europolmandaat valt, de betrokken personen (41 000) en
andere daarmee verband houdende gegevens. Europol gebruikt die voor zijn
analyses en de lidstaten kunnen er gebruik van maken voor hun onderzoeken.
Sinds 2011 kunnen de lidstaten andere rechtshandhavingsinstanties dan de
nationale Europoleenheden aanwijzen, die toegang krijgen om opzoekingen te doen
via de treffer/geen treffer-methode. Analysebestanden maken het Europol
mogelijk operationele analyses te maken om grensoverschrijdende onderzoeken te
ondersteunen. Met nagemaakte betaalkaarten werden aan geldautomaten in heel Slovenië
grote sommen geld afgehaald. Tegen twee Bulgaarse onderdanen werd een onderzoek
ingesteld; het gebruik van het Europolinformatiesysteem leidde tot een treffer
waaruit bleek dat een van hen soortgelijke feiten had gepleegd in Frankrijk en
Italië. Frankrijk verstrekte het Europolinformatiesysteem gedetailleerde
informatie. Door een snelle reactie van Frankrijk via SIENA (zie hieronder),
gevolgd door een vergelijking van vingerafdrukken en de opheffing van een verwerkingsbeperking,
konden de autoriteiten in Slovenië de gegevens gebruiken als bewijsmateriaal
voor de rechter. Het analysebestand van Europol legde verbanden bloot tussen
zaken in SI, BG, FR, IE, IT en NO. Het Schengeninformatiesysteem (SIS)
bevat signaleringen betreffende personen en voorwerpen. Als compenserende
maatregel voor de afschaffing van de binnengrenscontroles wordt het zowel
gebruikt binnen het Schengengebied als aan zijn buitengrenzen om een hoog
veiligheidsniveau binnen dat gebied te handhaven. Het is een grootschalig
systeem (meer dan 43 miljoen signaleringen) dat via de treffer/geen
treffer-methode toegankelijk is voor agenten in het veld. Na een treffer (dat
wil zeggen dat de gegevens over een persoon of een voorwerp overeenstemmen met
een signalering) kan aanvullende informatie worden verkregen via de Sirenebureaus
(zie hieronder). Het SIS zal worden vervangen door SIS II, dat een
aantal verbeteringen zal meebrengen, zoals de mogelijkheid om met elkaar
verband houdende signaleringen te koppelen (bv. een signalering over een
persoon en over een voertuig), nieuwe categorieën signaleringen en een
voorziening om vingerafdrukken, foto’s en kopieën van Europese
aanhoudingsbevelen op te slaan. In het SIS II-besluit van de Raad[8] worden categorieën
signaleringen gedefinieerd om de samenwerking tussen politiële en justitiële
autoriteiten in strafzaken te ondersteunen. Daarom zullen alle EU-lidstaten
deelnemen aan SIS II en zullen Europol en Eurojust toegang blijven hebben.
Het beheer van de centrale onderdelen van SIS II zal worden overgedragen aan
het IT-agentschap[9]. Andere EU-instrumenten of IT-systemen voorzien in de uitwisseling van
rechtshandhavingsinformatie tussen douaneautoriteiten (de Napels
II-overeenkomst; het douane-informatiesysteem als onderdeel van de
gegevensbanken van het antifraude-informatiesysteem dat wordt beheerd door het
Europees Bureau voor fraudebestrijding – OLAF),
financiële-inlichtingeneenheden, bureaus voor de ontneming van
vermogensbestanddelen en nationale signaleringsplatforms voor
cybercriminaliteit[10].
Rechtshandhavingsinstanties hebben toegang tot andere grootschalige EU-systemen
(Visuminformatiesysteem) of die toegang wordt voorgesteld (Eurodac[11]) met het oog op het voorkomen,
opsporen en onderzoeken van terrorisme en andere ernstige misdrijven. De vraag
of rechtshandhavingsinstanties toegang moeten krijgen en, zo ja, onder welke
voorwaarden, is ook het voorwerp van de voorbereidende werkzaamheden die thans
plaatsvinden met het oog op een voorstel voor een inreis/uitreissysteem dat
binnenkort wordt voorgesteld. Er wordt een Europees grensbewakingssysteem
(Eurosur) ontwikkeld voor informatie-uitwisseling en operationele samenwerking
tussen de nationale coördinatiecentra en met Frontex om situaties beter te
kunnen inschatten en er sneller op te kunnen reageren en zo onregelmatige
migratie en grensoverschrijdende criminaliteit aan de buitengrenzen van de EU
te voorkomen. Er wordt een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur
(CISE) voor de bewaking van het maritieme gebied van de EU ontwikkeld dat onder
meer tot doel heeft het gemeenschappelijk maritiem situationeel bewustzijn te
bevorderen om de informatie-uitwisseling tussen openbare instanties in zeven
relevante sectoren (waaronder rechtshandhaving in het algemeen) en over de
grenzen heen mogelijk te maken en tegelijk interoperabiliteit tot stand te
brengen tussen bestaande en toekomstige bewakingssystemen, zoals Eurosur. De lidstaten wisselen
ook informatie uit op grond van het nationale recht en van bilaterale overeenkomsten.
Alle lidstaten zijn ook lid van Interpol, waardoor met landen in de hele wereld
informatie kan worden uitgewisseld, hetzij via Interpolberichten en
–gegevensbanken (bv. gestolen en verloren reisdocumenten) of bilateraal door
het Interpolkanaal te gebruiken. 2.2. Kanalen en
communicatie-instrumenten Er worden drie belangrijke kanalen
gebruikt voor grensoverschrijdende informatie-uitwisseling die alle drie
gebaseerd zijn op nationale eenheden in elke lidstaat die gebruikmaken van een
gekoppeld communicatie-instrument: (1)
de Sirenebureaus[12]
kunnen, na een treffer voor een SIS-signalering, aanvullende informatie
verkrijgen van de lidstaat die de signalering heeft aangeleverd. Zij zijn 24
per dag en zeven dagen per week operationeel en volgen de in het Sirenehandboek
vastgestelde procedures. Thans wisselen zij informatie uit door gebruik te
maken van een systeem dat SISNET wordt genoemd en dat eind maart 2013 zal
worden vervangen door het SIS II-communicatienetwerk. (2)
de nationale Europoleenheden wisselen informatie
uit met Europol. Zij kunnen ook bilateraal informatie uitwisselen over
strafbare feiten die niet onder het Europolmandaat vallen en zonder dat Europol
daarbij wordt betrokken. De nationale Europoleenheden kunnen rechtstreeks
informatie uitwisselen of via Europolverbindingsofficieren, die deel uitmaken
van een dergelijke eenheid maar die gedetacheerd zijn bij het hoofdkwartier van
Europol. Europol heeft een beveiligd communicatie-instrument, SIENA[13], ontwikkeld om informatie uit
te wisselen met Europol en tussen de lidstaten. In 2011 hebben de lidstaten
SIENA gebruikt om 222 000 berichten uit te wisselen; in 53% van de
gevallen werd de informatie uit het bericht gedeeld met Europol. (3)
de nationale centrale bureaus van Interpol,
die 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel zijn, wisselen
informatie uit met Interpol, maar ook bilateraal, zonder dat Interpol daarbij
betrokken wordt. De nationale centrale bureaus gebruiken het door Interpol
ontwikkelde communicatie-instrument I-24/7. Andere kanalen zijn
onder de meer de bilaterale verbindingsofficieren (die in andere lidstaten
gedetacheerd zijn en typisch worden ingezet in complexere zaken) en de centra
voor politiële en douanesamenwerking (die zijn opgericht door aangrenzende
lidstaten om de informatie-uitwisseling en de operationele samenwerking in
grensgebieden te ondersteunen). De keuze van het
kanaal wordt deels door het EU-recht geregeld: SIS-verzoeken om aanvullende
informatie na een treffer moeten via de Sirenebureaus worden ingediend en uitwisseling
van informatie met Europol moet via de nationale Europoleenheden gebeuren. In
andere gevallen kunnen de lidstaten kiezen. 2.3. Interactie tussen de
verschillende instrumenten, kanalen en middelen Er bestaan verscheidene instrumenten, kanalen
en middelen, die elk met specifieke doelen zijn ontworpen. In een
strafrechtelijk onderzoek kunnen parallel of achtereenvolgens meer dan een
instrument worden gebruikt. In een grensoverschrijdende zaak van ernstige of
georganiseerde criminaliteit kan een persoon of een voorwerp zowel worden getoetst
aan het Europolinformatiesysteem als aan SIS, en wanneer er treffers worden
gevonden, kunnen vervolgverzoeken worden ingediend via de kanalen van
respectievelijk Europol of Sirene. Een biometrisch spoor kan het voorwerp zijn
van een Prümuitwisseling, gevolgd door een post-treffer-verzoek op basis van
het Zweedse initiatief met gebruikmaking van het SIENA-instrument. Welke ook de
combinatie of volgorde is, de regels van elk instrument moeten worden
nageleefd. Het gaat onder meer om regels inzake gegevensbescherming,
beveiliging en kwaliteit van gegevens, en het doel waarvoor de instrumenten
mogen worden gebruikt. De nationale verwerking van gegevens voor
grensoverschrijdende uitwisseling moet ook in overeenstemming zijn met de
EU-wetgeving inzake bescherming van persoonsgegevens[14]. Het
evenredigheidsbeginsel moet worden nageleefd; verzoeken op grond van het
Zweedse initiatief mogen bijvoorbeeld worden afgewezen wanneer het doorgeven
van informatie duidelijk niet in evenredig is met het doel van het verzoek. De
eerbiediging van deze regels vereist dat verzoeken en antwoorden worden
gevalideerd door goed opgeleid personeel dat werkt met passende
informatie-instrumenten. 2.4. Verband met justitiële
samenwerking Bij strafrechtelijke onderzoeken zijn zowel
rechtshandhavingsinstanties als gerechtelijke instanties betrokken, maar de
lidstaten verschillen onder meer wat betreft de mate waarin het strafrechtelijk
onderzoek door gerechtelijke instanties (met inbegrip van de openbare
aanklager) wordt geleid of daarop door hen wordt toegezien. Wanneer de
gerechtelijke instanties de leiding hebben, alsook wanneer informatie nodig is
als bewijsmiddel, zijn typisch justitiële samenwerkingsprocedures op het gebied
van wederzijdse rechtshulp vereist. Voorts kan informatie die in één lidstaat
rechtstreeks toegankelijk is voor rechtshandhavingsinstanties, in een andere
lidstaat aan gerechtelijke toestemming onderworpen zijn. Het Zweedse initiatief
vereist dat, ingeval de gevraagde informatie aan gerechtelijke toestemming is
onderworpen, de aangezochte rechtshandhavingsinstantie een verzoek richt aan de
gerechtelijke instantie, die dezelfde regels moet toepassen als in een louter
interne zaak. Uit de inventaris is echter gebleken dat rechtshandhavingsdeskundigen
de uiteenlopende regels als een bron van vertraging voor grensoverschrijdende
onderzoeken ervaren. Hoewel dat niet binnen het bestek van deze mededeling
valt, kan worden opgemerkt dat Eurojust beschikbaar is om justitiële
samenwerking te vergemakkelijken. Ook het Europees onderzoeksbevel, dat thans
wordt besproken, zou van belang kunnen zijn; het zou de bestaande regels voor
grensoverschrijdende bewijsverkrijging kunnen vervangen ter uitvoering van het
beginsel van wederzijdse erkenning. Dat bevel zou moeten worden erkend en ten
uitvoer gelegd met dezelfde snelheid als in een soortgelijke nationale zaak, en
in elk geval binnen bepaalde termijnen. 2.5. Beginselen In haar overzichtsmededeling van 2010 heeft de
Commissie een aantal materiële en procesgerichte beginselen vastgesteld om
nieuwe initiatieven te ontwikkelen en huidige instrumenten te evalueren. De materiële beginselen zijn: (1)
Waarborging van de grondrechten, in het
bijzonder het recht op privacy en gegevensbescherming.
Deze rechten zijn vastgesteld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest en in
artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de EU. (2)
Noodzakelijkheid. Een
beperking van het recht op privacy kan uitsluitend gerechtvaardigd zijn wanneer
zij wettig is, een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk is in een
democratische samenleving. (3)
Subsidiariteit. (4)
Gericht risicobeheer.
Noodzakelijkheidstoetsing en doelbinding zijn van wezenlijk belang. De procesgerichte
beginselen zijn: (1)
Kosteneffectiviteit.
Dit houdt in dat rekening wordt gehouden met reeds bestaande oplossingen en
wordt nagegaan of de doelen van een voorstel kunnen worden bereikt door de
bestaande instrumenten beter te gebruiken. (2)
Bottom-up beleidsontwikkeling. Een voorbeeld daarvan is de inventaris waardoor rechtshandhavingsdeskundigen
betrokken werden bij de voorbereiding van deze mededeling. (3)
Duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden. In de overzichtsmededeling van 2010 werd opgemerkt dat de lidstaten
geen projectleider hadden tot wie zij zich konden wenden voor advies over de tenuitvoerlegging
van de Prümbepalingen. In het Prümverslag van de Commissie wordt beschreven hoe
deze leemte thans deels wordt ingevuld door ondersteuning bij Europol. Met
betrekking tot de idee uit de overzichtsmededeling van 2010 dat het IT-agentschap
technisch advies zou kunnen geven, zij opgemerkt dat de prioriteiten van het
agentschap momenteel elders liggen. Naar aanleiding van de driejaarlijkse
evaluatie die eind 2015 plaatsvindt, kan dit opnieuw worden bekeken. (4)
Evaluatie- en vervalbepaling. De Commissie
heeft verslagen opgesteld over het Zweedse initiatief en over Prüm. In deze
mededeling wordt daarmee rekening gehouden. 3. Beoordeling en aanbevelingen In dit punt wordt ingegaan op het Zweedse
initiatief, het Prümbesluit en het Europolkanaal. Hoewel SIS en het Sirenekanaal
een groot volume informatie-uitwisseling voor hun rekening nemen, worden
daarover geen aanbevelingen gedaan aangezien reeds ingrijpende wijzigingen
worden voorbereid, met name de verwachte overschakeling naar SIS II. 3.1. Het gebruik van de bestaande
instrumenten verbeteren Behalve de verwachte hervorming van Europol is
de Commissie op korte termijn niet voornemens wijzigingen van de bovengenoemde
EU-instrumenten voor te stellen. Er is evenmin behoefte aan nieuwe instrumenten.
Ten eerste moeten de bestaande instrumenten ten uitvoer worden gelegd. Dit geldt met name voor het Prümbesluit. In
het Prümverslag van de Commissie dat deze mededeling vergezelt, wordt
vastgesteld dat gegevensuitwisseling in het kader van Prüm zeer wordt
gewaardeerd voor onderzoeken, maar dat er sprake is van een ernstige
achterstand in de tenuitvoerlegging. Veel lidstaten wisselen nog geen
gegevens uit in het kader van het Prümbesluit, ook al was de omzettingstermijn 26
augustus 2011[15].
De belangrijkste redenen zijn technisch van aard en zijn te wijten aan een
gebrek aan personele en financiële middelen in de lidstaten. Gelet op de
mogelijkheden van EU-steun (financiering, mobiele competentieteam, helpdesk)
lijkt er echter vooral behoefte te zijn aan de politieke wil om het besluit ten
uitvoer te leggen. Zoals in het verslag wordt vermeld, zal de Commissie steun
blijven verlenen in de vorm van EU-financiering. De context zal echter
veranderen in december 2014, wanneer de Commissie inbreukprocedures zal kunnen
inleiden. Tot dan zijn de regels voor de controle van nationale
tenuitvoerlegging niet van toepassing, aangezien het Prümbesluit, net als het
Zweedse initiatief, werd aangenomen onder de voormalige derde pijler. Wat het Zweedse initiatief betreft, oordeelde
de Commissie in 2011 dat het instrument zijn volledige potentieel nog niet had
gerealiseerd, maar dat het belang ervan zou toenemen[16]. Die beoordeling blijft
geldig; nog niet alle lidstaten hebben het initiatief ten uitvoer gelegd[17]. De meeste lidstaten deelden
mee dat zij het hebben omgezet in hun nationale wetgeving[18], terwijl andere verklaarden
dat zij het niet hoefden om te zetten aangezien hun nationale wetgeving daarmee
al in overeenstemming was[19].
Niettemin wordt het initiatief, ondanks de voordelen ervan, zoals het beginsel
van gelijkwaardige toegang en de termijnen, in de praktijk nog niet op grote
schaal gebruikt. Als reden wordt onder meer aangehaald dat de alternatieven adequaat
worden bevonden en dat het verzoekformulier omslachtig is (zelfs in de
vereenvoudigde versie van 2010[20]). De Commissie werd verzocht het nut ervan voor
post-treffer-vervolgverzoeken in het kader van het Prümbesluit te onderzoeken[21]. Wanneer nadere informatie
nodig is als bewijsmateriaal voor een rechtbank, zal normaal gesproken een
verzoek om justitiële samenwerking vereist zijn. Wanneer de informatie echter
niet of nog niet als bewijsmateriaal moet dienen, moet het systematische
gebruik van het Zweedse initiatief als rechtsgrondslag en SIENA als
communicatie-instrument worden bevorderd, zodat de voordelen ervan ten volle
kunnen worden benut en de aanpak van de lidstaten op elkaar kan worden
afgestemd met één enkele beste praktijk. Wat Europol betreft, heeft een
evaluatie van 2012[22]
andere vaststellingen bevestigd, namelijk dat de lidstaten niet op een adequate
manier informatie delen met Europol (en derhalve ook niet met elkaar). De
Commissie zal dit probleem aanpakken in een voorstel tot wijziging van de
rechtsgrondslag van Europol. De Raad heeft op zijn beurt de lidstaten verzocht
om meer gebruik te maken van het Europolinformatiesysteem[23]. In lijn met het
programma van Stockholm heeft de Commissie een studie besteld over de mogelijke
invoering van een Europees indexsysteem van politiegegevens[24]. Het is de bedoeling tegemoet
te komen aan de behoefte, gelet op de toegenomen grensoverschrijdende aard van
criminaliteit, van een politieagent in een lidstaat om te weten of een
verdachte ook in een andere lidstaat bij de politie bekend staat.
Overeenkomstig het beginsel van kosteneffectiviteit is de Commissie van oordeel
dat de oprichting van een Europees indexsysteem van politiegegevens thans
niet gerechtvaardigd is gelet op het feit dat de bestaande instrumenten en
middelen, waarmee dat doel via beter of intensiever gebruik geheel of
gedeeltelijk zou kunnen worden bereikt, niet ten volle worden benut. Dat geldt
in het bijzonder voor het Europolinformatiesysteem (uploaden van relevante
gegevens en uitbreiden van de toegang op nationaal niveau), SIS II (het
gebruik van relevante signaleringen over personen of voertuigen stimuleren voor
toetsingen met het oog op het vervolgen van strafbare feiten en het voorkomen
van bedreigingen voor de openbare veiligheid), SIENA (de toegang op nationaal
niveau verder ontwikkelen, de koppeling maken met nationale systemen en in
voorkomend geval taken automatiseren) en het Prümbesluit (volledig ten uitvoer
leggen om de identificatie van criminelen die in verschillende landen actief
zijn, te vergemakkelijken). De lidstaten wordt verzocht: ·
het Zweedse initiatief volledig ten uitvoer te
leggen, met inbegrip van het beginsel van gelijkwaardige toegang; ·
het Prümbesluit volledig ten uitvoer te leggen, met
gebruikmaking van de beschikbare EU-steun; ·
voor post-treffer-vervolgverzoeken op grond van het
Prümbesluit, het Zweedse initiatief en het SIENA-instrument te gebruiken. De Commissie zal: ·
in EU-financiering blijven voorzien ter
ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Prümbesluit; ·
tegen december 2014 de voorbereidingen treffen om
op dit gebied de regels toe te passen voor het waarborgen van de nationale
tenuitvoerlegging van EU-recht. 3.2. De kanalen stroomlijnen en
beheren De keuze van het kanaal. Het feit dat de lidstaten vrij het kanaal kunnen kiezen (behalve de
wettelijke vereisten inzake de Sirenebureaus en de nationale Europoleenheden)
heeft onder meer als gevolg dat zij in verschillende mate verschillende kanalen
gebruiken. Het handboek van goede praktijken ten behoeve van de eenheden voor
internationale politiële samenwerking op nationaal niveau (hierna „handboek van
2008” genoemd)[25],
dat is opgesteld onder de bescherming van de hoofden van de politie van de EU,
bevat criteria dienaangaande[26],
maar deze zijn niet bindend en hebben niet tot convergerende nationale
werkwijzen geleid. Sommige lidstaten hebben meer systematisch gebruik gemaakt
van het Europolkanaal. Andere lidstaten blijven hoofdzakelijk een beroep doen
op het Interpolkanaal, dat aantrekkelijk lijkt te zijn, deels door zijn
traditionele centrale rol in internationale politiële samenwerking en deels
door de ondervonden gebruiksvriendelijkheid. SISNET wordt door sommige
lidstaten gebruikt voor niet-SIS-aangelegenheden, bv. verzoeken op grond van
het Zweedse initiatief. De Commissie is ervan overtuigd dat de tijd
gekomen is voor een coherentere aanpak in de EU, die het Europolkanaal een
centrale rol geeft. Deze aanpak houdt in dat, wanneer er geen kanaal wettelijk
is voorgeschreven, het Europolkanaal met gebruikmaking van het SIENA-instrument
het standaardkanaal wordt tenzij er specifieke redenen zijn om een ander
kanaal te gebruiken. Zo zouden bijvoorbeeld verzoeken in het kader van
politiële samenwerking die thans worden verzonden via SISNET (dat wordt
opgedoekt zodra SIS II van start gaat[27]),
in de toekomst via SIENA moeten worden verzonden. Sommige lidstaten zijn voorstander van een
aanpak die een grote flexibiliteit laat in de keuze om verschillende kanalen te
gebruiken. De Commissie is het daar niet mee eens. De ontwikkeling door alle
lidstaten van nationale bepalingen over de keuze van het kanaal en de
convergentie daarvan naar één enkele gedeelde aanpak zou beter zijn dan de
huidige versnipperde aanpak. De keuze voor het Europolkanaal is gerechtvaardigd
door de voordelen ervan. Europolverbindingsofficieren kan in voorkomend geval
worden gevraagd om tussen te komen. SIENA kan worden gebruikt voor directe
bilaterale uitwisseling, maar vergemakkelijkt ook het delen van informatie met
Europol overeenkomstig de wettelijke vereisten van het Europolbesluit en het
Zweedse initiatief. SIENA-berichten zijn gestructureerd, kunnen grote volumes
gegevens bevatten en worden uitgewisseld met een hoog beveiligingsniveau. De
gegevens zijn beter beschermd wanneer de informatie in een gestructureerde vorm
wordt uitgewisseld, bv. door SIENA te gebruiken. De voorgestelde aanpak is
volledig in overeenstemming met het verwachte voorstel van de Commissie voor de
hervorming van Europol en met de strategische richtsnoeren van de Europese Raad
in het programma van Stockholm, waarin is bepaald: „Europol moet een knooppunt
worden voor informatie-uitwisseling tussen de rechtshandhavingsinstanties van
de lidstaten, een dienstverlener en een platform voor
rechtshandhavingsdiensten”. Beheer van de kanalen. Een systeem met één enkel contactpunt (single point of contact, hierna
„SPOC” genoemd) is een „eenloketsysteem” voor internationale politiële
samenwerking, dat 24 uur per dagen en zeven dagen per week operationeel is,
waarin een lidstaat zijn Sirenebureau, zijn nationale Europoleenheid, zijn
nationale centrale bureaus van Interpol en contactpunten voor andere kanalen
samenbrengt. De oprichting door elke lidstaat van een SPOC (ook al werd die
term niet altijd gebruikt) was in 2007 een conclusie van de derde ronde van
wederzijdse-evaluatiebezoeken[28]
en werd aanbevolen in het handboek van 2008. De meeste lidstaten hebben
diensten voor internationale politiële samenwerking, maar slechts enkele
daarvan hebben de kenmerken van een volwaardig SPOC. In 2012 verzocht de Raad
de lidstaten „na te gaan wat de mogelijkheden zijn om een eenloketsysteem op te
zetten”[29].
De Commissie zou verder willen gaan: om de uitwisseling van
rechtshandhavingsinformatie in de EU in het algemeen te verbeteren, zouden alle
lidstaten een eenloketsysteem moeten opzetten met bepaalde
minimumkenmerken. Wat verzoeken aan een andere lidstaat betreft,
zal het samenbrengen van de verschillende kanalen in een enkele organisatorische
structuur die de nationale regels inzake keuze van het kanaal volgt, de
correcte en consistente keuze van het kanaal en de kwaliteit van de verzoeken
waarborgen. De kwaliteit wordt verzekerd door een SPOC dat verzoeken valideert
ter bevestiging van het feit dat zij noodzakelijk en passend zijn. Wanneer de
informatie niet via het SPOC zelf wordt uitgewisseld (bv. via centra voor
politiële en douanesamenwerking of via nationale instellingen die rechtstreeks
uitwisselen via SIENA), kan een SPOC de nationale coördinatie waarborgen. Voor
inkomende verzoeken moet een SPOC, wanneer dat wettelijk mogelijk is, directe
toegang hebben tot nationale gegevensbanken teneinde verzoeken snel te kunnen
beantwoorden, met name binnen de termijnen van het Zweedse initiatief. De
bepalingen van het Sirenehandboek (bv. over beveiliging, werkstroomsystemen,
gegevenskwaliteit en personeel) zouden een basis kunnen zijn voor de
organisatie van alle kanalen op een consistente manier. Het delen van middelen,
zoals personeel en infrastructuur kan bijdragen tot kostenbesparingen of ten
minste tot een betere aanwending van de middelen. Een SPOC moet alle rechtshandhavingsinstanties
omvatten, ook douane. Er moet in samenwerking worden voorzien tussen het SPOC
en de nationale coördinatiecentra voor grensbewaking. Wanneer dat verenigbaar
is met de nationale rechtssystemen, moeten verbanden worden gemaakt met de
gerechtelijke instanties, in het bijzonder wanneer deze toezien op
strafrechtelijke onderzoeken. Steeds meer centra voor politiële en
douanesamenwerking[30]
wisselen met succes informatie uit op lokaal en regionaal niveau. Jaarlijkse
conferenties op EU-niveau maken het mogelijk ervaringen te delen en een
gemeenschappelijke aanpak te bespreken. Hoewel het in het algemeen grote aantal
uitwisselingen geen betrekking heeft op de meest ernstige en georganiseerde
criminaliteit, is het een van de uitdagingen ervoor te zorgen dat informatie in
relevante zaken wordt doorgegeven aan het nationale (SPOC) niveau en in
voorkomend geval aan Europol. In deze context kijkt de Commissie uit naar de
resultaten van het lopende proefproject (in het kader van een IMS-maatregel)
waarbij in een centrum voor politiële en douanesamenwerking SIENA wordt
gebruikt. Het platform voor informatie-uitwisseling is
een IMS-maatregel onder leiding van Europol om een gemeenschappelijk portaal te
ontwikkelen om toegang te krijgen tot bestaande kanalen en systemen, dat ten
volle de regels inzake de beveiliging ervan en inzake gegevensbescherming
naleeft. De Commissie is van oordeel dat het vergemakkelijken van het gebruik
van bestaande kanalen en systemen voordelen heeft, maar dat verder moet worden
nagegaan wat de kosten/baten van een platform voor informatie-uitwisseling
zijn, wie voor de financiering zou zorgen en hoe het project zou worden
beheerd. Bij dat onderzoek moet ook het IT-agentschap worden betrokken[31]. De lidstaten wordt verzocht: ·
wanneer er wettelijk geen kanaal is voorgeschreven,
het Europolkanaal met gebruikmaking van het SIENA-instrument te gebruiken als
het standaardkanaal tenzij er specifieke redenen zijn om een ander kanaal te
gebruiken; ·
nationale instructies uit te werken voor de keuze
van het kanaal; ·
mat name, nadat SIS II van start is gegaan en
SISNET is opgedoekt, het Europolkanaal en het SIENA-instrument te gebruiken
voor uitwisselingen in het kader van politiële samenwerking waarvoor thans
SISNET wordt gebruikt; ·
voor zover dat nog niet bestaat, één enkel loket
als contactpunt op te richten (SPOC) dat alle belangrijke kanalen bundelt, 24/7
beschikbaar is, alle rechtshandhavingsinstanties samenbrengt en toegang heeft
tot de nationale gegevensbanken; ·
ervoor te zorgen dat via centra voor politiële en
douanesamenwerking uitgewisselde informatie indien nodig wordt doorgegeven aan
het nationale niveau en, voor zover relevant, ook aan Europol; ·
samenwerking op te zetten tussen het SPOC en de
nationale coördinatiecentra van Eurosur. De Raad wordt verzocht: ·
de richtsnoeren op EU-niveau te wijzigen om deze in
overeenstemming te brengen met de hierboven voorgestelde richtsnoeren in
verband met de keuze van het kanaal. De Commissie zal: ·
deelnemen aan de werkzaamheden om de haalbaarheid
na te gaan van een platform voor informatie-uitwisseling. 3.3. Kwaliteit, beveiliging en
bescherming van gegevens waarborgen De waarborgen op het gebied van
gegevensbescherming in de bestaande instrumenten moeten zorgvuldig worden
nageleefd. Op grond van het voorstel van de Commissie van 25 januari 2012 voor
een richtlijn betreffende de nationale verwerking van persoonsgegevens met het
oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van
strafbare feiten[32]
zullen de bestaande gegevensbeschermingsregels moeten worden herzien om na te
gaan of zij op de richtlijn moeten worden afgestemd. Een hoog niveau van gegevensbeveiliging
is noodzakelijk om de integriteit van uitgewisselde persoonsgegevens te
beschermen en om ervoor te zorgen dat de lidstaten vertrouwen hebben in de
informatie-uitwisseling. Een ketting is maar zo sterk als de zwakste schakel:
de lidstaten en de EU-agentschappen moeten ervoor zorgen dat de gegevens worden
uitgewisseld over netwerken die zeer goed beveiligd zijn. Het bovengenoemde
voorstel voor een richtlijn bevat regels inzake gegevensbeveiliging[33], en op EU-niveau zijn er
gedetailleerde beveiligingsregels ter bescherming van vertrouwelijke
EU-informatie[34]. Een gegevenskwaliteit van hoog niveau
is even belangrijk. Het „bedrijfsproces”, dat wil zeggen de manier waarop
informatie-uitwisseling in de praktijk plaatsvindt, is in deze context
relevant. Een aspect daarvan bestaat erin wanneer mogelijk en aangewezen specifieke
taken te automatiseren. Het opstellen van een verzoek om informatie aan een
andere lidstaat vereist bijvoorbeeld dat gegevens die in een nationaal systeem
zijn opgeslagen, opnieuw worden ingevoerd in het gebruikte
communicatie-instrument; dit manueel doen, kan leiden tot fouten en vergt tijd.
Het automatiseren van dergelijke taken zal mogelijk worden door UMF II[35], een andere IMS-maatregel. Dit
door de EU gefinancierde project onder leiding van Europol heeft als doel een
standaardformaat te ontwikkelen voor berichten waarmee om informatie wordt verzocht
en waarmee wordt geantwoord. Dit zou de automatisering van gegevensoverdracht
tussen verschillende systemen mogelijk maken, bv. nationale systemen voor het
beheer van zaken en SIENA. Naast de eventuele kostenbesparingen of ten minste
de betere aanwending van middelen, heeft de afschaffing van het manueel
herinvoeren van gegevens een dubbel voordeel. Er komen personele middelen vrij
voor valideringstaken. Daarnaast leiden een vermindering van het aantal
kopieerfouten en het vergemakkelijken van de informatie-uitwisseling door
gestructureerde formaten tot een beter gegevensbeschermingsbeheer. Automatisering van taken wil niet zeggen dat
elke politieman in de EU toegang moet krijgen tot alle politie-informatie in de
EU. De uitwisseling moet beperkt blijven tot de gegevens die noodzakelijk en passend
zijn, en moet aldus worden beheerd dat zij binnen deze beperkingen blijft. Daarom
werken geautomatiseerde opzoekingen, als een manier om capaciteitsproblemen te
verhelpen, op grond van de bestaande EU-instrumenten betreffende
informatie-uitwisseling volgens de treffer/geen treffer-methode (bv. SIS,
DNA en vingerafdrukken in het Prümbesluit), of anders zijn zij beperkt tot zeer
zorgvuldig omschreven soorten gegevens (bv. voertuigregistratiegegevens in het
Prümbesluit). Bepaalde taken kunnen en mogen niet worden geautomatiseerd, met
name de validering van verzoeken en antwoorden. Dat is bijzonder belangrijk in
het kader van het Zweedse initiatief, dat voorschrijft dat verzoeken
gerechtvaardigd moeten zijn. Ten slotte kan de interoperabiliteit
tussen verschillende nationale systemen en administratieve structuren voordelen
opleveren zoals consistente procedures, kortere antwoordtermijnen, betere
gegevenskwaliteit en vereenvoudigd ontwerp en ontwikkeling. In het Europese interoperabiliteitskader[36] worden vier interoperabiliteitsniveaus
onderscheiden: het technische, het semantische, het organisatorische en het
juridische. In UMF II zal het semantische niveau worden ontwikkeld[37]. Afstemmen op gedeelde
praktijken (SPOC, keuze van het kanaal) zal het organisatorische niveau
bevorderen. Informatie mag echter steeds enkel daadwerkelijk worden
uitgewisseld en gebruikt wanneer dat wettelijk is toegestaan. Europol en de lidstaten wordt verzocht: ·
door te gaan met de ontwikkeling van de UMF
II-standaard. 3.4. Opleiding en kennis
verbeteren Om rechtshandhavingsfunctionarissen de nodige
kennis en vaardigheden te verschaffen om doeltreffend samen te werken, bereidt
de Commissie een Europees opleidingsplan rechtshandhaving voor. Uit een inventaris
is gebleken dat de EU-instrumenten inzake informatie-uitwisseling in de basisopleiding
van rechtshandhavingsinstanties aan bod komen, maar de kwaliteit van de
opleiding werd niet beoordeeld. Gespecialiseerde functionarissen zoals die
welke in een SPOC werken, hebben een meer diepgaande opleiding nodig.
Uitwisselingen van dergelijk personeel worden ook als bevorderlijk beschouwd[38] en moeten worden aangemoedigd. De lidstaten wordt verzocht: ·
ervoor te zorgen dat alle rechtshandhavingsfunctionarissen
een passende opleiding krijgen over grensoverschrijdende
informatie-uitwisseling; ·
uitwisselingen van SPOC-personeel te organiseren. De Commissie zal: ·
ervoor zorgen dat het Europees opleidingsplan
rechtshandhaving opleiding over grensoverschrijdende informatie-uitwisseling
omvat. 3.5. Financiering In het kader van het programma „Preventie en
bestrijding van criminaliteit” (ISEC) werd EU-financiering toegekend aan
informatie-uitwisselingsprojecten zoals UMF II (830 000 EUR) en de
tenuitvoerlegging van Prüm (11,9 miljoen EUR). Het fonds zal in 2014-2020 worden
vervangen door een EU-fonds voor binnenlandse veiligheid waaronder
informatie-uitwisselingsprojecten in de EU ook subsidiabel zullen zijn. Het fonds voor binnenlandse veiligheid zal
gedeeltelijk worden beheerd door de lidstaten onder het zogenaamde „gedeeld
beheer” overeenkomstig de meerjarenprogramma’s. Deze programma’s zouden
rekening moeten houden met de nationale prioriteiten op het gebied van
informatie-uitwisseling in lijn met de aanbevelingen in deze mededeling. De
Commissie zal tegelijk nagaan hoe onderdelen van het fonds voor binnenlandse
veiligheid die onder haar rechtstreeks beheer staan, vooral proefprojecten zouden
kunnen ondersteunen, bv. door UMF II verder te ontwikkelen. Wat de eigen uitgaven van de lidstaten
betreft, kunnen andere aanbevelingen (over SPOC, UMF II) zoals aangegeven
bijdragen tot kostenbesparingen of ten minste tot een betere aanwending van
middelen. De lidstaten wordt verzocht: ·
rekening te houden met de prioriteiten op het
gebied van informatie-uitwisseling in nationale meerjarenprogramma’s in het
kader van het EU-fonds voor binnenlandse veiligheid 2014-2020. De Commissie zal: ·
het beleid inzake informatie-uitwisseling opnemen
in de dialogen over de programmering van het EU-fonds voor binnenlandse
veiligheid met de lidstaten; ·
oproepen tot het indienen van voorstellen doen voor
directe financiering (van de Commissie) van relevante proefprojecten. 3.6. Statistieken De bestaande statistieken zijn weliswaar goed
op bepaalde gebieden (bv. SIS, SIENA), maar zijn niet allesomvattend. Betere
statistieken zouden leiden tot betere kennis over het gebruik van het Zweedse
initiatief (waarvoor alleen cijfers over het gebruik van SIENA bekend zijn) en
Prüm. Statistieken verzamelen kan echter zeer veel
middelen vereisen, vooral wanneer dat niet tot de normale werkstroom behoort.
Ad-hocoefeningen moeten worden vermeden. Een evolutionaire aanpak is de beste,
voortbouwend op reeds begonnen processen, bv., zoals beschreven in het
Prümverslag, het bepalen van het aantal Prümtreffers dat daadwerkelijk in
onderzoeken is gebruikt. Meer gebruik maken van SIENA voor verzoeken in het
kader van het Zweedse initiatief, zoals hierboven aanbevolen, zal ertoe leiden
dat meer van die verzoeken zullen verschijnen in de statistieken over SIENA. De lidstaten wordt verzocht: ·
de Prümstatistieken te verbeteren. 4. Conclusies De grensoverschrijdende
informatie-uitwisseling verbeteren, is geen doel op zich. Het doel is
criminaliteit doeltreffender aan te pakken en op die manier de schade voor
slachtoffers en voor de EU-economie te beperken. In het algemeen werkt grensoverschrijdende
informatie-uitwisseling goed en levert zij, zoals blijkt uit de hierboven
gegeven voorbeelden, een uiterst waardevolle bijdrage aan de strijd tegen
ernstige en grensoverschrijdende criminaliteit in de EU. Er is echter ruimte
voor verbetering. Wetgeving die is overeengekomen, moet volledig ten uitvoer
worden gelegd, door alle lidstaten. Wat de toekomst betreft, moeten de
lidstaten in het bijzonder meer systematisch gebruikmaken van het Europolkanaal
en moeten alle lidstaten een allesomvattend nationaal eenloketsysteem
ontwikkelen (SPOC). De Commissie zal op haar beurt blijven nagaan
hoe de instrumenten ten uitvoer worden gelegd en gebruikt, in EU-financiering
blijven voorzien en de verschillende aspecten blijven samenbrengen om
consistentie te waarborgen. De Commissie stelt thans geen nieuw instrument
voor. Als dat in de toekomst toch gebeurt, dat zal dat in overeenstemming zijn
met de materiële beginselen uit de overzichtsmededeling van 2010: waarborgen
van de grondrechten en garanderen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en
gericht risicobeheer. Er moet nog een grote inspanning worden
geleverd om ervoor te zorgen dat relevante informatie met Europol wordt gedeeld
om een beeld te krijgen van de grensoverschrijdende criminaliteit in de hele EU.
Het komende voorstel van de Commissie over de hervorming van Europol komt
daaraan tegemoet. De informatieverstrekking aan Europol zou echter al worden
vergemakkelijkt als de aanbevelingen in deze mededeling, namelijk meer
systematisch gebruik van het Europolkanaal en zijn instrument voor beveiligde
communicatie SIENA, zouden worden gevolgd. Als follow-up van deze mededeling zal de Commissie met de lidstaten
blijven samenwerken in de context van de strategie voor het beheer van
rechtshandhavingsinformatie voor interne veiligheid in de EU en stelt zij voor
dat de Raad een jaarlijks debat houdt in zijn Comité binnenlandse veiligheid.
De Commissie verzoekt ook het Europees Parlement om deze aanbevelingen te bespreken,
onder meer in zijn Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en
witwassen. [1] De EU-interneveiligheidsstrategie in actie, COM(2010) 673. [2] COM(2010) 385. [3] Conclusies van de Raad van 30 november 2009, 16637/09. [4] http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/e-library/documents/categories/studies/index_en.htm [5] Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad. [6] Besluit 2008/615/JBZ van de Raad. [7] 2009/371/JBZ. [8] 2007/533/JBZ. [9] Europees Agentschap voor het operationele beheer van
grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. [10] De verwachte Europese cyberveiligheidsstrategie zal het
mogelijk maken de toekomstige behoeften op het gebied van
informatie-uitwisseling tussen het netwerk, de instanties voor
informatiebeveiliging en de rechtshandhavingsinstanties te evalueren, bv. via
het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit. [11] EU-gegevensbank met vingerafdrukken van asielzoekers en
personen die onregelmatig de grens overschrijden. [12] Supplementary Information REquest at
the National Entry (verzoek om aanvullende informatie bij het
nationale deel). [13] Secure Information Exchange Network
Application (beveiligde netwerktoepassing voor informatie-uitwisseling). [14] Kaderbesluit 2008/977 van de Raad. [15] De
volgende lidstaten hebben het besluit ten uitvoer gelegd wat betreft:
DNA: BG/CZ/DE/ES/EE/FR/CY/LV/LT/LU/HU/NL/AT/PT/RO/SI/SK/FI;
vingerafdrukken: BG/CZ/DE/EE/ES/FR/CY/LT/LU/HU/NL/AT/SI/SK;
voertuigregistratiegegevens: BE/DE/ES/FR/LT/LU/NL/AT/PL/RO/SI/FI/SE.
Voor meer details, zie het Prümverslag. [16] SEC(2011) 593. [17] De volgende lidstaten moeten nog uitvoeringswetgeving
aannemen: BE/EL/IT/LU. [18] BG/CZ/DK/DE/EE/ES/FR/CY/HU/LT/LV/NL/PL/PT/RO/SI/SK/FI/SE. [19] IE/MT/AT/UK. [20] 9512/1/10. [21] Conclusies van de Raad van 27-28 oktober 2011, 15277/11. [22] https://www.europol.europa.eu/sites/default/files/publications/rand_evaluation_report.pdf [23] Conclusies van de Raad van 7-8 juni 2012. [24] http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/e-library/documents/categories/studies/index_en.htm [25] 7968/08. [26] Herhaald in de richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van
het Zweedse initiatief, 9512/1/10. [27] Het SIS II-communicatienetwerk is wettelijk beperkt tot
SIS II-gegevens en aanvullende informatie. [28] 13321/3/07. [29] Conclusies van de Raad van 7-8 juni 2012, 10333/12. [30] 38 eind 2011. [31] Europees Agentschap voor het operationele beheer van
grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. [32] COM(2012) 10. [33] Artikelen 27 tot en met 29 van het voorstel. [34] Besluit 2011/292/EU van de Raad. [35] Universal Message Format. [36] COM(2010) 744. [37] In UMF II wordt rekening gehouden met andere werkzaamheden
op het gebied van semantiek, zoals de gemeenschappelijke gegevensmodellen die
worden ontwikkeld in het kader van het EU-programma voor interoperabiliteitsoplossingen
voor Europese overheidsdiensten. [38] 10333/12.