This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0276
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL Assessment of action taken by Hungary in response to the Council Recommendation of 13 March 2012 with a view to bringing an end to the situation of excessive government deficit
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD Beoordeling van de maatregelen die Hongarije heeft getroffen in reactie op de aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012 om het buitensporige overheidstekort te verhelpen
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD Beoordeling van de maatregelen die Hongarije heeft getroffen in reactie op de aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012 om het buitensporige overheidstekort te verhelpen
/* COM/2012/0276 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD Beoordeling van de maatregelen die Hongarije heeft getroffen in reactie op de aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012 om het buitensporige overheidstekort te verhelpen /* COM/2012/0276 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD Beoordeling van de maatregelen die Hongarije
heeft getroffen
in reactie op de aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012 om het buitensporige
overheidstekort te verhelpen 1. Buitensporigtekortprocedure en recentste
aanbevelingen Op 5 juli 2004 heeft de Raad bij Beschikking
2004/918/EG[1]
overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Hongarije een buitensporig tekort
bestond, en heeft hij krachtens artikel 104, lid 7, aanbevelingen gedaan om het
buitensporige tekort uiterlijk in 2008 te verhelpen. Op 18 januari 2005 besloot de Raad bij
Beschikking 2005/348/EG[2]
overeenkomstig artikel 104, lid 8, VEG dat Hongarije geen effectief gevolg
had gegeven aan zijn aanbeveling. Op 8 maart 2005 deed hij vervolgens een tweede
aanbeveling op basis van artikel 104, lid 7, VEG waarin werd vastgehouden aan
2008 als jaar waarin het buitensporige tekort uiterlijk gecorrigeerd zou moeten
zijn. Op 8 november 2005 stelde de Raad bij Beschikking 2005/843/EG[3] overeenkomstig 104, lid 8, VEG
vast dat Hongarije opnieuw niet had voldaan aan de ingevolge artikel 104, lid
7, gedane aanbevelingen. Daarom richtte hij op 10 oktober 2006 een derde
aanbeveling op basis van artikel 104, lid 7, VEG aan Hongarije waarin de
termijn voor de correctie van het buitensporige tekort werd verlengd tot 2009. Op
7 juli 2009 concludeerde de Raad in zijn aanbeveling krachtens
artikel 104, lid 7 VEG (hierna de "aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009"
genoemd) dat ervan uit mocht worden gegaan dat de Hongaarse autoriteiten
effectief gevolg hadden gegeven aan de aanbevelingen van 10 oktober 2006. Vanwege
de ernstige economische neergang bevatte deze vierde aanbeveling van de Raad tevens
herziene aanbevelingen op basis van artikel 104, lid 7, VEG, in het kader
waarvan 2011 werd vastgesteld als jaar waarin Hongarije het buitensporig tekort
uiterlijk zou moeten verhelpen. Op 27 januari 2010 kwam de Commissie met een
mededeling aan de Raad[4]
waarin zij concludeerde dat Hongarije naar aanleiding van de aanbevelingen van
de Raad van 7 juli 2009 doeltreffende actie had ondernomen. Wel vestigde de
Commissie daarbij de aandacht op aanzienlijke risico's. Op 24 januari 2012 stelde de Raad bij Besluit
2012/139/EU[5]
op grond van artikel 126, lid 8, VWEU vast dat door Hongarije niet binnen de
gestelde termijn doeltreffend gevolg is gegeven aan de aanbeveling van de Raad
van 7 juli 2009. Weliswaar bleef het overheidstekort van Hongarije in 2011
beneden de referentiewaarde van 3 % van het bbp, doch was dit niet te
danken aan een structurele en duurzame correctie, maar aan substantiële
eenmalige ontvangsten. Tegelijkertijd was er sprake van een structurele
verslechtering in 2010 en 2011 met meer dan 2 % van het bbp, terwijl juist
een cumulatieve budgettaire verbetering van 0,5 % van het bbp was
aanbevolen. Weliswaar worden door de autoriteiten in 2012 structurele
maatregelen geïmplementeerd die de eerdere verslechtering van de situatie naar
verwachting grotendeels zouden compenseren, maar de referentiewaarde van 3 %
van het bbp zou ook in 2012 enkel kunnen worden nageleefd dankzij eenmalige inkomsten
ter grootte van bijna 1 % van het bbp, terwijl het tekort in 2013 de in
het Verdrag vastgelegde referentiewaarde weer zou overschrijden als alle
eenmalige maatregelen volgens plan zouden worden uitgefaseerd. Op 13 maart 2012
besloot de Raad vervolgens bij Uitvoeringsbesluit 2012/156/EU[6] om een deel van de
vastleggingen van het Cohesiefonds voor Hongarije met ingang van 1 januari 2013
te schorsen, in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EG) nr.
1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds[7]. Op dezelfde dag richtte de Raad een nieuwe
(vijfde) aanbeveling tot Hongarije overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU en
artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97[8] (hierna de
"aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012" genoemd), waarin 2012
werd vastgesteld als jaar waarin het land uiterlijk een einde zou moeten maken
aan het buitensporig tekort. Daarnaast deed de Raad de volgende specifieke
aanbevelingen: ·
De Hongaarse autoriteiten dringen het
begrotingstekort op een geloofwaardige en duurzame wijze terug tot onder de
referentiewaarde van 3 % van het bbp in overeenstemming met het
meerjarentraject dat is uitgestippeld in het geactualiseerde
convergentieprogramma van Hongarije, dat in het advies van de Raad van 12 juli
2011 is bekrachtigd. Specifiek met dit doel voor ogen dienen de Hongaarse
autoriteiten: a)
ervoor te zorgen dat de tekortdoelstelling voor
2012 van 2,5 % van het bbp wordt gehaald, hetgeen op basis van het
macro-economische kader van na de tussentijdse prognoses van februari 2012 van
de diensten van de Commissie een extra begrotingsinspanning van ten minste 0,5 %
van het bbp zou vereisen bovenop de reeds voorziene inspanning van 1,9 %
van het bbp. Dit dient met name te worden gerealiseerd door de in het Széll
Kálmán Plan en het geactualiseerde convergentieprogramma opgenomen
tekortverlagende maatregelen nader te specificeren en onverkort uit te voeren,
alsook door de nodige verdere consolidatiemaatregelen van structurele aard te
nemen; b)
eventuele meevallers aan te wenden voor een
verbetering van het nominale saldo, zoals onder meer mogelijke eenmalige
ontvangsten als gevolg van de overstap van begunstigden van de particuliere
naar de openbare pensioenpijler; c)
de nodige aanvullende maatregelen van structurele
aard te nemen die vereist zijn om ervoor te zorgen dat het tekort in 2013,
waarvan op basis van het macro-economische kader van na de tussentijdse prognoses
van februari 2012 van de diensten van de Commissie wordt verwacht dat het de
drempel van 3 % van het bbp met 0,6 % van het bbp zal overschrijden,
ver onder deze drempel blijft, zelfs nadat de eenmalige ontvangsten van bijna 1 %
van het bbp zoals verwacht en aanbevolen volledig zijn afgebouwd. Deze
maatregelen kunnen onder meer bestaan in een verdere specificatie en
implementatie van de in het Széll Kálmán Plan opgenomen geplande structurele
hervormingen; d)
in de op stapel staande begrotingswetten in voldoende
reserves te voorzien (bovenop de bij de wet op de overheidsfinanciën
voorgeschreven algemene reserve) om zelfs in geval van onvoorziene
gebeurtenissen de begrotingsdoelstellingen te verwezenlijken. ·
Deze begrotingsaanpassing draagt ertoe bij dat de
brutoschuldquote van de overheid op een neerwaarts traject wordt gebracht. In
overeenstemming met artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97
dient met name gedurende een periode van drie jaar vanaf de correctie van het
buitensporige tekort voldoende vooruitgang bij de inachtneming van de benchmark
voor de reductie van het begrotingstekort te worden geboekt. ·
In overeenstemming met de aanbeveling van de Raad
van 12 juli 2011 brengen de Hongaarse autoriteiten de essentiële
grondwettelijke begrotingsregels in praktijk door de afgeleide wet betreffende
de economische stabiliteit aan te passen. De cijfermatige regels dienen te
garanderen dat het begrotingsproces in een daadwerkelijk bindend
middellangetermijnkader is ingebed en de analysetaken van de begrotingsraad
dienen te worden verruimd. De Raad stelde 13 september 2012 vast als
uiterste datum voor de Hongaarse regering om effectieve maatregelen te nemen en
invulling te geven aan de noodzakelijke maatregelen om een duurzame correctie
van het buitensporige tekort naderbij te brengen. Tegelijkertijd zegde de Raad
toe om reeds in het kader van zijn bijeenkomst op 22 juni 2012 te beoordelen of
Hongarije de nodige corrigerende maatregelen heeft genomen, teneinde de
gedeeltelijke schorsing van de vastleggingen van het Cohesiefonds voor 2013 op
te heffen indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan[9]. Om de besluitvorming door de
Raad te vergemakkelijken, heeft de Commissie toegezegd de Raad onverwijld een
evaluatie te doen toekomen waarin zij, na vaststelling door de Hongaarse
regering van corrigerende maatregelen ter naleving van de ingevolge artikel
126, lid 7, VWEU gedane aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012, nagaat of
Hongarije daadwerkelijk doeltreffende actie heeft ondernomen. Deze toezeggingen
en de door de Hongaarse autoriteiten genomen maatregelen vormen de achtergrond
van deze mededeling. Er zij op gewezen dat de Raad de Hongaarse
autoriteiten tevens heeft verzocht de vereiste structurele inspanningen te
leveren teneinde hun begrotingsdoelstelling van een tekort van 2,2 % van
het bbp voor 2013 op zodanige wijze te realiseren dat wordt gewaarborgd dat de
middellangetermijndoelstelling parallel aan de duurzame correctie van het
buitensporige tekort wordt vastgehouden. 2. Beoordeling van de doeltreffendheid van
de actie Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1467/97 en
de herziene gedragscode[10]
wordt een lidstaat geacht doeltreffende actie te hebben ondernomen indien hij
gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling op grond van artikel 126, lid 7, VWEU.
De gedragscode bepaalt dat er bij de beoordeling of er doeltreffende actie is
ondernomen, met name op moet worden gelet of de betrokken lidstaat de
oorspronkelijk door de Raad aanbevolen jaarlijkse begrotingsdoelstellingen en
de daarvoor nodige verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo,
ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, heeft verwezenlijkt. 2.1. Beoordeling van de genomen
maatregelen met betrekking tot de begrotingsresultaten voor 2012 en 2013 De macro-economische omstandigheden zijn iets
verslechterd ten opzichte van de prognoses van de diensten van de Commissie van
februari 2012, die ten grondslag lagen aan de aanbeveling van de Raad van 13
maart 2012 en waarin de verwachting werd geuit dat het reële bbp in 2012 met
0,1 % zou krimpen en in 2013 weer met een bescheiden 1,6 % zou
groeien. Deze verslechtering houdt voornamelijk verband met de tegenvallende
prestaties in de bouwsector in het eerste kwartaal. Bovendien zijn de
groeivooruitzichten voor de korte en de middellange termijn als gevolg van
recent ingevoerde nieuwe maatregelen (zie hieronder voor nadere informatie) nog
iets somberder uitgevallen en zal het reële bbp volgens de voorjaarsprognoses 2012
van de diensten van de Commissie en op basis van de op de sluitingsdatum[11] beschikbare informatie in 2012
naar verwachting met 0,3 % dalen om vervolgens in 2013 met slechts 1,0 %
toe te nemen. Het convergentieprogramma voor 2012 bevat iets optimistischere
groeiprognoses (0,1 % in 2012 en 1,6 % in 2013), voornamelijk omdat
i) de particuliere consumptieve uitgaven dankzij een gunstigere groeiverwachting
voor de werkgelegenheid in de particuliere sector hoger uitvallen en ii) de
bruto-investeringen in vaste activa een dynamischere ontwikkeling te zien geven.
In 2011 liet de overheidsbegroting een
overschot van 4,3 % van het bbp zien dankzij eenmalige inkomsten van 9,7 %
van het bbp, afkomstig uit de feitelijke liquidatie van het vroegere verplichte
particuliere pensioenfonds[12].
De eenmalige factoren niet meegerekend vertoonde de begroting evenwel een
tekort van 5¼ % van het bbp. Ofschoon deze resultaten globaal overeenkomen
met de ramingen van het werkdocument van de diensten van de Commissie bij de
aanbeveling van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad op grond van
artikel 126, lid 7, VWEU van maart 2012, overtreffen deze cijfers, die met name
te danken zijn aan het meevallende begrotingssaldo van de decentrale overheden,
de verwachtingen die de regering in haar voortgangsverslag over de
buitensporigtekortprocedure (BTP) van december 2011 en die de diensten van de
Commissie begin januari 2012[13]
hadden geuit. 2.1.1. Vermindering van het tekort in
2012 op basis van de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie
en als gevolg van meevallers In 2012 zal het begrotingstekort volgens de
voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie op 2,5 %
uitkomen, waarmee het in overeenstemming zou zijn met de officiële
tekortdoelstelling en 0,5 % lager zou liggen dan het tekort volgens de raming
in de beoordeling van maart 2012. Deze verbeterde vooruitzichten zijn
hoofdzakelijk te herleiden tot drie elementen: 1.
Het basiseffect van het meevallende
begrotingsresultaat voor 2011 (0,1 % van het bbp). 2.
De regering heeft in het convergentieprogramma voor
2012 nieuwe bezuinigingsmaatregelen aangekondigd met een omvang van 0,3 % van
het bbp, die van invloed zijn op de budgettaire ontwikkeling in 2012. Daartoe
behoren inkomstenverhogende maatregelen van meer dan 0,1 % van het bbp,
waaronder de invoering van een nieuwe belasting op telecommunicatiediensten en
de btw-verlegging in de landbouw. Aan de uitgavenzijde wordt 0,2 % van het
bbp bespaard op de kredieten van ministeries en door een verdere vermindering
van de subsidies voor geneesmiddelen. In het licht van het uitvoeringsrisico
dat is verbonden aan de maatregelen aan de uitgavenzijde nemen de diensten van
de Commissie in de voorjaarsprognoses 2012 besparingen van 0,2 % van het
bbp over (van in totaal 0,3 % van het bbp). 3.
Naast de nieuwe bezuinigingen worden de tekortvooruitzichten
ook beïnvloed door nieuwe eenmalige ontwikkelingen. Deze nieuwe eenmalige
inkomsten van 0,4 % van het bbp bestaan uit i) het effect van een nieuwe
golf uittredingen van begunstigden uit de particuliere naar de openbare
pensioenpijler, daartoe aangezet door prikkels van de overheid die tot eind
maart 2012 van kracht waren (0,2 % van het bbp)[14] en ii) eenmalige inkomsten van
0,2 % van het bbp omdat sommige structuurfondsmiddelen van de EU pas in
januari 2012 zijn ontvangen, terwijl de overheid de desbetreffende betalingen
aan de eindbegunstigden al in december 2011 had gedaan, waarvan de diensten van
de Commissie in kennis werden gesteld bij hun bezoek in april 2012 in het kader
van de voorbereiding van de prognoses[15].
Deze inkomsten zullen naar verwachting gedeeltelijk wegvallen tegen nieuwe
eenmalige uitgaven ter grootte van 0,15 % van het bbp voor de
vervoersector (deze beslissing werd de diensten van de Commissie eveneens in
april meegedeeld). Al met al loopt het effect van alle eenmalige maatregelen
daardoor met zo'n 0,25 % op tot circa 0,9 % van het bbp. Zonder deze
tijdelijke factoren zou het begrotingstekort boven de referentiewaarde van 3 %
van het bbp komen te liggen (namelijk op 3,4 % van het bbp). Hoewel de tekortdoelstelling voor 2012 naar verwachting
zal worden gehaald, is dit volgens de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten
van de Commissie alleen mogelijk door de inzet van de volledige buitengewone
reserve (voorwaardelijke uitgavenverminderingen)[16] ter grootte van 1½ % van
het bbp die was gevormd om onvoorziene ontwikkelingen op te kunnen opvangen en de
tekortdoelstelling alsnog te halen[17].
Daarentegen is er volgens het convergentieprogramma 2012 nog een buitengewone
reserve van 0,4 % van het bbp voor 2012 beschikbaar. Dit verschil is het gevolg
van de door de diensten van de Commissie verwachte uitgavenoverschrijdingen van
bijna ½ % van het bbp die zich zullen voordoen op het gebied van de
geneesmiddelensubsidies, in de vervoersector en door het gebrek aan bijzonderheden
over de besnoeiingen op de begrotingskredieten, alsook door de iets lagere
belastinginkomsten omdat de economische groeivooruitzichten ongunstiger
uitvallen. Volgens de aanbeveling van de Raad van 13
maart 2012 dienen eventuele meevallers, zoals eenmalige ontvangsten als gevolg
van de overstap van begunstigden van de particuliere naar de openbare
pensioenpijler, te worden aangewend voor een verbetering van het nominale
saldo. Deze inkomsten waren niet opgenomen in het convergentieprogramma voor
2012. In de voorjaarsprognoses 2012 is daar echter wel rekening mee gehouden,
zodat de tekortdoelstelling volgens deze prognoses zal worden gehaald (maar dus
niet zal worden overtroffen). 2.1.2. Vermindering van het tekort in
2013 op basis van de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie
en op basis van de vorming van reserves In de voorjaarsprognoses 2012 van de Commissie
wordt ervan uitgegaan dat het begrotingstekort in 2013 naar 2,9 % van het
bbp zal stijgen, wat betekent dat het tekort zowel in 2012 als in 2013 beneden
de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijft, ook al is dit in het
eerstgenoemde jaar te danken aan eenmalige maatregelen. De tekortprognose voor
2013 valt 0,7 % van het bbp lager uit dan de verwachte 3,6 % van het
bbp in de beoordeling van maart 2012, maar is 0,7 % van het bbp hoger
dan de officiële doelstelling van 2,2 % van het bbp. De verbetering van
het begrotingsbeeld is het gevolg van tal van nieuwe bezuinigingsmaatregelen
die in het convergentieprogramma voor 2012 zijn aangekondigd. Volgens de raming
van de regering kan het begrotingstekort voor 2013 door deze maatregelen met
ongeveer 1,7 % van het bbp worden teruggedrongen. In het convergentieprogramma
voor 2012, dat voornamelijk is gebaseerd op gegevens van 2011 die gunstiger
zijn uitgevallen dan eerder werd verwacht, wordt er ook van uitgegaan dat het
tekort bij de decentrale overheden in 2012 met 0,2 % van het bbp en in
2013 met 0,3 % van het bbp zal afnemen. Bij de berekening van het bruto
tekortverlagend effect (van ca. 1,7 % van het bbp) dat de bezuinigingen op
de begroting hebben, is rekening gehouden met de in het convergentieprogramma
van 2012 aangegeven minimuminkomsten (0,4 % van het bbp) uit de heffing op
financiële transacties. Deze benadering wordt geschraagd door het door de
regering op 9 mei genomen besluit dat voorziet in de inning van deze
minimumontvangsten. Tevens zijn besparingen van bijna 0,2 % van het bbp
opgenomen die uit de strenge controle op de uitgaven aan goederen en diensten
in de openbare sector resulteren. Deze besparingen waren reeds impliciet in het
convergentieprogramma van 2012 opgenomen en zijn op 16 mei 2012 bekendgemaakt. De maatregelen aan de ontvangstenzijde omvatten:
i) de invoering van een heffing op financiële transacties (ten minste 0,4 %
van het bbp), ii) hogere belastingtarieven voor verzekeringsdiensten, de
energiesector en openbare nutsbedrijven (0,2 %), iii) het volledige
jaareffect van de belasting op telecommunicatiediensten en de btw-verlegging in
de landbouw (0,2 %) en iv) de invoering van de elektronische wegentol met
ingang van juli 2013 (0,25 % van het bbp). De maatregelen aan de
uitgavenzijde omvatten: i) een verlaging van kredieten op de verschillende
begrotingsonderdelen en aan overheidsbedrijven, ii) een nominale bevriezing van
de uitgaven aan goederen en diensten bij de centrale overheid en iii) een
verlaging van de subsidies voor openbaar vervoer en geneesmiddelen, met een
gezamenlijk bruto tekortverminderend effect van meer dan 0,6 % van het
bbp. Omdat op de sluitingsdatum van de voorjaarsprognoses
2012 van de diensten van de Commissie (26 april 2012) te weinig specifieke
informatie beschikbaar was en aan sommige bezuinigingen uitvoeringsrisico's zijn
verbonden, kon dit tekortverlagende effect van 1,7 % van het bbp voor slechts
twee derde (1,1 % van het bbp) in de prognose in aanmerking worden genomen.
Terwijl in het convergentieprogramma voor 2012 erop wordt gerekend dat de
tekortdoelstelling van 2,2 % van het bbp zal worden gehaald zonder dat de
buitengewone reserve van 0,2 à 0,5 % van het bbp (afhankelijk van de
ontvangsten uit de belasting op financiële transacties) wordt aangesproken, gaan
de diensten van de Commissie er in de voorjaarsprognoses 2012 van uit dat het
tekort net onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp komt te liggen
zonder dat er een reserve overblijft (als in dit jaar geen eenmalige of
tijdelijke maatregelen worden genomen). Deze hogere tekortraming is vooral het
gevolg van het uitvoeringsrisico dat is verbonden aan de eerder geplande en de
recent aangekondigde bezuinigingsmaatregelen (van respectievelijk ¼ % en ½ %
van het bbp), en van de slechte macro-economische vooruitzichten (wat in een
toename van het tekort met ¼ % van het bbp resulteert)[18]. In de aanbeveling wordt de regering ook
verzocht om in de volgende begrotingswetten voldoende reserves op te nemen. Aangezien
de diensten van de Commissie er in de voorjaarsprognoses 2012 niet van uitgaan
dat er in 2013 een reserve overblijft waarmee mogelijke
uitgavenoverschrijdingen kunnen worden opgevangen, is rekening gehouden met een
zeker uitvoeringsrisico. Voorts hebben de autoriteiten nog de mogelijkheid om
een dergelijke reserve op te nemen in de toekomstige begrotingswetten. Dit
aspect en het gebruik van eenmalige maatregelen ter verbetering van de
structurele begrotingssituatie worden gemonitord in het kader van het
halfjaarlijkse BTP-voortgangsverslagen die de regering moet blijven indienen
tot de stopzetting van de BTP. 2.1.3. Nieuwe informatie van na de
sluitingsdatum van de voorjaarsprognoses Na de sluitingsdatum van de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie heeft
de regering nadere gegevens verstrekt over de verlaging van kredieten op de
verschillende begrotingsonderdelen ter grootte van 0,15 % van het bbp.
Aangezien daarover te weinig detailinformatie beschikbaar was, is in de
voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie slechts een derde van
dit bedrag in aanmerking genomen. Met de nieuwe informatie is duidelijk
geworden in welke mate de begrotingen van de verschillende ministeries en de
kredieten op de verschillende begrotingsonderdelen door de bezuinigingen worden
geraakt, en dat de beoogde besparingen gebaseerd zijn op een schrapping van
bepaalde taken en op een verhoging van de efficiëntie, waardoor de duurzaamheid
ervan kan worden gewaarborgd. Op basis van deze informatie kunnen de diensten
van de Commissie het volledige effect van 0,15 % van deze maatregel nu wel
opnemen in hun bijgewerkte raming. Bovendien heeft de regering bij Besluit nr.
1152/2012 van 16 mei 2012 tot wijziging van Besluit nr. 1122/2012 (IV.25.)
bekendgemaakt dat de uitgaven van de centrale overheid nominaal worden bevroren
en dat de uitgaven aan goederen en diensten van de decentrale overheden in 2013 slechts voor de helft zullen meestijgen met de
inflatie (maatregelen die slechts impliciet in het convergentieprogramma van
2012 waren opgenomen). De regering heeft tevens aangegeven dat deze besparingen
van rond de 0,2 % van het bbp op basis van dezelfde beginselen zullen
worden doorgevoerd als die welke gelden voor de bezuinigingen op de kredieten
op de verschillende begrotingsonderdelen. Door dit besluit valt de bijgewerkte
budgettaire raming van de diensten van de Commissie slechts 0,1 % van het
bbp gunstiger uit aangezien er sprake is van bepaalde uitvoeringsrisico's,
onder meer omdat de centrale overheid slechts beperkte invloed heeft op de
budgettaire planning van de decentrale overheden. Op 9 mei hebben de autoriteiten een aantal
centrale parameters van een belastingpakket vastgesteld (de desbetreffende wetvoorstellen
zijn op 11 mei bij het parlement ingediend). Deze parameters verschillen op een
aantal punten van de parameters die in het convergentieprogramma voor 2012 zijn
beschreven. Zoals verwacht zijn de nieuwe belastingheffingen over het algemeen
van toepassing op het bedrijfsleven en niet op de consument, waardoor het
investeringsklimaat verder zou kunnen verslechteren, hetgeen ook blijkt uit de
verklaringen van de betrokken ondernemersorganisaties. Concreet heeft de
regering besloten plafonds in te stellen voor de maandelijkse betalingen van de
telecommunicatiebelasting, terwijl de belastingverhoging voor energie- en
nutsbedrijven minder hoog is uitgevallen dan oorspronkelijk gepland. In totaal
komt dit neer op een inkomstenderving van bijna 0,1 % van het bbp. Volgens
de plannen wordt dit gecompenseerd met een navenant sterke toename van de
ontvangsten uit de belasting op financiële transacties omdat de schrapping van
de oorspronkelijk geplande aftopping meer oplevert dan de beperking van de
lijst van belastbare transacties. Uitgaande van de bij de afronding van deze
beoordeling beschikbare informatie is deze nieuwe informatie niet van invloed
op de totale ontvangsten die van het belastingpakket kunnen worden verwacht. Afgaande op alle nieuwe informatie die is
ontvangen na de sluitingsdatum voor de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten
van de Commissie, en met name op de nadere gegevens over de uitgaven, die een
tekortverlagend effect van 0,2 % van het bbp sorteren, kan worden gerekend
op een daling van het tekort voor 2013 tot 2,7 % van het bbp, dat daarmee duidelijk
onder de drempelwaarde van 3 % van het bbp komt te liggen (zie
tabel 1 voor de evolutie van de beoordeling van de Commissie in de
verschillende stadia). 2.1.4. Begrotingsinspanningen die aan
de correctie van het tekort in 2012 en 2013 ten grondslag liggen In zijn aanbeveling van 13 maart 2012 heeft de
Raad de regering verzocht ervoor te zorgen dat de tekortdoelstelling voor 2012
van 2,5 % van het bbp wordt gehaald en dat in 2013 een tekort wordt
bereikt dat ruim onder de drempel van 3 % van het bbp ligt. Op basis van
het macro-economisch kader dat uit de prognoses van de diensten van de
Commissie van februari 2012 oprees, zou daarvoor in 2012 een extra
begrotingsinspanning van ten minste ½ % van het bbp vereist zijn (bovenop
de reeds beoogde inspanning van 1,9 % van het bbp), met daarnaast verdere
inspanningen in 2013 (gezien het voor dat jaar verwachte tekort van 3,6 %
van het bbp). Volgens de voorjaarsprognoses 2012 van de
diensten van de Commissie zal het structurele saldo na een verslechtering ervan
met 1,4 % van het bbp in 2010 en met nog eens 0,7 % van het bbp in
2011 in 2012 met 2¼ % verbeteren en dus een sterkere verbetering te zien
geven dan de ¼ % van het bbp die nog in de beoordeling van maart 2012 werd
verwacht. Dit cijfer blijft weliswaar iets achter bij de door de Raad
aanbevolen begrotingsinspanning, maar dat valt ten dele te verklaren doordat in
de voorjaarsprognoses 2012 ten opzichte van de prognoses van februari 2012 van
de diensten van de Commissie een (geringe) neerwaartse bijstelling van de
potentiële groei heeft plaatsgevonden (met een negatief effect van 0,1 %
van het bbp op het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo in 2012). Bovendien zijn de belastingontvangsten (ongerekend
discretionaire maatregelen) in 2012 lager uitgevallen dan mag worden verwacht
op grond van de ontwikkeling van het bbp en de standaardbelastingelasticiteiten,
hetgeen er wellicht gedeeltelijk toe heeft bijgedragen dat de verandering van
het structurele saldo iets achterblijft bij de vereiste begrotingsinspanning. Rekening
houdend met deze factoren mag de begrotingsinspanning voor 2012 worden geacht
in grote lijnen te stroken met hetgeen nodig was in het kader van de
aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012. Voor 2013 wordt in de voorjaarsprognoses 2012 gerekend
op een geringe verbetering van het structurele begrotingssaldo (met 0,1 %
van het bbp) ten opzichte van het voorgaande jaar. Rekening houdend met de
nieuwe informatie die door de regering na de sluitingsdatum voor de prognoses is
verstrekt, zou dit saldo sterker kunnen verbeteren, namelijk met meer dan ¼ %
van het bbp. Tabel 1: Ontwikkeling van de
begrotingsprognoses || 2012 || 2013 Beoordeling van de Commissie van maart 2012 || -3,0 || -3,6 Onderliggende macro-economische omstandigheden || -0,05 || -0,05 Eenmalige maatregelen || 0,25 || 0,0 ontvangstenzijde (meer overstap van de particuliere naar de openbare pensioenpijler, bijzondere boekingen i.v.m. EU-fondsen) || 0,40 || 0,0 uitgavenzijde (schuldgerelateerde uitgaven in de vervoersector) || -0,15 || 0,0 Andere budgettaire ontwikkelingen (bv. wijzigingen in het beloningssysteem, aanpassing aan belastingwijzigingen) || 0,15 || -0,10 Beoordeling van de Commissie voordat nieuwe maatregelen zijn genomen || -2,65 || -3,75 Bezuinigingsmaatregelen van het convergentieprogramma 2012 || 0,20 || 1,10 ontvangstenzijde (bijv. heffing op financiële transacties, elektronische wegentol, extra belastingen op energie en telecommunicatie) || 0,15 || 0,90 uitgavenzijde (bijv. verlaging van begrotingsuitgaven en van subsidies voor geneesmiddelen || 0,05 || 0,20 Macro-economische tweederonde-effecten van bezuinigingsmaatregelen || -0,05 || -0,25 Voorjaarsprognoses 2012 (gepubliceerd op 11 mei 2012) || -2,5 || -2,9 Nadere informatie over bezuinigingsmaatregelen aan de uitgavenzijde (na de sluitingsdatum van de voorjaarsprognoses 2012) || 0,10 || 0,20 Bijgewerkte beoordeling van de Commissie || -2,5¹ || -2,7 ¹Op grond van nadere informatie over
bezuinigingsmaatregelen: buitengewone reserve van 0,1 % van het bbp. 2.1.5. Algehele beoordeling van de
correctie van het begrotingstekort en de overheidsschuld Over het geheel gezien en rekening houdend met
informatie die na de sluitingsdatum van de voorjaarsprognoses 2012 van de
diensten van de Commissie beschikbaar is gekomen, zal het begrotingstekort in
2012 naar verwachting op 2,5 % van het bbp uitkomen en in 2013 ruim onder
de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven, in overeenstemming met de
aanbeveling van de Raad van maart dit jaar. De verbetering van de begrotingsprognoses
is met name te danken aan het budgettaire effect van twee nieuwe maatregelen
ter grootte van 0,3 % van het bbp in 2012 en van 1,3 % van het bbp in
2013, die in het kader van het convergentieprogramma van 2012 zijn aangekondigd
en daarna nader zijn ingevuld en die ook leiden tot een verbetering van het
structurele saldo met ¼ % van het bbp in 2012 en nog eens ½ % van het
bbp in 2013 ten opzichte van de cijfers van de beoordeling van maart 2012.
Andere factoren, zoals het basiseffect van het licht meevallende begrotingssaldo
over 2011 en hogere eenmalige ontvangsten leiden eveneens tot een verbetering
van de vooruitzichten voor het nominale tekort en zorgen ervoor dat de
tekortdoelstelling van 2,5 % van het bbp in 2012 haalbaar is. Er zij op gewezen dat de consoliderende
maatregelen vragen doen rijzen over de kwaliteit ervan. Ze zijn namelijk vooral
gericht op de ontvangstenzijde en kunnen een obstakel voor de economische groei
vormen, gezien de verslechtering van het ondernemingsklimaat als gevolg van het
feit dat de tijdelijke sectorale heffingen die geleidelijk weer zouden worden
afgeschaft, in de praktijk zijn vervangen door permanente sectorale belastingen
in min of meer dezelfde sectoren. Zoals reeds aangegeven in de aanbeveling van
de Raad, zou Hongarije zijn voordeel kunnen doen met maatregelen op het gebied
van de universele kinderbijslag (mogelijk gecombineerd met de recentelijk
ingevoerde belastingvoordelen voor gezinnen), de invoering van een
gecentraliseerde, op waarde gebaseerde onroerendgoedbelasting en een
versterking van de progressiviteit van het forfaitaire
inkomstenbelastingstelsel, om een duurzame correctie van het buitensporige
tekort te realiseren[19].
In 2011 nam de schuld van de centrale overheid
iets af tot 80,6 % van het bbp als gevolg van het aanzienlijke primaire
overschot van 8¼ % van het bbp, dat echter grotendeels teniet werd gedaan
door de devaluatie van de forint met meer dan 10 %. Afgaande op de tekortvooruitzichten
van de voorjaarsprognoses 2012 en gesteld dat de overheid geen activa afstoot[20], zal de schuld in 2012 naar
verwachting tot 78,5 % van het bbp afnemen en vervolgens in 2013 nog iets
verder dalen. Volgens het geactualiseerde convergentieprogramma wordt de
overheidsschuld gedurende de programmaperiode steeds verder teruggedrongen tot
77 % van het bbp in 2013 en tot onder de 73 % in 2015. Wat betreft de
inachtneming van de benchmark voor de schuldreductie zal Hongarije zich
gedurende een periode van drie jaar vanaf de correctie van het buitensporige
tekort (d.w.z. 2013-2015) in een overgangsperiode bevinden. Door de geplande
begrotingsaanpassing zou voldoende vooruitgang worden geboekt bij de
inachtneming van de benchmark voor de schuldreductie. Afgaande op de geplande
begrotingsaanpassing zal de benchmark voor de schuldreductie in 2015 worden
bereikt. In artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97 is bepaald
dat voor een lidstaat waartegen op 8 november 2011 een
buitensporigtekortprocedure loopt en gedurende een periode van drie jaar vanaf
de correctie van het buitensporige tekort, het schuldcriterium wordt geacht te
zijn vervuld wanneer de betrokken lidstaat voldoende vooruitgang in de richting
van naleving maakt. 2.2. Beoordeling van de genomen
maatregelen op het gebied van de budgettaire governance Met betrekking tot de budgettaire governance
heeft de Raad de Hongaarse autoriteiten verzocht de wet op de economische
stabiliteit aan te passen, met name door een bindend middellangetermijnkader
vast te stellen en de analysetaken van de begrotingsraad te verruimen. In het
convergentieprogramma voor 2012 is aangekondigd dat de regering na een
evaluatie van het nieuwe regelgevingskader de nodige wijzigingsvoorstellen in
het voorjaar zou voorleggen aan het parlement. Bij de afronding van deze
beoordeling was nog geen informatie verstrekt over de voorgenomen wijzigingen. Teneinde
te zorgen voor een volledige omzetting van de richtlijn van de Raad inzake de
minimumeisen voor nationale begrotingskaders is in het kader van de database
van de Hongaarse regering voor de harmonisatie van de Hongaarse wetgeving met
de EU-wetgeving (onder beheer van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Justitie) een tijdschema opgezet, beginnend met de besluitvorming over
conceptuele vraagstukken in juni 2012 en eindigend met de afronding van het
wetgevingsproces in het najaar 2013. Wat betreft de werking van de
begrotingsraad is in maart 2012 bij wet bepaald dat de voorzitter van dit
orgaan een bezoldiging ontvangt en een klein secretariaat in het Bureau van het
parlement kan opzetten (deze aspecten ontbraken nog). Hoewel dit een stap in de
goede richting is - een zekere institutionalisering van de begrotingsraad
strookt immers met het sterke vetorecht dat de begrotingsraad ten aanzien van
de jaarlijkse begroting is toegekend - kunnen de algehele vorderingen op dit
gebied als te traag worden beschouwd, zodat de ontwikkelingen met betrekking
tot budgettaire governance nauwgezet moeten worden gevolgd. 3. Conclusies Op grond van de
thans beschikbare informatie lijkt het erop dat de door Hongarije genomen maatregelen
een behoorlijke vooruitgang betekenen in de richting van een correctie van het
buitensporig tekort. Naar verwachting
zal met name de tekortdoelstelling van 2,5 % van het bbp voor 2012 worden gehaald en het begrotingstekort in 2013 ruim onder de drempel van
3 % van het bbp blijven, ondanks de iets verslechterde macro-economische
omstandigheden. Het tekortdoel voor 2012 wordt naar verwachting gehaald op
grond van structurele maatregelen ter grootte van 0,3% van het bbp en ook
dankzij een gering positief basiseffect van 2011 en een aantal eenmalige
ontwikkelingen. Rekening houdend met het effect van herzieningen van de
potentiële bbp-groei en met het feit dat de belastingontvangsten (ongerekend
het effect van discretionaire maatregelen) in 2012 achterblijven bij de
verwachtingen op grond van de bbp-ontwikkelingen en de
standaardbelastingelasticiteiten, kan de begrotingsinspanning van 2012 worden
geacht in grote lijnen te stroken met de aanbeveling van de Raad van 13 maart
2012. Voor 2013 verwachten de diensten van de
Commissie op basis van alle openbare informatie, met inbegrip van de informatie
die na de sluitingsdatum voor de voorjaarsprognoses 2012 beschikbaar is gekomen,
dat het tekort dankzij een reeks consoliderende maatregelen op 2,7 % van
het bbp zal uitkomen en dus ruim onder de in het Verdrag vastgestelde
referentiewaarde van 3 % van het bbp zal blijven, dit ondanks de volledige
afbouw van eenmalige ontvangstenverhogende maatregelen met een netto-effect van
0,9 % van het bbp. Afgaande op deze tekortprognoses en de sindsdien
ontvangen informatie zal de schuld van de centrale overheid naar verwachting
afnemen van 80,6 % van het bbp in 2011 tot onder de 78,5 % van het
bbp in 2012 en in 2013 nog iets verder dalen. Het basisscenario van de voorjaarsprognoses
2012 bevat symmetrische risico's. Aan de ene kant kan een lager tekort worden
bereikt in het geval van een meevallend begrotingssaldo bij de decentrale
overheden of in het geval van lagere rente-uitgaven in de publieke sector. Aan
de andere kant zijn er tekortverhogende risico's, zoals tegenvallende uitgaven
in verband met verliezen van de centrale bank. Daarnaast kunnen de onlangs
aangekondigde nieuwe belastingen een verdere, niet-lineaire verslechtering van
het investeringsklimaat teweegbrengen, dat tevens onder druk kan komen te staan
als gevolg van de recente scherpe daling van het bbp in het eerste kwartaal, waarmee
in de prognoses geen rekening kon worden gehouden, maar wel een negatief effect
op het begrotingstekort sorteert. Met betrekking tot
de budgettaire governance is in het convergentieprogramma voor 2012 het
voornemen aangekondigd om bij het parlement wetswijzigingen ter zake in te
dienen. Bij de afronding van deze
beoordeling was echter nog geen publieke informatie beschikbaar over de inhoud
en het ambitieniveau van de voorgenomen herziening. Met
ingang van maart 2012 kan de voorzitter van de begrotingsraad aanspraak maken
op een marktconforme bezoldiging en op een klein secretariaat. Gezien de trage
vorderingen dienen de ontwikkelingen op het gebied van de budgettaire
governance ook nauwlettend te worden gevolgd in het kader van de opvolging van
de landenspecifieke aanbeveling van 2012 inzake de hervorming van de
budgettaire governance. In het licht van
de bovenstaande evaluatie acht de Commissie het momenteel niet noodzakelijk dat
verdere stappen in de buitensporigtekortprocedure ten aanzien van Hongarije
worden gezet. Een strikte tenuitvoerlegging en een snelle vooruitgang bij de
uitwerking van alle aangekondigde maatregelen zijn nodig om het
begrotingstekort met een veilige marge onder de referentiewaarde van 3 %
van het bbp te houden. De opzet van de consoliderende maatregelen is echter voor
verdere verbetering vatbaar. Daartoe moet vooraf nauw overleg worden gevoerd met
de belanghebbenden en internationale organisaties. Om te stroken met de
aanbeveling van de Raad, behoeft het budgettaire governancekader nog een
zodanige verdere aanpassing dat het land kan profiteren van de instelling van
een goed functionerend institutioneel systeem. Tegen deze achtergrond en in het
licht van de recente tegenvallende groeicijfers over het eerste kwartaal zal de
Commissie de ontwikkelingen op begrotingsgebied in Hongarije nauwlettend
blijven volgen, zulks in overeenstemming met het Verdrag en het SGP, met name
gezien de lange voorgeschiedenis van deze buitensporigtekortprocedure. Het
tweejaarlijkse BTP-verslag van de regering zal in dit verband telkens een van
de informatiebronnen vormen. Tabel 2: Vergelijking van de belangrijkste macro-economische en budgettaire
prognoses || || 2011 || 2012 || 2013 || 2014 || 2015 Reëel bbp (verandering in %) || COM || 1,7 || -0,3 || 1,0 || n.v.t. || n.v.t. CP || 1,7 || 0,1 || 1,6 || 2,5 || 2,5 Output gap1 (% potentieel bbp) || COM || -2,3 || -2,7 || -2,0 || n.v.t. || n.v.t. CP || -2,4 || -3,0 || -2,6 || -1,7 || -1,2 Overheidssaldo² (% van het bbp) || COM || 4,3 || -2,5 || -2,9 || n.v.t. || n.v.t. CP || 4,3 || -2,5 || -2,2 || -1,9 || -1,5 Primair saldo (% van het bbp) || COM || 8,3 || 1,5 || 1,2 || n.v.t. || n.v.t. CP || 8,3 || 1,6 || 2,0 || 2,2 || 2,2 Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo1,3 (% van het bbp) || COM || 5,3 || -1,3 || -2,0 || n.v.t. || n.v.t. CP || 5,4 || -1,1 || -1,0 || -1,1 || -0,9 Structureel saldo4 (% van het bbp) || COM || -4,3 || -2,1 || -2,0 || n.v.t. || n.v.t. CP || n.v.t. -4,0 || -1,9 || -1,2 || -1,1 || -0,9 Bruto overheidsschuld (% van het bbp) || COM || 80,6 || 78,5 || 78,0 || n.v.t. || n.v.t. CP || 80,6 || 78,4 || 77,0 || 73,7 || 72,7 Opmerkingen: 1 In de programma's vermelde output gaps en conjunctuurgezuiverde saldi, zoals herberekend door de diensten van de Commissie op basis van de in de programma's voorkomende informatie. 2 Op basis van informatie die is ontvangen na de sluitingsdatum voor de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie, kon de prognose voor het nominale tekort over 2013 neerwaarts worden bijgesteld tot 2,7 % van het bbp. 3 Conjunctuurgezuiverd saldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen. 4 Vanwege de herziening van de prognose voor het nominale tekort over 2013 op basis van informatie die is ontvangen na de sluitingsdatum voor de voorjaarsprognoses van de diensten van de Commissie, valt ook het structurele saldo over 2013 ¼ % van het bbp gunstiger uit. Bronnen: Voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie (COM) (gepubliceerd op 11 mei 2012) en convergentieprogramma van 2012 (CP) [1] PB L 389 van 30.12.2004, blz. 27. [2] PB L 110 van 30.4.2005, blz. 42. [3] PB L 314 van 30.11.2005, blz. 18. [4] COM(2010) 10 definitief. [5] PB L 66 van 6.3.2012, blz. 6. [6] PB L 78 van 17.3.2012, blz. 19. [7] PB L 210 van 31.7.2006, blz. 79. [8] PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6. [9] Overweging 12 van Uitvoeringsbesluit 2012/156/EU van de
Raad tot schorsing van vastleggingen van het Cohesiefonds voor Hongarije met
ingang van 2013 luidt als volgt: "Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van
Verordening (EG) nr. 1084/2006 zal de Raad, indien hij tegen 22 juni 2012, of
op een latere datum, vaststelt dat Hongarije de nodige corrigerende maatregelen
heeft genomen, onverwijld besluiten om de schorsing van de betrokken
vastleggingen op te heffen." [10] "Specificaties inzake de uitvoering van het
stabiliteits- en groeipact en Richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van
stabiliteits- en convergentieprogramma's", van 24 januari 2012. Zie
http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf [11] Op 15 mei heeft het Hongaarse bureau voor de
statistiek een voorlopige raming (flash estimate) voor het eerste kwartaal van 2012
gepubliceerd. Voor seizoensinvloeden en kalendereffecten gecorrigeerd daalde
het bbp met 1,3%, wat ook voor de analisten als verrassing kwam, gezien de
daling van 0,5% die werd verwacht in de voorjaarsprognoses 2012 die
gepubliceerd zijn op 11 mei, dat wil zeggen enkele dagen voordat die voorlopige
raming bekend werd. [12] In 2011 gaf de regering de leden van het vroegere
verplichte particuliere pensioenfonds de mogelijkheid om terug te keren naar de
openbare pensioenfondspijler, waarvoor zij de nodige prikkels bood. Tegen deze
achtergrond besloot 97% van de leden terug te keren, wat resulteerde in i)
eenmalige inkomsten voor de begroting in verband met de overdracht van de
geaccumuleerde activa aan de centrale overheid en ii) permanent hogere
inkomsten uit pensioenbijdragen aan de publieke pensioenpijler. [13] Werkdocument van de diensten van de Commissie –
begeleidend document bij de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van
de Raad op grond van artikel 126, lid 8. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/30_edps/other_documents/2012-03-06_hu_126-7_commission_swd_en.pdf [14] Ofschoon de uiterste datum voor de overstap van de
particuliere naar de openbare pensioenpijler 31 maart 2012 was en bekend
was dat rond een kwart van de leden ervoor had gekozen deze overstap alsnog te
maken, wat neerkomt op een inkomstenoverdracht van 0,2% van het bbp, werden in
het convergentieprogramma voor 2012 geen inkomsten in verband met deze
transactie opgenomen. [15] De door de regering gevoerde boekhouding op kasstroombasis
en op ESR-basis wordt door Eurostat aan een verificatie onderworpen. [16] De door de regering gevoerde boekhouding op kasstroombasis
en op ESR-basis wordt door Eurostat aan een verificatie onderworpen. [17] De ingediende begroting bevatte een buitengewone
reservebuffer van 0,7% van het bbp, die in de goedgekeurde begroting met 0,4% is
verhoogd tot 1,1% van het bbp. De in het convergentieprogramma voor 2012
opgenomen bezuinigingsmaatregelen ter grootte van bijna 0,4% van het bbp in 2012
zijn volgens de regering bedoeld voor de vorming van een extra reservebuffer,
aangezien met de in de begroting opgenomen reservebuffer van 1,1% van het bbp al
vaststaande ontvangstentegenvallers en uitgavenoverschrijdingen moeten worden opgevangen. [18] Er zij op gewezen dat ook aan de ontvangstenzijde een
aantal detailaspecten van de maatregelen nog niet is gespecificeerd zodat
moeilijk te beoordelen is welk effect zij op de begroting hebben. [19] Overweging 13 in de aanbeveling van de Raad van 13 maart. [20] Een aanzienlijk deel van deze activa is afkomstig uit de
activa die in het kader van de feitelijke liquidatie van de vroegere verplichte
particuliere pensioenpijler zijn overgedragen.