This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0065
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL in accordance with Article 18 of Council Directive 2003/48/EC on taxation of savingsincome in the form of interest payments
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
/* COM/2012/065 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling /* COM/2012/065 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD overeenkomstig het bepaalde in
artikel 18 van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende
belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling
1.
Inleiding
Artikel 18
van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad[1]
van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit
spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna "de spaarrichtlijn"
of "de richtlijn") luidt als volgt: "De Commissie doet de
Raad om de drie jaar verslag over de werking van deze richtlijn. Op basis van
deze verslagen stelt de Commissie de Raad zo nodig wijzigingen op deze
richtlijn voor als deze nodig blijken om effectieve belastingheffing op
inkomsten uit spaargelden beter te garanderen en ongewenste
concurrentieverstoringen uit de weg te ruimen." Het verslag van de
eerste evaluatie[2]
werd in 2008 (hierna "het 2008‑verslag")[3] opgesteld en had betrekking op
de omzetting en uitvoering van de richtlijn, waarbij de economische evaluatie[4] en de door de Commissie
aanbevolen wijzigingen werden samengevat. De noodzakelijke veranderingen die in
het 2008‑verslag werden vastgesteld, hadden voornamelijk tot doel
bepaalde interpretatieve kwesties te verduidelijken en bestaande lacunes te
dichten. De Commissie heeft daartoe op 13 november 2008 haar goedkeuring
gehecht aan een gewijzigd voorstel[5]
(hierna "het voorstel") voor de richtlijn met het oog op het dichten
van bestaande lacunes en een betere preventie van belastingontduiking. Het verslag van
deze tweede evaluatie betreft voornamelijk de werking en een economische
evaluatie van de richtlijn. De belangrijkste bevindingen van dit document,
d.w.z. het wijdverbreide gebruik van offshore‑rechtsgebieden voor
intermediaire entiteiten en de groei van belangrijke markten die voorzien in
producten die vergelijkbaar zijn met schuldvorderingen, bekrachtigen de
argumenten voor de verruiming van het toepassingsgebied van de richtlijn en de
desbetreffende overeenkomsten die in overeenstemming met artikel 17 van de
richtlijn zijn gesloten. Deze bevindingen zijn ook in overeenstemming met de
politieke toezegging van de G20 om de naleving te bevorderen van internationale
normen op het gebied van fiscale en financiële informatie‑uitwisseling en
gebruik te maken van alle beschikbare tegenmaatregelen ter bestrijding van
belastingparadijzen en niet‑coöperatieve rechtsgebieden die niet met deze
normen in overeenstemming zijn. Het bij dit
verslag gevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie geeft meer
feitelijke bijzonderheden over de onderwerpen die hieronder worden behandeld.
2.
Omzetting en uitvoering van de richtlijn
In de eerste
evaluatie concludeerde de Commissie dat alle lidstaten de richtlijn hadden
omgezet[6]
en de uitvoeringsbepalingen vanaf de geplande data hadden toegepast (dat wil
zeggen 1 juli 2005 en in het geval van Bulgarije en Roemenië
1 januari 2007). De Commissie heeft inbreukprocedures ingeleid
tegen afzonderlijke lidstaten over specifieke elementen in hun
uitvoeringsbepalingen en de procedures zijn pas afgesloten na de bevestiging
van de lidstaten dat dergelijke regels in overeenstemming waren gebracht met de
richtlijn. Er zijn momenteel geen lopende inbreukprocedures. Op de bijeenkomst van de Ecofin‑Raad van
7 december 2010 heeft de Commissie zich ertoe verbonden medio 2011
een ad‑hocverslag op te leveren over de juiste en effectieve toepassing
van de richtlijn door de lidstaten. De diensten van de Commissie compileerden
dat verslag (SEC 2011 (775) def.[7])
op basis van de antwoorden op een vragenlijst die aan alle lidstaten was
gestuurd, en het verslag is op 14 juni 2011 aan de Raad voorgelegd. Uit de
beoordeling van de antwoorden van de lidstaten blijkt dat enkele bepalingen van
de richtlijn door de lidstaten verschillend worden geïnterpreteerd. Sommige
risico´s van een uiteenlopende interpretatie die daarbij aan het licht kwamen,
zijn al in het 2008-verslag genoemd. In dit verband worden de belangrijkste
problemen weggenomen door de bijbehorende nieuwe regels in het voorstel.
3.
De werking van de richtlijn
De werking van de richtlijn is onderzocht door
aan de belastingdiensten van de lidstaten een vragenlijst te sturen over hun
gebruik van de uitgewisselde gegevens in het kader van de richtlijn. Daarnaast
heeft de Commissie de statistische gegevens in het kader van de richtlijn
geëvalueerd en een studie laten uitvoeren ter beoordeling van de
administratieve lasten van de bestaande richtlijn voor marktdeelnemers. De
belangrijkste bevindingen van de analyse worden hieronder weergegeven.
3.1.
Vragenlijst over het gebruik van gegevens
De ACDT-deskundigengroep[8] kreeg een vragenlijst
toegestuurd over het gebruik van gegevens die vanuit andere lidstaten door hun
belastingdiensten waren ontvangen, met daarin het volgende: het gebruik van
gegevens voor fiscale controles; de kwaliteit van gegevens die zijn ontvangen van
andere lidstaten; en de vraag of de invoering van de richtlijn tot een betere
naleving bij belastingplichtigen heeft geleid. Beste werkwijze De lidstaten die een beoordeling hebben
uitgevoerd, hebben positieve resultaten gemeld als het gaat om de naleving.
Deze evaluatie benadrukt echter enkele gebieden die de lidstaten zouden kunnen
verbeteren om beter gebruik te maken van de uitgewisselde informatie: ·
de integratie van een
"spaarrichtlijndatabank" met de databanken voor nationale
belastingen; ·
de ontwikkeling van risicobeheer en een meer
geautomatiseerde procedure voor kruiscontroles van de gegevens; ·
de stroomlijning van de verspreiding van gegevens
tussen de centrale belastingdienst en de plaatselijke belastingkantoren. Kwaliteit van de gegevens De lidstaten hebben gewezen op een duidelijke
verbetering van de kwaliteit van de ontvangen gegevens dankzij de
gestructureerde opmaak en gemeenschappelijke procedurevoorschriften op basis
waarvan de gegevens worden gerapporteerd. In vergelijking met de informatie‑uitwisseling
in het kader van bilaterale overeenkomsten, is de kwaliteit van de ontvangen
gegevens op grond van de richtlijn aanzienlijk hoger. Toch blijft de kwaliteit van de gegevens nog
altijd een punt van zorg voor veel lidstaten. Op dit moment erkent ongeveer de
helft van de lidstaten dat zij de ontvangen informatie van uitbetalende
instanties controleren voordat zij de informatie naar de lidstaten doorsturen. Gezien het
belang om de kwaliteit te verhogen, zouden alle lidstaten de toepassing van systematische
kwaliteitscontroles op de door te geven informatie in overweging moeten nemen.
Bovendien worden de lidstaten aangemoedigd een onlinecontrolesysteem te
gebruiken dat door de Commissie is ontwikkeld in het kader van het fiscaal
identificatienummer (FIN), teneinde de belastingbetaler correct te
identificeren.
3.2.
Statistieken op grond van de richtlijn
Aangezien de richtlijn pas sinds
1 juli 2005 in werking is, werd de reikwijdte van de eerste evaluatie
beperkt door een gebrek aan gegevens. De lidstaten kwamen pas na een
vergadering van de Raad van 12 mei 2008 overeen de statistieken aan
de Commissie te verstrekken[9]
teneinde de doelmatigheid en effectiviteit van de richtlijn te beoordelen. Sinds de eerste evaluatie zijn de definities
van de gegevens en de opmaak vastgesteld, wat tot betere en meer tijdige
informatie‑uitwisseling tussen de lidstaten heeft geleid. Wat de
hoeveelheid uitgewisselde gegevens betreft, hebben de grote lidstaten of de
lidstaten met belangrijke financiële centra, de meeste informatie uitgewisseld.
Het jaar dat eruit sprong als het gaat om uitgewisselde informatie was 2007,
waarbij de waarde van de gemelde transacties werd geraamd op 38,9 miljard
EUR ( 2009[10]:
9,9 miljard EUR). Het meenemen van bruto opbrengsten in de cijfers kan tot
een andere vergelijkingsbasis leiden. Als deze buiten beschouwing worden
gelaten, zijn de gemelde bedragen stabieler (de rente‑inkomsten in 2009
bedragen 2,3 miljard EUR (2007: 3,6 miljard EUR)). De bronbelasting
die door alle landen overeen is gekomen op grond van de richtlijn en de
gerelateerde overeenkomsten op het gebied van spaargelden, is gedaald van
700,9 miljoen EUR in 2008 naar 495,9 miljoen EUR in 2009. Zowel de
dalingen in informatie‑uitwisseling als in bronbelasting kunnen deels
worden verklaard door de financiële crisis in het laatste kwartaal van 2008,
die heeft geleid tot een sterke daling van rentetarieven op de deposito's van
huishoudens in 2009. Een opvallend kenmerk van de gegevens is de
hoge variabiliteit aan informatie‑uitwisseling door de lidstaten in de
onderzochte periode. Een simulatieoefening voor grensoverschrijdende deposito
's van de ECB (punt 4 van dit verslag) bevestigde dat de gemelde bedragen aan
rentebetalingen wat het klassieke type van rente‑inkomsten betreft, voor
sommige lidstaten lager lagen dan de geschatte benchmark voor
grensoverschrijdende deposito´s en rentetarieven. Bovendien bleek uit de
antwoorden van de lidstaten in het ad‑hocverslag (punt 2 van dit
verslag) dat de meeste lidstaten voor de juiste toepassing van hun richtlijnen
hoofdzakelijk op uitbetalende instanties vertrouwen als het gaat om het melden
van de juiste identificatie van relevante inkomsten, hoewel zij bepalingen
hebben om controles uit te voeren en sancties op te leggen voor niet‑naleving
van de richtlijn. Wat de kwestie
van de verscheidenheid aan gegevens betreft die gedurende de boekjaren zijn
uitgewisseld, zouden de lidstaten het gebruik van controles kunnen overwegen
als het gaat om de volledigheid van de gegevens die door hun uitbetalende instanties
worden voorgelegd, inclusief het gebruik van het volgende: i) een door elke
lidstaat op te zetten centraal register van in hun rechtsgebied gevestigde
uitbetalende instanties om na te gaan of gegevens op de vervaldag zijn
overgelegd; ii) analyses van schommelingen van gegevens die door de
uitbetalende instanties zijn overgelegd, met name voor wat betreft de gemelde
bedragen en het aantal uiteindelijk gerechtigden; iii) samenwerking tussen de
lidstaten om de controleprocedures omtrent uitbetalende instanties te
verbeteren, inclusief de systemen van uitbetalende instanties en richtsnoeren
voor interne controles; en iv) de ontwikkeling van benchmarks en vergelijkingen
met andere gegevensbronnen, bijvoorbeeld nationale statistieken over het melden
van grensoverschrijdende deposito 's.
3.3.
Evaluatie van de aanloop‑ en terugkerende
kosten voor de uitvoering van de richtlijn
Een studie naar de administratieve lasten van
de bestaande richtlijn voor marktdeelnemers wees uit dat zij voor de meeste
rapportageverplichtingen al over informatie beschikten op grond van de
bestaande richtlijn dankzij antiwitwaswetgeving[11], binnenlandse wetgeving of
interne handelspraktijken. Geen van de respondenten gaf echter aan dat zij
informatie zouden verzamelen op basis van artikel 4, lid 2
(bepalingen betreffende "de uitbetalende instantie bij ontvangst")
tenzij zij hiertoe door de richtlijn worden verplicht. De meeste
stappen bij het melden op grond van de richtlijn worden door de uitbetalende
instanties wat de kosten betreft als "business as usual" beschouwd en
daarom lijkt de daarmee gepaard gaande administratieve last niet buitensporig
te zijn.
4.
Economische beoordeling
In het kader van deze evaluatie is een
economische beoordeling uitgevoerd om de ontwikkeling van belangrijke EU‑
en niet‑EU‑markten voor spaarproducten te analyseren als het gaat
om het belang van de relevante markten en de geografische structuur van hun
klantenbestand. Er is gebruikgemaakt van de gerapporteerde bankgegevens van de
Bank voor Internationale Betalingen (BIB), de Europese Centrale Bank (ECB) en
de Zwitserse nationale bank (ZNB). De gegevens van de ECB zijn ook gebruikt
voor een simulatieoefening naar de reikwijdte van de potentiële basis voor
informatie‑uitwisseling of bronbelasting. Bovendien zijn gegevens over specifieke
relevante markten gebruikt – (1) obligaties en aandelen (bron: het CPIS van het
IMF), (2) schuld‑ en aandelenproducten en derivaten in het algemeen
(bron: Eurostat), (3) gestructureerde retailproducten (bron: Avery), (4) icbe's
(bron: voornamelijk van EFAMA) en (5) verzekeringsproducten (bron: voornamelijk
uit onderzoek van Europe Economics) om de ontwikkeling van die markten in de
afgelopen jaren te analyseren. In het kader van dit verslag worden onder
icbe´s ondernemingen of entiteiten verstaan waaraan overeenkomstig
Richtlijn 2009/65/EG[12]
(voorheen Richtlijn 85/611/EEG[13])
vergunning is verleend. De termen niet‑icbe's en niet‑icbe‑fondsen
slaan op alle andere collectieve beleggingsfondsen of ‑regelingen. De belangrijkste bevindingen van de
beoordeling worden hieronder weergegeven. BIB-gegevens De internationale locatiespecifieke bancaire
statistieken van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) omvatten
kwartaalgegevens over activa en passiva van binnenlandse banken en filialen van
buitenlandse banken in de 43 rapporterende landen, uitgesplitst op bilaterale
basis al naargelang het land waarmee hun buitenlandse tegenhangers zaken doen.
De posities worden op een bruto‑ en niet‑geconsolideerde basis en
in miljoenen USD vermeld. Het grootste deel van de belangrijke
financiële offshore‑centra ging niet akkoord met de openbaarmaking van
hun bilaterale posities via de BIB. Openbare BIB‑gegevens, inclusief
gegevens over de landen die onderling financiële transacties verrichten[14], maakten echter een
nauwkeurige analyse mogelijk van offshore‑posities in zowel
rechtsgebieden in en buiten het netwerk van de overeenkomsten op het gebied van
spaargelden. De openbare BIB‑gegevens wezen uit dat
het bedrag aan buitenlandse niet‑bancaire deposito's voor de
Kaaimaneilanden in 2011 het op één na hoogste van de aan de BIB rapporterende
landen was en vergelijkbaar was met het bedrag van de Verenigde Staten. De
uitkomsten van de landen met wie financiële transacties werden verricht, lieten
zien dat een aanzienlijk aandeel van niet‑bancaire deposito´s in
lidstaten en in rechtsgebieden in het netwerk van de overeenkomsten op het
gebied van spaargelden, van klanten in offshore‑rechtsgebieden zijn
(gemiddeld 35% voor de periode 2000 – 2010 voor lidstaten en rechtsgebieden in
het netwerk van de overeenkomsten op het gebied van spaargelden; voor de
rechtsgebieden in het netwerk van de overeenkomsten op het gebied van
spaargelden is dit aandeel op het hoogste punt 65% in 2007)[15]. De relevantie van offshore‑centra als
locatie voor deposito 's en als standplaats voor de vestiging of het beheer van
houderschapsstructuren voor niet-bancaire deposito´s, geeft aan dat de
uitvoering van de "doorkijk"‑ en "de uitbetalende
instantie bij ontvangst"‑bepalingen voor bepaalde juridische
structuren in offshore‑rechtsgebieden gerechtvaardigd en noodzakelijk is
voor zowel de richtlijn als de overeenkomsten op het gebied van spaargelden. ECB-gegevens Dekkingssimulatie De gegevens van de ECB zijn gebaseerd op
balansstatistieken van de MFI[16].
De financiële instellingen in elke lidstaat berichten de ECB maandelijks
over de deposito’s van niet‑ingezeten huishoudens in de eurozone. De
bedragen worden vermeld voor de gezamenlijke eurozone zonder een gedetailleerde
opsplitsing in individuele lidstaten van de eurozone. De gegevens worden
uitgesplitst naar de sector van de depositohouder (met inbegrip van een
gedetailleerde opsplitsing van huishoudens) op basis van zeven verschillende
rentelooptijden. Deze gegevens werden het meest geschikt bevonden voor
een simulatieoefening om te voorzien in een beperkte beoordeling van de vraag
of de uitgewisselde gegevens (of ingehouden belasting) op grond van de
richtlijn een bevredigende dekking weergeeft van de betrokken potentiële
belastinggrondslag. Bij een geraamde benchmarkdekking van 70% voor
de gemiddelde gegevens over de boekjaren 2006 tot en met 2009, komen 7
lidstaten onder de benchmarkdekking van 70% uit terwijl 4 andere onder de 100%
uitkomen. Zestien lidstaten kwamen boven de 100% uit[17]. De resultaten
van de simulatieoefening sterken de noodzaak voor lidstaten om het gebruik van
systematische controles te overwegen als het gaat om de volledigheid van
gegevens die door hun uitbetalende instanties worden voorgelegd, zoals
voorgesteld in punt 3.2. Ontwikkeling van grensoverschrijdende
deposito's door huishoudens in de eurozone De ECB‑gegevens zijn ook onderzocht om
de ontwikkeling van grensoverschrijdende deposito´s te bepalen. Deposito's
van alle krediettermijnen, waaronder deposito's met een looptijd tot de
volgende werkdag die normaliter een lage rente opleveren, bedroegen in 2003
164 miljard EUR en bereikten in oktober 2008 het hoogste punt
met 247 miljard EUR (een stijging met 50% over de periode). Deposito’s met een vaste looptijd zijn gedaald
van 72 miljard EUR in januari 2003 tot 60 miljard EUR
in november 2005 met een tekort van 15% voor die periode en een maandelijkse
daling van -0,52%. Dit geldt niet voor deposito´s zonder vaste looptijd
(bijvoorbeeld deposito´s met een looptijd tot de volgende werkdag). Een
subtieler onderscheid tussen de trends voor deposito´s met opzegtermijn van de
lidstaten in de eurozone en de lidstaten die niet tot de eurozone behoren,
toont dat de neerwaartse trend tot november 2005 voornamelijk van lidstaten
uit de eurozone afkomstig was (-38,84% in die periode en een maandelijkse
daling van -1,51%). Gedurende de opeenvolgende drie jaren van
november 2005 tot november 2008 laten de twee categorieën een bijna
perfect overeenkomende stijging zien in grensoverschrijdende deposito´s van
60 miljard EUR naar 81 miljard EUR (een respectieve
stijging van 25% voor de eurozone en 30% voor het niet tot de eurozone
behorende gebied). Deposito´s met een vaste looptijd in de
lidstaten in de eurozone lijken na eind 2008 het sterkst te zijn gedaald (van
41 miljard in november 2008 naar 21 miljard in maart 2010),
hoofdzakelijk door de financiële crisis. De
ontwikkelingen in grensoverschrijdende deposito´s voor de huishoudens in de
eurozone in andere lidstaten laten een algemene stijging zien tot het begin van
de financiële crisis. Deze toename was voornamelijk als gevolg van
deposito 's zonder vaste looptijd (d.w.z. deposito’s met een looptijd tot de
volgende werkdag met een zeer lage rente), terwijl de deposito’s met een vaste
looptijd (bv. termijnspaarrekeningen met hogere rentetarieven) in de lidstaten
van de eurozone tot november 2005 zijn gedaald, maar nadien zijn hersteld,
overeenkomstig de deposito´s buiten de eurozone. ZNB-gegevens De Zwitserse nationale bank (ZNB) geeft de jaarlijkse
publicatie "banken in Zwitserland" uit met gedetailleerde
statistieken op basis van de financiële verslagen van Zwitserse banken.
Belangrijker nog is dat de publicatie voorziet in een aantal gedetailleerde
specificaties op basis van geografie of cliëntèle, voor wat betreft: i)
"Geografische specificatie van activa en passiva in de balans"; ii)
"Fiduciaire handel, per land"; en iii) "Aangehouden effecten in
bewaarnemersrekeningen van banken, naar woonplaats van de bewaarnemersrekeninghouder,
de categorie effecten en de bedrijfssector". De ZNB‑gegevens
laten een sterke klantenbasis in offshore‑rechtsgebieden zien, zowel
binnen als buiten het netwerk van de overeenkomsten op het gebied van
spaargelden[18].
Dit bevestigt de dringende noodzaak (zie ook het bovenstaande deel over
BIB-gegevens) om zaken aan te pakken waar intermediaire structuren in offshore‑rechtsgebieden
bij betrokken zijn als het gaat om inkomsten uit spaargelden in rechtsgebieden
binnen het netwerk van de overeenkomsten op het gebied van spaargelden en in
het bijzonder de overeenkomst over de belastingheffing op inkomsten uit
spaargelden tussen de EU en Zwitserland. CPIS‑gegevens van het IMF Het IMF spreekt in zijn Coordinated Portfolio
Investment survey (CPIS) van grensoverschrijdende beleggingsposities
(aangehouden beleggingen tegen de marktprijs waren in de meerderheid tegen het
eind van het jaar) van beleggers in 74 deelnemende landen (land van de
belegger) met een uitsplitsing naar het overeenkomende land waar wordt belegd
(land van de uitgevende instelling). De gegevens worden in principe opgesteld
op basis van de locatie van de debiteur (schuld‑ of aandelenemittent) en
de crediteur (belegger) wat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als
de status van uitbetalende instantie‑uiteindelijk gerechtigde die
centraal staat in de werking van de richtlijn. Er kunnen wat de lidstaten betreft twee
belangrijke conclusies worden getrokken uit de CPIS‑gegevens die een
gedetailleerde sectorale uitsplitsing laten zien: De invoering
van de richtlijn heeft individuele beleggers niet af doen zien van beleggingen
in door de lidstaten uitgegeven effecten en dat geldt vooral in die lidstaten
die informatie uitwisselden. In tegendeel, voor de meeste van de onderzochte
lidstaten geldt dat particulieren hun beleggingen in effecten in de lidstaten
opschroefden, met name in die lidstaten die informatie uitwisselden, en de Luxemburgse
beleggingsfondsen hebben een aanzienlijke groei doorgemaakt wat betreft hun
aandeel in grensoverschrijdende aandelenbeleggingen van huishoudens in de EU. Eurostat‑gegevens Inkomen Er is een vergelijking gemaakt tussen het
inkomen dat door huishoudens is ontvangen in vergelijking met alle sectoren van
de economie. Daarbij zijn inkomsten betrokken die binnen en buiten het
toepassingsgebied van de richtlijn vallen, om na te gaan of er van
productsubstitutie sprake is geweest. De gegevens wezen uit dat, van 2000 tot
en met 2009, de rente‑inkomsten van EU‑huishoudens als deel van het
inkomen uit vermogen[19],
tot 2008 relatief stabiel was, om vervolgens in 2009 sterk te dalen als gevolg
van lagere rentetarieven op schuldvorderingen door de financiële crisis, een
ontwikkeling die ook geldt voor de economie in zijn geheel. Op basis van
de Eurostat‑gegevens over inkomsten, is geen duidelijke verschuiving
zichtbaar van de bron van inkomsten uit spaargelden naar producten buiten het
toepassingsgebied van de richtlijn[20]. Activa Een analyse van de schuldbewijzen van
huishoudens toonde aan dat deze bewijzen van 2000 tot en met 2009 relatief
stabiel zijn geweest in vergelijking met de aandelen van huishoudens die in
diezelfde periode bijna gehalveerd zijn, wat kan duiden op risicomijdend gedrag
van beleggers en/of een algemene daling van de waarde van aandelen. Een
opmerkelijke ontwikkeling is de grote stijging in financiële derivaten van
huishoudens (1,05% van de totale activa van huishoudens in 1999 en 18,03% in
2009). Het toegenomen
gebruik van financiële derivaten zou ervoor pleiten het toepassingsgebied van
de richtlijn uit te breiden naar gestructureerde financiële producten waarvan
de activabasis vergelijkbaar is met schuldvorderingen. Gestructureerde retailproducten De Commissie heeft gebruikgemaakt van de
gestructureerde productendatabase van Avery, die specifieke gegevens over 34 markten
bevat en wereldwijd meer dan 2 miljoen gestructureerde producten heeft
gelanceerd. Sinds januari 2005 bevat de database naar schatting 90% van
de in Europa verstrekte gestructureerde retailproducten. De
belangrijkste beperking is dat de databank is ontworpen voor de
marketingbehoeften van haar cliënten en daarmee niet het voor de richtlijn
belangrijke onderscheid maakt tussen binnenlandse en grensoverschrijdende
beleggingen. Ondanks het gebrek aan specifieke gegevens over het
grensoverschrijdende element, blijkt het belang van deze productenmarkt uit de
grootte, waarbij de huidige openstaande omzet op overdekte EU-markten
767,3 miljard EUR bedraagt. Deze productenmarkt heeft over het
algemeen een snelle ontwikkeling doorgemaakt (met een gemiddelde jaarlijkse
stijging van meer dan 30%), waarbij een groot deel van de producten wordt
gekenschetst door kapitaalbeschermende kenmerken (het merendeel dat wordt
uitgegeven als het gaat om volume, met een aandeel van 60 tot 70%) en
onderliggende op rente gebaseerde kenmerken (het aandeel in de categorie op
rentetarief gebaseerde activa steeg van 3,2% in 2001 tot bijna 30% in 2007). Het
aangetoonde belang van de gestructureerde marktproducten en met name van de
producten die vergelijkbaar zijn met schuldvorderingen en de ontwikkeling van
specifieke Europese markten die voornamelijk buitenlandse retailbeleggers
bedienen, rechtvaardigt en bekrachtigt de uitbreiding van de richtlijn en de
overeenkomsten op het gebied van spaargelden om de betreffende soorten gestructureerde
producten mede op te nemen. ICBE-gegevens[21] Wat de vervangbaarheid van fondsen betreft,
laten de gegevens van EFAMA[22]
een daling in obligatiefondsen zien als percentage van het geheel aan icbe´s
(van 31% in 2002 naar 23% in 2010) en een toename van beleggingen in icbe´s in
andere categorieën fondsen waarvan het waarschijnlijker is dat zij zich buiten
het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/48/EG begeven vanwege de
samenstelling van hun activa. Op een vergelijkbare manier was er een
verschuiving naar niet‑icbe´s in dezelfde periode (22% in 2002 tegenover
25% in 2010). De stijging in
niet‑icbe‑fondsen, hoewel niet noodzakelijkerwijs als gevolg van
belastingontwijkingsstrategieën, rechtvaardigt de elementen in het voorstel die
zijn bedoeld om gelijke behandeling te bewerkstelligen van icbe‑ en niet‑icbe‑fondsen
die een vergelijkbare samenstelling van activa hebben. Verzekeringsproducten Zowel gegevensbronnen als anekdotisch
bewijsmateriaal wijzen op de geschiktheid van de opname van levensverzekeringen
met een beleggingselement binnen het toepassingsgebied van het voorstel. Het
PRIPS‑verslag[23]
van Europe Economics wees op het belang van de unit-linked levensverzekering
als deel van de EU-levensverzekeringsmarkt, met inbegrip van de lidstaten met
aanzienlijke grensoverschrijdende levensverzekeringshandel met retailbeleggers
in de EU. De
ontwikkeling van belangrijke grensoverschrijdende markten voor unit-linked
levensverzekeringen (beschouwd als een distributiekanaal voor icbe's)
rechtvaardigt het in het voorstel vervatte element op basis waarvan de
richtlijn zich uitstrekt naar uitkeringen van verzekeringsproducten die
vergelijkbaar zijn met schuldvorderingen.
5.
Conclusies
De lidstaten zijn over het algemeen tevreden
met de in het kader van de richtlijn ontvangen gegevens om te garanderen dat
hun belastingplichtigen rente‑inkomsten melden. Wat de onderzochte
periode betreft, hebben de lidstaten een duidelijke kwaliteitstoename gemeld
van de ontvangen gegevens. Dit schrijven zij toe aan het gestructureerde formaat
en de gemeenschappelijke procedureregels op basis waarvan de gegevens zijn
gemeld. De evaluatie heeft ook kenbaar gemaakt hoe de lidstaten beter
gebruik kunnen maken van de gegevens en de evaluatie heeft de noodzaak
aangetoond om de juistheid en volledigheid van de uitgewisselde gegevens verder
te verbeteren. Uit de economische analyse is gebleken dat het
dringend nodig is de richtlijn en de desbetreffende overeenkomsten op het
gebied van spaargelden, als het gaat om de productdefinitie alsmede de transacties
en de betreffende marktdeelnemers, te moderniseren om de bestaande
mogelijkheden voor ontduiking aan te pakken, inclusief die mogelijkheden die
ontstaan uit driehoekssituaties waarbij zowel rechtsgebieden binnen als buiten
het toepassingsgebied van de overeenkomsten op het gebied van spaargelden zijn
betrokken. Een consensus over het voorstel en de goedkeuring van een
onderhandelingsmandaat voor gelijkwaardige verbeteringen in deze overeenkomsten
zijn nodig om transparantie en goed bestuur in belastingzaken te bevorderen,
zowel binnen als buiten de EU. [1] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:157:0038:0048:nl:PDF [2] http://ec.europa.eu/taxation_customs/taxation/personal_tax/savings_tax/savings_directive_review/index en.htm [3] Verslag
COM/2008/0552
http://eurlex.europa.eu/result.do? = V5 T1 en T2 = 2008 & t3 = 552 &
rechtype = RECH_naturel & Submit = Search [4] Beschreven in het werkdocument van de diensten van de
Commissie met een economische evaluatie van de gevolgen van Richtlijn
2003/48/EG op aan de hand van de beschikbare gegevens, Brussel, 15.9.2008, SEC
(2008) 2420 http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/taxation/personal_tax/savings_tax/savings_directive_review/sec%282008%292420.pdf
[5] Voorstel
voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/48/EG
betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van
rentebetaling, Brussel, 13.11.2008, COM(2008) 727 definitief, http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/taxation/personal_tax/savings_tax/savings_directive_review/com%282008%29727_nl.pdf
[6] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:72003L0048:NL:NOT [7] http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/taxation/personal_tax/savings_tax/implemen tation/sec(2011)775_en.pdf [8] Een groep van nationale deskundigen van de Commissie:
Administrative Cooperation in Direct Taxation (administratieve samenwerking op
het gebied van directe belastingen). [9] http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/08/st09/st09467.en08.pdf [10] Zweden heeft voor geen enkel boekjaar gegevens verstrekt
aan de Commissie over uitgewisselde informatie met andere lidstaten. Ierland
heeft technische problemen ondervonden bij de indiening van de gegevens voor
2009. [11] Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële
stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (Voor de
EER relevante tekst). [12] Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor
collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32). [13] Richtlijn
85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor
collectieve belegging in effecten (icbe's), (PB L 375 van 31.12.1985,
blz. 3). [14] Alle
lidstaten, Zwitserland en Guernsey stemden in met de openbaarmaking van hun
bilaterale posities met alle landen met wie zij financiële transacties
verrichten, d.w.z. met de landen van hun depositohouders. [15] Het kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de
niet-bancaire sector in deze rechtsgebieden niet hoofdzakelijk bestaat uit
industriële ondernemingen of personen, maar uit intermediaire entiteiten. [16] MFI: Monetaire financiële instelling. [17] Resultaten die boven de 100% uitkomen zijn normaal
aangezien de definitie van rente‑inkomsten in de richtlijn ruimer is dan
de deposito 's die de ECB-gegevens beslaan. [18] Fiduciaire verplichtingen jegens (vooral niet-bancaire)
entiteiten in West‑Indië (voor ZNB‑ en BIB‑doeleinden
inclusief Anguilla, Antigua en Barbuda, Britse Maagdeneilanden en Montserrat,
St. Christopher/St. Kitts‑Nevis) en Panama (met een aandeel van
repectievelijk 16% en 9%) komen bijvoorbeeld op de eerste en de tweede plaats
als het gaat om het aandeel in het totaal aan fiduciaire verplichtingen. [19] Inkomen uit vermogen: uit activa ontvangen inkomsten. [20] De Eurostat-gegevens kennen een belangrijke beperking
aangezien er geen onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse en
grensoverschrijdende inkomsten en daarom kunnen er alleen algemene conclusies
worden getrokken. [21] Zie bladzijde 8 voor de bruikbare definitie. [22] EFAMA: European Fund and Asset Management Association. [23] Study
on the Costs and Benefits of potential changes to distribution changes for
Insurance Investment Products and other Non-MIFID packaged retail investment
products. (Studie naar de kosten en baten van mogelijke veranderingen in
spreiding van verzekeringsbeleggingsproducten en andere niet onder MIFID
vallende retailbeleggingsproducten.)
http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/docs/2010/prips/costs_benefits_study_en.pdf