This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012AE2075
Opinion of the European Economic and Social Committee on the ‘Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions — A Reinforced European Research Area Partnership for Excellence and Growth’ COM(2012) 392 final
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese onderzoekruimte (COM(2012) 392 final)
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese onderzoekruimte (COM(2012) 392 final)
PB C 76 van 14.3.2013, pp. 31–36
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
14.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 76/31 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese onderzoekruimte
(COM(2012) 392 final)
2013/C 76/06
Rapporteur: Daniela RONDINELLI
De Commissie heeft op 17 juli 2012 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over de
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese onderzoekruimte
COM(2012) 392 final.
De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 8 januari 2013.
Het EESC heeft tijdens zijn op 16 en 17 januari 2013 gehouden 486e zitting (vergadering van 16 januari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 120 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1 |
De verwezenlijking van de Europese Onderzoeksruimte (EOR) is een doelstelling waaraan voorrang moet worden verleend. Met een EOR kunnen de economische groei, de economische, sociale en culturele ontwikkeling en de wetenschappelijke uitmuntendheid van en in de EU, alsook de samenhang tussen lidstaten, regio's en ondernemingen worden bevorderd. Het financieringsbeleid waarin met Horizon 2020 is voorzien, zou het ijkpunt moeten zijn voor de verwezenlijking van deze doelstelling. |
|
1.2 |
Het EESC heeft in meerdere adviezen (1) zijn visie op de EOR gegeven. Ook is het al met de Commissie, het Europees Parlement en de Raad een discussie en een uitvoerige gedachtewisseling over dit onderwerp aangegaan. Het is dus tevreden dat er nu een Mededeling op tafel ligt. |
|
1.3 |
Het deelt de mening van de Commissie dat „groei” als een prioritaire doelstelling van de EOR moet worden aangemerkt. Gezien de ernst van de heersende economische en sociale crisis is die verwijzing van doorslaggevend belang voor het maatschappelijk middenveld. |
|
1.4 |
Volgens het EESC moet het vrije verkeer van onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologie de „vijfde vrijheid” van de eengemaakte markt worden. |
|
1.5 |
Het EESC ziet de totstandbrenging van de EOR als een doorlopend proces. De daarvoor gestelde termijn (2014) is echter te ambitieus, al was het maar omdat veel landen in Europa momenteel bezuinigingsmaatregelen doorvoeren waarbij ook wordt gekort op de nationale subsidies voor onderzoek en innovatie. |
|
1.6 |
Het EESC is ingenomen met het voorstel om de EOR tot stand te brengen door middel van een versterkt partnerschap waarvoor van voorbeelden van geslaagde methoden (en dus niet van regelgeving) wordt uitgegaan, maar plaatst vraagtekens bij het vrijwillige, niet-bindende en informele karakter van de memoranda van overeenstemming die met de organisaties worden gesloten. |
|
1.7 |
Nationale stelsels waardoor onderzoek doeltreffend en concurrerend wordt, zijn ondenkbaar zonder een sterke politieke wil. Dergelijke stelsels kunnen beter in praktijk worden gebracht door evaluaties door vakgenoten (peer reviews), die moeten worden gebaseerd op kwaliteitsbeoordelingen door het onderzoeksteam, de betrokken structuren en de bereikte resultaten. |
|
1.8 |
Volgens het EESC moet met overheidsgeld gefinancierd onderzoek met voorrang worden gewijd aan sectoren die van bijzonder belang zijn voor het welzijn van Europa's burgers. Ook moet worden doorgegaan met de publieke financiering van projecten waarvoor in Europa grote en algemene samenwerkingsverbanden zijn opgezet. |
|
1.9 |
Het EESC dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het nodige te doen waardoor de belemmeringen voor de totstandbrenging van de EOR uit de wereld worden geholpen. Die belemmeringen zijn gerelateerd aan het ontbreken van een Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers, hun arbeidsomstandigheden en mobiliteit, en het stelsel van sociale zekerheid. |
|
1.10 |
Het is hoog tijd voor betere regelingen voor de pensioenen en pensioenfondsen van onderzoekers die deelnemen aan transnationale projecten. Ook is wenselijk dat er een Europees fonds voor aanvullende pensioenen in het leven wordt geroepen waarmee de verliezen wordt gedekt, c.q. vergoed die het gevolg zijn van de overgang van het ene naar het andere land en van het ene naar het andere stelsel van sociale zekerheid. |
|
1.11 |
De nieuwe initiatieven die door de Commissie worden voorgesteld, mogen alle inspanningen om de administratieve rompslomp voor onderzoekers in de EOR te verminderen, niet in gevaar brengen of teniet doen. |
|
1.12 |
Het EESC drukt de Commissie en de lidstaten eens te meer op het hart om een einde te maken aan de discriminatie, ongelijkheden en genderverschillen waaronder academici, wetenschappers en onderzoekers nog steeds te lijden hebben. Het is met name ingenomen met het besluit om voor alle comités die de criteria voor de beoordeling van projecten moeten vaststellen, uitwerken en/of herzien of die bepalen welk werkbeleid in universitaire, onderzoeks- of wetenschappelijke centra wordt toegepast, een quorum van 40 % vrouwen in te voeren. |
|
1.13 |
Het valt toe te juichen dat de Commissie voorstelt om ter ondersteuning van e-wetenschap een stappenplan uit te werken voor de ontwikkeling van e-infrastructuur. Het EESC verwijst in dit verband naar zijn advies (2) over de Mededeling (3) betreffende de toegang tot onderzoeksresultaten en wetenschappelijke kennis, alsook de instandhouding en verspreiding daarvan. |
|
1.14 |
Prominenten uit de wereld van onderzoek en wetenschap (4) hebben een oproep gedaan aan de staatshoofden en regeringsleiders en aan de voorzitters van de instellingen van de EU, omdat Europa het zich in hun ogen niet kan veroorloven om zijn grootste talenten en beste onderzoekers en docenten te verliezen, vooral als het daarbij om jongeren gaat. EU-subsidies zijn volgens hen beslist noodzakelijk om nationale subsidiëring doeltreffender te maken en het pan-Europese en wereldwijde concurrentievermogen te vergroten. Het EESC staat achter deze oproep en wil dan ook dat niet wordt bezuinigd op de desbetreffende post op de begroting voor 2014-2020. |
|
1.15 |
Maatschappelijke organisaties die met de EOR te maken hebben, moeten onverkort en daadwerkelijk worden betrokken bij de nu al aangekondigde kaart van de op de prioritaire gebieden te ondernemen acties, de overdracht van de bevindingen van wetenschappelijke en onderzoeksprojecten en de eindbeoordeling van de resultaten van de Mededeling. |
|
1.16 |
In het licht van het voorgaande zou het EESC willen dat in zijn midden een speciale groep wordt aangewezen om in de diverse te doorlopen fasen van de totstandbrenging van de EOR (beoordeling, monitoring en besluitvorming) voor de andere EU-instellingen als referentiepunt te dienen. |
2. Inleiding
|
2.1 |
Het EESC heeft zich in tal van adviezen uitgesproken over de EOR. Die visie is nog altijd even actueel en steekhoudend. Het EESC stemt in met onderhavige Mededeling over een versterkt partnerschap voor de EOR: daarin wordt duidelijk gemaakt dat het hoog tijd is voor de EU en de lidstaten om hun verplichtingen na te komen en uit te breiden. De vorderingen die de lidstaten hebben gemaakt, zijn ongelijk verdeeld en in sommige lidstaten komt het proces maar langzaam op gang. Vernieuwend in deze Mededeling is dat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten daarin wordt uitgebreid naar aan de EOR gerelateerde organisaties (5). Volgens het EESC is er behoefte aan een bredere, versterkte samenwerking die effect sorteert. |
|
2.2 |
Volgens de Commissie is de totstandbrenging van de EOR bevorderlijk voor economische groei, wetenschappelijke uitmuntendheid en samenhang tussen regio's, landen en samenlevingen. Het EESC stemt daarmee in, ook al moet dan wel tegelijkertijd worden gezorgd voor de noodzakelijke wisselwerking tussen wetenschap en markt, innovatie en bedrijfsleven, nieuwe vormen van arbeidsorganisatie en een wereld van de wetenschap met steeds meer onderlinge verbindingen. |
|
2.3 |
In de huidige context van een wereldcrisis is er behoefte aan nauwgezettere en voortvarendere maatregelen om de kwalijke gevolgen van nationale versnippering bij de uitwerking en uitvoering van onderzoeksbeleid te boven te komen en een optimaal effect te geven aan activiteiten om de doeltreffendheid van dergelijk beleid te vergroten. Maatregelen die worden genomen, moeten ook leiden tot gezondere en eerlijkere concurrentie, grensoverschrijdende synergiewerking tussen nationale onderzoekstelsels, en de vergemakkelijking van de loopbanen en de mobiliteit van onderzoekers en van het vrije verkeer van kennis (6). |
|
2.4 |
Uit de openbare raadpleging in de aanloop naar onderhavige Mededeling is het volgende naar voren gekomen:
|
3. Consolidering van de onderzoekstelsels van de lidstaten die doeltreffender, opener en concurrentiekrachtiger moeten worden
|
3.1 |
Volgens de Commissie moeten de onderzoekstelsels van de lidstaten worden geconsolideerd aan de hand van voorbeelden van geslaagde methoden (best practices). Het EESC stemt daarmee in en is ingenomen met de stelling dat de middelen moeten worden gegund middels openbare aanbestedingen waarvoor offertes kunnen worden ingediend die door deskundigengroepen ( peer review (7)) van de lidstaat zelf, van andere lidstaten of van landen buiten de EU worden beoordeeld. Van de kwaliteitsbeoordeling (van de onderzoeksteams, maar ook van de deelnemende instellingen en de bereikte resultaten) moet afhangen welke besluiten er over subsidiëring door de overheid van onderzoekscentra worden genomen. Vaak worden onderzoekers, teams van onderzoekers, onderzoeksvoorstellen en -programma's nog niet getoetst aan vergelijkbare normen, ook al gaat het om projecten en onderzoeksactiviteiten met een vergelijkbare wijze van uitvoering en financiering. Het waardeverlies dat daardoor ontstaat, acht het EESC onaanvaardbaar in een tijd waarin tal van lidstaten aanzienlijk bezuinigen op onderzoek. |
|
3.2 |
Het EESC weet dat het Europese onderzoek tot het beste ter wereld behoort. Door de onderzoeksresultaten van universiteiten en wetenschappelijke instellingen zijn Europese ondernemingen uitgegroeid tot leiders of voorhoedespelers op het gebied van de technologie, waar zij inmiddels aan de top zijn komen te staan. Daarom vindt het EESC de conclusie die de Commissie uit de effectbeoordeling trekt, nl. dat de kloof tussen Europa, de VS, Japan en andere landen met een ontwikkelde economie alleen maar steeds groter wordt (8), problematisch. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat Europa achter raakt bij die andere landen als het gaat om de productie van kennis en dat de koplopers op het gebied van innovatie, bij een aantal indicatoren, een voorsprong hebben op de EU-27. Gezien de wereldcrisis en de daardoor veranderende machtsverhoudingen moet de EOR leiden tot de consolidering van de leiderspositie van de Europese wetenschap. De kwaliteit en mate van uitmuntendheid van die wetenschap moeten vis-à-vis andere internationale actoren als concurrentievoordeel worden ingezet. |
|
3.3 |
De EU heeft in 2002 besloten dat alle lidstaten samen 3 % van het Europese bbp in O&O moeten investeren (9). Het EESC betwijfelt of dit doel, dat steeds weer op mislukkingen stuit en inmiddels al is verschoven naar 2020, ooit zal worden bereikt en deelt de mening van de Commissie dat „groei” als een prioritaire doelstelling van de EOR moet worden aangemerkt, vooral in het licht van de ernstige sociaaleconomische crisis die de EU momenteel doormaakt. Erg zorgwekkend zijn de vergaande bezuinigingen op de onderzoeksbudgetten. |
|
3.4 |
Mobiliteit is een pijler van de Europese ruimte voor het hoger onderwijs en als zodanig nauw verweven met de totstandbrenging van de EOR, omdat de vorming van studenten, hoogleraren en onderzoekers daardoor daadwerkelijk wordt verbeterd. De bezuinigingen maken het voor veel onderzoekers moeilijk om voordeel te trekken van de EOR, laat staan dat zij er volledig aan kunnen deelnemen. Het EESC uit zijn bezorgdheid over die genomen besluiten (10). |
|
3.5 |
Het EESC is ervan overtuigd dat de nationale onderzoekstelsels zonder een sterke politieke wil onmogelijk doeltreffend en concurrerend kunnen zijn en vraagt de EU en de lidstaten om daadkrachtiger en sneller vooruitgang te boeken bij het nakomen van de aangegane verplichtingen. |
|
3.6 |
Zo lijkt het erop dat door de overheid gesubsidieerd onderzoek niet langer wordt gericht op sectoren die van strategisch belang zijn voor het welzijn van de burgers. Toch zouden juist daarin specifieke kansen moeten worden gezien voor vernieuwend onderzoek in het kader van de EOR en een samenwerkingsverband voor de hele EU. |
|
3.7 |
Bij de optimalisering en/of heroverweging van economische steun aan de nationale onderzoekstelsels komt het er op aan zich niet langer te laten leiden door de gekunstelde tweedeling tussen toegepast en fundamenteel onderzoek, waarvan een zekere aantrekkingskracht uitgaat naar sommige lidstaten die willen besnoeien op hun onderzoeksbudget. Die tweedeling vormt een ernstige belemmering voor toegang tot middelen en financiering. |
4. Transnationale samenwerking
|
4.1 |
De samenwerking voor pan-Europees onderzoek is in de EU toegespitst op een aantal grote initiatieven (11). Toch gaat maar 0,8 % van de overheidssubsidies voor O&O (12) naar gezamenlijke programma's van lidstaten (waaronder door de Commissie gesteunde en gecofinancierde projecten), ook al is inmiddels bewezen dat het niveau van O&O-activiteiten door transnationale samenwerking kan worden verbeterd, dat daardoor nieuwe sectoren kunnen worden aangesproken en dat er voor gezamenlijke projecten overheids- en particuliere steun kan worden verkregen. Hoe dan ook is er behoefte aan onderling nauw verweven en over heel Europa verspreide kennisnetwerken. |
|
4.2 |
De meerwaarde en het aanvullende karakter van werk dat samen wordt gedaan, kan mede duidelijk worden gemaakt aan de hand van nieuwe programma's voor de financiering van onderzoek, zoals de in 2012 gelanceerde subsidiëring van synergiewerking ERC ter ondersteuning van kleine grensoverschrijdende groepen van onderzoekers (meestal in verschillende vakgebieden). Voorwaarde is wel dat de door die programma's geholpen groepen blijk geven van creativiteit in hun management en erin slagen om aanvullende kennis, capaciteiten en middelen op een nieuwe manier met elkaar te delen. |
|
4.3 |
Ook zijn er nog steeds belemmeringen waarop buitenlanders stuiten die toegang willen krijgen tot voor Europa belangrijke nationale onderzoekscentra. Idem dito voor de toegang tot de pan-Europese onderzoeksinfrastructuur voor wetenschappers die werkzaam zijn in een lidstaat die daaraan niet deelneemt. In beide gevallen wordt die toegang verleend op grond van de nationale voorkeur. Het EESC is ervan overtuigd dat die belemmeringen de volledige totstandbrenging van de EOR in de weg staan. |
|
4.4 |
De nu al aangekondigde kaart van de te ondernemen acties zou niet alleen moeten worden gebaseerd op door de lidstaten verstrekte gegevens, maar zou ook de garantie moeten bieden dat maatschappelijke organisaties die gerelateerd zijn aan en/of belang hebben bij de EOR, daaraan daadwerkelijk en doeltreffend kunnen deelnemen. |
5. Een arbeidsmarkt die openstaat voor onderzoekers
5.1 Aanwervingen
Ondanks alles wat al is gedaan, zijn er nog steeds obstakels voor open, transparante en voornamelijk op verdienste gebaseerde aanwervingen. De selectiecriteria worden niet altijd naar behoren bekend gemaakt, zoals ook onbekend blijft op grond van welke regels de leden van het beoordelingspanel worden uitgekozen, waardoor die panels meestal niet vergelijkbaar zijn van lidstaat tot lidstaat (bv. het Euraxess-portaal). De Commissie stelt vast dat een aantal onderzoeksopdrachten niet wordt toegekend op grond van verdienste, alhoewel niet duidelijk is om hoeveel opdrachten het hier precies gaat (13). De aanbeveling aangaande het Europees Handvest van onderzoekers, de gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers en het Europees partnerschap voor onderzoekers (14) hebben weliswaar een tot op zekere hoogte gunstige nationale en institutionele uitwerking gehad, maar de toepassing van het Handvest en de gedragscode verloopt nog altijd te langzaam. Het EESC vreest dat het uitblijven van een beter geïntegreerde en meer garanties biedende arbeidsmarkt voor onderzoekers kan uitgroeien tot een voor de totstandbrenging van de EOR in 2014 moeilijk te overkomen obstakel.
5.2 Arbeidsvoorwaarden
De arbeidsvoorwaarden voor onderzoekers vertonen grote verschillen van lidstaat tot lidstaat en zijn soms niet interessant genoeg om jongeren aan te trekken, deskundigen in dienst te houden en buitenlandse onderzoekers terug te halen. Er is nog te veel variatie tussen de lidstaten in bevorderingscriteria, loopbaanperspectieven en beloningsystemen. Instellingen onderkennen mobiliteit niet altijd als indicator voor academisch rendement. In de lidstaten die het zwaarst onder de crisis te lijden hebben, wordt nu al vastgesteld dat veel meer jonge onderzoekers en/of deskundigen hun heil elders gaan zoeken, ook buiten Europa. De Commissie mag haar ogen niet sluiten voor dit verlies aan menselijk kapitaal in wetenschap en onderzoek en zou daarom dringend concrete maatregelen moeten nemen om die hersenvlucht, samen met de lidstaten, een halt toe te roepen.
5.3 Mobiliteit
Ook de voorwaarden in verband met de overdraagbaarheid van en toegang tot subsidies en financieringen vormen een obstakel voor de mobiliteit van onderzoekers, die hun nationale subsidies niet altijd kunnen „meenemen” (dit is het geval in dertien lidstaten). Onderzoeksteams mogen niet altijd buitenlandse partners aantrekken voor hun nationale onderzoeksprojecten, omdat de begunstigden nationale instellingen moeten zijn (dit is het geval in elf lidstaten). In vier lidstaten komen buitenlanders niet in aanmerking voor studiebeurzen.
5.4 Sociale zekerheid
Net als in zijn advies over Horizon 2020 (15), wijst het EESC ook hier weer op de dringende noodzaak van betere regelingen voor de pensioenen en pensioenfondsen van aan transnationale projecten deelnemende onderzoekers. Ook is wenselijk dat er een Europees fonds voor aanvullende pensioenen in het leven wordt geroepen waarmee de verliezen wordt gedekt, c.q. vergoed die het gevolg zijn van de overgang van het ene naar het andere land en van het ene naar het andere stelsel van sociale zekerheid. Voor sociale voorzieningen wordt meestal uitgegaan van de veronderstelling dat onderzoekers hun hele loopbaan lang voor dezelfde organisatie werken, met als gevolg de geneigdheid om jaren waarin een onderzoeker in een ander land heeft gewerkt, over het hoofd te zien of eenvoudigweg niet mee te tellen. Alle inspanningen die zijn gedaan, zijn duidelijk ontoereikend gebleken om dit vooral voor jongeren erg schadelijke struikelblok uit de weg te ruimen.
6. Gendergelijkheid en genderdimensie in onderzoeksprojecten
|
6.1 |
De afgelopen jaren zijn er in nagenoeg alle sectoren steeds meer vrouwelijke onderzoekers bijgekomen, ook al hebben altijd nog te weinig vrouwen een topfunctie, zoals de leiding over onderzoek in wetenschappelijke instituten of universiteiten (16). Toch is inmiddels voldoende bewezen dat gemengde onderzoeksteams betere resultaten opleveren en het voordeel genieten van meer ervaring, kennis en sociale intelligentie en een rijkere schakering van standpunten. De academische loopbanen van vrouwen worden nog steeds gekenmerkt door vergaande verticale segregatie en het zogenoemde „glazen plafond voor vrouwen” blijft evengoed een realiteit (17). |
|
6.2 |
Er is in universiteiten en onderzoekscentra nog steeds sprake van een verschil in beloning tussen vrouwen en mannen, net zo goed als in andere sectoren van de economie. Debet hieraan zijn o.m. de taakomschrijvingen (die in theorie „neutraal” zijn, maar in werkelijkheid voorbijgaan aan de genderverschillen), de uitblijvende verdeling van de gezinstaken en de aanhoudende (rechtstreekse en indirecte) discriminatie (18). Een en ander betekent dat het wetenschappelijk potentieel van vrouwen wordt ondergewaardeerd en onderbenut, dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en dat er geen genderevenwicht is in de besluitvorming over onderzoek en innovatie. |
|
6.3 |
Er wordt niet in alle lidstaten een beleid gevoerd om de genderdimensie te laten meewegen in onderzoek, wat ten gronde ondermijnend werkt voor de kwaliteit en steekhoudendheid van onderzoeksactiviteiten. Als de participatie van vrouwen billijker wordt, zal dit leiden tot een grotere verscheidenheid aan beschikbare talenten en arbeidskrachten, tot meer ándere inbreng in de besluitvorming en tot een kwaliteitssprong in het onderzoek. Zo kunnen hoge kosten en mogelijkerwijs zelfs fouten worden voorkomen die het gevolg zouden zijn van het uitblijven van een genderdimensie. Zolang de genderdimensie niet méér in aanmerking wordt genomen, gaat dit ten koste van het met de EOR nagestreefde doel, nl. het bereiken van uitmuntendheid. Meer betrokkenheid van vrouwen is bevorderlijk voor de sociaaleconomische groei in Europa en leidt tot meer uitmuntendheid, grotere prestaties en betere onderzoeksresultaten. |
|
6.4 |
Het EESC dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op meer inspanningen en nog doeltreffendere initiatieven om voorgoed een einde te maken aan de genderverschillen in de wereld van universiteiten, onderzoek en wetenschap. Zo zou met name de belofte moeten worden ingelast dat comités die opdrachten gunnen en de criteria voor de beoordeling van projecten vaststellen en/of herzien en die het beleid uitstippelen dat voor werkzaamheden in academische, wetenschappelijke en onderzoekscentra wordt gevoerd, voor minstens 40 % uit vrouwen moeten zijn samengesteld. Een andere maatregel die bij het EESC in goede aarde valt, bestaat in de opstelling, toepassing en beoordeling van actieprogramma's voor gendergelijkheid in universiteiten en onderzoekscentra, maar dan wel op voorwaarde dat vrouwen daarin van meet af aan een actieve en volwaardige rol kunnen spelen. |
|
6.5 |
Daarenboven zou de Commissie erop moeten toezien dat het maatschappelijk middenveld inspraak krijgt in de uit te werken aanbeveling. Die aanbeveling moet richtsnoeren omvatten voor de institutionele wijzigingen die nodig zijn om daadwerkelijk te zorgen voor gendergelijkheid in universiteiten en onderzoekscentra. |
7. Een optimale verspreiding, toegankelijkheid en overdracht van wetenschappelijke kennis, ook met behulp van digitale instrumenten
|
7.1 |
De Commissie heeft in april 2008 een aanbeveling voor het beheer van de intellectuele eigendom bij de overdracht van kennis (19) uitgevaardigd. Daarin stond een gedragscode voor universiteiten en andere openbare onderzoekscentra (20). Die gedragscode volstaat echter niet voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de aanbeveling. |
|
7.2 |
Toegang tot wetenschappelijke gegevens is een conditio sine qua non voor succesvol onderzoek, de bevordering van innovatie en Europa's concurrentievermogen. Daaronder valt ook de overdracht van kennis tussen onderzoekers, tussen samenwerkingsverbanden van onderzoekers (en dan vooral tussen onderzoekers en ondernemingen) en tussen onderzoekers en burgers, incl. vrije toegang tot publicaties. Het EESC is ingenomen met de desbetreffende Mededeling van de Commissie (21) en roept zijn advies hierover (22) in herinnering. |
|
7.3 |
Ook stemt het EESC in met het voornemen om een stappenplan uit te werken voor de ontwikkeling van e-infrastructuur ter ondersteuning van e-wetenschap, dankzij toegang tot onderzoeksinstrumenten en -middelen. |
|
7.4 |
De Commissie zou maatschappelijke organisaties moeten uitnodigen om volop deel te nemen aan de periodieke uitwisselingen over onderzoek en wetenschap in het kader van een forum van de lidstaten dat zal worden opgericht. De bedoeling van dit forum is om als referentie te dienen voor de verspreiding en overdracht van de resultaten van wetenschappelijke programma's en projecten. |
Brussel, 16 januari 2013
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Staffan NILSSON
(1) PB C 95 van 23.4.2003, blz. 48; PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8; PB C 306 van 16.12.2009, blz. 13; PB C 132 van 3.5.2011, blz. 39; PB C 318 van 29.10.2011, blz. 121; PB C 181 van 21.6.2012, blz. 111, PB C 299 van 4.10.2012, blz. 72; PB C 229 van 31.7.2012, blz. 60; PB C 44 van 15.2.2013, het EESC-advies „Sleuteltechnologieën”, het EESC-advies „Internationale samenwerking inzake onderzoek en innovatie” en het EESC-advies „Toegang tot wetenschappelijke informatie - overheidsinvesteringen”. (Zie bladzijde 43, 48 van dit Publicatieblad).
(2) EESC-advies „Toegang tot wetenschappelijke informatie - overheidsinvesteringen”
(3) COM(2012) 401 final
(4) Open brief van 42 Nobelprijswinnaars en 5 houders van Fieldmedailles, 23 oktober 2012 (http://erc.europa.eu/)
(5) De Commissie heeft op 17 juli 2012 memoranda van overeenstemming gesloten met EARTO (European Association of Research and Technology Organisations); Nordforsk; LERU (League of European Research Universities); EUA (European University Association); Science Europe.
(6) COM(2010) 546 final
(7) Grondbeginsel van de vrijwillige richtsnoeren met het oog op de randvoorwaarden voor gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's, ERAC-GPC, 2010
(8) In het EU-verslag „Innovation scoreboard 2011” staat dat de VS, Japan en Zuid-Korea een groter rendement hebben dan de EU-27. Ook de landen met een opkomende economie (Brazilië, China en India) veroveren steeds meer terrein en leggen op O&O-gebied steeds meer gewicht in de schaal.
(9) In 2008 beliepen die investeringen 1,92 % van het Europese bbp, tegen 2,79 % van het bbp van de VS (bron: Eurostat)
(10) Patrizio Fiorilli, woordvoerder van de Commissie voor begrotingszaken, heeft in oktober van dit jaar bekend gemaakt dat de Erasmus-beurzen in gevaar zijn, omdat daarop zowel in EU-verband als in de lidstaten zal worden bezuinigd.
(11) Zoals de kaderprogramma's, het Europese ruimtevaartagentschap, het Europees laboratorium voor moleculaire biologie en de Europese organisatie voor kernonderzoek
(12) GBAORD is de maatstaf waaraan begrotingsmiddelen, overheidsinvesteringen en nationale steunregelingen voor O&O worden afgemeten.
(13) Er zijn ieder jaar zo'n 40 000 vacatures voor onderzoekers. 9 600 daarvan betreffen hoogleraarschappen (Technopolis 2010)
(14) De Commissie heeft in 2008 de strategie inzake menselijk kapitaal gelanceerd voor de toepassing van het handvest en de gedragscode voor onderzoekers en heeft in 2009 een groep inzake een institutionele strategie voor menselijk kapitaal opgericht. Deze groep moet dienen als platform voor de uitwisseling van voorbeelden van geslaagde methoden tussen belanghebbenden overal in Europa.
(15) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 111.
(16) 45 % van de doctorandi zijn vrouwen, maar slechts 30 % van de actieve onderzoekers is vrouw, terwijl het percentage vrouwen dat in de academische wereld topfuncties bekleedt, nog lager is: 19 %. Gemiddeld staat slechts 13 % van alle wetenschappelijke of onderzoeksinstituten en 9 % van alle universiteiten onder leiding van een vrouw. Voorlopige gegevens voor 2012: „Gender in Research and Innovation: statistics and indicators”, groep van Helsinki Vrouwen en wetenschap – Commissie (http://ec.europa.eu)
(17) Er zijn meer vrouwelijke studenten (55 %) en er zijn meer vrouwen die afstuderen (59 %) dan mannen, maar mannen bekleden vaker topfuncties. Vrouwen vertegenwoordigen slechts 44 % van de lagere academische personeelsmedewerkers, 36 % van de geassocieerde medewerkers en 18 % van de gewone docenten.
(18) In zijn resolutie van maart 2012 benadrukt het Europees Parlement dat het verschil in beloning tussen vrouwen en mannen nog steeds groot is. Gemiddeld verdienen vrouwen in de EU 17,5 % minder dan mannen, terwijl vrouwen 60 % van de nieuwe diploma's behalen.
(19) C(2008)1329
(20) Doel van deze gedragscode was om de lidstaten en andere belanghebbenden methoden en beleid aan te reiken waardoor kennisoverdracht kan worden bevorderd. Toch komt daar nog maar weinig van en blijft het aantal personeelmedewerkers (bv. in de diensten van universiteiten die belast zijn met de verspreiding of overdracht van kennis) met ervaring in de industrie in Europa altijd nog veel lager dan in andere delen van de wereld: slechts 5 à 6 % van alle onderzoekers in Europa is van de overheidssector overgestapt op de particuliere sector of andersom.
(21) COM(2012) 401 final
(22) EESC-advies „Toegang tot wetenschappelijke informatie - overheidsinvesteringen”