This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011PC0759
Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL establishing for the period 2014 to 2020 the Justice Programme
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma "Justitie" voor de periode 2014-2020
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma "Justitie" voor de periode 2014-2020
/* COM/2011/0759 definitief - 2011/0369 (COD) */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma "Justitie" voor de periode 2014-2020 /* COM/2011/0759 definitief - 2011/0369 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Zoals wordt bevestigd
in het programma van Stockholm, is de ontwikkeling van een ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht nog steeds een prioriteit voor de Europese Unie. Hoewel er
op dat gebied reeds grote vooruitgang is geboekt, is de justitiële samenwerking
in burgerlijke en in strafzaken nog steeds ontoereikend. Sinds de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en de afschaffing van de derde
pijler is er veel beweging op het gebied van justitie en worden alle betrokken
problemen aangepakt. Wetgevings- en beleidsmaatregelen en de coherente
uitvoering ervan zijn daarbij van essentieel belang. Met financiering kan dit
gebied verder worden ontwikkeld door de wetgeving en het beleid te ondersteunen
en de uitvoering ervan te bevorderen. Conform de mededeling over de evaluatie van de
EU-begroting[1]
is gekozen voor een nieuwe benadering van de bestaande
financieringsinstrumenten en uitvoeringsmechanismen teneinde de Europese
toegevoegde waarde centraal te stellen en de financieringsmechanismen te
rationaliseren en te vereenvoudigen. In het document 'Een begroting voor Europa
2020'[2]
wees de Commissie op de noodzaak van een eenvoudigere en transparantere
begroting om de problemen op te lossen die het gevolg zijn van complexe
programmastructuren en het werken met meerdere programma's. Justitie werd
genoemd als een voorbeeld van de bestaande versnippering en als een gebied
waarop maatregelen moeten worden genomen. Binnen dit kader en met het oog op
vereenvoudiging en rationalisatie is het programma 'Justitie' de opvolger van
drie bestaande programma's: - Civiel recht (JCIV), - Strafrecht (JPEN), - Drugspreventie en -voorlichting (DPIP). Het programma Drugspreventie en -voorlichting
had een rechtsgrondslag op het gebied van volksgezondheid en had bijgevolg
betrekking op gezondheidskwesties, met name de vermindering van
drugsgerelateerde gezondheidsschade, terwijl de drugsproblematiek in het
programma Justitie wordt benaderd vanuit het oogpunt van misdaadpreventie. Illegale
drugshandel, die een van de vormen van criminaliteit is waarvoor de Europese
wetgever op grond van artikel 83 VWEU minimumvoorschriften kan vaststellen
betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties, en andere onwettige
activiteiten in verband met drugs zullen centraal staan bij de financiering van
het onderdeel drugs van het nieuwe programma. Door de samenvoeging van deze programma's, die
alle op titel V van het derde deel van het VWEU zijn gebaseerd, wordt het
mogelijk om op dat gebied te komen tot een alomvattende aanpak inzake
financiering en een efficiëntere toewijzing van middelen voor horizontale
kwesties zoals opleiding. De algemene doelstelling van dit voorstel is
bij te dragen tot de totstandbrenging van een ware Europese rechtsruimte door
de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken te bevorderen. Om
deze algemene doelstelling te verwezenlijken, heeft het voorstel tot doel de
doeltreffende, brede en coherente toepassing van EU-wetgeving op het gebied van
de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken te bevorderen, de
toegang tot de rechter te vergemakkelijken, en de vraag naar en het aanbod van
drugs te voorkomen en terug te dringen. Dat kan worden
verwezenlijkt door de ondersteuning van opleiding en bewustmaking, de
versterking van netwerken en de vergemakkelijking van transnationale
samenwerking. Bovendien moet de Europese Unie beschikken over een degelijke
analytische basis ter ondersteuning van de beleidsvorming en de wetgeving op
het gebied van justitie. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN DE
BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN DE EFFECTBEOORDELING 2.1. Raadpleging van de belanghebbende
partijen Op 20 april 2011 werd een openbare
raadpleging van belanghebbenden gestart over de toekomstige financieringsactiviteiten
op het gebied van justitie, grondrechten en gelijkheid voor de periode na 2013[3]. De onlineraadpleging duurde
twee maanden en stond open voor alle belanghebbenden. In totaal hebben er 187 belanghebbenden
– waaronder veel ngo's – uit bijna alle lidstaten een bijdrage
ingediend. De respondenten onderschreven de
beleidsdoelstellingen van de programma's en bevestigden dat de betrokken
gebieden moeten worden gefinancierd. De Europese toegevoegde waarde werd erkend
en er werd geen gebied genoemd waarvoor de financiering moet worden stopgezet.
De noodzaak om te komen tot vereenvoudiging en verbetering werd onderkend en er
werd positief gereageerd op de meeste voorstellen, waaronder die om het aantal
programma's te verminderen en de procedures te vereenvoudigen. De belanghebbenden waren voorstander van de financiering
van activiteiten als uitwisseling van beproefde methoden, opleiding van
beroepsbeoefenaars, voorlichtings- en bewustmakingsactiviteiten, ondersteuning
van netwerken, studies, enz. Alle soorten activiteiten waarmee de respondenten
instemden, zijn uitdrukkelijk opgenomen in artikel 6 van het voorstel. De
respondenten waren het ook eens met de voorstellen van de Commissie betreffende
de actoren die voor financiering in aanmerking komen en de soorten financieringsmechanismen
die kunnen worden gebruikt. 2.2. Effectbeoordeling Er werd een
effectbeoordeling uitgevoerd met betrekking tot de toekomstige
financieringsactiviteiten voor het gehele gebied van justitie, rechten en
gelijkheid, dat momenteel zes programma's omvat[4]. Deze
effectbeoordeling geldt zowel voor het voorstel betreffende het programma
Justitie als voor het voorstel betreffende het programma Rechten en
burgerschap. De effectbeoordeling bouwt voort op de tussentijdse evaluaties van
de huidige programma's[5], waarin de algehele doeltreffendheid van de programma's werd bevestigd,
maar ook werd gewezen op een aantal tekortkomingen en mogelijkheden voor
verbetering. In het kader van de effectbeoordeling werden drie opties
onderzocht: Optie A: behoud van zes programma's en aanpak van een aantal geconstateerde
problemen door wijziging van het interne beheer van de programma's. Door beter
programmabeheer en een sterkere synergie tussen de programma's zou een aantal
problemen kunnen worden opgelost. De belangrijkste oorzaak van de problemen,
namelijk het grote aantal programma's, zou echter niet direct kunnen worden
aangepakt en deze optie zou bijgevolg slechts tot een geringe verbetering
leiden. Optie B: alle maatregelen van optie A en daarnaast een samenvoeging van de
huidige zes programma's tot twee programma's. Door deze optie zou er ruimte
zijn voor flexibiliteit bij het gebruik van de middelen en de aanpak van de
jaarlijkse beleidsprioriteiten. De programma's zouden eenvoudiger (zowel voor de
begunstigden als voor de overheidsinstanties) en doeltreffender worden,
aangezien er veel minder procedures zouden zijn. Dat zou ook de efficiëntie van
de programma's ten goede komen, omdat de versnippering en de verwatering van
middelen beter zouden kunnen worden tegengegaan in het kader van twee
programma's. Er zou personeel kunnen worden vrijgemaakt; minder procedures
betekent immers minder administratieve lasten, waardoor het personeel zich meer
zou kunnen bezighouden met het doeltreffender maken van de programma's
(verspreiding van resultaten, toezicht, informatieverstrekking, enz.). Optie C: uitvoering
van slechts één programma. Met deze optie kunnen alle problemen worden
aangepakt die het gevolg zijn van het grote aantal rechtsinstrumenten en de
daarmee samenhangende extra administratieve lasten. Om juridische redenen is
het echter niet mogelijk om met één programma te voorzien in de
financieringsbehoeften op alle beleidsterreinen. Er zou een keuze moeten worden
gemaakt tussen 'justitie' en 'rechten en burgerschap'. Hoewel deze optie een
optimale oplossing kan bieden voor het programmabeheer, zou het niet mogelijk
zijn alle beleidsprioriteiten en ‑behoeften van het hele
beleidsterrein te dekken. Uit analyse en vergelijking van de opties is
naar voren gekomen dat de voorkeursoptie de uitvoering van twee
programma's is, die de financieringsbehoeften op alle beleidsterreinen zouden
dekken (optie B). Vergeleken met de status-quo heeft optie B
duidelijke voordelen en geen nadelen. Optie A is minder gunstig dan optie B;
met optie C kunnen de beleidsterreinen slechts gedeeltelijk worden gedekt,
waardoor deze optie niet geschikt is. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Het voorstel is gebaseerd op artikel 81,
leden 1 en 2, artikel 82, lid 1, en artikel 84 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie. Door de combinatie van de artikelen 81 en
82 is een alomvattende aanpak mogelijk die de ontwikkeling van de justitiële
samenwerking in burgerlijke en in strafzaken moet ondersteunen, met name met
betrekking tot transversale en horizontale kwesties die van belang zijn voor
beide justitiële beleidsterreinen. Artikel 84 voorziet in de vaststelling
van maatregelen ter stimulering en ondersteuning van het optreden van de
lidstaten op het gebied van misdaadpreventie. Het programma heeft geen
betrekking op het gehele gebied van misdaadpreventie, maar alleen op het
drugsbestrijdingsbeleid. Het doel is een alomvattende aanpak vast te stellen
voor de bestrijding van de vraag naar en het aanbod van drugs, waarbij grensoverschrijdende
samenwerking tussen de lidstaten op het vlak van handhaving wordt gefinancierd.
De voorgestelde financieringsactiviteiten zijn
in overeenstemming met de beginselen van een Europese toegevoegde waarde en
subsidiariteit. Financiering uit de EU-begroting is gericht op activiteiten
waarvan de doelstellingen niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden
verwezenlijkt en waarbij het EU-optreden een toegevoegde waarde kan bieden. De
onder deze verordening vallende activiteiten dragen bij tot de effectieve
toepassing van het acquis, aangezien zij het wederzijdse vertrouwen tussen de
lidstaten versterken, de grensoverschrijdende samenwerking en netwerkvorming
stimuleren, en zorgen voor een correcte, coherente en consistente toepassing
van het EU-recht in de hele Unie. De Europese Unie is beter dan de lidstaten in
staat om in te spelen op grensoverschrijdende situaties en om een Europees
platform voor wederzijdse leerprocessen te bieden. Er moet worden gezorgd voor een
degelijke analytische basis voor de ondersteuning en de ontwikkeling van het
beleid. Het optreden van de Europese Unie maakt het mogelijk dat deze
activiteiten in de hele Unie op consistente wijze worden verricht en brengt schaalvoordelen
mee. Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het
is beperkt tot het minimum dat vereist is om de genoemde doelstelling op
Europees niveau te verwezenlijken, en gaat niet verder dan wat daartoe nodig
is. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING De financiële middelen voor de uitvoering van
het programma Justitie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december
2020 bedragen 472 miljoen euro (huidige prijzen). 5. BELANGRIJKSTE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL De voorgestelde
aanpak heeft tot doel de door alle betrokken partijen gevraagde vereenvoudiging
van de financieringsprocedures te combineren met een meer resultaatgerichte
aanpak. De voornaamste elementen van deze benadering zijn: - In het voorstel
worden de algemene en specifieke doelstellingen van het programma vastgesteld
(de artikelen 4 en 5) en worden de belangrijkste actieterreinen van het
programma omschreven (artikel 6). De algemene en specifieke doelstellingen
hebben betrekking op het toepassingsgebied van het programma
(beleidsterreinen), terwijl de soorten acties, die de financiering betreffen,
voor alle betrokken beleidsterreinen gelden en op horizontale wijze omschrijven
welke resultaten kunnen worden bereikt met de financiering. Tegelijkertijd
wordt bij de acties aangegeven waar de financiering een echte toegevoegde
waarde kan bieden voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen. Bij de
uitvoering van deze verordening zal de Commissie jaarlijks de financieringsprioriteiten
voor de respectieve beleidsterreinen vaststellen. In het kader van het
programma kunnen alle financiële instrumenten van het Financieel Reglement
worden gebruikt. Het programma staat open voor alle rechtspersonen die
wettelijk zijn gevestigd in de lidstaten of in een derde land dat aan het
programma deelneemt, zonder verdere beperkingen wat betreft de toegang tot het
programma. Door deze structuur kan het systeem worden vereenvoudigd en kan het
programma beter worden afgestemd op de beleidsbehoeften en –ontwikkelingen.
Bovendien biedt deze structuur een stabiel kader voor evaluatie, aangezien de
specifieke doelstellingen direct verband houden met indicatoren voor evaluatie,
die gedurende de gehele looptijd van het programma ongewijzigd zullen blijven
en regelmatig zullen worden gecontroleerd en geëvalueerd. Er wordt voorgesteld
om in het kader van het programma geen specifieke bedragen te reserveren per
beleidsterrein, teneinde de flexibiliteit te waarborgen en de uitvoering van
het programma te verbeteren. - De deelname van
derde landen is beperkt tot de EER-landen, de toetredingslanden en de
kandidaat-lidstaten alsook de potentiële kandidaat-lidstaten. Andere derde
landen, met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen,
kunnen aan de acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de
doelstellingen van deze acties. - De jaarlijkse
prioriteiten van het programma zullen worden vastgesteld in een jaarlijks werkprogramma.
Aangezien daarbij beleidskeuzes zullen moeten worden gemaakt, zal het
jaarlijkse werkprogramma in het kader van de raadplegingsprocedure ter advies worden
voorgelegd aan een comité van lidstaten. - De Commissie kan
voor de uitvoering van het programma, op basis van een kosten‑batenanalyse,
een beroep doen op een bestaand uitvoerend agentschap, conform Verordening (EG)
nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het
statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer
van communautaire programma's worden gedelegeerd. Het begrip
'magistraten en justitieel personeel' De justitiële
opleiding van magistraten en justitieel personeel is een belangrijk onderdeel
van het beleid inzake justitie. Zij versterkt het wederzijdse vertrouwen tussen
de lidstaten, beroepsbeoefenaars en burgers. In de mededeling van de Commissie
over Europese justitiële opleiding, 'Opbouwen van vertrouwen in justitie in de
hele EU, een nieuwe dimensie in de Europese justitiële opleiding', zijn
concrete opleidingsdoelstellingen vastgesteld, die tegen 2020 moeten zijn verwezenlijkt[6]. In artikel 81, lid 2,
onder h), en artikel 82, lid 1, onder c), VWEU wordt
uitdrukkelijk verwezen naar "magistraten en justitieel personeel".
Hoewel advocaten volgens de mededeling van de Commissie een autonome beroepsgroep
vormen, maken zij een integrerend en noodzakelijk onderdeel van de justitiële
activiteit uit en spelen zij een centrale rol bij de uitvoering van het recht
van de Unie. Notarissen hebben in verschillende lidstaten belangrijke
bevoegdheden op justitieel gebied, waardoor ook zij tot de uitvoering van het
recht van de Unie bijdragen. De bepalingen van het Verdrag moeten naar de geest
en het doel ervan zo worden uitgelegd dat ook deze twee beroepen onder het
toepassingsgebied ervan vallen. 2011/0369 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot vaststelling van het programma
"Justitie" voor de periode 2014-2020
(Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 81, leden 1 en 2, artikel 82,
lid 1, en artikel 84, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1)
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie voorziet in de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en
recht, waarbinnen personen zich vrij kunnen bewegen. Daartoe kan de Unie
maatregelen vaststellen om de justitiële samenwerking in burgerlijke en in
strafzaken te ontwikkelen en om het optreden van de lidstaten op het gebied van
misdaadpreventie, met name inzake de voorkoming en de terugdringing van de
vraag naar en het aanbod van drugs, te stimuleren en te ondersteunen. (2)
In het programma van Stockholm[7] wordt opnieuw bevestigd dat
prioriteit moet worden verleend aan de ontwikkeling van een ruimte van
vrijheid, veiligheid en recht, en wordt de totstandbrenging van een Europa van
recht en justitie aangemerkt als een van de politieke prioriteiten.
Financiering is een belangrijk instrument voor de succesvolle uitvoering van de
politieke prioriteiten van het programma van Stockholm. (3)
In de mededeling van de Commissie over Europa 2020[8] wordt een strategie voor
slimme, duurzame en inclusieve groei gepresenteerd. Er moet een goed
functionerende rechtsruimte ‑ waarin de obstakels voor grensoverschrijdende
gerechtelijke procedures en voor de toegang tot de rechter in
grensoverschrijdende situaties zijn weggenomen ‑ worden ontwikkeld
als een belangrijk instrument om de specifieke doelstellingen en
kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie te ondersteunen en te stimuleren. (4)
De ervaring met acties op het niveau van de Unie
heeft aangetoond dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen een
combinatie van instrumenten vereist is, waaronder wetgeving,
beleidsinitiatieven en financiering. Financiering is een belangrijk instrument
ter aanvulling van wetgevingsmaatregelen. Bijgevolg moet een
financieringsprogramma worden vastgesteld. (5)
In de mededeling van de Commissie, "Een begroting
voor Europa 2020"[9],
wordt beklemtoond dat de financiering van de Unie moet worden gerationaliseerd
en vereenvoudigd. Om te komen tot een ingrijpende vereenvoudiging en een
efficiënt beheer van de financiering, moet het aantal programma's worden
verminderd en moeten de financieringsregels en ‑procedures worden
gerationaliseerd, vereenvoudigd en geharmoniseerd. (6)
Om tegemoet te komen aan de behoefte aan een
vereenvoudiging en een efficiënt beheer van de financiering, wordt bij deze
verordening het programma "Justitie" vastgesteld met het oog op de
voortzetting en de ontwikkeling van de activiteiten die voordien werden
verricht op basis van de drie programma's die zijn vastgesteld bij Besluit
nr. 1149/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 september 2007
tot vaststelling van het specifieke programma "Civiel recht" voor de
periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma "Grondrechten
en justitie"[10],
Besluit 2007/126/JBZ van de Raad van 12 februari 2007 tot vaststelling van het
specifieke programma Strafrecht voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het
Algemene programma Grondrechten en justitie[11]
en Besluit nr. 1150/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25
september 2007 tot vaststelling van het specifieke programma Drugspreventie en
-voorlichting voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene
programma "Grondrechten en justitie"[12]. (7)
Het programma Drugspreventie en -voorlichting had
een rechtsgrondslag op het gebied van volksgezondheid en had bijgevolg
betrekking op gezondheidskwesties, met name de vermindering van
drugsgerelateerde gezondheidsschade, terwijl de drugsproblematiek in het
programma Justitie moet worden benaderd vanuit het oogpunt van
misdaadpreventie. De aanpak van illegale drugshandel en andere onwettige
activiteiten in verband met drugs moet centraal staan bij de financiering van
het onderdeel drugs van het nieuwe programma. (8)
In de mededelingen van de Commissie, 'Evaluatie van
de EU-begroting'[13]
en 'Een begroting voor Europa 2020', wordt ook beklemtoond dat het belangrijk
is de financiering te richten op activiteiten met een duidelijke Europese
toegevoegde waarde, d.w.z. maatregelen van de Unie die een toegevoegde waarde
kunnen bieden ten opzichte van een optreden van de lidstaten afzonderlijk. De
onder deze verordening vallende acties moeten bijdragen tot de totstandbrenging
van een Europese rechtsruimte, aangezien zij het beginsel van wederzijdse
erkenning versterken, het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten
ontwikkelen, de grensoverschrijdende samenwerking en netwerkvorming stimuleren,
en zorgen voor een correcte, coherente en consistente toepassing van het recht
van de Unie. De financiering van activiteiten moet er ook toe bijdragen dat
alle betrokkenen een doeltreffende en betere kennis van het recht en het beleid
van de Unie hebben en moet zorgen voor een degelijke analytische basis voor de
ondersteuning en de ontwikkeling van de wetgeving en het beleid van de Unie.
Het optreden van de Unie maakt het mogelijk deze acties in de hele Unie op
consistente wijze uit te voeren en brengt schaalvoordelen mee. Bovendien is de
Unie beter dan de lidstaten in staat om op te treden in grensoverschrijdende
situaties en om een Europees platform voor wederzijdse leerprocessen te bieden. (9)
Wat drugs betreft, vormen de vraag naar en het
aanbod van drugs een reële dreiging die door de lidstaten afzonderlijk niet
structureel kan worden bestreden. Met het onder deze verordening vallende
optreden van de Unie moeten de acties van de lidstaten ter voorkoming en ter terugdringing
van de vraag naar en het aanbod van drugs worden ondersteund, met name door
grensoverschrijdende samenwerking op het vlak van handhaving te stimuleren. (10)
Met het oog op de toepassing van het beginsel van
goed financieel beheer moet deze verordening voorzien in passende instrumenten ter
beoordeling van de resultaten ervan. Daartoe moeten algemene en specifieke
doelstellingen worden vastgesteld. Om te meten in hoeverre deze specifieke
doelstellingen zijn verwezenlijkt, moet een reeks indicatoren worden vastgesteld,
die gedurende de gehele looptijd van het programma geldig blijven. (11)
In deze verordening worden de financiële middelen voor
het meerjarenprogramma vastgelegd, die voor de begrotingsautoriteit in het
kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiepunt
vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van XX tussen
het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende samenwerking in
begrotingszaken en een goed financieel beheer. (12)
Deze verordening moet worden uitgevoerd met
volledige inachtneming van Verordening (EU, Euratom) nr. XX/XX van XX
tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse
begroting van de Europese Unie. Met name moet gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigingsinstrumenten
die in de laatstgenoemde verordening zijn vastgesteld. Bovendien moeten de
criteria voor de vaststelling van de te ondersteunen acties erop gericht zijn
de beschikbare financiële middelen toe te wijzen aan acties die de grootste
impact hebben op de nagestreefde beleidsdoelstelling. (13)
Er moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden
worden verleend met betrekking tot de vaststelling van de jaarlijkse
werkprogramma's. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend conform Verordening
(EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011
tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing
zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de
uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[14]. Gezien de jaarlijkse bedragen
voor het programma, kunnen de gevolgen voor de begroting als niet-substantieel
worden beschouwd. Bijgevolg moet de raadplegingsprocedure worden toegepast. (14)
Met het oog op een doeltreffende toewijzing van
middelen uit de begroting van de Unie, moet worden gestreefd naar samenhang,
complementariteit en synergie met financieringsprogramma's ter ondersteuning
van sterk met elkaar verbonden beleidsterreinen, meer bepaald met het programma
Rechten en burgerschap, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XX/XX
van XX[15],
het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking,
misdaadpreventie en de bestrijding van grensoverschrijdende, ernstige en
georganiseerde criminaliteit, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XX/XX
van XX[16],
het programma Gezondheid voor groei, dat is vastgesteld bij Verordening (EU)
nr. XX/XX van XX[17],
het programma Erasmus voor iedereen, dat is vastgesteld bij Verordening (EU)
nr. XX/XX van XX[18],
het kaderprogramma Horizon 2020, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr.
XX/XX van XX[19],
en het instrument voor pretoetredingssteun, dat is vastgesteld bij Verordening
(EU) nr. XX/XX van XX[20]. (15)
Conform de artikelen 8 en 10 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie moeten doelstellingen inzake de
gelijkheid van vrouwen en mannen en de bestrijding van discriminatie worden
geïntegreerd in alle activiteiten van het programma. Er moet regelmatig toezicht
en evaluatie plaatsvinden om na te gaan hoe bij de programma‑activiteiten
rekening is gehouden met kwesties inzake gendergelijkheid en non‑discriminatie. (16)
De financiële belangen van de Unie moeten gedurende
de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van evenredige
maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoek van onregelmatigheden,
de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede
middelen en, indien nodig, sancties. Het Europees Bureau voor
fraudebestrijding (OLAF) moet worden gemachtigd om overeenkomstig de procedures
van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96[21]
controles en verificaties ter plaatse uit te voeren bij marktdeelnemers om vast
te stellen of er in verband met de financiering van de Unie in het kader van
het programma sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten
waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. (17)
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk
bijdragen tot de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte, niet voldoende
door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kan
worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het
Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel,
maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde
evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om
deze doelstelling te verwezenlijken. (18)
[Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (Nr. 21)
betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van
de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag
betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, hebben deze lidstaten kennis gegeven van hun wens deel te nemen
aan de aanneming en toepassing van deze verordening] OF [Onverminderd artikel 4
van het Protocol (Nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en
Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht
aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet
deel aan de aanneming van deze verordening, die bijgevolg niet bindend is voor,
noch van toepassing is in deze landen][22]. (19)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van
het Protocol (Nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan
het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze
verordening, die bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is in
Denemarken, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 Vaststelling en
looptijd van het programma 1. Bij deze verordening wordt
het programma van de Europese Unie inzake justitie vastgesteld (hierna
"het programma" genoemd). 2. Het programma bestrijkt de
periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. Artikel 2
Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a) 'lidstaten': alle lidstaten, met
uitzondering van [Denemarken] OF [Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en
Ierland, onverminderd artikel 4 van het Protocol (Nr. 21)]; b) 'magistraten en justitieel
personeel': rechters, leden van het openbaar ministerie, advocaten, procureurs,
notarissen, gerechtsmedewerkers, gerechtsdeurwaarders, gerechtstolken en andere
beroepsbeoefenaars op justitieel terrein. Artikel 3
Europese toegevoegde waarde In het kader van het programma worden acties
met een Europese toegevoegde waarde gefinancierd. Daartoe zorgt de Commissie
ervoor dat de voor financiering geselecteerde acties gericht zijn op het
bereiken van resultaten met een Europese toegevoegde waarde en ziet zij er aan
de hand van de eindresultaten van de in het kader van het programma
gefinancierde acties op toe dat er daadwerkelijk een Europese toegevoegde
waarde wordt gerealiseerd. Artikel 4
Algemene doelstelling De algemene doelstelling van het programma is
bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte door de
justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken te bevorderen. Artikel 5
Specifieke doelstellingen Om de in artikel 4 genoemde algemene
doelstelling te verwezenlijken, heeft het programma de volgende specifieke
doelstellingen: a) De doeltreffende, brede en coherente
toepassing van de wetgeving van de Unie op het gebied van de justitiële
samenwerking in burgerlijke en in strafzaken bevorderen. Als indicator om de verwezenlijking van
deze doelstelling te meten, wordt onder meer gebruikt: het aantal gevallen van
grensoverschrijdende samenwerking. b) De toegang tot de rechter vergemakkelijken. Als indicator om de verwezenlijking van
deze doelstelling te meten wordt onder meer gebruikt: de wijze waarop de
toegang tot de rechter in Europa wordt ervaren. c) De vraag naar en het aanbod van drugs
voorkomen en terugdringen. Als indicator om de verwezenlijking van
deze doelstelling te meten wordt onder meer gebruikt: het aantal gevallen van
grensoverschrijdende samenwerking. Bij alle programma‑activiteiten
wordt ernaar gestreefd de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen en
discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of
overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. Artikel 6
Acties 1. Om de in de artikelen 4
en 5 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, zijn de programma‑acties
gericht op de volgende actieterreinen: a) de voorlichting over en de kennis van het
recht en het beleid van de Unie verbeteren; b) de uitvoering van het recht en het beleid
van de Unie in de lidstaten ondersteunen; c) de transnationale samenwerking bevorderen
en de wederzijdse kennis en het wederzijdse vertrouwen ontwikkelen; d) zorgen voor betere kennis en beter begrip
van potentiële problemen die de goede werking van een Europese rechtsruimte kunnen
schaden om ervoor te zorgen dat de beleidsvorming en de wetgeving op feiten
zijn gebaseerd. 2. In het kader van het programma
worden onder meer de volgende soorten acties gefinancierd: (a)
analytische werkzaamheden, zoals de verzameling van
gegevens en statistieken; ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden en, in
voorkomend geval, indicatoren of benchmarks; studies, onderzoeken, analyses en
enquêtes; evaluaties en effectbeoordelingen; opstelling en publicatie van
handleidingen, verslagen en educatief materiaal; toezicht op en evaluatie van
de omzetting en toepassing van de wetgeving van de Unie en toezicht op en
evaluatie van de uitvoering van het beleid van de Unie; workshops, seminars,
vergaderingen van deskundigen, conferenties; (b)
opleidingsactiviteiten voor magistraten en
justitieel personeel, zoals de uitwisseling van personeel, workshops, seminars,
opleiding van opleiders, ontwikkeling van modules voor online-opleidingen en
andere opleidingsmodules; (c)
activiteiten inzake wederzijds leren, samenwerking,
bewustmaking en verspreiding, zoals vaststelling en uitwisseling van beproefde
methoden, innovatieve benaderingen en ervaringen, organisatie van
intercollegiale toetsing en wederzijds leren; organisatie van conferenties en
seminars; organisatie van bewustmakings- en informatiecampagnes, mediacampagnes
en -evenementen, waaronder institutionele communicatie over de politieke
prioriteiten van de Europese Unie; samenstelling en publicatie van materiaal
voor de verspreiding van informatie en de resultaten van het programma;
ontwikkeling, werking en onderhoud van ICT-systemen en -instrumenten; (d)
ondersteuning van de voornaamste actoren, zoals
ondersteuning van de lidstaten bij de uitvoering van het recht en het beleid
van de Unie; ondersteuning van de belangrijkste Europese netwerken voor zover hun
activiteiten verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van
het programma; netwerkvorming tussen gespecialiseerde instanties en
organisaties, nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten op Europees
niveau; financiering van netwerken van deskundigen; financiering van
waarnemingsposten op Europees niveau. Artikel 7
Deelname 1. Het programma staat open voor
alle openbare en/of particuliere instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd
in: a) de lidstaten; b) de EVA-landen die partij zijn bij de
EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst; c) de toetredingslanden, de
kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten, conform de algemene
beginselen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de kaderovereenkomsten die
met die landen zijn gesloten met het oog op hun deelname aan programma's van de
Unie; d) Denemarken, op basis van een
internationale overeenkomst. 2. Openbare en/of particuliere
instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd in andere derde landen,
met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen aan de
acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de doelstellingen
van deze acties. 3. In het kader van het
programma kan de Commissie samenwerken met internationale organisaties die
actief zijn op de door het programma bestreken gebieden, zoals de Raad van
Europa, de Verenigde Naties en de Haagse conferentie voor internationaal
privaatrecht. Het programma staat open voor die internationale organisaties. Artikel 8
Begroting 1. De financiële middelen voor
de uitvoering van het programma bedragen 472 miljoen euro. 2. Uit het budget van het
programma kunnen ook uitgaven voor voorbereidings‑, toezichts‑,
controle‑, audit‑ en evaluatieactiviteiten worden gefinancierd die
nodig zijn voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de
doelstellingen ervan, met name studies, vergaderingen van deskundigen,
informatie- en communicatieacties, waaronder institutionele communicatie over de
politieke prioriteiten van de Europese Unie, voor zover deze verband houden met
de algemene doelstellingen van deze verordening, uitgaven in verband met
IT-netwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, samen met alle andere
uitgaven voor technische en administratieve bijstand die de Commissie heeft verricht
voor het beheer van het programma. 3. De beschikbare jaarlijkse
kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van
het meerjarige financiële kader, dat is neergelegd in Verordening (EU, Euratom)
nr. XX/XX van de Raad van XX tot bepaling van het meerjarig financieel kader
voor de jaren 2014-2020. Artikel 9
Uitvoeringsmaatregelen 1. De Commissie voert de
financiële steun van de Unie uit overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr.
XX/XX van XX tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de
jaarlijkse begroting van de Europese Unie. 2. Ter uitvoering van het
programma stelt de Commissie jaarlijkse werkprogramma's vast in de vorm van
uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig
de raadplegingsprocedure van artikel 10, lid 2. 3. In de jaarlijkse
werkprogramma's worden de maatregelen vastgesteld voor de uitvoering ervan,
alsook de prioriteiten voor de oproepen tot het indienen van voorstellen en
alle andere elementen die zijn voorgeschreven door Verordening (EU, Euratom)
nr. XX/XX van XX tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de
jaarlijkse begroting van de Europese Unie. Artikel 10
Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU)
nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Artikel 11
Complementariteit 1. De Commissie zorgt, in
samenwerking met de lidstaten, voor de algehele samenhang, complementariteit en
synergie met andere instrumenten van de Unie, waaronder het programma Rechten
en burgerschap, het instrument voor financiële steun voor politiële
samenwerking, misdaadpreventie en de bestrijding van grensoverschrijdende,
ernstige en georganiseerde criminaliteit, het programma Gezondheid voor groei,
het programma Erasmus voor iedereen, het kaderprogramma Horizon 2020 en het
instrument voor pretoetredingssteun. 2. Middelen van het programma
kunnen worden gedeeld met andere instrumenten van de Unie, met name het
programma Rechten en burgerschap, om acties ten uitvoer te leggen die aan de
doelstellingen van beide programma's beantwoorden. Een in het kader van het
programma gefinancierde actie kan ook middelen ontvangen uit de begroting van
het programma Rechten en burgerschap, mits de financiering niet dezelfde kosten
dekt. Artikel 12
Bescherming van de financiële belangen van de Unie 1. De Commissie neemt passende
maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze
verordening gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie met de
toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere
onwettige activiteiten worden beschermd door middel van doeltreffende controles
en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering van
de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel
van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. 2. De Commissie of haar
vertegenwoordigers en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis
van documenten of ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden,
contractanten en subcontractanten die uit hoofde van het programma middelen van
de Unie hebben ontvangen. Het Europees Bureau voor
fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de procedures van Verordening
(Euratom, EG) nr. 2185/96 controles en verificaties ter plaatse bij de
direct of indirect bij de financiering betrokken economische subjecten
uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere
onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of
een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële
belangen van de Unie zijn geschaad. Onverminderd de eerste en de
tweede alinea verlenen de uit deze verordening voortvloeiende
samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties,
subsidieovereenkomsten en -besluiten en contracten de Commissie, de Rekenkamer
en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid om dergelijke audits en controles en
verificaties ter plaatse uit te voeren. Artikel 13
Toezicht en evaluatie 1. De Commissie houdt regelmatig
toezicht op het programma om na te gaan of de acties die in het kader van het
programma worden verricht op de in artikel 6, lid 1, genoemde
actieterreinen zijn geïmplementeerd en of de in artikel 5 genoemde
specifieke doelstellingen zijn verwezenlijkt. Het toezicht is ook een manier om
te beoordelen hoe bij de programma‑activiteiten rekening is gehouden met kwesties
inzake gendergelijkheid en non‑discriminatie. In voorkomend geval moeten
de indicatoren worden uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en handicap. 2. De Commissie verstrekt het
Europees Parlement en de Raad: a) uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag, b) een verslag over de evaluatie achteraf. 3. In het tussentijdse
evaluatieverslag wordt nader ingegaan op de verwezenlijking van de
doelstellingen van het programma, de doeltreffendheid van het gebruik van de
middelen en de Europese toegevoegde waarde van het programma, om te kunnen
beslissen of de financiering op de door het programma bestreken terreinen na 2020
zal worden verlengd, gewijzigd of stopgezet. Er wordt ook nagegaan of het
programma kan worden vereenvoudigd, wat de interne en externe samenhang ervan is
en of alle doelstellingen en acties nog steeds relevant zijn. Er wordt rekening
gehouden met de resultaten van de in artikel 14 bedoelde evaluaties
achteraf van de programma's. 4. In het verslag over de
evaluatie achteraf wordt nader ingegaan op de effecten op de langere termijn
van het programma en op de duurzaamheid van de effecten van het programma; dat evaluatieverslag
zal worden gebruikt bij de beslissing over een volgend programma. Artikel 14
Overgangsmaatregelen Op acties die vóór 1 januari 2014 zijn
gestart op grond van Besluit 1149/2007/EG, Besluit 2007/126/JBZ of
Besluit 1150/2007/EG, blijven tot de beëindiging ervan de bepalingen van
die besluiten van toepassing. Wat deze acties betreft, worden verwijzingen naar
de comités in de artikelen 10 en 11 van Besluit 1149/2007/EG,
artikel 9 van Besluit 2007/126/JBZ en artikel 10 van Besluit 1150/2007/EG
gelezen als verwijzingen naar het comité bedoeld in artikel 10 van deze
verordening. Artikel 15
Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de
twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter BIJLAGE FINANCIEEL MEMORANDUM 1. KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het voorstel/initiatief 1.2. Betrokken
beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur 1.3. Aard
van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstelling(en)
1.5. Motivering
van het voorstel/initiatief 1.6. Duur
en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en)
2. BEHEERSMAATREGELEN 2.1. Regels
inzake het toezicht en de verslagen 2.2. Beheers-
en controlesysteem 2.3. Maatregelen
ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET
VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en)
van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor
uitgaven 3.2. Geraamde
gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven 3.2.2. Geraamde
gevolgen voor de beleidskredieten 3.2.3. Geraamde
gevolgen voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid
met het huidige meerjarige financiële kader 3.2.5. Bijdrage
van derden aan de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de
ontvangsten FINANCIEEL
MEMORANDUM
1.
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.
Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van
het programma "Justitie" voor de periode 2014-2020
1.2.
Betrokken beleidsterrein(en) in de
ABM/ABB-structuur[23]
Titel 33 - Justitie
1.3.
Aard van het voorstel/initiatief
þ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een
voorbereidende actie[24]
¨ Het voorstel/initiatief
betreft de verlenging van een bestaande actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe
actie
1.4.
Doelstellingen
1.4.1.
De met het voorstel/initiatief beoogde strategische
meerjarendoelstelling(en) van de Commissie
Het
programma heeft tot doel bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese
ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en met name een Europese
rechtsruimte, door de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken
te bevorderen. Een goed functionerende rechtsruimte ‑ waarin de obstakels
voor grensoverschrijdende gerechtelijke procedures zijn weggenomen ‑ strekt
ook tot ondersteuning en bevordering van de specifieke doelstellingen en
kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie.
1.4.2.
Specifieke doelstelling(en) en betrokken
ABM/ABB-activiteit(en)
Specifieke doelstellingen Om
de algemene doelstelling, namelijk bijdragen tot de totstandbrenging van een
Europese rechtsruimte, te verwezenlijken, zijn in het programma de volgende
specifieke doelstellingen vastgesteld: a) de
doeltreffende, brede en coherente toepassing van de wetgeving van de Unie op
het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken
bevorderen; b) de
toegang tot de rechter vergemakkelijken; c) de
vraag naar en het aanbod van drugs voorkomen en terugdringen. Betrokken ABM/ABB-activiteit(en) ABB 33 03 en 33 04.
1.4.3.
Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)
Vermeld de gevolgen
die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen Met
het voorstel zal worden bijgedragen tot de handhaving van het acquis, waardoor
burgers en ondernemingen in de Unie ten volle zullen kunnen profiteren van de
bestaande wetgeving. Zij zullen hun rechten beter kennen, en de lidstaten en
belanghebbenden zullen betere instrumenten hebben om informatie over beproefde
methoden uit te wisselen en om met elkaar samen te werken. De gevolgen van het
voorstel voor de begunstigden/doelgroepen zijn nader beschreven in punt 4.1.2
van de effectbeoordeling. Bovendien
zullen de voorgestelde wijzigingen in de financieringsprogramma's een duidelijk
gunstig effect hebben op de procedures voor het beheer van financiële steun. Om
te beginnen komt er een geïntegreerde aanpak voor alle programma's wat betreft
de aanvraagprocedures, de vereiste documenten en de te gebruiken IT-systemen.
Dat zal op zich al leiden tot een tijdsbesparing, aangezien veel
belanghebbenden die actief zijn op terreinen die door meerdere van de huidige
programma's worden bestreken niet langer aan uiteenlopende eisen zullen hoeven
te voldoen en zich meer zullen kunnen concentreren op de verbetering van de
inhoud en de kwaliteit van hun voorstellen. Met
een enkele geharmoniseerde en gestroomlijnde procedure voor de selectie van
projecten zou de termijn tussen de indiening van aanvragen en de ontvangst van
de resultaten bovendien aanzienlijk kunnen worden verkort, waardoor organisaties
die een aanvraag indienen minder lang in onzekerheid zouden verkeren. Ook zou
de periode tussen het ontwerp van het project en de start ervan veel korter
zijn en zou er bijgevolg veel doeltreffender kunnen worden ingespeeld op de concrete
behoeften waarin dat project conform de beleidsprioriteiten van de Unie moet
voorzien.
1.4.4.
Resultaat- en effectindicatoren
Vermeld de indicatoren
aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is
uitgevoerd. De
indicatoren om de verwezenlijking van de bovengenoemde specifieke
doelstellingen te meten, zijn onder meer: het aantal gevallen van
grensoverschrijdende samenwerking (voor a) en c)) en de wijze waarop de toegang
tot de rechter in Europa wordt ervaren (voor b)). De
gegevens waarover DG Justitie momenteel beschikt zijn ontoereikend om zinvolle
doelstellingen op lange of middellange termijn te kunnen vaststellen. Voordat
met de uitvoering van het programma wordt begonnen, zal DG Justitie echter
trachten meer gegevens over de huidige situatie te verzamelen, opdat mijlpalen
en doelstellingen kunnen worden vastgesteld.
1.5.
Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.
Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet
worden voorzien
Wetgeving
is een belangrijk instrument om de EU‑doelstellingen op het gebied van
justitie te verwezenlijken, maar dient te worden aangevuld met andere
hulpmiddelen. Financiering moet daarbij een belangrijke rol spelen, met name de
financiering van maatregelen die de doeltreffendheid van de wetgeving
versterken door de kennis, het bewustzijn en de competenties bij burgers,
beroepsbeoefenaars en andere belanghebbenden te vergroten, door ondersteuning
van: informatieverstrekking
en voorlichtingscampagnes, inclusief steun voor nationale en Europese campagnes
om burgers te informeren over hun rechten uit hoofde van het EU‑recht en over
hoe zij die rechten in de praktijk kunnen afdwingen; opleiding
en capaciteitsopbouw voor rechtspractici (zoals rechters en leden van het
openbaar ministerie) en andere beroepsbeoefenaars om hen de middelen te geven
om de rechten en het beleid van de Unie ook daadwerkelijk in de praktijk toe te
passen. Financiering
speelt ook een centrale rol bij de bevordering van samenwerking op
transnationaal niveau en de ontwikkeling van het wederzijdse vertrouwen, door: versterking
van netwerken, d.w.z. organisaties die in de gehele Unie actief zijn, om de
voorbereiding van toekomstige initiatieven op dit gebied te ondersteunen en de
consequente toepassing ervan binnen Europa te bevorderen; grensoverschrijdende
samenwerking op het vlak van handhaving, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van
alarmeringssystemen voor vermiste kinderen en de coördinatie van de
operationele en grensoverschrijdende samenwerking bij drugsbestrijding. Voorts
moeten ook de volgende activiteiten worden gefinancierd: onderzoek,
analyse en andere ondersteunende activiteiten om de wetgever duidelijke en
gedetailleerde informatie te verstrekken over de problemen en de situatie op
het terrein. De resultaten van deze activiteiten zullen worden gebruikt bij de
ontwikkeling en de uitvoering van het beleid van de Unie en zullen ervoor
zorgen dat dat beleid op feiten is gebaseerd en doelgericht en goed gestructureerd
is.
1.5.2.
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU
Financiering
uit hoofde van het programma Justitie is gericht op activiteiten waarbij
maatregelen van de Unie een toegevoegde waarde kunnen bieden ten opzichte van
een optreden van de lidstaten afzonderlijk. De onder deze verordening vallende
activiteiten dragen bij tot de effectieve toepassing van het acquis, aangezien zij
het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten versterken, de
grensoverschrijdende samenwerking en netwerkvorming stimuleren, en zorgen voor
een correcte, coherente en consistente toepassing van het EU-recht in de hele
Unie. Alleen met maatregelen op het niveau van de Unie kan worden gezorgd voor
gecoördineerde activiteiten die alle lidstaten van de Unie bereiken. De
Europese Unie is beter dan de lidstaten in staat om in te spelen op
grensoverschrijdende situaties en om een Europees platform voor wederzijdse
leerprocessen te bieden. Zonder steun van de Unie zouden belanghebbenden
geneigd zijn om dergelijke problemen op een versnipperde en geïsoleerde wijze
aan te pakken. Door samenwerking en netwerkvorming kunnen beproefde methoden in
de verschillende lidstaten worden verspreid, met name innovatieve en
geïntegreerde benaderingen. De deelnemers aan deze activiteiten zullen dan
optreden als multiplicatoren in hun respectieve beroepsomgeving en zullen in
hun lidstaten beproefde methoden ruimer verspreiden. Er
moet worden gezorgd voor een degelijke analytische basis voor de ondersteuning
en de ontwikkeling van het beleid. Maatregelen van de Europese Unie maken het
mogelijk dat deze activiteiten in de hele Unie op consistente wijze worden
verricht en brengen schaalvoordelen mee. Financiering op nationaal niveau zou
niet dezelfde resultaten opleveren en zou slechts een versnipperde en beperkte benadering
zijn, die niet tegemoet komt aan de behoeften van de Europese Unie als geheel.
1.5.3.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten
in het verleden is opgedaan
In
de verslagen over de tussentijdse evaluaties van de huidige programma's op het
gebied van justitie werd bevestigd dat de programma's over het algemeen
doeltreffend zijn, maar werd ook gewezen op een aantal problemen, zoals de
versnippering van middelen over talrijke kleinschalige projecten met een
beperkt effect. Hoewel er tal van projecten worden gefinancierd, is er geen
evenwichtige geografische spreiding over de organisaties die steun ontvangen.
Volgens de verslagen over de tussentijdse evaluaties moet er meer worden gedaan
om de verspreiding en exploitatie van de resultaten van de gefinancierde
activiteiten te verbeteren. Betere verspreiding gaat hand in hand met een
betere evaluatie en een beter toezicht. Wat de doeltreffendheid betreft, is uit
de tussentijdse evaluaties en de openbare raadpleging naar voren gekomen dat
aanvragers te maken krijgen met complexe en bureaucratische procedures. Een
veelvoud aan programmaprocedures brengt voor de Commissie een hoge
administratieve belasting mee. Het veelvoud aan procedures en de hoge
administratieve belasting hebben tot gevolg dat de procedures langer duren. Met
de samenvoeging van de programma's zou dit probleem worden opgelost en zou
worden gezorgd voor synergie tussen de programma's.
1.5.4.
Samenhang en eventuele synergie met andere
relevante instrumenten
Met
het programma zal worden gestreefd naar synergie, samenhang en
complementariteit met andere instrumenten van de Unie, onder meer met de
programma's op het gebied van binnenlandse zaken, gezondheid en consumenten,
opleiding en onderzoek. Overlapping met activiteiten in het kader van deze andere
programma's moet worden vermeden. Ter verwezenlijking van gemeenschappelijke
doelstellingen kunnen middelen worden gedeeld tussen het programma Justitie en
het programma Rechten en burgerschap.
1.6.
Duur en financiële gevolgen
þ Voorstel/initiatief met een beperkte
geldigheidsduur – þ Voorstel/initiatief
is van kracht vanaf 1.1.2014 tot en met 31.12.2020 – þ Financiële
gevolgen van 2014 tot en met 2020 en later ¨ Voorstel/initiatief met een onbeperkte
geldigheidsduur – Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ, – gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.
Beheersvorm(en)[25]
þ Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie þ Indirect gecentraliseerd beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan: – þ uitvoerende
agentschappen – þ door de Unie
opgerichte organen[26]
– ¨ nationale
publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak – ¨ personen aan wie
de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het Verdrag
betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het
betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement ¨ Gedeeld beheer met
lidstaten ¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen þ Gezamenlijk beheer
met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer
dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder
"Opmerkingen". Opmerkingen In de
toelichting wordt voorzien in de mogelijkheid om een bestaand uitvoerend
agentschap geheel of gedeeltelijk te belasten met de uitvoering van het
programma. In dit stadium is er op dat punt nog geen beslissing genomen, en er
is geen kosten-batenanalyse uitgevoerd, maar de mogelijkheid moet worden
opengelaten. Een andere
mogelijkheid die momenteel nog niet wordt gebruikt, maar die in de toekomst kan
worden overwogen, is gezamenlijk beheer. Dat betreft met name de in
artikel 7, lid 2, genoemde internationale organisaties: de Raad van
Europa, de Verenigde Naties en de Haagse conferentie voor internationaal
privaatrecht.
2.
BEHEERSMAATREGELEN
2.1.
Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en
voorwaarden. Het
voorstel bevat verplichtingen inzake toezicht en evaluatie. De verwezenlijking
van de specifieke doelstellingen zal jaarlijks worden gecontroleerd op basis
van de in het voorstel genoemde indicatoren. Bovendien
zal de Commissie uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag
opstellen over de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, de
efficiëntie van het gebruik van de betrokken middelen en de Europese
toegevoegde waarde van het programma. Na afloop van het programma zal een
evaluatie achteraf worden opgesteld over de gevolgen op de langere termijn en
de duurzaamheid van de effecten van het programma.
2.2.
Beheers- en controlesysteem
2.2.1.
Mogelijke risico's
Het risico op fouten bij de uitgavenprogramma's van DG
Justitie is beperkt. Dat blijkt uit de jaarverslagen van de Rekenkamer, waarin
meermaals werd vastgesteld dat er geen grote tekortkomingen waren, en uit het
restfoutenpercentage, dat volgens de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG
Justitie (en het vroegere DG JLS) in de voorbije jaren minder dan 2% bedroeg
(met een uitzondering voor het Daphne-programma in 2009). De
belangrijkste risico's zijn: -
slechte kwaliteit van de geselecteerde projecten en slechte technische
uitvoering van de projecten, waardoor het programma minder effect heeft, en zulks
als gevolg van gebrekkige selectieprocedures, een gebrek aan deskundigheid of
ontoereikend toezicht; -
ondoeltreffend of niet-economisch gebruik van toegekende middelen, zowel voor
subsidies (complexiteit van de terugbetaling van de daadwerkelijke subsidiabele
kosten en beperkte mogelijkheid om de subsidiabele kosten op basis van stukken
te controleren) als voor aanbestedingen (soms zijn er weinig economische
actoren die over de vereiste vakkennis beschikken waardoor er bijna geen
prijsvergelijking mogelijk is); -
het vermogen van (vooral) kleinere organisaties om de uitgaven daadwerkelijk te
beheersen en de transparantie van de uitgevoerde operaties te garanderen; -
reputatieschade voor de Commissie wanneer er fraude of criminele activiteiten
worden ontdekt; de interne controlesystemen van derde partijen kunnen geen
volledige zekerheid bieden, gezien het vrij grote aantal heterogene
contractanten en begunstigden, elk met een eigen ‑ veelal eerder
kleinschalig ‑ controlesysteem. De
meeste van deze risico's zullen naar verwachting kunnen worden beperkt door
doelgerichtere voorstellen te doen en door de vereenvoudigingsinstrumenten te
gebruiken die in het kader van de driejaarlijkse herziening van het Financieel
Reglement worden vastgesteld.
2.2.2.
Controlemiddel(en)
Beschrijving van het systeem voor interne controle Het
huidige controlesysteem wordt behouden voor het toekomstige programma. Het
bestaat uit verschillende elementen: toezicht door de eenheid programmabeheer,
controles vooraf (financiële verificatie) door de centrale eenheid begroting en
controle, het interne comité aanbestedingen (JPC), controles achteraf voor
subsidies en de audits van de dienst interne‑auditcapaciteit en/of
interne audit. Alle
transacties worden vooraf geverifieerd door de eenheid programmabeheer; de
eenheid begroting en controle voert een financiële verificatie uit (behalve
voor voorfinancieringen met een laag risico). Bij subsidies worden
kostendeclaraties grondig gecontroleerd en worden op basis van een
risicobeoordeling eventueel bewijsstukken gevraagd. Alle openbare en niet‑openbare
aanbestedingsprocedures, en alle onderhandelingsprocedures waarmee meer dan 60 000 euro
is gemoeid, worden, voordat het gunningsbesluit wordt genomen, ter controle
voorgelegd aan het interne comité aanbestedingen. Bij controles achteraf wordt een
"opsporingsstrategie" toegepast, die erop gericht is zo veel mogelijk
anomalieën te ontdekken met het oog op de terugvordering van ten onrechte
betaalde bedragen. In het kader van deze strategie worden er audits uitgevoerd
op een steekproef van projecten die vrijwel allemaal op basis van een
risicoanalyse worden geselecteerd. Kosten en baten van controles Geraamd
wordt dat tussen 50 en 70% van alle personeelsleden die betrokken zijn bij het
beheer van de huidige financiële programma's controlefuncties in ruime zin
uitoefent (van de selectie van begunstigden/contractanten tot de
tenuitvoerlegging van de auditresultaten). Hiermee is een bedrag gemoeid tussen
2,1 miljoen euro (50% van de personeelskosten voor 2014, zie punt 3.2.3)
en 3,2 miljoen euro (70% van de personeelskosten voor 2020, zie punt 3.2.3).
Daarnaast zijn er de kosten voor de uitbestede audits achteraf, die tussen 75 000
en 100 000 euro per jaar bedragen en die worden betaald uit de kredieten
voor administratieve ondersteuning. Deze kosten vertegenwoordigen tussen 6 en 3%
van de totale begroting van het programma en zullen tijdens de programmaperiode
van zeven jaar dalen, doordat de jaarlijkse kredieten tussen 2014 en 2020
aanzienlijk stijgen terwijl de controlekosten vrijwel gelijk blijven. Door
deze combinatie van controles vooraf en controles achteraf alsook door de
controles aan de hand van stukken en de audits ter plaatse, bedroeg het
kwantificeerbare gemiddelde restfoutenpercentage de vorige jaren minder dan 2%,
met een uitzondering voor het Daphne‑programma in 2009, waarvoor het
foutenpercentage iets meer dan 2% bedroeg. Dit probleem werd het jaar nadien
aangepakt door ter plaatse meer controles achteraf uit te voeren. Bij deze
controles werden de resterende fouten in deze populatie opgespoord en
gecorrigeerd. Het systeem voor interne controle en de daarmee samenhangende
kosten maken het dus mogelijk het foutenpercentage bij DG Justitie laag te
houden. Binnen
dit kader zal DG Justitie echter blijven nagaan hoe het beheer kan worden
verbeterd en vereenvoudigd. Door de vermindering van het aantal programma's
zullen geharmoniseerde regels en procedures worden toegepast, waardoor het risico
op fouten zal afnemen. Bovendien zal ook zo veel mogelijk gebruik worden
gemaakt van de vereenvoudigingsinstrumenten die in het kader van de
driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement worden vastgesteld,
aangezien wordt verwacht dat deze instrumenten het mogelijk zullen maken de
administratieve lasten voor begunstigden te verminderen. Ook het risico op
fouten en de administratieve lasten voor de Commissie zullen dan kunnen worden
gereduceerd. Overzicht van de aard en de intensiteit van de (huidige)
controles Overzicht controles || Bedrag in miljoen euro || Aantal begunstigden/ transacties (% van het totaal) || Controleniveau* (niveau 1-4) || Dekking (% van de waarde) Controles vooraf van alle financiële transacties || n.v.t. || 100% || 1-4, afhankelijk van het betrokken risico en het soort transactie || 100% Controle van gunnings-besluiten door het comité aan-bestedingen (Justitie) || n.v.t. || 100% van de aanbestedings-procedures boven 125 000 euro en van de onderhandelings-procedures boven 60 000 euro || 4 || 100% van de aanbestedings-procedures boven 125 000 euro en van de onder-handelings-procedures boven 60 000 euro Controles achteraf van de definitieve subsidie-betalingen || n.v.t. || Ten minste 10% || 4 || Tussen 5 en 10% *Controleniveau: 1. Minimale administratieve/aritmetische controle,
niet op basis van bewijsstukken. 2. Controle op basis van onderbouwde informatie met
een element van onafhankelijk toezicht (bv. auditcertificaat of ander
controlestuk), maar niet op basis van bewijsstukken. 3. Controle op basis van volledig onafhankelijk onderbouwde
informatie (bv. databankgegevens die bepaalde onderdelen van het verzoek
bevestigen, beoordeling door een derde of door de Commissie dat streefdoelen zijn
bereikt, enz.) 4. Controle op basis van en met inzage in de
bewijsstukken die beschikbaar zijn in de uitvoeringsfase, voor alle inputs en
outputs (bv. timesheets, facturen, fysieke controle, enz.); d.w.z. hetzelfde
controleniveau als bij controles door de Rekenkamer in het kader van de DAS.
2.3.
Maatregelen ter voorkoming van fraude en
onregelmatigheden
Vermeld de bestaande
en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen. Meerdere
maatregelen zijn of zullen worden genomen om fraude en onregelmatigheden bij
het toekomstige programma Justitie te voorkomen. In artikel 12 van het
voorstel is een bepaling opgenomen ter bescherming van de financiële belangen
van de Europese Unie. Conform de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie
(CAFS), die in juni 2011 is aangenomen, ontwikkelt DG Justitie een
fraudebestrijdingsstrategie die de volledige uitgavencyclus dekt en in
overeenstemming is met het beginsel van evenredigheid en kosteneffectiviteit.
Deze strategie is gebaseerd op twee pijlers: preventie door de uitvoering van
effectieve controles, en passende maatregelen wanneer fraude en onregelmatigheden
worden ontdekt, door middel van de terugvordering van ten onrechte betaalde
bedragen en zo nodig doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. De
fraudebestrijdingsstrategie behelst een systeem van controles vooraf en
achteraf, dat is gebaseerd op een systeem van 'red flags', en omvat de
procedures die het personeel moet volgen wanneer fraude en onregelmatigheden
worden ontdekt. De strategie bevat ook gegevens over de regeling voor
samenwerking met OLAF.
3.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.
Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
·
Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen In volgorde van de rubrieken van het meerjarige
financiële kader en de begrotingsonderdelen Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort krediet || Bijdrage Nummer [Rubriek……………………………………..] || GK/ NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement [3…] || [33 01 04.YY] [Programma Justitie] || [NGK…] || JA || JA || JA[27] || NEE [3…] || [33 YY YY YY] [Programma Justitie] || [GK…] || JA || JA || JA || NEE || || || || || ||
3.2.
Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven
in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Rubriek van het meerjarige financiële kader || Nummer || [Rubriek 3 - Veiligheid en burgerschap] DG: Justitie || || || Jaar 2014[28] || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Na 2020 || TOTAAL Beleidskredieten || || || || || || || || || Nummer begrotingsonderdeel - 33 xx xx || Vastleggingen || (1) || 45,800 || 52,800 || 59,300 || 66,300 || 73,800 || 80,800 || 84,800 || || 463,600 Betalingen || (2) || 18,300 || 30,400 || 43,600 || 53,700 || 64,400 || 71,500 || 77,100 || 104,600 || 463,600 Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[29] || || || || || || || || || Nummer begrotingsonderdeel 33 01 04 jj* || || (3) || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || || 8,400 TOTAAL kredieten voor DG JUSTITIE || Vastleggingen || =1+1a +3 || 47,000 || 54,000 || 60,500 || 67,500 || 75,000 || 82,000 || 86,000 || || 472,000 Betalingen || =2+2a +3 || 19,500 || 31,600 || 44,800 || 54,900 || 65,600 || 72,700 || 78,300 || 104,600 || 472,000 De Commissie kan de uitvoering van het
programma (gedeeltelijk) uitbesteden aan bestaande uitvoerende agentschappen.
De bedragen en de toerekeningen zullen indien nodig worden aangepast,
afhankelijk van de resultaten van de uitbesteding. TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || 45,800 || 52,800 || 59,300 || 66,300 || 73,800 || 80,800 || 84,800 || || 463,600 Betalingen || (5) || 18,300 || 30,400 || 43,600 || 53,700 || 64,400 || 71,500 || 77,100 || 104,600 || 463,600 TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || || 8,400 TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 3 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || =4+ 6 || 47,000 || 54,000 || 60,500 || 67,500 || 75,000 || 82,000 || 86,000 || || 472,000 Betalingen || =5+ 6 || 19,500 || 31,600 || 44,800 || 54,900 || 65,600 || 72,700 || 78,300 || 104,600 || 472,000 Rubriek van het meerjarige financiële kader || 5 || "Administratieve uitgaven" in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Na 2020 || TOTAAL DG: JUSTITIE || Personele middelen || 4,185 || 4,247 || 4,165 || 4,254 || 4,344 || 4,433 || 4,522 || || 30,150 Andere administratieve uitgaven || 0,054 || 0,055 || 0,056 || 0,057 || 0,059 || 0,060 || 0,061 || || 0,402 TOTAAL DG JUSTITIE || Kredieten || 4,239 || 4,302 || 4,221 || 4,311 || 4,403 || 4,493 || 4,583 || || 30,552 TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 4,239 || 4,302 || 4,221 || 4,311 || 4,403 || 4,493 || 4,583 || || 30,552 in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Na 2020 || TOTAAL TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || 51,239 || 58,302 || 64,721 || 71,811 || 79,403 || 86,493 || 90,583 || || 502,552 Betalingen || 23,739 || 35,902 || 49,021 || 59,211 || 70,003 || 77,193 || 82,883 || 104,600 || 502,552
3.2.2.
Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
– ¨ Voor het
voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig – þ Voor het
voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt
beschreven. DG Justitie kan geen uitputtende lijst verstrekken van alle outputs
die door middel van de financiële steun uit hoofde van het programma moeten
worden gerealiseerd, de gemiddelde kosten ervan en het aantal outputs, zoals in
dit deel wordt gevraagd. Er zijn momenteel geen statistische instrumenten aan
de hand waarvan de gemiddelde kosten kunnen worden bepaald op basis van de
huidige programma's en een dergelijke precieze bepaling zou ook in strijd zijn
met het beginsel dat het toekomstige programma voldoende flexibel moet zijn om
te kunnen inspelen op de politieke prioriteiten tussen 2014-2020. Hieronder
staat een (niet-uitputtende) lijst van de te verwachten outputs: - aantal
personen van de doelgroep dat door de bewustmakingsactiviteiten wordt bereikt; - aantal
magistraten en justitiële personeelsleden van de doelgroep dat een opleiding
heeft gevolgd; - aantal
beroepsbeoefenaars dat deelneemt aan onder meer netwerken, uitwisselingen,
studiebezoeken; - aantal
gevallen van grensoverschrijdende samenwerking, ook via IT-instrumenten en
Europese procedures; - beleidsinitiatieven die zijn opgezet op basis
van evaluaties, effectbeoordelingen en uitgebreide raadplegingen van belanghebbenden
en deskundigen; - aantal evaluaties en effectbeoordelingen dat
voortvloeit uit de uitvoering van het programma. Vastleggingskredieten, in miljoenen euro's (tot op 3
decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUTS Soort output[30] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aan-tal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1[31]… || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || || || || || || || || || || || || || || || SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 2… || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 || || || || || || || || || || || || || || || || TOTALE KOSTEN || || || || || || || || || || || || || || || ||
3.2.3.
Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.3.1.
Samenvatting
– ¨ Voor het
voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig – þ Voor het voorstel/initiatief
zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: in miljoenen euro's
(tot op 3 decimalen) || Jaar 2014[32] || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || 4,185 || 4,247 || 4,165 || 4,254 || 4,344 || 4,433 || 4,522 || 30,150 Andere administratieve uitgaven || 0,054 || 0,055 || 0,056 || 0,057 || 0,059 || 0,060 || 0,061 || 0,402 Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 4,239 || 4,302 || 4,221 || 4,311 || 4,403 || 4,493 || 4,583 || 30,552 Buiten RUBRIEK 5[33] van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 8,400 Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 1,200 || 8,400 TOTAAL || 5,439 || 5,502 || 5,421 || 5,511 || 5,603 || 5,693 || 5,783 || 38,952 De Commissie kan de uitvoering van het
programma (gedeeltelijk) uitbesteden aan bestaande uitvoerende agentschappen.
De bedragen en de toerekeningen zullen indien nodig worden aangepast,
afhankelijk van de resultaten van de uitbesteding.
3.2.3.2.
Geraamde personeelsbehoeften
– ¨ Voor het
voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig – þ Voor het
voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt
beschreven: Raming in voltijdequivalenten || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) (in voltijdequivalenten, VTE) 33 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 30,75 || 30,75 || 29,75 || 29,75 || 29,75 || 29,75 || 29,75 XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || || || XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || || 10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || || || Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)[34] 33 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen") || 0,5 || 0,5 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties) || || || || || || || XX 01 04 jj[35] || - zetel[36] || || || || || || - delegaties || || || || || || XX 01 05 02 (AC, END, INT – onderzoek door derden) || || || || || || || 10 01 05 02 (AC, END, INT – eigen onderzoek) || || || || || || || Ander begrotingsonderdeel (te vermelden) || || || || || || || TOTAAL || 31,25 || 31,25 || 29,75 || 29,75 || 29,75 || 29,75 || 29,75 33 is het
beleidsterrein of de begrotingstitel De benodigde personele
middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer
van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel
aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure
met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen
worden toegewezen. De bedragen en de toerekeningen zullen worden aangepast, afhankelijk
van de resultaten van de geplande uitbesteding. Beschrijving van de
uit te voeren taken: Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || De uit te voeren taken omvatten alle taken die noodzakelijk zijn voor het beheer van een financieel programma, zoals: - input voor de begrotingsprocedure; - voorbereiding jaarlijkse werkprogramma's/financieringsbesluiten, vaststelling jaarlijkse prioriteiten; - beheer van oproepen tot het indienen van voorstellen, aanbestedingen en de latere selectieprocedures; - communicatie met belanghebbenden (potentiële/werkelijke begunstigden, lidstaten, enz.); - operationeel en financieel beheer van projecten; - controles, zoals hierboven beschreven (verificatie vooraf, aanbestedingscomité, audits achteraf, interne audit); - accounting; - ontwikkeling en beheer van IT-instrumenten voor het beheer van subsidies; - toezicht en verslaglegging met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen, waaronder jaarlijkse activiteitenverslagen en verslagen van gesubdelegeerde ordonnateurs. Extern personeel || De taken zijn vergelijkbaar met die van ambtenaren en tijdelijke functionarissen, behalve voor taken die niet door extern personeel mogen worden uitgevoerd.
3.2.4.
Verenigbaarheid met het huidige meerjarige
financiële kader
– þ Het voorstel/initiatief
is verenigbaar met het volgende meerjarige financiële kader. – ¨ Het
voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het
meerjarige financiële kader Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder
vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. – ¨ Het
voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of
herziening van het meerjarige financiële kader[37] Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de
betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
3.2.5.
Bijdrage van derden aan de financiering
– þ Het
voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden – ¨ Het
voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt
geraamd: Geraamde gevolgen voor de ontvangsten – ¨ Het
voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten – þ Het
voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen: ¨ voor de eigen middelen þ voor de diverse ontvangsten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[38] Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 Artikel 6xxxx…………. || || || || || || || || Voor de diverse
ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de)
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. [33
yyyyyy…] Onderdeel ontvangsten Vermeld de wijze van
berekening van de gevolgen voor de ontvangsten. De
ontvangsten zijn op dit ogenblik nog niet bekend en zijn afhankelijk van de
deelname van kandidaat-lidstaten aan het programma [1] Mededeling over de evaluatie van de EU-begroting, COM(2010)
700 definitief van 19.10.2010. [2] Werkdocument
van de diensten van de Commissie, A Budget for Europe 2020: the current
system of funding, the challenges ahead, the results of stakeholders
consultation and different option on the main horizontal and sectoral issues,
SEC(2011) 868 definitief, document bij de mededeling over een begroting voor
Europa 2020, COM(2011) 500 definitief van 29.6.2011. [3] http://ec.europa.eu/justice/news/consulting_public/news_consulting_0010_en.htm
[4] Het
programma Civiel recht (JCIV), het programma Strafrecht (JPEN), het programma
Grondrechten en burgerschap (FRC), het programma Daphne III (DAP), het
programma Drugspreventie en -voorlichting (DPIP) en de onderdelen
"Discriminatiebestrijding en verscheidenheid" en "Gelijkheid van
mannen en vrouwen" van het programma voor Werkgelegenheid en
maatschappelijke solidariteit (Progress). [5] Tussentijds
evaluatieverslag over de behaalde resultaten en de kwalitatieve en
kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het financieringsprogramma
"Civiel recht", COM(2011) 351 definitief van 15.6.2011;
tussentijds evaluatieverslag over het programma "Strafrecht", COM(2011)
255 definitief van 11.5.2011; verslag over de tussentijdse evaluatie van het
programma "Grondrechten en burgerschap" 2007‑2013, COM(2011) 249
definitief van 5.5.2011; verslag van de tussentijdse evaluatie van het Daphne
III-programma 2007‑2013, COM(2011) 254 definitief van 11.5.2011; verslag
over de tussentijdse evaluatie van het specifieke programma
"Drugspreventie en –voorlichting" (DPIP) voor de periode 2007‑2013,
COM(2011) 246 definitief van 5.5.2011. [6] Mededeling van de Commissie van 13.9.2011, COM(2011) 551 definitief. [7] PB
C 115 van 4.5.2010, blz. 1. [8] COM(2010)
2020 definitief van 3.3.2010. [9] COM(2011)
500 van 29.6.2011. [10] PB
L 257 van 3.10.2007, blz. 16. [11] PB L 58 van 24.2.2007, blz. 13. [12] PB
L 257 van 3.10.2007, blz. 23. [13] COM(2010) 700 van 19.10.2010. [14] PB
L 55 van 28.2.2011, blz. 13. [15] PB L XX van XX, blz. XX. [16] PB L XX van XX, blz. XX. [17] PB L XX van XX, blz. XX. [18] PB L XX van XX, blz. XX. [19] PB L XX van XX, blz. XX. [20] PB L XX van XX, blz. XX. [21] PB
L 292 van 15.11.1996, blz. 2. [22] De
definitieve formulering van deze overweging van de verordening zal afhangen van
de definitieve positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, overeenkomstig
de bepalingen van Protocol (Nr. 21). [23] ABM:
Activity-Based Management – ABB: Activity-Based Budgeting. [24] In
de zin van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel
Reglement. [25] Nadere
gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement
zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [26] In
de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement. [27] Eventueel
DK. [28] Het
jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt
begonnen. [29] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [30] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [31] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [32] Het
jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt
begonnen. [33] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [34] AC=
Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL= Agent Local (plaatselijk
functionaris); END= Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal
deskundige); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JED= Jeune Expert en Délégation
(jonge deskundige in delegaties). [35] Onder
het maximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere
"BA"-onderdelen). [36] Vooral
voor structuurfondsen, Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling
(ELFPO) en Europees Visserijfonds (EVF). [37] Zie
de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord. [38] Voor
traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten
nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25% aan inningskosten.