This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011PC0452
PROPOSAL FOR A REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on prudential requirements for credit institutions and investment firms (Text with EEA relevance)
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (Voor de EER relevante tekst)
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (Voor de EER relevante tekst)
/* COM/2011/0452 definitief - COD/2011/0202 */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAADbetreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (Voor de EER relevante tekst) /* COM/2011/0452 definitief */
TOELICHTING
1.
Achtergrond van het voorstel
1.1.
Motivering en doel van het voorstel
De ernst van de financiële crisis heeft
aangetoond dat de huidige regelgeving betreffende financiële instellingen
onaanvaardbare risico's inhoudt. Volgens
ramingen van het IMF hebben Europese kredietinstellingen van 2007 tot 2010 als
gevolg van de crisis bijna 1 biljoen EUR verliezen geleden, hetgeen 8% van het
bbp van de EU vertegenwoordigt. Om de stabiliteit in de banksector te
herstellen en ervoor te zorgen dat er krediet naar de reële economie blijft
stromen, hebben zowel de EU als haar lidstaten een brede waaier aan ongekende
maatregelen genomen, die uiteindelijk ten laste kwamen van de belastingbetaler. In dat kader had de Commissie in oktober 2010 4,6
biljoen EUR aan staatssteunmaatregelen voor financiële instellingen
goedgekeurd, waarvan in 2008 en 2009 meer dan 2 biljoen EUR daadwerkelijk is
gebruikt. Tegenover de aanzienlijke begrotingssteun die
aan kredietinstellingen is verstrekt, moet een ingrijpende hervorming staan
waarmee de tijdens de crisis blootgelegde tekortkomingen van de regelgeving
worden aangepakt. In dat verband
heeft de Commissie reeds een aantal wijzigingen in de bankwetgeving
voorgesteld, die in 2009 (RKV II) en 2010 (RKV III) in werking zijn getreden. Dit voorstel bevat wereldwijd ontwikkelde en
overeengekomen elementen van kapitaal- en liquiditeitsnormen voor
kredietinstellingen, die bekendstaan als Bazel III, en harmoniseert andere
bepalingen van de vigerende wetgeving. De gemaakte regelgevingskeuzes worden hieronder in afdeling 5 nader
toegelicht. Richtlijn 2006/48/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn
2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 bevatten
bepalingen die nauw met de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen
verband houden (zoals bepalingen betreffende de vergunningverlening voor de
bedrijfsuitoefening, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en de
bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst
en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook bepalingen inzake de
toetsing door toezichthouders van kredietinstellingen). Deze elementen worden behandeld in het voorstel voor een richtlijn
betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het
prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, dat één
geheel vormt met dit voorstel. In Richtlijn 2006/48/EG en in het bijzonder in
de bijlagen daarbij, zijn echter ook prudentiële voorschriften opgenomen. Om een verdere onderlinge aanpassing te
bewerkstelligen van de wetgevingsbepalingen die uit de omzetting van de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG in nationaal recht voortvloeien, en
om ervoor te zorgen dat dezelfde prudentiële voorschriften rechtstreeks op deze
instellingen toepasselijk zijn – hetgeen van essentieel belang is voor de goede
werking van de interne markt –, zijn deze prudentiële voorschriften opgenomen in
dit voorstel voor een verordening. Ter wille van de duidelijkheid worden in dit
voorstel ook prudentiële vereisten inzake kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen samengevoegd. De bepalingen die op
beleggingsondernemingen betrekking hebben, zijn thans in Richtlijn 2006/49/EG
vervat.
1.1.1.
Aangepakte problemen: nieuwe elementen in Bazel III
Met het voorstel wordt beoogd de
regelgevingstekortkomingen op de volgende gebieden aan te pakken: Beheer van het liquiditeitsrisico (deel 6): De crisis heeft aangetoond dat de bestaande praktijken inzake het
beheer van het liquiditeitsrisico ontoereikend waren om ten volle in te spelen
op de risico's betreffende verstrekken-verpakken-verkopen-securitisatie, het
gebruik van complexe financiële instrumenten en de afhankelijkheid van
wholesale funding met kortlopende instrumenten. Dit heeft eraan bijgedragen dat
verschillende financiële instellingen over de kop zijn gegaan en heeft de
financiële gezondheid van vele andere sterk ondermijnd, waardoor de financiële
stabiliteit in gevaar werd gebracht en overheidssteun nodig werd. Een aantal
lidstaten hanteert momenteel een of andere kwantitatieve regelgevingsnorm voor
liquiditeit, maar op EU-niveau bestaat geen geharmoniseerde, voldoende
expliciete regelgeving inzake de passende niveaus van kortetermijn- en
langetermijnliquiditeit. De huidige diversiteit aan nationale normen hindert de
communicatie tussen toezichthouders en brengt voor grensoverschrijdende
instellingen extra rapportagekosten teweeg. Definitie van kapitaal (deel 2, titel I): Toen de crisis begon, hadden instellingen kwantitatief en kwalitatief
ontoereikend kapitaal. Ten aanzien van de risico's die zij het hoofd moesten
bieden, beschikten vele instellingen over onvoldoende volumes aan
kapitaalinstrumenten van de hoogste kwaliteit die verliezen effectief kunnen
opvangen wanneer deze zich voordoen, en de bedrijfscontinuïteit van een
instelling in stand kunnen houden. Hybride tier 1-kapitaalinstrumenten
(hybriden), waarvan tevoren werd uitgegaan dat deze verliezen konden opvangen
op basis van bedrijfscontinuïteit, bleken in de praktijk niet effectief te
zijn. Wanneer een instelling insolvabel werd, konden tier 2-kapitaalinstrumenten
hun rol in het opvangen van verliezen niet vervullen omdat vaak niet werd
toegestaan dat instellingen failliet gingen. De kwaliteit van
kapitaalinstrumenten die nodig is om onverwachte verliezen vanwege risico's in
de handelsportefeuille op te vangen, bleek even hoog te zijn als die voor
risico's in de niet-handelsportefeuille en de kwaliteit van tier 3-kapitaalinstrumenten
werd niet hoog genoeg geacht. Om de financiële stabiliteit veilig te stellen,
verstrekten regeringen in vele landen ongekende steun aan de banksector.
Onvoldoende harmonisering in de EU van de definitie van kapitaal was een
katalysator voor deze situatie, doordat verschillende lidstaten er een sterk
uiteenlopend beleid op na hielden wat betreft de kapitaalbestanddelen die tot
het eigen vermogen moeten worden gerekend of ervan moeten worden uitgesloten.
Mede doordat de door regelgeving voorgeschreven ratio’s geen nauwkeurig beeld
gaven van het werkelijke vermogen van een instelling om verliezen op te vangen,
maakte dit het voor de markt moeilijk om de solvabiliteit van instellingen in
de EU nauwkeurig en consistent te beoordelen. Dit werkte op zijn beurt de
financiële instabiliteit in de EU in de hand. Tegenpartijkredietrisico (deel 3, titel II,
hoofdstuk 6): De crisis heeft een aantal
tekortkomingen in de huidige regelgeving inzake uit derivaten, repo's en
effectenfinancieringsactiviteiten voortvloeiend tegenpartijkredietrisico aan
het licht gebracht. Zij toonde aan dat de bestaande bepalingen geen geschikt
beheer, noch een toereikende kapitalisatie voor dit soort risico garandeerden.
De bestaande regels gaven evenmin voldoende prikkels voor de overstap van
bilateraal geclearde otc-derivatencontracten naar multilaterale clearing via
centrale tegenpartijen. Keuzevrijheid, speelruimte en harmonisering
(hele verordening): In 2000 werden zeven
bankrichtlijnen door een enkele richtlijn vervangen. Deze richtlijn werd in 2006
herschikt terwijl het Bazel II-raamwerk erin werd opgenomen en zo in de EU van
toepassing werd. Als gevolg daarvan laten de huidige bepalingen een grote
keuzevrijheid en speelruimte. Bovendien is het de lidstaten toegestaan
striktere regels dan die van de richtlijn vast te stellen. Dit heeft tot een
grote divergentie geleid, die bijzonder hinderlijk is voor bedrijven die
grensoverschrijdend actief zijn. Het gaat ook ten koste van de juridische
duidelijkheid en maakt het speelveld ongelijk.
1.1.2.
Doel van het voorstel
De overkoepelende doelstelling van dit
initiatief is ervoor te zorgen dat de effectiviteit van de regelgeving
betreffende het kapitaal van instellingen in de EU wordt versterkt, dat de
negatieve gevolgen ervan voor de bescherming van deposanten en de
procycliciteit van het financiële stelsel aan banden worden gelegd en de
concurrentiepositie van de EU-banksector in stand wordt gehouden.
1.2.
Algemene context
De financiële crisis heeft geleid tot brede
inspanningen op EU- en internationaal niveau voor de ontwikkeling van een
effectief beleid ter aanpak van de onderliggende problemen.Een groep op hoog
niveau, voorgezeten door dhr. de Larosière, kwam met aanbevelingen voor de
hervorming van het toezicht en de regelgeving op financieel gebied. Deze werden in maart 2009 verder uitgewerkt in
een mededeling van de Commissie. Tal
van beleidsherzieningen die vermeld staan in het bij deze mededeling gevoegde
gedetailleerde actieplan zijn in dit voorstel opgenomen. Op mondiaal niveau bevatte de verklaring van
de G-20 van 2 april 2009 de toezegging de crisis met internationaal
samenhangende inspanningen te lijf te gaan, de kwantiteit en de kwaliteit van
het kapitaal in het bankwezen te verbeteren, een aanvullende niet-risicogebaseerde
maatstaf in te voeren om het overmatige gebruik van hefboomwerking aan banden
te leggen, een kader te ontwikkelen voor sterkere liquiditeitsbuffers in
financiële instellingen en uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad
voor financiële stabiliteit (FSB) ter beperking van de procycliciteit. In reactie op het door de G-20 gegeven mandaat
bereikte de Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision (GHOS),
het toezichtorgaan van het Bazelse Comité voor bankentoezicht (BCBS)[1] overeenstemming over een aantal
maatregelen ter versterking van de regelgeving inzake het bankwezen. Deze maatregelen werden bekrachtigd door de FSB
en de leiders van de G-20 op de top van Pittsburgh van 24 tot 25 september 2009. In december 2010 heeft het Bazelse Comité
gedetailleerde voorschriften inzake nieuwe wereldwijde regelgevingsnormen voor
de kapitaaltoereikendheid en de liquiditeit van kredietinstellingen
uitgevaardigd, die samen bekend staan als Bazel III. Dit voorstel houdt rechtstreeks verband met de regelgevingsnormen van
Bazel III. Als waarnemer in het Bazelse Comité werkte de
Commissie heel nauw met het Comité samen aan de ontwikkeling van deze normen,
alsook aan de effectbeoordeling ervan. Daardoor sluiten de voorgestelde maatregelen naadloos aan bij de
essentie van de Bazel III-beginselen. Om enerzijds de veerkracht van het wereldwijde financiële stelsel te
verbeteren en anderzijds voor een gelijk speelveld te zorgen, is het absoluut
noodzakelijk dat de robuustere prudentiële vereisten over de hele wereld
consistent worden toegepast. Tegelijkertijd heeft de Commissie zich er
tijdens de ontwikkeling van dit wetgevingsvoorstel bijzonder voor beijverd met
bepaalde belangrijke Europese eigenheden en kwesties terdege rekening te
houden. In dat
verband moet in herinnering worden gebracht dat in de EU, anders dan in sommige
andere grote economieën, de wereldwijd onder auspiciën van het Bazelse Comité
overeengekomen regelgevingsbeginselen niet uitsluitend op de internationaal
actieve banken van toepassing zijn. In
de EU worden deze normen toegepast in het hele bankwezen, waartoe alle
kredietinstellingen en doorgaans ook beleggingsondernemingen worden gerekend. Zoals in afdeling 4.2 nader is toegelicht, is de
EU altijd van oordeel geweest dat uitsluitend een dergelijke aanpak een echt
gelijk speelveld in de EU zou garanderen en tegelijk de financiële stabiliteit
maximaal zou bevorderen. Dit is een van de redenen waarom het
gerechtvaardigd lijkt bepaalde aanpassingen aan te brengen in de Bazel
III-beginselen, zodat passend wordt ingespeeld op de Europese eigenheden en
kwesties. Deze aanpassingen blijven
evenwel sporen met de aard en de doelstellingen van de Bazel III-hervorming. In ruimere zin moet worden opgemerkt dat het
bij de hervorming van de EU-regelgeving op het gebied van financiële diensten
een van de prioriteiten van de Commissie is geweest ervoor te zorgen dat het
bankwezen zijn fundamentele functie kan vervullen, namelijk krediet aan de
reële economie verstrekken en diensten verlenen aan burgers en ondernemingen in
Europa. In dat verband heeft de
Commissie op 18 juli een aanbeveling inzake toegang tot een elementaire
betaalrekening aangenomen.[2]
2.
Resultaten van de raadpleging van de belanghebbende partijen en van
de effectbeoordeling
2.1.
Raadpleging van belanghebbende partijen
De diensten van de Commissie hebben van nabij
de voortgang gevolgd van en deelgenomen aan de werkzaamheden van internationale
fora, met name van het Bazelse Comité, dat belast was met het ontwikkelen van
het Bazel III-raamwerk. Het Europees
Comité voor het bankwezen (ECBW) en het Comité van Europese
bankentoezichthouders (CEBT) en diens opvolger sinds 2011, de Europese
Bankautoriteit (EBA), zijn daar nauw bij betrokken en geraadpleegd. Hun zienswijzen hebben bijgedragen tot de
voorbereiding van dit voorstel en van de begeleidende effectbeoordeling.
2.1.1.
CEBT
Het CEBT heeft een brede kwantitatieve
impactstudie (QIS) uitgevoerd naar de effecten van dit wetgevingsvoorstel voor
het bankwezen in de EU. 246
kredietinstellingen hebben aan de studie deelgenomen. Het CEBT heeft ook uitvoerige openbare raadplegingen gehouden en heeft
in oktober 2008 een technisch advies uitgebracht inzake nationale keuzevrijheid
en speelruimte.
2.1.2.
Werkgroep RKV
Op het gebied van nationale keuzevrijheid en
speelruimte heeft de Commissie van 2008 tot 2011 zes bijeenkomsten van de
werkgroep Richtlijnen Kapitaalvereisten (CRDWG) gehouden, waarvan de leden door
het ECBW worden aangewezen. Daarnaast zijn ook meer technische werkzaamheden
verricht in subgroepen van de CRDWG op het gebied van liquiditeit, de definitie
van kapitaal, hefboomratio en tegenpartijkredietrisico.
2.1.3.
Andere openbare raadplegingen
De Commissie heeft in 2009, 2010 en 2011 vier
openbare raadplegingen georganiseerd, waarin alle onderdelen van dit voorstel
aan bod kwamen. In april 2010 hebben
de diensten van de Commissie een openbare hoorzitting over dit voorstel
gehouden, die door alle groepen van belanghebbenden is bijgewoond. De reacties op de openbare raadplegingen en de
standpunten die op de openbare hoorzitting zijn vertolkt, zijn weerspiegeld in
de hele begeleidende effectbeoordeling. Individuele reacties zijn te raadplegen op de website van de Commissie. Voorts heeft de Commissie afzonderlijk overleg
met de sector gepleegd, onder meer met de deskundigengroep bankkwesties (GEBI),
die door de Commissie, diverse brancheverenigingen van het bankwezen in de EU
en individuele instellingen is opgezet.
2.2.
Effectbeoordeling
In totaal zijn 27 beleidsopties beoordeeld en
vergeleken op hun vermogen de diverse vastgestelde kwesties te regelen.[3] In de onderstaande tabel staan de afzonderlijke overwogen opties binnen
elke reeks beleidsopties en worden zij gerangschikt naar hun relatieve
effectiviteit[4]
en efficiëntie[5]
wat betreft het bereiken van de desbetreffende beleidsdoelstellingen op langere
termijn. In de rest van deze afdeling
worden de te verkiezen opties, die op basis van deze rangschikking zijn
bepaald, nader toegelicht en besproken. Reeks beleidsopties || Beleidsopties || Vergelijkingscriteria beleidsopties Doeltreffendheid || Efficiëntie Verbeteren van de kapitaaltoereikendheid || Verbeteren van het bankrisicomanagement || Voorkomen van mogelijkheden voor regelgevingsarbitrage || Vergroten van juridische duidelijkhe || Verminderen van nelevingslasten || Verbeteren van gelijk speelveld || Verbeteren van samenwerking en convergentie op gebied van toezicht || Afstemmen van prudentiële vereisten voor SIFI’s op de risico’s die zij inhouden || vermindering van de cycliciteit van voorzieningen en kapitaalvereisten. Liquiditeit - liquiditeitsdekkingsratio || De huidige aanpak voortzetten || 3 || 3 || || || || || || || || 3 Een liquiditeitsdekkingsratio invoeren zoals bepaald in de openbare raadpleging van februari 2010 || 2 || 2 || || || || || || || || 1 Een door het Bazelse Comité aangenomen liquiditeitsdekkingsratio invoeren met inachtneming van een waarnemingsperiode || 1 || 1 || || || || || || || || 2 Liquiditeit - netto stabiele financieringsratio || De huidige aanpak voortzetten || 3 || 3 || || || || || || || || 3 Een netto stabiele financieringsratio invoeren zoals bepaald in de openbare raadpleging van februari 2010 || 2 || 2 || || || || || || || || 2 Een door het Bazelse Comité aangenomen netto stabiele financieringsratio invoeren met inachtneming van een waarnemingsperiode || 1 || 1 || || || || || || || || 1 Toelaatbaarheid van kapitaalinstrumenten en toepassing van regelgevingsaanpassingen || De huidige aanpak voortzetten || 5 || 5 || 5 || || || 5 || || 5 || 5 || 5 Uitsluitend de toelaatbaarheidscriteria wijzigen zoals bepaald in de openbare raadpleging van februari 2010 || 4 || 4 || 4 || || || 4 || || 4 || 4 || 4 De toelaatbaarheidscriteria en regelgevingsaanpassingen wijzigen zoals bepaald in de openbare raadpleging van februari 2010 || 1-3 || 1-3 || 1-3 || || || 2-3 || || 1 || 1-3 || 3 De toelaatbaarheidscriteria en regelgevingsaanpassingen wijzigen op basis van de Bazelse aanpak || 1-3 || 1-3 || 1-3 || || || 2-3 || || 2-3 || 1-3 || 2 Aanpassingen op basis van de Bazel-aanpak met sommige aanpassingen voor EU-eigenheden || 1-3 || 1-3 || 1-3 || || || 1 || || 2-3 || 1-3 || 1 Tegenpartijkredietrisico (CCR) || De huidige aanpak voortzetten || 3 || 3 || || || || || || 3 || 3 || 3 De CCR-vereisten verscherpen || 2 || 2 || || || || || || 2 || 2 || 2 De CCR-vereisten verscherpen en uitzettingen op centrale tegenpartijen gedifferentieerd behandelen || 1 || 1 || || || || || || 1 || 1 || 1 Hefboomwerkingsratio || De huidige aanpak voortzetten || 3 || 3 || || || || || || || 3 || 3 Een hefboomwerkingsratio invoeren zoals bepaald in de openbare raadpleging van februari 2010 || 2 || 2 || || || || || || || 2 || 2 De hefboomwerkingsratio intensief bewaken || 1 || 1 || || || || || || || 1 || 1 Kapitaalbuffers || De huidige aanpak voortzetten || 4 || 4 || || || || || || || 4 || 4 Kapitaalinstandhoudingsbuffer || 1-2 || 1-3 || || || || || || || 3 || 2-3 Anticyclische kapitaalbuffer || 3 || 1-3 || || || || || || || 1-2 || 2-3 Tweeledige kapitaalbuffer || 1-2 || 1-3 || || || || || || || 1-2 || 1 "Rulebook" || De huidige aanpak voortzetten || || || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 || || || 4 Minimale harmonisatie || || || 3 || 3 || 1-3 || 3 || 3 || || || 1-3 Maximale harmonisatie || || || 1-2 || 1 || 1-3 || 1 || 1 || || || 1-3 Maximale harmonisatie met bepaalde uitzonderingen || || || 1-2 || 2 || 1-3 || 2 || 2 || || || 1-3 Keuze van het beleidsinstrument || De RKV wijzigen || || || 2 || 2 || 2 || || 2 || || || 2 Het toepassingsgebied van de RKV beperken en een verordening voorstellen || || || 1 || 1 || 1 || || 1 || || || 1 Rangschikking van de opties: 1=meest
effectief/efficiënt, 5=minst effectief/efficiënt
2.2.1.
Afzonderlijke beleidsmaatregelen
Beheer van het liquiditeitsrisico (deel 6): Om de kortetermijnveerkracht van het liquiditeitsrisicoprofiel van
financiële instellingen te verbeteren, wordt na een waarnemings- en
evaluatieperiode in 2015 een liquiditeitsdekkingsratio (LCR) ingevoerd.Met een
liquiditeitsdekkingsratio zouden instellingen verplicht worden gedurende een
periode van 30 dagen een buffer van liquide activa "van hoge
kwaliteit" aan te houden die minstens even groot is als de netto uitstroom
aan liquiditeit. De desbetreffende uitstroom (de noemer) zou bestaan uit zowel
instellingsspecifieke schokken als systeemrelevante schokken op basis van
omstandigheden die zich in de wereldwijde financiële crisis daadwerkelijk
voordoen. De voorzieningen op de lijst van liquide activa van hoge kwaliteit
(de teller) die deze uitstroom moeten dekken, moeten ervoor zorgen dat deze
activa een hoge krediet- en liquiditeitswaarde hebben. Op basis van de
definitie van de liquiditeitsdekkingsratio in Bazel III wordt verwacht dat de
naleving van dit vereiste in de EU een voordeel zal opleveren van 0,1% tot 0,5%
van het netto jaarlijkse bbp, dankzij de vermindering van de verwachte
frequentie van systeemcrises. Om de financieringsproblemen als gevolg van de
looptijdincongruenties tussen activa en passiva te verhelpen, zal de Commissie
overwegen na een waarnemings- en evaluatieperiode in 2018 een netto stabiele
financieringsratio (NSFR) voor te stellen. De NSFR zou instellingen verplichten
gedurende een jaar een solide financieringsstructuur aan te houden in geval van
een langdurige bedrijfsspecifieke stresssituatie zoals een aanzienlijke daling
van de winstgevendheid of solvabiliteit. Te dien einde zouden gefinancierde
activa en voorwaardelijke financieringsverplichtingen tot op zekere hoogte
gedekt moeten worden door stabiele financieringsbronnen. Definitie van kapitaal (deel 2): Het voorstel bouwt voort op de wijzigingen die in de RKV2 zijn
aangebracht om de criteria voor de toelaatbaarheid van kapitaalinstrumenten
verder te verscherpen. Bovendien wordt daarmee een aanzienlijke harmonisatie
doorgevoerd van de aanpassingen aan de financiële verslaggeving van aandelen
ter bepaling van de hoeveelheid kapitaal waarvan het veilig is dat deze voor
regelgevingsdoeleinden wordt erkend. Met deze nieuwe geharmoniseerde definitie
zou het door instellingen aan te houden toetsingsvermogen aanzienlijk toenemen.
De nieuwe vereisten inzake toetsingsvermogen
op basis van bedrijfscontinuïteit – uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal
en tier 1-kapitaal – zouden stapsgewijs van 2013 tot 2015 ten uitvoer worden
gelegd. De nieuwe prudentiële aanpassingen zouden ook stapsgewijs worden
ingevoerd, met 20% jaarlijks vanaf 2014, tot 100% in 2018. Om voor een vlotte
overgang naar de nieuwe voorschriften te zorgen, zouden op bepaalde
kapitaalinstrumenten ook gedurende meer dan 10 jaar uitzonderingsbepalingen van
toepassing zijn. Tegenpartijkredietrisico (deel 3, titel II,
hoofdstuk 6): De vereisten voor het beheer en de
kapitalisatie van het tegenpartijkredietrisico zullen worden versterkt.
Instellingen zouden onderworpen worden aan een extra kapitaalvereiste voor
mogelijke verliezen in verband met de verslechtering van de kredietwaardigheid
van een tegenpartij. Daarbij zouden degelijke praktijken voor het beheer van
dit risico worden bevorderd en het afdekken ervan in aanmerking worden genomen,
waardoor instellingen de effecten van dit kapitaalvereiste zouden kunnen
beperken. De relatieve risicogewichten voor uitzettingen op financiële
instellingen ten opzichte van de niet-financiële sector zullen worden
opgetrokken. Deze wijziging zal naar verwachting onder kleinere instellingen de
diversificatie van het tegenpartijrisico stimuleren en in het algemeen de
verwevenheid tussen grote en systeemrelevante instellingen helpen verminderen.
Het voorstel zou ook de prikkels versterken voor het clearen van otc-instrumenten
via centrale tegenpartijen. Verwacht wordt dat deze voorstellen vooral op de
grootste instellingen in de EU van invloed zullen zijn, aangezien het
tegenpartijkredietrisico uitsluitend relevant is voor banken die zeer actief
zijn op het gebied van de financiering van otc-derivaten en effecten. Hefboomwerkingsratio (deel 7): Om de buitensporige toename van vreemd vermogen in de balansen van
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aan banden te leggen en aldus de
cycliciteit van de kredietverstrekking te helpen in te perken, stelt de
Commissie ook voor een niet op risico gebaseerde hefboomwerkingsratio in te
voeren. Zoals door het Bazelse Comité is overeengekomen, zal dit worden
ingevoerd als een instrument voor het toezicht op instellingen. Overeenkomstig
internationale overeenkomsten zal worden toegezien op de effecten van de ratio
met het oog op de migratie ervan naar een bindende maatregel van de eerste
pijler in 2018, op basis van adequate evaluatie en kalibrering. "Rulebook" (hele verordening): Het voorstel harmoniseert de uiteenlopende nationale
toezichtbenaderingen door de keuzevrijheid en speelruimte bijna volledig op te
heffen. Op sommige specifieke goed omlijnde gebieden, waar de verschillen te
wijten zijn aan overwegingen inzake risicobeoordeling, eigenheden van markten
of producten en de juridische kaders van de lidstaten, kunnen de lidstaten
echter striktere voorschriften aannemen.
2.2.2.
Beleidsinstrument
Met dit voorstel worden de prudentiële
vereisten gescheiden van de twee andere gebieden van Richtlijn 2006/48/EG en
Richtlijn 2006/49/EG, namelijk vergunningverlening en permanent toezicht, die
zouden blijven voortbestaan in de vorm van een richtlijn die één geheel vormt
met dit voorstel. Daarmee wordt
ingespeeld op verschillen in onderwerp, aard en geadresseerden.
2.2.3.
Cumulatieve effecten van het pakket
Om haar eigen beoordeling van de effecten van
Bazel III aan te vullen, heeft de Commissie een aantal studies van zowel de
openbare als de particuliere sector bekeken. De belangrijkste resultaten kunnen als volgt worden samengevat: In combinatie met RKV III zal dit voorstel
naar schatting de risicogewogen activa van grote kredietinstellingen met 24,5%
en die van kleine kredietinstellingen met slechts 4,1% verhogen. Ingevolge het nieuwe vereiste en de
instandhoudingsbuffer zal het eigen vermogen naar schatting tegen 2015 met 84
miljard EUR en tegen 2019 met 460 miljard EUR moeten worden opgetrokken. Er zijn op lange termijn duidelijk netto
economische voordelen verbonden aan een jaarlijkse stijging van het EU-bbp met 0,3%
tot 2%. Dit komt doordat de verwachte
frequentie van en kans op toekomstige systeemrelevante crises zal afnemen. Geschat wordt dat het voorstel de kans op een
systeemrelevante bankcrisis met 29% tot 89% zal verminderen als kredietinstellingen
zich herkapitaliseren tegen een totale kapitaalratio van ten minste 10,5%. Voorts zou dankzij het hogere kapitaal, met
daarbij de anticyclische kapitaalbuffer, en de liquiditeitsvereisten ook de
amplitude van de normale conjunctuurcycli moeten afnemen. Dit is met name van belang voor kleine en middelgrote ondernemingen die
gedurende de hele conjunctuurcyclus meer dan grote ondernemingen afhankelijk
zijn van financiering door kredietinstellingen.
2.2.4.
Administratieve lasten
Instellingen met meer grensoverschrijdende
activiteiten zouden het meest profiteren van de harmonisatie van de bestaande
nationale bepalingen omdat verwacht wordt dat de daaruit voortvloeiende
verlichting van administratieve lasten hun aan Bazel III gerelateerde lasten
zullen verminderen.
3.
Bewaking en evaluatie
De voorgestelde wijzigingen hebben betrekking
op de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, die aan deze verordening
voorafgingen. Dit betekent dat zowel de bestaande elementen van de voorafgaande
richtlijn als de nieuwe, bij deze verordening vastgestelde elementen, van nabij
zullen worden bewaakt. De bewaking van de hefboomwerkingsratio en de nieuwe
liquiditeitsmaatregelen zal aan een bijzondere toetsing worden onderworpen op
basis van de statistische gegevens die overeenkomstig de bepalingen van dit
voorstel worden vergaard. De bewaking en de evaluatie zullen zowel op EU-
(EBA/ECB – Europese Centrale Bank) als op internationaal niveau (Bazels Comité)
plaatsvinden.
4.
Juridische elementen van het voorstel
4.1.
Rechtsgrondslag
Artikel 114, lid 1, VWEU vormt de
rechtsgrondslag voor een verordening tot vaststelling van uniforme bepalingen
ten behoeve van de werking van de interne markt. Het voorstel voor Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
regelt de toegang tot de activiteiten van ondernemingen regelt en is gebaseerd
op artikel 53 VWEU. Omdat deze voorschriften moeten worden gescheiden van de
voorschriften betreffende de manier waarop deze activiteiten worden
uitgeoefend, is het gerechtvaardigd hiervoor een nieuwe rechtsgrondslag te
gebruiken. Prudentiële vereisten bevatten criteria voor
de evaluatie van het risico dat aan bepaalde bankactiviteiten verbonden is en
van de middelen die tegenover deze risico's moeten staan. Als dusdanig reguleren zij niet de toegang tot het in ontvangst nemen
van deposito's maar regelen zij de manier waarop dergelijke activiteiten worden
uitgeoefend ter bescherming van deposanten en de financiële stabiliteit. De voorgestelde verordening stroomlijnt de
prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, die
momenteel bij twee verschillende richtlijnen (2006/48/EG en 2006/49/EG) zijn
vastgesteld, in een enkel rechtsinstrument, hetgeen het toepasselijke
juridische kader aanzienlijk vereenvoudigt. Zoals hierboven vermeld (in de afdelingen 1.1.1
en 2.2.1) laten de huidige bepalingen een aanzienlijke keuzevrijheid en
speelruimte en bieden zij de lidstaten de mogelijkheid striktere voorschriften
vast te stellen dan die van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. Daardoor bestaan er grote verschillen, die niet
alleen problematisch zijn voor de financiële stabiliteit, zoals hierboven
toegelicht in afdeling 1.1.1., maar ook het grensoverschrijdend verrichten van
diensten en de vestiging in andere lidstaten belemmeren omdat telkens als een
instelling activiteiten in een andere lidstaat wil starten, zij andere
voorschriften moeten nagaan. Dit
maakt het speelveld ongelijk, hetgeen de interne markt hindert, en gaat ook ten
koste van de juridische duidelijkheid. Aangezien de vorige codificaties en herschikkingen niet tot een afname
van de verschillen hebben geleid, moet een verordening worden vastgesteld om te
zorgen voor uniforme voorschriften in alle lidstaten met het oog op de goede
werking van de interne markt. Door de prudentiële vereisten in de vorm van
een verordening vast te stellen, zou ervoor worden gezorgd dat deze
rechtstreeks op de instellingen van toepassing zijn. Dit zou een gelijk speelveld garanderen doordat voorkomen zou worden
dat als gevolg van de omzetting van een richtlijn nationale voorschriften
onderling zouden verschillen. De
voorgestelde verordening zou duidelijk aantonen dat instellingen in alle
EU-markten dezelfde voorschriften volgen, hetgeen ook het vertrouwen in de
stabiliteit van instellingen in de hele EU ten goede zou komen. Een verordening zou de EU ook in staat stellen
eventuele wijzigingen in de toekomst sneller ten uitvoer te leggen, omdat
wijzigingen haast onmiddellijk na de vaststelling ervan van toepassing kunnen
worden. Daardoor zou de EU
internationaal overeengekomen termijnen voor tenuitvoerlegging kunnen naleven
en op significante marktontwikkelingen kunnen inspelen.
4.2.
Subsidiariteit
Overeenkomstig het subsidiariteits- en het
evenredigheidsbeginsel van artikel 5 VWEU kunnen de doelstellingen van het overwogen
optreden niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen deze
derhalve beter door de EU worden verwezenlijkt. De
voorgestelde bepalingen gaan niet verder dan wat nodig is om de beoogde
doelstellingen te bereiken. Alleen een optreden op
EU-niveau kan ervoor zorgen dat voor in meer dan één lidstaat actief zijnde
instellingen en beleggingsondernemingen dezelfde prudentiële vereisten gelden,
zodat gelijke concurrentievoorwaarden worden gewaarborgd, de regelgeving minder
ingewikkeld wordt, ongerechtvaardigde nalevingskosten voor grensoverschrijdende
werkzaamheden worden vermeden, de verdere integratie in de EU-markt wordt
bevorderd en tot het wegnemen van mogelijkheden voor regelgevingsarbitrage
wordt bijgedragen. Een EU-optreden
zorgt tevens voor een hoge mate van financiële stabiliteit binnen de EU. De in het voorstel opgenomen prudentiële
vereisten zijn namelijk sinds meer dan 20 jaar in EU-wetgeving vastgelegd. Artikel 288 VWEU laat de keuze tussen
verschillende rechtsinstrumenten. Een
verordening is daarom evenzeer als andere rechtsinstrumenten aan het
subsidiariteitsbeginsel onderworpen. Subsidiariteit
moet worden afgewogen naast andere verdragsbeginselen zoals de fundamentele
vrijheden. De Richtlijnen 2006/48/EG
en 2006/49/EG zijn formeel tot de lidstaten gericht maar zijn uiteindelijk voor
ondernemingen bestemd. Een
verordening schept een gelijker speelveld doordat deze rechtstreeks
toepasselijk is en instellingen de wetgeving in andere lidstaten niet hoeven na
te gaan alvorens er activiteiten te starten aangezien de voorschriften er exact
dezelfde zijn. Dit brengt voor
instellingen minder lasten teweeg. Door
te opteren voor een verordening kunnen ook vertragingen in verband met de
omzetting van richtlijnen worden vermeden.
4.3.
De rol van de EBA en inachtneming van de artikelen 290
en 291 VWEU
In meer dan 50 bepalingen van dit voorstel
wordt de EBA verzocht technische regelgevings- en uitvoeringsnormen bij de
Commissie in te dienen ter specificering van de in sommige bepalingen van deze
verordening vermelde criteria, zodat voor een consistente toepassing ervan
wordt gezorgd. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid verleend deze vast te stellen als gedelegeerde en
uitvoeringshandelingen. Op 23 september 2009 heeft de Commissie haar
goedkeuring gehecht aan voorstellen voor verordeningen tot oprichting van de
Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en
bedrijfspensioenen (EAVB) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten
(EAEM)[6]. In dit verband herinnert de Commissie aan haar
verklaringen bij de vaststelling van de verordeningen tot oprichting van de
Europese toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot de artikelen 290 en 291
VWEU: "Wat het proces voor de
vaststelling van de regelgevingsnormen betreft, benadrukt de Commissie het
unieke karakter van de financiëledienstensector, dat voortvloeit uit de
Lamfalussy-structuur en expliciet erkend wordt in verklaring 39 bij het VWEU. De Commissie twijfelt er evenwel sterk aan of de
beperkingen van haar rol bij het vaststellen van gedelegeerde handelingen en
uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming zijn met de artikelen 290 en 291
VWEU".
4.4.
Wisselwerking en consistentie tussen de onderdelen
van het pakket
Deze verordening vormt één geheel met de
voorgestelde Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]. Dit pakket komt in de plaats van de Richtlijnen 2006/48/EG
en 2006/49/EG. Dit betekent dat de
richtlijn en de verordening allebei zowel kredietinstellingen als
beleggingsondernemingen zullen bestrijken. Momenteel heeft Richtlijn 2006/48/EG slechts via Richtlijn 2006/49/EG
op beleggingsondernemingen betrekking. Laatstgenoemde richtlijn bevat bovendien veelal enkel verwijzingen naar
Richtlijn 2006/48/EG. In het
pakket worden de bepalingen die op beide soorten werkzaamheden betrekking
hebben, samengevoegd, wat bijgevolg resulteert in een betere leesbaarheid van
de bepalingen die op deze werkzaamheden van toepassing zijn. Bovendien zijn de uitgebreide bijlagen bij de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG thans in het dispositief opgenomen,
waardoor de toepassing ervan verder wordt vereenvoudigd. De rechtstreeks op instellingen toepasselijke
prudentiële voorschriften zijn in het voorstel voor een verordening opgenomen. Het voorstel voor een richtlijn blijft de
bepalingen bevatten die op de vergunningverlening aan kredietinstellingen, de
uitoefening van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten
betrekking hebben. Beleggingsondernemingen
zouden niet onder deze bepalingen vallen, aangezien hun overeenkomstige rechten
en plichten bij Richtlijn 2004/39/EG (de "MiFID") worden geregeld. Ook de algemene beginselen betreffende het
toezicht op instellingen die tot de lidstaten gericht zijn en omzetting en de
uitoefening van discretionaire bevoegdheid vergen, zouden in de richtlijn
blijven. Het betreft in het bijzonder
de uitwisseling van informatie, de taakverdeling tussen de toezichthouders van
de lidstaat van herkomst en de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst,
en de uitoefening van sanctiebevoegdheden (nieuw). De richtlijn zou ook nog steeds de bepalingen betreffende de toetsing
van instellingen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bevatten. Deze bepalingen vullen de in de verordening
vastgelegde algemene prudentiële vereisten aan met individuele regelingen die
door de bevoegde autoriteiten worden getroffen in het kader van hun doorlopende
toetsing van elke individuele kredietinstelling en beleggingsonderneming. In de richtlijn zou louter worden aangegeven
welke regelingen toezichthouders kunnen treffen, aangezien de bevoegde
autoriteiten in staat moeten zijn naar eigen inzicht regelingen op te leggen. Dit onderdeel van de richtlijn heeft ook
betrekking op de interne procedures van instellingen, met name betreffende het
risicomanagement, alsmede op de nieuwe vereisten inzake corporate governance.
5.
Nadere uitleg van het voorstel en vergelijking met Bazel III
Om te zorgen voor een evenwichtige toepassing
van Bazel III op de instellingen in de EU heeft de Commissie verschillende
regelgevingskeuzes moeten maken, die in dit hoofdstuk worden uitgelegd.
5.1.
Maximale harmonisatie (hele verordening)
Om tot een echt "rulebook" te komen,
is maximale harmonisatie nodig. Als
er in individuele lidstaten striktere vereisten zouden gelden die niet geschikt
en niet gecoördineerd zijn, zou dit ertoe kunnen leiden dat de onderliggende
uitzettingen en risico's naar het schaduwbankwezen of van de ene lidstaat naar
de andere zouden worden verschoven. Bovendien zijn de door het Bazelse Comité en
de Europese Commissie gemaakte effectbeoordelingen gebaseerd op de specifieke
vastgestelde kapitaalratio's. Als er
in een of meer lidstaten hogere kapitaalvereisten zouden gelden, en dit
eventueel aanleiding zou geven tot een "wedloop naar de top" in de
hele EU, is het niet duidelijk welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor kosten
en groei. Als er op EU-niveau striktere prudentiële
vereisten nodig zouden worden, zou het rulebook dienovereenkomstig tijdelijk
moeten kunnen worden gewijzigd. De
Commissie zou een gedelegeerde handeling kunnen vaststellen om de
kapitaalvereisten of de risicogewichten van bepaalde uitzettingen gedurende een
beperkte periode te verhogen, of striktere prudentiële vereisten vaststellen
voor alle uitzettingen of voor uitzettingen op een of meer sectoren, regio's of
lidstaten, indien dit nodig is om in te spelen op veranderingen in de
intensiteit van microprudentiële en macroprudentiële risico's die voortvloeien
uit marktontwikkelingen die zich voordoen na de inwerkingtreding van deze
verordening, in het bijzonder op aanbeveling of advies van het ESRB. Dit voorstel en het begeleidende voorstel voor
de richtlijn bevatten reeds drie mogelijkheden waarvan de bevoegde autoriteiten
gebruik kunnen maken om macroprudentiële kwesties op nationaal niveau aan te
pakken. –
voor door vastgoed gedekte kredietverstrekking
zouden de lidstaten de kapitaalvereisten kunnen aanpassen; –
de lidstaten zouden aan individuele instellingen of
groepen instellingen aanvullende vereisten kunnen opleggen als dit
gerechtvaardigd is door specifieke omstandigheden binnen de zogeheten tweede
pijler; –
de lidstaten stellen het niveau van de
anticyclische kapitaalbuffer vast naargelang van de specifieke
macro-economische risico's in een bepaalde lidstaat. Dit zou de kapitaalvereisten ingrijpend wijzigen. Tijdens de overgangsperiode zouden de
lidstaten bovendien mogen anticiperen op de nieuwe, striktere, op Bazel III
gebaseerde regels door ze sneller ten uitvoer te leggen dan in Bazel III is
vastgesteld.
5.2.
Definitie van kapitaal (deel 2)
5.2.1.
Aftrek van significante deelnemingen in
verzekeringsentiteiten en financiële conglomeraten
Bazel III schrijft voor dat internationaal
actieve banken significante deelnemingen in niet-geconsolideerde
verzekeringsondernemingen van hun eigen vermogen moeten aftrekken. Daarmee
wordt ervoor gezorgd dat een bank het door een verzekeringsdochteronderneming
gebruikte kapitaal niet tot zijn eigen vermogen mag rekenen. Voor groepen die
significante bank- of beleggingsactiviteiten alsook verzekeringsactiviteiten
omvatten, voorziet Richtlijn 2002/87/EG betreffende financiële conglomeraten in
specifieke voorschriften die een dergelijke "dubbele telling" van
kapitaal regelen. Richtlijn 2002/87/EG is gebaseerd op internationaal
overeengekomen beginselen voor de omgang met risico in de diverse sectoren. Dit
voorstel versterkt de manier waarop deze voorschriften voor financiële
conglomeraten van toepassing zijn op groepen van banken en
beleggingsondernemingen, door te zorgen voor een degelijke en consistente
toepassing ervan. Verdere wijzigingen die eventueel nodig mochten blijken,
zullen aan bod komen bij de voor 2012 geplande herziening van Richtlijn 2002/87/EG.
5.2.2.
Eigen vermogen van de hoogste kwaliteit – criteria,
geleidelijke afschaffing en uitzonderingsbepalingen
Overeenkomstig Bazel III mogen eigenvermogensinstrumenten
van de hoogste kwaliteit voor internationaal actieve banken die vennootschappen
op aandelen zijn, alleen uit "gewone aandelen" bestaan die aan
strikte criteria voldoen. Dit voorstel legt deze strikte Bazel III-criteria ten
uitvoer. De rechtsvorm van het bestanddeel van de hoogste kwaliteit van
kapitaal dat door als vennootschap op aandelen gestructureerde instellingen is
uitgegeven, word in het voorstel niet beperkt tot die van gewone aandelen. De
definitie van een gewoon aandeel varieert naargelang van het nationale
vennootschapsrecht. De strikte criteria die in dit voorstel zijn bepaald,
zullen ervoor zorgen dat alleen instrumenten van de hoogste kwaliteit zouden
worden erkend als toetsingsvermogen van de hoogste kwaliteit. Op grond van deze
criteria zouden uitsluitend instrumenten die van dezelfde hoge kwaliteit zijn
als gewone aandelen, als zodanig kunnen worden behandeld. Om te zorgen voor
een volledige transparantie van de erkende instrumenten, schrijft het voorstel
voor dat de EBA een lijst van de erkende soorten instrumenten moet aanleggen,
bijhouden en publiceren. Bazel III voorziet in een tienjarige periode
van geleidelijke afschaffing voor bepaalde instrumenten die worden uitgegeven
door vennootschapen zonder aandelen die niet aan de nieuwe voorschriften
voldoen. Overeenkomstig de wijzigingen die met betrekking tot het eigen
vermogen zijn aangebracht bij Richtlijn 2009/111/EG en de noodzaak voor een
consistente behandeling van de verschillende wettelijke vennootschapsvormen, voorziet
dit voorstel in dergelijke uitzonderingsbepalingen ook voor de instrumenten van
de hoogste kwaliteit die worden uitgegeven door vennootschappen op aandelen die
geen gewone aandelen zijn en de daarmee verbonden agiorekeningen. Bazel III voorziet erin dat instrumenten die
niet aan de nieuwe regels voldoen en vóór 12 september 2010 uitgegeven zijn,
geleidelijk uit het toetsingsvermogen worden verwijderd om voor een vlotte
overgang naar de nieuwe regels te zorgen. Dit staat bekend als de afsluitdatum
voor de overgangsregelingen. Alle instrumenten die niet aan de nieuwe
voorschriften voldoen en na de afsluitdatum uitgegeven zijn, zouden vanaf 2013
volledig van het toetsingsvermogen worden uitgesloten. Dit voorstel bepaalt de
afsluitdatum als de datum waarop dit voorstel door de Commissie is aangenomen.
Dit is nodig om vermijden dat de vereisten van het voorstel met terugwerkende
kracht worden toegepast, hetgeen wettelijk niet kan.
5.2.3.
Onderlinge maatschappijen, coöperatieve banken en
soortgelijke instellingen
Bazel III zorgt ervoor dat de nieuwe
voorschriften kunnen worden toegepast op kapitaalinstrumenten van de hoogste
kwaliteit van vennootschappen zonder aandelen, d.w.z. onderlinge
maatschappijen, coöperatieve banken en soortgelijke instellingen. Dit voorstel
geeft nadere invulling aan de toepassing van de Bazel III-definitie van
kapitaal op door vennootschappen zonder aandelen uitgegeven
kapitaalinstrumenten van de hoogste kwaliteit.
5.2.4.
Minderheidsbelang en bepaalde door
dochterondernemingen uitgegeven kapitaalinstrumenten
Een minderheidsbelang is het kapitaal van
bepaalde dochterondernemingen dat in handen is van een minderheidsaandeelhouder
die extern is aan de groep. In Bazel III wordt het minderheidsbelang – en
bepaalde vormen van toetsingsvermogen dat door dochterondernemingen is
uitgegeven – alleen erkend voor zover deze dochterondernemingen instellingen
zijn (of aan dezelfde voorschriften onderworpen zijn) en het kapitaal gebruikt
wordt om te voldoen aan de kapitaalvereisten en de nieuwe kapitaalinstandhoudingsbuffer,
een nieuwe kapitaalbuffer die nieuwe beperkingen vaststelt voor de uitkering
van dividenden en bepaalde coupons en bonussen. De andere nieuwe
kapitaalbuffer, de anticyclische buffer, is een belangrijk macroprudentieel
hulpmiddel dat door toezichthouders kan worden voorgeschreven om de
kredietverstrekking in de verschillende fases van de kredietcyclus te temperen
of aan te jagen. Dit voorstel stelt degelijke EU-processen vast voor het
coördineren van het gebruik van de anticyclische buffer door de lidstaten. De
in dit voorstel vervatte aanpak van het minderheidsbelang en sommige andere
kapitaalsvormen die door dochterondernemingen worden uitgegeven, houdt rekening
met de anticyclische buffer wanneer deze gebruikt wordt. Daarmee wordt het belang
van de buffer erkend, alsook van het kapitaal dat gebruikt wordt om daaraan te
voldoen, en wordt een mogelijke ontmoedigende factor voor het buffervereiste
weggenomen. .
5.2.5.
Aftrek van bepaalde uitgestelde
belastingvorderingen (DTA's)
Een DTA is een actief op de balans die
gebruikt mag worden ter vermindering van lasten uit hoofde van winstbelastingen
in de volgende periode. In Bazel III is gepreciseerd dat bepaalde DTA’s niet
van het kapitaal hoeven te worden afgetrokken. Dit voorstel verduidelijkt dat
tot dergelijke DTA's ook die worden gerekend die automatisch worden omgezet in
een vordering op de staat wanneer een onderneming verlies lijdt; deze hoeven
niet te worden afgetrokken indien hun vermogen om indien nodig verliezen op te
vangen gegarandeerd is.
5.3.
Behandeling van specifieke uitzettingen (deel 3,
titel II, hoofdstuk 2)
5.3.1.
Behandeling van uitzettingen op mkb-ondernemingen
In de huidige EU-wetgeving kunnen banken
gebruikmaken van preferentiële risicogewichten voor uitzettingen op
mkb-ondernemingen. Zowel in Bazel III als in het ontwerpvoorstel zal deze
preferentiële behandeling blijven voortbestaan. Om de kapitaalvereisten voor
uitzettingen op mkb-ondernemingen te verbeteren, zou in eerste instantie een
herziening van het internationale Bazel-raamwerk nodig zijn. Deze kwestie is in
het voorstel onderworpen aan een herzieningsclausule. Het is van cruciaal belang dat de
risicogewichten voor kredietverstrekking aan het mkb zorgvuldig worden
beoordeeld. Daarom wordt de EBA verzocht tegen 1 september 2012 een analyse en
een verslag over de huidige risicogewichten te maken, en daarbij de
mogelijkheden voor een verlaging te toetsen, met name een scenario voor een
verlaging met een derde in vergelijking met de huidige situatie. De Commissie
is voornemens aan het Europees Parlement en de Raad verslag over deze analyse
uit te brengen en in voorkomend geval, met wetgevingsvoorstellen te komen voor
de herziening van het risicogewicht voor het mkb. Voorts brengt de Commissie na raadpleging van
de EBA binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening verslag
uit over de kredietverstrekking aan mkb-ondernemingen en natuurlijke personen
en dient zij dit verslag samen met een eventueel passend voorstel bij het
Europees Parlement en de Raad in.
5.3.2.
Behandeling van uitzettingen die voortvloeien uit
handelsfinancieringsactiviteiten
Naar verwachting zal het Bazels Comité pas
tegen eind 2011 zijn definitieve standpunt bepalen over de vraag of er
gunstiger kapitaalvereisten voor handelsfinanciering moeten worden vastgesteld.
Dit is bijgevolg niet weerspiegeld in dit voorstel, maar er is voorzien in een
herzieningsclausule betreffende de behandeling van deze uitzettingen.
5.4.
Tegenpartijkredietrisico (deel 3, titel II,
hoofdstuk 6)
Krachtens Bazel III zullen de banken
aanvullend kapitaal moeten aanhouden tegen het risico dat de kredietkwaliteit
van de tegenpartij verslechtert. Dit
voorstel zou dit nieuwe kapitaalvereiste invoeren. Bazel III erkent evenwel slechts in zeer beperkte mate verliezen die
een bank direct afschrijft met onmiddellijke gevolgen voor de
resultatenrekening (ondergane aanpassingen van de kredietwaardering). Op grond van de feedback op een raadpleging die
de Commissie in februari/maart 2011 over deze kwestie heeft gehouden en met de
steun van een grote meerderheid van de lidstaten, zou dit voorstel banken die
de geavanceerde aanpak voor kredietrisico hanteren, in staat stellen met
dergelijke verliezen meer rekening te houden, zij het op voorzichtige wijze, en
daardoor de courante praktijk van veel EU-banken om voorzieningen te nemen op
toekomstige verliezen, beter weerspiegelen.
5.5.
Liquiditeit (deel 6)
5.5.1.
Liquiditeitsdekkingsvereiste
De Commissie heeft zich er sterk aan
gecommitteerd uiterlijk in 2015 tot een geharmoniseerd
liquiditeitsdekkingsvereiste te komen. Tegelijk moeten de onzekerheden over mogelijke onbedoelde gevolgen en
de waarnemingsperiode van Bazel III zeer serieus worden genomen. De volgende elementen zorgen ervoor dat er pas na
een passende evaluatie een bindend vereiste wordt ingevoerd: –
een algemeen, vanaf 2013 toe te passen vereiste dat
banken als eerste stap een passende liquiditeitsdekking moeten aanhouden; –
een verplichting tot rapportage aan nationale
autoriteiten van de elementen die nodig zijn om na te gaan of zij een
toereikende liquiditeitsdekking aanhouden op basis van de uniforme
rapportageformats die door de Europese Bankautoriteit zijn ontwikkeld om de
Bazel III-criteria te toetsen; –
de bevoegdheid voor de Commissie om het
liquiditeitsdekkingsvereiste nader in te vullen overeenkomstig de conclusies
die voortvloeien uit de waarnemingsperiode en internationale ontwikkelingen. Door de langdurige gewone
wetgevingsprocedure (via medebeslissing) te vermijden, zou maximaal gebruik
kunnen worden gemaakt van de waarnemingsperiode en zou de kalibrering kunnen
worden uitgesteld naar het eind van deze waarnemingsperiode. Het liquiditeitsdekkingsvereiste zal binnen
groepen van kredietinstellingen of beleggingsondernemingen of beide in beginsel
van toepassing zijn op het niveau van elke individuele kredietinstelling of
beleggingsonderneming. Anders dan
bijkantoren, die geen rechtspersoonlijkheid hebben, zijn kredietinstellingen of
beleggingsondernemingen zelf onderworpen aan betalingsverplichtingen die in
stresssituaties tot een uitstroom aan liquiditeit kunnen leiden. Er kan niet zomaar op worden gerekend dat
kredietinstellingen of beleggingsondernemingen liquiditeitssteun zullen
ontvangen van andere kredietinstellingen of beleggingsondernemingen die tot
dezelfde groep behoren wanneer zij moeilijkheden ondervinden om hun
betalingsverplichtingen na te komen. Onder
strikte voorwaarden zullen bevoegde autoriteiten echter individuele
kredietinstellingen of beleggingsondernemingen van dit vereiste kunnen
vrijstellen en deze kredietinstellingen of beleggingsondernemingen aan een
geconsolideerd vereiste onderwerpen. Deze
strikte voorwaarden zijn te vinden in artikel 7, lid 1, en zij zorgen er onder
meer voor dat de kredietinstellingen of beleggingsondernemingen op een
wettelijk afdwingbare manier ertoe verbonden zijn elkaar te ondersteunen en
daar daadwerkelijk toe in staat zijn. In het geval van een groep met
kredietinstellingen of beleggingsondernemingen in verschillende lidstaten
moeten alle bevoegde autoriteiten van de individuele kredietinstellingen of
beleggingsondernemingen, opdat over de vrijstelling van individuele vereisten
kan worden beschikt, samen tot de overeenstemming komen dat aan de voorwaarden
voor de vrijstelling is voldaan. In
dergelijke grensoverschrijdende situaties gelden naast de voorwaarden van artikel
7, lid 1, ook nog de voorwaarden van artikel 7, lid 2. Deze aanvullende voorwaarden houden in dat alle individuele bevoegde
autoriteiten het liquiditeitsbeheer van de groep en de hoeveelheid liquiditeit
waarover de individuele kredietinstellingen of beleggingsondernemingen van de
groep beschikken, bevredigend moeten vinden. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, zal elke bevoegde autoriteit
van een individuele kredietinstelling of beleggingsonderneming afzonderlijk
besluiten of de vrijstelling van toepassing is. Wanneer de bevoegde autoriteiten geen
overeenstemming bereiken, kan de EBA ook bemiddelen. Het resultaat van de bemiddeling is echter alleen bindend met
betrekking tot de voorwaarden van artikel 7, lid 1. De individuele bevoegde autoriteiten blijven het laatste woord hebben
wat betreft de voorwaarden van artikel 7, lid 2, namelijk met betrekking tot de
toereikendheid van het liquiditeitsbeheer van de groep en met betrekking tot de
liquiditeitstoereikendheid van de individuele kredietinstellingen of
beleggingsondernemingen.
5.5.2.
Netto stabiel financieringsvereiste
De Commissie is er sterk aan gecommitteerd
uiterlijk op 1 januari 2018 tot een minimumnorm voor het netto stabiel
financieringsvereiste te komen. Aangezien
Bazel III op dit gebied een waarnemingsperiode tot 2018 vaststelt, zou er
voldoende tijd zijn om een stabiel financieringsvereiste op te stellen in de
vorm van een medebeslissingsvoorstel waarover het Parlement en de Raad vóór het
einde van de waarnemingsperiode overeenstemming moeten bereiken.
5.6.
Hefboomwerking (deel 7)
De hefboomwerkingsratio is een nieuw
regelgevingshulpmiddel in de EU. Overeenkomstig
Bazel III stelt de Commissie op dit ogenblik geen hefboomwerkingsratio als
bindend instrument voor maar eerst als een aanvullend hulpmiddel dat
toezichthoudende autoriteiten naar eigen inzicht op individuele banken kunnen
toepassen met de bedoeling in 2018 over te stappen naar een bindend
("eerstepijler"-)instrument, op basis van passende evaluatie en
kalibrering. Dankzij de
rapportageverplichtingen zou een evaluatie kunnen worden gemaakt en een
geïnformeerd besluit kunnen worden genomen over de invoering ervan als bindend
vereiste in 2018. Overeenkomstig
Bazel III wordt voorgesteld dat instellingen vanaf 2015 hun
hefboomwerkingsratio's publiceren.
5.7.
Bazel I-limiet (deel dertien)
Het kapitaal dat voor riskantere activiteiten
moet worden aangehouden, is hoger in Bazel II dan in Bazel I. Het kapitaal dat voor minder riskante
activiteiten moet worden aangehouden, is lager in Bazel II dan in Bazel I. Dit komt doordat Bazel II meer risicogevoelig
werd gemaakt dan Bazel I. Om te voorkomen dat banken aan te lage
kapitaalvereisten worden onderworpen, staat Bazel II geen lager kapitaal toe
dan 80% van het kapitaal dat volgens Bazel I vereist was geweest. Dit vereiste verstreek eind 2009, maar Richtlijn 2010/76/EG
heeft dit weer ingesteld tot eind 2011. Op basis van de verlenging van dit vereiste door het Bazels Comité in
juli 2009, stelt het ontwerpvoorstel dit opnieuw in tot 2015. Bevoegde autoriteiten mogen na raadpleging van de
EBA een instelling vrijstellen van de toepassing van de Bazel I-limiet mits aan
alle vereisten voor het gebruik van de geavanceerde benaderingen voor krediet-
en operationele risico's is voldaan.
6.
Gevolgen voor de begroting
De EBA zal een belangrijke taak vervullen met
het oog op het bereiken van de doelstelling van deze verordening, omdat haar in
de voorstellen verzocht wordt meer dan 50 bindende technische normen (BTS)
inzake diverse beleidskwesties te ontwikkelen. BTS – die uiteindelijk door de
Commissie zouden worden bekrachtigd – zullen van essentieel belang zijn om
ervoor te zorgen dat zeer technische bepalingen in de hele EU uniform ten
uitvoer worden gelegd en dat de voorgestelde beleidslijnen functioneren zoals
bedoeld. Voor deze aanzienlijke werklast zou de EBA over meer middelen moeten
beschikken dan die waarin in het kader van haar oprichting reeds is voorzien
door Verordening (EU) nr. 1093/2010. In het bijgevoegde financieel memorandum
worden nadere gegevens verstrekt. 2011/0202 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende prudentiële vereisten voor
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 114, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[7],
Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1)
In de G20-verklaring "Strengthening the
Financial System" van 2 april 2009[8]
werd opgeroepen tot een internationaal samenhangende inspanning om de transparantie,
verantwoordingsplicht en regelgeving te versterken door de kwantiteit en de
kwaliteit van het kapitaal in het bankwezen te verbeteren zodra het economisch
herstel verzekerd is. In de verklaring werd ook opgeroepen een
aanvullende niet-risicogebaseerde maatstaf in te voeren om het overmatig
gebruik van hefboomwerking in het bankwezen aan banden te leggen en een kader
voor sterkere liquiditeitsbuffers te ontwikkelen. Naar aanleiding van het door
de G20 gegeven mandaat bereikte de Group of Central Bank Governors and Heads of
Supervision (GHOS) overeenstemming over een aantal maatregelen ter versterking
van de regelgeving inzake het bankwezen. Deze maatregelen werden bekrachtigd
door de leiders van de G20 op de top van Pittsburgh van 24 tot 25 september 2009
en werden in detail uitgewerkt in december 2009. In juli en
september 2010 deed de GHOS twee nieuwe mededelingen over het ontwerp en de
kalibrering van deze nieuwe maatregelen en in december 2010 publiceerde het
Bazelse Comité voor bankentoezicht (BCBS) de definitieve maatregelen, die
bekend staan als Bazel III. (2)
De Groep op hoog niveau financieel toezicht in de
EU, die werd voorgezeten door Jacques de Larosière, verzocht de Europese Unie
een meer geharmoniseerd pakket financiële regelgeving te ontwikkelen. In het kader
van de toekomstige Europese toezichtarchitectuur onderstreepte de Europese Raad
van 18 en 19 juni 2009 ook dat één Europees "rulebook" moet worden
opgesteld dat op alle kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de
interne markt van toepassing is. (3)
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 14 juni 2006[9]
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 14 juni 2006[10]
inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen ("instellingen") zijn herhaaldelijk en ingrijpend
gewijzigd. Tal van bepalingen van de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG zijn zowel op kredietinstellingen als op
beleggingsondernemingen van toepassing. Ter
wille van een coherente toepassing van deze bepalingen is het wenselijk deze
samen te voegen in nieuwe wetgeving die zowel op kredietinstellingen als op
beleggingsondernemingen van toepassing is. In
het belang van de duidelijkheid dienen de bepalingen van de bijlagen bij deze
richtlijnen in het dispositief van deze nieuwe wetgeving te worden opgenomen. (4)
Deze nieuwe wetgeving dient uit twee verschillende
rechtsinstrumenten te bestaan, namelijk een richtlijn en deze verordening. Deze
beide rechtsinstrumenten zouden samen het juridische kader vormen dat van
toepassing is op de activiteiten, het toezichtskader en de prudentiële
voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Deze
verordening moet bijgevolg samen met de richtlijn worden gelezen. (5)
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau], op
basis van artikel 53, lid 1, VWEU, dient de bepalingen te bevatten betreffende
de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen,
de nadere regels voor de governance ervan en het toepasselijke toezichtskader,
zoals bepalingen betreffende de vergunningverlening voor de
bedrijfsuitoefening, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, de
uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht op het vrij
verrichten van diensten, en de bevoegdheden van de toezichthoudende
autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit
verband, alsook de bepalingen inzake het aanvangskapitaal en de toetsing door
toezichthouders van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. (6)
Deze verordening moet de prudentiële vereisten voor
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bevatten die strikt verband
houden met de werking van de markt voor bancaire en financiële diensten en
bedoeld zijn om te zorgen voor de financiële stabiliteit van de exploitanten op
deze markten alsook voor een hoge mate van bescherming van beleggers en
deposanten. Het doel van deze rechtstreeks
toepasselijke rechtshandeling is op beslissende wijze bij te dragen aan de
goede werking van de interne markt en deze moet bijgevolg gebaseerd zijn op de
bepalingen van artikel 114 VWEU, zoals geïnterpreteerd overeenkomstig de vaste
rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. (7)
Hoewel de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG de
voorschriften van de lidstaten op het gebied van prudentieel toezicht tot op
zekere hoogte hebben geharmoniseerd, laten zij toch een aanzienlijke
keuzevrijheid en speelruimte, en is het de lidstaten nog steeds toegestaan
striktere voorschriften vast te stellen dan die van de richtlijnen. Dit resulteert in dusdanige verschillen tussen nationale voorschriften
dat zij de fundamentele vrijheden belemmeren en aldus een rechtstreeks effect
hebben op de werking van de interne markt en aanzienlijke
concurrentievervalsingen kunnen veroorzaken. In het bijzonder hinderen deze verschillen het grensoverschrijdend
verrichten van diensten en de vestiging in andere lidstaten omdat exploitanten
telkens andere voorschriften moeten nagaan en naleven wanneer in een andere
lidstaat actief zijn. Bovendien zijn
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die in verschillende lidstaten
een vergunning hebben gekregen, vaak aan verschillende vereisten onderworpen,
hetgeen tot aanzienlijke concurrentievervalsingen leidt. Een uiteenlopende ontwikkeling van nationale wetgeving werpt potentiële
en feitelijke hindernissen op voor de goede werking van de interne markt
vanwege de ongelijke exploitatievoorwaarden en moeilijkheden voor kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen die in verschillende rechtsstelsels in de Unie
actief zijn. (8)
Om komaf te maken met de resterende
belemmeringen voor het handelsverkeer en aanzienlijke concurrentievervalsingen
die voortvloeien uit verschillen tussen nationale wetgevingen en om te
voorkomen dat nog meer belemmeringen voor het handelsverkeer en aanzienlijke
concurrentievervalsingen kunnen ontstaan, is het bijgevolg nodig een
verordening vast te stellen ter bepaling van uniforme voorschriften die in alle
lidstaten toepasselijk zijn. (9)
Door de prudentiële vereisten in de vorm van een
verordening vast te stellen, zou ervoor worden gezorgd dat deze vereisten
rechtstreeks op hen van toepassing zijn. Dit
zou voor uniforme voorwaarden zorgen doordat voorkomen zou worden dat nationale
vereisten onderling verschillen als gevolg van de omzetting van een richtlijn. Deze
verordening zou ertoe leiden dat instellingen in de hele Unie dezelfde
voorschriften volgen, hetgeen ook zou bijdragen aan het vertrouwen in de
stabiliteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, in het
bijzonder in stresssituaties. Een
verordening zou ook de complexiteit van de regelgeving en de nalevingskosten
van bedrijven verminderen, in het bijzonder voor kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen die grensoverschrijdend actief zijn, en bijdragen aan
het wegwerken van concurrentievervalsingen. Met betrekking tot het eigen karakter van de vastgoedmarkten, die
gekenmerkt worden door economische ontwikkelingen en justitiële verschillen die
specifiek zijn voor lidstaten, regio's en lokale gebieden, moeten de bevoegde
autoriteiten op basis van hun ervaring met wanbetaling en verwachte
marktontwikkelingen in bepaalde gebieden hogere risicogewichten kunnen
vaststellen of striktere criteria kunnen toepassen op door vastgoed gedekte
uitzettingen. (10)
Wanneer deze verordening niet in uniforme
voorschriften voorziet, moeten de lidstaten de bevoegdheid hebben nationale
bepalingen te handhaven of in te voeren, mits deze nationale bepalingen niet in
tegenspraak zijn met Unierecht of de toepassing ervan niet in het gedrang
brengen. (11)
Wanneer de lidstaten richtsnoeren van
algemene strekking aannemen, in het bijzonder op gebieden waar de aanneming
door de Commissie van ontwerpen van technische normen aan de gang is, druisen
deze richtsnoeren niet in tegen Unierecht en brengen zij evenmin de toepassing
ervan in het gedrang. (12)
Deze verordening weerhoudt de lidstaten er
niet van gelijkwaardige vereisten op te leggen aan ondernemingen die niet
binnen haar toepassingsgebied vallen. (13)
De in deze verordening vastgelegde algemene prudentiële
vereisten worden aangevuld met individuele regelingen die door de bevoegde
autoriteiten worden getroffen naar aanleiding van hun doorlopende toetsing van
elke individuele kredietinstelling en beleggingsonderneming. In een richtlijn
zou een aantal regelingen worden aangegeven waaruit toezichthouders kunnen
kiezen, aangezien de bevoegde autoriteiten in staat moeten zijn naar eigen
inzicht regelingen te treffen. (14)
Deze verordening mag geen negatieve invloed
hebben op het vermogen van bevoegde autoriteiten om specifieke vereisten vast
te stellen in het kader van het in Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] vastgestelde toetsings- en evaluatieproces, dat moet worden
toegesneden op het specifieke risicoprofiel van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen. (15)
Bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees
Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese
toezichthoudende autoriteit[11] is
de Europese Bankautoriteit (EBA) opgezet. Deze
verordening is gericht op het verbeteren van de kwaliteit en de consistentie
van het nationale toezicht en het versterken van het toezicht op
grensoverschrijdende groepen. (16)
Overeenkomstig Verordening (EU) Nr. 1093/2010 dient de
EBA op te treden binnen het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG.
De EBA dient ook op te treden op het werkterrein van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen met betrekking tot zaken die niet rechtstreeks onder
genoemde richtlijnen vallen, mits dit optreden nodig is om de effectieve en
consistente toepassing van deze handelingen te waarborgen. In deze verordening
dient rekening te worden gehouden met de rol en functie van de EBA en moet
worden bijgedragen aan de uitoefening van de in genoemde verordening omschreven
bevoegdheden van de EBA. (17)
Voor kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen moeten gelijkwaardige financiële vereisten gelden in
het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke
concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen. (18)
Aangezien kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar
concurreren, moeten de vereisten inzake monitoring in de gehele Unie
gelijkwaardig zijn. (19)
Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is
de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te bepalen, dient deze
berekening te geschieden overeenkomstig deze verordening. (20)
Volgens deze verordening zijn
eigenvermogensvereisten van toepassing op individuele en geconsolideerde basis,
tenzij bevoegde autoriteiten het toezicht op individuele basis niet toepassen
indien zij dat nodig achten. Individueel, geconsolideerd en grensoverschrijdend
geconsolideerd toezicht zijn waardevolle instrumenten bij het toezicht op
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. (21)
Om de solvabiliteit van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel
belang dat de kapitaalvereisten worden toegepast op basis van de
geconsolideerde situatie van deze instellingen in de groep. Om te waarborgen
dat het eigen vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en
waar nodig kan worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de
kapitaalvereisten te gelden voor de individuele kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen binnen een groep, tenzij dit doel op een andere,
effectieve wijze kan worden gerealiseerd. (22)
Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen
vermogen en van de toereikendheid ervan voor het risico waaraan een
kredietinstelling of beleggingsonderneming is blootgesteld, en ten aanzien van
de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening
te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8
december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening
van banken en andere financiële instellingen[12],
waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van de Zevende Richtlijn 83/349/EEG
van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening[13] zijn vervat, of met
Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19
juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor
jaarrekeningen[14],
mocht deze van toepassing zijn op de boekhouding van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen in het kader van de nationale wetgeving. (23)
Omwille van een toereikende solvabiliteit moeten
kapitaalvereisten worden vastgesteld waarbij actiefposten en posten buiten de
balanstelling naar risicograad worden gewogen. (24)
Op 26 juni 2004 heeft het Bazels Comité een
kaderovereenkomst gesloten over de internationale convergentie van
kapitaalmeting en kapitaalvereisten ("het Bazel II-kader"). De bepalingen van
de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG die in deze verordening zijn
overgenomen, komen overeen met de bepalingen van de Bazel II-kaderovereenkomst.
Doordat
de aanvullende elementen van Bazel III in deze verordening zijn opgenomen, komt
deze bijgevolg overeen met de bepalingen van Bazel II en Bazel III. (25)
Het is van essentieel belang dat rekening wordt
gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen in de Unie; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit
verschillende berekeningsmethoden voor de kapitaalvereisten ten aanzien van het
kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning
variëren. Dankzij het gebruik van externe ratings en van door de
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zelf opgestelde ramingen van
individuele kredietrisicoparameters worden de risicogevoeligheid en de
prudentiële soliditeit van de kredietrisicovoorschriften in aanzienlijke mate
verbeterd. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen moeten voldoende
worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Bij de
opstelling van de ramingen die nodig zijn voor de toepassing van de in deze
verordening vervatte kredietrisicobenaderingen moeten de kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen de door de kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen gehanteerde processen voor beheer en meting van het
kredietrisico verbeteren om over methoden ter bepaling van de voor
kredietinstellingen geldende wettelijke eigenvermogensvereisten te kunnen
beschikken die de graad van verfijning van de processen van de afzonderlijke
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen weergeven. In dit opzicht dient
de gegevensverwerking in verband met het doen en het beheren van uitzettingen
ten opzichte van cliënten te worden geacht ook de ontwikkeling en validatie van
systemen voor beheer en meting van kredietrisico te omvatten. Dit dient niet
alleen het rechtmatig belang van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen, maar eveneens het doel van deze verordening, namelijk
verbeterde methoden tot meting en beheer van risico's toe te passen en deze
eveneens te gebruiken voor de wettelijke eigenvermogensvereisten. (26)
De kapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de
gelopen risico's. Met name moet daarin het risicoverlagende effect van een
groot aantal relatief beperkte uitzettingen tot uiting komen. (27)
Overeenkomstig het besluit van het Bazels Comité,
zoals bekrachtigd door de GHOS op 10 januari 2011, moeten alle aanvullend-tier 1-
en tier 2-instrumenten van een instelling volledig en definitief afgeschreven
zijn of volledig in uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal zijn omgezet
wanneer het punt van niet-levensvatbaarheid van de instelling wordt bereikt. (28)
De bepalingen van deze verordening eerbiedigen het
evenredigheidsbeginsel, daar zij in het bijzonder rekening houden met de
verschillen in de omvang en schaal van de transacties en in het scala van de
werkzaamheden van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Eerbiediging
van het evenredigheidsbeginsel houdt eveneens in dat voor uitzettingen op
particulieren en kleine partijen zo eenvoudig mogelijke ratingprocedures worden
erkend, ook in het kader van de interne-ratingbenadering („IRB-benadering”). (29)
Door de „evolutionaire aard” van deze verordening
kunnen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen kiezen uit drie
benaderingen van uiteenlopende complexiteit. Om bijzonder kleine
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in staat te stellen voor de meer
risicogevoelige IRB-benadering te kiezen, moeten de desbetreffende bepalingen
zo worden opgevat dat de uitzettingscategorieën alle uitzettingen omvatten die
in deze verordening direct of indirect met de in deze categorieën
ondergebrachte uitzettingen worden gelijkgesteld. Bij wijze van algemene regel
maken de bevoegde autoriteiten geen onderscheid tussen de drie benaderingen ten
aanzien van het toetsingsproces, d.w.z. dat kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen die de standaardbenadering aanwenden, niet louter en
alleen daarom aan een strikter toezicht worden onderworpen. (30)
Er moet meer rekening worden gehouden met
kredietrisicolimiteringstechnieken, en dit binnen een regelgevingskader dat
ervoor zorgt dat de solvabiliteit niet wordt ondermijnd doordat ten onrechte
met deze technieken rekening wordt gehouden. Voor zover mogelijk moet in de
standaardbenadering, maar ook in de andere benaderingen, rekening worden
gehouden met de bankzekerheden ter beperking van kredietrisico’s die momenteel
in de lidstaten gebruikelijk zijn. (31)
Om ervoor te zorgen dat de risico's en risicolimiteringen
als gevolg van securitisatieactiviteiten en beleggingen van kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen terdege tot uiting komen in hun kapitaalvereisten,
zijn er ook voorschriften nodig die een risicogevoelige en vanuit prudentieel
oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten en beleggingen
garanderen. (32)
Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
staan bloot aan een groot operationeel risico, dat met eigen vermogen moet
worden gedekt. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de
diversiteit van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de Unie;
daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de
vereisten ten aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus
en de mate van verfijning variëren. Kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen
op de risicogevoeligere methoden. Omdat de technieken voor de meting en het
beheer van het operationele risico nog niet helemaal zijn uitgerijpt, moeten de
voorschriften regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgewerkt; dit
geldt ook voor de vereisten ten aanzien van verschillende bedrijfsactiviteiten
en de erkenning van risicolimiteringstechnieken. Bijzondere aandacht dient
hierbij uit te gaan naar het in aanmerking nemen van verzekeringen in de
eenvoudige benaderingen ter berekening van de kapitaalvereisten voor het
operationele risico. (33)
De bewaking en de beheersing van de uitzettingen
van kredietinstellingen dienen een integrerend deel van het toezicht op deze
instellingen te vormen. Een overmatige concentratie van uitzettingen op één
cliënt of groep verbonden cliënten kan derhalve tot een onaanvaardbaar risico
op verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn
voor de solvabiliteit van een kredietinstelling. (34)
Om uit te maken of er sprake is van een groep
verbonden cliënten en daarmee van uitzettingen die uit een oogpunt van risico
een geheel vormen, is het ook van belang dat rekening wordt gehouden met
risico’s die voortvloeien uit een gemeenschappelijke bron van significante
financiering die wordt verstrekt door de kredietinstelling of de
beleggingsonderneming zelf, de financiële groep waartoe zij behoort of met haar
verbonden partijen. (35)
Hoewel het wenselijk is om bij de berekening van de
waarde van uitzettingen uit te gaan van hetgeen bepaald is voor de berekening
van de eigenvermogensvereisten, moeten voor de bewaking van grote uitzettingen
voorschriften zonder risicogewichten of risicograden worden vastgesteld.
Bovendien berusten de in de solvabiliteitsregeling gehanteerde technieken voor
kredietrisicolimitering op de aanname dat het kredietrisico goed gespreid is.
Bij grote uitzettingen waarbij sprake is van een concentratierisico jegens één
grote tegenpartij („single-name”) is het kredietrisico niet goed gespreid.
Daarom moeten er prudentiële voorzorgsmaatregelen gelden ten aanzien van het
effect van deze technieken. In dit verband moet bij grote uitzettingen worden voorzien
in een effectieve uitwinning van de kredietprotectie. (36)
Aangezien een verlies op een uitzetting op een
kredietinstelling of een beleggingsonderneming even ernstig kan zijn als een
verlies op enig andere uitzetting, moeten dergelijke uitzettingen op dezelfde
wijze worden behandeld en gemeld als elke andere uitzetting. Er is evenwel
voorzien in een alternatieve kwantitatieve limiet om het onevenredig zware
effect van die benadering op kleinere instellingen te beperken. Daarnaast wordt
voorzien in een uitzondering voor zeer kortstondige uitzettingen in verband met
geldtransfers, waaronder de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing,
afwikkeling en bewaring van financiële instrumenten ten behoeve van cliënten,
en dit ten bate van de soepele werking van de financiële markten en de daaraan
gerelateerde infrastructuur. Onder deze diensten vallen bijvoorbeeld de
clearing en afwikkeling van geldposities en andere activiteiten die de
afwikkeling vergemakkelijken. De bedoelde uitzettingen omvatten onder meer uitzettingen
die mogelijk niet voorspelbaar zijn en dus niet onder de volledige controle van
een kredietinstelling vallen, onder meer saldo’s op interbancaire rekeningen
die al dan niet rechtstreeks voortvloeien uit betalingen van cliënten, met
inbegrip van overgemaakte of afgeboekte honoraria en rente, en andere
betalingen voor cliëntendiensten, alsmede gegeven of ontvangen zekerheden. (37)
Het is van belang een eind te maken aan de situatie
waarin de belangen van ondernemingen die leningen in verhandelbare effecten en
andere financiële instrumenten „herverpakken” (initiators of sponsors), en die
van de ondernemingen die in deze effecten of instrumenten beleggen (beleggers),
niet gelijklopen. Het is ook van belang ervoor te zorgen dat de belangen van de
initiator of sponsor en de belangen van beleggers wel gelijklopen. Om dit te
bereiken, moet de initiator of sponsor verplicht worden een significant belang
in de onderliggende activa te behouden. Daarom is het van belang dat de
initiators of de sponsors ten aanzien van de leningen in kwestie risico blijven
dragen. Meer in het het algemeen mogen securitisatietransacties niet zo worden
opgezet dat de toepassing van de vereisten voor het aanhouden wordt ontweken,
met name door middel van een vergoeding of een tariefstructuur of beide. Dit
aanhouden moet gelden in alle situaties waarin de belangrijkste economische
kenmerken van een securitisatie van toepassing zijn, ongeacht de juridische
structuren of instrumenten die worden aangewend om deze economische kenmerken
te verkrijgen. Met name bij een overdracht van het kredietrisico door middel
van securitisatie zouden beleggers hun beslissingen pas mogen nemen na
zorgvuldig onderzoek te hebben verricht en daarvoor hebben zij deugdelijke
informatie over de securitisaties nodig. (38)
De vereisten voor het aanhouden mogen niet op
verschillende manieren worden toegepast. Voor een bepaalde securitisatie
volstaat het als hetzij de initiator, de sponsor of de oorspronkelijke
kredietverstrekker onder het vereiste valt. Wanneer securitisatietransacties
andere securitisaties als onderliggende waarde hebben, dienen de vereisten voor
het aanhouden dan ook alleen te gelden voor de securitisatie waarop de
belegging van toepassing is. Voor gekochte kortlopende vorderingen gelden de
vereisten voor het aanhouden niet als deze voortvloeien uit
bedrijfsactiviteiten in het kader waarvan zij met korting worden overgedragen
of verkocht om deze activiteiten te financieren. De bevoegde autoriteiten
passen het risicogewicht toe met betrekking tot het niet naleven van de
verplichting inzake zorgvuldig onderzoek en risicomanagement in verband met de
securitisatie bij ongewone overtredingen van beleidsmaatregelen en procedures
die relevant zijn voor de beoordeling van de onderliggende risico’s. (39)
Om de risico’s van gesecuritiseerde posities in
zowel de handelsportefeuille als de niet-handelsportefeuille naar behoren te
kunnen beoordelen, moet zorgvuldig onderzoek worden verricht. Bovendien moeten
de verplichtingen inzake zorgvuldig onderzoek evenredig zijn. Procedures inzake
zorgvuldig onderzoek moeten bijdragen tot een groter vertrouwen tussen
initiatoren, sponsors en beleggers. Daarom is het wenselijk dat relevante
informatie over de procedures inzake zorgvuldig onderzoek naar behoren bekend
wordt gemaakt. (40)
Wanneer een kredietinstelling of
beleggingsonderneming een uitzetting heeft ten opzichte van haar eigen
moederonderneming of andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is
bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen gedane uitzettingen moet volledig zelfstandig worden
gevoerd, met inachtneming van de beginselen van goed beheer, en los van elke
andere overweging. Op het gebied van grote uitzettingen dient tevens in
specifieke, eventueel strengere voorschriften te worden voorzien ten aanzien
van de door een kredietinstelling gedane uitzettingen ten opzichte van
ondernemingen van de eigen groep. Dergelijke normen behoeven echter niet te
worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een
kredietinstelling is, of de andere dochterondernemingen kredietinstellingen,
financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten verrichten,
zijn, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op
de kredietinstelling vallen. (41)
Gezien de risicogevoeligheid van de voorschriften
voor de kapitaalvereisten moet regelmatig worden nagegaan of deze van grote
invloed zijn op de conjuncturele cyclus. De Commissie dient, rekening houdende
met het standpunt van de Europese Centrale Bank, over deze aspecten verslag uit
te brengen aan het Europees Parlement en de Raad. (42)
De kapitaalvereisten voor handelaren in
grondstoffen, ook die handelaren welke thans vrijstelling genieten van de
vereisten van Richtlijn 2004/39/EG, moeten opnieuw worden onderzocht. (43)
De liberalisering van de elektriciteits- en
gasmarkten is zowel uit economisch als uit politiek oogpunt een belangrijke
doelstelling voor de Unie. In het licht daarvan moeten de kapitaalvereisten en
andere prudentiële voorschriften, die gelden voor ondernemingen die op die
markten actief zijn, evenredig zijn en mogen deze de
liberaliseringsdoelstelling niet onnodig doorkruisen. Bij de herzieningen van
deze verordening moet deze doelstelling in het bijzonder voor ogen worden gehouden. (44)
Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die
in hersecuritisaties beleggen, moeten zorgvuldig onderzoek verrichten, ook ten
aanzien van de onderliggende securitisaties en de niet-securitisatieposities
die er uiteindelijk aan ten grondslag liggen. Kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen moeten beoordelen of uitzettingen in het kader van
programma's van door activa gedekte bedrijfsobligaties hersecuritisatieposities
zijn, inclusief de uitzettingen in het kader van programma's die tranches in de
hoogste rang verwerven van afzonderlijke pools van globale leningen wanneer
geen van die leningen een securitisatie-uitzetting of een
hersecuritisatie-uitzetting is, en wanneer de protectie voor het eerste verlies
voor iedere belegging van de verkoper van de leningen komt. In laatstgenoemde
situatie zou een pool-specifieke liquiditeitsfaciliteit over het algemeen niet
moeten worden beschouwd als een hersecuritisatie-uitzetting, omdat het een
tranche is van één pool van activa (d.w.z. de relevante pool van globale
leningen) waarin geen securitisatie-uitzettingen zitten. Daarentegen zou een
kredietverbetering voor het gehele programma die slechts enkele van de
verliezen dekt boven de door de verkoper verstrekte protectie in de diverse
pools, over het algemeen een onderverdeling vormen van het risico van een pool
van meerdere activa met op zijn minst één securitisatie-uitzetting, en derhalve
een hersecuritisatie-uitzetting zijn. Niettemin, indien zo'n programma zichzelf
volledig financiert met één categorie bedrijfsobligaties, en indien de
kredietverbetering voor het gehele programma geen hersecuritisatie is of het
bedrijfsobligaties volledig wordt gedragen door de kredietinstelling of
beleggingsonderneming die als sponsor optreedt, waarbij de belegger in bedrijfsobligaties
daadwerkelijk bloot staat aan het wanbetalingsrisico van de sponsor en niet de
onderliggende pools of activa, moeten deze bedrijfsobligaties over het algemeen
niet worden gezien als een hersecuritisatie-uitzetting. (45)
De bepalingen betreffende voorzichtige waardering
voor de handelsportefeuille moeten gelden voor alle instrumenten die tegen
reële waarde worden gewaardeerd, ongeacht of zij deel uitmaken van de
handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen. Er moet worden verduidelijkt dat, wanneer voorzichtige
waardering tot een lagere boekwaarde leidt dan die welke feitelijk in de
rekeningen is opgevoerd, de absolute waarde van het verschil van het eigen
vermogen dient te worden afgetrokken. (46)
Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
moeten de keuze hebben ofwel een kapitaalvereiste toe te passen op de
securitisatie-uitzettingen die krachtens deze verordening een risicogewicht van
1 250% krijgen, ofwel deze uitzettingen van uit gewone aandelen bestaande
tier 1-bestanddelen af te trekken, ongeacht of ze deel uitmaken van haar
handelsportefeuille of haar niet-handelsportefeuille. (47)
Het mag voor instellingen die als initiator of
sponsor optreden niet mogelijk zijn om het verbod op verkapte steun te omzeilen
door voor zulke steun hun handelsportefeuille te gebruiken. (48)
Met Richtlijn 2006/48/EG werd binnen de
standaardbenadering een preferentieel risicogewicht ingevoerd voor uitzettingen
ten aanzien van kleine of middelgrote ondernemingen of natuurlijke personen,
alsook de mogelijkheid voor instellingen om op interne ratings gebaseerde
benaderingen toe te passen wanneer zij zelf het risicogewicht ramen, rekening
houdende met de degelijkheid van hun eigen overnemingscriteria. Binnen deze
verordening moeten preferentiële risicogewichten van kracht blijven. Evenwel
moet binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden
geëvalueerd welke voordelen eventueel verbonden zijn aan het verlagen van de
risicogewichten of het uitbreiden van de toepassing ervan tot nog meer
uitzettingen. Deze evaluatie moet op beschikbare informatie zijn gebaseerd en
rekening houden met betrouwbare gegevens inzake kredietverliezen op
uitzettingen ten aanzien van kleine of middelgrote ondernemingen of natuurlijke
personen die tijdens een volledige conjunctuurcyclus zijn geleden. In het kader
van deze evaluatie moet bijzondere aandacht uitgaan naar kredietverstrekking
aan consumenten. (49)
Onverminderd de informatieverplichtingen die
uitdrukkelijk in deze verordening zijn neergelegd, dienen de
informatieverplichtingen tot doel te hebben dat marktdeelnemers correcte en
volledige informatie ontvangen over het risicoprofiel van individuele
instellingen. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dienen derhalve te
worden verplicht om niet uitdrukkelijk in deze verordening vermelde aanvullende
informatie openbaar te maken indien dit nodig is om aan deze doelstelling te
voldoen. (50)
Wanneer in een externe kredietbeoordeling van een
securitisatie-uitzetting het effect van de door de beleggende instelling zelf
verstrekte kredietprotectie is meegenomen, mag de instelling geen aanspraak
kunnen maken op het lagere risicogewicht dat uit die protectie voortvloeit. Dit
mag er echter niet toe leiden dat de securitisatie van het eigen vermogen wordt
afgetrokken als er andere manieren zijn om een risicogewicht te bepalen dat
overeenstemt met het werkelijke risico van de positie, waarbij de
kredietprotectie buiten beschouwing blijft. (51)
Aangezien de werking van de normen voor interne
modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten voor marktrisico’s recent
te wensen heeft overgelaten, is het raadzaam deze te versterken. Met name ten
aanzien van de weergave van de kredietrisico’s in de handelsportefeuille dienen
deze normen te worden vervolledigd. Ter versterking van de kapitaalvereisten
bij verslechterende marktomstandigheden en ter vermindering van het mogelijke
optreden van procyclische effecten verdient het voorts aanbeveling de
eigenvermogensvereisten uit te breiden met een component die
stressomstandigheden weergeeft. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
moeten eveneens reverse stress tests uitvoeren om te onderzoeken welke
scenario’s de levensvatbaarheid van instellingen kunnen bedreigen, tenzij ze
kunnen aantonen dat dergelijke test niet noodzakelijk is. Gezien de specifieke
problemen die zich recent bij het gebruik van op interne modellen gebaseerde
benaderingen voor de behandeling van securitisatie-uitzettingen hebben
voorgedaan, zouden kredietinstellingen en beleggingsondernemingen nog slechts
in beperkte mate over de mogelijkheid mogen beschikken om voor
securitisatierisico's in de handelsportefeuille modellen te hanteren en dient
ten aanzien van securitisatieposities in de handelsportefeuille automatisch een
gestandaardiseerd kapitaalvereiste te gelden. (52)
In deze verordening worden beperkte uitzonderingen
voor bepaalde "correlation trading activities" (correlatiehandel)
vastgelegd, in overeenstemming waarmee instellingen van hun toezichthouder
toestemming kunnen krijgen om een kapitaalvereiste voor het omvattende risico
te berekenen, waarvoor strenge vereisten gelden. In dergelijke gevallen moet de
instelling verplicht worden voor deze activiteiten een kapitaalvereiste te
laten gelden dat overeenkomt met de hoogste waarde tussen enerzijds het
kapitaalvereiste overeenkomstig deze intern ontwikkelde benadering en
anderzijds 8 % van de kapitaalvereiste voor een specifiek risico overeenkomstig
de gestandaardiseerde meetmethode. De instelling mag niet verplicht worden deze
uitzettingen aan de "incremental risk charge" te onderwerpen, maar
deze moeten in zowel de VaR- en de stressed VaR-metingen worden opgenomen. (53)
Gelet op de aard en de omvang van de onverwachte
verliezen die kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tijdens de
financiële en economische crisis hebben geleden, is het noodzakelijk de
kwaliteit en de harmonisering van het eigen vermogen dat kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen moeten aanhouden, verder te verbeteren. Dit
houdt onder meer in dat een nieuwe definitie moet worden vastgesteld van de
kernbestanddelen van kapitaal die beschikbaar zijn om onverwachte verliezen op
te vangen wanneer deze zich voordoen, dat de definitie van hybride kapitaal
moet worden bijgeschaafd en dat uniforme prudentiële aanpassingen moeten worden
aangebracht aan het eigen vermogen. Voorts moet de hoeveelheid eigen
vermogen aanzienlijk worden opgetrokken, en moet daarbij voorzien worden in
nieuwe kapitaalratio’s die gericht zijn op de kernbestanddelen van het eigen
vermogen die beschikbaar zijn voor het opvangen van verliezen wanneer deze zich
voordoen. (54)
Om de marktdisipline te versterken en de
financiële stabiliteit te verbeteren, is het noodzakelijk meer gedetailleerde
informatieverplichtingen in te voeren betreffende de vorm en de aard van het
toetsingsvermogen en de aangebrachte prudentiële aanpassingen, zodat beleggers
en deposanten goed genoeg geïnformeerd zijn over de solvabiliteit van
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. (55)
De nieuwe definitie van kapitaal en de wettelijke
kapitaalvereisten moeten op dusdanige wijze worden ingevoerd dat rekening wordt
gehouden met de verschillende nationale uitgangspunten en omstandigheden en dat
de aanvankelijke verschillen met betrekking tot de nieuwe normen gedurende de
overgangsperiode afnemen.Om de passende continuïteit van het niveau van het eigen
vermogen te garanderen, zal gedurende de overgangsperiode worden voorzien in
uitzonderingsbepalingen voor bestaande kapitaalinjecties uit de openbare
sector. (56)
Volgens Richtlijn 2006/48/EG moeten kredietinstellingen
tot 31 december 2011 een eigen vermogen hebben dat ten minste gelijk is aan
gespecificeerde minimumbedragen. Gezien de aanhoudende effecten van de
financiële crisis in het bankwezen en de verlenging van de door het Bazelse comité
aangenomen overgangsregelingen voor kapitaalvereisten, is het passend voor een
beperkte periode opnieuw een lagere limiet vast te stellen tot er voldoende
eigen vermogen wordt aangehouden overeenkomstig de bij deze verordening
vastgestelde overgangsregelingen voor eigen vermogen, die vanaf 2013 tot 2019
stapsgewijs zullen worden ingevoerd. Voor
groepen die significante bank- of beleggingsactiviteiten alsook
verzekeringsactiviteiten omvatten, voorziet Richtlijn 2002/87/EG betreffende
financiële conglomeraten in specifieke voorschriften die een dergelijke
"dubbele telling" van kapitaal regelen. Richtlijn 2002/87/EG is
gebaseerd op internationaal overeengekomen beginselen voor de omgang met risico
in de diverse sectoren. Dit voorstel versterkt de manier waarop deze
voorschriften voor financiële conglomeraten van toepassing zijn op groepen van
banken en beleggingsondernemingen, door te zorgen voor een degelijke en
consistente toepassing ervan. Verdere wijzigingen die eventueel nodig mochten
blijken, zullen aan bod komen bij de voor 2012 geplande herziening van
Richtlijn 2002/87/EG. (57)
De financiële crisis heeft aangetoond dat
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen het tegenpartijkredietrisico dat
verbonden is aan otc-derivaten schromelijk onderschat hebben. Daarom riepen de
G 20-leiders in september 2009 op om meer otc-derivaten via een centrale
tegenpartij (ctp) te laten clearen. Daarnaast vroegen zij otc-derivaten
die niet centraal konden worden gecleard, aan hogere eigenvermogensvereisten te
onderwerpen, zodat terdege rekening werd gehouden met de hogere risico's die
eraan verbonden zijn. (58)
Naar aanleiding van de oproep van de G 20-leiders
heeft het Bazelse comité in het kader van Bazel III de regeling voor
tegenpartijkredietrisico materieel veranderd. Naar verwachting
zal Bazel III de eigenvermogensvereisten met betrekking tot de otc-derivaten en
financieringstransacties voor effecten van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen significant verhogen en kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen er sterk toe aanzetten van ctp’s gebruik te maken. Naar
verwachtig zal Bazel III ook in verdere prikkels voorzien om het
risicomanagement van tegenpartijkredietuitzettingen te versterken en de huidige
regeling voor de behandeling van tegenpartijkredietrisico-uitzettingen op ctp’s
te herzien. (59)
Instellingen moeten aanvullend eigen vermogen
aanhouden vanwege het uit otc-derivaten voortvloeiend risico van aanpassing van
de kredietwaardering. Instellingen moeten ook een hogere correlatie van de
waarde van activa toepassen bij de berekening van de eigenvermogensvereisten
voor tegenpartijkredietrisico-uitzettingen die voortvloeien uit otc-derivaten
en effectenfinancieringstransacties naar bepaalde financiële instellingen. Kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen moeten ook de meting en het beheer van het
tegenpartijkredietrisico aanzienlijk verbeteren door beter om te gaan met
wrong-way risk, tegenpartijen met een hoge hefboomwerking en zekerheden, in
combinatie met dienovereenkomstige verbeteringen op het gebied van back testing
en stress testing. (60)
Handelsuitzettingen op ctp’s hebben doorgaans baat
bij het door ctp’s verstrekte mechanisme voor multilaterale verrekening en
verliesverdeling. Bijgevolg houden zij een zeer laag
tegenpartijkredietrisico in en moeten zij dan ook aan een zeer laag
eigenvermogensvereiste worden onderworpen. Tegelijk zou dit
vereiste positief moeten zijn om ervoor te zorgen dat kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen hun uitzettingen ten aanzien van ctp's volgen en
bewaken in het kader van een goed risicomanagement en om aan te geven dat zelfs
handelsuitzettingen ten aanzien van ctp’s niet zonder risico zijn. (61)
Een wanbetalingsfonds van een ctp is een mechanisme dat
voorziet in de onderlinge verdeling van verliezen onder de clearing members van
de ctp. Het wordt gebruikt wanneer de door de ctp
na wanbetaling van een clearing member geleden verliezen groter zijn dan de
margins en de bijdragen van dat clearing member aan het wanbetalingsfonds en
enige andere verdediging die de ctp kan gebruiken alvorens een beroep te doen
op de bijdragen aan het wanbetalingsfonds van de overige clearing members. Bijgevolg
is aan uitzettingen in verband met bijdragen aan een wanbetalingsfonds een
hoger risico verbonden dan aan handelsuitzettingen. Daarom moet dit soort
uitzettingen aan een hoger eigenvermogensvereiste onderworpen worden. (62)
Het hypothetische kapitaal van een ctp moet een
variabele zijn die nodig is om het eigenvermogensvereiste te bepalen voor de
uitzettingen van een clearing member in verband met zijn bijdragen aan een
wanbetalingsfonds van een ctp. Het mag uitsluitend als dusdanig worden gezien. Met
name mag het niet worden gezien als het kapitaal dat een ctp vanwege zijn
bevoegde autoriteit moet aanhouden. (63)
De evaluatie van de omgang met tegenpartijkredietrisico
en met name het invoeren van hogere eigenvermogensvereisten voor bilaterale
derivatencontracten om het hogere risico te weerspiegelen dat dergelijke
contracten inhouden voor het financiële stelsel, staat centraal in het streven
van de Commissie naar efficiënte, veilige en degelijke derivatenmarkten. Bijgevolg
completeert deze verordening het voorstel van de Commissie voor een verordening
betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters van 15
september 2010[15]. (64)
De jaren die aan de financiële crisis voorafgingen,
werden gekenmerkt door een buitensporige toename van de uitzettingen van
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in verhouding tot hun eigen
vermogen (hefboomwerking). Tijdens
de financiële crisis werden kredietinstellingen en beleggingsondernemingen door
verliezen en een tekort aan financiering gedwongen hun hefboomwerking in korte
tijd aanzienlijk terug te dringen. Dit verhoogde de neerwaartse druk op de prijzen van activa, met nog
meer verliezen voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tot gevolg,
hetgeen op zijn beurt leidde tot een verdere vermindering van hun eigen
vermogen. Deze negatieve spiraal had
uiteindelijk tot gevolg dat minder krediet beschikbaar werd voor de reële
economie en dat de crisis dieper werd en langer duurde. (65)
Op risico gebaseerde eigenvermogensvereisten
zijn van essentieel belang om ervoor te zorgen dat er voldoende eigen vermogen
is om onverwachte verliezen te dekken. De
crisis heeft echter laten zien dat deze vereisten op zich niet volstaan om
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te beletten buitensporige en
onhoudbare hefboomwerkingsrisico’s te nemen. (66)
In september 2009 zegden G-20-leiders toe
internationaal overeen te komen regels te ontwikkelen ter ontmoediging van
buitensporige hefboomwerking. Daartoe
onderschreven zij de invoering van een hefboomwerkingsratio ter aanvulling van
het Bazel II-kader. (67)
In december 2010 publiceerde het Bazelse comité
richtlijnen betreffende de berekeningsmethode voor de hefboomwerkingsratio. Deze voorschriften bepalen dat de hefboomwerkingsratio, de onderdelen
en het verloop ervan ten aanzien van het op risico gebaseerde vereiste zullen
worden bewaakt gedurende een waarnemingsperiode van 1 januari 2013 tot 1
januari 2017. Het Bazelse comité is
voornemens in de eerste helft van 2017 op grond van de resultaten van de
waarnemingsperiode eventuele definitieve aanpassingen aan te brengen aan de
definitie en de kalibrering van de hefboomwerkingsratio met het oog op een
migratie naar een bindend vereiste op 1 januari 2018 op basis van een degelijke
evaluatie en kalibrering. De
richtlijnen van het Bazelse comité voorzien ook in de bekendmaking van de
hefboomwerkingsratio en de onderdelen ervan vanaf 1 januari 2015. (68)
Een hefboomwerkingsratio is een nieuw regelgevings- en
toezichtshulpmiddel voor de Unie. Overeenkomstig
internationale overeenkomsten moet deze eerst als een aanvullend instrument
worden ingevoerd dat naar inzicht van de toezichthoudende autoriteiten op
individuele instellingen kan worden toegepast. Dankzij de rapportageverplichtingen voor instellingen zouden een
degelijke evaluatie en kalibrering kunnen worden gemaakt met het oog op een
migratie naar een bindend vereiste in 2018. (69)
Wanneer de effecten van de
hefboomwerkingsratio op de verschillende bedrijfsmodellen worden geëvalueerd,
moet bijzondere aandacht uitgaan naar bedrijfsmodellen die geacht worden een
laag risico in te houden, zoals hypothecaire leningen en gespecialiseerde
leningen aan regionale overheden, lokale autoriteiten of publiekrechtelijke
lichamen. (70)
Om de evaluatie te vergemakkelijken, moeten
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen tijdens een waarnemingsperiode
in het kader van de interne beoordelingsprocedure van de kapitaaltoereikendheid
(ICAAP)
het niveau en de ontwikkeling van de hefboomwerkingsratio en het
hefboomwerkingsrisico bewaken. Deze
bewaking moet in het kader van het toetsingsproces plaatsvinden. (71)
Beperkingen op variabele beloning zijn belangrijk
om ervoor te zorgen dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen hun
kapitaal weer opbouwen wanneer ze binnen de bufferzone opereren. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zijn reeds onderworpen
aan het beginsel dat het toekennen en het discretionair betalen van variabele
beloning aan categorieën van werknemers wier beroepsactiviteiten het
risicoprofiel van de instelling materieel beïnvloeden, houdbaar moeten zijn,
met inachtneming van de financiële situatie van de instelling. Om
ervoor te zorgen dat een instelling haar eigen vermogen tijdig weer op het
vereiste niveau brengt, is het wenselijk, telkens wanneer niet aan het
gecombineerde buffervereiste is voldaan, de toekenning van variabele beloning
en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen op de winstsituatie van
de instelling af te stemmen. (72)
Goede governancestructuren, transparantie en
openbaarmaking zijn van cruciaal belang voor een degelijk beloningsbeleid. Teneinde een adequate transparantie voor de markt
van hun beloningsstructuren en het daaraan verbonden risico te verzekeren,
dienen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen gedetailleerde informatie
openbaar te maken over hun beloningsbeleid en -praktijk en, om redenen van
vertrouwelijkheid, de totale bedragen voor werknemers wier beroepsactiviteiten
het risicoprofiel van de kredietinstelling of beleggingsonderneming materieel
beïnvloeden. Deze informatie
moet beschikbaar worden gesteld voor alle belanghebbenden. (73)
Richtlijn 95/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens[16]
en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december
2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen
en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[17] dienen geheel van toepassing
te zijn op de verwerking van persoonsgegevens voor de doeleinden van deze
verordening. (74)
Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
moeten een hoeveelheid liquide activa aanhouden, die zij kunnen gebruiken om te
voorzien in liquiditeitsbehoeften in kortstondige situaties van
liquiditeitsstress. Wanneer zij van deze
activa gebruikmaken, moeten zij een plan opstellen voor het weer op niveau
brengen van hun bezit aan liquide activa. De bevoegde autoriteiten moeten
ervoor zorgen dat het plan toereikend is en ten uitvoer wordt gelegd. (75)
De hoeveelheid liquide activa moet te allen tijde
beschikbaar zijn om de uitstroom aan liquiditeit te kunnen opvangen. De liquiditeitsbehoeften in een kortstondige situatie van
liquiditeitsstress moeten op een gestandardiseerde wijze worden bepaald zodat
voorzien wordt in een uniforme deugdelijkheidsnorm en een gelijk speelveld. Er moet voor worden gezorgd dat een dergelijke gestandaardiseerde
bepalingsmethode geen onbedoelde gevolgen heeft voor financiële markten,
kredietverstrekking en economische groei, mede rekening houdende met
verschillende bedrijfsmodellen en financieringsomgevingen van
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen over de hele Unie. Daartoe moet het liquiditeitsdekkingsvereiste aan een
waarnemingsperiode worden onderworpen. Op
basis van de waarnemingen en met de steun van de EBA moet de Commissie middels
een gedelegeerde handeling het liquiditeitsdekkingsvereiste bevestigen of
aanpassen. (76)
Afgezien van liquiditeitsbehoeften op korte termijn
moeten kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ook
financieringsstructuren instellen die op langere termijn stabiel zijn. In december 2010 kwam het Bazelse comité overeen dat de NSFR uiterlijk
op 1 januari 2018 een minimumnorm zou worden en dat het Bazelse comité strenge
rapportageprocedures zou instellen voor de bewaking van de ratio tijdens de
overgangsperiode, de gevolgen van deze normen voor financiële markten,
kredietvertrekking en economische groei zou blijven nagaan, en zo nodig
onbedoelde effecten zou aanpakken. Het
Bazelse comité is daarbij overeengekomen dat de NSFR aan een waarnemingsperiode
onderworpen zou worden en dat in een herzieningsclausule zou worden voorzien. In dit verband moet de EBA op basis van de bij deze verordening
voorgeschreven rapportage evalueren hoe een stabiel financieringsvereiste zou
moeten worden ontworpen. Op
basis van deze evaluatie moet de Commissie tegelijk aan de Raad en het Europees
Parlement verslag uitbrengen en eventueel passende voorstellen indienen voor
het vaststellen van een dergelijk vereiste tegen uiterlijk 2018. (77)
Tekortkomingen in de corporate governance van een aantal
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen hebben ertoe bijgedragen dat in
het bankwezen buitensporige en onverantwoorde risico's zijn genomen die tot de
ondergang van individuele instellingen en systeemproblemen hebben geleid. (78)
Om de bewaking van de praktijken inzake corporate
governance van instellingen te vergemakkelijken en de marktdiscipline te
verbeteren, moeten kredietinstellingen en beleggingsondernemingen hun
regelingen inzake corporate governance openbaar maken. Hun managementorganen moeten een verklaring aannemen en openbaar maken
waarin aan het publiek garanties worden verstrekt dat deze regelingen
toereikend en efficiënt zijn. (79)
Om ervoor te zorgen dat er tijdens een
overgangsperiode een geleidelijke convergentie ontstaat tussen het niveau van
het eigen vermogen en de prudentiële aanpassingen aan de definitie van het
eigen vermogen over de hele Unie en de definitie van het eigen vermogen die in
deze verordening is vastgesteld, moeten de eigenvermogensvereisten van deze
verordening stapsgewijs worden ingevoerd. Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat deze geleidelijke
invoering spoort met de verbeteringen die de lidstaten recent hebben
aangebracht aan het vereiste eigenvermogensniveau en aan de in de lidstaten
geldende definitie van het eigen vermogen. Te dien einde moeten de bevoegde autoriteiten tijdens de
overgangsperiode binnen bepaalde onder- en bovengrenzen bepalen hoe snel zij
het vereiste eigenvermogensniveau en de prudentiële aanpassingen die in deze
verordening zijn vastgesteld, zullen invoeren. (80)
Om de vlotte overgang te vergemakkelijken van de
uiteenlopende prudentiële aanpassingen die momenteel in de lidstaten worden
toegepast, naar de reeks prudentiële aanpassingen die in deze verordening zijn vastgesteld,
moeten de bevoegde autoriteiten gedurende een overgangsperiode tot op zekere
hoogte kunnen blijven voorschrijven dat instellingen prudentiële aanpassingen
aan het eigen vermogen aanbrengen die van deze verordening afwijken. (81)
Om ervoor te zorgen dat instellingen over voldoende
tijd beschikken om te voldoen aan het nieuwe vereiste niveau en de nieuwe
definitie van het eigen vermogen, moeten kapitaalinstrumenten die niet stroken
met de in deze verordening vastgestelde definitie van het eigen vermogen,
tussen 1 januari 2013 en 31 december 2021 geleidelijk worden afgeschaft. Voorts moeten bepaalde instrumenten met staatsinbreng gedurende een
beperkte periode ten volle als eigen vermogen worden erkend. (82)
Om te zorgen voor een geleidelijke convergentie naar
uniforme voorschriften inzake openbaarmaking door instellingen om
marktdeelnemers te voorzien van nauwkeurige en brede informatie betreffende het
risicoprofiel van individuele instellingen, moeten informatieverplichtingen
geleidelijk aan worden ingevoerd. (83)
Om in te spelen op marktontwikkelingen en
ervaring met de toepassing van deze verordening, moet de Commissie verplicht
worden bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen, en in
voorkomend geval daarbij wetgevingsvoorstellen in te dienen betreffende de
mogelijke effecten van kapitaalvereisten op de conjunctuurcyclus, op de
eigenvermogensvereisten voor uitzettingen in verband met gedekte obligaties,
grote uitzettingen, liquiditeitsvereisten, hefboomwerking, uitzettingen op
overgedragen kredietrisico, tegenpartijkredietrisico en de oorspronkelijke
uitzettingsmethode, uitzettingen ten aanzien van particulieren, op de definitie
van in aanmerking komend kapitaal en de mate van toepassing van deze
verordening. (84)
Om de in deze verordening vastgestelde
vereisten nader in te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden
gedelegeerd overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen
betreffende technische aanpassingen aan deze verordening ter verduidelijking
van definities om te zorgen voor een uniforme toepassing van deze verordening
of om in te spelen op ontwikkelingen op de financiële markten; ter aanpassing van de terminologie en van de
verwoording van de definities aan latere desbetreffende handelingen; ; ter aanpassing van de bepalingen van deze
verordening betreffende het eigen vermogen, als gevolg van ontwikkelingen op
het gebied van standaarden voor jaarrekeningen of Uniewetgeving, of met het oog
op de convergentie van toezichtspraktijken; ter uitbreiding van de lijst van uitzettingscategorieën voor de
standaard- of IRB-benadering om in te spelen op de ontwikkelingen op de
financiële markten; ter aanpassing
van bepaalde bedragen, relevant voor deze uitzettingscategorieën, om in te
spelen op de gevolgen van inflatie; ter
aanpassing van de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling; en ter aanpassing van specifieke bepalingen en
technische criteria voor de omgang met het tegenpartijkredietrisico, de
standaard- of IRB-benadering, kredietrisicolimitering, securitisatie,
operationele risico’s, marktrisico, liquiditeit, kapitaalbuffer, hefboomwerking
en openbaarmaking om in te spelen op de ontwikkelingen op de financiële markten
of op het gebied van standaarden voor jaarrekeningen of Uniewetgeving, of met
het oog op de convergentie van toezichtspraktijken en risicometing en de
rapportage van de resultaten van de evaluatie van diverse kwesties met
betrekking tot het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/39/EG. (85)
Aan de Commissie moet ook de bevoegdheid worden
gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter
bepaling van een tijdelijke verlaging van het in deze verordening vastgestelde
niveau van het eigen vermogen of van risicogewichten, om rekening te houden met
bijzondere omstandigheden; ter verduidelijking
van de vrijstelling van bepaalde uitzettingen van de toepassing van bepalingen
van deze verordening inzake grote uitzettingen; ter nadere invulling van bedragen die relevant zijn voor de berekening
van de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille om in te spelen op
economische en monetaire ontwikkelingen; ter aanpassing van de categorieën beleggingsondernemingen die in
aanmerking komen voor bepaalde afwijkingen met betrekking tot vereiste
eigenvermogensniveaus, teneinde in te spelen op ontwikkelingen op de financiële
markten; ter verduidelijking van het
vereiste dat beleggingsondernemingen eigen vermogen dienen te hebben dat gelijk
is aan een vierde van hun vaste kosten in het voorgaande jaar om ervoor te
zorgen dat deze verordening op uniforme wijze wordt toegepast; ter bepaling van de bestanddelen van het eigen
vermogen waarvan door een instelling aangehouden instrumenten van relevante
entiteiten moeten worden afgetrokken; ter invoering van aanvullende overgangsbepalingen met betrekking tot de
behandeling van actuariële winsten en verliezen bij het meten van gedefinieerde
pensioenverplichtingen van instellingen; om het niveau van het eigen vermogen tijdelijk op te trekken; en om de liquiditeitsvereisten nader in te
vullen. (86)
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de
voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer op het niveau van deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en
opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende
documenten tijdig en op passende wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het
Europees Parlement en de Raad. (87)
Aan de Commissie moet ook de bevoegdheid worden
verleend middels een urgentieprocedure een tijdelijke verhoging van het
eigenvermogensniveau, risicogewichten of prudentiële vereisten vast te stellen
om in te spelen op marktontwikkelingen. Dergelijke
bepalingen moeten maximaal 6 maanden van toepassing zijn, tenzij het Europees
Parlement of de Raad binnen zes weken bezwaar heeft aangetekend tegen de
gedelegeerde handeling. De
Commissie moet vermelden om welke redenen zij van de urgentieprocedure
gebruikmaakt. (88)
De uitvaardiging van technische normen op het gebied van
financiële diensten moet resulteren in een harmonisatie, uniforme voorwaarden
en degelijke bescherming van deposanten, beleggers en consumenten in de gehele
Unie. Het zou efficiënt en passend
zijn om de EBA, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise, te belasten met
de uitwerking van aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van technische
regelgevings- en uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden. (89)
De Commissie dient door middel van gedelegeerde
handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU en in overeenstemming met de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de op
de volgende terreinen door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische
regelgevingsnormen vast te stellen: coöperatieve verenigingen of soortgelijke
instellingen, bepaalde instrumenten van het eigen vermogen, prudentiële
aanpassingen, aftrek van het eigen vermogen, aanvullende
eigenvermogensinstrumenten, minderheidsbelangen, nevendiensten van het
bankbedrijf, de behandeling van de aanpassing van het kredietrisico, de kans op
wanbetaling, verlies bij wanbetaling, corporate governance, benaderingen van de
risicoweging van activa, convergentie van toezichtspraktijken, liquiditeit en
overgangsregelingen voor het eigen vermogen. Het
is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende
werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op
deskundigenniveau. (90)
Aan de Commissie dient de bevoegdheid te worden verleend
om technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van
uitvoeringshandelingen uit hoofde van artikel 291 VWEU en overeenkomstig
artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA moet worden gemachtigd met het opstellen van technische
uitvoeringsnormen die bij de Commissie moeten worden ingediend met betrekking
tot consolidatie, gemeenschappelijke besluiten, rapportage, openbaarmaking,
door hypotheken gedekte uitzettingen, risicobeoordeling, benaderingen van
risicoweging van activa, risicogewichten en specificering van bepaalde
uitzettingen, de behandeling van opties en warrants, posities in
aandeleninstrumenten en vreemde valuta, het gebruik van interne modellen,
hefboomwerking en posten buiten de balanstelling. (91)
Teneinde uniforme voorwaarden te waarborgen voor de
uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden
worden verleend. Die bevoegdheden moeten worden
uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees
Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene voorschriften en
beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de
uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. HEBBEN DE
VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: DEEL 1
ALGEMENE BEPALINGEN Titel I
Onderwerp, toepassingsgebied en definities Artikel 1
Toepassingsgebied In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld
betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan alle instellingen waarop
overeenkomstig Richtlijn [in te voegen door het Publicatieburau] toezicht wordt
uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden: (a)
eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig
kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico,
marktrisico en operationeel risico; (b)
vereisten ter beperking van grote uitzettingen; (c)
na de inwerkingtreding van de in artikel 444
bedoelde gedelegeerde handeling, liquiditeitsvereisten met betrekking tot
volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van
liquiditeitsrisico; (d)
rapportagevereisten met betrekking tot de punten
a), b) en c) en hefboomwerking; (e)
openbaarmakingsvereisten. Artikel 299 is van toepassing op centrale
tegenpartijen. Deze verordening houdt geen openbaarmakingsvereisten
in voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en
prudentieel +toezicht op instellingen zoals bedoeld in Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau]. Artikel 2
Toezichtbevoegdheden Ter garantie van de naleving van deze verordening
beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de
procedures die in Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] zijn
bepaald. Artikel 3
Toepassing van striktere vereisten door instellingen Deze verordening belet instellingen niet eigen
vermogen en bestanddelen ervan aan te houden die verder reiken dan, of
maatregelen toe te passen die strikter zijn dan die welke door deze verordening
worden voorgeschreven. Artikel 4
Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt
verstaan onder: (1)
"kredietinstelling": een onderneming
waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van
deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten
voor eigen rekening; (2)
“bevoegde autoriteiten”: bij nationale wetgeving
officieel erkende overheidsinstanties of lichamen die bij nationale wetgeving
gemachtigd zijn toezicht op kredietinstellingen of beleggingsondernemingen uit
te oefenen als onderdeel van het in de betrokken lidstaat geldende
toezichtstelsel. (3)
“financiële instelling”: een onderneming die geen
kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven
van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot
en met 12 en 15 van bijlage I bij Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] genoemde werkzaamheden; (4)
"instelling": kredietinstelling of
beleggingsonderneming; (5)
"consoliderende toezichthouder": de
bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op
EU-moederinstellingen en instellingen die onder de zeggenschap staan van
financiële EU-moederholdings of gemengde financiële EU-moederholdings; (6)
"erkende beleggingsondernemingen uit een derde
land": ondernemingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen: a) ondernemingen die, indien zij in de Unie
waren gevestigd, onder de definitie van beleggingsonderneming zouden vallen; b) ondernemingen waaraan vergunning is
verleend in een derde land; c) ondernemingen die onderworpen zijn en
zich houden aan prudentiële vereisten welke door de bevoegde autoriteiten als
minstens even streng als de vereisten van deze verordening of van Richtlijn [in
te voegen door het Publicatiebureau] worden beschouwd; (7)
„plaatselijke onderneming”: een onderneming die op
de markten voor financiële futures, voor opties of voor andere afgeleide
instrumenten en op de contante markten, uitsluitend om posities op markten voor
afgeleide instrumenten af te dekken, voor eigen rekening of voor rekening van
andere leden van die markten handelt, en die door clearing members van dezelfde
markten wordt gegarandeerd, waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering
van de door dergelijke ondernemingen gesloten contracten berust bij clearing
members van dezelfde markten; (8)
"beleggingsondernemingen": alle
instellingen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG,
waarop de vereisten uit hoofde van die richtlijn van toepassing zijn, met
uitzondering van: a) kredietinstellingen; b) plaatselijke ondernemingen; c) ondernemingen die alleen een vergunning hebben om de dienst
beleggingsadvies te verrichten of orders van beleggers te ontvangen en door te
geven, zonder dat zij aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten
aanhouden, waardoor zij jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie
kunnen verkeren; (9)
“instelling voor collectieve belegging” (ICB): een
alternatief beleggingsfonds zoals omschreven in artikel 4, lid 1, onder a), van
Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011
inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen of een instelling voor
collectieve belegging in effecten (icbe) zoals omschreven in artikel 1 van
Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad tot coördinatie van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde
instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s); (10)
"vergunning": een door de overheid
afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de
werkzaamheden uit te oefenen; (11)
“geconsolideerde situatie”: situatie die
voortvloeit uit het toepassen van vereisten van deze verordening overeenkomstig
titel II, hoofdstuk 2 op één instelling alsof deze instelling samen met een of
meer andere entiteiten één enkele instelling vormde; (12)
“geconsolideerde basis”: op basis van de
geconsolideerde situatie; (13)
“waarderen tegen marktwaarde” („mark to market”):
het bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare
slotkoersen, afkomstig van onafhankelijke bronnen, waaronder beurskoersen,
prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke
gereputeerde effectenmakelaars; (14)
“waardering op basis van een modellenbenadering”
("mark to model"): het door middel van benchmarking, extrapolatie of
een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een of meerdere
inputs uit de markt; (15)
“onafhankelijke prijsverificatie”: een
proces waarbij marktprijzen of modelinputs op regelmatige basis op hun
nauwkeurigheid en onafhankelijkheid worden gecontroleerd; (16)
"bijkantoor": een bedrijfszetel welke een
deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke
rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan
de werkzaamheden van een kredietinstelling; (17)
“financiële instelling”: een onderneming die geen
kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven
van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot
en met 12 en 15 van bijlage I bij Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] vermelde werkzaamheden; (18)
“lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarin aan een
kredietinstelling een vergunning is verleend; (19)
“lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waarin een
kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht; (20)
„zeggenschap”: de band die bestaat tussen een
moederonderneming en een dochteronderneming, als bepaald in artikel 1 van
de Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op grond
van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag, betreffende de
geconsolideerde jaarrekening[18],
of een soortgelijke band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een
onderneming; (21)
“gekwalificeerde deelneming”: het in een
onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 %
van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het
mogelijk maakt om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering
van deze onderneming; (22)
"publiekrechtelijke lichamen":
administratieve organen zonder winstoogmerk die verantwoording moeten afleggen
aan de centrale, regionale of lokale overheid of aan overheden die dezelfde
verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden, of
niet-commerciële ondernemingen die in handen zijn van centrale, regionale of
lokale overheden en uitdrukkelijke waarborgregelingen hebben, waaronder ook bij
wet geregelde autonome organen met zelfbestuur die onder openbaar toezicht
staan; (23)
“in aanmerking komend kapitaal”: voor de toepassing
van titel IV van deel 2 en deel 5 betekent dit de som van: a) uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal; b) aanvullend tier 1-kapitaal; c) tier 2-kapitaal dat 25% of minder van het
eigen vermogen vertegenwoordigt; (24)
"operationeel risico": het risico van
verliezen als gevolg van ongeschikte of falende interne procedures, personen en
systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen. Juridische risico´s worden
er ook toe gerekend; (25)
“centrale banken”: de nationale centrale banken die
lid zijn van het Europees Stelsel van Centrale Banken en de Europese Centrale
Bank, tenzij anders vermeld; (26)
"verwateringsrisico": het risico dat een
kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan
de debiteur; (27)
"kans op wanbetaling (PD)": de kans dat
een tegenpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft; (28)
"verlies", voor de toepassing van deel 3,
titel II: economisch verlies, met inbegrip van materiële disconteringseffecten,
en materiële directe en indirecte incassokosten met betrekking tot het
instrument; (29)
"verlies bij wanbetaling (LGD)": de
verhouding tussen het verlies op een uitzetting als gevolg van wanbetaling door
een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling; (30)
"omrekeningsfactor": de verhouding tussen
het momenteel niet-opgenomen bedrag van een kredietlijn dat bij wanbetaling
opgenomen wordt en open staat, en het momenteel niet-opgenomen bedrag van de
kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de
toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger ligt; (31)
"verwacht verlies (EL)", voor de
toepassing van deel 3, titel II: de verhouding tussen het verlies op een
uitzetting dat bij een eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij
verwatering over een periode van een jaar te verwachten is, en het uitstaande
bedrag bij wanbetaling; (32)
"kredietrisicolimitering": een door een
instelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat
verbonden is aan een uitzetting of aan uitzettingen die de instelling blijft
houden; (33)
„volgestorte kredietprotectie”: een techniek van
kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de
uitzetting van een instelling, wordt beperkt dankzij het recht van de
instelling om bij wanbetaling van de tegenpartij of bij andere specifieke
kredietgebeurtenissen („credit events”) in verband met de tegenpartij bepaalde
activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te
verwerven of te behouden dan wel het bedrag van de uitzetting te verlagen tot
of deze te vervangen door het verschil tussen het bedrag van de uitzetting zelf
en het bedrag van een vordering op de instelling; (34)
"ongedekte kredietprotectie": een
techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is
aan de uitzetting van een instelling wordt beperkt dankzij de garantie van een
derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de leningnemer
of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen; (35)
„repo”: een transactie in het kader van een
contract dat valt onder de definitie van „retrocessieovereenkomst” of
„omgekeerde retrocessieovereenkomst”; (36)
"met contanten vergelijkbaar instrument":
een certificaat van deposito, obligaties met inbegrip van gedekte obligaties of
enig ander niet-achtergesteld instrument dat door de instelling wordt
uitgegeven, waarvoor de instelling reeds de volledige betaling heeft ontvangen
en dat onvoorwaardelijk door de instelling tegen de nominale waarde wordt
terugbetaald; (37)
"securitisatie": transactie of regeling
waarbij het kredietrisico van een uitzetting of pool van uitzettingen wordt
onderverdeeld en die de beide volgende kenmerken vertoont: (a)
de in het kader van de transactie of regeling
verrichte betalingen hangen af van de performance van de uitzetting of pool van
uitzettingen; (b)
de rangorde van de tranches is bepalend voor de
verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling; (38)
"tranche": een contractueel vastgesteld
segment van het kredietrisico van een uitzetting of van een aantal
uitzettingen, waarbij een positie in dit segment een groter of kleiner
verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk ander
segment, als tenminste geen rekening wordt gehouden met de kredietprotectie die
door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in dit segment of in
andere segmenten wordt geboden; (39)
"securitisatiepositie": een uitzetting in
het kader van een securitisatie; (40)
"hersecuritisatie": een securitisatie
waarbij het risico dat is verbonden aan een onderliggende pool uitzettingen, in
tranches is onderverdeeld en ten minste één van de onderliggende uitzettingen
een securitisatiepositie is; (41)
"hersecuritisatiepositie": een uitzetting
in het kader van een hersecuritisatie; (42)
"initiator": een van de beide volgende
betekenissen: (a)
een entiteit die zelf of via verwante ondernemingen
direct of indirect betrokken is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst
waarmee de verplichtingen of de potentiële verplichtingen van de debiteur of
potentiële debiteur zijn ontstaan die tot securitisatie van de uitzetting
hebben geleid; (b)
een entiteit die uitzettingen van een derde voor
eigen rekening koopt en daarna securitiseert; (43)
"sponsor": een niet-initiërende instelling
die een door activa gedekt commercieel-papierprogramma of een andere
securitisatieregeling waarbij uitzettingen van derden worden gekocht, uitgeeft
en beheert; (44)
"kredietverbetering": een contractuele
regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten
opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou
zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd
door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten
kredietprotectie; (45)
"special purpose entity voor
securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity - SSPE)":
een vennootschap, trust of een ander soort entiteit die geen instelling is, die
is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan de activiteiten beperkt
blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie van dit doel, waarvan de
constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te scheiden van die van de
initiërende instelling, en waarvan de economische eigenaars hun deelneming
mogen in pand geven of verkopen zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn; (46)
"groep verbonden cliënten": een van de
volgende betekenissen: (a)
twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die,
behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel
vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over
de andere persoon of personen, tenzij de onder c) vermelde regeling van
toepassing is; (b)
twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen
wie geen zeggenschapsband als bedoeld onder a) bestaat, maar die uit een
oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig
onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou
ondervinden, en met name financierings- of betalingsmoeilijkheden, de andere of
alle anderen waarschijnlijk ook in financierings- of betalingsmoeilijkheden
zouden komen; (c)
Wanneer een centrale overheid zeggenschap heeft
over een of meer entiteiten en posities ten aanzien van deze centrale overheid
overeenkomstig artikel 109 een risicogewicht van 0% krijgen en wanneer deze
centrale overheid voorzien heeft in een expliciete garantie voor alle
verplichtingen van deze entiteiten, leidt deze zeggenschap niet tot het bestaan
van een groep verbonden cliënten tussen de centrale overheid en deze
entiteiten. Hetzelfde geldt in het geval
van regionale of lokale overheden wanneer de uitzettingen of de regionale of
lokale overheden overeenkomstig artikel 110 een risicogewicht van 0% krijgen en
wanneer de regionale of lokale overheden in een expliciete garantie hebben
voorzien voor alle verplichtingen van deze entiteiten. (47)
"erkende beurzen": beurzen die aan alle
volgende voorwaarden voldoen: (a)
het zijn markten die vermeld staat in de lijst die
overeenkomstig artikel 47 van Richtlijn 2004/39/EG door de EAEM moet worden
gepubliceerd; (b)
ze beschikken over een clearingregeling waarbij de
in bijlage IV vermelde contracten onderworpen zijn aan dagelijkse
margevereisten die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate
bescherming bieden; (48)
"uitkeringen uit hoofde van discretionaire
pensioenen": verhoogde pensioenuitkeringen die een instelling aan een
werknemer op discretionaire basis verleent als onderdeel van een variabele
beloning van deze werknemer. Tot deze uitkeringen worden niet gerekend
verhoogde uitkeringen die aan een werknemer worden verleend op grond van de
voorwaarden van het bedrijfspensioenfonds. (49)
"deelneming": een deelneming in de zin
van artikel 17, eerste zin, van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25
juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen[19], of de rechtstreekse of
middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal
van een onderneming; (50)
„uitzetting”: voor de toepassing van deel 3, titel
II, worden hieronder verstaan: een actief of een post buiten de balanstelling; (51)
“hypotheekwaarde”: de waarde van het goed die is
vastgesteld op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige
verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend met duurzame
langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke marktvoorwaarden,
het gebruik dat op dit ogenblik van het goed wordt gemaakt en eventueel andere
doeleinden waarvoor het geschikt is; (52)
“marktwaarde”: met betrekking tot vastgoed het
geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de taxatie door een willige
verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een willige en
onafhankelijke koper na een deugdelijke verkoopprocedure waarbij elk van de
partijen met kennis van zaken, voorzichtig en zonder dwang heeft gehandeld; (53)
“relevant kader voor financiële verslaggeving”: de
vereisten inzake financiële verslaggeving waaraan de instelling onderworpen is
overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002[20]
van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de
toepassing van internationale standaarden voor jaarrrekeningen en Richtlijn 86/635/EEG
van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de
geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen[21]; (54)
“jaarlijkse wanbetalingsgraad": de verhouding
tussen het aantal wanbetalingen dat zich heeft voorgedaan tijdens een periode
die loopt vanaf één jaar vóór datum T en het aantal debiteuren dat één jaar
vóór die datum aan die klasse of groep is toegewezen; (55)
“speculatieve vastgoedfinanciering”: leningen die
gericht zijn op het verwerven, ontwikkelen, of bouwen van vastgoed, of van
grond met betrekking tot dit vastgoed, met het oog op het doorverkopen ervan
met winst; (56)
“retrocessie- en omgekeerde
retrocessieovereenkomsten”: een overeenkomst waarbij een instelling of haar
tegenpartij effecten of grondstoffen dan wel gegarandeerde rechten overdraagt
met betrekking tot: a) hetzij de eigendom van effecten of
grondstoffen wanneer deze garantie is gegeven door een erkende beurs die houder
is van de rechten betreffende de effecten en grondstoffen en de overeenkomst
een instelling niet toestaat een bepaalde zekerheid of grondstof aan meer dan
een tegenpartij tegelijk over te dragen of in pand te geven, met de verbintenis
deze terug te kopen; b) hetzij vervangende effecten of
grondstoffen met dezelfde kenmerken, tegen een vastgestelde prijs op een door
de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug
te kopen; het betreft een „retrocessieovereenkomst” voor de instelling die de
effecten of grondstoffen verkoopt, en een „omgekeerde retrocessieovereenkomst”
voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt; (57)
‘financiële instrumenten’: een van de volgende
instrumenten: (a)
een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel
actief bij een partij als een financiële verplichting of
eigenvermogensinstrument bij een andere partij; (b)
een instrument genoemd in deel C van bijlage I bij
Richtlijn 2004/39/EG; (c)
een afgeleid financieel instrument; (d)
een primair financieel instrument; (e)
een kasinstrument. De onder a), b), en c) bedoelde instrumenten zijn
uitsluitend financiële instrumenten als hun waarde afgeleid is van de prijs van
een onderliggend financieel instrument of een andere onderliggende post,
rentevoet of index. (58)
“aanvangskapitaal”: de hoeveelheid en de soorten
eigen vermogen die in artikel 12 van Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] voor kredietinstellingen en in titel IV van die richtlijn
voor beleggingsondernemingen zijn vastgesteld. (59)
“posities die met de intentie om te handelen worden
ingenomen”: een van de volgende posities: (a)
de eigen posities van de instelling en de posities
uit hoofde van de dienstverlening aan cliënten en van het onderhouden van een
markt; (b)
posities die bedoeld zijn om op korte termijn weder
te verkopen; (c)
posities die worden ingenomen met de bedoeling op
korte termijn profijt te trekken van bestaande of verwachte verschillen tussen
de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen; (60)
"moederonderneming": a) een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; b) voor de toepassing van afdeling II van de hoofdstukken 3 en 4 van titel
VII, titel VIII van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] en deel
V van deze verordening: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1,
van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die feitelijk een
overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent; (61)
"dochteronderneming": a) een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; b) een dochteronderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG,
alsmede iedere onderneming waarop een moederonderneming feitelijk een
overheersende invloed uitoefent; alle dochterondernemingen van dochterondernemingen
worden eveneens geacht dochterondernemingen te zijn van de moederonderneming
die aan het hoofd van deze ondernemingen staat; (62)
“handelsportefeuille”: alle posities in financiële
instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij
met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden
ingenomen met de intentie om te handelen; (63)
"financiële holding": een financiële
instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk
instellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er
ten minste één een instelling is, en die geen gemengde financiële holding is in
de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG[22]; (64)
„moederinstelling in een lidstaat”: een instelling
die een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of
die een deelneming heeft in zo'n instelling en zelf geen dochteronderneming is
van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend,
of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde
financiële holding; (65)
„EU-moederinstelling”: een moederinstelling die
geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in een van de
lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte
financiële holding of gemengde financiële holding; (66)
"financiële moederholding in een
lidstaat": een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van
een instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een
in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële
holding; (67)
„financiële EU-moederholding”: een financiële
moederholding die geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in een
van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten
opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding; (68)
"gemengde financiële moederholding in een
lidstaat": een gemengde financiële holding die zelf geen
dochteronderneming is van een instelling waaraan in dezelfde lidstaat een
vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële
holding of gemengde financiële holding; (69)
„gemengde financiële EU-moederholding”: een
gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een
instelling waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van
een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde
financiële holding; (70)
“multilaterale handelsfaciliteit" heeft
dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 15, van Richtlijn 2004/39/EG; (71)
"gemengde holding": een moederonderneming
die geen financiële holding en evenmin een instelling of een gemengde
financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één
instelling telt; (72)
"nauwe banden": een situatie waarbij twee
of meer natuurlijke of rechtspersonen op een van de volgende wijzen zijn
verbonden: (a)
een deelneming in de vorm van de eigendom,
rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband, van ten minste 20 % van
de stemrechten of het kapitaal van een onderneming; (b)
een zeggenschapsband; (c)
het feit dat beide of allen via een
zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met een en dezelfde, derde persoon; (73)
“centrale tegenpartij (ctp)”: een juridische
entiteit die als een tussenpartij fungeert tussen tegenpartijen bij een
handelstransactie op een of meer financiële markten en koper van elke verkoper
en verkoper van elke koper wordt; (74)
“wanbetalingsfonds”: een door een ctp opgericht
fonds dat gericht is op het verdelen van de verliezen die de ctp lijdt vanwege
de wanbetaling of insolvabiliteit van een of meer van zijn clearing members,
wanneer de margins en bijdragen van die clearing members aan het
wanbetalingsfonds niet toereikend zijn om deze verliezen te dekken; (75)
“handelsuitzettingen”: de som van uitzettingen die
voortvloeien uit ten aanzien van een ctp gestelde activa, tegen marktwaarde
gewaardeerde uitzettingen ten aanzien van een ctp en potentiële toekomstige
uitzettingen ten aanzien van een ctp; (76)
“verzekeringsonderneming" heeft dezelfde
betekenis als in artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG; (77)
“gemengde verzekeringsholding” heeft dezelfde
betekenis als in artikel 212, lid 1, onder g), van Richtlijn 2009/138/EG; (78)
“herverzekeringsonderneming" heeft dezelfde
betekenis als in artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2009/138/EG; (79)
“verzekeringsonderneming uit een derde land"
heeft dezelfde betekenis als in artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG; (80)
“herverzekeringsonderneming uit een derde
land" heeft dezelfde betekenis als in artikel 13, lid 6, van Richtlijn 2009/138/EG; (81)
“gereglementeerde markt”: een markt die vermeld
staat in de lijst die overeenkomstig artikel 47 van Richtlijn 2004/39/EG door
de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM) moet worden
gepubliceerd; (82)
“leidinggevend orgaan”: het leidende orgaan van een
instelling, dat een toezicht- en bestuursfunctie vervult, over de ultieme
besluitvormingsbevoegdheid beschikt en gemachtigd is de strategie,
doelstellingen en algehele oriëntatie van de instelling vast te stellen. Tot het leidinggevend orgaan behoren personen die
daadwerkelijk het beleid van de instelling bepalen; (83)
“leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende
functie”: het leidinggevend orgaan dat handelt in zijn functie als
toezichthouder op en bewaker van de bestuurlijke besluitvorming; (84)
“directie”: de personen die binnen een instelling
met het dagelijks bestuur verband houdende functies vervullen en die aan het
leidinggevend orgaan verantwoording en rekenschap moeten afleggen voor het
dagelijks bestuur van de instelling; (85)
“gemengde financiële holding”: een
moederonderneming die niet een gereglementeerde entiteit is en die samen met
haar dochterondernemingen - waarvan er ten minste één een gereglementeerde
entiteit met hoofdkantoor in de Unie is - en met andere entiteiten een
financieel conglomeraat vormt; (86)
“hefboomwerking”: de relatieve omvang van de activa
van een instelling, plus haar verplichtingen buiten balanstelling en
voorwaardelijke verplichtingen tot betalen, tot leveren of tot het stellen van
zekerheden, met inbegrip van verplichtingen vanwege ontvangen financiering, aangegane
verbintenissen, derivaten of retrocessieovereenkomsten, maar met uitsluiting
van verplichtingen die enkel bij liquidatie van een instelling kunnen worden
afgedwongen, in verhouding tot het eigen vermogen van deze instelling. Titel II
Toepassingsniveau van de vereisten Hoofdstuk 1
Toepassing van de vereisten op individuele basis Artikel 5
Algemene beginselen 1.
Instellingen voldoen op individuele basis aan de in
de delen twee tot en met vijf bepaalde verplichtingen. 2.
Als een instelling geen dochteronderneming is in de
lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, en
evenmin een moederonderneming is, of als een instelling ingevolge artikel 17
niet in de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan
de in artikel 84 bepaalde verplichtingen. 3.
Als een instelling geen moederonderneming en ook
geen dochteronderneming is, of als een instelling ingevolge artikel 17 niet in
de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan de in
deel 8 bepaalde verplichtingen. 4.
Als een instelling geen beleggingsonderneming is en
geen vergunning heeft om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A,
van Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten te verstrekken, voldoet
deze op individuele basis aan de in de artikelen 401 en 403 bepaalde
verplichtingen. 5.
Instellingen voldoen op individuele basis aan de in
deel 7 bepaalde verplichtingen. Artikel 6
Afwijking van de toepassing van prudentiële vereisten op
individuele basis 1.
Bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen
van de toepassing van artikel 5, lid 1, voor een dochteronderneming van een
instelling als de desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en
toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de instelling, de
dochteronderneming betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de
instelling die de moederonderneming is, en met het oog op een adequate
verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de
dochterondernemingen voldaan is aan alle volgende voorwaarden: (a)
er is geen feitelijke of juridische belemmering van
materieel belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van
eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de moederonderneming kan
verhinderen; (b)
ofwel verstrekt de moederonderneming de bevoegde
autoriteit waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de
dochteronderneming en verklaart zij, met toestemming van de bevoegde
autoriteit, dat zij garant staat voor de door de dochtermaatschappij aangegane
verplichtingen, ofwel zijn de risico's ten aanzien van de dochteronderneming
verwaarloosbaar; (c)
in de risicobeoordelings-, meet- en
controleprocedures van de moederonderneming wordt ook de dochteronderneming
betrokken; (d)
de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de
stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de
dochteronderneming en heeft het recht om het grootste deel van de leden van het
leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan. 2.
Bevoegde autoriteiten mogen van de in lid 1 genoemde
mogelijkheid gebruikmaken als het bij de moederonderneming om een financiële
holding of een gemengde financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is
opgericht als de instelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat
welke op instellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 10,
lid 1, vastgelegde normen. 3.
Bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen
van de toepassing van artikel 5, lid 1, voor een moederonderneming in een
lidstaat als de desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en
toezicht houdt op de instelling, de instelling betrokken is in het toezicht op
geconsolideerde basis van de instelling die de moederonderneming is, en met het
oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming
en de dochterondernemingen voldaan is aan alle volgende voorwaarden: (a)
er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen
van materieel belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht
van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de moederinstelling in een
lidstaat kunnen verhinderen; (b)
in de risicobeoordelings-, meet- en
controleprocedures die relevant zijn voor het geconsolideerde toezicht wordt de
moederinstelling in een lidstaat betrokken. De bevoegde autoriteit die van dit lid
gebruikmaakt, stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de
hoogte. Artikel 7
Afwijking van de toepassing van liquiditeitsvereisten op individuele basis 1.
De bevoegde autoriteiten verlenen volledig of ten
dele ontheffing van de toepassing van artikel 401 toe te passen voor een
moederinstelling en voor alle of sommige van haar dochterondernemingen in de
Europese Unie en oefenen toezicht op hen uit als op één enkele
liquiditeitssubgroep zolang zij aan elke van alle volgende voorwaarden voldoen: (a)
de moederinstelling voldoet op geconsolideerde
basis aan de in de artikelen 401 en 403 bepaalde verplichtingen of op een
subgeconsolideerde basis wanneer geen EU-moederinstelling tot de subgroep
behoort; (b)
de moederinstelling houdt voortdurend toezicht op
de liquiditeitsposities binnen de groep of subgroep, die onder de ontheffing
vallen; (c)
de instellingen zijn overeenkomsten aangegaan die
voorzien in het vrije verkeer van middelen tussen hen onderling om hen in staat
te stellen aan hun individuele en gezamenlijke verplichtingen te voldoen
wanneer deze vervallen; (d)
er is geen feitelijke of juridische belemmering van
materieel belang aanwezig of te voorzien die het uitvoeren van de onder c)
bedoelde overeenkomsten kan verhinderen. 2.
Wanneer aan alle instellingen van de enkele
liquiditeitssubgroep in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, passen de
bevoegde autoriteiten van die lidstaat lid 1 toe. Wanneer aan instellingen van de enkele
liquiditeitssubgroep in verschillende lidstaten een vergunning is verleend,
wordt lid 1 uitsluitend toegepast nadat de in artikel 19 vastgestelde procedure
is gevolgd en alleen ten aanzien van de instellingen waarvan de bevoegde
autoriteiten over de volgende punten overeenstemming hebben bereikt: (a)
de toereikendheid van de organisatie en de
behandeling van het liquiditeitsriciso, zoals bij artikel 84 van Verordening
[in te voegen door het Publicatiebureau] voorgeschreven; (b)
de verdeling van de bedragen, de plaats en de
eigendom van de liquide activa die binnen de subgroep moeten worden
aangehouden; (c)
minimumbedragen aan liquide activa die door de
instellingen moeten worden aangehouden, waarvoor ontheffing is verleend van de
toepassing van artikel 401; (d)
de noodzaak van striktere parameters dan die welke
in deel 6, titel III zijn beschreven. Bevoegde autoriteiten kunnen ook lid 1 toepassen
op instellingen die aangesloten zijn bij hetzelfde, in artikel 108, lid 7,
onder b), genoemde institutioneel protectiestelsel, mits zij aan alle
voorwaarden van artikel 108, lid 7, voldoen. In dat geval wijzen bevoegde
autoriteiten een van de instellingen aan als vrijgesteld van de toepassing van
artikel 401 op basis van de geconsolideerde situatie van alle instellingen van
de enkele liquiditeitssubgroep. 3.
Wanneer overeenkomstig lid 1 een ontheffing is
verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten ook ontheffing verlenen van de
toepassing van artikel 403. Artikel 8
Individuele consolidatiemethode 1.
Onder voorbehoud van de leden 2 en 3 van dit
artikel en artikel 134, lid 3, van Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] mogen de bevoegde autoriteiten aan moederinstellingen op
ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van
artikel 5, lid 1, dochterondernemingen in aanmerking te nemen die voldoen aan
de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder c) en d), en die jegens deze
moederinstelling materiële uitzettingen of aanzienlijke verplichtingen hebben. 2.
De behandeling in lid 1 is alleen toegestaan indien
de moederinstelling, met opgaaf van alle omstandigheden en regelingen, ook de
wettelijke regelingen, tot genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat
er geen feitelijke of juridische belemmeringen van materieel belang aanwezig of
te voorzien zijn die, een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of
terugbetaling van passiva op de vervaldag door de dochteronderneming aan haar
moederonderneming, kunnen verhinderen. 3.
Wanneer een bevoegde autoriteit de
keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefent, brengt zij regelmatig en ten minste
eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten verslag
uit over het gebruik van lid 1 en over de in lid 2 bedoelde omstandigheden en
regelingen. Wanneer de dochteronderneming in een derde land is gelegen,
verstrekken de bevoegde autoriteiten dezelfde informatie aan de bevoegde autoriteiten
van dat derde land. Artikel 9
Ontheffing voor kredietinstellingen die blijvend zijn aangesloten bij een
centraal orgaan Bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing
verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen twee tot vier en zes
tot acht ten aanzien van een of meer instellingen die in dezelfde lidstaat
gevestigd zijn en die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat
toezicht op hen uitoefent en dat in dezelfde lidstaat gevestigd is, mits de
nationale wetgeving in al het volgende heeft voorzien: (a)
dat de verbintenissen van het centrale orgaan en
die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de
verbintenissen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale
orgaan worden gewaarborgd; (b)
dat de solvabiliteit en de liquiditeit van het
centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen in hun totaliteit worden
bewaakt op basis van geconsolideerde rekeningen van deze instellingen; (c)
dat de leiding van het centrale orgaan bevoegd is
instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen. Hoofdstuk 2
Prudentiële consolidatie Afdeling 1
Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis Artikel 10
Algemene behandeling 1.
Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de
mate en op de wijze als voorgeschreven in artikel 16, aan de in de delen twee
tot vier en zeven bepaalde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde
financiële situatie. 2.
Instellingen die onder de zeggenschap staan van een
financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een
lidstaat, voldoen in de mate en op de wijze als voorgeschreven in artikel 16
aan de in de delen twee tot vier en zeven neergelegde verplichtingen op basis
van de geconsolideerde positie van deze financiële moederholding of gemengde
financiële moederholding. Als meerdere instellingen onder de zeggenschap
staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding
in een lidstaat, is de eerste alinea alleen van toepassing op de instelling die
ingevolge artikel 106 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis. 3.
EU-moederinstellingen en instellingen die onder
zeggenschap staan van een EU-moederholding en instellingen die onder
zeggenschap staan van een gemengde financiële EU-moederholding voldoen aan de
in de artikelen 401 en 403 bepaalde verplichtingen op basis van de
geconsolideerde situatie van die moederinstelling, financiële holding of
gemengde financiële holding, als de groep uit een of meer kredietinstellingen
of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het
verstrekken van de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij
Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten. 4.
Wanneer artikel 9 wordt toegepast, voldoet het in
dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen twee tot
vier en zeven op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 16 is van toepassing op het centrale
orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de
dochterondernemingen van het centrale orgaan. Artikel 11
Financiële holding of gemengde financiële holding met
zowel een dochterkredietinstelling als een dochterbeleggingsonderneming Wanneer een financiële holding of een gemengde
financiële holding minstens een kredietinstelling en een beleggingsonderneming
onder zijn dochterondernemingen telt, gelden de vereisten die gelden op basis
van de geconsolideerde situatie van de financiële holding of van de gemengde
financiële holding, ook voor de kredietinstelling. Artikel 12
Toepassing van de informatieverplichtingen op
geconsolideerde basis 1.
EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun
geconsolideerde situatie aan de in deel 8 bepaalde verplichtingen. Significante dochterondernemingen van
EU-moederinstellingen maken de in de artikelen 424, 425, 435 en 436 genoemde
informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis. 2.
Instellingen die onder de zeggenschap staan van een
financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding,
voldoen op basis van de geconsolideerde financiële situatie van deze financiële
holding of gemengde financiële holding aan de in deel 8 bepaalde
verplichtingen. Significante dochterondernemingen van financiële
EU-moederholdings of van gemengde financiële EU-moederholdings maken de in de
artikelen 424, 425, 435 en 436 genoemde informatie openbaar op individuele of
gesubconsolideerde basis. 3.
De leden 1 en 2 zijn noch volledig, noch ten dele
van toepassing op EU-moederinstellingen, instellingen die onder de zeggenschap
staan van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële
EU-moederholding voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige
openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op
een geconsolideerde basis worden verstrekt. 4. Wanneer
artikel 9 wordt toegepast, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan
aan de vereisten van deel 8 op basis van de geconsolideerde situatie van het
centrale orgaan. Artikel 16, lid 1,
is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden
behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan. Artikel 13
Toepassing van de vereisten van deel 5 op geconsolideerde
basis 1.
Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die
onder deze verordening vallen, voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde
basis aan de in deel 5 bepaalde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen
voorgeschreven regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed
geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van
belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze
verordening vallende dochterondernemingen regelingen, procedures en mechanismen
hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen. 2.
Instellingen passen overeenkomstig artikel 396 een
aanvullend risicogewicht toe wanneer zij artikel 87 op een geconsolideerde of
gesubconsolideerde basis toepassen als de vereisten van de artikelen 394 of 395
niet zijn nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit
die overeenkomstig artikel 16 in de consolidatie betrokken is, en de
niet-naleving van materieel belang is in verhouding tot het algehele
risicoprofiel van de groep. 3.
Voor dochterondernemingen die zelf niet onder deze
verordening vallen, zijn de uit deel 5 voortvloeiende verplichtingen niet van
toepassing indien de EU-moederinstelling of de instellingen die onder de
zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde
financiële EU-moederholding, aan de bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat
de toepassing van deel 5 niet is toegestaan volgens de wetten van het derde
land waar de dochteronderneming is gevestigd. Artikel 14
Afwijking op de toepassing van eigenvermogensvereisten op
geconsolideerde basis voor groepen van beleggingsondernemingen 1.
De bevoegde autoriteiten die op geconsolideerde
basis toezicht op groepen uitoefenen, kunnen op ad-hocbasis ontheffing van de
eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis verlenen, mits aan de volgende
voorwaarden is voldaan: (a)
elke EU-beleggingsonderneming in een dergelijke
groep hanteert de alternatieve berekening van het in artikel 90, lid 2,
bedoelde totale uitzettingsbedrag; (b)
elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep
behoort tot de in artikel 90, lid 1, en artikel 91, lid 1, genoemde
categorieën; (c)
elke EU-beleggingsonderneming in een dergelijke
groep voldoet op niet-geconsolideerde basis aan de bij artikel 90 gestelde
vereisten en brengt alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen,
financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, in mindering op haar
uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen; (d)
elke financiële holding in een dergelijke groep,
die in een lidstaat de financiële moederholding is van een
beleggingsonderneming, houdt ten minste evenveel kapitaal aan als hierna
bepaald als de som van het volgende: i) de in de artikelen 24, lid 1, artikel 48,
lid 1, en artikel 59, lid 1, bedoelde bestanddelen; ii) de som van de volledige boekwaarde van
alle in artikel 33, lid 1, onder h, artikel 53, lid 1, onder c) en d), en
artikel 63, lid 1, onder c) en d), genoemde deelnemingen in, achtergestelde
vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden; en iii) het totaal van alle voorwaardelijke
verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden; (e)
er behoren geen kredietinstellingen tot de groep. Elke EU-beleggingsonderneming die aan de criteria
van de eerste alinea voldoet, beschikt over systemen om de bronnen van eigen en
vreemd vermogen van alle tot de groep behorende financiële holdings,
beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en
ondernemingen die nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen. 2.
De bevoegde autoriteiten kunnen de ontheffing ook
toepassen als de financiële moederholding minder eigen vermogen aanhoudt dat de
overeenkomstig lid 1, onder d, berekende hoeveelheid, maar niet minder dan de
som van de eigenvermogensvereisten die op individuele basis gelden voor
beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en
ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd
zouden worden, plus het totaal van alle voorwaardelijke verplichtingen ten
aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen,
vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die
normaliter geconsolideerd zouden worden. Voor de toepassing van dit lid
dienen beleggingsondernemingen uit derde landen, financiële instellingen,
vermogensbeheerders en de ondernemingen die nevendiensten verrichten, aan een
notioneel eigenvermogensvereiste te worden onderworpen. Artikel 15
Toezicht op beleggingsondernemingen waarvoor ontheffing is verleend van de
toepassing van eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis Beleggingsondernemingen in een groep waarvoor
de in artikel 14 bedoelde ontheffing geldt, stellen de bevoegde autoriteiten in
kennis van de risico's, met inbegrip van die welke samenhangen met de
samenstelling en de bronnen van hun eigen vermogen, intern kapitaal en
financiering, die hun financiële posities in gevaar kunnen brengen. Wanneer de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig artikel 14 ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht
op geconsolideerde basis, moeten zij andere passende maatregelen nemen voor het
toezicht op de risico's, met name de grote risico's, van de gehele groep, met
inbegrip van die ondernemingen die niet in een lidstaat zijn gevestigd. Ingeval de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig artikel 14 ontheffing verlenen van de toepassing van
eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis, zijn de vereisten van deel 8
op individuele basis van toepassing. Afdeling 2
Methodes voor prudentiële consolidatie Artikel 16
Methodes voor prudentiële consolidatie 1.
De instellingen die moeten voldoen aan de in
afdeling 1 genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie, voeren
een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen
die hun dochterondernemingen zijn, of, in voorkomend geval, de
dochterondernemingen van dezelfde financiële moederholding of gemengde
financiële moederholding. De leden 2
tot en met 8 van dit artikel zijn niet van toepassing indien de artikelen 401
en 403 van toepassing zijn op basis van de geconsolideerde situatie van een
instelling. 2.
De bevoegde autoriteiten kunnen echter op
ad-hocbasis proportionele consolidatie toestaan naargelang van het aandeel van
de moederonderneming in het kapitaal van de dochteronderneming. Proportionele consolidatie mag alleen worden
toegestaan als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de aansprakelijkheid van de moederonderneming is
beperkt tot het aandeel van de moederonderneming in het kapitaal van de
dochteronderneming, op grond van de aansprakelijkheid van de overige
aandeelhouders of vennoten; (b)
de solvabiliteit van deze andere aandeelhouders of
vennoten is toereikend; (c)
de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders
en vennoten is duidelijk op een juridisch bindende manier aangetoond. 3.
Indien ondernemingen verbonden zijn door een band
in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen de bevoegde
autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd. 4.
De met het toezicht op geconsolideerde basis
belaste bevoegde autoriteiten verlangen de proportionele consolidatie
naargelang van het aandeel in het kapitaal van deelnemingen in instellingen en
financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie
betrokken onderneming en een of meer daarin niet opgenomen ondernemingen worden
geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze
ondernemingen voortvloeit die afhangt van hun aandeel in het kapitaal. 5.
In het geval van deelnemingen of van andere vormen
van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2, bepalen de bevoegde
autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de
vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in
het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken. 6.
De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende
gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden: (a)
een instelling oefent naar het oordeel van de
bevoegde autoriteiten een significante invloed uit op een of meer instellingen
of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of
daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en (b)
twee of meer instellingen of financiële
instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of
statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn. De bevoegde autoriteiten mogen in het bijzonder
het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde methode
toestaan of voorschrijven. Deze
methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op
geconsolideerde basis worden betrokken. 7.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
consolidatie in de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel bedoelde gevallen
wordt uitgevoerd. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
overeenkomstig de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure. 8.
Wanneer het toezicht op geconsolideerde basis op
grond van artikel 106 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] is
voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten verrichten, alsmede
vermogensbeheerders in de zin van Richtlijn 2002/87/EG in de consolidatie
betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in dit artikel zijn
omschreven. Afdeling 3
Reikwijdte
van de prudentiële consolidatie Artikel 17
Entiteiten die van de prudentiële consolidatie worden
uitgesloten 1.
Een instelling, financiële instelling of een
onderneming die nevendiensten verricht, die een dochteronderneming is of een
onderneming waarin een deelneming wordt gehouden, hoeft niet in de consolidatie
te worden betrokken indien het totale bedrag van de activa en posten buiten de
balanstelling van de desbetreffende onderneming lager is dan het laagste van de
twee volgende bedragen: a) 10 miljoen euro b) 1 % van het totale bedrag van de activa en posten buiten de
balanstelling van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming
houdt. 2.
De bevoegde autoriteiten die overeenkomstig artikel
106 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] verantwoordelijk
zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen op ad-hocbasis besluiten
dat een instelling, financiële instelling of een onderneming die nevendiensten
verricht, die een dochterondernemingen is of waarin een deelneming wordt
gehouden, buiten de consolidatie mag worden gelaten indien: (a)
de desbetreffende onderneming gevestigd is in een
derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige
inlichtingen bestaan; (b)
de desbetreffende onderneming in het licht van de
doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is; (c)
de consolidatie van de financiële situatie van de
desbetreffende onderneming, naar de mening van de bevoegde autoriteiten die
verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, in het licht
van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen niet wenselijk of
misleidend zou zijn. 3.
Indien in de in lid 1, en lid 2, onder b), bedoelde
gevallen verscheidene ondernemingen aan de daar genoemde voorwaarden voldoen,
worden zij toch in de consolidatie betrokken indien het geheel van deze
ondernemingen in het licht van de vermelde doelstellingen, een niet te
verwaarlozen belang heeft. Artikel 18
Gezamenlijke besluiten over prudentiële vereisten 1.
De bevoegde autoriteiten werken in nauw overleg
samen: a) als een EU-moederinstelling met haar dochterondernemingen of de
gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een
gemengde financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 138,
lid 1, artikel 146, lid 9, artikel 301, lid 2, artikel 277 en artikel 352 van
deze verordening bedoelde toestemmingen, om te beslissen of de aanvraag wordt
ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan een dergelijke toestemming
moeten worden verbonden; b) voor de toepassing van de in artikel 410, lid 8, en artikel 413, lid 4,
van deze verordening bedoelde intragroepbehandeling met betrekking tot
instellingen die niet onder de ontheffing van artikel 7 vallen. Aanvragen worden alleen bij de consoliderende
toezichthouder ingediend. De in artikel 301, lid 2, bedoelde aanvraag omvat
een beschrijving van de methode die wordt gehanteerd voor het toewijzen van
operationeel risicokapitaal tussen de verschillende entiteiten van de groep. De aanvraag geeft aan of en op welke wijze
diversificatie-effecten in het risicometingssysteem zullen worden verwerkt. 2.
De bevoegde autoriteiten stellen alles in het werk
om binnen zes maanden een gezamenlijk besluit te nemen betreffende: (a)
de in lid 1, onder a), bedoelde aanvraag; (b)
de in lid 1, onder b, bedoelde
intragroepbehandeling inzake liquiditeit. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet dit
gezamenlijk besluit schriftelijk, met volledige opgaaf van redenen, aan de
aanvrager toekomen. 3.
De in lid 2 bedoelde periode vangt aan: a) op de datum waarop de consoliderende toezichthouder de in lid 1, onder
a), bedoelde volledige aanvraag ontvangt. De
consoliderende toezichthouder doet de volledige aanvraag onverwijld aan de
andere bevoegde autoriteiten toekomen; b) op de datum waarop de
bevoegde autoriteiten het door de consoliderende toezichthouder opgestelde
verslag met een analyse van de intragroepverplichtingen binnen de groep
ontvangt. 4.
Indien er binnen zes maanden geen gezamenlijk
besluit van de bevoegde autoriteiten is, neemt de consoliderende toezichthouder
op eigen gezag een besluit betreffende lid 1, onder a) en b). Het besluit van de consoliderende toezichthouder
betreffende lid 1, onder b), leidt niet tot een beperking van de bevoegdheden
van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 100bis van Richtlijn [in te
voegen door het Publicatiebureau]. Het besluit wordt op schrift gesteld met volledige
opgave van redenen en met inachtneming van de gedurende de zes maanden door de
andere bevoegde autoriteiten te kennen gegeven standpunten en voorbehouden. Het besluit wordt door de consoliderende
toezichthouder toegezonden aan de EU-moederinstelling, financiële
EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding en de andere bevoegde
autoriteiten. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten
aan het einde van de periode van zes maanden de zaak heeft doorverwezen naar de
EBA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de
consoliderende toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door
de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit
over zijn besluit af en neemt hij een besluit in overeenstemming met het
besluit van de EBA. De termijn van
twee maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van die
verordening. De EBA neemt haar
besluit binnen één maand. De zaak
wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes
maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. 5.
Als een EU-moederinstelling en haar
dochterondernemingen, de dochterondernemingen van een financiële
EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding een in artikel 301,
lid 2, bedoelde geavanceerde meetbenadering of een in artikel 138 bedoelde
IRB-benadering centraal toepassen, staan de bevoegde autoriteiten toe dat de
moederonderneming en haar dochterondernemingen samen voldoen aan de criteria
die respectievelijk in artikel 310 en 311 of in deel 3, afdeling 6, worden
genoemd, op een wijze die samenhang vertoont met de structuur van de groep en haar
systemen, processen en methoden voor risicomanagement. 6.
De in de leden 2 en 4 bedoelde besluiten zijn
bindend voor de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten. 7.
Met het oog op het specificeren van het in lid 1,
onder a), bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces, ontwikkelt de EBA
ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de aanvragen voor
toestemming zoals bedoeld in artikel 138, lid 1, artikel 146, lid 9, artikel 301,
lid 2, artikel 277 en artikel 352, alsook voor de in lid 1, onder b), bedoelde
intragroepbehandeling inzake liquiditeit met het oog op het faciliteren van de
gezamenlijke besluiten. De EBA legt die technische normen uiterlijk op 31
december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 19
Gezamenlijke besluiten over het toepassingsniveau van
liquiditeitsvereisten 1.
Na de aanvraag van een EU-moederonderneming of een
financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding stellen de
consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het
toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële
EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat
alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen tot vaststelling van
een enkele liquiditeitssubgroep voor de toepassing van artikel 7. Het gezamenlijke besluit wordt genomen binnen zes
maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met vaststelling van
de enkele liquiditeitssubgroepen op basis van de in artikel 7 vastgelegde
criteria heeft ingediend. Bij een
geschil gedurende de periode van zes maanden raadpleegt de consoliderende
toezichthouder de EBA op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde
autoriteiten. De consoliderende
toezichthouder kan de EBA ook op eigen initiatief raadplegen. Het gezamenlijke besluit kan ook beperkingen
inhouden op de locatie en eigendom van liquide activa en voorschrijven dat
kredietinstellingen die vrijgesteld zijn van de toepassing van artikel 401,
minimale bedragen aan liquide activa moeten aanhouden. Het gezamenlijke besluit moet volledig gemotiveerd
worden en de redenen die ertoe hebben geleid, moeten worden vermeld. De consoliderende toezichthouder dient het
besluit, met inbegrip van de redenen ervoor, in bij de moederinstelling van de
liquiditeitssubgroep. 2.
Als er binnen zes maanden geen gezamenlijk besluit is,
neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op
individueel niveau, zijn eigen besluit. Bevoegde autoriteiten mogen binnen de periode van
zes maanden overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
de vraag of aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder a) tot en met d), is
voldaan, naar de EBA doorverwijzen en om haar bijstand verzoeken. Als aan het eind van de periode van zes maanden
een van de bevoegde autoriteiten zulks heeft gedaan, stellen alle bevoegde
autoriteiten hun besluiten uit in afwachting van een besluit van de EBA. Dit besluit wordt genomen binnen drie maanden na
het indienen van het verzoek. Zodra
de EBA haar besluit genomen heeft, nemen de bevoegde autoriteiten hun besluit
betreffende de voorwaarden a) tot en met d) van artikel 7, lid 1,
overeenkomstig het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de
termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Het in lid 1 bedoelde gezamenlijke besluit en het
in de voorgaande alinea bedoelde besluit is bindend overeenkomstig artikel 19,
lid 3, van Verordening (EG) nr. 1093/2010. 3.
Betrokken bevoegde autoriteiten mogen binnen de
periode van zes maanden de EBA raadplegen over de vraag of aan de voorwaarden
van artikel 7, lid 2, onder a) tot en met d), is voldaan. In dit geval mag de EBA overeenkomstig Verordening nr. (EU) 1093/2010
haar niet-bindende bemiddeling verrichten. In dat geval stellen alle bevoegde autoriteiten hun besluiten uit in
afwachting van de conclusie van de niet-bindende bemiddeling. Als er tijdens de bemiddeling binnen drie maanden
door de bevoegde autoriteiten geen gezamenlijk besluit wordt bereikt, neemt
elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individueel
niveau, zijn eigen besluit. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter specificering van het in dit artikel bedoelde
gezamenlijke besluitvormingsproces, met betrekking tot de toepassing van
artikel 7, met het oog op het faciliteren van gezamenlijke besluiten. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de
Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 20
Subconsolidatie bij entiteiten in derde landen Instellingen die een dochteronderneming zijn,
passen de vereisten van deel 3, artikel 84, en deel 5 op basis van hun
gesubconsolideerde situatie toe als deze instellingen, of de moederonderneming
als deze een financiële holding of een gemengde financiële moederholding is,
een instelling, een financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin
van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een
derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben. Artikel 21
Ondernemingen in derde landen Voor de uitoefening van het toezicht op
geconsolideerde basis overeenkomstig dit hoofdstuk zijn de begrippen
"beleggingsonderneming", “kredietinstelling”, “financiële instelling”
en “instelling” ook van toepassing op in derde landen gevestigde ondernemingen
die, indien zij in de Unie waren gevestigd, zouden voldoen aan de definities van
deze termen in artikel 16. DEEL 2 EIGEN VERMOGEN Titel I Specifieke definities voor eigen vermogen Artikel 22
Definities Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan
onder: (1)
“gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten”:
hetzelfde als als in International Accounting Standard (IAS) 1, zoals
toepasselijk ingevolge Verordening (EG) nr. 1606/2002; (2)
“aanvullendvermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen”: eigen vermogen in de zin van artikel 89 van
Richtlijn 2009/138/EG; (3)
“toepasselijke standaard voor jaarrekeningen”: de
desbetreffende standaard voor jaarrekeningen, zoals toepasselijk ingevolge
Richtlijn 86/635/EEG of Verordening (EG) nr. 1606/2002, die op de instelling
van toepassing is; (4)
“kernvermogen”: kernvermogen in de zin van artikel 88
van Richtlijn 2009/138/EG; (5)
“tier 1-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen”: kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die
onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, wanneer deze
bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG
overeenkomstig lid 1 van artikel 94 van deze Richtlijn;
(6)
“aanvullend-tier 1-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen”: kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die
onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, wanneer deze
bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1-kapitaal in de zin van Richtlijn 2009/138/EG
overeenkomstig lid 1 van artikel 94 van deze Richtlijn en het opnemen van
dergelijke bestanddelen beperkt wordt door de overeenkomstig artikel 99 van die
richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen; (7)
“tier 2-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen”: kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die
onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, wanneer deze
bestanddelen worden ingedeeld bij tier 2 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG
overeenkomstig lid 2 van artikel 94 van deze Richtlijn; (8)
“tier 3-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen”: kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die
onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, waar deze
bestanddelen worden ingedeeld bij tier 3 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG
overeenkomstig lid 3 van artikel 94 van deze Richtlijn; (9)
“uitgestelde belastingvorderingen”: hetzelfde als
in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen; (10)
“uitgestelde belastingvorderingen die op
toekomstige winstgevendheid berusten”: uitgestelde belastingvorderingen waarvan
de toekomstige waarde alleen kan worden gerealiseerd indien de instelling in de
toekomst belastbare winst maakt; (11)
“uitgestelde belastingverplichtingen”: hetzelfde
als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen; (12)
“activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds”: de
activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds of –regeling, naargelang van het
geval, zoals berekend na aftrek van het bedrag aan verplichtingen uit hoofde
van hetzelfde fonds of dezelfde regeling; (13)
"uitkeringen": de betaling van dividenden
of van interest in welke vorm ook; (14)
"financiële onderneming": hetzelfde als
in artikel 13, lid 25, onder b) en d), van Richtlijn 2009/138/EG; (15)
“fondsen voor algemene bankrisico's”: hetzelfde als
in artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG; (16)
“goodwill”: hetzelfde als in de toepasselijke
standaard voor jaarrekeningen; (17)
“middellijk bezit”: een deelneming door een
instelling in een derde partij met een uitzetting op een door een relevante
entiteit uitgegeven kapitaalinstrument, wanneer die deelneming is verricht om
een uitzetting te doen op dat instrument, of op een instrument op enig andere
wijze waarbij, ingeval het instrument aan waarde verliest, het uit de
uitzetting voortvloeiende verlies niet materieel verschillend zou zijn van het
verlies dat de instelling zou lijden vanwege een rechtstreeks bezit van het
instrument; (18)
“immateriële activa: hetzelfde als in de
toepasselijke standaard voor jaarrekeningen; (19)
"gemengde verzekeringsholding" betekent
hetzelfde als in artikel 212, lid 1, onder g), van Richtlijn 2009/138/EG; (20)
“operationele entiteit”: een entiteit die is
opgericht met als doel zelfstandig winst te maken; (21)
“andere kapitaalinstrumenten”: kapitaalinstrumenten
die uitgegeven zijn door relevante entiteiten en die niet kunnen worden
gerekend tot uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten, aanvullend-tier
1- of tier 2-instrumenten of tier 1-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen,
aanvullend-tier 1-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen, tier 2-vermogensbestanddelen
van verzekeringsondernemingen of tier 3-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen; (22)
“andere reserves”: reserves in de zin van de toepasselijke
standaard voor jaarrekeningen die overeenkomstig die toepasselijke standaard
voor jaarrekeningen openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van
bedragen die reeds zijn opgenomen in gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten
of ingehouden winsten; (23)
“eigen vermogen”: de som van tier 1- en tier 2-kapitaal; (24)
“eigenvermogensinstrumenten”: door de instelling
uitgegeven kapitaalinstrumenten die kunnen worden gerekend tot uit gewone
aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten; (25)
“winst”: hetzelfde als in de toepasselijke
standaard voor jaarrekeningen; (26)
“wederzijdse deelneming”:
het door een instelling bezitten van door relevante entiteiten uitgegeven
eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten waarbij deze
entiteiten ook door de instellingen uitgegeven eigenvermogensinstrumenten
bezitten; (27)
“relevante entiteit": een van de volgende: a) een andere instelling; b) een financiële instelling; c) een verzekeringsonderneming; d) een verzekeringsonderneming uit een derde land;
e) een herverzekeringsonderneming; f) een herverzekeringsonderneming uit een derde land; g) een financiële onderneming: h) een gemengde verzekeringsholding; i) een onderneming die uitgesloten is van het toepassingsgebied van
Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig de in artikel 4 van die richtlijn
vastgestelde vereisten; (28)
“ingehouden winsten”: de resultaten van het
voorgaande jaar die zijn overgedragen door definitieve bestemming van het
resultaat overeenkomstig de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen; (29)
“agio”: hetzelfde als in de toepasselijke standaard
voor jaarrekeningen; (30)
“tijdelijke verschillen”: hetzelfde als in de
toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Titel II
Bestanddelen van het eigen vermogen Hoofdstuk 1
Tier 1-kapitaal Artikel 23
Tier 1-kapitaal Het tier 1-kapitaal van
een instelling bestaat uit de som van het uit gewone aandelen bestaande tier 1-
en aanvullend tier 1-kapitaal van de instelling. Hoofdstuk 2
Uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal Afdeling 1
Uit
gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen en instrumenten Artikel 24
Uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen 1.
Uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen
van instellingen bestaan uit het volgende: (a)
kapitaalinstrumenten, mits voldaan is aan de
voorwaarden van artikel 26; (b)
agio met betrekking tot de onder a) bedoelde
instrumenten; (c)
ingehouden winsten; (d)
gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten; (e)
overige reserves; (f)
fondsen voor algemene bankrisico’s. 2.
Voor de toepassing van lid 1, onder c), mogen
instellingen uitsluitend met de voorafgaande toestemming van de bevoegde
autoriteit de tussentijdse of eindejaarsresultaten opnemen in het uit gewone
aandelen bestaande tier 1-kapitaal voordat de instelling een formeel besluit
heeft genomen ter bevestiging van het uiteindelijke resultaat van de instelling
voor dat jaar.De bevoegde autoriteit verleent zijn toestemming wanneer aan de
volgende voorwaarden is voldaan: (a)
deze resultaten zijn getoetst door personen die
onafhankelijk zijn van de instelling en verantwoordelijk zijn voor de controle
van de rekeningen van deze instelling; (b)
de instelling heeft ten genoege van de bevoegde
autoriteit aangetoond dat alle te verwachten lasten en voorzieningen voor
dividenden van het bedrag van deze resultaten zijn afgetrokken. Een toetsing van de tussentijdse of
eindejaarsresultaten van de instelling wijst op bevredigende wijze uit dat deze
resultaten beoordeeld zijn overeenkomstig de in de toepasselijke standaard voor
jaarrekeningen vastgestelde beginselen. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om te specificeren wat “te verwachten” betekent wanneer
bepaald wordt of alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden
zijn afgetrokken. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. 4.
De EBA maakt, actualiseert en publiceert een lijst
van de soorten kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die tot uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten kunnen worden gerekend. De EBA maakt en publiceert deze lijst uiterlijk
op 1 januari 2013. Artikel 25
Kapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen,
coöperaties en soortgelijke instellingen in uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen 1.
Uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen
omvatten elk door een instelling overeenkomstig haar wettelijke bepalingen
uitgegeven kapitaalinstrument mits de volgende voorwaarden zijn vervuld: (a)
de instelling behoort tot een soort die in
toepasselijk nationaal recht is gedefinieerd en dat naar de mening van bevoegde
autoriteiten voor de toepassing van dit gedeelte kan worden aangemerkt als een
onderlinge maatschappij, coöperatie of een soortgelijke instelling; (b)
de in de artikelen 26 en 27 gestelde voorwaarden
zijn vervuld; (c)
het instrument heeft geen kenmerken die in perioden
van marktspanningen de bedrijfscontinuïteit van de instelling zouden kunnen
verzwakken. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: (a)
de voorwaarden volgens welke bevoegde autoriteiten
kunnen bepalen dat een soort onderneming die in nationaal recht is erkend, voor
de toepassing van dit gedeelte kan worden aangemerkt als een onderlinge
maatschappij, coöperatie of een soortgelijke instelling; (b)
de aard en de omvang van het volgende: (i) de kenmerken die in perioden van marktspanningen de
bedrijfscontinuïteit van de instelling zouden kunnen verzwakken. (ii) de marktspanningen waaronder deze kenmerken de bedrijfscontinuïteit van
de instelling zouden kunnen verzwakken. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 26
Uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten 1.
Kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als de
volgende voorwaarden zijn vervuld als uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
aangemerkt: (a)
de instrumenten worden rechtstreeks door de instelling
uitgegeven met de voorafgaande goedkeuring van de eigenaars van de instelling
of, indien toegestaan door het toepasselijke nationale recht, het
leidinggevende orgaan van de instelling; (b)
de instrumenten zijn volgestort en de aankoop ervan
wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd; (c)
de instrumenten voldoen aan alle volgende
voorwaarden wat hun indeling betreft: i) zij kunnen worden aangemerkt als
kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG; ii) zij worden ingedeeld als gewone
aandelen in de zin van de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen; iii) zij worden ingedeeld als
aandelenkapitaal voor het bepalen van balansmatige insolventie, indien
toepasselijk uit hoofde van nationaal insolventierecht; (d)
de instrumenten worden duidelijk en afzonderlijk in
de balans van de jaarrekening van de instelling vermeld; (e)
de instrumenten zijn doorlopend; (f)
de hoofdsom van de instrumenten mag niet worden
verminderd of terugbetaald, behalve in een van de volgende gevallen: i) de liquidatie van de instelling; ii) discretionaire wederinkopen van de
instrumenten of andere discretionaire manieren om het kapitaal te verminderen,
waarbij de instelling overeenkomstig artikel 72 de voorafgaande toestemming van
de bevoegde autoriteit heeft ontvangen; (g)
de bepalingen betreffende de instrumenten geven
niet expliciet of impliciet aan dat de hoofdsom van de instrumenten in een
andere situatie dan de liquidatie van de instelling zou of zou kunnen worden
verminderd of terugbetaald en de instelling geeft dit niet anderszins aan vóór
of bij de uitgifte van de instrumenten, behalve in het geval van in artikel 25
bedoelde instrumenten waarbij de weigering van de instelling om dergelijke
instrumenten af te lossen door het toepasselijke nationale recht verboden
wordt; (h)
de instrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden
wat uitkeringen betreft: i) er zijn geen preferentiële uitkeringen,
evenmin voor andere uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten, en de
voor de instrumenten geldende voorwaarden voorzien niet in preferentiële
rechten op de betaling van uitkeringen; ii) uitkeringen aan houders van de
instrumenten mogen alleen geschieden uit uitkeerbare posten; iii) de voor de instrumenten geldende
voorwaarden bevatten geen maximum of een andere beperking op het maximumniveau
van de uitkeringen, behalve in het geval van in artikel 25 bedoelde
instrumenten; iv) het niveau van de uitkeringen wordt niet
bepaald op basis van het bedrag waarvoor de instrumenten bij de uitgifte werden
gekocht, behalve in het geval van de in artikel 25 bedoelde instrumenten; v) de voor de instrumenten geldende
voorwaarden bevatten geen verplichting voor de instelling om uitkeringen aan
hun houders te verrichten en de instelling is niet anderszins aan een
dergelijke verplichting onderworpen; vi) niet-betaling van uitkeringen vormt geen
wanbetaling door de instelling; (i)
vergeleken met alle door de instelling uitgegeven
kapitaalinstrumenten vangen de instrumenten het eerste en naar verhouding
grootste deel van de verliezen op wanneer deze zich voordoen, en vangt elk
instrument de verliezen in dezelfde mate op als alle andere uit gewone aandelen
bestaande tier 1-instrumenten; (j)
bij insolventie of liquidatie van de instelling
komen de instrumenten na alle andere vorderingen in de rangorde; (k)
de instrumenten verlenen de eigenaars ervan een
vordering op de resterende activa van de instelling, die bij liquidatie en na
de betaling van alle niet-achtergestelde vorderingen evenredig is aan het
bedrag van dergelijke uitgegeven instrumenten en niet vastgesteld is en evenmin
onderworpen aan een maximum, behalve in het in artikel 25 bedoelde geval van
kapitaalinstrumenten; (l)
de instrumenten zijn niet door een zekerheid gedekt
of gegarandeerd door een van de volgende entiteiten: i) de instelling of de dochterondernemingen
ervan; ii) de moederinstelling of de
dochterondernemingen ervan; iii) de financiële moederholding of de
dochterondernemingen ervan; iv) de gemengde holding of de
dochterondernemingen ervan; v) de gemengde financiële holding en de
dochterondernemingen ervan; vi) een onderneming die nauwe banden heeft
met de in de punten i) tot en met v) bedoelde entiteiten; (m)
de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige
regeling, hetzij contractueel of anderszins, die de plaats in de rangorde van
vorderingen uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie
verhoogt. 2.
Zelfs bij een permanente afwaardering van de
hoofdsom van aanvullend-tier 1-instrumenten, moeten de in lid 1, onder i),
vastgestelde voorwaarden worden vervuld. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: (a)
de toepasselijke vormen en aard van indirecte
financiering van kapitaalinstrumenten; (b) de betekenis van uitkeerbare posten ter bepaling van het
beschikbare bedrag voor uitkering aan de houders van eigenvermogensinstrumenten
van een instelling. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan
de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde
technische regelgevingsnormen vast te stellen volgens de procedure van de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 27
Door onderlinge maatschappijen, coöperatieve banken en soortgelijke
instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten 1.
Door onderlinge maatschappijen, coöperatieve banken
en soortgelijke instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten worden uitsluitend
als uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten aangemerkt als de
voorwaarden van artikel 26 en dit artikel zijn vervuld. 2.
Wat de aflossing van de kapitaalinstrumenten
betreft, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan: (a)
de instelling is in staat de aflossing van de
instrumenten te weigeren, tenzij dit door het toepasselijke nationale recht
verboden is; (b)
indien het toepasselijke nationale recht de
instelling verbiedt de aflossing van de instrumenten te weigeren, bieden de
voor de instrumenten geldende bepalingen de instelling de mogelijkheid de
aflossing ervan te beperken; (c)
de weigering de instrumenten af te lossen of in
voorkomend geval de beperking van de aflossing van de instrumenten, mag geen
wanbetaling door de instelling vormen. 3.
De kapitaalinstrumenten mogen een maximum of een
beperking op het maximumniveau van de uitkeringen bevatten, uitsluitend wanneer
dat maximum of die beperking in toepasselijk nationaal recht of de statuten van
de instelling is bepaald. 4.
Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan
bij insolventie of liquidatie rechten verlenen op de reserves van de instelling
die beperkt zijn tot de nominale waarde van de instrumenten, is een dergelijke
beperking in dezelfde mate van toepassing op de houders van alle andere uit
gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten die door die instelling zijn
uitgegeven. 5.
Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan
bij insolventie of liquidatie een vaste of aan een maximum onderworpen
vordering verlenen op de activa van de instelling, is een dergelijke beperking
in dezelfde mate van toepassing op alle houders van alle andere uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten die door die instelling zijn uitgegeven.
6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de aard van de noodzakelijke beperkingen op aflossing
vast te leggen indien het toepasselijke nationale recht de instelling verbiedt
de aflossing van de instrumenten te weigeren. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 28
Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten Het
volgende geldt wanneer in het geval van uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
de voorwaarden van artikel 26, en in voorkomend geval van artikel 27, niet
langer zijn vervuld: (a)
dat instrument wordt niet langer aangemerkt als een
uit gewone aandelen bestaand tier 1-instrument; (b)
de agio’s die op dat instrument betrekking hebben,
worden niet langer aangemerkt als uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen. Afdeling 2
Prudentiële filters Artikel 29
Gesecuritiseerde activa 1.
Een instelling sluit van elk
eigenvermogensbestanddeel elke uit gesecuritiseerde activa voortvloeiende
stijging van zijn aandelenkapitaal uit overeenkomstig de toepasselijke
standaard voor jaarrekeningen, waaronder de volgende: a) een dergelijke stijging in verband met
toekomstig marge-inkomen dat resulteert in winst op een verkoop voor de
instelling; b) wanneer de instelling de initiator van
een securitisatie is, de nettowinsten die het resultaat zijn van de
kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa die als
kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het in lid 1, onder a),
vermelde begrip “winst op een verkoop”. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 30
Kasstroomafdekkingstransacties en veranderingen in de waarde van eigen
verplichtingen Instellingen
nemen de volgende posten niet op in enig eigenvermogensbestanddeel: (a)
de reserves voor de waarde in het economisch
verkeer („reële waarde”) in verband met winsten of verliezen op
kasstroomafdekkingstransacties van financiële instrumenten die niet tegen reële
waarde zijn gewaardeerd; (b)
tegen reële waarde gewaardeerde winsten of
verliezen op verplichtingen van de instelling die voortvloeien uit
veranderingen in de eigen kredietwaardigheid van de instelling. Artikel 31
Aanvullende waardeaanpassingen 1.
Instellingen passen de vereisten van artikel 100
toe op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa bij de berekening van het
bedrag aan eigen vermogen en trekken van het uit gewone aandelen bestaande tier
1-kapitaal het bedrag af van noodzakelijke aanvullende waardeaanpassingen. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
de vereisten van artikel 100 met betrekking tot lid 1 worden toegepast. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 32
Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde
winsten en verliezen Behalve
in het geval van in artikel 30 bedoelde posten maken instellingen geen
aanpassingen ter verwijdering uit hun eigen vermogen van tegen reële waarde
gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten of verliezen op hun activa of
verplichtingen. Afdeling 3
Aftrek van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen, uitzonderingen en
alternatieven Onderafdeling 1
Aftrek van uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen Artikel 33
Aftrek van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen 1.
Instellingen trekken het volgende van uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen af: (a)
verlies van het lopende boekjaar; (b)
immateriële activa; (c)
uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige
winstgevendheid berusten; (d)
voor instellingen die risicogewogen uitzettingsbedragen
met behulp van de interne-ratingbenadering berekenen, de negatieve bedragen die
de uitkomst zijn van de berekening van de verwachte verliesposten op basis van
de artikelen 154 en 155; (e)
activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds van de
instelling; (f)
direct of indirect bezit van een instelling aan
eigen uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten, met inbegrip van eigen
uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten die een instelling krachtens
een bestaande contractuele verplichting feitelijk of op bepaalde voorwaarden
moet kopen; (g)
bezit aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van relevante entiteiten wanneer deze entiteiten een wederzijdse deelneming
hebben in de instelling, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld is om het
eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen; (h)
het toepasselijke bedrag van het directe of
indirecte bezit van de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van relevante entiteiten wanneer de instelling geen aanzienlijke deelneming in
deze entiteiten heeft; (i)
het toepasselijke bedrag van het directe of
indirecte bezit van de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van relevante entiteiten wanneer de instelling een aanzienlijke deelneming in
deze entiteiten heeft; (j)
het bedrag aan bestanddelen dat overeenkomstig
artikel 53 van de aanvullend-tier 1-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat
het aanvullend-tier 1-kapitaal van de instelling overschrijdt; (k)
het uitzettingsbedrag van de volgende bestanddelen
die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250 %, waarbij de
instelling dat uitzettingsbedrag aftrekt van het uit gewone aandelen bestaand
tier 1-kapitaal als een alternatief voor het toepassen van een risicogewicht
van 1 250 %: i) gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector; ii) securitisatieposities overeenkomstig de artikelen 238, lid 1, onder b),
239, lid 1, onder b) en 253; iii) niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 369, lid 3; (l)
elke belasting in verband met uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen die op het ogenblik van de berekening te
verwachten is, behalve wanneer de instelling het bedrag van de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen corrigeert voor zover deze belastingen
het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen
worden voor het dekken van risico's of verliezen. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) de nadere toepassing van de in lid 1, onder a), c), e) en l)
bedoelde aftrek; b) de soorten kapitaalinstrumenten van financiële instellingen,
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit derde landen en ondernemingen
die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG
overeenkomstig in artikel 4 van die richtlijn, die van de volgende
eigenvermogensbestanddelen worden afgetrokken: i) uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen; ii) aanvullend-tier 1-bestanddelen; iii) tier 2-bestanddelen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 34
Aftrek van immateriële activa Instellingen
bepalen welke immateriële activa moeten worden afgetrokken aan de hand van het
volgende: (a)
het af te trekken bedrag moet verminderd worden met
het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingsverplichtingen dat
zou worden opgeheven als de immateriële activa overeenkomstig de relevante
standaard voor jaarrekeningen dubieus werden of werden afgestoten; (b)
het af te trekken bedrag omvat de goodwill die
vervat zit in de waardering van significante deelnemingen van de instelling. Artikel 35
Aftrek van uitgestelde belastingvorderingen die op
toekomstige winstgevendheid berusten 1.
Instellingen bepalen overeenkomstig dit artikel
welk bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige
winstgevendheid berusten, moet worden afgetrokken. 2.
Behalve wanneer de voorwaarden van lid 3 zijn
vervuld, wordt het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op
toekomstige winstgevendheid berusten, berekend zonder het te verminderen met
het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de
instelling. 3.
Het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die
op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd met het bedrag aan
daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling,
mits: (a)
zowel de uitgestelde belastingvorderingen als de
daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen voortvloeien uit de
belastingwetgeving van een lidstaat of een derde land; (b)
de belastingautoriteit van die lidstaat of dat
derde land toestaat dat de uitgestelde belastingvorderingen worden verrekend
met de daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen. 4.
Gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen
van de instelling die voor de toepassing van lid 3 worden gebruikt, mogen geen
uitgestelde belastingverplichtingen omvatten die het af te trekken bedrag aan
immateriële activa of activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds verminderen. 5.
Het in lid 4 bedoelde bedrag aan gerelateerde
uitgestelde belastingverplichtingen wordt als volgt ingedeeld: (a)
uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige
winstgevendheid berusten en voortvloeien uit verschillen in de tijd, die
overeenkomstig artikel 45, lid 1, niet worden afgetrokken; (b)
alle andere uitgestelde belastingvorderingen die op
toekomstige winstgevendheid berusten. Instellingen delen de
gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen in naargelang van het aandeel
dat de in de punten a) en b) genoemde posten vertegenwoordigen in de
uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten. Artikel 36
Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige
winstgevendheid berusten 1.
Instellingen passen overeenkomstig deel 3, titel
II, hoofdstuk 2 of 3, naargelang van het geval, een risicogewicht toe op
uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid
berusten. 2.
Uitgestelde belastingvorderingen die niet op
toekomstige winstgevendheid berusten, bestaan uit: (a)
door de instelling te veel betaalde belastingen
voor het lopende jaar; (b)
huidige fiscale verliezen van de instelling die
achterwaarts op vorige jaren worden gecompenseerd en aanleiding geven tot een
vord+ering of kortlopende vordering van een centrale of regionale overheid of een
lokale belastingautoriteit; (c)
uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien
uit tijdelijke verschillen die, wanneer de instelling een verlies lijdt,
insolvabel wordt of in liquidatie gaat, op verplichte en automatische basis
vervangen worden overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, met een
vordering op de centrale overheid van de lidstaat waar de statutaire zetel van
de instelling gelegen is, die op basis van bedrijfscontinuïteit en bij
insolventie of liquidatie van de instelling de verliezen in dezelfde mate
opvangt als uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten. Artikel 37
Aftrek van negatieve bedragen die voortvloeien uit de berekening van de
verwachte verliesposten Het
overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder d), af te trekken bedrag wordt niet
verminderd met een stijging van de uitgestelde belastingvorderingen op grond
van toekomstige winstgevendheid of een ander aanvullend belastingeffect dat
zich zou kunnen voordoen als de voorzieningen zouden stijgen tot het in titel
II, hoofdstuk 3, afdeling 3, bedoelde niveau van de verwachte verliezen. Artikel 38
Aftrek van activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds 1.
Voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder e),
wordt het bedrag van de activa van een vaste-uitkeringspensioenfonds met het
volgende verminderd: (a)
het bedrag aan gerelateerde uitgestelde
belastingverplichtingen dat zou worden opgeheven als de activa overeenkomstig
de relevante standaard voor jaarrekeningen dubieus werden of werden afgestoten; (b)
het bedrag aan activa in het vaste-uitkeringspensioenfonds
waarvan de instelling onbeperkt gebruik kan maken, mits de instelling de
voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen. Op deze activa die gebruikt worden om het af te
trekken bedrag te verminderen wordt overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2
of 3, naargelang van het geval, een risicogewicht toegepast. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de criteria volgens welke
een bevoegde autoriteit een instelling kan toestaan het in lid 1, onder b),
bepaalde bedrag aan activa in het vaste-uitkeringspensioenfonds te verminderen. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 39
Aftrek van het bezit aan eigen uit gewone aandelen
bestaande tier 1-instrumenten Voor de
toepassing van artikel 33, lid 1, onder f), berekenen instellingen het bezit
aan eigen uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten op basis van bruto
longposities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen: (a)
instellingen mogen het bedrag van het bezit aan
eigen uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten in de
handelsportefeuille berekenen op basis van de netto longpositie mits de long-
en shortposities op dezelfde onderliggende uitzetting gericht zijn en de
shortposities geen tegenpartijrisico inhouden; (b)
instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor
indirect bezit aan activa in de handelsportefeuille in de vorm van
indexeffecten door de onderliggende uitzetting op de in de indices vervatte
eigen uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten te berekenen; (c)
instellingen mogen bruto longposities in eigen uit
gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten in de handelsportefeuille die
voortvloeien uit bezit van indexeffecten, verrekenen met shortposities in eigen
uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten die voortvloeien uit
shortposities in de onderliggende indices, ook wanneer deze shortposities een
tegenpartijrisico inhouden. Artikel 40
Significante deelneming in een relevante entiteit Ten behoeve van de aftrek wordt een instelling
geacht een significante deelneming in een relevante entiteit te hebben indien
aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling bezit meer dan 10% van de door die
instelling uitgegeven uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten; (b)
de instelling is nauw met deze entiteit verbonden
en bezit door deze entiteit uitgegeven uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten; (c)
de instelling bezit door die entiteit uitgegeven
uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten en de entiteit is
overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, niet opgenomen in de
consolidatie, maar is ten behoeve van de financiële verslaggeving
overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen opgenomen in
dezelfde jaarrekeningsconsolidatie als de instelling. Artikel 41
Aftrek van bezit aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van relevante entiteiten wanneer een instelling een wederzijdse deelneming
heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen Instellingen voeren de in artikel 33, lid 1,
onder g), h), en i), bedoelde aftrek uit met inachtneming van het volgende: a) bezit aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten en andere
kapitaalinstrumenten van relevante entiteiten worden berekend op basis van de
bruto longposities; b) ten behoeve van de aftrek worden tier 1-vermogensbestanddelen van
verzekeringsondernemingen behandeld als bezit van uit gewone aandelen bestaande
tier 1-instrumenten. Artikel 42
Aftrek van het bezit aan uit gewone aandelen bestaande
tier 1-instrumenten van relevante entiteiten Instellingen voeren de in artikel 33, lid 1,
onder h), en i), voorgeschreven aftrek uit met inachtneming van het volgende: (a)
zij mogen het bezit aan kapitaalinstrumenten van
relevante entiteiten in de handelsportefeuille berekenen op basis van de netto
longpositie op dezelfde onderliggende uitzetting mits de looptijd van de
shortpositie overeenkomt met de looptijd van de longpositie of een resterende
looptijd van ten minste een jaar heeft; (b)
zij bepalen het af te trekken bedrag voor indirect
bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van relevante
entiteiten in de vorm van indexeffecten door de onderliggende uitzettingen op
de in de indices vervatte kapitaalinstrumenten van de relevante entiteiten te
berekenen. Artikel 43
Aftrek van bezit aan instrumenten waarbij een instelling
geen significante deelneming in een relevante entiteit bezit 1.
Voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder h),
berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het onder
a) bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de
onder b) bedoelde berekening: (a)
het totaalbedrag waarmee het directe en indirecte
bezit van de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van relevante entiteiten 10%
overschrijdt van de uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de
instelling zoals berekend na toepassing van het volgende op de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen: i) de artikelen 29 tot en met 32; ii) de in artikel 33, lid 1, de punten a) tot en met g) en j) tot en met
l), bedoelde aftrek, uitgezonderd het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen
die berusten op toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in
de tijd; iii) de artikelen 41 en 42; (b)
het bedrag van het directe en indirecte bezit van
de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten van
relevante entiteiten gedeeld door het totaalbedrag van het directe en indirecte
bezit van de instelling aan eigenvermogensinstrumenten van die relevante
entiteiten. 2.
De instellingen sluiten voor 5 werkdagen of minder
ingenomen overnemingsposities uit van het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag
en van de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor. 3.
Instellingen bepalen het overeenkomstig lid 1 af te
trekken deel van het bezit aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
door het in punt a) bepaalde bedrag te delen door het in punt b) bepaalde
bedrag: (a)
het bedrag van het bezit aan instrumenten dat
overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken; (b)
het totaalbedrag van het directe en indirecte bezit
van de instelling aan eigenvermogensinstrumenten van relevante entiteiten
waarin de instelling geen significante deelneming heeft. 4.
Het bedrag van het in artikel 33, lid 1, onder h),
bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10% van de uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen
van lid 1, a), onder i) tot en met iii), wordt niet afgetrokken en is
onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig van van deel 3,
titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten,
naargelang van het geval. 5.
instellingen bepalen het deel van het bezit van
eigenvermogensinstrumenten dat naar risico gewogen wordt, door het in punt a)
bepaalde bedrag te verdelen door het in punt b) bepaalde bedrag: (a)
het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig
lid 4 naar risico moet worden gewogen; (b)
het totaalbedrag van het directe en indirecte bezit
van de instelling aan eigenvermogensinstrumenten van relevante entiteiten
waarin de instelling geen significante deelneming heeft. Artikel 44
Aftrek van bezit aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
waarbij een instelling een significante deelneming in een relevante entiteit
bezit Voor de
toepassing van artikel 33, lid 1, onder i), worden voor 5 werkdagen of minder
ingenomen overnemingsposities uitgesloten van het toepasselijke, van uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag en wordt dit bedrag
bepaald overeenkomstig de artikelen 41 en 42 en onderafdeling 2. Onderafdeling 2
Uitzonderingen
op en alternatieven voor aftrek van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen Artikel 45
Uitzonderingsdrempels voor aftrek van uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen 1.
Wanneer zij de door artikel 33, lid 1, de punten c)
en i), voorgeschreven aftrek uitvoeren, trekken zij de in de punten a) en b)
opgesomde bestanddelen niet af die in het totaal gelijk zijn aan of minder dan 15%
van het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal: (a)
uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk
zijn van de toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke
verschillen, en in totaal gelijk zijn aan of minder dan 10% van de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de instelling, zoals berekend na
toepassing van het volgende: i) de artikelen 29 tot en met 32; ii) artikel 33, lid 1, onder a) tot en met h) en j) tot en met l), met
uitsluiting van uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige
winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in de tijd. (b)
wanneer een instelling een significante deelneming
in een relevante entiteit heeft, het directe en indirecte bezit van de
instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten van die
entiteiten die in totaal gelijk zijn aan of kleiner dan 10% van de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de instelling, zoals berekend na
toepassing van het volgende: i) de artikelen 29 tot en met 32; ii) artikel 33, lid 1, onder a) tot en met h) en j) tot en met l), met
uitsluiting van uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige
winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in de tijd. 2.
Bestanddelen die niet overeenkomstig lid 1 worden
afgetrokken, worden naar risico gewogen tegen 250% en worden onderworpen aan de
vereisten van titel IV van deel 3. Artikel 46
Andere uitzonderingen op en alternatieven voor aftrek wanneer consolidatie
wordt toegepast 1.
Als alternatief voor de aftrek van het bezit van
een instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten van
verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings
waarin de instelling een significante deelneming heeft, kunnen bevoegde
autoriteiten instellingen toestaan de methoden 1, 2 of 3 van bijlage I bij
Richtlijn 2002/87/EG toe te passen. De
instelling past de gekozen methode consequent toe in de tijd. Een instelling mag methode 1 uitsluitend toepassen
(consolidatie van jaarrekeningen) als zij de voorafgaande toestemming van de
bevoegde autoriteit heeft gekregen. De
bevoegde autoriteit mag een dergelijke toestemming uitsluitend verlenen indien
zij ervan overtuigd is dat het geïntegreerd beheer en de interne controle van
de entiteiten die onder de consolidatie volgens methode 1 zouden vallen,
toereikend zijn. 2.
Voor de berekening van het eigen vermogen op
individuele basis, trekken instellingen die onderworpen zijn aan toezicht op
geconsolideerde basis overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, in artikel 33,
lid 1, de punten h) tot en met i), bedoelde deelnemingen in onder het
geconsolideerde toezicht vallende relevante entiteiten, niet af. 3.
Bevoegde autoriteiten kunnen in de volgende
gevallen instellingen toestaan het in artikel 33, lid 1, de punten h) en i),
bedoelde bezit van een bestanddeel niet af te trekken: (a)
wanneer het gaat om een deelneming in een relevante
entiteit die onder hetzelfde aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87EG
als de instelling valt; (b)
wanneer een in artikel 25 bedoelde instelling een
deelneming heeft in een andere dergelijke instelling of in haar centrale of
regionale kredietinstelling, en aan de volgende voorwaarden is voldaan: i) wanneer het gaat om een deelneming in een centrale of regionale
kredietinstelling, de instelling met die deelneming verbonden is met die
centrale of regionale kredietinstelling in een netwerk dat aan wettelijke of
statutaire bepalingen onderworpen is, en de centrale of regionale
kredietinstelling op grond van deze bepalingen belast is met de verevening van
onderlinge geldposities binnen het netwerk; ii) de instellingen onder dezelfde, in artikel 108, lid 7, bedoelde
institutionele beschermingsregeling vallen; iii) de bevoegde autoriteiten hebben de in artikel 108, lid 7, bedoelde
toestemming gegeven; iv) de in artikel 108, lid 7, gestelde voorwaarden zijn vervuld; v) de instelling stelt de in artikel 108, lid 7, onder e), bedoelde
geconsolideerde balans op en brengt hierover verslag uit bij de bevoegde
autoriteiten en zulks minstens even frequent als krachtens artikel 95 over
eigenvermogenvereisten verslag moet worden uitgebracht. (c)
wanneer een regionale kredietinstelling een
deelneming heeft in een centrale of regionale kredietinstelling, en aan de in
punt b, onder i) tot en met v), gestelde voorwaarden is voldaan. 4.
De EBA, EAVB en EAEM ontwikkelen via het gemengd
comité ontwerpen van technische regelgevingsnormen om voor de toepassing van dit
artikel de toepassingsvoorwaarden te specificeren van de in Richtlijn 2002/87/EG,
bijlage I, deel II, en artikel 228, lid 1, genoemde berekeningsmethoden met
betrekking tot de de in lid 1 en lid 3, onder a), bedoelde alternatieven voor
aftrek. De EBA, EAVB en EAEM leggen die ontwerpen van
technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de
Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden voor het toepassen van lid 3, punt b), te
specificeren. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Afdeling 3
Uit
gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal Artikel 47
Uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal Het uit gewone aandelen
bestaande tier 1-kapitaal van een instelling omvat uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen na toepassing van de door artikel 29 tot 32
voorgeschreven aanpassingen, de aftrek op grond van artikel 33 en de in de
artikelen 45, 46 en 74 bepaalde uitzonderingen en alternatieven. Hoofdstuk 3
Aanvullend tier 1-kapitaal Afdeling 1
Aanvullend-tier
1-bestanddelen en instrumenten Artikel 48
Aanvullend-tier 1-bestanddelen Aanvullend-tier 1-bestanddelen bestaan uit het
volgende: (a)
kapitaalinstrumenten, mits voldaan is aan de
voorwaarden van artikel 49, lid 1; (b)
agio met betrekking tot onder a) bedoelde
instrumenten. Artikel 49
Aanvullend-tier 1-instrumenten 1.
Kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als de
volgende voorwaarden zijn vervuld als aanvullend-tier 1-instrumenten
aangemerkt: (a)
de instrumenten zijn uitgegeven en volgestort; (b)
de instrumenten zijn niet door een van de volgende
gekocht: i) de instelling of de dochterondernemingen ervan; ii) een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm
van het eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband, van ten
minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van die onderneming; (c)
de aankoop van de instrumenten wordt niet direct of
indirect door de instelling gefinancierd; (d)
bij insolventie of liquidatie van de instelling
komen de instrumenten na tier 2-instrumenten in de rangorde; (e)
de instrumenten zijn niet met een zekerheid gedekt
of gegarandeerd door een van de volgende entiteiten: i) de instelling of de dochterondernemingen ervan;
ii) de moederinstelling of de
dochterondernemingen ervan; iii) de financiële moederholding of de
dochterondernemingen ervan; iv) de gemengde holding of de
dochterondernemingen ervan; v) de gemengde financiële holding en de
dochterondernemingen ervan; vi) een onderneming die nauwe banden heeft
met de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten; (f)
de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige
regeling, hetzij contractueel of anderszins, die de rangorde van de vordering
uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie verhoogt; (g)
de instrumenten zijn doorlopend en de bepalingen
die erop van toepassing zijn, houden voor de instelling geen prikkel in om ze
af te lossen; (h)
wanneer de voor de instrumenten geldende bepalingen
een of meer callopties bevatten, mag de calloptie naar eigen inzicht van de
uitgever worden uitgeoefend; (i)
de instrumenten kunnen uitsluitend wanneer de
voorwaarden van artikel 72 vervuld zijn en ten vroegste vijf jaar na de datum
van uitgifte worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht; (j)
de voor de instrumenten geldende bepalingen geven
noch expliciet noch impliciet aan dat de instrumenten opgevraagd, afgelost of
wederingekocht zouden kunnen worden en de instelling geeft dit niet anderszins
aan; (k)
de instelling geeft noch expliciet noch impliciet
aan dat de bevoegde autoriteit zou instemmen met een verzoek tot opvraging,
aflossing of wederinkoop van de instrumenten; (l)
uitkeringen uit hoofde van de instrumenten voldoen
aan de volgende voorwaarden: i) zij geschieden uit uitkeerbare posten; ii) het niveau van de uit hoofde van de
instrumenten verrichte uitkeringen zal niet worden aangepast op grond van de
kredietwaardigheid van de instelling, haar moederinstelling of financiële
moederholding of gemengde holding; iii) de voor de instrumenten geldende
bepalingen verlenen de instelling de bevoegdheid om geheel naar eigen inzicht
te allen tijde de uitkeringen op de instrumenten voor een onbeperkte periode en
op niet-cumulatieve basis te schrappen en de instelling mag dergelijke
geschrapte betalingen zonder beperking gebruiken om aan haar verplichtingen te
voldoen wanneer deze vervallen; iv) het schrappen van uitkeringen vormt geen
wanbetaling door de instelling; v) het schrappen van uitkeringen legt de
instelling geen beperkingen op; (m)
de instrumenten dragen niet bij aan de vaststelling
dat de verplichtingen van een instelling haar activa overschrijden wanneer een
dergelijke vaststelling op grond van het toepasselijke nationale recht een
insolventietoets vormt; (n)
de voor de instrumenten geldende bepalingen
schrijven voor dat bij een triggergebeurtenis de hoofdsom van de instrumenten
wordt afgeschreven of dat de instrumenten worden omgezet in uit gewone aandelen
bestaande tier 1-instrumenten; (o)
de bepalingen betreffende de instrumenten vertonen
geen kenmerk dat de herkapitalisering van de instelling in de weg zou kunnen staan;
(p)
wanneer de instrumenten niet rechtstreeks zijn
uitgegeven door de instelling of door een operationele entiteit binnen de
consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1, de
moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde holding, zijn de
opbrensten onmiddellijk en zonder beperking in een vorm die voldoet aan de in
dit lid gestelde voorwaarden, beschikbaar voor elk van de volgende entiteiten: i) de instelling; ii) een operationele entiteit binnen de
consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1; iii) de moederinstelling; iv) de financiële moederholding; v) de gemengde holding. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van al het volgende: (a)
de vorm en aard van de prikkels tot aflossing; (b)
de aard van de afwaardering van de hoofdsom; (c)
de procedures en timing voor het volgende: i) de vaststelling dat zich een triggergebeurtenis heeft voorgedaan; ii) de kennisgeving aan de bevoegde autoriteit en de houders van het
instrument dat zich een triggergebeurtenis heeft voorgedaan en dat
overeenkomstig de voor het instrument geldende bepalingen de hoofdsom van het
instrument zal worden afgeschreven of dat het instrument zal worden omgezet in
een uit gewone aandelen bestaand tier 1-instrument, naargelang van het geval; iii) het afschrijven van de hoofdsom van het instrument of de omzetting
ervan in een uit gewone aandelen bestaand tier 1-instrument, naargelang van het
geval; (d)
kenmerken van de instrumenten die de herkapitalisering
van de instelling in de weg zouden kunnen staan; (e)
het gebruik van special purpose entities voor het
indirect uitgeven van eigenvermogensinstrumenten. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 50
Beperkingen op het schrappen van uitkeringen op aanvullend-tier 1-instrumenten
en kenmerken die de herkapitalisering van de instelling in de weg zouden kunnen
staan Voor de toepassing van artikel 49, lid 1,
onder l), v), en o), mogen de voor de aanvullend-tier 1-instrumenten geldende
bepalingen met name niet het volgende bevatten: (a)
een verplichting dat uitkeringen op de instrumenten
moeten worden gedaan wanneer een uitkering plaatsvindt op een door de
instelling uitgegeven instrument dat dezelfde of een lagere rangorde heeft als
een aanvullend tier 1-instrument, met inbegrip van een uit gewone aandelen
bestaand tier 1-instrument; (b)
een verplichting dat de betaling van uitkeringen op
uit gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten
geschrapt worden wanneer op deze aanvullend-tier 1-instrumenten geen
uitkeringen worden gedaan; (c)
een verplichting om de betaling van interest of
dividenden te vervangen door een betaling in welke andere vorm ook. De
instelling wordt niet anderszins aan een dergelijke verplichting onderworpen. Artikel 51
Afwaardering of omzetting van aanvullend-tier 1-instrumenten. Voor de
toepassing van artikel 49, lid 1, onder n), gelden de volgende bepalingen voor
aanvullend-tier 1-instrumenten: a) er vindt een triggergebeurtenis
plaats wanneer de in artikel 87, onder a), bedoelde ratio van het uit gewone
aandelen bestaande tier 1-kapitaal van de instelling een van de volgende
waarden onderschrijdt: i) 5,125 %; ii) een waarde die hoger ligt dan 5,125 %,
indien deze door de instelling is bepaald en in de voor het instrument geldende
bepalingen is gespecificeerd; b) wanneer de voor de instrumenten
geldende bepalingen voorschrijven dat bij een triggergebeurtenis de
instrumenten worden omgezet in uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten,
specificeren deze bepalingen: i) de omzettingsvoet en een maximaal
toegestaan omzettingsbedrag; of ii) een marge waarbinnen de instrumenten
zullen worden omgezet in uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten; c) indien de voor de instrumenten
geldende bepalingen voorschrijven dat wanneer zich een triggergebeurtenis
voordoet, de hoofdsom moet worden afgewaardeerd, wordt bij de afwaardering al
het volgende verlaagd: i) de vordering van de houder van het
instrument in de liquidatie van de instelling; ii) het bedrag dat moet worden betaald
ingeval het instrument wordt opgevraagd; iii) de op het instrument verrichte
uitkeringen. Artikel 52
Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor aanvullend-tier 1-instrumenten Het
volgende geldt wanneer in het geval van aanvullend-tier 1-instrumenten de
voorwaarden van artikel 49, lid 1, niet langer zijn vervuld: (a)
dat instrument wordt niet langer aangemerkt als een
aanvullend tier 1-instrument; (b)
het gedeelte van de agio’s dat op dat instrument
betrekking heeft, wordt niet langer aangemerkt als aanvullend-tier 1-bestanddelen.
Afdeling 2
Aftrek van aanvullend-tier 1-bestanddelen Artikel 53
Aftrek van aanvullend-tier 1-bestanddelen Instellingen
trekken het volgende van aanvullend-tier 1-bestanddelen af: (a)
direct en indirect bezit van een instelling aan
eigen aanvullend-tier 1-instrumenten, met inbegrip van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk
moet kopen; (b)
bezit aan aanvullend-tier 1-instrumenten van
relevante entiteiten waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die
volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de
instelling kunstmatig te verhogen; (c)
het overeenkomstig artikel 57 bepaalde
toepasselijke bedrag van het directe en indirecte bezit van een instelling aan
aanvullend-tier 1-instrumenten van relevante entiteiten, wanneer de instelling
geen significante deelneming in deze entiteiten heeft; (d)
direct en indirect bezit van de instelling aan
aanvullend-tier 1-instrumenten van relevante entiteiten, wanneer de instelling
een significante deelneming in deze entiteiten heeft, met uitsluiting van voor 5
werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities; (e)
het bedrag aan bestanddelen dat overeenkomstig
artikel 63 van de aanvullend-tier 2-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat
het tier 2-kapitaal van de instelling overschrijdt; (f)
elke belasting in verband met aanvullend-tier 1-bestanddelen
die op het ogenblik van de berekening te verwachten is, behalve wanneer de
instelling het bedrag van de aanvullend-tier 1-bestanddelen corrigeert voor
zover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen
aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen. Artikel 54
Aftrek van het bezit aan eigen aanvullend-tier 1-instrumenten Voor de
toepassing van artikel 53, onder a), berekenen instellingen hun bezit aan eigen
aanvullend-tier 1-instrumenten op basis van bruto longposities, onder
voorbehoud van de volgende uitzonderingen: (a)
instellingen mogen het bedrag van hun bezit aan
eigen aanvullend-tier 1-instrumenten in de handelsportefeuille berekenen op
basis van de netto longpositie mits de long- en shortposities op dezelfde
onderliggende positie gericht zijn en de shortposities geen tegenpartijrisico
inhouden; (b)
instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor
indirect bezit in de handelsportefeuille aan eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
in de vorm van indexeffecten, door de onderliggende positie op de in de indices
vervatte eigen aanvullend-tier 1-instrumenten te berekenen; (c)
bruto longposities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
in de handelsportefeuille die voortvloeien uit aangehouden indexeffecten mogen
door de instelling worden verrekend met shortposities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
die voortvloeien uit shortposities in de onderliggende indices, ook wanneer
deze shortposities een tegenpartijrisico inhouden. Artikel 55
Aftrek van bezit aan aanvullend-tier 1-instrumenten van relevante entiteiten
wanneer een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het
eigen vermogen kunstmatig te verhogen Instellingen voeren de in artikel 53, onder
b), c) en d), voorgeschreven aftrek uit met inachtnemig van het volgende: (a)
bezit aan aanvullend-tier 1-instrumenten wordt
berekend op basis van de bruto longposities; (b)
voor de toepassing van de aftrek worden
aanvullend-tier 1-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen behandeld
als aangehouden aanvullend-tier 1-instrumenten. Artikel 56
Aftrek van bezit aan aanvullend-tier 1-instrumenten van relevante entiteiten Instellingen
voeren de in artikel 53, onder c) en d), voorgeschreven aftrek uit met
inachtnemig van het volgende: (a)
zij berekenen het bezit aan kapitaalinstrumenten
van relevante entiteiten in de handelsportefeuille op basis van de netto
longpositie op dezelfde onderliggende positie mits de looptijd van de
shortpositie overeenkomt met de looptijd van de longpositie of een resterende
looptijd van ten minste een jaar heeft; (b)
zij bepalen het af te trekken bedrag voor indirect
bezit in de handelsportefeuille aan kapitaalinstrumenten van relevante
entiteiten in de vorm van indexeffecten door de onderliggende positie op de in
de indices vervatte kapitaalinstrumenten van de relevante entiteiten te
berekenen. Artikel 57
Aftrek van bezit aan aanvullend-tier 1-instrumenten waarbij een instelling geen
significante deelneming in een relevante entiteit heeft 1.
Voor de toepassing van artikel 53, onder c),
berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in
punt a) bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid
uit de in punt b) bedoelde berekening: (a)
het totaalbedrag waarmee het directe en indirecte
bezit van de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van relevante entiteiten 10%
overschrijdt van de uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de
instelling zoals berekend na toepassing van: i) de artikelen 29 tot en met 32; ii) artikel 33, lid 1, onder a) tot en met
g) en j) tot en met l), met uitsluiting van uitgestelde belastingvorderingen die
berusten op toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke
verschillen; iii) de artikelen 41 en 42; (b)
het bedrag van het directe en indirecte bezit van
de instelling aan aanvullend-tier 1-instrumenten van relevante entiteiten
gedeeld door het totaalbedrag van het directe en indirecte bezit van de
instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en
tier 2-instrumenten van die relevante entiteiten. 2.
De instellingen sluiten voor 5 werkdagen of minder
ingenomen overnemingsposities uit van het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag
en van de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor. 3.
Instellingen bepalen het deel van het bezit aan
aanvullend-tier 1-instrumenten dat wordt afgetrokken, door het onder a)
bepaalde bedrag te verdelen door het onder b) bepaalde bedrag: (a)
het bedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1
moet worden afgetrokken; (b)
het totaalbedrag van het directe en indirecte bezit
van de instelling aan eigenvermogensinstrumenten van relevante entiteiten
waarin de instelling geen significante deelneming heeft. Afdeling 3
Aanvullend
tier 1-kapitaal Artikel 58
Aanvullend tier 1-kapitaal Het aanvullend tier 1-kapitaal
van een instelling bestaat uit aanvullend-tier 1-bestanddelen na aftrek van de
in artikel 53 bedoelde bestanddelen en na toepassing van artikel 74. Hoofdstuk 4
Tier 2-kapitaal Afdeling 1
Tier
2-bestanddelen en -instrumenten Artikel 59
Tier 2-bestanddelen Tier 2-instrumenten bestaan uit het volgende: (a)
kapitaalinstrumenten, mits voldaan is aan de
voorwaarden van artikel 60; (b)
agio dat betrekking heeft op de in punt a) bedoelde
instrumenten; (c)
voor instellingen die de risicogewogen
positiebedragen berekenen overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II, algemene
kredietrisicoaanpassingen, exclusief belastingeffecten, van maximaal 1,25 % van
de risicogewogen uitzettingsbedragen zoals berekend overeenkomstig deel 3,
titel II, hoofdstuk 2; (d)
voor instellingen die de risicogewogen
positiebedragen berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3 van titel II, positieve
bedragen, exclusief belastingeffecten, die de uitkomst zijn van de in de
artikelen 154 en 155 vastgestelde berekening tot maximaal 0,6 % van de
risicogewogen uitzettingsbedragen zoals berekend overeenkomstig deel 3, titel
II, hoofdstuk 3. Artikel 60
Tier 2-instrumenten Kapitaalinstrumenten
worden uitsluitend als de volgende voorwaarden zijn vervuld, als tier 2-instrumenten
aangemerkt: (a)
de instrumenten zijn uitgegeven en volgestort; (b)
de instrumenten zijn niet door een van de volgende
gekocht: i) de instelling of de dochterondernemingen ervan; ii) een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm
van het eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband, van ten
minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van die onderneming; (c)
de aankoop van de instrumenten wordt niet direct of
indirect door de instelling gefinancierd; (d)
de vordering op de hoofdsom van de instrumenten is
overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten volledig achtergesteld
bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren: (e)
de instrumenten zijn niet met een zekerheid gedekt
of gegarandeerd door een van de volgende entiteiten: i) de instelling of de dochterondernemingen
ervan; ii) de moederinstelling of de
dochterondernemingen ervan; iii) de financiële moederholding of de
dochterondernemingen ervan; iv) de gemengde holding of de
dochterondernemingen ervan; v) de
gemengde financiële holding en de dochterondernemingen ervan; vi) een onderneming die nauwe banden heeft
met de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten; (f)
de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige
regeling die de rangorde van de vordering uit hoofde van de instrumenten
verhoogt; (g)
de instrumenten hebben een oorspronkelijke looptijd
van ten minste vijf jaar; (h)
de voor de instrumenten geldende bepalingen
bevatten geen prikkel voor het aflossen ervan door de instelling; (i)
wanneer de bepalingen een of meer callopties
bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgever worden
uitgeoefend; (j)
de instrumenten kunnen uitsluitend wanneer de
voorwaarden van artikel 72 vervuld zijn en ten vroegste vijf jaar na de datum
van uitgifte worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht; (k)
de bepalingen betreffende de instrumenten geven
niet aan en suggereren evenmin dat de instrumenten op een ander ogenblik dan op
de vervaldag afgelost of wederingekocht zouden kunnen worden en dit wordt
evenmin door de instelling anderszins aangegeven of gesuggereerd; (l)
de voor de instrumenten geldende bepalingen
verlenen de houder ervan niet het recht de voor de toekomst geplande betaling
van de interest of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of
liquidatie van de instelling; (m)
het niveau van de uit hoofde van de instrumenten verschuldigde
interest of dividenduitkeringen zal niet worden aangepast op grond van de
kredietwaardigheid van de instelling, haar moederinstelling of financiële
moederholding of gemengde holding; (n)
wanneer de instrumenten niet rechtstreeks zijn
uitgegeven door de instelling of door een operationele entiteit binnen de
consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1, de
moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde holding, zijn de
opbrensten onmiddellijk en zonder beperking in een vorm die voldoet aan de in
dit lid gestelde voorwaarden, beschikbaar voor elk van de volgende entiteiten: i) de instelling; ii) een operationele entiteit binnen de consolidatie overeenkomstig
hoofdstuk 2 van titel II van deel 1; iii) de moederinstelling; iv) de financiële moederholding; v) de gemengde holding. Artikel 61
Afschrijving van tier 2-instrumenten De mate
waarin tier 2-instrumenten worden aangemerkt als tier 2-bestanddelen tijdens de
laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten, wordt berekend door het
resultaat dat bereikt wordt met de onder a) vermelde berekening, te
vermenigvuldigen door het onder b) bedoelde bedrag: (a)
het nominale bedrag van de instrumenten of
achtergestelde leningen op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele
looptijd gedeeld door het aantal kalenderdagen in die periode; (b)
het aantal resterende kalenderdagen van de
contractuele looptijd van de instrumenten of achtergestelde leningen. Artikel 62
Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor
tier 2-instrumenten Het
volgende geldt wanneer in het geval van een tier 2-instrument de voorwaarden
van artikel 60 niet langer zijn vervuld: (a)
dat instrument wordt niet langer aangemerkt als een
tier 2-instrument; (b)
het gedeelte van de agio’s dat op dat instrument
betrekking heeft, wordt niet langer aangemerkt als tier 2-bestanddelen. Afdeling 2
Aftrek van tier 2-bestanddelen Artikel 63
Aftrek van tier 2-bestanddelen Het volgende wordt afgetrokken van tier 2-bestanddelen: (a)
het directe en indirecte bezit van een instelling
aan eigen aanvullend-tier 2-instrumenten, met inbegrip van eigen
aanvullend-tier 2-instrumenten die een instelling krachtens bestaande
contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen; (b)
het bezit aan tier 2-instrumenten van relevante
entiteiten waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de
bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de instelling
kunstmatig te verhogen; (c)
het overeenkomstig artikel 67 bepaalde
toepasselijke bedrag van het directe of indirecte bezit aan tier 2-instrumenten
van relevante entiteiten, wanneer een instelling geen significante deelneming
in deze entiteiten heeft; (d)
het directe en indirecte bezit van de instelling
aan tier 2-instrumenten van relevante entiteiten, wanneer de instelling een
significante deelneming in deze entiteiten heeft, met uitzondering van voor 5
werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities; Artikel 64
Aftrek van het bezit aan eigen tier 2-instrumenten en
achtergestelde leningen Voor de
toepassing van artikel 63, onder a), berekenen instellingen hun bezit aan
instrumenten op basis van bruto longposities, onder voorbehoud van de volgende
uitzonderingen: (a)
instellingen mogen het bedrag van hun bezit aan
instrumenten in de handelsportefeuille berekenen op basis van de netto
longpositie mits de long- en shortposities op dezelfde onderliggende positie
gericht zijn en de shortposities geen tegenpartijrisico inhouden; (b)
instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor
indirect bezit in de handelsportefeuille in de vorm van indexeffecten door de
onderliggende positie op de in de indices vervatte eigen tier 2-instrumenten te
berekenen; (c)
instellingen mogen bruto longposities in eigen tier
2-instrumenten in de handelsportefeuille die voortvloeien uit bezit van
indexeffecten verrekenen met shortposities in eigen tier 2-instrumenten die
voortvloeien uit shortposities in de onderliggende indices, ook wanneer deze
shortposities geen tegenpartijrisico inhouden. Artikel 65
Aftrek van bezit aan tier 2-instrumenten en achtergestelde
leningen van relevante entiteiten wanneer een instelling een wederzijdse
deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen Instellingen voeren de in artikel 63, onder
b), c) en d), voorgeschreven aftrek uit met inachtnemig van de volgende
bepalingen: (a)
bezit aan tier 2-instrumenten, waaronder
achtergestelde leningen, wordt berekend op basis van de bruto longposities; (b)
voor de toepassing van de aftrek worden bezit aan
tier 2-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen en tier 3-vermogensbestanddelen
van verzekeringsondernemingen behandeld als bezit aan tier 2-instrumenten. Artikel 66
Aftrek van het bezit aan tier 2-instrumenten en
achtergestelde leningen van relevante entiteiten Instellingen
voeren de in artikel 63, onder c) en d), voorgeschreven aftrek uit met
inachtnemig van het volgende: (a)
zij mogen het bezit aan kapitaalinstrumenten van
relevante entiteiten in de handelsportefeuille berekenen op basis van de netto
longpositie op dezelfde onderliggende uitzetting mits de looptijd van de
shortpositie overeenkomt met de looptijd van de longpositie of een resterende
looptijd van ten minste een jaar heeft; (b)
zij bepalen het af te trekken bedrag voor indirect
bezit in de handelsportefeuille aan kapitaalinstrumenten van relevante entiteiten
in de vorm van indexeffecten door de onderliggende positie op de in de indices
vervatte kapitaalinstrumenten van de relevante entiteiten te bekijken. Artikel 67
Aftrek van tier 2-instrumenten waarbij een instelling geen
significante deelneming in een relevante entiteit bezit 1.
Voor de toepassing van artikel 63, onder c),
berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het onder
a) bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de
onder b) bedoelde berekening: (a)
het totaalbedrag waarmee het directe en indirecte
bezit van de instelling aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van relevante entiteiten 10%
overschrijdt van de uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de
instelling zoals berekend na toepassing van: i) de artikelen 29 tot en met 32; ii) artikel 33, lid 1, onder a) tot en met g) en j) tot en met l), met
uitsluiting van het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen
die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit
tijdelijke verschillen; iii) de artikelen 41 en 42; (b)
het bedrag van het directe en indirecte bezit van
de instelling aan tier 2-instrumenten van relevante entiteiten gedeeld door het
totaalbedrag van het hele directe en indirecte bezit van de instelling aan uit
gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten
van die relevante entiteiten. 2.
De instellingen sluiten voor 5 werkdagen of minder
ingenomen overnemingsposities uit van het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag
en van de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor. 3.
Instellingen bepalen het deel van het bezit aan
tier 2-instrumenten dat wordt afgetrokken, door het onder a) bepaalde bedrag te
verdelen door het onder b) bepaalde bedrag: (a)
het totale bedrag van het bezit dat overeenkomstig
lid 1 moet worden afgetrokken; (b)
het totaalbedrag van het directe en indirecte bezit
van de instelling aan eigenvermogensinstrumenten van relevante entiteiten
waarin de instelling geen significante deelneming heeft. Afdeling 3
Tier 2-kapitaal Artikel 68
Tier 2-kapitaal Het tier
2-kapitaal van een instelling bestaat uit de tier 2-bestanddelen van de
instelling na de in artikel 63 bedoelde aftrek en na toepassing van artikel 74. Hoofdstuk 5
Eigen vermogen Artikel 69
Eigen vermogen Het
eigen vermogen van een instelling bestaat uit de som van haar tier 1- en tier 2-kapitaal. Hoofdstuk 6
Algemene vereisten Artikel 70
Het bezit aan kapitaalinstrumenten van gereglementeerde entiteiten die niet als
toetsingsvermogen worden aangemerkt Instellingen
trekken van welk eigenvermogensbestanddeel ook geen bezit aan instrumenten af
van in een gereglementeerde financiële entiteit in de zin van artikel 137, lid 1,
onder 4), dat niet als toetsingsvermogen van die entiteit wordt aangemerkt. Op
dit bezit aan instrumenten wordt overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II
van deel 3, naargelang van het geval, een risicogewicht toegepast. Artikel 71
Indirect bezit van instrumenten dat voortvloeit uit bezit van indexeffecten 1.
In plaats van haar positie op in indices opgenomen,
uit gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten
van relevante entiteiten te berekenen, mag een instelling, mits de bevoegde
autoriteit hier vooraf haar toestemming voor verleent, een voorzichtige raming
hanteren van de onderliggende uitzetting van de instelling op in de indices
opgenomen, uit gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten. 2.
Een bevoegde autoriteit geeft hiervoor haar
toestemming uitsluitend wanneer de instelling ten genoegen van de bevoegde
autoriteit heeft aangetoond dat het bewaken van haar onderliggende uitzetting
op in de indices opgenomen, uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van die relevante entiteiten voor de
instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van: (a)
de vereiste mate van voorzichtigheid waarmee de
ramingen worden gemaakt als alternatief voor het berekenen van de onderliggende
positie, zoals bedoeld in lid 1; (b)
de betekenis van “in operationeel opzicht
belastend” voor de toepassing van lid 2. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 72
Voorwaarden voor het verminderen van het eigen vermogen Een
instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig,
wil zij: (a)
de door de instelling uitgegeven, uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten verminderen of wederinkopen op een wijze
die door het toepasselijke nationale recht is toegestaan; (b)
aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten
vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen of wederinkopen. Artikel 73
Toestemming van de toezichthouder voor het verminderen van het eigen vermogen 1.
De bevoegde autoriteit verleent haar toestemming
voor het verminderen, wederinkopen, opvragen of aflossen van uit gewone
aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten door een
instelling als een van de volgende voorwaarden is vervuld: (a)
vroeger dan of op hetzelfde ogenblik als de in
artikel 13 bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 72 bedoelde
instrumenten door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit
tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de
instelling; (b)
de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde
autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen van de instelling na de
desbetreffende handeling de in artikel 87, lid 1, vastgestelde vereisten zou
overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit significant en passend
acht, en de bevoegde autoriteit is van oordeel dat de financiële situatie van
de instelling anderszins gezond is. 2.
Wanneer een instelling een handeling stelt als
bedoeld in artikel 72, onder a), en de weigering van de aflossing van uit
gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten als bedoeld in artikel 25 door
het toepasselijke nationale recht verboden is, kan de bevoegde autoriteit
ontheffing verlenen van de in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden, mits
de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat zij de aflossing van deze
instrumenten op een passende basis beperkt. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: (a)
de betekenis van “houdbaar voor de
inkomstencapaciteit van de instelling”; (b)
de in lid 2 bedoelde passende basis voor de
beperking van aflossing; (c)
de procedure- en gegevensvereisten voor een
aanvraag van een instelling voor de toestemming van de bevoegde autoriteit voor
het uitvoeren van een in artikel 72 vermelde handeling, met inbegrip van de
periode voor de behandeling van een dergelijke aanvraag. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 74
Tijdelijke ontheffing van de aftrek van het eigen vermogen 1.
Wanneer een instelling tijdelijk houder is van
aandelen die worden aangemerkt als uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten in een relevante entiteit en de
bevoegde autoriteit van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een
financiëlebijstandsoperatie om die entiteit te saneren en te redden, kan de
bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake
aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het begrip
"tijdelijk" voor de toepassing van lid 1 en van de voorwaarden
waaronder de bevoegde autoriteit van oordeel mag zijn dat het desbetreffende
tijdelijke bezit van instrumenten bedoeld is voor een
financiëlebijstandsoperatie om een relevante entiteit te saneren en te redden. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 75
Voortdurende evaluatie van de kwaliteit van het eigen
vermogen 1.
De EBA bewaakt de kwaliteit van over de hele Unie
door instellingen uitgegeven eigenvermogensinstrumenten en stelt de Commissie
onmiddellijk in kennis wanneer significante bewijzen bestaan van materiële
verslechtering van de kwaliteit van deze instrumenten. 2.
Een kennisgeving bevat: (a)
een gedetailleerde toelichting bij de aard en de
omvang van de geconstateerde verslechtering; (b)
technisch advies betreffende de door de Commissie
te nemen maatregelen die de EBA noodzakelijk acht. 3.
EBA verstrekt technisch advies aan de Commissie
over eventuele belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van het
eigen vermogen moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende
gevallen: (a)
relevante ontwikkelingen in marktstandaarden of
–praktijken; (b)
wijzigingen in relevante wetgeving of standaarden
voor jaarrekeningen; (c)
significante ontwikkelingen in de methoden van de
EBA voor het stresstesten van de solvabiliteit van instellingen. 4.
De EBA verstrekt uiterlijk op 31 december 2013
technisch advies aan de Commissie betreffende mogelijke andere behandelingen
van tegen reële waarde gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten dan het opnemen
ervan in uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal zonder aanpassingen. In
dergelijke aanbevelingen wordt rekening gehouden met relevante ontwikkelingen
in de internationale standaarden voor jaarrekeningen en in de internationale
overeenkomsten over prudentiële normen voor banken. Titel III
Minderheidsbelang en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend-tier 1- en
tier 2-instrumenten Artikel 76
Minderheidsbelangen die in aanmerking komen voor opname in het uit gewone
aandelen bestaand tier 1-kapitaal 1.
Onder minderheidsbelangen vallen de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten en de daaraan gerelateerde ingehouden
winsten en agio’s van een dochteronderneming indien aan de volgende voorwaarden
is voldaan: (a)
de dochteronderneming is een van de volgende
entiteiten: i) een instelling; ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht
onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau], (b)
de dochteronderneming is volledig in de
consolidatie betrokken overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1; (c)
deze uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
zijn in eigendom van andere personen dan de overeenkomstig deel 1, titel II,
hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen. 2.
Minderheidsbelangen die direct of indirect, door
middel van een special purpose entity of anderszins, zijn gefinancierd door de
moederinstelling, financiële moederholding, gemengde holding of hun
dochterondernemingen, worden niet aangemerkt als geconsolideerd uit gewone
aandelen bestaand tier 1-kapitaal. Artikel 77
In aanmerking komend aanvullend tier 1-, tier 1-, tier 2-kapitaal
en in aanmerking komend eigen vermogen Onder in aanmerking komend aanvullend tier 1-,
tier 1-, tier 2-kapitaal en eigen vermogen, vallen het minderheidsbelang, aanvullend-tier
1-, tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang van het geval, en de daaraan
gerelateerde ingehouden winsten en agio’s van een dochteronderneming indien aan
de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de dochteronderneming is een van de volgende
entiteiten: i) een instelling; ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht
onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau]; (b)
de dochteronderneming is volledig in de
consolidatie betrokken overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2; (c)
deze instrumenten zijn in eigendom van andere
personen dan de overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, in de
consolidatie betrokken ondernemingen. Artikel 78
In aanmerking komend aanvullend tier 1- en tier 2-kapitaal
dat door een special purpose entity is uitgegeven 1.
Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door
een special purpose entity worden uitgegeven, en de daaraan gerelateerde
ingehouden winsten en agio’s worden uitsluitend in het in aanmerking komend
aanvullend tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of eigen vermogen, naargelang
van het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de special purpose entity die deze instrumenten
uitgeeft, is overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, volledig in de
consolidatie betrokken; (b)
de instrumenten en de daaraan gerelateerde
ingehouden winsten en agio’s worden uitsluitend in het in aanmerking komend
aanvullend tier 1-kapitaal opgenomen indien de in artikel 49, lid 1, gestelde
voorwaarden zijn vervuld; (c)
de instrumenten en de daaraan gerelateerde
ingehouden winsten en agio’s worden uitsluitend in het in aanmerking komend
aanvullend tier 2-kapitaal opgenomen indien de in artikel 60 gestelde
voorwaarden zijn vervuld; (d)
het enige actief van de special purpose entity is
haar deelneming in het eigen vermogen van die dochteronderneming, waarvan de
vorm voldoet aan de in artikel 49, lid 1, of artikel 60, naargelang van het
geval, gestelde relevante voorwaarden. Wanneer de bevoegde autoriteit de activa van een
special purpose entity minimaal en niet-significant acht voor deze entiteit,
kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de onder d) gestelde
voorwaarde. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de in lid 1, onder d),
vermelde begrippen “minimaal” en “niet-significant”. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in
de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 79
Minderheidsbelangen die in het geconsolideerde uit gewone
aandelen bestaand tier 1-kapitaal worden opgenomen Instellingen
bepalen het bedrag aan minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in
het geconsolideerde uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal wordt
opgenomen door het onder a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het onder b)
bedoelde percentage af te trekken van de minderheidsbelangen van die
onderneming. (a)
het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal
van de dochteronderneming min de laagste waarde van een van de volgende
bedragen: i) het bedrag van het uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal van die
dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 87,
lid 1, onder a), vastgestelde vereiste en de in artikel 122, lid 2, van
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde gecombineerde
buffer; ii) het bedrag van het geconsolideerde uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal
dat op die dochteronderneming betrekking heeft, dat nodig is om te voldoen aan
de som van het in artikel 87, lid 1, onder a), vastgestelde vereiste en de in
artikel 122, lid 2, van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
bedoelde gecombineerde buffer; (b)
de minderheidsbelangen van de dochteronderneming,
uitgedrukt als percentage van alle uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van die onderneming plus de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agio’s. Artikel 80
In aanmerking komende tier 1-instrumenten die in het
geconsolideerde tier 1-kapitaal worden opgenomen Instellingen
bepalen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van een
dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1-kapitaal wordt opgenomen,
door het in punt a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het in punt b) bedoelde
percentage af te trekken van het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die
onderneming: (a)
de laagste van de volgende twee waarden: i) het bedrag van het tier 1-kapitaal van
de dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 87,
lid 1, onder b), vastgestelde vereiste en de in artikel 122, lid 2, van
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde gecombineerde
buffer; ii) het bedrag van het geconsolideerde tier
1-kapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft, dat nodig is om op
geconsolideerde basis te voldoen aan de som van het in artikel 87, lid 1, onder
b), vastgestelde vereiste en de in artikel 122, lid 2, van Richtlijn [in te
voegen door het Publicatiebureau] bedoelde gecombineerde buffer; (b)
het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van de
dochteronderneming, uitgedrukt als percentage van alle tier 1-instrumenten van
die onderneming plus de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agio’s. Artikel 81
In aanmerking komend tier 1-kapitaal dat in het geconsolideerde aanvullend tier
1-kapitaal wordt opgenomen Instellingen
bepalen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van een
dochteronderneming dat in het geconsolideerde aanvullend tier 1-kapitaal wordt
opgenomen, door de in het geconsolideerde uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal
opgenomen minderheidsbelangen van die onderneming af te trekken van het in het
geconsolideerde tier 1-kapitaal opgenomen in aanmerking komend tier 1-kapitaal
van die onderneming. Artikel 82
In aanmerking komend eigen vermogen dat in het geconsolideerde eigen vermogen
wordt opgenomen Instellingen
bepalen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een
dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen,
door het onder a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde
percentage af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die
onderneming: (a)
de laagste van de volgende twee waarden: i) het bedrag van het eigen vermogen van de
dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 87,
lid 1, onder c), vastgestelde vereiste en de in artikel 122, lid 2, van
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] bedoelde gecombineerde
buffer; ii) het bedrag van het eigen vermogen dat
op de dochteronderneming betrekking heeft, dat nodig is om op geconsolideerde
basis te voldoen aan de som van het in artikel 87, lid 1, onder c),
vastgestelde vereiste en de in artikel 122, lid 2, van Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau] bedoelde gecombineerde buffer; (b)
het in aanmerking komend eigen vermogen van de
onderneming, uitgedrukt als percentage van alle eigenvermogensinstrumenten van
de dochteronderneming die in de uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen zijn opgenomen, en de daaraan
gerelateerde ingehouden winsten en agio’s. Artikel 83
In aanmerking komende eigenvermogensinstrumenten die in het geconsolideerde
tier 2-kapitaal worden opgenomen Instellingen
bepalen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een
dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 2-kapitaal wordt opgenomen,
door het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die onderneming dat wordt
opgenomen in het geconsolideerde tier 1-kapitaal, af te trekken van het in
aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming dat wordt opgenomen in het
geconsolideerde eigen vermogen. Titel IV
Gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector Artikel 84
Risicoweging van en verbod op gekwalificeerde deelnemingen
buiten de financiële sector 1.
Een gekwalificeerde deelneming die meer dan 15%
bedraagt van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling in een
onderneming die niet een van de volgende is, is onderworpen aan de bepalingen
van lid 3: (a)
een relevante entiteit; (b)
een onderneming die geen relevante entiteit is en
naar het oordeel van de bevoegde autoriteit de volgende activiteiten uitvoert: i) werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf
liggen; of ii) nevendiensten van het bankbedrijf, iii) leasing, factoring, beheer van beleggingsfondsen, beheer van diensten
op het gebied van de gegevensverwerking, of andere, soortgelijke werkzaamheden. 2.
Het totale bedrag van de gekwalificeerde
deelnemingen van een instelling in andere dan de in lid 1, onder a) en b),
bedoelde ondernemingen dat meer dan 60 % beloopt van het in aanmerking komende
kapitaal van de instelling, is onderworpen aan de bepalingen van lid 3. 3.
De bevoegde autoriteiten passen de onder a) en b)
bepaalde vereisten toe op de in de leden 1 en 2 bedoelde gekwalificeerde
deelnemingen van instellingen: (a)
instellingen passen een
risicogewicht van 1 250 % toe op het volgende: i) het bedrag van de in lid 1 bedoelde gekwalificeerde deelnemingen dat
meer dan 15% van het in aanmerking komend kapitaal beloopt; ii) het totale bedrag van de in lid 2 bedoelde gekwalificeerde deelnemingen
dat meer dan 60% van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling
beloopt; (b)
de bevoegde autoriteiten verbieden instellingen in
de leden 1 en 2 bedoelde gekwalificeerde deelnemingen te hebben voor een bedrag
dat hoger ligt dan de in deze leden vastgestelde percentages van in aanmerking
komend kapitaal. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van: (a)
werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van
het bankbedrijf liggen; (b)
werkzaamheden die nevendiensten van het bankbedrijf
betreffen; (c)
soortgelijke werkzaamheden voor de toepassing van
lid 1, onder b) iii). De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 85
Alternatief voor een risicogewicht van 1 250 % In plaats van een risicogewicht van 1 250%
toe te passen op de bedragen die de in artikel 84, de leden 1 en 2, vermelde
limieten overschrijden, mogen instellingen deze bedragen overeenkomstig artikel
33, lid 1, onder k), aftrekken van de uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen.
Artikel 86
Uitzonderingen 1.
Aandelen van ondernemingen die niet bedoeld zijn in
lid 1, onder a) en b), worden niet betrokken in de berekening van de in artikel
84 bepaalde limieten van het in aanmerking komend kapitaal indien aan een van
de volgende voorwaarden is voldaan: a) deze aandelen worden tijdelijk gehouden
tijdens een financiële sanerings- of reddingsoperatie, b) het bezit van de aandelen is een
overnemingspositie die gedurende vijf werkdagen of minder wordt ingenomen; c) deze aandelen worden door de instelling
gehouden in eigen naam en namens anderen. 2.
Aandelen die niet het karakter van financiële vaste
activa in de zin van artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden
niet betrokken in de in artikel 84 bepaalde berekening. DEEL 3
KAPITAALVEREISTEN Titel I
Algemene vereisten, waardering en rapportage Hoofdstuk 1
Vereist niveau van het eigen vermogen Afdeling 1
Eigenvermogensvereisten voor instellingen Artikel 87
Eigenvermogensvereisten 1.
Met inachtneming van de artikelen 88 en 89 voldoen
instellingen te allen tijde aan de volgende eigenvermogensvereisten: (a)
een ratio van het uit gewone aandelen bestaand tier
1-kapitaal van 4,5%; (b)
een ratio van het tier 1-kapitaal van 6 %; (c)
een totale kapitaalratio van 8 %. 2.
Instellingen berekenen hun kapitaalratio’s als
volgt: (a)
de ratio van het uit gewone aandelen bestaande tier
1-kapitaal is het uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal van de
instelling uitgedrukt als percentage van het totale uitzettingsbedrag; (b)
de ratio van het tier 1-kapitaal is het tier 1-kapitaal
van de instelling uitgedrukt als percentage van het totale uitzettingsbedrag; (c)
de totale kapitaalratio is het eigen vermogen van
de instelling uitgedrukt als percentage van het totale uitzettingsbedrag. 3.
Het totale uitzettingsbedrag wordt berekend als de
som van de volgende punten a) tot en met f), met inachtneming van de bepalingen
van lid 4: (a)
de risicogewogen uitzettingsbedragen voor
kredietrisico en verwateringsrisico, berekend overeenkomstig deel 3, titel II,
met betrekking tot alle bedrijfsactiviteiten van een instelling, met
uitsluiting van risicogewogen uitzettingsbedragen in verband met de
handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling; (b)
de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig
titel IV van deel 3 of deel 4, naargelang van het geval, voor de
handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende: i) positierisico; ii) grote uitzettingen die de in de artikelen 384 tot en met 390 bepaalde
limieten overschrijden, voor zover een instelling deze limieten mag
overschrijden; (c)
de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig
titel IV van deel 3 of deel 4, naargelang van het geval, voor het volgende: i) het valutarisico; ii) het afwikkelingsrisico; iii) het grondstoffenrisico; (d)
de eigenvermogensvereisten, berekend overeenkomstig
titel VI voor risico van aanpassing van de kredietwaardering van andere
otc-derivaten dan die waarvan erkend wordt dat zij de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor kredietrisico verlagen; (e)
de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig
titel III van deel 3 voor operationeel risico; (f)
de risicogewogen uitzettingsbedragen, bepaald
overeenkomstig titel II van deel 3 voor tegenpartijrisico dat voortvloeit uit
de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling, voor de volgende soorten
transacties en overeenkomsten: i) afgeleide OTC-instrumenten en kredietderivaten; ii) repo's, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen op
basis van effecten of grondstoffen; iii) margeleningstransacties op basis van effecten of grondstoffen; iv) transacties met een lange afwikkelingsduur. 4.
De volgende bepalingen zijn van toepassing voor de
berekening van het in lid 3 bedoelde totale uitzettingsbedrag: a) tot in dat lid, onder c) tot en met e), bedoelde eigenvermogensvereisten
behoren ook die welke voortvloeien uit alle bedrijfsactiviteiten van een
instelling; b) instellingen vermenigvuldigen de in dat lid, onder b) tot en met e),
vermelde eigenvermogensvereisten met 12,5. Artikel 88
Aanvangskapitaalvereiste op continuïteitsbasis 4.
Het eigen vermogen van een instelling mag niet
kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning vereiste niveau van
aanvangskapitaal. 5.
Instellingen die reeds op 1 januari 1993 bestonden
en waarvan het eigen vermogen niet voldoet aan het vereiste aanvangskapitaal,
mogen hun werkzaamheden blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen van die instellingen niet kleiner
worden dan het hoogste niveau dat het sinds 22 december 1989 had bereikt. 6.
Indien de zeggenschap over een instelling die tot
de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere
natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze
instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze instelling ten minste
gelijk te zijn aan het vereiste aanvangskapitaal. 7.
Bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 2
bedoelde categorie behorende instellingen mag het eigen vermogen van de
instelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het
totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de
fusie, zolang het vereiste aanvangskapitaal niet is bereikt. 8.
Wanneer bevoegde autoriteiten het nodig achten dat
voldaan wordt aan het in lid 1 vastgestelde vereiste om de solvabiliteit van de
instelling te garanderen, zijn de bepalingen van de leden 2 tot en met 4 niet
van toepassing. Artikel 89
Afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten 1.
Instellingen mogen met betrekking tot hun
handelsportefeuilleactiviteiten het in artikel 87, lid 3, onder b), bedoelde
kapitaalvereiste vervangen door een kapitaalvereiste dat berekend wordt
overeenkomstig punt a) van dat lid, mits de omvang van hun
handelsportefeuilleactiviteiten in en buiten de balanstelling aan de volgende
voorwaarden voldoet: (a)
deze bedraagt normalerwijze minder dan 5% van de
totale activa en 15 miljoen EUR; (b)
deze bedraagt nooit meer dan 6% van de totale
activa en 20 miljoen EUR. 2.
Bij de berekening van de omvang van de activiteiten
in en buiten balanstelling worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen
marktprijs of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide
instrumenten tegen de nominale waarde of de marktwaarde van de onderliggende
instrumenten. Long- en shortposities worden samengevoegd, ongeacht of zij
positief of negatief zijn. 3.
Als een instelling niet voldoet aan de voorwaarde
van lid 1, onder b), brengt zij de bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk op
de hoogte. Wanneer de bevoegde autoriteit na een evaluatie bepaalt en de
instelling ervan in kennis stelt dat niet aan het vereiste van lid 1, onder a),
is voldaan, maakt de instelling vanaf de volgende verslagdatum niet langer
gebruik van lid 1. afdeling 2
Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met een beperkte
vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten Artikel 90
Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met een beperkte
vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten 1.
Voor de toepassing van artikel 87, lid 3, gebruiken
beleggingsondernemingen die geen vergunning hebben om de in bijlage I, afdeling
A, de punten 3 en 6, bij Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten
te verstrekken, de in lid 2 bepaalde berekening van het totale
uitzettingsbedrag. 2.
In lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen berekenen
het totale uitzettingsbedrag als het hoogste van de volgende bedragen: (a)
de som van de in artikel 87, lid 3, onder a) tot en
met d) en f), bedoelde bedragen na toepassing van artikel 87, lid 4; (b)
12,5, vermenigvuldigd door het in artikel 92
bepaalde bedrag. 3.
Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde
beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele
risico's van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau], titel VII,
hoofdstuk 3, afdeling II, onderafdeling 1. Artikel 91
Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal
aanhouden zoals bepaald in artikel 29 van Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] 1.
Voor de toepassing van artikel 87, lid 3, gebruiken
beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal aanhouden zoals bepaald in artikel
29 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau], de in lid 2 bepaalde
berekening van het totale uitzettingsbedrag: (a)
beleggingsondernemingen die voor eigen rekening
uitsluitend handelen om orders van cliënten in te willigen of uit te voeren of
om toegang te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem of een
erkende beurs in de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order
van een cliënt; (b)
beleggingsondernemingen die geen gelden of effecten
aanhouden; (c)
beleggingsondernemingen die uitsluitend voor eigen
rekening handelen; (d)
beleggingsondernemingen die geen externe cliënten
hebben; (e)
beleggingsondernemingen waarvan de uitvoering en
afwikkeling van de transacties plaatsvinden onder verantwoordelijkheid en
garantie van een clearinginstelling. 2.
Voor in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen
wordt het totale uitzettingsbedrag berekend als de som van de volgende
bedragen: (a)
de punten a) tot en met d) en f) van artikel 87,
lid 3, na toepassing van artikel 87, lid 4; (b)
het in artikel 92 bedoelde bedrag, vermenigvuldigd
door 12,5. 3.
Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde
beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele
risico's van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau], titel VII,
hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1. Artikel 92
Eigen vermogen op basis van vaste kosten 1.
Overeenkomstig de artikelen 90 en 91 houdt een
beleggingsonderneming in aanmerking komend kapitaal aan van ten minste een
kwart van de vaste kosten van de beleggingsondernemingen voor het voorgaande
jaar. 2.
Wanneer sprake is van een verandering in de
activiteiten van een beleggingsonderneming sinds het voorgaande jaar die de
bevoegde autoriteit van materieel belang acht, kan de bevoegde autoriteit het
vereiste van lid 1 aanpassen. 3.
Wanneer de onderneming haar werkzaamheden niet
gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van
bedrijfsaanvang) houdt de beleggingsonderneming in aanmerking komend kapitaal
aan van ten minste een kwart van het in haar programma van werkzaamheden
begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteit een aanpassing
van dit programma verlangt. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de nadere specificatie van het volgende: (a)
de berekening van het vereiste in aanmerking komend
kapitaal van ten minste een kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar; (b)
de voorwaarden voor de aanpassing door de bevoegde
autoriteit van het vereiste in aanmerking komend kapitaal van ten minste een
kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar; (c)
de berekening van het begrote cijfer voor vaste
kosten wanneer een beleggingsonderneming haar werkzaamheden niet gedurende een
volledig jaar heeft uitgeoefend. De EBA legt die ontwerpen van technische regelgevingsnormen
uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 93
Eigen vermogen voor beleggingsondernemingen op
geconsolideerde basis 1.
Voor in artikel 90, lid 1, bedoelde
beleggingsondernemingen in een groep, ingeval er geen kredietinstellingen tot
deze groep behoren, past een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat
artikel 87 op geconsolideerd niveau als volgt toe: (a)
door de in artikel 90, lid 2, bepaalde berekening
van het totale uitzettingsbedrag toe te passen; (b)
het eigen vermogen, berekend op basis van de
geconsolideerde financiële situatie van de moederbeleggingsonderneming. 2.
Voor in artikel 91, lid 1, bedoelde
beleggingsondernemingen in een groep, ingeval er geen kredietinstellingen tot
deze groep behoren, past een beleggingsonderneming die onder zeggenschap staat
van een financiële holding, artikel 87 op geconsolideerd niveau als volgt toe: (a)
zij past de in artikel 91, lid 2, bepaalde
berekening van het totale uitzettingsbedrag toe; (b)
het eigen vermogen, berekend op basis van de
geconsolideerde financiële situatie van de moederbeleggingsonderneming. Hoofdstuk 2
Vereisten voor berekening en rapportage Artikel 94
Waardering De actiefposten en de posten buiten de
balanstelling worden gewaardeerd overeenkomstig het kader voor financiële
verslaggeving dat krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 en Richtlijn 86/635/EEG
op de instelling van toepassing is. Artikel 95
Rapportage inzake eigenvermogensvereisten 1.
Instellingen die hun eigenvermogensvereisten voor
positierisico berekenen, brengen ten minste om de drie maanden over deze
eigenvermogensvereisten verslag uit. Deze rapportage voorziet ook in financiële
informatie die is opgesteld overeenkomstig het kader voor financiële
verslaggeving dat krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 en Richtlijn 86/635/EEG
op de instelling van toepassing is, voor zover dit noodzakelijk is om een
volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de activiteiten van de
instelling. De rapportage door instellingen inzake de in
artikel 87 vastgestelde verplichtingen moet ten minste tweemaal per jaar
plaatsvinden. Instellingen delen de resultaten en alle gevraagde
desbetreffende gegevens mee aan de bevoegde autoriteiten. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter bepaling van de uniforme formats, frequenties en data van
de rapportage, alsook van de IT-oplossingen die voor deze rapportage moeten
worden toegepast. De
rapportageformats dienen in verhouding te staan tot de aard, de schaal en de
complexiteit van de activiteiten van de instellingen. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde uitvoeringsnormen overeenkomstig de in artikel 15
van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 96
Specifieke rapportageverplichtingen 1.
Instellingen rapporteren de volgende gegevens aan
de bevoegde autoriteiten: (a)
verliezen die voortvloeien uit leningen die
gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed tot 80 % van de
marktwaarde of tot 80% van de waarde van de hypothecaire lening in een gegeven
jaar, tenzij anders besloten overeenkomstig artikel 119, lid 2; (b)
de totale verliezen die voortvloeien uit leningen
die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed in een gegeven jaar; (c)
verliezen die voortvloeien uit leningen die
gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed tot 50 % van de marktwaarde of
60% van de waarde van de hypothecaire lening in een gegeven jaar, tenzij anders
besloten overeenkomstig artikel 119, lid 2; (d)
de totale verliezen die voortvloeien uit leningen
die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed in een gegeven jaar; 2.
De bevoegde autoriteiten publiceren jaarlijks op
geaggregeerde basis de in lid 1, onder a) tot en met d), bepaalde gegevens,
samen met historische gegevens, indien deze beschikbaar zijn. Een bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek van
een andere bevoegde autoriteit in een lidstaat of van de EBA aan die bevoegde
autoriteit of de EBA meer gedetailleerde informatie over de staat van de
markten voor niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed in die lidstaat. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: (a)
uniforme formats, frequenties en data voor de
rapportage van de in lid 1 bedoelde gegevens; (b)
de uniforme formats, frequenties en data voor de
publicatie van de in lid 2 bedoelde geaggregeerde gegevens. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische
uitvoeringsnormen overeenkomstig de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Hoofdstuk 3
Handelsportefeuille Artikel 97
Vereisten voor de handelsportefeuille 1.
Posities in de handelsportefeuille zijn ofwel vrij
van beperkingen op de verhandelbaarheid ervan of afdekbaar. 2.
De intentie om te handelen blijkt uit de
strategieën, beleidsmaatregelen en procedures die door de instelling in het leven
zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig artikel 98 te
beheren. 3.
Instellingen zorgen voor de inrichting en
instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille
overeenkomstig de artikelen 99 en 100 te beheren. 4.
Instellingen mogen interne afdekkingsinstrumenten
betrekken in de berekening van kapitaalvereisten voor positierisico mits deze
worden aangehouden met de intentie om te handelen en aan de vereisten van de
artikelen 98 tot en met 101 is voldaan. Artikel 98
Beheer van de handelsportefeuille Bij het beheer van haar posities of groepen
van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende
vereisten: (a)
ten aanzien van de betrokken posities, instrumenten
of portefeuilles beschikt de instelling over een goed gedocumenteerde en door
de directie goedgekeurde handelsstrategie, in het kader waarvan onder andere
een verwachte periode voor het innemen van posities of het aanhouden van
instrumenten of portefeuilles is vastgesteld; (b)
voor het actieve beheer van de ingenomen posities
die door een tradingafdeling mogen worden ingenomen, beschikt de instelling
over duidelijk omschreven gedragslijnen en procedures. Deze gedragslijnen en
procedures bepalen onder meer: i) welke posities door welke
tradingafdeling mogen worden ingenomen; ii) welke positielimieten gelden en hoe de
adequaatheid ervan wordt bewaakt; iii) dat handelaars met inachtneming van de
vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen en beheren binnen de
overeengekomen limieten; iv) dat in het kader van het
risicomanagement van de instelling aan de hoogste directie wordt gerapporteerd
over de ingenomen posities; v) dat de ingenomen posities actief worden
bewaakt op basis van marktinformatiebronnen en het voorwerp uitmaken van
beoordeling ten aanzien van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van
posities of de risicocomponenten ervan, en in het bijzonder wat betreft de
beoordeling, de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor
het waarderingsproces, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de
op de markt verhandelde posities; (c)
de instelling beschikt over duidelijk omschreven
gedragslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie
van de instelling, die onder meer voorzien in het bewaken van de omzet en van
posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde periode voor het aanhouden van de
positie overschreden is. Artikel 99
Opneming in de handelsportefeuille 1.
Instellingen beschikken over duidelijk omschreven
beleidslijnen en procedures om te bepalen welke posities voor de berekening van
hun kapitaalvereisten worden opgenomen in de handelsportefeuille,
overeenkomstig de vereisten van artikel 97 en de definitie van de
handelsportefeuille in artikel 4, het vermogen en de praktijk van de instelling
op het gebied van risicomanagement in overweging nemend. De naleving van deze
beleidslijnen en van deze procedures wordt volledig door de instelling
gedocumenteerd en periodiek aan een interne controle onderworpen. 2.
Instellingen beschikken over duidelijk omschreven
beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de
handelsportefeuille. Deze gedragslijnen en procedures regelen ten minste: (a)
de werkzaamheden die de instelling met het oog op
de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de
handelsportefeuille beschouwt; (b)
de mate waarin een positie dagelijks tegen
marktprijs gewaardeerd kan worden met verwijzing naar een actieve, liquide
tweerichtingsmarkt; (c)
voor posities die op basis van een
modellenbenadering worden gewaardeerd, de mate waarin de instelling in staat
is: i) alle materiële risico's van de positie
te bepalen; ii) alle materiële risico's van de positie
af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide
tweerichtingsmarkt bestaat; iii) betrouwbare ramingen af te leiden voor
de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters; (d)
de mate waarin een instelling in staat en verplicht
is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze
kunnen worden gevalideerd; (e)
de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere
operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten op korte
termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen; (f)
de mate waarin een instelling in staat en verplicht
is om de risico’s van de posities in het kader van haar commerciële
werkzaamheden actief te beheren; (g)
de mate waarin de instelling risico's of posities
kan overdragen tussen de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille en
de criteria voor dit soort overdrachten. Artikel 100
Vereisten voor voorzichtige waardering 1.
Op alle in de handelsportefeuille opgenomen
posities worden de in dit artikel bepaalde normen voor voorzichtige waardering
toegepast. Instellingen dragen er in
het bijzonder zorg voor dat de voorzichtige waardering van hun in de
handelsportefeuille opgenomen posities een passende mate van zekerheid bereikt,
rekening houdende met het dynamische karakter van de desbetreffende posities,
de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkingswijze en
doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de in de
handelsportefeuille opgenomen posities. 2.
De instellingen zorgen voor de inrichting en
instandhouding van toereikende systemen en controles om voorzichtige en
betrouwbare waarderamingen voort te brengen. Deze systemen en controles bestaan minimaal uit: (a)
gedocumenteerde gedragslijnen en procedures voor
het waarderingsproces. Dit omvat de volgende aspecten: duidelijke afbakening
van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering
betrokken zijn, marktinformatiebronnen en beoordeling van de deugdelijkheid
ervan, richtsnoeren voor de gebruikmaking van niet-waarneembare inputs die de
aannames van de instelling weerspiegelen met betrekking tot de vraag wat
marktdeelnemers voor de prijsbepaling van de positie zouden gebruiken,
frequentie van onafhankelijke waardering, timing van slotkoersen, procedures
voor het aanpassen van waarderingen, verificatieprocedures (einde maand en ad
hoc); (b)
duidelijke, autonome (d.w.z. onafhankelijk van het
front office) rapportagelijnen voor de afdeling die verantwoordelijk is voor
het waarderingsproces. Aan het einde van de rapportageketen staat een lid
van het leidinggevend orgaan. 3.
Instellingen waarderen de in de handelsportefeuille
opgenomen posities ten minste dagelijks. 4.
Instellingen waarderen hun posities zoveel mogelijk
tegen marktwaarde, ook bij het toepassen van de kapitaalvereisten voor de
handelsportefeuille. 5.
Bij waardering tegen marktwaarde maakt een
instelling gebruik van de bied- of de laatprijs, naargelang van wat het
voorzichtigst is, tenzij de instelling een belangrijk market maker is in het
financiële instrument of de grondstof in kwestie en vóór het sluiten uit de
markt kan stappen. 6.
Wanneer waardering tegen marktwaarde niet mogelijk
is, waarderen instellingen hun posities/portefeuilles op voorzichtige wijze op
basis van een modellenbenadering, ook bij het berekenen van
eigenvermogensvereisten voor in de handelsportefeuille ingenomen posities. 7.
Bij het waarderen op basis van een
modellenbenadering nemen instellingen de volgende vereisten in acht: (a)
de directie draagt kennis van de bestanddelen van
de handelsportefeuille of van andere tegen reële waarde gewaardeerde posities
waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast, en is
bekend met de materialiteit van de onzekerheid die zulks met zich meebrengt
voor de rapportage over de bedrijfsrisico’s en de bedrijfsresultaten; (b)
instellingen halen inputs uit de markt die voor
zover mogelijk in overeenstemming zijn met de marktprijzen en evalueren
geregeld de relevantie van de marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd
en de parameters van het model; (c)
instellingen gebruiken waarderingsmethoden die voor
bepaalde financiële instrumenten of grondstoffen als vaste marktpraktijk worden
beschouwd, indien deze beschikbaar zijn; (d)
modellen die door de instelling zelf worden
ontwikkeld, berusten op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en
beproefd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het
ontwikkelingsproces betrokken zijn; (e)
instellingen beschikken over formele
controleprocedures voor veranderingen en bewaren een veilig exemplaar van het
model, dat zij periodiek gebruiken om waarderingen te verifiëren; (f)
de met het risicomanagement belaste personen zijn
op de hoogte van de tekortkomingen van de gebruikte modellen en weten hoe de
impact ervan op het waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt; en (g)
instellingen worden periodiek onderzocht op de
nauwkeurigheid van de modellen, onder meer door de blijvende relevantie van de
aannames te beoordelen, winst en verlies in verhouding tot risicofactoren te
analyseren en daadwerkelijke sluitprijzen met de modeluitkomsten te
vergelijken. In verband met punt d) geldt dat de
tradingafdeling niet mag worden betrokken bij de ontwikkeling en erkenning van
het model. De toetsing van het model geschiedt op onafhankelijke wijze. Dit
omvat het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie
van de computerprogrammatuur. 8.
Naast de dagelijkse waardering tegen marktprijzen
of op basis van een modellenbenadering verrichten instellingen ook
onafhankelijke prijsverificatie. Verificatie van marktprijzen en
modeluitkomsten wordt minstens maandelijks of, afhankelijk van de aard van de
markt/handelsactiviteit, met een grotere frequentie verricht door een persoon
of een eenheid die onafhankelijk is van personen of eenheden die baat hebben
bij de handelsportefeuilleactiviteiten. Wanneer geen onafhankelijke bronnen van
prijsinformatie beschikbaar zijn of de bronnen van prijsinformatie een veeleer
subjectief karakter vertonen, kunnen prudente maatregelen zoals aanpassing van
de waarderingen wenselijk zijn. 9.
Instellingen zorgen voor de instelling en
instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van
waarderingsaanpassingen. 10.
Instellingen beoordelen formeel de noodzaak van
waarderingsaanpassingen voor de volgende elementen: niet benutte
kredietspreidingswinsten, liquidatiekosten, operationele risico’s, vervroegde
beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten
en, indien van toepassing, het modelrisico. 11.
Instellingen zorgen voor de instelling en
instandhouding van procedures voor de berekening van een aanpassing van een
lopende waardering van elke minder liquide positie, die in het bijzonder kan
voortvloeien uit marktgebeurtenissen of instellingsgerelateerde situaties,
bijvoorbeeld geconcentreerde posities en/of posities waarvoor de oorspronkelijk
beoogde periode voor het aanhouden van de positie overschreden is. Instellingen
brengen waar nodig dergelijke aanpassingen aan bovenop eventuele voor
financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de
positie en ontwerpen deze aanpassing dusdanig dat de illiquiditeit van de
positie wordt weergegeven. In het kader van deze procedures houden de instellingen
bij de beoordeling of een waarderingsaanpassing voor minder liquide posities
noodzakelijk is, rekening met een aantal verschillende factoren. Deze betreffen
onder meer: (a)
de termijn die nodig is om de positie of
risicobestanddelen binnen de positie af te dekken; (b)
de volatiliteit en het gemiddelde van de spread
tussen bied- en laatprijzen; (c)
de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal
market makers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de
handelsvolumes met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen; (d)
marktconcentraties; (e)
de veroudering van posities; (f)
de mate waarin de waardering berust op een
modellenbenadering; (g)
het effect van andere modelrisico’s; 12.
Wanneer de instellingen gebruikmaken van externe
waarderingen of waardering op basis van een modellenbenadering, beoordelen zij
of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of
aanpassingen voor minder liquide posities noodzakelijk zijn. 13.
Met betrekking tot complexe producten, inclusief
securitisatieposities en n-th-to-default kredietderivaten, beoordelen de
instellingen expliciet de noodzaak van de waarderingsaanpassingen die het
modelrisico verbonden aan het gebruik van een mogelijk onjuiste taxatiemethode
en het modelrisico verbonen aan het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk
onjuiste) kalibreringsparameters in het waarderingsmodel weergeven. Artikel 101
Interne afdekkingsinstrumenten 1.
Een intern afdekkingsinstrument voldoet in het
bijzonder aan de volgende vereisten: (a)
het heeft niet in de eerste plaats tot doel om
kapitaalvereisten te ontlopen of te verminderen; (b)
het wordt naar behoren gedocumenteerd en
onderworpen aan bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en
controle; (c)
het wordt afgewikkeld tegen marktvoorwaarden; (d)
het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden
marktrisico wordt, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch
beheerd in de handelsportefeuille; (e)
het wordt zorgvuldig bewaakt. De deugdelijkheid van de bewaking wordt
gewaarborgd door middel van adequate procedures. 2.
De vereisten van lid 1 zijn van toepassing
onverminderd de kapitaalvereisten die van toepassing zijn op de afgedekte
positie in de niet-handelsportefeuille. 3.
Wanneer een instelling een kredietrisicopositie of
een tegenpartijrisicopositie in de niet-handelsportefeuille afdekt met een
kredietderivaat dat in haar handelsportefeuille is opgenomen met behulp van een
intern afdekkingsinstrument, dan mag in afwijking van de leden 1 en 2 de
kredietrisicopositie in de niet-handelsportefeuille of de
tegenpartijrisicopositie voor de berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen niet als afgedekt worden beschouwd, tenzij de instelling
van een in aanmerking komende derde protectiegever een daarmee overeenstemmend
kredietderivaat koopt dat voldoet aan de vereisten voor ongedekte
kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille. Ingeval een dergelijke protectie vanwege een derde wordt gekocht en
voor de berekening van kapitaalvereisten als een afdekkingsinstrument van een
positie in de niet-handelsportefeuille wordt erkend, wordt onverminderd artikel
293, onder h), voor de berekening van kapitaalvereisten noch het interne, noch
het externe afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat in de
handelsportefeuille opgenomen. Titel II
Kapitaalvereisten voor kredietrisico Hoofdstuk 1
Algemene beginselen Artikel 102
Benaderingen van het kredietrisico Voor de berekening van de risicogewogen posten
met het oog op de toepassing van artikel 87, lid 3, onder a) en f), volgen
instellingen ofwel de standaardbenadering als beschreven in hoofdstuk 2, ofwel
- mits de bevoegde autoriteiten daarvoor overeenkomstig artikel 138 toestemming
hebben verleend - de interne-ratingbenadering als beschreven in hoofdstuk 3. Artikel 103
Gebruik van een kredietrisicolimiteringstechniek binnen de
standaardbenadering en de interne-ratingbenadering 1.
Voor een uitzetting waarop een instelling de
standaardbenadering op basis van hoofdstuk 2 of de interne-ratingbenadering op
basis van hoofdstuk 3 toepast, maar niet gebruikmaakt van eigen ramingen van
LGD's en omrekeningsfactoren op basis van artikel 146 en 88, mag de instelling
conform hoofdstuk 4 kredietrisicolimitering gebruiken bij de berekening van de
risicogewogen uitzettingsbedragen voor de toepassing van artikel 87, lid 3,
onder a) en f), of — indien van toepassing — bij de berekening van de verwachte
verliesposten met het oog op de in artikel 33, lid 1, onder d), en artikel 59,
onder c), bedoelde berekening. 2.
Voor een uitzetting waarop een instelling de
interne-ratingbenadering toepast door haar eigen LGD-ramingen of
omrekeningsfactoren op basis van artikel 146 te gebruiken, kan de instelling
kredietrisicolimitering op basis van hoofdstuk 3 gebruiken. Artikel 104
Behandeling van gesecuritiseerde uitzettingen binnen de
standaardbenadering en de interne-ratingbenadering 1.
Als een instelling de standaardbenadering op basis
van hoofdstuk 2 hanteert voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen voor de categorie uitzettingen waarin de gesecuritiseerde
uitzettingen op basis van artikel 107 zouden zijn ondergebracht, berekent zij
het risicogewogen uitzettingsbedrag voor een securitisatiepositie
overeenkomstig de artikelen 240, 241 en 246 tot en met 253. Instellingen die de standaardbenadering gebruiken,
mogen ook de interne-beoordelingsbenadering gebruiken wanneer dit op basis van
artikel 254, lid 3, is toegestaan. 2.
Als een instelling de interne-ratingbenadering
(IRB) op basis van hoofdstuk 3 hanteert voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen voor de categorie uitzettingen waarin de gesecuritiseerde
uitzetting op basis van artikel 142 zou zijn ondergebracht, berekent zij het
risicogewogen uitzettingsbedrag overeenkomstig de artikelen 240, 241 en 254 tot
en met 261. Behalve voor de interne-beoordelingsbenadering,
waarbij de IRB-benadering uitsluitend wordt gebruikt voor een deel van de
onderliggende gesecuritiseerde uitzettingen van een securitisatie, gebruikt de
instelling de benadering die overeenstemt met het belangrijkste deel van de
onderliggende gesecuritiseerde uitzettingen van deze securitisatie. Artikel 105
Behandeling van kredietrisicoaanpassing 1.
Instellingen die de standaardbenadering toepassen,
behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 59, onder
c). 2.
Instellingen die de IRB-benadering toepassen,
behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 155. Voor de toepassing van dit artikel en de
hoofdstukken 2 en 3 vallen fondsen voor algemene bankrisico’s buiten de
algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen. 3.
Instellingen die de IRB-benadering gebruiken en de
standaardbenadering toepassen voor een deel van hun uitzettingen op
geconsolideerde of individuele basis, bepalen overeenkomstig de artikelen 143
en 145 het deel van de algemene kredietrisicoaanpassing dat wordt toegewezen
aan de behandeling van de algemene kredietrisicoaanpassing op basis van de
standaardbenadering en aan de behandeling van de algemene
kredietrisicoaanpassing op basis van de IRB-benadering en gaan daarbij als volgt
te werk: (a)
in voorkomend geval, wanneer een instelling die in
de consolidatie is betrokken, uitsluitend de IRB-benadering toepast, worden de
algemene kredietrisicoaanpassingen van deze instelling toegewezen aan de in lid
2 vermelde behandeling; (b)
in voorkomend geval, wanneer een instelling die in
de consolidatie is betrokken, uitsluitend de standaardbenadering toepast, wordt
de algemene kredietrisicoaanpassing van deze instelling toegewezen aan de in
lid 1 vermelde behandeling; (c)
de rest van de kredietrisicoaanpassing wordt op
proratabasis toegewezen naargelang van de verhouding risicogewogen
uitzettingsbedragen die respectievelijk aan de standaardbenadering en aan de
IRB-benadering onderworpen zijn. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de berekening van specifieke
kredietrisicoaanpassingen en algemene kredietrisicoaanpassingen op basis van
het relevante kader voor financiële verslaggeving voor het volgende: (a)
de uitzettingswaarde op basis van de
standaardbenadering als bedoeld in de artikelen 106 en 122; (b)
de uitzettingswaarde op basis van de IRB-benadering
als bedoeld in de artikelen 162 tot en met 164; (c)
berekening van de in artikel 155 bedoelde verwachte
verliesposten; (d)
de uitzettingswaarde voor de berekening van de
risicogewogen uitzettingsbedragen voor de in de artikelen 241 en 261 bedoelde
securitisatiepositie; (e)
de vaststelling van wanbetaling overeenkomstig
artikel 174; (f)
informatie over specifieke en algemene
kredietrisicoaanpassing zoals bedoeld in artikel 428. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde regelgevingsnormen overeenkomstig de in de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Hoofdstuk 2
Standaardbenadering Afdeling 1
Algemene beginselen Artikel 106
Uitzettingswaarde 1.
De uitzettingswaarde van een actief bestaat uit de
boekwaarde die overblijft nadat specifieke kredietrisicoaanpassingen zijn
toegepast. De uitzettingswaarde van een in bijlage I vermelde post buiten
balanstelling is het volgende percentage van haar nominale waarde na aftrek van
specifieke kredietrisicoaanpassingen. (a)
100 % bij een post met een volledig risico; (b)
50 % bij een post met een middelgroot risico; (c)
20 % bij een post met een middelgroot/laag risico
en (d)
0 % bij een post met een laag risico. De in de tweede zin van de eerste alinea genoemde
posten buiten de balanstelling worden ondergebracht in de risicocategorieën
zoals aangegeven in bijlage I. Als een instelling krachtens artikel 218 de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden (financial collateral
comprehensive method) hanteert, wordt de uitzettingswaarde van effecten of
grondstoffen die in het kader van een repo, een transactie inzake opgenomen of
verstrekte effecten- of grondstoffenleningen of een margeleningstransactie
worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, verhoogd met de
volatiliteitsaanpassing die op deze effecten of grondstoffen is afgestemd
overeenkomstig de artikelen 218 tot en met 220. 2.
Voor de bepaling van de uitzettingswaarde van een
in bijlage II vermeld afgeleid instrument wordt artikel 6 gehanteerd, waarbij
voor de toepassing van deze methoden op basis van hoofdstuk 6 rekening wordt
gehouden met de gevolgen van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere
verrekeningsovereenkomsten. De
uitzettingswaarde van repo's, transacties inzake verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn
en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk 6 of
hoofdstuk 4. 3.
Als een uitzetting door een volgestorte
kredietprotectie is gegarandeerd, mag de uitzettingswaarde van deze post op
basis van hoofdstuk 4 worden aangepast. Artikel 107
Uitzettingscategorieën Elke uitzetting wordt ondergebracht in een van
de volgende uitzettingscategorieën: (a)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
centrale overheden of centrale banken; (b)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
regionale of lagere overheden; (c)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
publiekrechtelijke lichamen; (d)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
multilaterale ontwikkelingsbanken; (e)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
internationale organisaties; (f)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
instellingen; (g)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
ondernemingen; (h)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
particulieren en op kleine partijen; (i)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen die
gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed; (j)
uitzettingen waarbij sprake is van wanbetaling; (k)
vorderingen in de vorm van gedekte obligaties; (l)
securitisatieposities; (m)
vorderingen op instellingen en ondernemingen met
een kredietbeoordeling op de korte termijn; (n)
vorderingen in de vorm van rechten van deelneming
of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (ICB); (o)
posities in aandelen; (p)
overige posten. Artikel 108
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen 1.
Voor de berekening van de risicogewogen uitzettingsbedragen
worden risicogewichten toegepast op alle uitzettingen, tenzij deze
overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2 van het eigen vermogen worden
afgetrokken. Het risicogewicht dat
wordt toegepast, hangt af van de categorie waarin de uitzetting is ondergebracht,
en, in de mate als bepaald in afdeling 2, van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de
kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen (hierna
“EKBI´s” genoemd), zoals omschreven in artikel 130, of de kredietbeoordelingen
van exportkredietverzekeringsmaatschappijen worden gebruikt. 2.
Voor de toepassing van een risicogewicht als
bedoeld in lid 1, wordt de waarde van de uitzetting vermenigvuldigd met het
risicogewicht dat op basis van onderafdeling 2 is voorgeschreven of
vastgesteld. 3.
Als een uitzetting door kredietprotectie is
gegarandeerd, mag het op deze post toepasselijke risicogewicht op basis van
hoofdstuk 4 worden aangepast. 4.
Bij gesecuritiseerde uitzettingen worden de
risicogewogen uitzettingsbedragen berekend op basis van hoofdstuk 5. 5.
Uitzettingen waarvoor in afdeling 2 geen
voorschriften voor de berekening zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht
van 100 %. 6.
Met uitzondering van uitzettingen waardoor
verplichtingen ontstaan in de vorm van uit gewone aandelen bestaande,
aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen, mag een instelling, met de
toestemming van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van
dit artikel niet toe te passen op de uitzettingen van deze instelling op een
tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een
dochteronderneming van haar moederonderneming is, dan wel een onderneming die
verbonden is door een band zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG. Bevoegde autoriteiten worden gemachtigd een
dergelijke alternatieve methode toe te staan als aan de volgende voorwaarden is
voldaan: (a)
de tegenpartij is een instelling, een financiële
holding of een gemengde financiële holding, financiële instelling,
vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop
prudentiële vereisten van toepassing zijn; (b)
de tegenpartij en de instelling zijn opgenomen in
dezelfde volledige consolidatie; (c)
de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde
risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de instelling; (d)
de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat
als de instelling; (e)
er is geen feitelijke of juridische belemmering van
materieel belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van
eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de tegenpartij aan de
instelling kan verhinderen. Indien de instelling overeenkomstig dit lid
besluit de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kent het een risicogewicht
van 0% toe. 7.
Met uitzondering van uitzettingen waardoor
verplichtingen ontstaan in de vorm van uit gewone aandelen bestaande,
aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen, is het instellingen toegestaan, met
de toestemming van de bevoegde autoriteiten, de vereisten van lid 1 van dit
artikel niet toe te passen op de uitzettingen op tegenpartijen die aangesloten
zijn bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel, d.w.z. een contractuele of
verplichte aansprakelijkheidsregeling waardoor de instellingen beschermd worden
en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden
om faillissement te voorkomen. Bevoegde
autoriteiten worden gemachtigd een dergelijke alternatieve methode toe te staan
als aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
er is voldaan aan de vereisten zoals bedoeld in de
punten a), d) en e) van lid 6; (b)
door de regelingen wordt gewaarborgd dat het
institutioneel protectiestelsel in staat is uit fondsen waarover het vrijelijk
kan beschikken, de steun te verlenen die noodzakelijk is in het kader van zijn
verbintenis; (c)
het in punt b) bedoelde institutioneel
protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven
systemen voor het toezicht op en de classificering van risico's (die een
compleet overzicht bieden van de risicosituaties van de individuele leden en
van het institutioneel protectiestelsel als geheel) met dienovereenkomstige
mogelijkheden tot ingrijpen; via deze systemen worden overeenkomstig artikel 174,
lid 1, uitzettingen met een betalingsachterstand op passende wijze bewaakt; (d)
het institutioneel protectiestelsel voert zijn
eigen risico-onderzoek uit waarvan de resultaten aan de individuele leden
worden medegedeeld; (e)
het institutioneel protectiestelsel formuleert en
publiceert eenmaal per jaar een geconsolideerd verslag met de balans, de
resultatenrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het
institutioneel protectiestelsel als geheel, dan wel een verslag met de
geaggregeerde balans, de geaggregeerde resultatenrekening, het verslag over de
situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als
geheel; (f)
indien de leden van het institutioneel
protectiestelsel voornemens zijn het institutioneel protectiestelsel te
beëindigen, moeten zij dit ten minste 24 maanden van tevoren kenbaar maken; (g)
het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking
komen voor de berekening van het eigen vermogen (hierna „multiple gearing”
genoemd), alsook het op enigerlei wijze creëren van eigen vermogen tussen de
leden van het institutioneel protectiestelsel, wordt afgeschaft; (h)
het institutioneel protectiestelsel is gebaseerd op
breed lidmaatschap van kredietinstellingen met een voornamelijk homogeen
bedrijfsprofiel, en (i)
de toereikendheid van de onder d) bedoelde systemen
moet worden goedgekeurd en regelmatig gecontroleerd door de ter zake bevoegde
autoriteiten. Indien de instelling overeenkomstig dit lid
besluit de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kent het een risicogewicht
van 0% toe. 8.
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen
die voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdrage van een instelling aan het
wanbetalingsfonds van een ctp en handelsuitzettingen op een ctp worden bepaald
overeenkomstig de artikelen 296 tot en met 300, naargelang van het geval. Afdeling 2
Risicogewichten Artikel 109
Uitzettingen op centrale overheden of centrale banken 1.
Aan uitzettingen op centrale overheden en centrale
banken wordt een risicogewicht van 100% toegekend, tenzij de in de leden 2 tot
en met 5 vermelde behandelingen van toepassing zijn. 2.
Aan uitzettingen op centrale overheden en centrale
banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen externe
kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, wordt conform tabel 1 een
risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de
erkende EKBI overeenkomstig artikel 131. Tabel 1 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 0 % || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 150 % 3.
Aan uitzettingen op de Europese Centrale Bank wordt
een risicogewicht van 0 % toegekend. 4.
Aan uitzettingen op de centrale overheden en de
centrale banken van de lidstaten die luiden in de nationale valuta en die
gefinancierd zijn in de nationale valuta van die centrale overheid en centrale
bank, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend. 5.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land
met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de
stelsels die in de Unie worden toegepast, aan in de nationale valuta luidende
en gefinancierde uitzettingen op hun centrale overheid en centrale bank een
lager risicogewicht toekennen dan in de leden 1 en 2 is aangegeven, mogen
instellingen het risicogewicht van dergelijke uitzettingen op dezelfde wijze
vaststellen. Voor de toepassing van dit lid mag de Commissie
middels uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 447, lid 2,
genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en
regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die
in de Unie worden toegepast. Zolang
een dergelijk besluit niet is genomen, mogen instellingen tot 1 januari 2014 de
in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen wanneer
de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2013 hadden
aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling. Artikel 110
Uitzettingen op regionale of lokale overheden 1.
Aan uitzettingen op regionale of lokale overheden
wordt hetzelfde risicogewicht toegekend als aan uitzettingen op instellingen,
tenzij zij worden behandeld als uitzettingen op centrale overheden op basis van
de leden 2 tot en met 4. De
preferentiële behandeling van de in artikel 115, lid 2, en artikel 114, lid 2,
gespecificeerde kortlopende uitzettingen wordt niet toegepast. 2.
Uitzettingen op regionale of lokale overheden
worden behandeld als uitzettingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied
deze gevestigd zijn, indien er tussen deze uitzettingen geen verschil in risico
bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lagere overheden
om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels
waardoor de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter bepaling van uitzettingen op regionale en lokale
overheden die op basis van de in de vorige alinea vermelde criteria worden
behandeld als uitzettingen op centrale overheden; De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Voordat de in de vorige alinea bedoeld technische
normen van kracht worden, mogen instellingen de in de eerste alinea beschreven
behandeling blijven toepassen indien de bevoegde autoriteiten deze behandeling
vóór 1 januari 2013 hebben toegepast. 3.
Uitzettingen op kerken of godsdienstige
gemeenschappen die een rechtspersoon van publiek recht zijn, worden, voor zover
deze instellingen belastingen heffen overeenkomstig de wetgeving die hun
daartoe het recht verleent, behandeld als uitzettingen op regionale en lokale
overheden. Lid 2 is evenwel niet van
toepassing. In dit geval wordt voor
de toepassing van artikel 145, lid 1, onder a), de toestemming tot toepassing
van de standaardbenadering niet uitgesloten. 4.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land
met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de
stelsels die in de Unie worden toegepast, uitzettingen op regionale of lokale
overheden behandelen als uitzettingen op hun centrale overheid en er geen
verschil in risico bestaat tussen dergelijke uitzettingen vanwege de
bevoegdheden van de regionale of lokale overheden om inkomsten te verwerven en
het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke
blijven te verminderen. mogen instellingen het risicogewicht van de betrokken
regionale en lokale overheden op dezelfde wijze vaststellen. Voor de toepassing van dit lid mag de Commissie
middels uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 447, lid 2,
genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en
regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die
in de Unie worden toegepast. Zolang
een dergelijk besluit niet is genomen, mogen instellingen tot 1 januari 2014 de
in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen wanneer
de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2013 hadden
aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling. 5.
Aan andere dan in de leden 2 tot en met 4 bedoelde
uitzettingen op regionale of lokale overheden van de lidstaten die luiden en
gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van deze regionale en lokale
overheid, wordt een risicogewicht van 20 % toegekend. Artikel 111
Uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen 1.
Aan uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen
waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt
een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin
de uitzettingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied de statutaire
zetel van het publiekrechtelijke lichaam gelegen is, overeenkomstig de
onderstaande tabel 2 zijn ondergebracht. Tabel 2 Kredietkwaliteits-categorie waarin de centrale overheid is ondergebracht || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 100 % || 150 % Het risicogewicht van uitzettingen op
publiekrechtelijke lichamen waarvan de statutaire zetel gelegen is in landen
waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt 100%. 2.
Uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen
waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, worden
behandeld op basis van artikel 115. De
preferentiële behandeling van kortlopende uitzettingen wordt niet op deze publiekrechtelijke
lichamen toegepast. 3.
Aan uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen met
een oorspronkelijke looptijd van drie maanden of minder wordt een risicogewicht
van 20 % toegekend. 4.
Uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen mogen
worden behandeld als uitzettingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied
deze gevestigd zijn, indien er tussen deze uitzettingen geen verschil in risico
bestaat wegens het bestaan van een passende garantie van de centrale overheid. 5.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land
met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de
stelsels die in de Europese Unie worden toegepast, uitzettingen op
publiekrechtelijke lichamen behandelen als uitzettingen op instellingen, mogen
instellingen het risicogewicht van de uitzettingen op deze publiekrechtelijke
lichamen op dezelfde wijze vaststellen.
Voor de toepassing van dit lid mag de Commissie middels
uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 447, lid 2,
genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en
regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die
in de Unie worden toegepast. Zolang
een dergelijk besluit niet is genomen, mogen instellingen tot 1 januari 2014 de
in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen wanneer
de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2013 hadden
aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling. 6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen
ter specificatie van de publiekrechtelijke lichamen die op basis van de leden 1
en 2 kunnen worden behandeld. De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Voordat de in de eerste alinea bedoelde technische
normen van kracht worden, mogen instellingen de in het eerste lid beschreven
behandeling blijven toepassen die de bevoegde autoriteiten vóór 1 januari 2013
hebben toegepast. Artikel 112
Uitzettingen op multilaterale ontwikkelingsbanken 1.
Uitzettingen op andere dan de in lid 2 genoemde
multilaterale ontwikkelingsbanken, worden op dezelfde wijze behandeld als
uitzettingen op instellingen. De
preferentiële behandeling van de in artikel 115, lid 2, en artikel 115, lid 4,
gespecificeerde kortlopende uitzettingen wordt niet toegepast. De Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij, de
Zwarte Zee-Handels- en ontwikkelingsbank en de Midden-Amerikaanse Bank voor
economische integratie worden als een multilaterale ontwikkelingsbank
aangemerkt. 2.
Aan uitzettingen op de volgende multilaterale
ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0 % toegekend: (a)
de Internationale Bank voor Herstel en
Ontwikkeling; (b)
de Internationale Financieringsmaatschappij; (c)
de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank; (d)
de Aziatische Ontwikkelingsbank; (e)
de Afrikaanse Ontwikkelingsbank; (f)
De Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa; (g)
de Nordic Investment Bank; (h)
de Caraïbische Ontwikkelingsbank; (i)
de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling; (j)
de Europese Investeringsbank; (k)
het Europees Investeringsfonds; (l)
het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties; (m)
de Internationale Financieringsfaciliteit voor
Inenting; (n)
de Islamitische Ontwikkelingsbank. 3.
Aan het niet-gestorte gedeelte van het geplaatst
kapitaal van het Europees Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20 %
toegekend. Artikel 113
Uitzettingen op internationale organisaties Aan uitzettingen op de volgende internationale
organisaties wordt een risicogewicht van 0 % toegekend: (a)
de Europese Unie; (b)
het Internationaal Monetair Fonds; (c)
de Bank voor Internationale Betalingen; (d)
De Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (e)
een internationale financiële instelling die door
twee of meer lidstaten is opgericht, die als doel heeft middelen bijeen te
brengen en financiële bijstand te verlenen ten behoeve van leden die ernstige
financieringsproblemen ondervinden of daardoor bedreigd worden. Artikel 114
Uitzettingen op instellingen 1.
Op uitzettingen op instellingen waarvoor een
kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een
risicogewicht toegepast op basis van artikel 115. Op uitzettingen op instellingen waarvoor geen kredietbeoordeling van
een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegepast op basis
van artikel 116. 2.
Aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde
uitzettingen op instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie
maanden wordt een risicogewicht toegekend dat één klasse slechter is dan het in
artikel 109, de leden 4 en 5, beschreven preferentiële risicogewicht dat aan
uitzettingen op de centrale overheid wordt toegekend. 3.
Het risicogewicht van in de nationale valuta van de
leningnemer luidende en gefinancierde uitzettingen met een resterende looptijd
van ten hoogste drie maanden bedraagt ten minste 20 %. 4.
Aan een uitzetting op een instelling die de vorm heeft van
door de ECB of door de centrale bank van een lidstaat voorgeschreven door de
instelling aan te houden minimumreserves, mag het risicogewicht worden
toegekend dat zou worden toegekend aan uitzettingen op de centrale bank van de
lidstaat in kwestie, mits: (a)
de reserves worden aangehouden overeenkomstig Verordening
(EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake
de toepassing van reserveverplichtingen of een latere vervangende verordening,
of overeenkomstig nationale vereisten die in alle materiële opzichten
gelijkwaardig zijn aan de vereisten van die verordening; (b)
de reserves in geval van faillissement of insolventie van
de instelling waar ze worden aangehouden tijdig en volledig aan de instelling
worden terugbetaald en niet beschikbaar zijn om aan andere verplichtingen van
de instelling te voldoen. 5.
Uitzettingen op financiële instellingen waaraan vergunning
is verleend door en die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten, en
die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die gelijkwaardig zijn aan die
welke op instellingen worden toegepast, worden behandeld als uitzettingen op
instellingen. Artikel 115
Uitzettingen op instellingen met een rating 1.
Aan uitzettingen op instellingen met een resterende
looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een
aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 3 een risicogewicht
toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de erkende EKBI
overeenkomstig artikel 131. Tabel 3 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 50 % || 50 % || 100 % || 100 % || 150 % 2.
Aan uitzettingen op een instelling met een
resterende looptijd van maximaal drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling
van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 4 een risicogewicht
toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de erkende EKBI
overeenkomstig artikel 131: Tabel 4 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 20 % || 20 % || 50 % || 50 % || 150 % 3.
De interactie tussen de behandeling van
kredietbeoordelingen voor de korte termijn op basis van artikel 126 en de in
lid 2 beschreven algemene preferentiële behandeling voor kortlopende
uitzettingen verloopt als volgt: (a)
indien er voor de uitzetting geen
kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in lid 2
gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende uitzettingen
van toepassing op alle uitzettingen op instellingen met een resterende looptijd
van ten hoogste drie maanden; (b)
indien er een kredietbeoordeling voor de korte
termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht
dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de
toepassing van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling
van kortlopende uitzettingen, dan wordt uitsluitend voor deze specifieke
uitzetting van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt; voor andere kortlopende uitzettingen wordt de in lid 2 gespecificeerde
algemene preferentiële behandeling toegepast; (c)
indien er een kredietbeoordeling voor de korte
termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht
dat minder gunstig is dan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing
van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van
kortlopende uitzettingen, dan wordt geen gebruik gemaakt van de algemene
preferentiële behandeling van kortlopende uitzettingen en wordt aan alle
kortlopende uitzettingen zonder externe rating hetzelfde risicogewicht
toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de
desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn. Artikel 116
Uitzettingen op instellingen zonder rating 1.
Aan uitzettingen op instellingen waarvoor geen
kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een
risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin de
uitzettingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied de statutaire zetel
van de instelling gelegen is, overeenkomstig tabel 5 zijn ondergebracht. Tabel 5 Kredietkwaliteitscategorie waarin de centrale overheid is ondergebracht || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht van de uitzetting || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 100 % || 150 % 2.
Het risicogewicht van uitzettingen op instellingen
zonder rating waarvan de statutaire zetel gelegen is in landen waarvan de
centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt 100 %. 3.
Aan uitzettingen op instellingen zonder rating met
een oorspronkelijke effectieve looptijd van drie maanden of minder wordt een
risicogewicht van 20 % toegekend. Artikel 117
Uitzettingen op ondernemingen 1.
Aan uitzettingen waarvoor een kredietbeoordeling
van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is,
wordt conform tabel 6 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de
kredietbeoordeling van de erkende EKBI overeenkomstig artikel 131. Tabel 6 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 150 % || 150 % 2.
Aan uitzettingen waarvoor een dergelijke
kredietbeoordeling niet beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 100 % of
het risicogewicht van de centrale overheid van de onderneming toegekend, al
naargelang welk risicogewicht het hoogste is. Artikel 118
Uitzettingen op particulieren en kleine partijen Aan uitzettingen die aan de volgende criteria
voldoen, wordt een risicogewicht van 75 % toegekend: a) de uitzetting heeft betrekking op een natuurlijk persoon of natuurlijke
personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming; b) de uitzetting maakt deel uit van een groot pakket uitzettingen met
ongeveer dezelfde kenmerken zodat het risico dat aan dergelijke leningen
verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt; c) het totale bedrag dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan
de instelling en moederondernemingen en haar dochterondernemingen verschuldigd
is, maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door
zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, mag voor zover de
instelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De instelling zet redelijke stappen om de hoogte van dit bedrag te
weten. Effecten kunnen niet worden ondergebracht in de
categorie uitzettingen op particulieren en kleine partijen. De actuele waarde van de minimale
leasebetalingen in verband met consumptieve leasing kan worden ingedeeld bij de
categorie uitzettingen op particulieren en kleine partijen. Artikel 119
Door hypotheken op onroerend goed gedekte uitzettingen 1.
Aan uitzettingen of delen van uitzettingen die
volledig zijn gedekt door hypotheken op onroerend goed, wordt een risicogewicht
van 100% toegekend indien de voorwaarden van de artikelen 120 en 121 niet zijn
vervuld, behalve voor delen van de uitzettingen die bij een andere categorie
uitzettingen zijn ondergebracht. Het deel van een uitzetting dat wordt behandeld
als zijnde geheel en volledig door onroerend goed gedekt, is niet hoger dan het
in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of in die lidstaten die bij
wettelijke of bestuursrechtelijke bepaligen strikte criteria voor de
beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld, de hypotheekwaarde van
het desbetreffende onroerend goed. 2.
Op basis van de overeenkomstig artikel 96 vergaarde
gegevens en eventuele andere relevante indicatoren beoordelen de bevoegde
autoriteiten periodiek en ten minste jaarlijks of het risicogewicht van 35%
voor de in artikel 120 bedoelde uitzettingen die gedekt zijn door hypotheken op
niet-zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is gesitueerd, en het
risicogewicht van 50% voor in artikel 121 bedoelde uitzettingen die gedekt zijn
door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is
gesitueerd, geschikt zijn op basis van de ervaring met wanbetalingen op
uitzettingen die door onroerend goed zijn gedekt en rekening houdend met de
toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed en kunnen zij in
voorkomend geval op basis van overwegingen in verband met financiële
stabiliteit een hoger risicogewicht of striktere criteria dan die van artikel 120,
lid 2, en artikel 121, lid 2, vaststellen. De EBA coördineert de door de bevoegde autoriteiten uitgevoerde
beoordelingen. De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA over de
aanpassingen aan de toegepaste risicogewichten en -criteria. De EBA publiceert de risicogewichten en –criteria
die door de bevoegde autoriteiten worden vastgesteld voor de in de artikelen 120,
121 en 195 bedoelde uitzettingen. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden te specificeren die bevoegde autoriteiten
in acht nemen wanneer zij striktere risicogewichten of striktere criteria
bepalen. De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. 3.
De instellingen van een lidstaat passen de
risicogewichten en –criteria toe die door de bevoegde autoriteiten van een
andere lidstaat zijn bepaald, op uitzettingen die gedekt zijn door hypotheken
op niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed dat in die lidstaat gelegen is. Artikel 120
Uitzettingen die geheel en volledig door niet-zakelijk
onroerend goed zijn gedekt 1.
Tenzij anders beslist door de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig artikel 119, lid 2, worden uitzettingen die geheel en volledig
door niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, als volgt behandeld: (a)
aan uitzettingen of delen van uitzettingen die
geheel en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed
dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of de economische
rechthebbende in het geval van een particuliere beleggingsonderneming, wordt
een risicogewicht van 35% toegekend; (b)
aan uitzettingen die geheel en volledig zijn gedekt
door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam
zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere
gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt
of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt een risicogewicht van
35 % toegekend; (c)
aan uitzettingen op een huurder in het kader van
transacties inzake leasing met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed,
volgens welke de instelling de lessor is en de huurder een koopoptie heeft,
wordt een risicogewicht van 35 % toegekend, mits de uitzetting van de instelling
geheel en volledig is gedekt door de eigendom van het onroerend goed. 2.
Voor de toepassing van lid 1 beschouwen
instellingen een uitzetting of een deel van een uitzetting uitsluitend als
geheel en volledig gedekt als aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de waarde van het onroerend goed hangt niet
materieel af van de kredietkwaliteit van de leningnemer; instellingen mogen van de bepaling van het materiële karakter van deze
afhankelijkheid situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren
een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het
betalingsgedrag van de leningnemer; (b)
het risico van de leningnemer hangt niet materieel
af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar
veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit
andere bronnen terug te betalen en bijgevolg hangt de terugbetaling van de
faciliteit niet materieel af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door
het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert; voor deze andere bronnen bepalen instellingen in
het kader van hun leningsbeleid de maximale ratio loan-to-income en verkrijgen
zij bij het verstrekken van de lening passende informatie over het
desbetreffende inkomen; (c)
er is voldaan aan de vereisten van artikel 203 en
de in artikel 224, lid 1, beschreven waarderingsregels; (d)
in lidstaten die bij wettelijke of
bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria hebben vastgesteld voor de
beoordeling van de hypotheekwaarde, bedraagt het deel van de lening waaraan het
risicogewicht van 35%, tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel 119, lid 2,
is toegekend, niet meer dan 80%, tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel 119,
lid 2, van de marktwaarde van het onroerend goed in kwestie of 80% van de hypotheekwaarde
van het onroerend goed in kwestie, tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel
119, lid 2. 3.
Voor uitzettingen die geheel en volledig gedekt
zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van
een lidstaat gelegen is, kunnen instellingen afwijken van lid 2, onder b), mits
de bevoegde autoriteit van die lidstaat informatie heeft gepubliceerd waaruit
blijkt dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds
geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met
verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden: (a)
verliezen die voortvloeien uit leningen die
gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed tot 80 % van de
marktwaarde of tot 80% van de hypotheekwaarde, tenzij anders bepaald
overeenkomstig artikel 119, lid 2, bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,3%
van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend
goed; (b)
de totale verliezen die voortvloeien uit leningen
die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed, bedragen in een
gegeven jaar niet meer dan 0,5% van de uitstaande leningen die gegarandeerd
worden door niet-zakelijk onroerend goed. 4.
Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide
in punt 3 genoemde maxima is voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt
van lid 3 en is de in punt 2, onder b), gestelde voorwaarde van toepassing
totdat in een volgend jaar aan de in lid 3 gestelde voorwaarden wordt voldaan. Artikel 121
Uitzettingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk
onroerend goed 1.
Tenzij anders beslist door de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig artikel 119, lid 2, worden uitzettingen die geheel en volledig
door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt, als volgt behandeld: (a)
aan uitzettingen of delen van uitzettingen die
geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen of andere
zakelijke panden, mag een risicogewicht van 50% worden toegekend; (b)
aan uitzettingen die geheel en volledig zijn
gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die
werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of
latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere
zakelijke panden, mag een risicogewicht van 50% worden toegekend; (c)
aan uitzettingen in het kader van transacties
inzake leasing met betrekking tot kantoren of andere zakelijke panden waarbij
de instelling de lessor is en de huurder een koopoptie heeft, wordt een
risicogewicht van 50 % toegekend, mits de uitzetting van de instelling geheel
en volledig is gedekt door de eigendom van het onroerend goed. 2.
De toepassing van lid 1 is afhankelijk van de
volgende voorwaarden: (a)
de waarde van het onroerend goed hangt niet
materieel af van de kredietkwaliteit van de leningnemer; instellingen mogen van
de bepaling van het materiële karakter van deze afhankelijkheid situaties
uitsluiten waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben
op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de
leningnemer; (b)
het risico van de leningnemer hangt niet materieel
af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar
veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit
andere bronnen terug te betalen en bijgevolg hangt de terugbetaling van de
faciliteit niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt
gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert; (c)
er is voldaan aan de vereisten van artikel 203 en
de in artikel 224, lid 1, beschreven waarderingsregels; (d)
in lidstaten die bij wettelijke of
bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria hebben vastgesteld voor de
beoordeling van de hypotheekwaarde, wordt het risicogewicht van 50 %, tenzij
anders bepaald overeenkomstig artikel 119, lid 2, toegekend aan het deel van de
lening dat niet meer dan 50 % van de marktwaarde van het onroerend goed
bedraagt of 60 %, tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel 119, lid 2, van
de hypotheekwaarde van het onroerend goed in kwestie. 3.
Voor uitzettingen die geheel en volledig gedekt
zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van een
lidstaat gelegen is, kunnen instellingen afwijken van lid 2, onder b), mits de
bevoegde autoriteit van die lidstaat informatie heeft gepubliceerd waaruit
blijkt dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds
geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met verliescijfers
die de volgende maxima niet overschrijden: (a)
verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd
worden door zakelijk onroerend goed tot 50 % van de marktwaarde of tot 60 % van
de hypotheekwaarde (tenzij anders bepaald overeenkomstig artikel 119, lid 2,)
bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,3 % van de uitstaande leningen die
gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed; (b)
de totale verliezen die voortvloeien uit leningen
die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed, bedragen in een gegeven
jaar niet meer dan 0,5 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden
door zakelijk onroerend goed. 4.
Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide
in punt 3 genoemde maxima is voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt
van lid 3 en is de in punt 2, onder b), gestelde voorwaarde van toepassing
totdat in een volgend jaar aan de in lid 3 gestelde voorwaarden wordt voldaan. Artikel 122
Uitzettingen waarbij sprake is van wanbetaling 1.
Aan het ongedekte deel van een post waarbij op
grond van artikel 174 sprake is van wanbetaling, wordt een risicogewicht
toegekend van: (a)
150 % indien de specifieke
kredietrisicoaanpassingen minder bedragen dan 20 % van het niet-gedekte
gedeelte van de uitzettingswaarde als deze specifieke kredietrisicoaanpassingen
niet werden toegepast; (b)
100 % indien de specifieke
kredietrisicoaanpassingen minstens 20% bedragen van het niet-gedekte gedeelte
van de uitzettingswaarde als deze specifieke kredietrisicoaanpassingen niet
werden toegepast; 2.
Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van de
post waarbij sprake is van wanbetaling, zijn de toelaatbare zekerheden en garanties
die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicolimitering op basis van
hoofdstuk 4. 3.
Aan uitzettingen die overeenkomstig artikel 120
geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed,
wordt een risicogewicht toegekend van 100%, exclusief waardeaanpassingen, als
op grond van artikel 174 sprake is van een wanbetaling. 4.
Aan uitzettingen die overeenkomstig artikel 121
geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed,
wordt een risicogewicht toegekend van 100%, als op grond van artikel 174 sprake
is van een wanbetaling. Artikel 123
Posten met een bijzonder hoog risico 1.
Instellingen kennen in voorkomend geval een
risicogewicht van 150% toe aan uitzettingen waaraan bijzonder hoge risico’s
verbonden zijn, met inbegrip van uitzettingen in de vorm van aandelen of
rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging. 2.
Onder uitzettingen met bijzonder hoge risico’s
vallen de volgende investeringen: a) investeringen in risicokapitaalfondsen; b) alternatieve beleggingsfondsen zoals omschreven door artikel 4, lid 1,
onder 1), van Richtlijn 2011/61/EU; c) speculatieve financiering van onroerend goed. 3.
Bij de beoordeling of aan een andere uitzetting dan
de in lid 2 bedoelde uitzetting bijzonder hoge risico’s verbonden zijn, houden
instellingen rekening met de volgende risicokenmerken: (a)
er bestaat een hoog risico op verlies als gevolg
van een wanbetaling van de debiteur; (b)
het is onmogelijk om juist in te schatten of de
uitzetting onder punt a) valt. De EBA vaardigt richtsnoeren uit om te bepalen aan
welke soorten uitzettingen en in welke omstandigheden een bijzonder hoog risico
verbonden is. De richtsnoeren worden vastgesteld overeenkomstig
artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 124
Uitzettingen in de vorm van gedekte obligaties 1.
Om in aanmerking te komen voor de in lid 3
beschreven preferentiële behandeling betekenen “gedekte obligaties” obligaties
zoals omschreven in het in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen
voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s)[23], die gegarandeerd zijn door
een van de volgende toelaatbare activa: (a)
uitzettingen op of gegarandeerd door centrale
overheden, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, regionale en lokale
overheden in de Unie; (b)
uitzettingen op of gegarandeerd door centrale
overheden van derde landen, centrale banken van derde landen, multilaterale
ontwikkelingsbanken, internationale organisaties welke in aanmerking komen voor
kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in dit hoofdstuk, en uitzettingen
op of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen van derde landen, regionale
overheden van derde landen en lokale overheden van derde landen, welke
overeenkomstig respectievelijk artikel 110, de leden 1 en 2, artikel 111, de
leden 1, 2 en 4, eenzelfde risicogewicht hebben als uitzettingen op
instellingen of centrale overheden en centrale banken en welke in aanmerking
komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in dit hoofdstuk, en
uitzettingen in de zin van dit punt welke ten minste in aanmerking komen voor
kredietkwaliteitscategorie 2 als vastgelegd in dit hoofdstuk, mits zij niet
hoger liggen dan 20 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte
obligaties van uitgevende instellingen; (c)
uitzettingen op instellingen welke in aanmerking
komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in dit hoofdstuk. Het totaalbedrag van dergelijke uitzettingen mag
niet hoger liggen dan 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte
obligaties van de uitgevende instelling. Uitzettingen die het gevolg zijn van overdrachten en beheer van
betalingen van debiteuren, of liquidatieopbrengsten, uit hoofde van door
onroerend goed gedekte leningen aan houders van gedekte obligaties, worden niet
in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 15 %. Uitzettingen op instellingen in de EU met een
looptijd van maximaal 100 dagen vallen niet onder het vereiste van categorie 1,
maar deze instellingen komen ten minste in aanmerking voor
kredietkwaliteitscategorie 2 als vastgelegd in dit hoofdstuk. De bevoegde
autoriteiten mogen na raadpleging van de EBA gedeeltelijke ontheffing verlenen
van de toepassing van punt c) en kredietkwaliteitscategorie 2 toestaan voor
maximaal 10% van de totale uitzetting van het nominale bedrag van de uitstaande
gedekte obligaties van de uitgevende instelling, mits kan worden aangetoond dat
de toepassing van het in punt c) vermelde vereiste betreffende
kredietkwaliteitscategorie 1 in de betrokken lidstaten mogelijk tot ernstige
concentratieproblemen kan leiden; (d)
leningen die gedekt zijn door niet-zakelijk
onroerend goed of aandelen in de in artikel 120, lid 1, onder b), bedoelde
Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, tot aan een waarde die de
laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder
verleende pandrechten, en 80% van de waarde van de in pand gegeven goederen, of
leningen die gedekt zijn door preferente aandelen die worden uitgegeven door
Franse "Fonds Communs de Créances" of door gelijkwaardige
securitisatie-instellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren
en die door niet-zakelijk onroerend goed gedekte uitzettingen securitiseren. Indien dergelijke preferente aandelen als dekking
worden gebruikt, zorgt het in artikel 52, lid 4 van Richtlijn 2009/65/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen
voor collectieve beleggingen in effecten (icbe's) opgenomen bijzonder
overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders ervoor dat de
onderliggende activa van deze aandelen, op ieder moment dat zij deel uitmaken
van de cover pool, voor ten minste 90% bestaat uit residentiële hypotheken die
gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot aan een waarde
die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de preferente aandelen
verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 80% van de waarde van
de in pand gegeven goederen, dat de aandelen in aanmerking komen voor de
kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in dit hoofdstuk en dat deze
aandelen niet meer bedragen dan 10% van het nominale bedrag van de uitstaande
uitgifte. Uitzettingen die het gevolg zijn van de overdracht
en het beheer van betalingen of liquidatie-opbrengsten van de debiteur van
leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan
wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, worden niet in aanmerking
genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90 %; (e)
leningen die gedekt zijn door zakelijk onroerend
goed of aandelen in de in artikel 121, lid 1, onder b), bedoelde Finse
ondernemingen voor de bouw van woningen, tot aan een waarde die de laagste is
van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende
pandrechten, en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, of leningen
die gedekt zijn door preferente aandelen die worden uitgegeven door Franse
"Fonds Communs de Créances" of door gelijkwaardige
securitisatie-instellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren
en die door zakelijk onroerend goed gedekte uitzettingen securitiseren. Indien dergelijke preferente aandelen als dekking
worden gebruikt, zorgt het in artikel 52, lid 4 van Richtlijn 2009/65/EG
opgenomen bijzonder overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders
ervoor dat de onderliggende activa van deze aandelen, op ieder moment dat zij
deel uitmaken van de cover pool, voor ten minste 90% bestaan uit commerciële
hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot
aan een waarde die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de preferente
aandelen verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 60% van de
waarde van het in pand gegeven goederen, dat de aandelen in aanmerking komen
voor de kredietkwaliteitscategorie 1 als vastgelegd in dit hoofdstuk en
dat deze aandelen niet meer bedragen dan 10% van het nominale bedrag van de
uitstaande uitgifte. Door zakelijk
onroerend goed gedekte leningen zijn ook toelaatbaar wanneer de ratio van de
lening ten opzichte van de waarde meer dan 60 % maar niet meer dan 70 %
bedraagt, op voorwaarde dat de totale waarde van de als zekerheid voor de
gedekte obligaties verschafte activa het nominale bedrag van de gedekte
obligatie met ten minste 10 % overtreft en de rechten van de obligatiehouders
voldoen aan de in hoofdstuk 4 vastgestelde rechtszekerheidsvereisten. De rechten van de obligatiehouders hebben
voorrang op alle andere zekerheidsrechten. Uitzettingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van
betalingen of liquidatie-opbrengsten van de debiteur van leningen die gedekt
zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van
terugbetaling van de schuld, worden niet in aanmerking genomen bij de
berekening van de grenswaarde van 90 %; (f)
leningen die gedekt zijn door schepen, maar alleen
ingeval de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 60
% van de waarde van het in pand gegeven schip blijven. Onder de in de punten a) tot en met f) beschreven
situaties vallen ook zekerheden die bij wetgeving uitsluitend bestemd zijn om
de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen. 2.
Voor onroerend goed dat in pand is gegeven voor
gedekte obligaties, voldoen instellingen aan de vereisten van artikel 203 en de
in artikel 224, lid 1, beschreven waarderingsregels. 3.
Aan gedekte obligaties waarvoor een
kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling
(EKBI) beschikbaar is, wordt conform tabel 6a een risicogewicht toegekend dat
overeenstemt met de kredietbeoordeling van de erkende EKBI overeenkomstig
artikel 131. Tabel 6a Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 10 % || 20 % || 20 % || 50 % || 50 % || 100 % 4.
Bij de toekenning van een risicogewicht aan gedekte
obligaties waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar
is, wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is toegekend aan preferente
niet-gedekte uitzettingen op de instelling die deze obligaties uitgeeft. Daarbij geldt tussen de desbetreffende
risicogewichten het volgende verband: (a)
indien aan de uitzettingen op de instelling een
risicogewicht van 20 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een
risicogewicht van 10 % toegekend; (b)
indien aan de uitzettingen op de instelling een
risicogewicht van 50 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een
risicogewicht van 20 % toegekend; (c)
indien aan de uitzettingen op de instelling een
risicogewicht van 100 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een
risicogewicht van 50 % toegekend; (d)
indien aan de uitzettingen op de instelling een
risicogewicht van 150 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een
risicogewicht van 100 % toegekend. 5.
Gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 werden
uitgegeven, vallen niet onder de vereisten van de leden 1 en 2. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor
de in lid 3 beschreven preferentiële behandeling. Artikel 125
Posten die securitisatieposities vertegenwoordigen Bij securitisatieposities worden de
risicogewogen uitzettingsbedragen bepaald op basis van hoofdstuk 5. Artikel 126
Uitzettingen op instellingen en ondernemingen met een
kredietbeoordeling voor de korte termijn Aan uitzettingen op instellingen en
uitzettingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte
termijn van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI)
beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt
met de kredietbeoordeling van de erkende EKBI overeenkomstig artikel 131. Tabel 7 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 50 % || 100 % || 150 % || 150 % || 150 % Artikel 127
Uitzettingen in de vorm van rechten van deelneming of
aandelen in instellingen voor collectieve belegging (ICB) 1.
Aan uitzettingen in de vorm van rechten van
deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (hierna ICB’s
genoemd) wordt een risicogewicht van 100% toegekend, tenzij de instelling de kredietrisicobeoordelingsmethode
op basis van lid 2, de doorkijkbenadering van lid 4 of de benadering van het
gemiddelde risicogewicht van lid 5 toepast indien aan de voorwaarden van lid 3
is voldaan. 2.
Aan uitzettingen in de vorm van rechten van
deelneming of aandelen in ICB's waarvoor een kredietbeoordeling van een
aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 8 een risicogewicht
toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de erkende EKBI
overeenkomstig artikel 131. Tabel 8 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 150 % || 150 % 3.
Instellingen mogen het risicogewicht voor een ICB
bepalen indien aan de volgende toelaatbaarheidscriteria is voldaan: (a)
de ICB wordt beheerd door een onderneming waarop in
een lidstaat toezicht wordt uitgeoefend of, in het geval van een ICB in een
derde land, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: i) de ICB wordt beheerd door een onderneming die onderworpen is aan
toezicht dat gelijkwaardig wordt geacht aan het toezicht waarin het Unierecht
voorziet; ii) de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is genoegzaam
gewaarborgd; (b)
het prospectus of daarmee gelijk te stellen
document van de ICB bevat het volgende: i) de categorieën activa waarin de ICB mag beleggen, ii) als er beleggingsbeperkingen gelden, wat deze zijn en hoe zij berekend
worden; (c)
over de bedrijfsactiviteiten van de ICB wordt ten
minste jaarlijks op zodanige wijze aan de bevoegde autoriteit verslag
uitgebracht dat de activa en passiva, alsmede de inkomsten en transacties over
de verslagperiode kunnen worden beoordeeld. Voor de toepassing van punt a) mag de Commissie
middels uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 447, lid 2,
genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en
regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die
in de Europese Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, mogen instellingen tot 1
januari 2014 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven
toepassen wanneer de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1
januari 2013 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling. 4.
Wanneer de instelling op de hoogte is van de
onderliggende uitzettingen van een ICB, mag zij naar deze onderliggende
uitzettingen kijken om een gemiddeld risicogewicht te berekenen voor haar
uitzettingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in de ICB
overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden. Wanneer een onderliggende positie van de ICB zelf een uitzetting in de
vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere ICB is die voldoet
aan de criteria van lid 3, mag de instelling naar de onderliggende uitzettingen
van die andere ICB kijken. 5.
Wanneer de instelling niet op de hoogte is van de
onderliggende uitzettingen van een ICB, mag zij een gemiddeld risico berekenen
voor haar uitzettingen in de vorm van een recht van deelneming of aandeel in de
ICB overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden, vanuit de aanname
dat de ICB eerst tot de op basis van haar mandaat toegestane grens belegt in de
categorieën uitzettingen waarvoor het hoogste kapitaalvereiste geldt, en
vervolgens blijft beleggen in uitzettingen waarvoor een steeds verder afnemend
kapitaalvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt. Instellingen mogen een beroep doen op de volgende
derden om overeenkomstig de in de punten 4 en 5 beschreven methoden een
risicogewicht voor de ICB te berekenen en te rapporteren: (a)
de effectenbewaarinstelling of de financiële
effectenbewaarinstelling van de ICB op voorwaarde dat de ICB uitsluitend in
effecten belegt en alle effecten bij de effectenbewaarinstelling of de
financiële instelling in bewaring geeft; (b)
voor ICB’s die niet onder punt a) vallen, de
ICB-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de ICB-beheermaatschappij voldoet aan
de in lid 3, onder a), genoemde criteria. De juistheid van de in de eerste alinea bedoelde
berekening wordt door een externe auditor bevestigd. Artikel 128
Uitzettingen in aandelen 1. De
volgende uitzettingen worden als uitzettingen in aandelen aangemerkt: a) andere uitzettingen dan schulden die een achtergestelde restvordering
op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling vormen; b) schulduitzettingen en andere effecten, partnerships, derivaten of
andere vehikels waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met
die van de uitzettingen die in punt a) zijn genoemd. 2. Aan
uitzettingen in aandelen wordt een risicogewicht van 100% toegekend, tenzij deze
overeenkomstig deel 2 moeten worden afgetrokken, wordt een risicogewicht van 250%
toegekend op basis van artikel 45, lid 2, wordt een risicogewicht van 1 250%
toegekend op basis van artikel 84, lid 3, of deze uitzettingen worden behandeld
als posten met een hoog risico op basis van artikel 123. 3. Beleggingen in door instellingen uitgegeven aandelen of
toetsingsvermogensinstrumenten worden aangemerkt als vorderingen in aandelen,
tenzij zij van het eigen vermogen worden afgetrokken of een risicogewicht van 250%
krijgen op basis van artikel 45, lid 2), of als posten met een hoog risico
worden behandeld op basis van artikel 123. Artikel 129
Andere posten 1.
Aan materiële activa in de zin van artikel 4, punt 10,
van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht van 100 % toegekend. 2.
Aan overlopende posten waarvoor de instelling niet
in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te maken wie de
tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend. 3.
Aan liquide middelen in de inningsfase wordt een
risicogewicht van 20 % toegekend. Aan
kasmiddelen en gelijkwaardige posten wordt een risicogewicht van 0 % toegekend. 4.
Aan het goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of
is toegewezen voor zover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover
staan, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend. 5.
Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van
activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die
welke toegekend zijn aan de desbetreffende activa en niet die welke gelden voor
de tegenpartijen bij de transacties. 6.
Wanneer een instelling voor een reeks uitzettingen
kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de
uitzettingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de
beëindiging van het contract met zich brengt, worden de in hoofdstuk 5
voorgeschreven risicogewichten toegekend indien voor het product een externe
kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen externe kredietbeoordeling van een
erkende EKBI beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde
uitzettingen, op n-1 uitzettingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1250 %
en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat
geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen. De n-1 uitzettingen die bij de aggregatie buiten
beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het
betreft elke uitzetting waarvoor de risicogewogen post lager is dan de
risicogewogen post voor alle uitzettingen die in de aggregatie zijn opgenomen. 7.
Bij lease-overeenkomsten is de waarde van de
uitzettingen gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. De minimumleasebetalingen zijn de betalingen
gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden
verplicht te betalen alsmede alle gunstige koopopties die naar alle
waarschijnlijkheid worden uitgeoefend. Als een andere partij dan de leasingnemer verplicht kan zijn een
betaling te verrichten in verband met de restwaarde van een geleasd onroerend goed
en deze betalingsverplichting voldoet aan de reeks voorwaarden van artikel 197
betreffende de toelaatbaarheid van protectiegevers alsook de vereisten van de
artikelen 208 tot en met 210 voor de erkenning van andere soorten garanties,
kan deze betalingsverplichting op basis van hoofdstuk 4 in aanmerking worden
genomen als ongedekte kredietprotectie. Deze uitzettingen worden overeenkomstig artikel 107 in de
desbetreffende categorie uitzettingen ondergebracht. Wanneer de uitzetting een restwaarde van geleasde activa is, wordt de
risicogewogen uitzetting als volgt berekend: 1/t * 100 % * waarde van de uitzetting, waarbij t gelijk is aan 1
of de op het dichtstbijzijnde gehele getal afgeronde resterende duur van de
lease-overeenkomst, al naargelang welke van beide getallen het hoogst is. Afdeling 3
Erkenning
en mapping van kredietbeoordelingen Onderafdeling 1
Erkenning
van EKBI’s Artikel 130
EKBI’s 1.
Een externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling
van het risicogewicht van een uitzetting op basis van dit hoofdstuk alleen
worden gebruikt als deze is afgegeven door een erkende EKBI of bekrachtigd is
door een erkende EKBI overeenkomstig Verordening nr. 1060/2009. 2.
Erkende EKBI’s zijn alle ratingbureaus die
geregistreerd of gecertificeerd zijn overeenkomstig Verordening nr. 1060/2009
en centrale banken die kredietbeoordelingen afgeven die vrijgesteld zijn van
Verordening nr. 1060/2009. 3.
De EBA publiceert een lijst van erkende EKBI’s. Onderafdeling 2
Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’s Artikel 131
Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’s 1.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van uitvoeringsnormen
om voor alle erkende EKBI’s te bepalen in welke kredietkwaliteitscategorie van
afdeling 2 de desbetreffende kredietbeoordelingen van de erkende EKBI worden
ondergebracht (“mapping”). Daarbij moeten ze objectief en consequent te werk
gaan. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie en dient zo
nodig herziene ontwerpen van technische normen in. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. 2.
Wanneer zij de mapping bepaalt, voldoet de EBA aan
de volgende vereisten: (a)
om onderscheid te maken tussen de relatieve
risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven,
gaat de EBA uit van kwantitatieve factoren zoals de wanbetalingsgraad op lange
termijn die overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is
toegekend. Voor recent opgerichte EKBI's en voor EKBI's die over nog maar
weinig wanbetalingsgegevens beschikken, vraagt de EBA de betrokken EKBI welke
wanbetalingsgraad op lange termijn volgens haar overeenkomt met alle posten
waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend; (b)
om onderscheid te maken tussen de relatieve
risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven,
gaat de EBA uit van kwalitatieve factoren zoals de groep uitgevende
instellingen die door de EKBI wordt bestreken, het spectrum van
kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend, de betekenis van elke
kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling; (c)
de EBA vergelijkt de voor elke kredietbeoordeling
van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden en vergelijkt deze
met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden
die door andere EKBI's zijn geconstateerd bij een populatie van uitgevende
instellingen waaraan een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is; (d)
wanneer de voor de kredietbeoordeling van een
specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch materieel hoger
zijn dan de referentiewaarde, brengt de EBA de kredietbeoordeling van de
betrokken EKBI onder in een hogere kredietkwaliteitscategorie van de
kredietkwaliteitbeoordelingsschaal; (e)
wanneer de EBA het met een specifieke
kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende risicogewicht heeft verhoogd en
indien de voor de kredietbeoordeling van die EKBI geconstateerde
wanbetalingsgraden niet langer systematisch wezenlijk hoger zijn dan de
referentiewaarde, besluit de EBA de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in
de oorspronkelijke kredietkwaliteitscategorie van de
kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onder te brengen. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter bepaling van de onder a) bedoelde kwantitatieve factoren,
de onder b) bedoelde kwalitatieve factoren en de in lid 2, onder c), bedoelde
referentiewaarde. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Onderafdeling 3
Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen Artikel 132
Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen 1.
Voor de toepassing van artikel 109 mogen
instellingen gebruikmaken van de kredietbeoordelingen van een
exportkredietverzekeringsmaatschappij als aan een van de volgende voorwaarden
is voldaan: (a)
het is een via een consensus tot stand gekomen
risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijen die deelnemen aan de
OESO-regeling inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde
exportkredieten; (b)
de exportkredietverzekeringsmaatschappij publiceert
haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methodologie; de
kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de acht
minimumexportverzekeringspremies (MEVP) waarin de OESO-methodologie voorziet. 2.
Aan uitzettingen waarvoor een kredietbeoordeling
van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor risicowegingsdoeleinden
wordt erkend, wordt conform tabel 9 een risicogewicht toegekend. Tabel 9 MEVP || 0 || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7 Risicogewicht || 0 % || 0 % || 20 % || 50 % || 100 % || 100 % || 100 % || 150 % 3. De
EBA vaardigt uiterlijk op 1 januari 2014 richtsnoeren uit overeenkomstig
artikel 16 van Verordening 1093/2010 met betrekking tot de exportkredietverzekeringsmaatschappijen
die overeenkomstig lid 1 door instellingen mogen worden gebruikt. Afdeling 4
Gebruik
van kredietbeoordelingen van EKBI's voor de bepaling van risicogewichten Artikel 133
Algemene vereisten Een instelling kan een of meer erkende EKBI's
aanwijzen als de EKBI's waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken voor
de bepaling van de risicogewichten die aan de actiefposten en posten buiten de
balanstelling worden toegekend. Kredietbeoordelingen
worden niet selectief gebruikt. Bij
het gebruiken van kredietbeoordelingen voldoen instellingen aan de volgende
vereisten: a) een instelling die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de
kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, hanteert deze
kredietbeoordelingen consequent voor alle uitzettingen die tot deze categorie
behoren; b) een instelling die besluit om van de kredietbeoordelingen van een
erkende EKBI gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en
consequent in de tijd toe; c) een instelling mag alleen gebruik maken van EKBI-kredietbeoordelingen
die rekening houden met alle haar zowel in hoofdsom als in rente verschuldigde
bedragen; d) indien voor een post met een externe rating slechts één
kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt van die
kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van
de desbetreffende post; e) indien voor een post met een externe rating twee kredietbeoordelingen
van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn en elk van beide kredietbeoordelingen
met een verschillend risicogewicht overeenkomt, dan wordt het hoogste
risicogewicht toegepast; f) indien voor een post met een externe rating meer dan twee
kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn, wordt verwezen naar
de twee kredietbeoordelingen die met de laagste risicogewichten overeenkomen. Indien de laagste twee risicogewichten
verschillend zijn, wordt het hoogste risicogewicht toegepast. Indien de laagste twee risicogewichten gelijk
zijn, wordt dat risicogewicht toegepast. Artikel 134
Kredietbeoordeling van uitgevende instellingen en
uitgiften 1.
Wanneer een kredietbeoordeling bestaat voor een
specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met
de post overeenkomende uitzetting deel uitmaakt, wordt van deze
kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het op die post
toepasselijke risicogewicht. 2.
Wanneer er voor een bepaalde post geen direct
toepasselijke kredietbeoordeling bestaat, maar er wel een kredietbeoordeling
bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke
uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel
uitmaakt, of er voor de uitgevende instelling een algemene kredietbeoordeling
bestaat, mag deze kredietbeoordeling in een van de volgende gevallen worden
gebruikt: (a)
deze levert een hoger risicogewicht op dan
anderszins het geval zou zijn en de uitzetting in kwestie is in alle opzichten
van gelijke of lagere rang dan het specifieke uitgifteprogramma of de
specifieke uitgiftefaciliteit, dan wel niet door zekerheden gedekte
uitzettingen van een hogere rang van die uitgevende instelling, al naargelang
het geval; (b)
deze levert een lager risicogewicht op en de
uitzetting in kwestie is in alle opzichten van gelijke of hogere rang dan het
specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, dan wel niet
door zekerheden gedekte uitzettingen van een hogere rangorde van die uitgevende
instelling, al naargelang het geval. In alle andere gevallen wordt de uitzetting als
een uitzetting „zonder rating” behandeld. 3.
De leden 1 en 2 mogen de toepassing van artikel 124
niet beletten. 4.
Kredietbeoordelingen voor uitgevende instellingen
die tot een groep behoren, mogen niet worden gebruikt als kredietbeoordeling
van een andere uitgevende instelling van dezelfde groep. Artikel 135
Kredietbeoordelingen voor de korte en de lange termijn 1.
Kredietbeoordelingen voor de korte termijn mogen
alleen worden gebruikt voor actiefposten en posten buiten de balanstelling op
korte termijn die uitzettingen op instellingen en ondernemingen
vertegenwoordigen. 2.
Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is
uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking
heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor
andere posten, behalve in de volgende gevallen: (a)
indien aan een faciliteit met een
korte-termijnrating een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, dan wordt aan
alle niet-gedekte uitzettingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht
of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150
% toegekend; (b)
indien aan een faciliteit met een
korte-termijnrating een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, dan wordt aan
geen enkele kortlopende uitzetting zonder rating een risicogewicht van minder
dan 100 % toegekend. Artikel 136
Posten luidend in nationale en buitenlandse valuta Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op
een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, mag niet worden
gebruikt voor de bepaling van een risicogewicht van een andere uitzetting op
dezelfde debiteur welke in een buitenlandse valuta luidt. Wanneer er een uitzetting ontstaat als gevolg
van de deelneming van een instelling in een lening die is verstrekt door een
multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in
de markt wordt erkend, mag voor de bepaling van het risicogewicht de
kredietbeoordeling worden gebruikt van de post die in de nationale valuta van
de debiteur luidt. Hoofdstuk 3
Interne-ratingbenadering Afdeling 1
Toestemming
van bevoegde autoriteiten voor het gebruik van de IRB-benadering Artikel 137
IRB 0
Definities 1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan
onder: (1) "ratingsysteem":
alle methoden, processen, controlemaatregelen, gegevensverzamelings- en IT-systemen
die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van uitzettingen in
ratingklassen of -groepen en de kwantificering van ramingen betreffende
wanbetalingen en verliezen ondersteunen, die voor een bepaald soort
uitzettingen zijn ontwikkeld; (2) “soort
uitzettingen": een groep homogeen beheerde uitzettingen die bestaan uit
een bepaalde soort faciliteiten en beperkt kunnen zijn tot een enkele entiteit
of een enkele subgroep van entiteiten binnen een groep, op voorwaarde dat
dezelfde soort uitzettingen in andere entiteiten van de groep anders beheerd
wordt; (3) “bedrijfseenheid”:
elke afzonderlijke organisationele of juridische entiteit, business line en
geografische locatie; (4) “gereglementeerde
financiële entiteit": een van de volgende: a) de volgende entiteiten, inclusief entiteiten van derde landen, die
soortgelijke activiteiten uitvoeren, die onderworpen zijn aan prudentieel
toezicht krachtens EU-wetgeving of wetgeving van een derde land dat vereisten
inzake prudentieel toezicht en prudentiële regelgeving toepast die ten minste
gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast: i) een kredietinstelling; ii) een beleggingsonderneming; iii) een verzekeringsonderneming; iv) een financiële holding; v) een gemengde holding. b) een andere entiteit die aan de volgende voorwaarden voldoet: i) zij voert een of meer van de activiteiten uit die vermeld staan in
bijlage I bij Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] of in bijlage
I bij Richtlijn 2004/39/EG; ii) zij is een dochteronderneming van een
gereglementeerde financiële entiteit; iii) zij is opgenomen in het prudentiële
toezicht op geconsolideerd niveau van de groep; c) een onder a), i) tot en met v) of onder
b) bedoelde entiteit die niet onderworpen is aan vereisten inzake prudentieel
toezicht en prudentiële regelgeving die minstens gelijkwaardig zijn aan die van
de Unie maar die deel uitmaakt van een groep die op geconsolideerde basis aan
die regelingen onderworpen is; (5) “grote gereglementeerde financiële
entiteit”: een gereglementeerde financiële entiteit waarvan de totale activa,
op het niveau van dat individuele bedrijf of op het geconsolideerde niveau van
de groep, groter zijn dan of gelijk aan de drempelwaarde van 70 miljard EUR,
waarbij het meest recente gecontroleerde financiële overzicht van de
moederonderneming en de geconsolideerde dochterondernemingen gebruikt wordt om
de omvang van de activa te bepalen; (6) “niet-gereglementeerde financiële
entiteit”: een andere entiteit die geen gereglementeerde entiteit is, maar een
of meer van de activiteiten uitvoert die vermeld staan in bijlage I bij
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] of in bijlage I bij
Richtlijn 2004/39/EG; (7) „debiteurenklasse”: een risicocategorie
in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin debiteuren
worden ondergebracht op grond van een gespecificeerde en welbepaalde reeks
ratingcriteria en waaruit PD-ramingen worden afgeleid; (8) "faciliteitsklasse": een
risicocategorie in een schaal voor faciliteiten van een ratingsysteem waarin
uitzettingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerde en
welbepaalde reeks ratingcriteria en waaruit ramingen van verlies bij
wanbetaling worden afgeleid; (9) “beheerder”: een instelling die het
dagelijkse beheer verzorgt van een pool van gekochte kortlopende vorderingen of
de onderliggende kredietuitzettingen. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
bevoegde autoriteiten de gelijkwaardigheid beoordelen van de in de wetgeving
van derde landen vastgestelde vereisten inzake prudentieel toezicht en
prudentiële regelgeving. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 138
Toestemming voor het gebruik van de IRB-benadering 1.
Wanneer aan de voorwaarden van dit hoofdstuk is
voldaan, staat de bevoegde autoriteit instellingen toe hun risicogewogen
uitzettingsbedragen te berekenen aan de hand van de interne-ratingbenadering
(hierna de “IRB-benadering” genoemd). 2.
Voor elk ratingsysteem, voor elke
interne-modellenbenadering die gebruikt wordt voor uitzettingen in aandelen en
voor elke benadering die gebruikt wordt voor het ramen van verlies bij
wanbetaling (Loss Given Default, hierna “LGD” genoemd) en omrekeningsfactoren,
is toestemming nodig voor het gebruik van de IRB-benadering, inclusief de eigen
ramingen van LGD en omrekeningsfactoren. 3.
Instellingen moeten de toestemming van de bevoegde
autoriteiten verkrijgen voor het volgende: (a)
wijzigingen in het toepassingsgebied van een
ratingsysteem of een internemodellenbenadering voor uitzettingen in aandelen
waarvoor de instelling de toestemming heeft gekregen; (b)
materiële wijzigingen in een ratingsysteem of een
internemodellenbenadering van uitzettingen in aandelen waarvoor de instelling
de toestemming heeft gekregen. Het toepassingsgebied van een ratingsysteem
bestrijkt alle uitzettingen van de relevante soort uitzettingen waarvoor dat
ratingsysteem werd ontwikkeld. 4.
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in
kennis van alle wijzigingen in ratingsystemen en internemodellenbenaderingen
voor uitzettingen in aandelen. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
instellingen het materiële karakter beoordelen van de wijzigingen in
ratingsystemen of internemodellenbenaderingen voor uitzettingen in aandelen in
het kader van de in lid 1 bedoelde IRB-benadering die aanvullende toestemming
en kennisgeving vereisen. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische
regelgevingsnormen overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 van
Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 139
Beoordeling door bevoegde autoriteiten van een aanvraag voor het gebruik van
een IRB-benadering 1.
De bevoegde autoriteit verleent een instelling
uitsluitend de toestemming op basis van artikel 138 de IRB-benadering te
gebruiken, alsook eigen ramingen van LGD en omrekeningsfactoren te gebruiken,
indien de bevoegde autoriteit voldoende overtuigd is dat voldaan is aan de in
dit hoofdstuk vastgestelde vereisten, met name die van afdeling 6, en dat de systemen
van de instelling voor het beheer en de rating van kredietrisico-uitzettingen
solide zijn en op integere wijze worden toegepast en in het bijzonder dat de
instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat de
volgende normen zijn nageleefd: (a)
de ratingsystemen van de instelling maken een
bruikbare beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare
risicodifferentiatie en precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen
mogelijk; (b)
de voor de berekening van de
eigenvermogensvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van de omvang
van wanbetalingen en verliezen, alsmede de daarmee samenhangende systemen en
procedures spelen een essentiële rol bij het risicomanagement en de
besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en
corporate governance van de instelling; (c)
de instelling heeft een voor haar ratingsystemen
verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk
kan opereren en niet al te sterk kan worden beïnvloed; (d)
de instelling verzamelt alle gegevens aan de hand
waarvan de kredietrisico´s effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat
deze gegevens op; (e)
de instelling legt haar ratingsystemen schriftelijk
vast, geeft aan waarom ze zo zijn opgezet en valideert ze; (f)
de instelling heeft haar ratingsystemen gevalideerd
binnen een passende tijdsperiode vóór de toestemming voor het gebruik van dit
ratingsysteem of internemodellenbenadering voor uitzettingen in aandelen, heeft
tijdens deze tijdsperiode beoordeeld of deze ratingsystemen en
internemodellenbenaderingen voor uitzettingen in aandelen geschikt zijn voor
het toepassingsgebied van het ratingsysteem en heeft naar aanleiding van haar
beoordeling de nodige wijzigingen aangebracht in deze ratingsystemen en internemodellenbenaderingen
voor uitzettingen in aandelen; (g)
de instelling heeft in het kader van de
IRB-benadering de eigenvermogensvereisten berekend die resulteren uit haar
ramingen van risicoparameters en is in staat zoals voorgeschreven door artikel 95
verslag uit te brengen. De vereisten voor het
gebruik van een IRB-benadering, inclusief eigen ramingen van LGD en
omrekeningsfactoren, zijn ook van toepassing wanneer een instelling een
ratingsysteem of een binnen een ratingsysteem gebruikt model heeft ingesteld
dat zij van een derde-verkoper heeft aangekocht. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de procedures die
bevoegde autoriteiten moeten volgen bij het beoordelen van de naleving door een
instelling van de vereisten voor het gebruik van een IRB-benadering. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische
regelgevingsnormen overeenkomstig de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 140
Eerdere ervaring met het gebruik van IRB-benaderingen 1.
Een instelling die een aanvraag indient voor het
gebruik van de IRB-benadering, heeft gedurende ten minste drie jaar voordat zij
daartoe het recht krijgt, voor de IRB-uitzettingscategorieën in kwestie
ratingsystemen gehanteerd die grotendeels sporen met de in afdeling 6 vermelde
vereisten voor de meting en het beheer van interne risico’s. 2.
Een instelling die een aanvraag indient om gebruik
te mogen maken van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren, bewijst ten
genoegen van de bevoegde autoriteiten dat zij gedurende ten minste drie jaar
voordat zij het recht krijgt eigen ramingen van LGD en omrekeningsfactoren te
gebruiken, geraamd heeft en eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren
heeft gebruikt op een wijze die grotendeels spoorde met de in afdeling 6
vermelde vereisten voor het gebruik van eigen ramingen van de desbetreffende
parameters. 3.
Wanneer de instelling het gebruik van de
IRB-benadering na de initiële toestemming voortzet, heeft de instelling
voldoende ervaring om te voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2 met
betrekking tot de nieuwe uitzettingen. Als het gebruik van ratingsystemen wordt
uitgebreid tot uitzettingen die aanzienlijk verschillen van het bestaande
toepassingsgebied, zodat niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de
instelling over voldoende ervaring beschikt om te voldoen aan de vereisten van
deze bepalingen met betrekking tot de nieuwe uitzettingen, zijn de vereisten
van de leden 4 en 5 afzonderlijk op de nieuwe uitzettingen van toepassing. Artikel 141
Te nemen maatregelen ingeval niet langer aan de vereisten van dit hoofdstuk
wordt voldaan Wanneer een instelling niet langer voldoet aan
de vereisten van dit hoofdstuk, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in
kennis en stelt zij een van de volgende handelingen: a) bij de bevoegde autoriteit een plan
indienen voor een spoedige terugkeer naar naleving; b) ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten aantonen dat de gevolgen van de niet-naleving niet materieel zijn. Artikel 142
Methoden voor het onderbrengen van uitzettingen in uitzettingscategorieën 1.
Voor de onderbrenging van de uitzettingen in de
verschillende categorieën past de instelling geschikte, in de tijd gezien
consequente methoden toe. 2.
Elke uitzetting wordt ondergebracht in een van de
volgende uitzettingscategorieën: (a)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale
overheden en centrale banken; (b)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
instellingen; (c)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
ondernemingen; (d)
vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op
particulieren en op kleine partijen; (e)
vorderingen in aandelen; (f)
securitisatieposities; (g)
andere activa die geen kredietverplichting
vertegenwoordigen. 3.
De volgende uitzettingen worden in de lid 2, onder
a), bedoelde categorie ondergebracht: (a)
Uitzettingen op regionale, lokale overheden of
publiekrechtelijke lichamen die in het kader van de artikelen 110 en 111 worden
behandeld als uitzettingen op centrale overheden; (b)
uitzettingen op in artikel 112 genoemde
multilaterale ontwikkelingsbanken en op in artikel 113 genoemde internationale
organisaties die op grond van die artikelen een risicogewicht van 0 % krijgen. 4.
De volgende uitzettingen worden in de in lid 2,
onder b), bedoelde categorie ondergebracht: (a)
uitzettingen op regionale en lokale overheden die
op grond van artikel 110 niet worden behandeld als uitzettingen op centrale
overheden; (b)
Uitzettingen op publiekrechtelijke lichamen die op
grond van artikel 111, lid 2, worden behandeld als uitzettingen op
instellingen; en (c)
uitzettingen op multilaterale ontwikkelingsbanken
die op grond van artikel 112 geen risicogewicht van 0 % krijgen. 5.
Om in de categorie uitzettingen op particulieren en
op kleine partijen, als bedoeld in lid 2, onder d), ondergebracht te
kunnen worden, voldoen de uitzettingen aan de volgende voorwaarden: (a)
zij hebben betrekking op een van de volgende: i) een natuurlijk persoon of natuurlijke
personen; ii) een kleine of middelgrote onderneming,
mits in het laatste geval het totale bedrag dat de debiteur of de groep van
verbonden cliënten verschuldigd is aan de instelling en aan moederondernemingen
en hun dochterondernemingen, met inbegrip van de achterstallige uitzettingen,
maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door
zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, voor zover de
instelling weet en redelijke stappen heeft gezet om dit te weten, niet meer dan
1 miljoen EUR beloopt; (b)
ze worden in het interne risicomanagement van de
instelling in de tijd gezien consequent en op dezelfde wijze behandeld; (c)
ze worden niet op een even individuele basis
beheerd als in de categorie uitzettingen op ondernemingen gebeurt; (d)
ze maken elk deel uit van een significant aantal op
vergelijkbare wijze beheerde uitzettingen. Naast de in de eerste alinea vermelde uitzettingen
wordt ook de actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met
leasing aan particulieren en kleine partijen ingedeeld bij de categorie
uitzettingen op particulieren en op kleine partijen. 6.
De volgende uitzettingen worden in de in lid 2,
onder b), bedoelde categorie uitzettingen in aandelen ondergebracht: (a)
andere posities dan schulden die een achtergestelde
restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling
vormen; (b)
schulduitzettingen en andere effecten,
partnerships, derivaten of andere vehikels waarvan de belangrijkste economische
kenmerken overeenkomen met die van de onder a) genoemde uitzettingen. 7.
Kredietverplichtingen die niet zijn ondergebracht
in een in lid 2, onder a), b), d), e) en f), genoemde categorie, vallen onder
de in dat lid, onder c), genoemde categorie uitzettingen op ondernemingen. 8.
Uitzettingen in de in lid 2, onder c), genoemde
categorie uitzettingen op ondernemingen worden door instellingen afzonderlijk
geregistreerd als uitzettingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening
als ze de volgende kenmerken bezitten: (a)
de uitzetting heeft betrekking op een entiteit die
speciaal is opgericht om materiële activa te financieren of te beheren; (b)
in het contract is geregeld dat de kredietverlener
een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden
gegenereerd; (c)
de afbetaling van de verplichting is vooral
gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden
gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene capaciteit van een in breder
verband opererende commerciële onderneming. 9.
De onder g) van lid 2 genoemde categorie van
uitzettingen omvat ook de restwaarde van geleasd onroerend goed, voor zover
deze niet onder uitzettingen uit hoofde van een lease-overeenkomst zoals
bedoeld in artikel 162, lid 4, valt. Artikel 143
Voorwaarden voor het toepassen van de IRB-benadering in verschillende
uitzettingscategorieën en bedrijfseenheden 1.
Instellingen en elke moederonderneming en haar
dochterondernemingen passen de IRB-benadering toe voor alle uitzettingen,
tenzij zij op basis van artikel 145 de toestemming van de bevoegde autoriteiten
hebben gekregen om permanent de standaardbenadering te hanteren. Als de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming
verlenen, is per categorie uitzettingen, als bedoeld in artikel 142, binnen
dezelfde bedrijfseenheid, per bedrijfseenheid binnen dezelfde groep of voor het
gebruik van eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren voor de berekening
van risicogewichten voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken een stapsgewijze invoering toegestaan. Bij de categorie uitzettingen op particulieren en
kleine partijen als bedoeld in artikel 142, lid 5, is een stapsgewijze
invoering toegestaan voor de diverse categorieën uitzettingen volgens de
verschillende correlaties in artikel 149. 2.
De bevoegde autoriteit bepaalt gedurende welke
tijdsperiode een instelling, elke moederonderneming en haar
dochterondernemingen de IRB-benadering op alle uitzettingen dienen toe te
passen. Deze tijdsperiode wordt door de bevoegde autoriteit geschikt geacht op
grond van de aard en de schaal van de instellingen, elke moederonderneming en
haar dochterondernemingen en het aantal en de aard van de toe te passen
ratingsystemen. 3.
Instellingen voeren de toepassing van de
IRB-benadering uit in overeenstemming met de door de bevoegde autoriteiten
vastgestelde voorwaarden. De bevoegde autoriteit moet deze voorwaarden zodanig
ontwerpen dat zij ervoor zorgen dat de in lid 1 geboden flexibiliteit niet
selectief wordt gebruikt met als doel lagere minimumeigenvermogenvereisten te
verkrijgen voor categorieën uitzettingen of voor bedrijfseenheden die nog niet
onder de IRB vallen, of bij het gebruik van eigen ramingen van LGD's en
omrekeningsfactoren. 4.
Instellingen die pas na 1 januari 2013 de
IRB-benadering zijn beginnen te gebruiken, behouden de mogelijkheid om
gedurende de toepassingsperiode de kapitaalvereisten voor al hun uitzettingen
met behulp van de standaarbenadering te berekenen tot de bevoegde autoriteiten
hen ervan in kennis hebben gesteld dat zij er voldoende van overtuigd zijn dat
de toepassing van de IRB-benadering met redelijke zekerheid zal worden
voltooid. 5.
Een instelling die voor alle categorieën
uittzetingen de IRB-benadering mag hanteren, mag de IRB-benadering hanteren
voor de categorie uitzettingen in aandelen, behalve wanneer deze instelling op
basis van artikel 145 de standaardbenadering voor uitzettingen in aandelen mag
gebruiken. 6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
bevoegde autoriteiten de voorwaarden dienen te bepalen die ze aan instellingen
dienen op te leggen voor de toepassing van de IRB-benadering overeenkomstig dit
artikel. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 144
Voorwaarden voor het opnieuw gebruiken van minder verfijnde benaderingen 1.
Een instelling die de IRB-benadering gebruikt, mag
het gebruik van deze benadering niet staken en mag niet in plaats daarvan de
standaardbenadering toepassen voor de berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen,
tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde
autoriteit aangetoond dat het gebruik van de standaardbenadering niet wordt
voorgesteld om het eigenvermogensvereiste van de instelling te verlagen, nodig
is op grond van de aard en de complexiteit van de instelling en geen materieel
ongunstig effect zou hebben op de solvabiliteit van de instelling of haar
vermogen om risico’s effectief te beheren; (b)
de instelling heeft de voorafgaande toestemming van
de bevoegde autoriteit ontvangen. 2.
Instellingen die in het kader van artikel 146,
lid 9, toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen ramingen van
LGD's en omrekeningsfactoren, keren niet terug naar het gebruik van in artikel 146,
lid 8, genoemde LGD-waarden en omrekeningsfactoren, tenzij aan de volgende
voorwaarden is voldaan: a) de instelling heeft ten genoegen van de
bevoegde autoriteit aangetoond dat het gebruik van de in artikel 146, lid 8,
genoemde LGD’s en omrekeningsfactoren niet wordt voorgesteld om het
eigenvermogensvereiste van de instelling te verlagen, nodig is op grond van de
aard en de complexiteit van de instelling en geen materieel ongunstig effect
zou hebben op de solvabiliteit van de instelling of haar vermogen om risico’s
effectief te beheren; b) de instelling heeft de voorafgaande
toestemming van de bevoegde autoriteit ontvangen. 3.
De toepassing van de leden 1 en 2 is onderworpen
aan de voorwaarden voor het uitvoeren van de IRB-benadering die bepaald worden
door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 143 en de toestemming voor
het in artikel 145 bedoelde permanent gedeeltelijk gebruik. Artikel 145
Voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik 1.
Instellingen die de voorafgaande toestemming van de
bevoegde autoriteiten hebben ontvangen, en bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten voor een of meer categorieën
uitzettingen de IRB-benadering mogen hanteren, mogen de standaardbenadering
toepassen voor de volgende uitzettingen: (a)
de in artikel 142, lid 2, onder a), genoemde
categorie uitzettingen, als het aantal materiële tegenpartijen beperkt is en
het voor de instelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een
ratingsysteem in te voeren; (b)
de in artikel 142, lid 2,onder b), genoemde
categorie uitzettingen, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het
voor de instelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een
ratingsysteem in te voeren; (c)
uitzettingen in verband met niet-significante
bedrijfseenheden en in categorieën die geen noemenswaardige omvang hebben en
waarvan het risicoprofiel als laag wordt aangemerkt; (d)
Uitzettingen op de centrale overheid, regionale
overheden, lokale overheden en administratieve organen in de lidstaten, mits: i) er op grond van bepaalde
publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de
uitzettingen op de centrale overheid en de andere uitzettingen; en ii) uitzettingen op de centrale overheid
overeenkomstig artikel 109, lid 4, een risicogewicht van 0 % krijgen; (e)
Uitzettingen van een instelling op een tegenpartij
die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van
haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij om een instelling of
een financiële holding, een gemengde financiële holding, een financiële
instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende
onderneming gaat waarop passende prudentiële vereisten van toepassing zijn of
een onderneming waarmee een band bestaat zoals bedoeld in artikel 12, lid 1,
van Richtlijn 83/349/EEG; (f)
uitzettingen tussen instellingen die voldoen aan de
vereisten van artikel 108, lid 7; (g)
Uitzettingen in aandelen van entiteiten waarvan de
kredietverplichtingen ingevolge hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0 % krijgen,
met inbegrip van met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een
risicogewicht van 0 % geldt; (h)
uitzettingen in aandelen die zijn gedaan in het
kader van wetgevingsprogramma's waarmee steun wordt verleend aan bepaalde
economische sectoren en waarbij de instelling significante subsidies ontvangt
voor haar belegging en de beleggingen in aandelen op de een of andere wijze
onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties, waarbij dergelijke
uitzettingen in het totaal voor niet meer dan 10% van het eigen vermogen mogen
worden uitgesloten van de IRB-benadering; (i)
de in artikel 114, lid 4, vermelde uitzettingen die
aan de daarin gestelde voorwaarden voldoen; (j)
de in artikel 210, lid 2, bedoelde
overheidsgaranties en door de overheid herverzekerde garanties. De bevoegde autoriteiten staan de toepassing van
de standaardmethode toe voor de onder g) en h) bedoelde uitzettingen in
aandelen waarvoor deze behandeling in andere lidstaten is toegestaan. 2.
Voor de toepassing van lid 1 zijn uitzettingen in
aandelen van een instelling van materieel belang als de totale waarde ervan,
exclusief de in lid 1, onder g), genoemde uitzettingen in aandelen die zijn
ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma's, in het voorgaande jaar
gemiddeld meer dan 10 % van het eigen vermogen van de instelling bedroeg. Als
in minder dan tien individuele bedrijven een uitzetting in aandelen is
opgebouwd, bedraagt de drempel 5 % van het eigen vermogen van de instelling. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden voor het toepassen van de punten a), b),
en c) van lid 1 te specificeren. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Afdeling 2
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen Onderafdeling 1
Behandeling naar de soort uitzetting/uitzettingscategorie Artikel 146
Behandeling naar de uitzettingscategorie 1.
De voor het kredietrisico gewogen
uitzettingsbedragen die verband houden met uitzettingen die onder een van de in
artikel 142, lid 2, onder a) tot en met e) en g), genoemde categorieën vallen,
worden berekend op basis van onderafdeling 2, behalve wanneer deze uitzettingen
worden afgetrokken van de uit gewone aandelen bestaande tier 1-,
aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen. 2.
De voor het verwateringsrisico gewogen
uitzettingsbedragen die verband houden met gekochte kortlopende vorderingen,
worden berekend op basis van artikel 153. Indien een instelling ten aanzien van
gekochte kortlopende vorderingen wegens het wanbetalingsrisico en
verwateringsrisico volledig verhaal kan vorderen op de verkoper van de gekochte
kortlopende vorderingen, zijn de bepalingen van de artikelen 147 en 154, de
leden 1 tot en met 4, betreffende gekochte kortlopende vorderingen niet van
toepassing en wordt de uitzetting behandeld als een met een zekerheid gedekte
uitzetting. 3.
Bij de berekening van voor het krediet- en het
verwateringsrisico gewogen uitzettingsbedragen wordt uitgegaan van de
parameters voor de desbetreffende uitzetting. Daaronder vallen de kans op
wanbetaling (probability of default, hierna PD genoemd), het verlies bij
wanbetaling (loss given default, hierna LGD genoemd), de looptijd (maturity,
hierna M genoemd) en de uitzettingswaarde van de uitzetting. Overeenkomstig
afdeling 4 mogen de PD en het LGD afzonderlijk of gezamenlijk in aanmerking
worden genomen. 4.
Instellingen berekenen voor het kredietrisico
gewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen die onder de in artikel 142, lid 2,
onder e), genoemde categorie uitzettingen in aandelen vallen, op basis van
artikel 150, met uitzondering van de in artikel 146, lid 6, onder c), bepaalde
uitzettingen, indien de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten
is ontvangen om daarvoor de IRB-benadering te gebruiken. De bevoegde autoriteiten
verlenen een instelling uitsluitend toestemming om de internemodellenbenadering
zoals uiteengezet in artikel 150, lid 4, toe te passen als de instelling
voldoet aan de in onderafdeling 4 van afdeling 6 vermelde vereisten. Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen op een ctp die
voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdragen van instellingen aan het
wanbetalingsfonds van de ctp zoals bepaald in artikel 146, lid 6, onder c),
worden berekend op basis van artikel 151. 5.
De voor het kredietrisico gewogen
uitzettingsbedragen die verband houden met uitzettingen uit hoofde van gespecialiseerde
kredietverlening, mogen worden berekend op basis van artikel 148, lid 4. 6.
Voor uitzettingen die onder een van de in artikel 142,
lid 2, onder a) tot en met d), genoemde categorieën vallen, verstrekken
instellingen hun eigen ramingen van PD’s op op basis van artikel 138 en
afdeling 6. 7.
Voor uitzettingen die onder de in artikel 142, lid 2,
onder d), genoemde categorie vallen, verstrekken instellingen eigen ramingen
van LGD's en omrekeningsfactoren op basis van artikel 138 en afdeling 6. 8.
Op uitzetten die onder een van de in artikel 142,
lid 2, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, passen de
instellingen de LGD-waarden van bijlage VII, deel 2, punt 8, en de
omrekeningsfactoren van artikel 162, lid 8, onder a) tot en met d), toe, tenzij
zij overeenkomstig lid 9 de toestemming hebben gekregen om voor die categorieën
uitzettingen hun eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren toe te passen. 9.
De bevoegde autoriteit mag aan de instellingen
toestemming verlenen om voor alle uitzettingen die onder een van de in artikel 142,
lid 2, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, gebruik te maken
van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren, en dit uitsluitend op
basis van artikel 138. 10.
De risicogewogen uitzettingsbedragen voor gesecuritiseerde
uitzettingen en voor uitzettingen die onder de in artikel 142, lid 2, onder f),
genoemde categorie vallen, worden berekend op basis van hoofdstuk 5. Artikel 147
Behandeling van uitzettingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen
in instellingen voor collectieve belegging (ICB) 1.
Als uitzettingen in de vorm van rechten van
deelneming of aandelen in een instelling voor collectieve belegging (ICB)
voldoen aan de criteria van artikel 127, lid 3, en de instelling op de hoogte
is van alle of een deel van de onderliggende uitzettingen van de ICB, kijkt de
instelling naar deze uitzettingen voor de berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen en de verwachte verliesposten op basis van de methoden die
in dit hoofdstuk worden beschreven. Wanneer een onderliggende uitzetting van de ICB
zelf een uitzetting in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een
andere ICB is, mag de eerste instelling ook naar de onderliggende uitzettingen
van die andere ICB kijken. 2.
Wanneer de instelling niet voldoet aan de
voorwaarden voor het gebruik van de in dit hoofdstuk beschreven methoden voor
alle of een deel van de onderliggende uitzettingen van de ICB, worden de
risicogewogen uitzettingsbedragen en de verwachte verliesposten als volgt
berekend: (a)
voor uitzettingen die onder de in artikel 142, lid 2,
onder e), genoemde categorie uitzettingen in aandelen vallen, passen
instellingen de eenvoudige risicogewichtenbenadering van artikel 150, lid 2,
toe; (b)
bij alle overige onderliggende uitzettingen zoals bedoeld
in lid 1, passen instellingen de in hoofdstuk 2 vastgestelde
standaardbenadering toe, met inachtneming van het volgende: i) bij uitzettingen waarvoor een bepaald
risicogewicht voor uitzettingen zonder rating geldt of waarvoor de
kredietkwaliteitscategorie geldt die de hoogste risicoweging oplevert voor een
bepaalde categorie uitzettingen, wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met de
factor 2, maar mag dit gewicht niet meer bedragen dan 1 250 %; ii) bij alle overige uitzettingen moet het
risicogewicht worden vermenigvuldigd met een factor 1,1 en bedraagt dit gewicht
ten minste 5 %. Als de instelling niet in staat is om voor de
toepassing van punt a) een onderscheid te maken tussen uitzettingen in niet ter
beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij
de desbetreffende uitzettingen als uitzettingen in overige aandelen. Wanneer
deze uitzettingen tezamen met de rechtstreekse uitzettingen van de instelling
in deze categorie uitzettingen niet materieel zijn in de zin van artikel 145,
lid 2, kan artikel 145, lid 1, worden toegepast, mits de bevoegde autoriteiten
daarvoor hun toestemming verlenen. 3.
Als uitzettingen in de vorm van rechten van
deelneming of aandelen in een ICB niet voldoen aan de criteria van artikel 127,
lid 3, of de instelling niet op de hoogte is van alle onderliggende
uitzettingen van de ICB of van de onderliggende uitzettingen die zelf een
uitzetting zijn in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een ICB,
kijkt de instelling naar deze onderliggende uitzettingen en berekent zij de
risicogewogen uitzettingsbedragen en de verwachte verliesposten op basis van de
in artikel 150, lid 2, beschreven eenvoudige risicogewichtbenadering. Als de instelling niet in staat is een onderscheid
te maken tussen uitzettingen in niet ter beurze verhandelde, ter beurze
verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende uitzettingen
als uitzettingen in overige aandelen. Zij brengt uitzettingen die niet op
aandelen betrekking hebben, onder in de categorie uitzettingen in overige
aandelen. 4.
Als alternatief voor de in de eerste alinea
beschreven methode kunnen instellingen zelf de gemiddelde risicogewogen
uitzettingsbedragen op basis van de onderliggende uitzettingen van de ICB
berekenen en rapporteren overeenkomstig de in lid 2, onder a) en b), vermelde
benaderingen of kunnen zij de volgende derden daartoe de opdracht geven voor
het volgende: (a)
de effectenbewaarinstelling of de financiële
instelling van de ICB op voorwaarde dat de ICB uitsluitend in effecten belegt en
alle effecten bij de effectenbewaarinstelling van de financiële instelling in
bewaring geeft; (b)
voor andere ICB’s, de ICB-beheermaatschappij, op
voorwaarde dat de ICB-beheermaatschappij voldoet aan de in lid 127, lid 3,
onder a), genoemde criteria. De correctheid van de berekening wordt door een
externe auditor bevestigd. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
bevoegde autoriteiten instellingen mogen toestaan van artikel 145, lid 1,
gebruik te maken op basis van lid 2, onder b). De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Onderafdeling 2
Berekening
van voor kredietrisico gewogen uitzettingsbedragen Artikel 148
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen op
ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken. 1.
Met inachtneming van de toepassing van de in de
leden 2, 3 en 4 bepaalde specifieke behandelingen worden de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken berekend volgens de onderstaande
formules: waarbij het risicogewicht RW gedefinieerd is als i) als PD = 0, wordt RW opgevat als: 0; ii) als PD = 1, d.w.z. voor uitzettingen met betalingsachterstand: –
wanneer instellingen de in artikel 157, lid 1,
beschreven LGD-waarden hanteren, wordt RW opgevat als: 0; –
wanneer instellingen gebruikmaken van eigen
LGD-ramingen, wordt RW opgevat als: ; waarbij de beste raming van het verwachte verlies
(Expected Loss Best Estimate, hierna "ELBE" genoemd) wordt opgevat
als de beste raming van de instelling van het verwachte verlies voor de
uitzetting met een betalingsachterstand overeenkomstig artikel 177, lid 1,
onder h); iii) als , d.w.z. voor elke
andere waarde dan vermeld onder i) en ii) en waarbij N(x) staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie
van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale
willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één
kleiner is dan of gelijk aan x); G(z) staat voor de inverse cumulatieve
verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x
heeft een zodanige waarde dat N(x) = z). R staat voor de correlatiecoëfficiënt, die als
volgt wordt berekend: b = de
looptijdsaanpassingsfactor, die gedefinieerd is als volgt: 2.
Voor alle uitzettingen op grote gereglementeerde
financiële entiteiten en op niet-gereglementeerde financiële entiteiten, wordt
de correlatiecoëfficiënt van lid 1, onder iii), vermenigvuldigd met 1,25, als
volgt: 3.
De risicogewogen uitzettingsbedragen voor
uitzettingen die voldoen aan de vereisten van de artikelen 198 en 212, mogen
worden aangepast volgens de volgende formule: waarbij: PDpp = PD van de protectiegever. RW wordt berekend aan de hand van de in punt 3
beschreven formule voor de berekening van het risicogewicht voor de uitzetting,
de PD van de debiteur en de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse uitzetting
op de protectiegever. De
looptijdfactor (b) wordt berekend met behulp van de PD van de protectiegever of
de PD van de debiteur, al naargelang welke PD de laagste waarde heeft. 4.
Voor uitzettingen op ondernemingen waarbij de
totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan het bedrijf deel uitmaakt,
minder is dan 50 miljoen EUR, mogen instellingen gebruikmaken van de
onderstaande correlatieformule in lid 1, onder iii), om de risicogewichten van
uitzettingen op ondernemingen te berekenen. In deze formule staat S voor de totale jaaromzet in miljoen EUR,
waarbij 5 miljoen EUR ≤ S ≤ 50 miljoen EUR. Een opgegeven omzet van minder dan 5 miljoen EUR
wordt behandeld als een omzet van 5 miljoen EUR. Voor gekochte kortlopende vorderingen is de totale jaaromzet het
gewogen gemiddelde van de individuele uitzettingen die tot de pool behoren. Instellingen vervangen de totale jaaromzet door de
totale activa van de geconsolideerde groep wanneer de totale jaaromzet geen
relevante indicator is van de omvang van het bedrijf en de totale activa een
meer relevante indicator vormen dan de totale jaaromzet. 5.
Aan uitzettingen uit hoofde van gespecialiseerde
kredietverlening waarvoor een instelling geen PD’s kan ramen of de PD-ramingen
van de instelling niet voldoen aan de in afdeling 6 vastgestelde vereisten,
kent zij aan deze uitzettingen risicogewichten toe conform tabel 1, als volgt: Tabel 1 Resterende looptijd || categorie 1 || categorie 2 || categorie 3 || categorie 4 || categorie 5 Minder dan 2,5 jaar || 50 % || 70 % || 115 % || 250 % || 0 % Ten minste 2,5 jaar || 70 % || 90 % || 115 % || 250 % || 0 % Bij de toekenning van risicogewichten aan
uitzettingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening houden
instellingen rekening met de volgende factoren: financiële draagkracht, politieke en juridische omgeving, kenmerken van
de transactie en/of activa, draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met
inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat
partnerschap of garantiepakket. 6.
Instellingen moeten ten aanzien van hun gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen voldoen aan de vereisten van artikel 180. Voor gekochte kortlopende vorderingen op
ondernemingen welke tevens aan de in artikel 149, lid 5, gestelde
voorwaarden voldoen en waarvoor het voor een instelling te belastend zou zijn
om de in afdeling 6 vervatte normen voor risicokwantificering van uitzettingen
op ondernemingen toe te passen, mag gebruik worden gemaakt van de eveneens in
afdeling 6 vervatte normen voor de risicokwantificering van uitzettingen
op particulieren en kleine partijen. 7.
Bij gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen
mogen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke
garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling,
verwateringsverliezen of beide bieden, in het IRB-securitisatiekader als
eerste-verliesposities worden behandeld. 8.
Wanneer een instelling voor een reeks uitzettingen
kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de
uitzettingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de
beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in hoofdstuk 5
voorgeschreven risicogewichten van toepassing indien voor het product een
externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen
kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is, worden de
risicogewichten van alle beschermde uitzettingen, op n-1 uitzettingen na,
geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5
en het risicogewogen uitzettingsbedrag niet hoger mag zijn dan het nominale
bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5. De n-1 posities die bij de aggregatie buiten
beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het
betreft elke uitzetting waarvoor het risicogewogen uitzettingsbedrag lager is
dan het risicogewogen uitzettingsbedrag voor alle uitzettingen die in de
aggregatie zijn opgenomen. Op
posities in een basket waarvoor een instelling niet het risicogewicht met de
IRB-benadering kan bepalen, wordt een risicogewicht van 1 250% toegepast. 9.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van de voorwaarden waaronder
instellingen rekening houden met de in lid 5, tweede alinea, bedoelde factoren
wanneer zij risicogewichten toekennen aan uitzettingen uit hoofde van
gespecialiseerde kredietverlening. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 149
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen op
particulieren en kleine partijen 1.
De risicogewogen uitzettingsbedragen voor
uitzettingen op particulieren en kleine partijen worden berekend volgens de
onderstaande formules: waarbij het risicogewicht RW gedefinieerd is als
volgt: i) als PD = 0, wordt RW opgevat als: 0; ii) als PD = 1, d.w.z. voor uitzettingen met betalingsachterstand, is RW ; waarbij ELBE wordt opgevat als de beste
raming van de instelling van het verwachte verlies voor de uitzetting met een
betalingsachterstand overeenkomstig artikel 177, lid 1, onder h); iii) als , d.w.z. voor elke
andere waarde dan vermeld onder i) en ii) en waarbij N(x) staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie
van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale
willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één
kleiner is dan of gelijk aan x);G(z) staat voor de inverse cumulatieve
verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x
heeft een zodanige waarde dat N(x) = z); R staat voor de correlatiecoëfficiënt, die als
volgt wordt berekend: 2.
De risicogewogen uitzettingsbedragen voor
uitzettingen op de in artikel 142, lid 5, gedefinieerde kleine en middelgrote
ondernemingen die voldoen aan de vereisten van de artikelen 198 en 212, mogen
worden berekend overeenkomstig artikel 148, lid 3. 3.
Bij door onroerend goed gedekte uitzettingen op
particulieren of op kleine partijen vervangt een correlatiecoëfficiënt R van 0,15
het cijfer dat door de correlatieformule van lid 1 wordt verkregen. 4.
Bij gekwalificeerde revolverende uitzettingen op
particulieren en kleine partijen als omschreven onder a) tot en met e),
vervangt een correlatiecoëfficiënt R van 0,04 het cijfer dat door de
correlatieformule van lid 1 wordt verkregen. Uitzettingen worden als gekwalificeerde
revolverende uitzettingen op particulieren en kleine partijen aangemerkt indien
zij aan de volgende voorwaarden voldoen: (a)
het gaat om uitzettingen op personen; (b)
het gaat om revolverende, niet door zekerheden
gedekte uitzettingen die, voor zover de kredietlijnen niet zijn aangesproken,
onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de instelling kunnen worden opgezegd. In
deze context worden revolverende uitzettingen gedefinieerd als kredietlijnen
waarbij de openstaande saldi van cliënten al naargelang hun beslissingen om te
lenen en terug te betalen mogen schommelen tot een grens die door de instelling
is vastgesteld. Onbenutte kredietlijnen mogen worden aangemerkt als
kredietlijnen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien de instelling
deze kredietlijnen krachtens de daaraan verbonden voorwaarden mag opzeggen in
de volle mate dat dit toegestaan wordt door de wetgeving inzake
consumentenbescherming en aanverwante wetgeving; (c)
de maximumuitzetting op één enkele persoon in de
subportefeuille bedraagt 100 000 EUR of minder; (d)
het gebruik van de correlatieformule van dit lid is
beperkt tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage volatiliteit van
de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun
verliespercentages, vooral in de lage PD-banden; (e)
de behandeling als gekwalificeerde revolverende
uitzetting spoort met de onderliggende risicokenmerken van de subportefeuille. In afwijking van punt b) is het vereiste dat de
posities niet gedekt zijn, niet van toepassing wanneer het gaat om door een
zekerheid gedekte, aan een salarisrekening gekoppelde kredietfaciliteiten. In
dit geval wordt in de LGD-raming geen rekening gehouden met het bedrag dat de
zekerheid opbrengt. De bevoegde autoriteiten onderwerpen de relatieve
volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde
revolverende retailsubportefeuilles als de geaggregeerde gekwalificeerde
doorlopende retailportefeuille aan een onderzoek en wisselen onder lidstaten
informatie uit over de typische kenmerken van verliespercentages van gekwalificeerde
doorlopende uitzettingen op particulieren en kleine partijen. 5.
Om voor een behandeling als een uitzetting op een
particulier of op een kleine partij in aanmerking te komen, voldoen de gekochte
kortlopende vorderingen aan de vereisten van artikel 180 en aan de volgende
voorwaarden: (a)
de instelling heeft de kortlopende vorderingen
gekocht van niet-verbonden, derde verkopers en haar uitzetting op de debiteur
van de vordering omvat geen uitzettingen die rechtstreeks of middellijk hun
oorsprong vinden bij de instelling zelf; (b)
de gekochte kortlopende vorderingen zijn op
marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de verkoper en de debiteur. Te
ontvangen posten en kortlopende vorderingen opgenomen in tegenrekeningen tussen
ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar verkopen, komen als zodanig
niet in aanmerking; (c)
de kopende instelling heeft recht op alle
opbrengsten van de gekochte kortlopende vorderingen of een evenredig belang in
de opbrengsten; en (d)
de portefeuille gekochte kortlopende vorderingen is
voldoende gespreid. 6.
Bij gekochte kortlopende vorderingen mogen het
restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die
protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling,
verwateringsverliezen of beide bieden, in het IRB-securitisatiekader als
eerste-verliesposities worden behandeld. 7.
Bij hybride pools van gekochte kortlopende
vorderingen op particulieren of op kleine partijen waarbij de kopende
instellingen door onroerend goed gedekte uitzettingen en gekwalificeerde revolverende
uitzettingen niet onderscheiden van andere uitzettingen op particulieren en
kleine partijen, is de risicogewichtfunctie voor particulieren en kleine
partijen van toepassing die de hoogste kapitaalvereisten voor deze uitzettingen
oplevert. Artikel 150
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen in
aandelen 1.
Instellingen bepalen hun risicogewogen
uitzettingsbedragen voor uitzettingen in aandelen, met uitsluiting van die
welke overeenkomstig deel 2 worden afgetrokken of overeenkomstig artikel 45 aan
een risicogewicht van 250% worden onderworpen, overeenkomstig de verschillende
in de leden 2, 3, en 4 beschreven benaderingen en passen deze toe op
verschillende portefeuilles wanneer zij zelf intern verschillende benaderingen
volgen. Wanneer een instelling
verschillende benaderingen volgt, gaat het om een consequente keuze die niet is
ingegeven door redenen van regelgevingsarbitrage. Instellingen mogen uitzettingen in aandelen van
ondernemingen die nevendiensten verrichten, behandelen volgens de behandeling
die geldt voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn. 2.
In het kader van de eenvoudige
risicogewichtenbenadering wordt het risicogewogen uitzettingsbedrag berekend
volgens de onderstaande formule: Risicogewicht (RW) = 190 % voor uitzettingen in
niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles. Risicogewicht (RW) = 290 % voor uitzettingen in
ter beurze verhandelde aandelen. Risicogewicht (RW) = 370 % voor alle overige
uitzettingen in aandelen. Risicogewogen uitzettingsbedrag = RW *
uitzettingswaarde. Het is toegestaan cashposities en afgeleide
instrumenten in de niet-handelsportefeuille te verrekenen met longposities in
dezelfde individuele aandelen, mits deze instrumenten uitdrukkelijk als
afdekkingsinstrumenten van specifieke uitzettingen in aandelen worden
aangemerkt en mits zij voor ten minste nog een jaar afdekking verschaffen. Andere shortposities worden behandeld alsof het
gaat om longposities, waarbij aan de absolute waarde van elke positie het
relevante risicogewicht wordt toegekend. Bij posities waarvan de looptijden van elkaar verschillen, wordt de in
artikel 158, lid 5, bedoelde methode voor uitzettingen op ondernemingen
toegepast. Instellingen kunnen met een ongedekte
kredietprotectie voor een uitzetting in aandelen rekening houden volgens de in
hoofdstuk IV beschreven methode. 3.
In de PD/LGD-benadering worden de risicogewogen
uitzettingsbedragen berekend volgens de formules in artikel 148, lid 1. Indien instellingen niet over voldoende
informatie beschikken om de in artikel 174 vervatte definitie van wanbetaling
te gebruiken, worden de risicogewichten vermenigvuldigd met een factor 1,5. Op het niveau van de individuele uitzetting mag de
som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen
post niet hoger zijn dan de uitzettingswaarde vermenigvuldigd met 12,5. Instellingen kunnen met een ongedekte
kredietprotectie voor een uitzetting in aandelen rekening houden volgens de in
hoofdstuk IV beschreven methode. In
dat geval geldt voor de uitzetting op de verschaffer van het
afdekkingsinstrument een LGD van 90 %. Voor uitzettingen in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende
gespreide portefeuilles mag gebruik worden gemaakt van een LGD van 65 %. Voor deze doeleinden is M gelijk aan 5 jaar. 4.
In de internemodellenbenadering is het
risicogewogen uitzettingsbedrag het potentiële verlies op de uitzettingen in
aandelen van de instelling dat is bepaald aan de hand van interne VaR
(value-at-risk)-modellen met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %
van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen en een passend risicovrij
percentage berekend over een lange steekproefperiode, vermenigvuldigd met 12,5. De risicogewogen uitzettingsbedragen op het
niveau van de aandelenportefeuille bedraagt niet minder dan het totaal van de
som van de volgende bedragen: (a)
de in de PD/LGD-benadering vereiste risicogewogen
uitzettingsbedragen; en (b)
de daarmee overeenstemmende verwachte
verliesposten, vemenigvuldigd met 12,5. De onder a) en b) bedoelde bedragen worden
berekend op basis van de PD-waarden zoals beschreven in artikel 161, lid 1, en
de daarmee overeenstemmende LGD-waarden zoals beschreven in artikel 161, lid 2. Instellingen kunnen met een ongedekte
kredietprotectie voor een uitzetting in aandelen rekening houden. Artikel 151
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor uitzettingen in
aandelen Risicogewogen uitzettingsbedragen voor
uitzettingen die voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdrage van een
instelling aan het wanbetalingsfonds van een ctp en handelsuitzettingen op een
ctp, worden bepaald overeenkomstig de artikelen 296 tot en met 300, naargelang
van het geval. Artikel 152
Risicogewogen uitzettingsbedragen voor andere activa die
geen kredietverplichting vertegenwoordigen De risicogewogen uitzettingsbedragen voor
andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, worden berekend
volgens de onderstaande formule: Risicogewogen
uitzettingsbedrag = 100% uitzettingswaarde met uitzondering van: a) kasmiddelen en gelijkwaardige posten
alsook goud dat in eigen kluizen of op toegewezen basis wordt bewaard voor
zover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, in welk geval
een risicogewicht van 0% wordt toegekend; b) wanneer het gaat om een restwaarde
van geleasd onroerend goed, in welk geval het risicogewogen uitzettingsbedrag
als volgt wordt berekend: 1/t 100% uitzettingswaarde waarbij t gelijk is aan 1 of de op het
dichtstbijzijnde gehele getal afgeronde resterende duur van de
lease-overeenkomst, al naargelang welk van beide getallen het hoogst is. Onderafdeling 3
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen voor het verwateringsrisico
van gekochte kortlopende vorderingen Artikel 153
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen voor het verwateringsrisico
van gekochte kortlopende vorderingen 1.
Instellingen berekenen de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen, particulieren en kleine partijen op basis van
artikel 148, lid 1. 2.
Instellingen bepalen de inputparameters PD en LGD
overeenkomstig afdeling 4. 3.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde
overeenkomstig afdeling 5. 4.
Voor de toepassing van dit artikel is de waarde van
M 1 jaar. 5.
De bevoegde autoriteiten stellen een instelling
vrij van de vereisten voor risicogewogen uitzettingsbedragen voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen,
particulieren en kleine partijen wanneer de instelling ten genoegen van de
bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het verwateringsrisico niet van
materieel belang is voor die instelling. [1] Het Bazelse Comité voor
bankentoezicht biedt een forum voor regelmatige samenwerking inzake
banktoezicht. Het is gericht op het
wereldwijd bevorderen en versterken van praktijken op het gebied van toezicht
en risicobeheer. Het Comité bestaat uit
vertegenwoordigers uit Argentinië, Australië, Brazilië, Canada, China, SAR Hong
Kong, India, Indonesië, Japan, Korea, Mexico, Rusland, Saudi-Arabië, Singapore,
Zuid-Afrika, Zwitserland, Turkije, de Verenigde Staten en negen lidstaten van
de EU: België, Frankrijk, Duitsland, Italië,
Luxemburg, Nederland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. [2] C(2011) 4977. [3] In de begeleidende effectbeoordeling zijn alle
beleidsopties in detail besproken. [4] Dit meet de mate waarin een optie de desbetreffende
doelstelling bereikt. [5] Dit meet de mate waarin doelstellingen met een bepaalde
hoeveelheid middelen kunnen worden bereikt. [6] COM(2009) 501, COM(2009) 502 en
COM(2009) 503. [7] PB C van , blz.. [8] http://www.g20.org/Documents/Fin_Deps_Fin_Reg_Annex_020409_-_1615_final.pdf. [9] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1. [10] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201. [11] PB L 331 van 15.12.10, blz. 12. [12] PB L 372 van 31.12.86, blz. 1. [13] PB L 193 van 18.7.83, blz. 1. [14] PB L 243 van 11.9.02, blz. 1. [15] COM(2010) 0484 def. [16] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. [17] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1. [18] PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. [19] PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. [20] PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1. [21] PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1. [22] Richtlijn 2002/87/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende
toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en
beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (PB L 35 van 11.2.2003,
blz. 1). [23] PB L 02 van 17.11.2009, blz. 2. Afdeling 3
verwachte
verliesposten Artikel 154
Behandeling naar de soort uitzetting 1.
Voor de berekening van de verwachte verliesposten
wordt bij elke uitzetting uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD
en de uitzettingswaarde als die welke worden gebruikt voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen op basis van artikel 146. Wanneer instellingen bij uitzettingen waarvoor er
zich een wanbetaling heeft voorgedaan gebruik maken van eigen LGD-ramingen
wordt verwacht verlies (‘ELBE,’) opgevat als de beste raming van de
instelling van het verwachte verlies (‘ELBE,’) voor de uitzettingen
met een betalingsachterstand, overeenkomstig artikel 177, lid 1, onder h). 2.
Bij gesecuritiseerde uitzettingen worden de
verwachte verliesposten berekend op basis van hoofdstuk 5. 3.
Bij uitzettingen die onder de in artikel 142, lid 2,
onder g), genoemde categorie 'andere activa die geen kredietverplichting
vertegenwoordigen' vallen, is de verwachte verliespost gelijk aan nul. 4.
De verwachte verliesposten voor uitzettingen in de
vorm van rechten van deelneming of aandelen van een instelling voor collectieve
belegging waarvan sprake in artikel 147 worden berekend overeenkomstig de in
dat artikel beschreven methoden. 5.
De verwachte verliesposten voor uitzettingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken, alsook voor uitzettingen
op particulieren en kleine partijen worden berekend volgens de onderstaande
formules: Wanneer instellingen
bij uitzettingen waarvoor er zich een wanbetaling heeft voorgedaan (PD =1)
gebruik maken van eigen LGD-ramingen, wordt EL opgevat als ELBE, de
beste raming van het verwachte verlies voor de uitzetting met een
betalingsachterstand waarover de instelling overeenkomstig artikel 177, lid 1,
onder h), beschikt. Voor uitzettingen die worden behandeld op de in
artikel 148, lid 3, beschreven wijze, is EL gelijk aan 0. 6.
De EL-waarden voor uitzettingen uit hoofde van
gespecialiseerde kredietverlening waarbij instellingen gebruik maken van de in
artikel 148, lid 6, beschreven methoden voor de toekenning van risicogewichten,
worden toegewezen conform tabel 2. Tabel 2 Resterende looptijd || Categorie 1 || Categorie 2 || Categorie 3 || Categorie 4 || Categorie 5 Minder dan 2,5 jaar || 0 % || 0,4 % || 2,8 % || 8 % || 50 % Ten minste 2,5 jaar || 0,4 % || 0,8 % || 2,8 % || 8 % || 50 % 7.
De verwachte verliesposten voor uitzettingen in
aandelen waarbij de risicogewogen uitzettingsbedragen worden berekend volgens
de eenvoudige risicogewichtenbenadering, worden berekend volgens de
onderstaande formule: Daarbij gelden de volgende EL-waarden: Verwacht verlies (EL) = 0,8 % voor private
equity-uitzettingen in voldoende gespreide portefeuilles Verwacht verlies (EL) = 0,8 % voor uitzettingen op
ter beurze verhandelde aandelen Verwacht verlies (EL) = 2,4 % voor alle overige
uitzettingen in aandelen 8.
De verwachte verliesposten voor uitzettingen in
aandelen waarbij de risicogewogen uitzettingsbedragen worden berekend volgens
de PD/LGD-benadering, worden berekend volgens de onderstaande formules: 9.
De verwachte verliesposten voor uitzettingen in
aandelen waarbij de risicogewogen uitzettingsbedragen worden berekend volgens
de internemodellenbenadering, zijn gelijk aan 0 %. 10.
De verwachte verliesposten voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden berekend volgens
de onderstaande formules: 11.
Voor uitzettingen die voortkomen uit otc-derivaten mag een
instelling die de risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig dit
hoofdstuk berekent de verwachte verliesposten voor een gegeven samenstel van
verrekenbare transacties verminderen met het bedrag van de aanpassing van de
kredietwaardering voor dat samenstel van verrekenbare transacties dat door de
instelling reeds als een gemaakte afwaardering in aanmerking wordt genomen. De resulterende verwachte verliespost mag niet
kleiner zijn dan nul. Artikel 155
Behandeling van verwachte verliesposten De instellingen brengen de overeenkomstig
artikel 154, leden 2, 3 en 7, berekende verwachte verliesposten in mindering op
de algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen die verband houden met deze
posten. Het conform artikel 162, lid 1,
bepaalde disagio op op de balans opgenomen uitzettingen die gekocht zijn in
staat van wanbetaling wordt op dezelfde wijze behandeld als specifieke
kredietrisicoaanpassingen. Specifieke
kredietrisicoaanpassingen ten aanzien van uitzettingen waarbij sprake is van
wanbetaling mogen niet worden gebruik om verwacht verlies op andere
uitzettingen te dekken. Verwachte
verliesposten voor gesecuritiseerde uitzettingen en met deze uitzettingen
samenhangende algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen worden niet bij
deze berekening betrokken. Afdeling 4
PD,
LGD en looptijd Onderafdeling 1
Uitzettingen
op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken Artikel 156
Kans op wanbetaling (PD) 1.
De PD van een uitzetting op een onderneming of op
een instelling is ten minste gelijk aan 0,03 %. 2.
Voor gekochte kortlopende vorderingen op
ondernemingen waarvoor een instelling niet in staat is PD's te ramen of de
PD-ramingen van een instelling niet aan de vereisten van afdeling 6 voldoen,
worden de PD’s bepaald volgens de volgende methoden: (a)
de PD voor niet-achtergestelde rechten op gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de instelling
geraamde EL gedeeld door de LGD voor deze kortlopende vorderingen; (b)
voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de door de instelling geraamde
EL; (c)
een instelling die overeenkomstig artikel 138 van
de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen voor
uitzettingen op ondernemingen te gebruiken en haar EL-ramingen voor gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD's en LGD's kan ontbinden op een
wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, mag de uit deze ontbinding
resulterende PD-raming gebruiken. 3.
De PD voor in gebreke blijvende debiteuren is
gelijk aan 100 %. 4.
De instellingen mogen bij de berekening van de PD ongedekte
kredietprotectie overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4 in aanmerking nemen. Voor het verwateringsrisico komt naast de
protectiegevers waarvan sprake in artikel 197, lid 1, onder g), de verkoper van
de gekochte kortlopende vorderingen in aanmerking indien de volgende
voorwaarden zijn vervuld: a) de onderneming heeft een kredietbeoordeling van een erkende EKBI die
door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform
de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten
aan uitzettingen op ondernemingen; b) de onderneming heeft geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI en
heeft een interne rating gekregen die overeenstemt met een PD die gelijkwaardig
is aan die welke overeenstemt met de kredietbeoordelingen van EKBI's welke door
de EBA zijn ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de
in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten
aan uitzettingen op ondernemingen, indien een instelling risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten berekent conform de interne-ratingbenadering. 5.
Instellingen die eigen LGD-ramingen gebruiken,
mogen ongedekte kredietprotectie in aanmerking nemen door de PD's aan te
passen, behoudens artikel 157, lid 3. 6.
Voor het verwateringsrisico van gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de EL-raming van
de instelling voor het verwateringsrisico. Een instelling die volgens artikel 138 van de bevoegde autoriteit
toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen voor uitzettingen op
ondernemingen te gebruiken en haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van
gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD's en LGD's kan
ontbinden op een wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, mag de uit
deze ontbinding resulterende PD-raming gebruiken. De instellingen mogen voor de berekening van de PD ongedekte
kredietprotectie in aanmerking nemen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4. Voor het verwateringsrisico komt naast de
protectiegevers waarvan sprake in artikel 197, lid 1, onder g), de verkoper van
de gekochte kortlopende vorderingen in aanmerking mits de voorwaarden in lid 4
zijn vervuld. 7.
In afwijking van artikel 197, lid 1, onder g),
komen de ondernemingen in aanmerking die voldoen aan de voorwaarden in lid 4. Een instelling die volgens artikel 138 van de bevoegde
autoriteit toestemming heeft gekregen om voor het verwateringsrisico van
gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen eigen LGD-ramingen te
gebruiken, mag ongedekte kredietprotectie in aanmerking nemen door de PD's aan
te passen, behoudens artikel 157, lid 3. Artikel 157
Verlies bij wanbetaling (LGD) 1.
De instellingen gebruiken de volgende LGD-waarden
overeenkomstig artikel 146, lid 8: a) niet-achtergestelde uitzettingen zonder toelaatbare zekerheid: 45 %; b) achtergestelde uitzettingen zonder toelaatbare zekerheid: 75 %; c) de instellingen kunnen gedekte en ongedekte kredietprotectie in de LGD
in aanmerking nemen overeenkomstig hoofdstuk 4; d) aan gedekte obligaties als omschreven in artikel 124 mag een LGD-waarde
van 11,25% worden toegekend; e) voor uitzettingen op niet-achtergestelde gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen waarbij de PD-ramingen van de instelling niet aan
de vereisten van afdeling 6 voldoen: 45
%; f) voor uitzettingen op achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op
ondernemingen waarbij een instelling niet in staat is PD's te ramen of de
PD-ramingen van een instelling niet aan de vereisten van afdeling 6 voldoen: 100 %; g) voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op
ondernemingen: 75 %. 2.
Ten aanzien van het verwaterings- en
wanbetalingsrisico mag een instelling die overeenkomstig artikel 138 van de
bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen voor
uitzettingen op ondernemingen te gebruiken en haar EL-ramingen voor gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD's en LGD's kan ontbinden op een
wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, de LGD-raming voor gekochte
kortlopende vorderingen gebruiken. 3.
Indien een instelling overeenkomstig artikel 138
van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen
voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen, centrale overheden en
centrale banken te gebruiken, mag ongedekte kredietprotectie in aanmerking
worden genomen door de PD of de LGD-ramingen aan te passen, behoudens de
vereisten als gespecificeerd in afdeling 6 en toestemming van de bevoegde
autoriteiten. Een instelling kent aan
gegarandeerde uitzettingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het
aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse
uitzetting op de garantiegever. 4.
Ten aanzien van de ondernemingen waarvan sprake in
artikel 148, lid 3, is de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse uitzetting op
de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte
faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van
de debiteur, al naargelang uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van
de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de
looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde
bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de
garantiegever of de debiteur. Artikel 158
Looptijd 1.
Instellingen die geen toestemming hebben gekregen
om voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en
centrale banken eigen LGD's en omrekeningsfactoren te gebruiken, kennen aan
uitzettingen die ontstaan als gevolg van repo's dan wel transacties inzake
verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen een looptijdwaarde
(M) van 0,5 jaar en aan alle andere uitzettingen een M van 2,5 jaar toe. Bij wijze van alternatief beslissen de bevoegde
autoriteiten in verband met de toestemming waarvan sprake in artikel 138 of de
instelling voor elke uitzetting gebruikmaakt van looptijd (M) zoals beschreven
in lid 2. 2.
Instellingen die volgens artikel 138 van de
bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen om voor uitzettingen op
ondernemingen, instellingen of centrale overheden en centrale banken eigen
LGD’s en eigen omrekeningsfactoren te gebruiken, berekenen voor elk van deze
uitzettingen M op de onder a) tot en met e) beschreven wijze en behoudens de
leden 3 tot en met 5. In al deze
gevallen mag M niet meer bedragen dan 5 jaar: a) voor een instrument dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M
berekend volgens de onderstaande formule: waarbij CFt staat voor de kasstromen
(hoofdsom, rentebetalingen en provisies) die de debiteur in periode t
contractueel verplicht is te betalen; b) voor afgeleide instrumenten die onderworpen zijn aan een
kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende
looptijd van de uitzetting, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar en voor
de weging van de looptijd de notionele hoofdsom van elke uitzetting wordt
gebruikt; c) voor uitzettingen die ontstaan uit hoofde van transacties met
betrekking tot volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide
instrumenten die zijn opgesomd in bijlage II en van volledig of bijna
volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties die onderworpen zijn
aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde
resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 10
dagen; d) voor repo’s of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een
kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende
looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt het
notionele bedrag van elke transactie gebruikt; e) indien een instelling overeenkomstig artikel 138 van de bevoegde
autoriteit toestemming heeft gekregen om voor gekochte kortlopende vorderingen
op ondernemingen eigen PD-ramingen te gebruiken, is voor opgenomen bedragen M
gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de uitzetting op de gekochte
kortlopende vorderingen, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen. Deze zelfde waarde van M wordt ook gebruikt voor
niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit mits
de koopovereenkomst effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of
andere kenmerken omvat die de kopende instelling bescherming bieden tegen een
significante verslechtering van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende
vorderingen die zij gedurende de looptijd van de faciliteit verplicht is te
kopen. Bij gebreke van dergelijke
effectieve beschermingsmiddelen is M voor niet-opgenomen bedragen de som van de
langstlopende kortlopende potentiële vordering in het kader van de
koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten
minste gelijk is aan 90 dagen; f) voor alle andere instrumenten dan die welke in dit punt worden genoemd
of ingeval een instelling niet in staat is M op de onder a) beschreven wijze te
berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode (in jaren) die de
debiteur mag wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen,
waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar; g) indien een instelling de in afdeling 6 van hoofdstuk 6 beschreven
internemodellenmethode hanteert om de uitzettingswaarden te berekenen, wordt M
volgens de volgende formule berekend voor de uitzettingen waarop zij deze
methode toepast en waarvoor de looptijd van het langstlopende contract van het
samenstel van verrekenbare transacties langer is dan één jaar: waarbij: = een dummy-variabele waarvan de waarde in een toekomstige periode tk
gelijk is aan 0 indien tk > 1 jaar en aan 1 indien tk
≤ 1 = de verwachte uitzetting in een toekomstige periode tk; = de effectieve
verwachte uitzetting in een toekomstige periode tk; = de risicovrije disconteringsfactor voor de
toekomstige periode tk;
h) een instelling die gebruikt maakt van een intern model om een
eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment —
CVA) te berekenen, mag de met behulp van het interne model geraamde effectieve
duur van het krediet als M gebruiken, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteiten. Behoudens lid 2 is op samenstellen van
verrekenbare transacties waarin alle overeenkomsten een oorspronkelijke
looptijd van minder dan een jaar hebben, de formule in punt a) van toepassing; i) indien een instelling de in afdeling 6 van hoofdstuk 6 beschreven
internemodellenmethode hanteert om de uitzettingswaarden te berekenen en
overeenkomstig deel 3, titel IV, hoofdstuk 5 over de toestemming beschikt om
voor de berekening van specifieke risico's die verband houden met verhandelbare
schuldposities de internemodellenmethode te gebruiken, dan wordt in de in
artikel 148, lid 1, neergelegde formule M vastgesteld op 1, mits een instelling
aan de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat haar interne model voor specifiek
risico in verband met verhandelde schuldposities volgens artikel 373 effecten
van ratingmigraties bevat; j) voor de toepassing van artikel 148, lid 3, is M de daadwerkelijke
looptijd van de kredietprotectie, maar ten minste gelijk aan 1 jaar. 3.
Wanneer de documentatie dagelijkse margebijstortingen
en dagelijkse herwaardering vereist en bepalingen bevat die de prompte
uitwinning of saldering van zekerheden mogelijk maken in geval van wanbetaling
of het uitblijven van een margestorting, is M ten minste gelijk aan 1 dag voor: a) de volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide
instrumenten die zijn opgesomd in bijlage II; b) volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte
margeleningstransacties; c) repo's, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen. Ook voor kwalificerende kortlopende vorderingen
die geen deel uitmaken van de doorlopende financiering door de instelling van
de debiteur, is M ten minste gelijk aan 1 dag. Als kortlopende uitzetting kwalificeren onder meer: a) uitzettingen op instellingen die voortkomen uit het voldoen aan
deviezenverplichtingen; b) zelfliquiderende kortlopende handelsfinancieringstransacties,
documentair krediet voor de in- en uitvoer en soortgelijke transacties met een
resterende looptijd van ten hoogste één jaar; c) uitzettingen die voortkomen uit de vereffening van aankopen en verkopen
van effecten binnen de gebruikelijke leveringstermijn van twee werkdagen; d) uitzettingen die voortkomen uit vereffeningen in contanten middels
telegrafische overschrijving en vereffeningen van elektronische
betalingstransacties en van tevoren betaalde kosten, inclusief overdisposities
die voortkomen uit falende transacties die geen klein, vast, overeengekomen
aantal werkdagen overschrijden. 4.
Voor uitzettingen op ondernemingen die zich in de
Unie bevinden en een geconsolideerde omzet en een geconsolideerd vermogen van
minder dan 500 miljoen EUR hebben, kunnen de instellingen beslissen M
consistent vast te stellen zoals beschreven in lid 1 in plaats van lid 2 toe te
passen. De instellingen kunnen
in plaats van een totaal vermogen van 500 miljoen EUR een bedrag van 1000
miljoen EUR toestaan voor ondernemingen die in de eerste plaats
niet-speculatief niet-zakelijk onroerend goed bezitten en verhuren. 5.
Looptijdverschillen worden behandeld op de in de
hoofdstuk 4 beschreven wijze. Onderafdeling 2
Uitzettingen
op particulieren en kleine partijen Artikel 159
Kans op wanbetaling(PD) 1.
De PD van een uitzetting is ten minste gelijk aan 0,03
%. 2.
De PD van debiteuren of, bij een
verplichtingenbenadering, de PD van uitzettingen waarbij sprake is van
wanbetaling is gelijk aan 100 %. 3.
Voor het verwateringsrisico van gekochte
kortlopende vorderingen is de PD gelijk aan de EL-ramingen voor het
verwateringsrisico. Indien een
instelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte
kortlopende vorderingen in PD's en LGD's kan ontbinden op een wijze die de
bevoegde autoriteiten betrouwbaar achten, mag de PD-raming worden gebruikt. 4.
Ongedekte kredietprotectie kan in aanmerking
worden genomen door de PD's aan te passen, behoudens artikel 160, lid 2. Voor het verwateringsrisico komt naast de
protectiegevers waarvan sprake in artikel 197, lid 1, onder g), de verkoper van
de gekochte kortlopende vorderingen in aanmerking indien de voorwaarden in
artikel 156, lid 4, zijn vervuld. Artikel 160
Verlies bij wanbetaling (LGD) 1.
De instellingen verstrekken eigen ramingen van de
LGD's, behoudens de vereisten van afdeling 6 en met toestemming van de bevoegde
autoriteiten overeenkomstig artikel 138. Voor het verwateringsrisico van
gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde van 75 % gebruikt. Indien een instelling haar EL-ramingen voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze
kan ontbinden in PD's en LGD's, mag de instelling haar eigen LGD-raming
gebruiken. 2.
Ongedekte kredietprotectie ter dekking van een
individuele uitzetting of een pool van uitzettingen mag in aanmerking worden
genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, behoudens de vereisten van
artikel 179, leden 1, 2 en 3, en de toestemming van de bevoegde autoriteiten. Een instelling kent aan gegarandeerde
uitzettingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste
risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse uitzetting
op de garantiegever. 3.
Voor de toepassing van artikel 149, lid 2, is de
LGD van een vergelijkbare rechtstreekse uitzetting op de protectiegever gelijk
aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de
garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang uit
beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien
zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte
transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn
van de financiële situatie van de garantiegever respectievelijk de debiteur. 4.
Het risicogewogen gemiddelde LGD van alle
uitzettingen op particulieren en kleine partijen waarvoor niet-zakelijk
onroerend goed in zekerheid is gegeven en de centrale overheid geen garantie
heeft afgegeven, mag niet onder de 10% liggen. Het risicogewogen gemiddelde LGD van alle
uitzettingen op particulieren en kleine partijen waarvoor zakelijk onroerend
goed in zekerheid is gegeven en de centrale overheid geen garantie heeft
afgegeven, mag niet onder de 15% liggen. Onderafdeling 3
toepassing
van de pd/lgd-methode op uitzettingen in aandelen Artikel 161
Toepassing van de PD/LGD-methode op uitzettingen in
aandelen 1.
De PD's worden bepaald volgens de methoden die gelden
voor uitzettingen op ondernemingen. De volgende minimum-PD's zijn van toepassing: a) 0,09 % voor uitzettingen op ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de
investering/belegging past in het kader van een duurzame cliëntrelatie; b) 0,09 % voor private equity-uitzettingen, waarbij de opbrengsten van de
investering/belegging berusten op regelmatige en periodieke kasstromen die niet
samenhangen met vermogenswinsten; c) 0,40 % voor uitzettingen op ter beurze verhandelde aandelen, met
inbegrip van andere shortposities als bedoeld in artikel 150, lid 2; d) 1,25 % voor alle overige uitzettingen in aandelen, met inbegrip van
andere shortposities als bedoeld in artikel 150, lid 2. 2.
Aan private equity-uitzettingen in voldoende
gespreide portefeuilles kan een LGD van 65 % worden toegekend. Aan alle overige dergelijke uitzettingen wordt
een LGD van 90 % toegekend. 3.
Aan alle uitzettingen wordt een M van 5 jaar
toegekend. Afdeling 5
Uitzettingswaarde Artikel 162
Uitzettingen op ondernemingen, instellingen, centrale overheden
en centrale banken en uitzettingen op particulieren en kleine partijen 1.
Tenzij anders is aangegeven, wordt voor op de
balans opgenomen uitzettingen de uitzettingswaarde gemeten door de boekwaarde
die wordt gemeten zonder rekening te houden met aangebrachte
kredietrisicoaanpassingen. Deze regel geldt ook voor activa die worden
gekocht tegen een andere prijs dan het verschuldigde bedrag. Voor gekochte activa wordt het verschil tussen het
verschuldigde bedrag en de na het aanbrengen van bepaalde kredietrisicoaanpassingen
in de balans van instellingen opgenomen resterende boekwaarde disagio genoemd
als het verschuldigde bedrag groter is en agio als het kleiner is. 2.
Wanneer de instellingen bij repo's of bij
transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen
van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maken, wordt de uitzettingswaarde
berekend overeenkomstig hoofdstuk 4. 3.
Bij verrekening van leningen en deposito's passen
de instellingen voor de berekening van de uitzettingswaarde de in hoofdstuk 4
beschreven methoden toe. 4.
Bij lease-overeenkomsten is de uitzettingswaarde
gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. Minimumleasebetalingen omvatten de betalingen gedurende de leasetermijn
die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen, alsmede alle
gunstige koopopties (dit zijn opties die naar alle waarschijnlijkheid worden
uitgeoefend). Indien een andere
partij dan de leasenemer een betaling dient te doen in verband met de
restwaarde van een geleaset activum en deze betalingsverplichting aan het
geheel van voorwaarden in artikel 197 betreffende de toelaatbaarheid van
protectiegevers alsook de vereisten voor de inaanmerkingneming van andere
soorten garanties in artikel 208 voldoet, mag de betalingsverplichting als ongedekte
kredietprotectie in aanmerking worden genomen overeenkomstig hoofdstuk 4. 5.
Indien het gaat om een in bijlage II genoemde post,
wordt de uitzettingswaarde bepaald aan de hand van de methoden die in hoofdstuk
6 zijn beschreven en wordt met geen aangebrachte kredietrisicoaanpassingen
rekening gehouden. 6.
De uitzettingswaarde die wordt gehanteerd voor de
berekening van de risicogewogen uitzettingsbedragen welke betrekking hebben op
gekochte kortlopende uitzettingen, is de waarde overeenkomstig lid 1 verminderd
met de eigenvermogensvereisten voor het verwateringsrisico vóór
kredietrisicolimitering. 7.
Bij een uitzetting in effecten of grondstoffen die
verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader van repo's of transacties
inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties
met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties, is de
uitzettingswaarde gelijk aan de overeenkomstig artikel 94 bepaalde waarde van
de effecten of grondstoffen. Wanneer
de in artikel 218 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden
wordt toegepast, wordt de uitzettingswaarde verhoogd met de
volatiliteitsaanpassing die daarin voor de betrokken effecten of grondstoffen
in kwestie is aangegeven. De
uitzettingswaarde van repo's, transacties inzake verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn
en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk 6 of
artikel 215, lid 2. 8.
De uitzettingswaarde van de volgende posten wordt
berekend door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te vermenigvuldigen
met een omrekeningsfactor. De
instellingen gebruiken de volgende omrekeningsfactoren overeenkomstig artikel
146, lid 8: a) voor kredietlijnen die door een instelling op elk tijdstip zonder
opzegtermijn onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor uitdrukkelijk
in automatische opzegging is voorzien als de kredietwaardigheid van een lener
verslechtert, geldt een omrekeningsfactor van 0 %. Om een omrekeningsfactor van 0 % te mogen toepassen, moeten de
instellingen nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgen en
moeten hun internecontrolesystemen hen in staat stellen onmiddellijk een
verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren. Onbenutte kredietlijnen mogen worden aangemerkt
als kredietlijnen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien de
instelling deze kredietlijnen krachtens de daaraan verbonden voorwaarden mag
opzeggen in de mate dat dit toegestaan wordt door de wetgeving inzake
consumentenbescherming en aanverwante wetgeving; b) voor kortlopend documentair krediet waaraan goederenhandel ten
grondslag ligt, geldt een omrekeningsfactor van 20 % voor zowel de uitgevende
als de confirmerende instelling; c) voor niet-aangesproken koopverplichtingen voor revolverende gekochte
kortlopende vorderingen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor
uitdrukkelijk in automatische opzegging op enig tijdstip door de instelling is
voorzien, geldt een omrekeningsfactor van 0 %. Om een omrekeningsfactor van 0 % te mogen toepassen, moeten de
instellingen nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgen en
moeten hun internecontrolesystemen hen in staat stellen onmiddellijk een
verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren; d) voor andere kredietlijnen, note issuance facilities (NIFs) en revolving
underwriting facilities (RUFs) geldt een omrekeningsfactor van 75 %; e) instellingen die aan de in afdeling 6 gespecificeerde vereisten voldoen
om eigen ramingen van omrekeningsfactoren te gebruiken, mogen eigen ramingen
van omrekeningsfactoren voor verschillende productsoorten als genoemd onder
bovenstaande punten a) tot en met d) gebruiken, behoudens toestemming van de
bevoegde autoriteiten. 9.
Wanneer een verplichting betrekking heeft op de
uitbreiding van een andere verplichting, wordt gebruik gemaakt van de laagste
van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele verplichting gelden. 10.
Voor alle andere posten buiten de balanstelling dan
die welke in de punten 1 tot en met 8 worden vermeld, wordt de
uitzettingswaarde opgevat als het volgende percentage van de waarde ervan: a) 100 % bij een post met een volledig risico; b) 50 % bij een post met een middelgroot risico; c) 20 % bij een post met een middelgroot/laag risico; d) 0 % bij een post met een laag risico. Voor de toepassing van dit lid worden de posten
buiten de balanstelling ondergebracht in de risicocategorieën als aangegeven in
bijlage I. Artikel 163
Uitzettingen in aandelen 1.
Voor uitzettingen in aandelen wordt de
uitzettingswaarde bepaald door de resterende boekwaarde na aanbrenging van
bepaalde kredietrisicoaanpassingen. 2.
De uitzettingswaarde van uitzettingen in aandelen
buiten de balanstelling is gelijk aan de nominale waarde na vermindering van de
nominale waarde ervan voor bepaalde kredietrisicoaanpassingen voor deze
uitzetting. Artikel 164
Andere activa die geen kredietverplichting
vertegenwoordigen De uitzettingswaarde van andere activa die
geen kredietverplichtingen vertegenwoordigen, is gelijk aan de resterende
boekwaarde na aanbrenging van bepaalde kredietrisicoaanpassingen. Afdeling 6
vereisten
voor de interne-ratingbenadering Onderafdeling 1
ratingsystemen Artikel 165
Algemene beginselen 1.
Wanneer een instelling van meerdere ratingsystemen
gebruik maakt, wordt de gedachtegang achter de toewijzing van een ratingsysteem
voor een bepaalde debiteur of transactie schriftelijk vastgelegd en op zodanige
wijze toegepast dat het risiconiveau adequaat wordt weergegeven. 2.
De toewijzingscriteria en -procedures worden
periodiek aan een nieuw onderzoek onderworpen om na te gaan of zij nog steeds
adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden. 3.
Wanneer een instelling gebruik maakt van directe
ramingen van risicoparameters, mogen deze worden aangemerkt als outputs van
klassen op een continue ratingschaal. Artikel 166
Opzet van ratingsystemen 1.
De opzet van ratingsystemen voor uitzettingen op
ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken voldoet aan
de volgende vereisten: a) een ratingsysteem houdt rekening met de debiteuren- en
transactierisicokenmerken; b) een ratingsysteem heeft een ratingschaal voor debiteuren die
uitsluitend de kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft,
weergeeft. De ratingschaal voor debiteuren
telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en één voor
in gebreke gebleven debiteuren; c) een instelling legt de relatie tussen debiteurenklassen schriftelijk
vast in termen van het met de verschillende debiteurenklassen samenhangende
niveau van het wanbetalingsrisico en in termen van de gebruikte criteria om de
diverse risiconiveaus van elkaar te onderscheiden; d) instellingen waarvan de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in
een bepaald deel van de PD-distributie zijn geconcentreerd, zorgen ervoor dat
binnen dat deel genoeg debiteurenklassen zijn om ongewenste concentraties van
debiteuren in één bepaalde klasse te vermijden. Significante concentraties in één klasse worden gemotiveerd door middel
van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de
debiteurenklasse een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het
wanbetalingsrisico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte
debiteuren verbonden is, binnen die bandbreedte valt; e) om voor de berekening van eigen LGD-ramingen in aanmerking te komen,
omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin
uitsluitend met de LGD verband houdende transactiekenmerken worden weergegeven. De definitie van de faciliteitsklasse omvat een
beschrijving van de wijze waarop een uitzetting in een klasse wordt
ondergebracht en van de gebruikte criteria om de risiconiveaus van de diverse
klassen van elkaar te onderscheiden; f) significante concentraties in één faciliteitsklasse worden gemotiveerd
door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de
faciliteitsklasse een redelijk smalle LGD-bandbreedte bestrijkt en dat het
risico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte uitzettingen
verbonden is, binnen die bandbreedte valt. 2.
Instellingen die voor de toekenning van
risicogewichten aan uitzettingen uit hoofde van gespecialiseerde
kredietverlening de in artikel 148, lid 5, beschreven methoden toepassen, zijn
vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren
welke uitsluitend het risico kwantificeert dat de debiteur in gebreke blijft
voor deze uitzettingen. Deze
instellingen hebben voor deze uitzettingen ten minste 4 klassen voor niet
in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één klase voor in gebreke gebleven
debiteuren. 3.
De opzet van ratingsystemen voor uitzettingen op
particulieren en kleine partijen voldoet aan de volgende vereisten: a) de ratingsystemen geven zowel het debiteuren- als het transactierisico
weer en nemen alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken mee; b) het risico is op zodanige wijze gedifferentieerd dat het aantal
uitzettingen in een gegeven klasse of groep toereikend is voor een zinvolle
kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse
of groep. De uitzettingen en
debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld dat
buitensporige concentraties worden vermeden; c) de procedure voor de onderbrenging van uitzettingen in klassen of
groepen resulteert in een zinvolle risicodifferentiatie, levert een groepering
van voldoende homogene uitzettingen op en maakt een accurate en consequente
raming van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk. Voor gekochte kortlopende vorderingen
weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de
heterogeniteit van zijn cliënten. 4.
De instellingen houden rekening met de volgende
risicobepalende factoren wanneer zij uitzettingen in klassen of groepen
onderbrengen: a) debiteurenrisicokenmerken; b) transactierisicokenmerken, met inbegrip van product- of
zekerhedensoorten of beide. Instellingen
gaan uitdrukkelijk in op gevallen waarin voor verschillenden uitzettingen
dezelfde zekerheden zijn gesteld; c) achterstalligheid, behalve wanneer de instelling naar genoegen van haar
bevoegde autoriteit aantoont dat achterstalligheid geen materiële aanjager van
de uitzetting is. Artikel 167
Onderbrenging in klassen of groepen 1.
Een instelling past specifieke definities,
procedures en criteria toe voor de onderbrenging van uitzettingen in klassen of
groepen van een ratingsysteem die aan de volgende vereisten voldoen: a) de definities en criteria van de klassen of groepen zijn voldoende
gedetailleerd om degenen die ratings toekennen in staat te stellen op
consistente wijze debiteuren of faciliteiten waaraan vergelijkbare risico's
verbonden zijn, in dezelfde klasse of groep onder te brengen. Deze consistentie geldt voor alle
bedrijfsonderdelen, afdelingen en geografische locaties; b) de documentatie van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen
hoe uitzettingen in klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging
in klassen en groepen te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in
een bepaalde klasse of groep terecht is; c) de criteria sluiten tevens aan bij de door de instelling toegepaste
interne normen voor de verstrekking van leningen en bij haar gedragslijnen voor
de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten. 2.
Bij de onderbrenging van debiteuren en faciliteiten
in klassen of groepen houdt een instelling rekening met alle relevante
informatie. Deze informatie is
actueel en stelt de instelling in staat de toekomstige ontwikkeling van de
uitzetting te voorspellen. Hoe minder
informatie een instelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij de
onderbrenging van uitzettingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of
-groepen. Indien een instelling
gebruik maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van
een interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie. Artikel 168
Onderbrenging van uitzettingen 1.
Uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken worden ondergebracht overeenkomstig de
volgende criteria: a) elke debiteur wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een
debiteurenklasse ondergebracht; b) voor die instellingen die volgens artikel 138 van de bevoegde
autoriteit toestemming hebben gekregen om eigen LGD-ramingen en
omrekeningsfactoren te gebruiken, wordt elke uitzetting in het kader van het
kredietacceptatieproces tevens in een faciliteitsklasse ondergebracht; c) instellingen die de in artikel 148, lid 5, beschreven methoden
toepassen voor de toekenning van risicogewichten aan uitzettingen uit hoofde
van gespecialiseerde kredietverlening, brengen elk van deze uitzettingen
conform artikel 166, lid 2, in een klasse onder; d) aan elke individuele rechtspersoon waarop de instelling een uitzetting
heeft, wordt een afzonderlijke rating toegekend. Een instelling heeft passende gedragslijnen voor de behandeling van
individuele debiteuren-cliënten en groepen verbonden cliënten; e) verschillende uitzettingen op dezelfde debiteur worden in dezelfde
debiteurenklasse ondergebracht, ongeacht of het karakter van elke specifieke
transactie verschillen vertoont. Wanneer
verschillende uitzettingen op dezelfde debiteur in meerdere klassen worden
ondergebracht, is echter het volgende van toepassing: i) het transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de uitzettingen
in de lokale dan wel in een buitenlandse valuta luiden; ii) de behandeling van met een uitzetting samenhangende garanties kan
worden weergegeven door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse; iii) gezien consumentenbescherming, het bankgeheim of andere wetgeving is
het uitwisselen van gegevens over cliënten verboden. 2.
Uitzettingen op particulieren en kleine partijen
worden in het kader van het kredietacceptatieproces in een klasse of groep
ondergebracht. 3.
Bij de onderbrengingen in klassen of groepen leggen
instellingen schriftelijk vast in welke situaties de inputs of outputs van het
onderbrengingsproces door middel van subjectieve inschatting kunnen worden
bijgestuurd en welk personeel voor de goedkeuring van deze bijsturingen
verantwoordelijk is. De instellingen
documenteren deze bijsturingen en noteren welk personeel daarvoor
verantwoordelijk is. Instellingen
analyseren de ontwikkeling van de uitzettingen waarvan de onderbrenging is
bijgestuurd. Deze analyse omvat een
beoordeling van de ontwikkeling van uitzettingen waarvan de rating door een
bepaalde persoon is bijgestuurd, waarbij voor alle verantwoordelijke
personeelsleden verantwoording wordt afgelegd. Artikel 169
Integriteit van het onderbrengingsproces 1.
Bij de onderbrenging van uitzettingen op
ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken worden de
volgende integriteitsvereisten vervuld: a) de onderbrengingen en periodieke evaluaties van onderbrengingen worden
verricht of goedgekeurd door een onafhankelijke partij die geen onmiddellijk
voordeel heeft bij de beslissingen om krediet te verstrekken; b) de onderbrengingen worden ten minste jaarlijks door de instellingen
bijgewerkt. Risicovolle debiteuren en
probleemuitzettingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. Instellingen gaan over tot een herziening van de
onderbrenging indien materiële informatie over de debiteur of uitzetting
beschikbaar komt; c) instellingen beschikken over een efficiënte procedure voor de
verzameling en actualisering van relevante informatie over debiteurenkenmerken
die op PD's van invloed zijn en over transactiekenmerken die op LGD's of
omrekeningsfactoren van invloed zijn. 2.
Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen gaat een instelling ten minste eenmaal per jaar over tot de actualisering
van de onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of tot de analyse
van de verlieskenmerken en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden
risicogroep, al naar het geval. Een
instelling onderzoekt tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een
representatieve steekproef van individuele uitzettingen uit elke groep om erop
toe te zien dat uitzettingen nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn. 3. De
EBA ontwikkelt technische regelgevingsnormen om de voorwaarden te specificeren
volgens welke de instellingen de integriteit van het onderbrengingsproces en de
regelmatige en onafhankelijke beoordeling van de risico's verzekeren. De EBA legt de in de eerste alinea bedoelde
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014
aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 170
Gebruik van modellen Indien een instelling gebruik maakt van
statistische modellen en andere mechanische methoden om uitzettingen in
debiteuren- of faciliteitsklassen of -groepen onder te brengen, worden de
volgende vereisten vervuld: a) het model heeft een goede voorspelkracht en de kapitaalvereisten mogen
niet vertekend zijn als gevolg van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige basis voor de
resulterende prognoses. Het model
wordt niet gekenmerkt door materiële vertekeningen; b) de instelling beschikt over een procedure voor de validatie van de in
het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid
en relevantie van die gegevens worden getoetst; c) de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens zijn
representatief voor de bestaande populatie van debiteuren of uitzettingen van
de instelling; d) de instelling voorziet in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een
monitoring van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat; e) de instelling vult het statistische model aan met subjectieve
inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen
onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de
modellen. De toetsingsprocedures zijn
erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen
en te beperken. Bij subjectieve
inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet
door het model in aanmerking wordt genomen. De instelling legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en
de modelresultaten moeten worden gecombineerd. Artikel 171
Documentatie van ratingsystemen 1.
De instelling legt de opzet en operationele
bijzonderheden van haar ratingsystemen schriftelijk vast. Uit de documentatie blijkt dat de in deze afdeling gestelde vereisten
in acht worden genomen. In de documentatie komen onder meer de volgende
onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria,
verantwoordelijkheden van partijen die ratings toekennen aan debiteuren en
uitzettingen, de frequentie waarmee de ratings worden herbekeken, en het
managementtoezicht op het ratingproces. 2.
De instelling legt de motivering voor haar keuze
van ratingcriteria en de analyse ter ondersteuning van deze keuze schriftelijk
vast. Een instelling documenteert
alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces en in die documentatie
wordt aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht
na de laatste evaluatie ervan door de bevoegde autoriteiten en waarom. Ook de organisatie van de toekenning van ratings,
met inbegrip van de procedure voor de toekenning van ratings en de
internecontrolestructuur, wordt schriftelijk vastgelegd. 3.
De instelling legt de intern gebruikte specifieke
definities van wanbetaling en verlies schriftelijk vast en draagt zorg voor
consistentie met de definities in deze verordening. 4.
Wanneer de instelling in het kader van het
ratingproces van statistische modellen gebruik maakt, legt zij de methode ervan
schriftelijk vast. Hierbij: a) wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de theorie, aannamen en
wiskundige en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen,
individuele debiteuren, uitzettingen of pools, alsook van de voor de opstelling
van het model gebruikte gegevensbron(nen); b) wordt een strikt statistische procedure (met inbegrip van out-of-time
en out-of-sample prestatietesten) voor de validatie van het model vastgelegd; c) wordt aangegeven onder welke omstandigheden het model niet efficiënt
werkt. 5.
Een instelling toont ten genoegen van de bevoegde
autoriteit aan dat aan de vereisten van dit artikel wordt voldaan wanneer een
instelling bij een derde-verkoper een ratingsysteem of een in verband met een
ratingsysteem gebruikt model heeft verkregen en die verkoper de toegang van de
instelling tot informatie met betrekking tot de methode van dat ratingsysteem
of dat model, of de onderliggende gegevens die worden gebruikt om die methode
of dat model te ontwikkelen, weigert of beperkt op grond van het feit dat dit
eigendomsrechtelijk beschermde informatie is. Artikel 172
Bijhouden van gegevens 1.
Instellingen verzamelen en slaan gegevens op over
de aspecten van hun interne ratings, zoals voorgeschreven overeenkomstig deel 8. 2.
Voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken verzamelen en slaan de instellingen op: a) de volledige
ratinghistorie van debiteuren en erkende garantiegevers; b) de data waarop de ratings zijn toegekend; c) de belangrijkste gegevens en methoden die zijn gebruikt om de ratings
te bepalen; d) de voor de toekenning van de rating
verantwoordelijke persoon; e) de
in gebreke gebleven debiteuren en uitzettingen waarvoor er zich een wanbetaling
heeft voorgedaan; f) de
datum waarop en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en
uitzettingen een betalingsachterstand hebben opgelopen; g) gegevens over de PD's en de
gerealiseerde wanbetalingsgraden die met ratingklassen en ratingmigraties
samenhangen. 3.
Instellingen die geen eigen ramingen van LGD's en
omrekeningsfactoren gebruiken, gaan over tot het verzamelen en opslaan van
gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde LGD's en de in artikel 157,
lid 1, opgenomen waarden en tussen gerealiseerde omrekeningsfactoren en de
in artikel 162, lid 8, opgenomen waarden. 4.
Instellingen die eigen ramingen van LGD's en
omrekeningsfactoren gebruiken, worden geacht de volgende gegevens te verzamelen
en op te slaan: a) volledige historische gegevens over de met elke ratingschaal
samenhangende faciliteitsratings en ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren; b) de data waarop de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht; c) de belangrijkste
gegevens en methoden die zijn gebruikt om de faciliteitsratings en de ramingen
van de LGD's en omrekeningsfactoren te bepalen; d) de persoon die de
faciliteitsrating heeft toegekend en de persoon die de ramingen van LGD's en
omrekeningsfactoren heeft verstrekt; e) gegevens over de met elke uitzetting waarvoor er zich een wanbetaling
heeft voorgedaan samenhangende geraamde en gerealiseerde LGD's en
omrekeningsfactoren; f) voor de instellingen die via de LGD met de kredietrisicoverminderende
gevolgen van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over de
LGD van de uitzetting voor en na de beoordeling van de gevolgen van een
garantie of kredietderivaat; g) gegevens over de verliescomponenten van elke uitzetting waarvoor er
zich een wanbetaling heeft voorgedaan. 5.
Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen worden door de instellingen de volgende gegevens verzameld en
opgeslagen: a) bij het proces van de onderbrenging van uitzettingen in klassen of
groepen gebruikte gegevens; b) gegevens over de geraamde PD's, LGD's en omrekeningsfactoren die
samenhangen met de uitzettingsklassen of -groepen; c) de in gebreke gebleven debiteuren en uitzettingen waarvoor er zich een
wanbetaling heeft voorgedaan; d) voor uitzettingen waarvoor er zich een wanbetaling heeft voorgedaan, de
gegevens over de klassen of groepen waarin de uitzetting was ondergebracht in
het jaar voordat zij een betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde
uitkomsten voor de LGD en de omrekeningsfactor; e) gegevens over de verliespercentages voor gekwalificeerde revolverende
uitzettingen ten opzichte van particulieren en kleine partijen. Artikel 173
Bij de beoordeling van de kapitaaltoereikendheid gebruikte
stresstesten 1.
Instellingen beschikken over deugdelijke procedures
voor het verrichten van stresstesten bij de beoordeling van hun
kapitaaltoereikendheid. Bij het
verrichten van dergelijke testen wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen
of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen
kunnen hebben voor de kredietuitzettingen van een instelling, en beoordeeld in
hoeverre de instelling tegen dergelijke veranderingen bestand is. 2.
Instellingen verrichten regelmatig een stresstest
met betrekking tot het kredietrisico om na te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke
omstandigheden hebben voor hun totale kapitaalvereisten voor het kredietrisico. Het soort test wordt door de instelling gekozen,
behoudens toetsing door de toezichthouder. De test is relevant en redelijk voorzichtig, hetgeen inhoudt dat ten
minste het effect wordt onderzocht van scenario's waarbij van een hevige, maar
plausibele recessie wordt uitgegaan. De
instelling gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de
stresstestscenario's ondergaan. De
portefeuilles die het voorwerp uitmaken van de stresstest, bevatten de
overgrote meerderheid van alle uitzettingen van een instelling. 3.
Instellingen die de in artikel 148, lid 3,
beschreven behandeling toepassen, bestuderen in het kader van hun stresstesten
het effect van een verslechtering van de kredietkwaliteit van protectiegevers,
en met name het effect van protectiegevers die niet voldoen aan de
toelatingscriteria. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen om de betekenis van scenario's waarbij van een hevige, maar
plausibele recessie wordt uitgegaan waarvan sprake in lid 2 nader te
specificeren. De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op
1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea
bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens de procedure van
artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Onderafdeling 2
Risicokwantificering Artikel 174
Wanbetaling van een debiteur 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen en –groepen samenhangen, passen de instellingen de volgende
benadering toe op de vaststelling wanneer een debiteur in gebreke is gebleven. Voor de toepassing van dit hoofdstuk is sprake
van een wanbetaling met betrekking tot een specifieke debiteur wanneer een van
beide volgende gebeurtenissen heeft plaatsgevonden: a) de instelling acht het onwaarschijnlijk dat de debiteur zijn
kredietverplichtingen jegens de instelling, de moederonderneming of een van
haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de instelling zal
moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van zekerheden; b) de debiteur is meer dan 90 dagen achterstallig bij het nakomen van een
materiële kredietverplichting jegens de instelling, de moederonderneming of een
van haar dochterondernemingen. Bij overdispositie begint de periode van
achterstalligheid te lopen zodra een debiteur een aanbevolen kredietlimiet
heeft overschreden, een kredietlimiet is aanbevolen die lager is dan het
uitstaande bedrag, of zonder toestemming krediet heeft opgenomen en wanneer het
uitstaande bedrag materieel is. In geval van uitzettingen op particulieren en
kleine partijen wordt wanbetaling op faciliteitsniveau eveneens in aanmerking
genomen voor de toepassing van lid 2. Een aanbevolen kredietlimiet omvat elke
kredietlimiet die door de instelling is bepaald en waarover de debiteur door de
instelling is geïnformeerd. De periode van achterstalligheid voor
kredietkaarten begint te lopen op de vervaldag van de minimumbetaling. In alle gevallen overschrijdt de achterstallige
uitzetting een door de bevoegde autoriteiten omschreven drempel. Deze drempel weerspiegelt een risiconiveau dat de
bevoegde autoriteit als redelijk beschouwt. De instellingen beschikken over gedocumenteerde
gedragslijnen met betrekking tot het tellen het aantal achterstallige dagen,
in het bijzonder ten aanzien van de herschikking van de faciliteiten en het
toestaan van uitbreidingen, wijzigingen of uitstel, verlengingen, en
verrekening van bestaande rekeningen. Deze gedragslijnen worden consequent toegepast en zijn in
overeenstemming zijn met de interne risicomanagement- en
besluitvormingsprocessen van de instelling. 2.
Voor de toepassing van punt a) van lid 1 mogen
onder meer de volgende elementen worden beschouwd als indicaties dat betaling
onwaarschijnlijk is: a) de instelling bestempelt de kredietverplichting als dubieus; b) de instelling neemt een significante kredietrisicoaanpassing als gevolg
van een gepercipieerde significante vermindering van de kredietkwaliteit in aanmerking
nadat zij de uitzetting heeft geaccepteerd; c) de instelling verkoopt de kredietverplichting met een materieel
kredietgebonden economisch verlies; d) de instelling stemt in met een gedwongen herstructurering van de
kredietverplichting, welke wellicht zal resulteren in een geringere financiële
verplichting als gevolg van de materiële kwijtschelding, dan wel de verlening
van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of, in voorkomend geval, de
provisies. Dit omvat ook de gedwongen
herstructurering van het aandelenkapitaal in het geval van uitzettingen in
aandelen die worden beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering; e) de instelling heeft het faillissement van de debiteur of een
soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn kredietverplichting
jegens de instelling, de moederonderneming of een van haar
dochterondernemingen; f) de debiteur heeft het faillissement of een soortgelijke bescherming
aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de
terugbetaling van een kredietverplichting jegens de instelling, de
moederonderneming of een van haar dochterondernemingen wordt vermeden of
uitgesteld. 3.
Instellingen die gebruik maken van externe gegevens
die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling in lid 1,
brengen adequate aanpassingen aan om algemene overeenstemming met de definitie
van wanbetaling te bewerkstelligen. 4.
Indien de instelling oordeelt dat een uitzetting
waarvoor er zich een wanbetaling heeft voorgedaan, thans in een zodanige
toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing
is, kent zij aan de debiteur of faciliteit een rating van een uitzetting
waarvoor er zich geen wanbetaling heeft voorgedaan toe. Mocht de definitie van wanbetaling later toch van toepassing blijken,
dan wordt aangenomen dat er zich een andere wanbetaling heeft voorgedaan. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden te specificeren overeenkomstig welke een
bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde drempel vaststelt. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. 6.
De EBA geeft richtsnoeren betreffende de toepassing
van dit artikel. Deze richtsnoeren
worden vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 175
Algemene ramingsvereisten 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen of –groepen samenhangen, nemen de instellingen de
onderstaande voorschriften in acht: a) in de eigen ramingen door een instelling van de risicoparameters PD,
LGD, omrekeningsfactor en EL is met alle relevante gegevens, informatie en
methoden rekening gehouden. De
ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch
bewijsmateriaal en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn aannemelijk en intuïtief en
gebaseerd op de materiële aanjagers van de respectieve risicoparameters. Hoe minder gegevens een instelling bezit, hoe
voorzichtiger zij te werk gaat bij het verrichten van haar ramingen; b) de instelling is in staat haar verlieservaring in termen van
wanbetalingsfrequentie, LGD en omrekeningsfactor of verlies wanneer EL-ramingen
worden gebruikt, te ontbinden in de factoren die zij als de determinanten van
de respectieve risicoparameters beschouwt. De ramingen van de instelling moeten gebaseerd zijn op een langdurige
ervaring; c) er wordt rekening gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in de
artikelen 176, lid 1), onder h), 176, lid 1, onder j), 176, lid 2, onder e), 177,
lid 2, tweede alinea, 178, lid 1, onder f) en 178, lid3, tweede alinea,
genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of in de procedure voor de
inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen hebben voorgedaan. In de ramingen van de instelling wordt tevens
rekening gehouden met de gevolgen van technische vorderingen en met nieuwe
gegevens en andere inlichtingen naarmate deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens wanneer
nieuwe informatie aan het licht komt, onderwerpen de instellingen hun ramingen
aan een nieuw onderzoek, d) de populatie van de uitzettingen die in aanmerking worden genomen in de
gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die zijn
toegepast toen de gegevens zijn gegenereerd, en andere relevante kenmerken zijn
vergelijkbaar met die van de uitzettingen en normen van de instelling. De economische of marktvoorwaarden die aan de
gegevens ten grondslag liggen, zijn relevant voor de actuele en voorzienbare
voorwaarden. Het aantal in de
steekproef opgenomen uitzettingen en de voor de kwantificering gebruikte
periode waarop de gegevens betrekking hebben, zijn van dien aard dat de
instelling kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van haar ramingen; e) in de ramingen met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen
wordt rekening gehouden met alle relevante informatie waarover de kopende
instelling beschikt ten aanzien van de kwaliteit van de onderliggende
vorderingen, met inbegrip van gegevens over soortgelijke pools welke afkomstig
zijn van de verkoper, de kopende instelling of externe bronnen. De kopende instelling toetst alle door de
verkoper aangeleverde gegevens waarvan zij gebruik maakt; f) een instelling telt bij haar ramingen een voorzichtigheidsmarge die in
verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen. In de gevallen waarin de methoden en gegevens
door de instelling of de bevoegde autoriteit als minder bevredigend worden
beschouwd en de verwachte foutmarge groter is, is ook de voorzichtigheidsmarge
groter. Wanneer instellingen voor de berekening van risicogewichten
andere ramingen hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit gedocumenteerd
en wordt hierbij redelijkheid betracht. Indien instellingen ten behoeve van hun bevoegde autoriteiten kunnen
aantonen dat vóór 1 januari 2007 verzamelde gegevens op zodanige wijze zijn
aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de definitie van wanbetaling in
artikel 174 of verlies, kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen enige
flexibiliteit toestaan bij de toepassing van de voorgeschreven gegevensnormen. 2.
Wanneer een instelling gebruik maakt van een
datapool van verschillende instellingen, voldoet zij aan de volgende vereisten: a) de ratingsystemen en -criteria van de overige instellingen die tot de
datapool hebben bijgedragen, zijn vergelijkbaar met de hare; b) de datapool is representatief voor de portefeuille waarvoor de gegevens
uit de pool worden gebruikt; c) de instelling gebruikt de gegevens uit de datapool consequent in de
tijd voor haar ramingen; d) de instelling blijft verantwoordelijk voor de integriteit van haar
ratingsystemen; e) de instelling behoudt voldoende interne kennis van haar ratingsystemen,
waardoor zij onder meer feitelijk in staat is het ratingproces te monitoren en
te auditen. Artikel 176
Specifieke vereisten voor PD-ramingen 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen of –groepen samenhangen, passen de instellingen bij
PD-ramingen voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en centrale
overheden en centrale banken de volgende specifieke vereisten toe: a) instellingen ramen de PD's per debiteurenklasse op basis van
gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingsgraden. PD-ramingen voor debiteuren met een hoge
hefboomwerking of voor debiteuren waarvan de activa overwegend verhandelde activa
zijn, weerspiegelen de prestaties van de onderliggende activa op basis van
periodes van hoge volatiliteit; b) in het geval van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen
mogen instellingen het verwachte verlies (hierna EL) per debiteurenklasse ramen
op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde
wanbetalingsgraden; c) indien een instelling gemiddelde ramingen over een lange periode van
PD's en LGD's voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen afleidt uit
een EL-raming en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor
de raming van de totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde algemene
normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in
artikel 177, lid 1, onder a), vervatte concept van de LGD; d) wanneer instellingen PD-ramingstechnieken toepassen, mag dat alleen met
ondersteunende analyses. De
instellingen nemen het belang van subjectieve overwegingen in aanmerking bij
het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het
aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de
technieken en de informatie onderhevig zijn; e) indien een instelling voor de raming van PD's gebruik maakt van
gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, weerspiegelen de ramingen de
overnemingsnormen en alle verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens
heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt
de instelling een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming; f) indien een instelling haar interne klassen relateert of koppelt aan een
schaal die door een EKBI of soortgelijke organisaties wordt toegepast en
vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen
wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gebruikte klassen, wordt de
koppeling gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de
criteria die door de externe organisatie worden gebruikt en op een vergelijking
van de interne en externe ratings van gewone debiteuren. Vertekeningen of inconsistenties bij de koppeling of in de
onderliggende gegevens worden vermeden. De criteria van de externe organisatie welke aan de voor de
kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend
betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de
transactiekenmerken. In de door de
instelling verrichte analyse is een vergelijking van de definities van
wanbetaling opgenomen, behoudens de voorschriften in artikel 174. De instelling documenteert de grondslag voor de
koppeling; g) indien een instelling gebruik maakt van statistische
voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan mag zij PD's ramen als het gewone
gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele
debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer
de instelling voor deze doeleinden gebruik maakt van
waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 28
gespecificeerde normen; h) de duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode
is voor ten minste één bron gelijk aan minimaal vijf jaar, ongeacht of een
instelling voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne
gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de
bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt
van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit punt is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen. Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteiten mogen instellingen die van de bevoegde autoriteit geen toestemming
hebben ontvangen overeenkomstig artikel 138 om eigen LGD-ramingen of
omrekeningsfactoren te gebruiken bij de invoering van de
interne-ratingbenadering relevante gegevens gebruiken die een periode van twee
jaar bestrijken. De te bestrijken
periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een
periode van vijf jaar bestrijken. 2.
Voor uitzettingen op particulieren en kleine partijen
gelden de volgende vereisten: a) instellingen ramen de PD's per debiteurenklasse of -groep op basis van
gemiddelden over een lange periode van jaarlijkse wanbetalingsgraden; b) PD-ramingen kunnen ook worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en
passende LGD-ramingen; c) instellingen beschouwen interne gegevens voor de onderbrenging van
uitzettingen in klassen of groepen als de primaire informatiebron voor de
inschatting van de verlieskenmerken. Instellingen
mogen externe gegevens (met inbegrip van gegevens uit datapools) of
statistische modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits er een
sterk verband bestaat tussen: i) de door de instelling gevolgde procedure voor de onderbrenging van
uitzettingen in klassen of groepen en de door de externe gegevensbron gevolgde procedure; ii) het interne
risicoprofiel van de instelling en de samenstelling van de externe gegevens; d) indien een
instelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD en LGD voor
uitzettingen op particulieren of op kleine partijen afleidt uit een raming van
het totale verlies en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure
voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde algemene
normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in
artikel 177, lid 1, onder a), vervatte concept van de LGD; e) de duur van de
gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één
bron gelijk aan minimaal vijf jaar, ongeacht of een instelling voor haar
inschatting van verlieskenmerken gebruik maakt van externe gegevens, interne
gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de
bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt
van deze langere periode gebruik gemaakt. Een instelling behoeft geen even groot belang te hechten aan
historische gegevens indien recentere gegevens een betere voorspeller zijn van
de verliespercentages. Behoudens
toestemming van de bevoegde autoriteiten mogen instellingen bij de uitvoering
van de interne-ratingbenadering relevante gegevens gebruiken die een periode
van twee jaar bestrijken. De te
bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens
een periode van vijf jaar bestrijken. f) de tijdens de looptijd van de kredietuitzettingen verwachte wijzigingen
in de risicoparameters (seasoning effects) worden door de instellingen
aangegeven en geanalyseerd. Voor gekochte kortlopende vorderingen op
particulieren en kleine partijen mogen instellingen gebruik maken van externe
en interne referentiegegevens. Instellingen
gebruiken alle relevante gegevensbronnen als vergelijkingspunt. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) de voorwaarden volgens welke de bevoegde autoriteiten de toestemmingen
mogen verlenen waarvan sprake in punt h) van lid 1 en punt e) van lid 2; b) de voorwaarden
volgens welke de bevoegde autoriteiten de methode van een instelling voor het
ramen van de PD beoordelen overeenkomstig artikel 138. De EBA legt de in de eerste alinea bedoelde
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014
aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 177
Specifieke vereisten voor eigen LGD-ramingen 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen of –groepen samenhangen, nemen de instellingen de
onderstaande specifieke vereisten voor eigen LGD-ramingen in acht: a) instellingen ramen de LGD's per faciliteitsklasse of -groep op basis
van de gemiddelde LGD's per faciliteitsklasse of -groep en maken daarbij
gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling
(naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde); b) instellingen maken gebruik van LGD-ramingen die passend zijn voor een
economische neergang indien deze voorzichtiger zijn dan het gemiddelde over een
lange periode. Indien wordt verwacht
dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD's per klasse of groep oplevert welke op
een constant niveau zijn, passen instellingen hun ramingen van de
risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische
neergang op het kapitaal te beperken; c) een instelling houdt rekening met de mate waarin het risico van de
debiteur eventueel afhankelijk is van dat van de zekerheid of de
zekerheidsgever. Gevallen waarin
sprake is van een significante afhankelijkheid worden op voorzichtige wijze
benaderd; d) valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de zekerheid
worden op voorzichtige wijze behandeld bij de beoordeling van de LGD door de
instelling; e) indien in de LGD-ramingen met het bestaan van een zekerheid rekening
wordt gehouden, worden deze ramingen niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde
marktwaarde van de zekerheid. In de
LGD-ramingen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het potentiële
onvermogen van instellingen om vlot beschikkingsmacht over hun zekerheid te
verkrijgen en deze uit te winnen; f) indien in de LGD-ramingen rekening wordt gehouden met zekerheden,
moeten instellingen interne vereisten vaststellen voor het beheer van
zekerheden, rechtszekerheid en risicomanagement die over het geheel genomen
overeenkomen met de vereisten in hoofdstuk 4, afdeling 3; g) voor zover een instelling zekerheden in aanmerking neemt voor het
bepalen van de uitzettingswaarde voor tegenpartijkredietrisico overeenkomstig
hoofdstuk 6, afdeling 5 of 6, wordt met bedragen die naar verwachting kunnen
worden verhaald op de zekerheid geen rekening gehouden bij de LGD-ramingen; h) in het specifieke geval van uitzettingen waarbij reeds sprake is van
wanbetaling, maakt de instelling gebruik van de som van haar beste ramingen van
het voor elke uitzetting verwachte verlies in het licht van het heersende
economische klimaat en de status van de uitzetting en de mogelijkheid dat zich
gedurende de afboekingsperiode nog meer onverwachte verliezen voordoen; i) indien onbetaalde achterstallige provisies in de winst- en
verliesrekening van de instelling zijn geactiveerd, worden zij bij de meting
van uitzetting en verlies door de instelling betrokken; j) voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden
en centrale banken zijn de LGD-ramingen gebaseerd op gegevens die voor ten
minste één bron betrekking hebben op een periode van minimaal vijf jaar, die
jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van
zeven jaar is bereikt. Indien de
waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze
gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. 2.
Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen kunnen instellingen het volgende doen: a) LGD-ramingen afleiden van gerealiseerde verliezen en passende
PD-ramingen; b) toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactoren, ofwel in hun
LGD-ramingen verwerken; c) bij gekochte kortlopende vorderingen op particulieren of op kleine
partijen van externe en interne referentiegegevens gebruik maken om de LGD's te
ramen. Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen worden LGD-ramingen gebaseerd op gegevens over een periode van ten
minste vijf jaar. Een instelling
behoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien
recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteiten mogen instellingen bij de uitvoering van de interne-ratingbenadering
toepasselijke gegevens gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een
jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische regelgevingsnormen
met het oog op de specificatie van het volgende: a) de aard, hevigheid en duur van een economische neergang waarvan sprake
in lid 1; b) de voorwaarden waaronder een bevoegde autoriteit een instelling
overeenkomstig lid 3 mag toestaan relevante gegevens die een periode van twee
jaar bestrijken te gebruiken wanneer de instelling de interne-ratingbenadering
implementeert. De EBA legt het in de eerste alinea bedoelde
ontwerp van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 aan
de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 178
Specifieke vereisten voor eigen ramingen van
omrekeningsfactoren 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen of –groepen samenhangen, nemen de instellingen de
onderstaande specifieke vereisten voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren
in acht: a) de instellingen ramen de
omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde
gerealiseerde omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep en maken
daarbij gebruik van het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde dat uit alle
in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling resulteert; b) de instellingen maken gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren
welke passend zijn voor een economische neergang indien deze voorzichtiger zijn
dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde
omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert welke op een constant niveau
zijn, passen de instellingen hun ramingen van de risicoparameters per klasse of
groep aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te
beperken; c) in de door de instellingen geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening
gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot en na
het plaatsvinden van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat. In de raming van de omrekeningsfactor wordt een
grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijze een sterkere
positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de
omvang van de omrekeningsfactor; d) bij de raming van omrekeningsfactoren houden instellingen rekening met
hun specifieke gedragslijnen en strategieën voor de rekeningenmonitoring en de
betalingsverwerking. De instellingen
houden ook rekening met hun vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te
voorkomen in situaties die net niet als wanbetaling worden beschouwd, zoals
inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch
gesproken wanbetaling ontstaat; e) de instellingen beschikken over adequate systemen en procedures om de
bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van
gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur
en per klasse te monitoren. De
instellingen zijn in staat de uitstaande saldi dagelijks te monitoren; f) indien de instellingen voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen en interne doeleinden andere ramingen van
omrekeningsfactoren hanteren, wordt dit gedocumenteerd en wordt hierbij
redelijkheid betracht. 2.
Voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken zijn de ramingen van omrekeningsfactoren
gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een
periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar
wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere
periode omspant en deze gegevens relevant zijn, wordt van deze langere periode
gebruik gemaakt. 3.
Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen mogen instellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun
omrekeningsfactoren, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken. Voor uitzettingen op particulieren en kleine
partijen zijn de ramingen van omrekeningsfactoren gebaseerd op gegevens over
een periode van ten minste vijf jaar. Een instelling behoeft geen even groot belang te hechten aan vereisten
inzake historische gegevens waarvan sprake in lid 1, onder a), indien recentere
gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteiten, mogen instellingen bij de uitvoering van de
interne-ratingbenadering relevante gegevens gebruiken die een periode van twee
jaar bestrijken. De te bestrijken
periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een
periode van vijf jaar bestrijken. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) de aard, hevigheid en duur van een economische neergang waarvan sprake
in lid 1; b) de voorwaarden waaronder een bevoegde autoriteit een instelling mag
toestaan relevante gegevens die een periode van twee jaar bestrijken te
gebruiken op het moment dat een instelling de interne-ratingbenadering voor het
eerst implementeert. De EBA legt het in de eerste alinea bedoelde
ontwerp van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014
aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 179
Vereisten voor de beoordeling van het effect van garanties
en kredietderivaten voor uitzettingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken waarbij van eigen LGD-ramingen gebruik
wordt gemaakt en uitzettingen op particulieren en kleine partijen 1.
De volgende vereisten zijn van toepassing met
betrekking tot toelaatbare garantiegevers en garanties: a) de instellingen hanteren welomschreven criteria voor de categorieën van
garantiegevers die zij in aanmerking nemen bij de berekening van de
risicogewogen uitzettingsbedragen; b) voor erkende garantiegevers gelden dezelfde regels als voor debiteuren;
deze regels zijn vervat in de artikelen 167, 168 en 169; c) de garantie wordt schriftelijk bevestigd, is niet opzegbaar door de
garantiegever, is van kracht tot de verplichting volledig is nagekomen
(rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie) en is
juridisch afdwingbaar jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de
garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer
te leggen. Ook voorwaardelijke
garanties waarbij voorwaarden worden voorgeschreven waaronder de garantiegever
niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen, mogen in aanmerking
worden genomen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteiten. Bij de onderbrengingscriteria wordt voldoende
rekening gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende
effect. 2.
Een instelling hanteert duidelijk gespecificeerde
criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het
geval van uitzettingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte
kortlopende vorderingen, voor de aanpassing van de procedure voor de
onderbrenging van uitzettingen in klassen of groepen teneinde recht te doen aan
de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen. Deze criteria voldoen
aan de vereisten van de artikelen 167 tot en met 169. De criteria zijn aannemelijk en intuïtief. Zij hebben betrekking op het vermogen en de
bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de
garantie na te komen, het vermoedelijke tijdschema van alle betalingen van de
garantiegever, de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn
verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het
vermogen van de debiteur om terug te betalen, en de mate waarin er enig
restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan. 3.
De in dit artikel neergelegde vereisten voor
garanties gelden ook voor kredietderivaten met één referentie-entiteit. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de
onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat
of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een
kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 211, lid 2,
van toepassing. In het geval van
uitzettingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte
kortlopende vorderingen is dit lid van toepassing op de procedure voor de
onderbrenging van uitzettingen in klassen of groepen. De criteria hebben betrekking op de
uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien in een voorzichtige
inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van de
inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen. De instelling houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van
restrisico blijven bestaan. 4.
De in de leden 1 tot en met 3 gestelde vereisten
gelden niet voor garanties verstrekt door instellingen, centrale overheden en
centrale banken, alsook door ondernemingen die voldoen aan de in artikel 197,
lid 1, onder g), gestelde vereisten, mits de instelling
overeenkomstig artikel 145 toestemming heeft gekregen om de standaardbenadering
toe te passen voor uitzettingen op dergelijke entiteiten. In dat geval zijn de vereisten van hoofdstuk 4 van toepassing. 5.
Bij garanties ter dekking van uitzettingen op particulieren
en kleine partijen zijn de vereisten van de leden 1 tot en met 3 ook van
toepassing op de onderbrenging van uitzettingen in klassen of groepen en de
raming van de PD. 6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden te specificeren overeenkomstig welke
bevoegde autoriteiten mogen toestaan dat voorwaardelijke garanties in
aanmerking worden genomen. De EBA legt de in de eerste alinea bedoelde
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014
aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 180
Vereisten voor gekochte kortlopende vorderingen 1.
Bij de kwantificering van de risicoparameters die
met ratingklassen of –groepen voor gekochte kortlopende vorderingen
samenhangen, zorgen de instellingen ervoor dat aan de voorwaarden van de leden 2
tot en met 6 wordt voldaan. 2.
De structuur van de faciliteit waarborgt dat de
instelling onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve eigendom van en
beschikkingsmacht over alle overdrachten van contanten uit hoofde van de
kortlopende vorderingen heeft. Wanneer
de betalingen van de debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder
geschieden, verifieert de instelling regelmatig of deze betalingen volledig en
met inachtneming van de contractuele afspraken plaatsvinden. Instellingen beschikken over procedures om te
waarborgen dat de eigendom van de kortlopende vorderingen en kasontvangsten
beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures die
de leninggever materieel kunnen beletten om de kortlopende vorderingen te liquideren
of over te dragen, dan wel om de beschikkingsmacht over de kasontvangsten te
verkrijgen. 3.
De instelling bewaakt zowel de kwaliteit van de
gekochte kortlopende vorderingen als de financiële positie van de verkoper en
beheerder. Het volgende is van toepassing: a) de instelling beoordeelt de correlatie tussen de kwaliteit van de
gekochte kortlopende vorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper
als de beheerder en beschikt over interne gedragslijnen en procedures die
voldoende bescherming bieden tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder
meer ook een interne risicorating aan elke verkoper en beheerder wordt
toegekend; b) in de instelling bestaan duidelijke en effectieve gedragslijnen en
procedures om uit te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De instelling of haar lasthebber onderwerpen
verkopers en beheerders aan periodieke evaluaties om de juistheid van hun
verslagen na te gaan, fraude of operationele tekortkomingen op te sporen en de
kwaliteit van het kredietbeleid van de verkoper en van het inningsbeleid en de
inningsprocedures van de beheerder te verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld; c) de instelling beoordeelt de kenmerken van de pools van gekochte
kortlopende vorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van de verkoper op het gebied van
achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen en voorzieningen voor dubieuze
vorderingen, betalingsvoorwaarden en
potentiële tegenrekeningen; d) in de instelling bestaan effectieve gedragslijnen en procedures voor de
monitoring op geaggregeerde basis van concentraties van vorderingen op
eenzelfde debiteur, zowel binnen pools van gekochte kortlopende vorderingen als
voor alle pools van gekochte kortlopende vorderingen samen; e) de instelling ziet erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende
gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldo-analyse en de verwatering van
kortlopende vorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en
voorschotbeleid met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen te kunnen
waarborgen, en zij voorziet tevens in een doeltreffend instrument voor de
monitoring en bevestiging van de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de
verwatering. 4.
De instelling beschikt over systemen en procedures
om verslechteringen in de financiële positie van de verkoper en in de kwaliteit
van de gekochte kortlopende vorderingen in een vroeg stadium te detecteren,
alsook om zich aandienende problemen proactief aan te pakken. In de instelling bestaan met name duidelijke en
effectieve gedragslijnen, procedures en informatiesystemen om inbreuken op
overeenkomsten vast te stellen, en tevens duidelijke en effectieve
gedragslijnen en procedures om juridische stappen te ondernemen en om te gaan
met gekochte kortlopende vorderingen die problemen opleveren. 5.
De instelling volgt duidelijke en effectieve
gedragslijnen en procedures voor de controle van gekochte kortlopende
vorderingen, krediet en contanten. Met
name worden in schriftelijk vastgelegde interne gedragslijnen alle materiële
onderdelen van het programma voor de aankoop van kortlopende vorderingen
gespecificeerd, met inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden,
benodigde documentatie, concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten
worden behandeld. Daarbij wordt op
passende wijze rekening gehouden met alle relevante en materiële factoren, met
inbegrip van de verkoper en de financiële positie van de beheerder,
risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende
vorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne
systemen wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde
zekerheden en bewijsstukken worden verstrekt. 6.
De instelling beschikt over een effectieve interne
procedure voor de toetsing van de inachtneming van alle interne gedragslijnen
en procedures. De procedure omvat
regelmatige audits van alle kritieke fases van het programma van de instelling
voor de aankoop van kortlopende vorderingen, verificatie van de scheiding van
taken enerzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de
beoordeling van de debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper
en beheerder en de audit ter plaatse van de verkoper en beheerder, alsook
toetsing van de transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de
kwalificaties, de ervaring, het personeelsbestand en de ondersteunende
automatiseringssystemen. Onderafdeling 3
Validatie
van interne ramingen Artikel 181
Validatie van interne ramingen De instellingen voldoen bij de validering van
hun interne ramingen aan de volgende vereisten: a) instellingen beschikken over deugdelijke systemen om de juistheid en
consistentie van ratingsystemen, processen en de raming van alle relevante
risicoparameters te valideren. Het
interne validatieproces stelt de instelling in staat de werking van de interne
rating- en risico-inschattingsystemen op consequente en zinvolle wijze te
beoordelen; b) instellingen vergelijken regelmatig de gerealiseerde wanbetalingsgraden
met de PD-ramingen voor elke klasse. Wanneer de gerealiseerde
wanbetalingsgraden buiten het voor de desbetreffende klasse verwachte bereik
vallen, onderzoeken instellingen specifiek wat de redenen zijn voor de
afwijking. Instellingen die van eigen
ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren gebruik maken, voeren ook voor deze
ramingen een soortgelijk onderzoek uit. Bij die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens
die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De instelling documenteert de bij deze vergelijkingen gebruikte
methoden en gegevens. Dit onderzoek
en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd; c) instellingen maken tevens gebruik van andere kwantitatieve
validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt uitgegaan van gegevens
die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd, en
betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaan
de instellingen uit van een zo lang mogelijke periode; d) de voor de kwantitatieve validatie gebruikte methoden en gegevens zijn
consistent in de tijd. Wijzigingen in
de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel gegevensbronnen als bestreken
periodes) worden gedocumenteerd; e) instellingen hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de
gevallen waarin gerealiseerde PD's, LGD's, omrekeningsfactoren en totale
verliezen waarbij van EL gebruik wordt gemaakt, in voldoende significante mate
afwijken om twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen wordt rekening gehouden met
conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de
wanbetalingservaring. Wanneer de
gerealiseerde waarden de verwachte waarden blijven overtreffen, stellen de
instellingen hun ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en
verlieservaring rekening te houden. Onderafdeling 4
Vereisten
voor uitzettingen in aandelen in het kader van de internemodellenbenadering Artikel 182
Eigenvermogensvereiste en risicokwantificering Bij de berekening van de
eigenvermogensvereisten voldoen de instellingen aan de volgende normen: (a)
de raming van het potentiële verlies is bestand
tegen ongunstige marktontwikkelingen die relevant zijn voor het risicoprofiel
op lange termijn van de specifieke aandelenpositie van de instelling. De gegevens die zijn gebruikt om de
rendementsspreiding weer te geven, hebben betrekking op de langste
steekproefperiode waarvoor gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn
voor het risicoprofiel van de specifieke uitzettingen in aandelen van de
instelling. De gebruikte gegevens
zijn van dien aard dat zij voorzichtige, statistisch betrouwbare en deugdelijke
verliesramingen opleveren die niet op louter subjectieve overwegingen gebaseerd
zijn. De gesimuleerde schok levert
een voorzichtige raming van de potentiële verliezen over een relevante markt-
of conjunctuurcyclus op lange termijn op. De instelling combineert empirische analyse van beschikbare gegevens
met op diverse factoren gebaseerde aanpassingen om voldoende realistische en
voorzichtige modeloutputs te verkrijgen. Bij de constructie van VaR-modellen (VaR: Value at Risk - risicowaarde)
voor de raming van potentiële driemaandelijkse verliezen kunnen instellingen
gebruik maken van kwartaalgegevens of van gegevens met een kortere tijdshorizon
die in kwartaalgegevens worden omgezet met behulp van een analytisch adequate
methode die berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en
gedocumenteerde redenering en analyse. Bij een dergelijke benadering wordt voorzichtig en consistent in de
tijd te werk gegaan. Wanneer slechts
beperkte relevante gegevens beschikbaar zijn, past de instelling adequate
voorzichtigheidsmarges toe; (b)
de gebruikte modellen vangen op toereikende wijze
alle materiële risico's waaraan het aandelenrendement onderhevig is, met
inbegrip van zowel het algemene marktrisico als het specifieke risico van de
aandelenportefeuille van de instelling. De interne modellen geven een adequate verklaring van de historische
koersvariatie, nemen zowel de omvang als de wijzigingen in de samenstelling van
de potentiële concentraties mee en zijn bestand tegen ongunstige
marktomstandigheden. De populatie van
de risicoblootstellingen die vertegenwoordigd zijn in de voor de raming
gebruikte gegevens, sluit nauw aan bij of is ten minste vergelijkbaar met die
van de uitzettingen in aandelen van de instelling; (c)
het interne model sluit aan bij het risicoprofiel
en de complexiteit van de aandelenportefeuille van de instelling. Wanneer een instelling materiële posities heeft
met waarden die van zeer non-lineaire aard zijn, worden de interne modellen
zodanig opgesteld dat zij de aan dergelijke instrumenten verbonden risico’s op
toereikende wijze meenemen; (d)
de koppeling van afzonderlijke posities aan
indicatoren, marktindexen en risicofactoren is aannemelijk, intuïtief en
conceptueel gezond; (e)
instellingen tonen door middel van empirische
analyses aan dat de risicofactoren adequaat zijn en onder meer zowel het
algemene als het specifieke risico dekken; (f)
in de ramingen van de volatiliteit van het
rendement van uitzettingen in aandelen wordt rekening gehouden met alle
relevante en beschikbare gegevens, inlichtingen en methoden. Er wordt gebruik gemaakt van aan een onafhankelijk
onderzoek onderworpen interne gegevens of van gegevens uit externe bronnen, met
inbegrip van datapools; (g)
er is voorzien in een strikt en uitgebreid
programma van stresstesten. Artikel 183
Risicomanagementproces en controlemaatregelen Wat de ontwikkeling en het gebruik van interne
modellen voor de bepaling van het eigenvermogensvereiste betreft, stellen de
instellingen gedraglijnen, procedures en controlemaatregelen vast om de
integriteit van het model en het modelleringsproces te waarborgen. Deze gedragslijnen, procedures en
controlemaatregelen omvatten onder meer de volgende elementen: (a)
volledige integratie van het interne model in de
algemene managementinformatiesystemen van de instelling en in het beheer van de
aandelenportefeuille buiten het handelsboek. De interne modellen zijn volledig geïntegreerd in de
risicomanagementinfrastructuur indien zij met name worden gebruikt voor: de
meting en beoordeling van het rendement van de aandelenportefeuille, met
inbegrip van het voor risico's gecorrigeerde rendement; de allocatie van
economisch kapitaal aan uitzettingen in aandelen en de evaluatie van de totale
kapitaaltoereikendheid en het beleggingsbeheer; (b)
beproefde managementsystemen, procedures en
controlefuncties die een periodieke en onafhankelijke analyse van alle
onderdelen van het interne modelleringsproces waarborgen, met inbegrip van de
goedkeuring van modelherzieningen, de validatie van modelinputs en de evaluatie
van modelresultaten, zoals directe verificatie van risicoberekeningen. In het kader van deze analyses worden de
juistheid, volledigheid en adequaatheid van modelinputs en -resultaten
beoordeeld en gaat de aandacht vooral uit naar, enerzijds, het detecteren en
beperken van mogelijke fouten die uit bekende gebreken voortvloeien, en,
anderzijds, het opsporen van onbekende gebreken van het model. Deze analyses kunnen worden verricht door een
onafhankelijke afdeling of door een onafhankelijke derde; (c)
adequate systemen en procedures voor de monitoring
van de beleggingsgrenzen en de risico’s verbonden aan uitzettingen in aandelen; (d)
de voor het ontwerp en de toepassing van het model
verantwoordelijke afdelingen zijn functioneel onafhankelijk van de voor het
beheer van de afzonderlijke beleggingen verantwoordelijke afdelingen; (e)
de voor enigerlei aspect van het modelleringsproces
verantwoordelijke partijen beschikken over adequate kwalificaties. Het bestuur wijst voldoende gekwalificeerd en
competent personeel aan voor de modelleringsfunctie. Artikel 184
Validatie en documentatie Instellingen beschikken over deugdelijke
systemen om de juistheid en consistentie van hun interne modellen en
modelleringsprocessen te valideren. Alle
materiële onderdelen van de interne modellen, het modelleringsproces en de
validatie zijn gedocumenteerd. De validatie en documentatie van de interne
modellen en modelleringsprocessen van de instellingen zijn aan de volgende
vereisten onderworpen: (a)
instellingen maken gebruik van het interne
validatieproces om de werking van hun interne modellen en processen op een
consequente en zinvolle wijze te beoordelen; (b)
de voor de kwantitatieve validatie gebruikte
methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens, zowel
gegevensbronnen als bestreken periodes, worden gedocumenteerd; (c)
instellingen vergelijken de feitelijke rendementen
op aandelen (berekend aan de hand van gerealiseerde en niet-gerealiseerde
winsten en verliezen) regelmatig met de modelramingen. Bij die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens
die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De instelling documenteert de bij deze vergelijkingen gebruikte
methoden en gegevens. Dit onderzoek
en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd; (d)
instellingen maken tevens gebruik van andere kwantitatieve
validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe
gegevensbronnen. Bij het onderzoek
wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig
worden geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van hun
ratingsystemen gaan de instellingen uit van een zo lang mogelijke periode; (e)
instellingen hebben deugdelijke interne normen
vastgesteld voor het aanpakken van de gevallen waarin de vergelijking van de
feitelijke rendementen op aandelen met de modelramingen twijfel doet ontstaan
omtrent de juistheid van de ramingen of van de modellen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een
soortgelijke systematische variabiliteit van de rendementen op aandelen. Alle aanpassingen die naar aanleiding van de
onderzoeken aan de interne modellen worden aangebracht, worden gedocumenteerd
en zijn overeenkomstig de normen voor de evaluatie van modellen; (f)
het interne model en het modelleringproces worden
schriftelijk vastgelegd, met inbegrip van de verantwoordelijkheden van de bij
de modellering betrokken partijen, de goedkeuring van het model en de
procedures voor de evaluatie van het model. Onderafdeling 5
Interne
governance en toezicht Artikel 185
Corporate governance 1.
Alle materiële aspecten van het rating- en het
ramingsproces worden goedgekeurd door het leidinggevend orgaan of een speciaal
aangewezen comité daarvan en de directie van de instelling. Deze partijen hebben een algemeen inzicht in de
ratingsystemen van de instelling en een diepgaand begrip van de daarmee
samenhangende managementverslagen. 2.
De directie is onderworpen aan de volgende
vereisten: a) zij stelt het leidinggevend orgaan of een speciaal aangewezen comité
daarvan in kennis van materiële wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen
gebruikelijke gedragslijnen welke een materiële invloed hebben op de werking
van de ratingsystemen van de instelling; b) zij heeft een goed inzicht in de opzet en de werking van de
ratingsystemen; c) zij ziet er continu op toe dat de ratingsystemen naar behoren
functioneren. De directie wordt regelmatig door de voor de
kredietrisicocontrole verantwoordelijke afdelingen op de hoogte gebracht van de
werking van het ratingproces, de terreinen waarop verbeteringen noodzakelijk
zijn en de vorderingen die zijn gemaakt bij het verhelpen van eerder
geconstateerde gebreken. 3.
De op interne ratings gebaseerde analyse van het
kredietrisicoprofiel van de instelling vormt een essentieel onderdeel van de
managementverslaggeving aan deze partijen. Bij de verslaggeving wordt ten minste melding gemaakt van het
risicoprofiel per klasse, de migratie van de ene klasse naar de andere, de
raming van de relevante parameters per klasse en een vergelijking tussen
gerealiseerde wanbetalingsgraden en gebruikte eigen ramingen van gerealiseerde
LGD's en gerealiseerde factoren enerzijds en de verwachtingen en de resultaten
van stresstesten anderzijds. De
frequentie van de verslaggeving hangt af van de significantie van de
informatie, het type informatie en het niveau van de ontvanger. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de in dit artikel neergelegde vereisten betreffende het
leidinggevend orgaan, een speciaal aangewezen comité daarvan en de directie
nader te specificeren. De EBA legt de in de eerste alinea bedoelde
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014
aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 186
Kredietrisicocontrole 1.
De met de kredietrisicocontrole belaste afdeling is
onafhankelijk van de personeels- en managementfunctie verantwoordelijk voor de
initiatie of vernieuwing van uitzettingen en brengt rechtstreeks verslag uit
aan de directie. De afdeling is
verantwoordelijk voor de opzet of de selectie, tenuitvoerlegging, controle en
werking van de ratingsystemen. Zij
produceert en analyseert regelmatig verslagen over de output van de
ratingsystemen. 2.
De met de kredietrisicocontrole belaste afdeling
(afdelingen) heeft (hebben) onder meer de volgende taken: a) testen en monitoren van klassen en groepen; b) produceren en analyseren van beknopte verslagen over de ratingsystemen
van de instelling; c) ten uitvoer leggen van procedures om te verifiëren of de definities van
klasse en groep in alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden
toegepast; d) evalueren en documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, met
opgave van de redenen voor de wijzigingen; e) evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven
voorspellen. Wijzigingen in het
ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters worden
gedocumenteerd en bijgehouden; f) actief deelnemen aan de opzet of de selectie, tenuitvoerlegging en
validatie van de modellen die in het ratingproces worden gebruikt; g) toezicht houden op de modellen die in het ratingproces worden gebruikt; h) doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het
ratingproces worden gebruikt. 3.
Instellingen die overeenkomstig artikel 175, leden 2
en 3, gebruik maken van gegevens uit datapools mogen de volgende taken
uitbesteden: a) produceren van informatie die relevant is voor het testen en monitoren
van klassen en groepen; b) produceren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de
instelling; c) produceren van informatie die relevant is voor het evalueren van de
ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen; d) documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, de criteria of
de afzonderlijke ratingparameters; e) produceren van informatie die relevant is voor het doorlopend
onderzoeken en aanpassen van de modellen welke in het kader van het
ratingproces worden gebruikt. 4.
Instellingen die van de in lid 3 geboden
mogelijkheid gebruik maken, dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten
tot alle relevante informatie van de derde toegang hebben die nodig is om na te
gaan of aan de vereisten is voldaan en in staat zijn inspecties ter plaatse te
verrichten die evenwaardig zijn aan die bij de instelling. Artikel 187
Interne audit De afdeling interne audit of een andere
vergelijkbaar onafhankelijke auditafdeling controleert ten minste elk jaar de
door de instelling toegepaste ratingsystemen en de in het kader daarvan
verrichte activiteiten, met inbegrip van de activiteiten van de kredietfunctie
en de raming van de PD's, LGD's, EL's en omrekeningsfactoren. Bij de controle wordt onder meer gelet op de
inachtneming van alle toepasselijke vereisten. Hoofdstuk 4
Kredietrisicolimitering Afdeling 1
Definities
en algemene voorschriften Artikel 188
Definities Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de
volgende definities: (1)
'leningverstrekkende kredietinstelling': de
kredietinstelling die de uitzetting in kwestie heeft; (2)
'gedekte leningstransactie': een transactie die
aanleiding geeft tot het ontstaan van een uitzetting die is gedekt door middel
van een zekerheidsovereenkomst welke geen bepaling bevat waarbij aan de
instelling het recht wordt verleend ten minste dagelijks marge te ontvangen; (3)
'kapitaalmarktgerelateerde transactie': een
transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een uitzetting die is
gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst welke een bepaling bevat
waarbij aan de instelling het recht wordt verleend ten minste dagelijks marge
te ontvangen; (4)
'onderliggende instelling voor collectieve
belegging': een instelling voor collectieve belegging in de aandelen of rechten
van deelneming waarvan een andere instelling voor collectieve belegging heeft
belegd. Artikel 189
Beginselen voor het in aanmerking nemen van het effect van
kredietrisicolimiteringstechnieken 1.
Een uitzetting waarbij het kredietrisico van een
instelling wordt gelimiteerd, levert in geen geval een hoger risicogewogen
uitzettingsbedrag of verwachte verliespost op dan een in alle overige opzichten
identieke uitzetting waarbij het kredietrisico van een instelling niet wordt
gelimiteerd. 2.
Wanneer bij het risicogewogen uitzettingsbedrag al
in het kader van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3 rekening wordt gehouden met
kredietprotectie, houden de instellingen bij de berekeningen in het kader van
dit hoofdstuk geen rekening met die kredietprotectie. 3.
Wanneer aan de bepalingen van de afdelingen 2 en 3
wordt voldaan, mogen de instellingen de berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen in het kader van de standaardbenadering en de berekening
van risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten in het kader
van de interne-ratingbenadering wijzigen overeenkomstig de bepalingen van de
afdelingen 4, 5 en 6. 4.
De instellingen behandelen contanten, effecten of
grondstoffen die in het kader van een repo of een verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenlening zijn gekocht, geleend of ontvangen als
zekerheid. 5.
Wanneer een instelling die risicogewogen
uitzettingsbedragen berekent in het kader van de standaardbenadering voor de
dekking van één uitzetting gebruik maakt van meer dan een vorm van kredietrisicolimitering,
doet zij het volgende: a) zij splitst de uitzetting in gedeelten op naargelang van het toegepaste
kredietrisicolimiteringsinstrument en; b) zij berekent het risicogewogen uitzettingsbedrag voor elk
overeenkomstig punt a) verkregen gedeelte afzonderlijk overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk 2 en dit hoofdstuk. 6.
Wanneer een instelling die risicogewogen
uitzettingsbedragen berekent in het kader van de standaardbenadering voor de
dekking van één uitzetting gebruik maakt van kredietprotectie die door één
protectiegever wordt geboden en die protectie verschillende looptijden heeft,
doet zij het volgende: a) zij splitst de uitzetting in gedeelten op naargelang van het toegepaste
kredietrisicolimiteringsinstrument; b) zij berekent het risicogewogen uitzettingsbedrag voor elk
overeenkomstig punt a) verkregen gedeelte afzonderlijk overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk 2 en dit hoofdstuk. Artikel 190
Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van
kredietrisicolimiteringstechnieken 1.
De door de leningverstrekkende instelling voor het
verlenen van kredietprotectie gebruikte techniek in combinatie met de
maatregelen, stappen, procedures en gedragslijnen welke die leningverstrekkende
instelling implementeert, leiden tot kredietprotectieregelingen die in alle
desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar zijn. 2.
De leningverstrekkende instelling neemt alle
vereiste maatregelen om de effectiviteit van de kredietprotectieregeling te
waarborgen en de aan die regeling verbonden risico's te beperken. 3.
Bij gedekte kredietprotectie kwalificeren de activa
die als protectie worden gebruikt alleen als toelaatbare activa voor
kredietrisicolimitering wanneer zij aan beide volgende voorwaarden voldoen: a) zij zijn opgenomen in de lijst van toegelaten activa van de artikelen 193
tot en met 196; b) zij zijn voldoende liquide en de waarde ervan in de tijd is voldoende
stabiel om gelet op de benadering die wordt gebruikt om de risicogewogen
uitzettingsbedragen te berekenen en de toegestane mate van inaanmerkingneming
passende zekerheid te bieden wat de protectie van het krediet betreft. 4.
Bij gedekte kredietprotectie heeft de
leningverstrekkende instelling het recht om bij wanbetaling, insolventie of
faillissement van de debiteur of indien van toepassing, van de bewaarnemer van
de zekerheid of bij een andere kredietgebeurtenis die in het desbetreffende
contract wordt vermeld, de activa die als protectie dienen, bijtijds te
liquideren of te behouden. De waarde
van de activa die als protectie worden gebruikt, mag niet te nauw gekoppeld
zijn aan de kredietkwaliteit van de debiteur. 5.
Bij ongedekte kredietprotectie kwalificeert een
protectiegever slechts als toelaatbare protectiegever wanneer alle volgende
voorwaarden zijn vervuld: a) de protectiegever is opgenomen in de lijst van toegelaten
protectiegevers van afdeling 2; b) de protectiegever is voldoende betrouwbaar; c) de protectieovereenkomst voldoet aan alle criteria van lid 6. 6.
Bij ongedekte kredietprotectie geldt een
protectieovereenkomst slechts als een toegelaten protectieovereenkomst wanneer
zij aan beide volgende voorwaarden voldoet: a) zij is opgenomen in de lijst van toegelaten protectieovereenkomsten van
de artikelen 197 tot en met 199; b) zij is rechtsgeldig en afdwingbaar in de relevante jurisidicties om,
gelet op de benadering die wordt gebruikt om de risicogewogen
uitzettingsbedragen te berekenen en de toegestane mate van inaanmerkingneming,
passende zekerheid te bieden wat de protectie van het krediet betreft. 7.
Kredietprotectie voldoet aan de vereisten van afdeling
3. 8.
De instelling kan ten behoeve van de bevoegde
autoriteiten aantonen dat zij over adequate risicomanagementprocessen beschikt
ter controle van de risico's waaraan zij blootgesteld kan zijn als gevolg van
kredietrisicolimiteringspraktijken. 9.
Ondanks het feit dat voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen en eventuele verwachte verliesposten met
kredietrisicolimitering rekening wordt gehouden, blijven instellingen overgaan
tot een volledige kredietrisicobeoordeling van de onderliggende uitzetting en
zijn zij in staat ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan te
tonen dat aan dit vereiste is voldaan. Bij repo's en/of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen wordt uitsluitend voor de toepassing van dit lid aangenomen
dat de onderliggende uitzetting de nettopost is. 10.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) wat zijn voldoende liquide activa en wanneer kunnen activawaarden voor
de toepassing van lid 3 als voldoende stabiel worden beschouwd; b) welke graad van correlatie tussen de waarde van de activa die als
protectie worden gebruikt en de kredietkwaliteit van de debiteur wordt als te
hoog beschouwd voor de toepassing van lid 4; c) wanneer wordt een protectiegever als voldoende betrouwbaar beschouwd
voor de toepassing van punt b van lid 5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die uiterlijk op 31 december 2013 aan de Commissie worden
voorgelegd. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Afdeling 2
Toegelaten
vormen van kredietrisicolimitering Onderafdeling 1
Gedekte
kredietprotectie Artikel 191
Verrekening van balansposten De verrekening op de balans van wederzijdse
vorderingen tussen de instelling en haar tegenpartij kan als een toegelaten
vorm van kredietrisicolimitering worden beschouwd. Onverminderd het bepaalde in artikel 192 is de
toelaatbaarheid beperkt tot wederzijdse kassaldi tussen de instelling en de
tegenpartij. Instellingen mogen
risicogewogen uitzettingsbedragen en de eventuele verwachte verliesposten
alleen wijzigen voor leningen en deposito's die zij zelf hebben ontvangen en
die het voorwerp zijn van een overeenkomst tot verrekening van balansposten. Artikel 192
Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot repo's
of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties Instellingen die de in artikel 218 beschreven
uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepassen, kunnen het effect
van bilaterale verrekeningsovereenkomsten met betrekking tot repo's, verstrekte
of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties met een tegenpartij in aanmerking nemen. Onverminderd artikel 293 voldoen de in het kader
van dergelijke overeenkomsten of transacties geaccepteerde zekerheden en
geleende effecten of grondstoffen aan de in de artikelen 193 en 194 vastgelegde
toelaatbaarheidsvereisten voor zekerheden. Artikel 193
Bij alle benaderingen en methoden toelaatbare zekerheden 1.
De volgende financiële instrumenten kunnen door de
instellingen bij alle benaderingen en methoden als toelaatbare zekerheid worden
gebruikt: a) contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen
instrumenten aangehouden door de leningverstrekkende instelling; b) schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken
waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een voor de toepassing
van hoofdstuk 2 erkende EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij welke
door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 4 of hoger conform
de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten
aan uitzettingen op centrale overheden en centrale banken; c) schuldtitels uitgegeven door instellingen waarvan de effecten een
kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI welke door de EBA is
ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2
vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan uitzettingen
op instellingen; d) schuldtitels uitgegeven door andere entiteiten waarvan de effecten een
kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI welke door de EBA is
ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2
vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan uitzettingen
op ondernemingen; e) schuldtitels met een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een
erkende EKBI welke door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3
of hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen
van risicogewichten aan kortlopende uitzettingen; f) aandelen of converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn
opgenomen; g) goud; h) securitisatieposities die geen hersecuritisatieposities betreffen, die
een externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben welke door de EBA is
ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de regels voor
het toekennen van risicogewichten aan securitisatie-uitzettingen volgens de in
hoofdstuk 5, afdeling 3, onderafdeling 3, gespecificeerde benadering. 2.
Voor de toepassing van punt b) van lid 1 wordt
ervan uitgegaan dat 'schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of
centrale banken' alle volgende soorten schuldtitels omvatten: a) schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de
uitzettingen op deze overheden overeenkomstig artikel 110, lid 2, worden
behandeld als uitzettingen op de centrale overheid in wier jurisdictie deze
gevestigd zijn; b) schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen die
overeenkomstig artikel 111, lid 4, worden behandeld als uitzettingen op de
centrale overheid; c) schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop
overeenkomstig artikel 112, lid 2, een risicogewicht van 0 % wordt toegepast; d) schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waaraan
overeenkomstig artikel 113 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend. 3.
Voor de toepassing van punt c) van lid 1 wordt
ervan uitgegaan dat 'schuldtitels uitgegeven door instellingen' alle volgende
soorten schuldtitels omvatten: a) schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de
uitzettingen op deze overheden overeenkomstig artikel 110 niet worden behandeld
als uitzettingen op de centrale overheid in wier jurisdictie deze gevestigd
zijn; b) schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de
uitzettingen op deze lichamen overeenkomstig artikel 111, leden 1 en 2, worden
behandeld; c) schuldtitels uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken
dan die waarop overeenkomstig artikel 112, lid 2, een risicogewicht van 0 %
wordt toegepast. 4.
Een instelling mag schuldtitels die worden
uitgegeven door andere instellingen en geen kredietbeoordeling van een erkende
EKBI hebben als zekerheid gebruiken wanneer zij aan de volgende criteria
voldoen: a) zij zijn aan een erkende beurs genoteerd; b) het betreft niet-achtergestelde schuld; c) alle andere uitgiften van de uitgevende instelling welke van dezelfde
rangorde zijn en een rating van een erkende EKBI hebben, hebben een
kredietbeoordeling van een erkende EKBI welke door de EBA is ondergebracht in
kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte
voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan uitzettingen op
instellingen of kortlopende uitzettingen; d) de leningverstrekkende instelling beschikt niet over informatie waaruit
blijkt dat de uitgifte een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan die
welke onder c) is aangegeven; e) de marktliquiditeit van het instrument is toereikend voor deze
doeleinden. 5.
De instellingen mogen rechten van deelneming of
aandelen in instellingen voor collectieve belegging als toelaatbare zekerheid
gebruiken wanneer aan beide volgende voorwaarden is voldaan: a) de rechten van deelneming of aandelen hebben een dagelijkse publieke
koersnotering; b) de instellingen voor collectieve belegging mogen alleen beleggen in
instrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 2 als toelaatbaar kunnen worden
aangemerkt. Wanneer een ICB belegt in aandelen of rechten van
deelneming van een andere ICB, zijn de voorwaarden van de punten a) en b) van
de eerste alinea eveneens van toepassing op elke dergelijke onderliggende ICB. Het gebruik door een instelling voor collectieve
belegging van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de
toelaatbaarheid als zekerheid van de rechten van deelneming of aandelen in deze
instelling onverlet. 6.
Voor de toepassing van lid 5 mogen instellingen,
wanneer een instelling voor collectieve belegging of een van de onderliggende
instellingen voor collectieve belegging niet beperkt zijn tot het beleggen in
instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig de leden 1 en 4, rechten van
deelneming of aandelen in die ICB als zekerheid gebruiken voor een bedrag
gelijk aan de waarde van de door die ICB aangehouden toelaatbare activa in de
veronderstelling dat die ICB of een van de onderliggende instellingen voor
collectieve belegging tot het overeenkomstig hun mandaat toegestane maximum in
niet-toelaatbare activa hebben belegd. Wanneer niet-toelaatbare activa als gevolg van uit
eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een
negatieve waarde kunnen hebben, doen de instellingen hetgeen volgt: a) zij berekenen de totale waarde van de niet-toelaatbare activa; en b) wanneer het overeenkomstig punt a) verkregen bedrag negatief is,
brengen zij dat bedrag in mindering op de totale waarde van de toelaatbare
activa. 7.
In verband met de punten b) tot en met e) van lid 1
passen de instellingen, wanneer voor een effect twee kredietbeoordelingen van
erkende EKBI's beschikbaar zijn, de minst gunstige kredietbeoordeling toe. Wanneer voor een effect meer dan twee
kredietbeoordelingen van erkende EKBI's beschikbaar zijn, passen de
instellingen de twee gunstigste kredietbeoordelingen toe. Wanneer de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn,
passen de instellingen de minst gunstige van beide toe. 8.
De EAEM ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de voorwaarden te specificeren voor het vaststellen van
een hoofdindex waarvan sprake in punt f) van lid 1, in punt a) van artikel 194,
lid 1, in artikel 219, leden 1 en 4, en in punt e) van artikel 293, lid 2. De EAEM legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010
bedoelde procedure vast te stellen. 9.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de methode te specificeren voor de berekening van het
bedrag aan rechten van deelneming of aandelen in een ICB dat de instellingen
mogen gebruiken als zekerheid waarvan sprake in lid 6 en in artikel 194, lid 2. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. 10.
De EAEM ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) de overeenkomstig de voorwaarden waarvan sprake in lid 8 vastgestelde
hoofdindexen; b) de erkende beurzen waarvan sprake in punt a) van lid 4 en van artikel 194,
lid 1, in artikel 219, leden 1 en 4), in punt e) van artikel 293, lid 2, in
punt (k) van artikel 389, lid 2, in punt d) van artikel 404, lid 3, in punt c)
van artikel 415, lid 1, en in punt 17 van bijlage IV, deel 3. De EAEM legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens
de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010. Artikel 194
In het kader van de uitgebreide benadering van financiële
zekerheden additionele toelaatbare zekerheden 1.
Wanneer een kredietinstelling gebruik maakt van de
in artikel 218 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden kan
die instelling, benevens de in artikel 193 vastgestelde zekerheden, ook de
volgende instrumenten als toelaatbare zekerheid gebruiken: a) aandelen of converteerbare obligaties die niet in een hoofdindex zijn
opgenomen maar op een erkende beurs worden verhandeld; b) rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve
belegging wanneer aan beide volgende voorwaarden is voldaan: i) de rechten van deelneming of aandelen hebben een dagelijkse publieke
koersnotering; ii) de instelling voor collectieve belegging mag alleen beleggen in
instrumenten die overeenkomstig artikel 193, leden 1 en 2, als toelaatbaar
kunnen worden aangemerkt, en in de onder punt a) van deze alinea bedoelde
instrumenten. Ingeval een ICB belegt in rechten van deelneming
of aandelen van een andere ICB, zijn de voorwaarden van de punten a) en b) van
dit lid eveneens van toepassing op elke dergelijke onderliggende ICB. Het gebruik door een instelling voor collectieve
belegging van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de
toelaatbaarheid als zekerheid van de rechten van deelneming of aandelen in deze
instelling onverlet. 2.
Wanneer de instelling voor collectieve belegging of
een van de onderliggende instellingen voor collectieve belegging niet beperkt
zijn tot het beleggen in instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig
artikel 193, leden 1 en 2, en de in punt a) van lid 1 vermelde instrumenten,
mogen de instellingen rechten van deelneming of aandelen in die ICB als
zekerheid gebruiken voor een bedrag gelijk aan de waarde van de door die ICB
aangehouden toelaatbare activa in de veronderstelling dat die ICB of een van de
onderliggende instellingen voor collectieve belegging tot het overeenkomstig
hun mandaat toegestane maximum in niet-toelaatbare activa hebben belegd. Wanneer niet-toelaatbare activa als gevolg van uit
eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een
negatieve waarde kunnen hebben, doen de instellingen hetgeen volgt: a) zij berekenen de totale waarde van de niet-toelaatbare activa; en b) wanneer het overeenkomstig punt a) verkregen bedrag negatief is,
trekken zij dat bedrag af van de totale waarde van de toelaatbare activa. Artikel 195
In het kader van de interne-ratingbenadering van
financiële zekerheden additioneel toelaatbare zekerheden 1.
Naast de in de artikelen 193 en 194 vastgestelde
zekerheden kunnen instellingen die risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten in het kader van de interne-ratingbenadering berekenen
eveneens gebruik maken van de volgende vormen van zekerheid: a) onroerend goed overeenkomstig de leden 2 tot en met 6; b) kortlopende vorderingen overeenkomstig lid 7; c) andere fysieke zekerheden overeenkomstig de leden 8 en 10; d) leasing overeenkomstig lid 9. 2.
Tenzij anders gespecificeerd overeenkomstig artikel
119, lid 2, mogen de instellingen niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal
worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of de economisch rechthebbende in
geval van persoonlijke investeringsmaatschappijen en zakelijk onroerend goed,
waaronder kantoorgebouwen en andere bedrijfspanden, als toelaatbare zekerheid
gebruiken wanneer aan beide volgende voorwaarden is voldaan: a) de waarde van het onroerend goed hangt niet in materiële mate af van de
kredietkwaliteit van de debiteur. De
instellingen mogen bij het bepalen of de waarde van het onroerend goed niet in
materiële mate van de kredietkwaliteit van de debiteur afhangt situaties
uitsluiten waarin louter macro-economische factoren zowel de waarde van het
onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer beïnvloeden; b) het risico van de leningnemer hangt niet in materiële mate af van het
rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van het
onderliggende vermogen van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug
te betalen, en de terugbetaling van de faciliteit hangt bijgevolg niet
materieel af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het
onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert. 3.
De instellingen mogen aandelen in Finse
ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse
wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten
aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of
verhuurd door de eigenaar als toelaatbare zekerheid in de vorm van
niet-zakelijk onroerend goed gebruiken, mits aan de voorwaarden in lid 2 is
voldaan. 4.
De instellingen mogen aandelen in Finse
ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse
wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving als
toelaatbare zekerheid in de vorm van zakelijk onroerend goed gebruiken, mits
aan de voorwaarden in lid 2 is voldaan. 5.
Voor uitzettingen die gedekt zijn door
niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van een lidstaat
bevindt, mogen de lidstaten van punt b) van lid 2 afwijken, wanneer de bevoegde
autoriteit van die lidstaat bewijs heeft gepubliceerd dat er op dat grondgebied
sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor
niet-zakelijk onroerend goed, waarbij de verliescijfers de volgende grenzen
niet overschrijden: a) de verliezen ten gevolge van verstrekte leningen die tot maximaal 80 %
van de marktwaarde of tot 80 % van de hypotheekwaarde zijn gedekt door
zekerheid in de vorm van niet-zakelijk onroerende goed bedragen, behoudens een
andersluidende regeling overeenkomstig artikel 119, lid 2, niet meer dan 0,3 %
van de in een gegeven jaar uitstaande leningen die zijn gedekt door zekerheid
in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed; b) de totale verliezen die uit door zekerheid in de vorm van niet-zakelijk
onroerend goed gedekte leningen voortvloeien, mogen niet hoger liggen dan 0,5 %
van de in een gegeven jaar uitstaande leningen die door zekerheid in de vorm
van niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt. 6.
Voor zakelijk onroerend goed dat zich op het
grondgebied van een lidstaat bevindt, mogen de lidstaten van punt b) van lid 2
afwijken, wanneer de bevoegde autoriteit van die lidstaat bewijs heeft
gepubliceerd dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en
reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met
verliescijfers die aan beide volgende voorwaarden voldoen: (a)
de verliezen die uit door zakelijk onroerend goed
gedekte leningen voortvloeien tot ten hoogste 50 % van de marktwaarde of 60 %
van de hypotheekwaarde bedragen niet meer dan 0,3 % van de in een gegeven jaar
uitstaande leningen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt; (b)
de totale verliezen die uit door zakelijk onroerend
goed gedekte leningen voortvloeien, liggen niet hoger dan 0,5 % van de in een
gegeven jaar uitstaande leningen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt. Wanneer in een bepaald jaar een van de voorwaarden
in de punten a) en b) van de eerste alinea niet is vervuld, gebruiken de
instellingen de in die alinea gespecificeerde behandeling pas wanneer in een
volgend jaar aan beide voorwaarden wordt voldaan. 7.
De instellingen kunnen kortlopende vorderingen uit
hoofde van handelstransacties of transacties met een oorspronkelijke looptijd
van ten hoogste een jaar als toelaatbare zekerheid gebruiken. Niet toelaatbaar zijn kortlopende vorderingen uit
hoofde van securitisaties, subdeelnemingen of kredietderivaten, dan wel
kortlopende vorderingen op verbonden partijen. 8.
De bevoegde autoriteiten verlenen een instelling
toestemming om fysieke zekerheden van een ander type dan dat waarvan sprake in
de leden 2 tot en met 6 als toelaatbare zekerheid te gebruiken wanneer aan alle
volgende voorwaarden is voldaan: a) er bestaan liquide markten, hetgeen blijkt uit de frequente
transacties, waarop de zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze
van de hand kunnen worden gedaan. De
instellingen voeren de beoordeling van deze toestand periodiek uit en wanneer
uit informatie blijkt dat er zich materiële veranderingen in de markt voordoen; b) er bestaan algemeen gangbare, publiek beschikbare marktprijzen voor de
zekerheden. De instellingen mogen
marktprijzen als gangbaar beschouwen wanneer deze afkomstig zijn van
betrouwbare informatiebronnen, zoals publieke indexen, en de prijs van de
transacties onder normale omstandigheden weerspiegelen. De instellingen mogen marktprijzen als publiek beschikbaar beschouwen
wanneer deze prijzen worden bekendgemaakt, gemakkelijk toegankelijk en
regelmatig en zonder onnodige administratieve of financiële lasten verkrijgbaar
zijn; c) de instelling analyseert de marktprijzen, tijd en kosten die vereist
zijn om de zekerheid te realiseren en de gerealiseerde opbrengst van de
zekerheid; d) de instelling toont aan dat de gerealiseerde opbrengst van de zekerheid
voor een bepaald type van zekerheid bij meer dan 10% van alle liquidaties niet
minder dan 70% van de zekerheidswaarde bedraagt. Wanneer de volatiliteit van de marktprijzen materieel is, tonen de
instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat hun waardering
van de zekerheid voldoende voorzichtig is. De instellingen documenteren de vervulling van de
in de punten a) tot en met d) van de eerste alinea en de in artikel 205
gespecificeerde voorwaarden. Na de inwerkingtreding van de technische
uitvoeringsnormen waarvan sprake in lid 10 staan de bevoegde autoriteiten de
instellingen toe om alleen die soorten van andere fysieke zekerheden te
gebruiken die in die normen zijn opgenomen. 9.
Behoudens het bepaalde in artikel 225, lid 2, en
wanneer aan de vereisten van artikel 206 is voldaan, mogen uitzettingen uit
hoofde van transacties waarbij een instelling onroerend goed aan een derde
leaset, op dezelfde wijze worden behandeld als leningen waarvoor geleaset
onroerend goed van hetzelfde type als zekerheid fungeert. 10.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen om de soorten van fysieke zekerheden te specificeren waarvoor
de voorwaarden waarvan sprake in de punten a) en b) van lid 8 worden vervuld;
de EBA baseert zich daarbij op de in die punten beschreven criteria. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 196
Overige gedekte kredietprotectie De instellingen mogen de volgende overige gedekte
kredietprotectie als toelaatbare zekerheid gebruiken: a) contanten die gedeponeerd zijn bij of met contanten gelijk te stellen
instrumenten die niet in het kader van een bewaringsovereenkomst aangehouden
worden door een derde instelling en die in pand gegeven zijn aan de
leningverstrekkende instelling; b) aan leningverstrekkende instellingen in pand gegeven
levensverzekeringsovereenkomsten; c) door een derde instelling uitgegeven instrumenten die op verzoek door
deze instelling worden teruggekocht. Onderafdeling 2
Ongedekte
kredietprotectie Artikel 197
Bij alle benaderingen toelaatbare protectiegevers 1.
De instellingen kunnen de volgende partijen
gebruiken als toelaatbare verschaffers van ongedekte kredietprotectie: a) centrale overheden en centrale banken; b) regionale of lokale overheden; c) multilaterale ontwikkelingsbanken; d) internationale organisaties indien aan de uitzettingen op deze
organisaties overeenkomstig artikel 112 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend; e) publiekrechtelijke lichamen, de vorderingen waarop overeenkomstig
artikel 111 worden behandeld; f) instellingen; g) andere ondernemingen, met inbegrip van moeder-, dochter- en verbonden
ondernemingen van de instelling, wanneer aan een van beide volgende voorwaarden
is voldaan: i) die andere ondernemingen hebben een kredietbeoordeling van een erkende
EKBI welke door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of
hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van
risicogewichten aan uitzettingen op ondernemingen; ii) die andere ondernemingen hebben geen kredietbeoordeling van een erkende
EKBI en hebben een interne rating gekregen die overeenstemt met een PD die
gelijkwaardig is aan die welke overeenstemt met de kredietbeoordelingen van
EKBI's welke door de EBA zijn ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of
hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van
risicogewichten aan uitzettingen op ondernemingen, indien de instellingen
risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten berekenen conform
de interne-ratingbenadering. 2.
Wanneer de instellingen de risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten in het kader van de
IRB-benadering berekenen, is een garantiegever als verschaffer van ongedekte
kredietprotectie alleen toelaatbaar wanneer de instelling hem overeenkomstig
het bepaalde van afdeling 6 van hoofdstuk 3 een interne rating heeft toegekend. De instellingen kunnen andere financiële
instellingen waaraan vergunning is verleend en waarop toezicht wordt
uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de
vergunningverlening aan en het toezicht op kredietinstellingen, en waaraan
prudentiële vereisten worden gesteld die gelijkwaardig zijn aan die welke voor
de instellingen gelden, als toelaatbare verschaffer van ongedekte
kredietprotectie gebruiken. De bevoegde autoriteiten zijn belast met de
publicatie en het bijhouden van de lijst van die andere toelaatbare
verschaffers van ongedekte kredietprotectie, of de leidende criteria voor het
vaststellen van dergelijke andere toelaatbare verschaffers van ongedekte
kredietprotectie, samen met een beschrijving van de toepasselijke prudentiële
vereisten, en delen hun lijst met andere bevoegde autoriteiten overeenkomstig
artikel 112 van richtlijn [ingevoegd door het OP]. Artikel 198
Toelaatbaarheid, in het kader van de
interne-ratingbenadering, van protectiegevers voor de in artikel 148, lid 4,
beschreven behandeling Een instelling mag instellingen, verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen en exportkredietverzekeringsmaatschappijen
gebruiken als toelaatbare verschaffers van ongedekte kredietprotectie die voor
de in artikel 148, lid 4, beschreven behandeling in aanmerking komen wanneer
zij aan alle volgende voorwaarden voldoen: a) zij beschikken over voldoende deskundigheid op het gebied van de
verschaffing van ongedekte kredietprotectie; b) zij zijn onderworpen aan een reglementering die evenwaardig is aan de
in deze verordening vastgelegde regels, of hadden op het moment dat de
kredietprotectie is verleend een kredietbeoordeling van een erkende EKBI welke
volgens de EBA samenhangt met kredietkwaliteitscategorie 3 of een hogere
categorie overeenkomstig de regels van hoofdstuk 2 voor de risicoweging van
uitzettingen op ondernemingen; c) zij hadden op het tijdstip dat de kredietprotectie is verleend of
gedurende enige daarop volgende periode een interne rating met een PD die
gelijk is aan of lager dan die welke samenhangt met kredietkwaliteitscategorie 2
of een hogere categorie overeenkomstig de regels van hoofdstuk 2 voor de
risicoweging van uitzettingen op ondernemingen; d) zij hebben een interne rating met een PD die gelijk is aan of lager dan
die welke samenhangt met kredietkwaliteitscategorie 3 of een hogere categorie
overeenkomstig de regels van hoofdstuk 2 voor de risicoweging van uitzettingen
op ondernemingen. Voor de toepassing van dit artikel komt een
kredietprotectie die wordt verstrekt door
exportkredietverzekeringsmaatschappijen niet in aanmerking voor uitdrukkelijke
tegenwaarborg van de centrale overheid. Onderafdeling 3
Soorten
kredietderivaten Artikel 199
Toelaatbaarheid van kredietderivaten 1.
De instellingen mogen de volgende soorten
kredietderivaten en instrumenten die eventueel uit dergelijke kredietderivaten
zijn samengesteld of die economisch feitelijk vergelijkbaar zijn, als
toelaatbare kredietprotectie gebruiken: a) credit default swaps; b) total return swaps; c) credit linked notes voor zover deze in contanten zijn gefinancierd. Wanneer een instelling kredietprotectie koopt in
de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen
nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande
waardevermindering van het beschermde activum te boeken (door middel van
reducties van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves), kwalificeert
de kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie. 2.
Wanneer een kredietinstelling gebruik maakt van een
intern afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat, dan
kwalificeert voor de toepassing van dit hoofdstuk de kredietprotectie slechts
als toelaatbare kredietprotectie indien het naar de handelsportefeuille
overgehevelde kredietrisico aan een derde of derden wordt overgedragen. Wanneer overeenkomstig de eerste alinea een intern
afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten in onderafdeling 2 is
voldaan, passen de instellingen bij aankoop van ongedekte kredietprotectie de
regels van de afdelingen 4 tot en met 6 toe voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten. Afdeling 3
Vereisten Onderafdeling 1
Gedekte
kredietprotectie Artikel 200
Vereisten voor overeenkomsten tot verrekening van
balansposten (andere dan kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot
repo's of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties) Overeenkomsten tot verrekening van
balansposten, met uitzondering van kaderverrekeningsovereenkomsten met
betrekking tot repo's of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties,
kwalificeren als een toelaatbare vorm van kredietrisicolimitering wanneer aan
alle volgende voorwaarden is voldaan: a) de overeenkomsten zijn rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante
jurisdicties, ook in geval van insolventie of faillissement van een
tegenpartij; b) de instellingen zijn te allen tijde in staat te bepalen welke activa en
passiva onder die overeenkomsten vallen; c) de instellingen monitoren en controleren permanent de risico's die aan
de opzegging van de kredietprotectie verbonden zijn; d) de instellingen monitoren en controleren permanent de desbetreffende
uitzettingen op nettobasis. Artikel 201
Vereisten voor kaderverrekeningsovereenkomsten met
betrekking tot repo's of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking
tot repo's of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of
andere kapitaalmarktgerelateerde transacties kwalificeren als een toelaatbare
vorm van kredietrisicolimitering wanneer de overeenkomstig die overeenkomsten
verstrekte zekerheid aan de vereisten waarvan sprake in artikel 202, lid 1,
voldoet en indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) zij zijn rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante jurisdicties,
ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij; b) zij verlenen de niet in gebreke blijvende partij het recht alle overeenkomstig
de overeenkomst verrichte transacties zo spoedig mogelijk te beëindigen en te
liquideren bij wanbetaling, ook in geval van insolventie of faillissement van
de tegenpartij; c) zij voorzien in de zodanige verrekening van de winsten en verliezen op
overeenkomstig een verrekeningsovereenkomst geliquideerde transacties dat
uiteindelijk één enkel nettobedrag wordt verkregen dat door de ene partij aan
de andere verschuldigd is. Artikel 202
Vereisten voor financiële zekerheden 1.
Bij alle benaderingen en methoden kwalificeren
financiële zekerheden en goud als toelaatbare zekerheid wanneer alle vereisten
van de leden 2 tot 4 worden vervuld. 2.
Tussen de kredietkwaliteit van de debiteur en de
waarde van de zekerheid bestaat geen materieel positieve correlatie. Door de debiteur of een verbonden groepsentiteit
uitgegeven effecten kwalificeren niet als toelaatbare zekerheid. Niettemin kwalificeren de eigen uitgiften van de
debiteur van gedekte obligaties die vallen onder het bepaalde van artikel 124
als toelaatbare zekerheid wanneer deze als zekerheid voor repo's worden
gesteld, mits deze aan de voorwaarde van de eerste alinea voldoen. 3.
De instellingen vervullen alle contractuele en
wettelijke voorwaarden en ondernemen alle stappen die nodig zijn om de
zekerheidsovereenkomsten afdwingbaar te maken onder het recht dat van
toepassing is op hun recht op de zekerheden. De instellingen hebben voldoende juridisch
onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle
relevante jurisdicties bevestigt. Indien
nodig herhalen zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de
overeenkomsten afdwingbaar blijven. 4.
De instellingen vervullen alle volgende
operationele vereisten: a) zij documenteren de zekerheidsovereenkomsten adequaat en hebben
duidelijke en deugdelijke procedures in gebruik voor een zo spoedig mogelijke
uitwinning van de zekerheden; b) zij gebruiken deugdelijke procedures en processen ter controle van de
risico's die uit het gebruik van zekerheden voortvloeien, zoals onder meer de
risico's die aan een tekortschietende of verminderde kredietprotectie verbonden
zijn, de waarderingsrisico's, de met de opzegging van de kredietprotectie
samenhangende risico's, de concentratierisico's die aan het gebruik van
zekerheden verbonden zijn en de interactie met het algemene risicoprofiel van
de kredietinstelling; c) zij hebben gedocumenteerde gedragslijnen en praktijken in gebruik ten
aanzien van de aanvaarde soorten van zekerheden en de aanvaarde bedragen aan
zekerheden; d) zij berekenen de marktwaarde van de zekerheden en herwaarderen deze ten
minste eenmaal om de zes maanden en telkens als de instelling redenen heeft om
aan te nemen dat er zich een significante daling van de marktwaarde van de
zekerheden heeft voorgedaan; e) wanneer de zekerheden door een derde worden aangehouden, ondernemen zij
alle stappen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om ervoor te zorgen dat
de betrokken derde de zekerheden afscheidt van de eigen activa; f) zij zorgen ervoor dat zij voldoende middelen besteden aan de ordelijke
werking van de margeovereenkomsten met otc-derivaten en effecten financierende
tegenpartijen, als gemeten aan de tijdigheid en nauwkeurigheid van hun
uitgaande verzoeken en de tijd waarbinnen zij op inkomende verzoeken reageren; g) zij hebben gedragslijnen inzake het beheer van zekerheden in werking om
het volgende te controleren, te monitoren en te rapporteren: i) de risico's waaraan margeovereenkomsten hen blootstellen; ii) het concentratierisico voor bepaalde soorten van zekerheidsactiva; iii) het hergebruik van zekerheden waaronder de mogelijke
liquiditeitstekorten als gevolg van het hergebruik van van tegenpartijen
ontvangen zekerheden; iv) de afkoop van rechten op zekerheden die aan tegenpartijen worden
verleend. 5.
Voor de kwalificatie van financiële zekerheid als
toelaatbare zekerheid in het kader van de eenvoudige benadering van financiële
zekerheden geldt benevens de in de leden 1 tot en met 4 vastgestelde vereisten
dat de resterende looptijd van de protectie ten minste even lang is als de
resterende looptijd van de uitzetting. Artikel 203
Vereisten voor zekerheden in de vorm van onroerend goed 1.
Onroerend goed kwalificeert slechts als toelaatbare
zekerheid wanneer aan alle vereisten in de leden 2 tot en met 5 wordt voldaan. 2.
De volgende vereisten inzake rechtszekerheid moeten
worden vervuld: a) een hypotheek of bezwaring is afdwingbaar in alle op het tijdstip van
de sluiting van de leningsovereenkomst relevante jurisdicties en is tijdig en
naar behoren geregistreerd; b) alle juridische vereisten voor de vestiging van het pandrecht zijn
vervuld; c) de protectieovereenkomst en de juridische procedure die eraan ten
grondslag ligt, stellen de instelling in staat de waarde van de protectie
binnen een redelijke tijdshorizon te realiseren. 3.
De volgende vereisten inzake de controle van de
waarde van onroerend goed en de waardering van onroerend goed worden vervuld: a) de instellingen controleren de waarde van het onroerend goed frequent
en ten minste eenmaal per jaar voor zakelijk onroerend goed en eenmaal per drie
jaar voor niet-zakelijk onroerend goed. De instellingen voeren frequentere controles uit wanneer de
marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan; b) de waardering van het onroerend goed wordt gecontroleerd wanneer uit
informatie waarover de instellingen beschikken blijkt dat de waarde van het
onroerend goed vermoedelijk materieel is gedaald in vergelijking met de
algemene marktprijzen; de controle wordt uitgevoerd door een schatter die over
de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een taxatie uit te
voeren en geen enkele rol vervult in het kredietacceptatieproces. Bij leningen die meer dan 3 miljoen EUR bedragen
of meer dan 5 % van het eigen vermogen van de instelling vertegenwoordigen,
wordt de waardering van het onroerend goed ten minste om de drie jaar door een
dergelijke schatter gecontroleerd. De instellingen mogen statistische methoden
hanteren om de waarde van het onroerend goed te controleren en om na te gaan
van welk onroerend goed de waarde moet worden bijgesteld. 4.
De instellingen documenteren de soorten
niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed die zij aanvaarden en hun
leningsbeleid ter zake duidelijk. 5.
De instellingen beschikken over procedures om te
controleren of het onroerend goed dat als kredietprotectie wordt geaccepteerd,
adequaat is verzekerd tegen het schaderisico. Artikel 204
Vereisten voor kortlopende vorderingen 1.
Kortlopende vorderingen kwalificeren als
toelaatbare zekerheid wanneer aan alle vereisten in de leden 2 en 3 wordt
voldaan. 2.
De volgende vereisten inzake rechtszekerheid moeten
worden vervuld: a) de juridische constructie op grond waarvan de zekerheid aan een
leningverstrekkende instelling wordt verstrekt, is deugdelijk en effectief en
waarborgt dat de instelling duidelijke rechten heeft op de opbrengsten; b) de instellingen ondernemen alle stappen die noodzakelijk zijn om aan de
lokale vereisten voor de afdwingbaarheid van het zakelijke zekerheidsrecht te
voldoen. De leningverstrekkende
instellingen hebben een voorrangsrecht op de zekerheid, hoewel dergelijke
rechten nog steeds kunnen zijn achtergesteld bij de rechten van preferentiële
crediteuren welke in wettelijke bepalingen zijn neergelegd; c) de instellingen hebben voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de
afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties
bevestigt; d) de instellingen documenteren de zekerheidsovereenkomsten adequaat en
hebben duidelijke en deugdelijke procedure in gebruik voor een zo spoedig
mogelijke uitwinning van de zekerheden; e) de instellingen hebben procedures in gebruik die waarborgen dat alle
wettelijke voorwaarden voor het in gebreke stellen van een leningnemer en de zo
spoedig mogelijke uitwinning van de zekerheden in acht worden genomen; f) ingeval een leningnemer in financiële moeilijkheden verkeert of in
gebreke is gebleven, hebben de instellingen de wettelijke bevoegdheid om de
kortlopende vorderingen aan andere partijen te verkopen of over te dragen
zonder instemming van de debiteuren van de kortlopende vorderingen. 3.
De volgende vereisten inzake risicomanagement
moeten worden vervuld: a) een instelling heeft een deugdelijke procedure in gebruik voor de
bepaling van het kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is. Deze procedure omvat onder meer analyses van de
bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de leningnemer en van de soorten
cliënten met wie die leningnemer zaken doet. Wanneer de instellingen vertrouwen op hun leningnemers om het aan de
cliënten verbonden kredietrisico in te schatten, onderwerpt de instelling de
kredietpraktijken van de leningnemer aan een onderzoek om zich van de
deugdelijkheid en geloofwaardigheid ervan te vergewissen; b) de marge tussen het bedrag van de uitzetting en de waarde van de
kortlopende vorderingen weerspiegelt alle relevante factoren, zoals onder meer
de inningskosten, de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen
die door één leningnemer in pand is gegeven en het potentiële
concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de instelling benevens
die welke in het kader van de algemene methode van de instelling worden
gecontroleerd. De instellingen
voorzien in een doorlopend monitoringproces dat passend is voor de kortlopende
vorderingen. Zij controleren tevens
regelmatig of leningsovereenkomsten, milieubeperkingen en andere wettelijke
vereisten worden nageleefd; c) door een leningnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn
gediversifieerd en er is geen ongepaste correlatie ervan met die leningnemer. Wanneer er een materiële positieve correlatie is,
houden de instellingen bij de vaststelling van de marges voor de pool van
zekerheden als geheel met de daarmee gepaard gaande risico's rekening; d) de instellingen gebruiken geen kortlopende vorderingen op verbonden
partijen van een leningnemer, met inbegrip van dochterondernemingen en
werknemers, als toelaatbare kredietprotectie; e) de instelling beschikt over een schriftelijk vastgelegde procedure voor
de inning van te ontvangen betalingen in probleemsituaties. De instellingen treffen de vereiste voorzieningen
voor de inning, ook al vertrouwen zij normaliter op hun leningnemers om
betalingen te innen. Artikel 205
Vereisten voor andere fysieke zekerheid Andere fysieke zekerheid dan zekerheid in de
vorm van onroerend goed kwalificeert als toelaatbare zekerheid overeenkomstig
de interne-ratingbenadering wanneer alle volgende voorwaarden zijn vervuld: a) de zekerheidsovereenkomst overeenkomstig welke de fysieke zekerheid aan
een instelling wordt verleend is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante
jurisdicties en stelt de instelling in staat de waarde van de zekerheid binnen
een redelijke tijdshorizon te realiseren; b) met als enige uitzondering de in artikel 204, lid 2, onder b), bedoelde
toelaatbare voorrangsrechten kwalificeren alleen eerste pandrechten of bezwaringen
op zekerheden als toelaatbare zekerheid; het recht van een instelling op de
gerealiseerde opbrengsten van de zekerheden heeft derhalve voorrang op de
rechten van alle andere leninggevers; c) de instellingen controleren de waarde van de zekerheid frequent en ten
minste eenmaal per jaar. De
instellingen voeren frequentere controles uit wanneer de marktomstandigheden
significante veranderingen ondergaan; d) de leningsovereenkomst bevat een gedetailleerde beschrijving van de
zekerheid en een gedetailleerde specificatie van de wijze waarop en de
frequentie waarmee tot herwaardering wordt overgegaan; e) de instellingen documenteren in het kader van interne gedragslijnen en
procedures voor kredietverlening - de desbetreffende documenten kunnen worden
ingezien – duidelijk de door hen aanvaarde soorten fysieke zekerheden en de
gedragslijnen en praktijken die zij in gebruik hebben ten aanzien van het
bedrag van elk type zekerheid dat passend wordt geacht voor een gegeven post; f) wat de structuur van de transactie betreft, wordt er in het kader van
het kredietbeleid van de instellingen op toegezien dat aan de zekerheid
passende vereisten worden gesteld met betrekking tot de post, de mogelijkheid
om de zekerheid vlot uit te winnen, de mogelijkheid om op objectieve wijze een
prijs of marktwaarde vast te stellen, de frequentie waarmee de waarde makkelijk
te verkrijgen is, met inbegrip van een professionele schatting of waardering,
en de volatiliteit of een indirecte maat voor de volatiliteit van de waarde van
de zekerheid; g) zowel bij de eerste waardering als bij latere herwaarderingen wordt ten
volle met iedere aantasting of economische veroudering van de zekerheid
rekening gehouden. Bij de waardering
en herwaardering besteden de instellingen bijzondere aandacht aan de gevolgen
van het verstrijken van de tijd voor mode- of tijdgevoelige zekerheden; h) de instellingen hebben het recht de zekerheid fysiek te inspecteren. Tevens stellen zij de nodige gedragslijnen en
procedures vast voor de uitoefening van hun recht tot fysieke inspectie; i) de zekerheid die als protectie wordt geaccepteerd, is adequaat
verzekerd tegen het schaderisico en de instellingen hebben procedures in
gebruik om dit te controleren. Artikel 206
Vereisten voor de behandeling van uitzettingen uit hoofde
van lease-overeenkomsten als door zekerheden gedekte uitzettingen De instellingen behandelen uitzettingen uit
hoofde van lease-overeenkomsten pas als door zekerheden gedekte uitzettingen
wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) de voorwaarden van de, al naar het geval, artikelen 203 of 205 voor de
kwalificatie van het type geleased goed als toelaatbare zekerheid zijn vervuld; b) er is sprake van een deugdelijk risicomanagement van de zijde van de
verhuurder met betrekking tot het gebruik dat van het geleasede actief wordt
gemaakt, de locatie ervan, de ouderdom ervan en de voorziene economische
gebruiksduur, met inbegrip van een passende controle van de waarde van de
zekerheid; c) de leasinggever heeft het activum juridisch in eigendom en is in staat
zijn rechten als eigenaar tijdig uit te oefenen; d) wanneer dit niet reeds bij de berekening van de LGD-hoogte is
vastgesteld, is het verschil tussen de waarde van het niet-afgeschreven bedrag
en de marktwaarde van de zekerheid niet zo groot dat de aan de geleasede activa
toegewezen kredietrisicolimitering wordt overschat. Artikel 207
Vereisten voor andere gedekte kredietprotectie 1.
Om in aanmerking te komen voor de behandeling van
artikel 227, lid 1, voldoen contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk
te stellen instrumenten aangehouden door een derde instelling aan alle volgende
voorwaarden: a) de vordering van de leningnemer op de derde instelling is openlijk in
pand gegeven of overgedragen aan de leningverstrekkende instelling en die pandgeving
of overdracht is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante jurisdicties; b) de derde instelling is in kennis gesteld van de pandgeving of
overdracht; c) als gevolg van de kennisgeving mag de derde instelling alleen aan de
leningverstrekkende instelling of aan andere partijen enkel betalingen doen als
zij daarvoor vooraf de toestemming heeft gekregen van de leningverstrekkende
instelling; d) de pandgeving of overdracht is onvoorwaardelijk en onherroepelijk. 2.
Aan de leningverstrekkende instelling in pand
gegeven levensverzekeringsovereenkomsten kwalificeren als toelaatbare zekerheid
wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) de levensverzekeringsovereenkomst is openlijk in pand gegeven of
overgedragen aan de leningverstrekkende instelling; b) de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, is in kennis
gesteld van de pandgeving of overdracht en mag niet tot uitkering van de
overeenkomstig de overeenkomst te betalen bedragen overgaan zonder de
voorafgaande toestemming van de leningverstrekkende kredietinstelling; c) de leningverstrekkende instelling heeft het recht de overeenkomst op te
zeggen en de afkoopwaarde te ontvangen ingeval de leningnemer in gebreke
blijft; d) de leningverstrekkende instelling wordt in kennis gesteld wanneer de
verzekeringnemer nalaat betalingen overeenkomstig de overeenkomst te
verrichten; e) de kredietprotectie geldt voor de gehele looptijd van de lening; wanneer dit niet mogelijk is omdat de
verzekeringsovereenkomst reeds voor de kredietovereenkomst afloopt, ziet de
instelling erop toe dat het uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende
bedrag tot het einde van de looptijd van de kredietovereenkomst de instelling
als zekerheid dient; f) de pandgeving of de overdracht is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle
op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante
jurisdicties; g) de afkoopwaarde wordt aangegeven door de onderneming waarbij de
levensverzekering is gesloten, en is niet verminderbaar; h) de afkoopwaarde wordt door de onderneming waarbij de levensverzekering
is gesloten zo spoedig mogelijk betaald indien daarom wordt verzocht; i) er wordt niet om betaling van de afkoopwaarde verzocht zonder
voorafgaande toestemming van de instelling; j) de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, valt onder
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad of staat onder
toezicht van een bevoegde autoriteit van een derde land met een toezicht- en
regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de
Unie worden toegepast. Onderafdeling 2
Ongedekte
kredietprotectie en credit linked notes Artikel 208
Voor zowel garanties als kredietderivaten geldende
vereisten 1.
Behoudens artikel 209, lid 1, kwalificeert een
kredietprotectie in de vorm van een garantie of kredietderivaat als toelaatbare
ongedekte kredietprotectie wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) het gaat om een rechtstreekse kredietprotectie; b) de omvang van de kredietprotectie is duidelijk omschreven; c) de kredietprotectieovereenkomst bevat geen enkele clausule waarvan de
naleving buiten de directe controle van de leningnemer valt en die: i) de protectiegever in staat stelt de protectie unilateraal op te zeggen; ii) tot een toename van de effectieve kosten van de protectie leidt wanneer
de kredietkwaliteit van de beschermde uitzetting verslechtert; iii) kan verhinderen dat de protectiegever verplicht is zo spoedig mogelijk
te betalen ingeval de oorspronkelijke debiteur nalaat verschuldigde betalingen
te verrichten of wanneer het leasingcontract is verstreken met het oog op de
inaanmerkingneming van de gegarandeerde restwaarde overeenkomstig de artikelen 129,
lid 7, en 162, lid 4; iv) het mogelijk kan maken dat de protectiegever de looptijd van de
kredietprotectie reduceert; d) de kredietprotectie is rechtsgeldig en
afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst
relevante jurisdicties. 2.
Een instelling toont ten behoeve van de bevoegde
autoriteiten aan dat zij over systemen beschikt om de potentiële concentratie
van uit haar gebruik van garanties en kredietderivaten voortvloeiende risico's
te beheren. Een instelling kan ten
genoegen van de bevoegde autoriteiten demonstreren welke interactie er bestaat
tussen, enerzijds, haar strategie ten aanzien van het gebruik van
kredietderivaten en garanties en, anderzijds, het beheer van haar algemene
risicoprofiel. 3.
De instellingen vervullen alle contractuele en
wettelijke voorwaarden en ondernemen alle stappen die nodig zijn om hun ongedekte
kredietprotectie afdwingbaar te maken overeenkomstig het recht dat van
toepassing is op hun recht op kredietprotectie. De instellingen hebben voldoende juridisch
onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de ongedekte kredietprotectie in
alle relevante jurisdicties bevestigt. Indien nodig herhalen zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen
dat de overeenkomsten afdwingbaar blijven. Artikel 209
Tegengaranties van de centrale overheid en andere
overheidslichamen 1.
De instellingen mogen de in lid 2 vermelde
uitzetting behandelen als beschermd door een garantie die door de in dat lid
vermelde entiteiten wordt verstrekt mits aan alle volgende voorwaarden wordt
voldaan: a) de tegengarantie dekt alle kredietrisico-aspecten van de vordering; b) zowel de oorspronkelijke garantie als de tegengarantie voldoet aan de
in de artikelen 208 en 210, lid 1, gestelde vereisten, behalve dat de
tegengarantie niet rechtstreeks behoeft te zijn; c) de dekking is deugdelijk en niets in de historische gegevens wijst erop
dat de dekking van de tegengarantie niet feitelijk gelijkwaardig is aan die van
een rechtstreekse garantie door het lichaam in kwestie. 2.
De behandeling waarvan sprake in lid 1 is van
toepassing op uitzettingen die worden beschermd door een garantie met een
tegengarantie van een van de volgende entiteiten: a) een centrale overheid of een centrale bank; b) een regionale of lagere overheid; c) een publiekrechtelijk lichaam, de vorderingen waarop worden behandeld
als vorderingen op de centrale overheid overeenkomstig artikel 111, lid 4; d) een multilaterale ontwikkelingsbank of een internationale organisatie,
waaraan overeenkomstig of krachtens hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0 %
wordt toegekend; e) een publiekrechtelijk lichaam, de vorderingen waarop overeenkomstig
artikel 111, leden 1 en 2, worden behandeld; 3.
De instellingen passen de behandeling van lid 1
eveneens toe op een uitzetting zonder tegengarantie van een in lid 2 vermelde
entiteit wanneer de tegengarantie voor die uitzetting op haar beurt
rechtstreeks door een van die entiteiten wordt gedekt en aan de in lid 1
genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 210
Additionele vereisten voor garanties 1.
Garanties kwalificeren als toelaatbare ongedekte
kredietprotectie wanneer alle voorwaarden in artikel 208 en alle volgende
voorwaarden zijn vervuld: a) bij de kwalificerende wanbetaling van of niet-betaling door de
tegenpartij heeft de leningverstrekkende instelling het recht zo spoedig
mogelijk een vordering in te stellen tegen de garantiegever voor de gelden die
verschuldigd zijn uit hoofde van de vordering waarvoor de protectie is
verstrekt en de leningverstrekkende instelling behoeft niet eerst een vordering
tegen de debiteur in te stellen opdat de garantiegever tot betaling overgaat; Bij een ongedekte kredietprotectie met betrekking
tot hypotheekleningen op niet-zakelijk onroerend goed behoeft slechts binnen 24
maanden te worden voldaan aan de vereisten in artikel 208, lid 1, onder c),
iii), en in de eerste alinea; b) de garantie neemt de vorm aan van een expliciet gedocumenteerde
verplichting die door de garantiegever is aangegaan; c) er wordt aan een van de volgende voorwaarden voldaan: i) de garantie bestrijkt alle soorten betalingen die de debiteur uit
hoofde van de vordering geacht wordt te verrichten; ii) wanneer bepaalde soorten betalingen niet onder de garantie vallen,
heeft de leningverstrekkende instelling de waarde van de garantie aangepast om
met de beperkte dekking rekening te houden. 2.
Wat de garanties betreft die in het kader van
onderlinge borgtochtmaatschappijen zijn verstrekt, dan wel die zijn verstrekt
of waarvoor een tegengarantie is verschaft door de in artikel 209, lid 1,
bedoelde lichamen, wordt aangenomen dat aan de vereisten van punt a) van lid 1
is voldaan wanneer een van beide onderstaande voorwaarden is vervuld: a) de leningverstrekkende instelling heeft recht op een zo spoedig
mogelijk door de garantiegever te verrichten voorlopige betaling die aan beide
volgende voorwaarden voldoet: i) zij vormt een deugdelijke raming van de omvang van het verlies, met
inbegrip van de verliezen die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en
van andere soorten betalingen die de leningnemer verplicht is te verrichten,
dat vermoedelijk door de leningverstrekkende instelling zal worden geleden; ii) zij is evenredig met de dekking van de garantie; b) de leningverstrekkende instelling kan ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten aantonen dat de effecten van de garantie, die ook de verliezen
dekt die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en van andere soorten
betalingen die de leningnemer verplicht is te verrichten, een dergelijke
behandeling rechtvaardigt. Artikel 211
Additionele vereisten voor kredietderivaten 1.
Kredietderivaten kwalificeren als toelaatbare ongedekte
kredietprotectie wanneer alle voorwaarden in artikel 208 en alle volgende
voorwaarden zijn vervuld: a) in het kader van het kredietderivatencontract worden onder meer de
volgende kredietgebeurtenissen gespecificeerd: i) niet-betaling van de bedragen die verschuldigd zijn onder de
voorwaarden van de onderliggende verplichting welke gelden op het tijdstip van
de niet-betaling, waarbij de respijtperiode vrijwel even lang is als of korter
is dan de respijtperiode bij de onderliggende verplichting; ii) het faillissement, de insolventie of het onvermogen van de debiteur om
zijn schulden te betalen, dan wel het nalaten of de schriftelijke bekentenis
van het algemene onvermogen om zijn schulden te betalen wanneer deze vervallen,
en analoge gebeurtenissen; iii) de herstructurering van de onderliggende verplichting die een
kwijtschelding of uitstel van betaling op de hoofdsom, de rente of provisies
behelst welke resulteert in een verlies op de uitstaande vorderingen; b) bij kredietderivaten met afwikkeling in contanten: i) hebben de instellingen een deugdelijke waarderingsprocedure in gebruik
om tot een betrouwbare raming van het verlies te komen; ii) is er sprake van een duidelijk gespecificeerde periode voor de
verkrijging van waarderingen van de onderliggende verplichting nadat de
kredietgebeurtenis zich heeft voorgedaan; c) wanneer het recht en het vermogen van de protectienemer om de
onderliggende verplichting aan de protectiegever over te dragen onontbeerlijk
zijn voor de afwikkeling, wordt in de voorwaarden van de onderliggende
verplichting bepaald dat de voor een dergelijke overdracht vereiste toestemming
niet op onredelijke gronden wordt geweigerd; d) de identiteit van de partijen die verantwoordelijk zijn voor de
bepaling of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, wordt duidelijk
omschreven. e) het bepalen van de kredietgebeurtenis is niet alleen de
verantwoordelijkheid van de protectiegever; f) de protectienemer heeft het recht of het vermogen om de protectiegever
in kennis te stellen van het feit dat er zich een kredietgebeurtenis heeft
voorgedaan. Wanneer de kredietgebeurtenissen niet de in punt
a), iii, omschreven herstructurering van de onderliggende verplichting
omvatten, kan de kredietprotectie desondanks toch toelaatbaar zijn, mits de
waarde wordt gereduceerd zoals gespecificeerd in artikel 228, lid 2; 2.
Een mismatch tussen de onderliggende verplichting
en de referentieverplichting in het kader van het kredietderivaat, dat wil
zeggen de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor de bepaling van de
waarde van de afwikkeling in contanten of tussen de onderliggende verplichting en
de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een
kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, is alleen toelaatbaar wanneer aan beide
volgende voorwaarden is voldaan: a) de referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt
om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naar het
geval, is van gelijke rang als of achtergesteld bij de onderliggende
verplichting; b) de onderliggende verplichting en de referentieverplichting of de
verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een
kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naar het geval, hebben dezelfde
debiteur en er is voorzien in juridisch afdwingbare kruiselingse
wanbetalingsclausules of kruiselings vervroegde-opeisbaarheidsclausules. Artikel 212
Vereisten om in aanmerking te komen voor de in artikel 148,
lid 4, beschreven behandeling 1.
Om voor de in artikel 148, lid 4, beschreven
behandeling in aanmerking te komen, moet een kredietprotectie in de vorm van
een garantie of een kredietderivaat aan de volgende voorwaarden voldoen: a) de onderliggende verplichting behoort tot een van de volgende
categorieën uitzettingen: i) een uitzetting op een onderneming als omschreven in artikel 142, met
uitzondering van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; ii) een uitzetting op een regionale of lokale overheid of een
publiekrechtelijk lichaam, die niet wordt behandeld als een uitzetting op een
centrale overheid of centrale bank overeenkomstig artikel 142; iii) een uitzetting op een kleine of middelgrote onderneming die
overeenkomstig artikel 142, lid 5, in de categorie uitzettingen op
particulieren en kleine partijen is ondergebracht; b) de onderliggende debiteuren zijn geen lid van dezelfde groep als de
protectiegever; c) de uitzetting wordt afgedekt door middel van een van de volgende
instrumenten: i) ongedekte kredietderivaten of garanties waarbij één referentie-entiteit
betrokken is; ii) basketproducten voor de eerst optredende wanbetaling; iii) basketproducten voor de n-de wanbetaling; d) de kredietprotectie voldoet aan de vereisten van de artikelen 208, 210
en 211; e) het risicogewicht dat vóór de toepassing van de behandeling van
artikel 148, lid 4, met de uitzetting samenhangt, houdt niet reeds
rekening met enigerlei aspect van de kredietprotectie; f) een instelling heeft het recht en mag verwachten betaling te ontvangen
van de verschaffer van de kredietprotectie zonder gerechtelijke stappen te
hoeven ondernemen om de tegenpartij tot betaling te dwingen. Voor zover zulks mogelijk is, doet een instelling
stappen om zich ervan te vergewissen dat de protectiegever bereid is terstond
te betalen mocht er zich een kredietgebeurtenis voordoen; g) de gekochte kredietprotectie vangt alle op het afgedekte deel van de
uitzetting geleden kredietverliezen op die zich voordoen als gevolg van de in
het contract omschreven kredietgebeurtenissen; h) wanneer de uitbetalingsstructuur van de kredietprotectie in fysieke
afwikkeling voorziet, bestaat er rechtszekerheid ten aanzien van de
leverbaarheid van een lening, obligatie of voorwaardelijke verplichting; i) wanneer een instelling voornemens is een andere verplichting te leveren
dan de onderliggende uitzetting, zorgt zij ervoor dat de leverbare verplichting
liquide genoeg is om haar in staat te stellen deze te kopen voor levering
overeenkomstig het contract; j) de voorwaarden van kredietprotectieovereenkomsten zijn schriftelijk en
juridisch bevestigd door zowel de verschaffer van de kredietprotectie als de
instelling; k) de instelling heeft procedures in gebruik om een te hoge corrrelatie op
te sporen tussen de kredietwaardigheid van een protectieverstrekker en de
debiteur van de onderliggende uitzetting ten gevolge van het feit dat hun
prestaties afhankelijk zijn van gezamenlijke factoren buiten de systemische
risicofactor; l) ingeval protectie wordt geboden tegen het verwateringsrisico, is de
verkoper van gekochte kortlopende vorderingen geen lid van dezelfde groep als
de protectiegever. 2.
Voor de toepassing van punt c), ii, van lid 1
passen de instellingen de behandeling van artikel 148, lid 4, toe op het in de
basket voorkomende activum met de laagste risicogewogen uitzettingswaarde. 3.
Voor de toepassing van punt c), iii, van lid 1
wordt in dit kader met de protectie slechts rekening gehouden wanneer ook toelaatbare
protectie tegen de (n-1)de wanbetaling is verkregen of wanneer er zich voor (n-1)
van de in de mand voorkomende activa reeds een wanbetaling heeft voorgedaan. In deze gevallen passen de instellingen de
behandeling van artikel 148, lid 4, toe op het in de mand voorkomende activum
met de laagste risicogewogen uitzettingswaarde. Afdeling 4
Berekening
van het effect van kredietrisicolimitering Onderafdeling 1
Gedekte
kredietprotectie Artikel 213
Credit linked notes Beleggingen in credit linked notes die door de
leningverstrekkende instelling zijn uitgegeven, mogen als zekerheden in de vorm
van contanten worden behandeld voor de berekening van het effect van gedekte
kredietprotectie overeenkomstig deze onderafdeling, mits de in de credit linked
note ingebedde credit default swap als toelaatbare ongedekte kredietprotectie
kwalificeert. Artikel 214
Verrekening van balansposten Leningen en deposito's bij de
leningverstrekkende instelling die op de balans worden verrekend, moeten als
zekerheden in de vorm van contanten worden behandeld voor de berekening van het
effect van gedekte kredietprotectie voor in dezelfde valuta luidende leningen
en deposito's van de leningverstrekkende instelling die op de balans worden
gesaldeerd. Artikel 215
Gebruik van de toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen of de eigenramingenbenadering voor
volatiliteitsaanpassingen voor kaderverrekeningsovereenkomsten 1.
Wanneer de instellingen de 'volledig aangepaste
uitzettingswaarde' (E*) berekenen met betrekking tot uitzettingen die onder een
toelaatbare kaderverrekeningsovereenkomst inzake repo's of verstrekte of
opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties vallen, berekenen zij de toe te passen volatiliteitsaanpassingen
hetzij in het kader van de toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen , hetzij in het kader van de eigenramingenbenadering
voor volatiliteitsaanpassingen ('eigenramingenbenadering') zoals beschreven in
de artikelen 218 tot en met 221 betreffende de uitgebreide benadering van
financiële zekerheden. Voor de toepassing van de eigenramingenbenadering
gelden dezelfde voorwaarden en vereisten als die welke in het kader van de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden van toepassing zijn. 2.
Voor de berekening van E* dienen de volgende
voorwaarden te worden voldaan: a) de instellingen berekenen de nettopositie in elke groep van effecten of
in elk type van grondstoffen door het bedrag in punt i) af te trekken van het
bedrag in punt ii): i) de totale waarde van een groep effecten
of grondstoffen van hetzelfde type die overeenkomstig de
kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of geleverd; ii) de totale waarde van een groep effecten
of grondstoffen van hetzelfde type die overeenkomstig de overeenkomst zijn
geleend, gekocht of ontvangen; b) de instellingen berekenen de nettopositie in elke andere valuta dan de
vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst door het bedrag in punt
i) af te trekken van het bedrag in punt ii): i) de som van de totale waarde van de in
die valuta luidende effecten die overeenkomstig de
kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of geleverd, en het in
die valuta luidende bedrag in contanten dat overeenkomstig de overeenkomst is
uitgeleend of overgemaakt; ii) de som van de totale waarde van de in die
valuta luidende effecten die overeenkomstig de overeenkomst zijn geleend,
gekocht of ontvangen, en het in die valuta luidende bedrag in contanten dat
overeenkomstig de overeenkomst is geleend of ontvangen; c) de instellingen passen de volatiliteitsaanpassing die voor een bepaalde
groep effecten of voor een kaspositie passend wordt geacht toe op de absolute
waarde van de positieve of de negatieve nettopositie in de effecten in die
groep; d) de instellingen passen de volatiliteitsaanpassing in verband met het
wisselkoersrisico (fx) toe op de positieve of negatieve nettopositie in iedere
andere valuta dan de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst. 3.
De instellingen berekenen E* overeenkomstig de
volgende formule: waarbij: Ei = de
uitzettingswaarde van elke afzonderlijke uitzetting i overeenkomstig de
overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn,
wanneer de instellingen de risicogewogen uitzettingsbedragen berekenen volgens
de standaardbenadering of wanneer zij de risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten berekenen volgens de interne-ratingbenadering; Ci = de waarde van de
effecten in elke groep of de grondstoffen van hetzelfde type die zijn geleend,
gekocht of ontvangen dan wel de contanten die zijn geleend of ontvangen met
betrekking tot elke uitzetting i; = de nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde groep van
effecten j; = de nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde valuta k die
niet de vereffeningsvaluta van de overeenkomst is, als berekend overeenkomstig
punt b) van lid 2; = de volatiliteitsaanpassing die voor een bepaalde groep effecten j
passend wordt geacht; = de wisselkoers-volatiliteitsaanpassing voor valuata k. 4.
Voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten voor repo's of verstrekte of
opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties die onder kaderverrekeningsovereenkomsten vallen, gebruiken de
instellingen E*, als berekend overeenkomstig lid 3, voor de toepassing van
artikel 108 volgens de standaardbenadering of hoofdstuk 3 volgens de
interne-ratingbenadering als de uitzettingswaarde van de uitzetting op de
tegenpartij welke voortvloeit uit de transacties die onder de
kaderverrekeningsovereenkomst vallen. 5.
Voor de toepassing van de leden 2 en 3 wordt onder
'groep van effecten' verstaan, de effecten die door dezelfde entiteit op
dezelfde datum zijn uitgegeven, die dezelfde looptijd hebben en waarvoor
dezelfde voorwaarden en dezelfde liquidatieperiode gelden als in de
artikelen 219 en 220 aangegeven. Artikel 216
Gebruik van de internemodellenbenadering voor
kaderverrekeningsovereenkomsten 1.
Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteiten, mogen de instellingen, als alternatief voor het gebruik van de
toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen of de
eigenramingenbenadering, bij de berekening van de volledig aangepaste
uitzettingswaarde (E*) in het kader van de toepassing van een toelaatbare
kaderverrekeningsovereenkomst inzake repo's, verstrekte of opgenomen effecten-
of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties met
uitzondering van derivatentransacties, gebruik maken van een
internemodellenbenadering welke rekening houdt met de correlatie-effecten
tussen effectenposities die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen
alsook de liquiditeit van de betrokken instrumenten. 2.
Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteiten, mogen instellingen hun interne modellen ook gebruiken voor
margeleningstransacties, wanneer deze transacties vallen onder een bilaterale
kaderverrekeningsovereenkomst die voldoet aan de vereisten van hoofdstuk 6,
afdeling 7. 3.
Een instelling mag, ongeacht de keuze die zij
voor de berekening van de risicogewogen uitzettingsbedragen heeft gemaakt
tussen de standaardbenadering en de interne-ratingbenadering, opteren voor een
internemodellenbenadering. Wanneer
een instelling kiest voor een internemodellenbenadering, past zij deze echter
op alle tegenpartijen en effecten toe, met uitzondering van de immateriële
portefeuilles, ten aanzien waarvan zij gebruik kan maken van de toezichthoudersbenadering
van volatiliteitsaanpassingen of de eigenramingenbenadering zoals vastgesteld
in artikel 215. Instellingen die overeenkomstig titel IV,
hoofdstuk 5, toestemming hebben ontvangen voor een intern
risicomanagementmodel, mogen de internemodellenbenadering gebruiken. Wanneer een instelling geen dergelijke
toestemming heeft ontvangen, mag zij nog steeds aan de bevoegde autoriteiten
toestemming vragen om voor de toepassing van dit artikel een
internemodellenbenadering te gebruiken. 4.
De bevoegde autoriteiten geven een instelling
alleen toestemming om een internemodellenbenadering te gebruiken wanneer zij
ervan overtuigd zijn dat het risicomanagementsysteem van de kredietinstelling
voor het beheer van de risico's die voortvloeien uit de transacties welke onder
de kaderverrekeningsovereenkomst vallen, qua concept solide is en op integere
wijze wordt toegepast en aan de volgende kwalitatieve normen wordt voldaan: a) het interne risicometingsmodel dat voor de berekening van de potentiële
prijsvolatiliteit van de transacties wordt gebruikt, is in hoge mate
geïntegreerd in het dagelijkse risicomanagementproces van de instelling en
dient als basis voor de rapportering van risicoblootstellingen aan de directie
van de instelling; b) de instelling heeft een afdeling risicocontrole die aan alle volgende
vereisten voldoet: i) zij is onafhankelijk van de
handelsafdelingen en rapporteert rechtstreeks aan de directie; ii) zij is belast zijn met het ontwerpen en
implementeren van het risicomanagementsysteem van de instelling; iii) zij produceert en analyseert dagelijks
rapporten over de output van het risicometingsmodel en over de maatregelen die
ter zake van de positielimieten moeten worden genomen; c) de dagelijkse rapporten die de afdeling risicocontrole opstelt, worden
beoordeeld door een managementechelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een
vermindering van de ingenomen posities of van de totale risicoblootstelling van
de instelling op te leggen; d) de kredietinstelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is
in het gebruik van verfijnde modellen in de afdeling risicocontrole; e) de instelling heeft procedures vastgesteld voor de monitoring van en
het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne
richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking van het
risicometingssysteem als geheel; f) de modellen van de instelling hebben in het verleden bewezen redelijk
accuraat te zijn bij het meten van risico's, hetgeen kan worden aangetoond door
de output ervan achteraf te testen ("backtesting") aan de hand van
gegevens over een periode van ten minste één jaar; g) de instelling voert frequent een stringent programma van stresstesten
uit; de uitkomsten van deze testen worden beoordeeld door de directie en worden
verwerkt in het beleid en in de limieten die erdoor bepaald worden; h) als onderdeel van de periodieke interne controle laat de instelling een
onafhankelijke evaluatie van zijn risicometingssysteem uitvoeren. Deze evaluatie heeft betrekking op de
activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling
risicocontrole; i) ten minste eenmaal per jaar voert de kredietinstelling een evaluatie
uit van het algehele risicomanagementproces; j) het interne model voldoet aan de vereisten in artikel 286, leden 8 en 9,
en in artikel 288. 5.
Het interne risicometingsmodel neemt een
voldoende aantal risicofactoren mee om alle materiële koersrisico's mee te
nemen. De instellingen mogen binnen risicocategorieën en
tussen uiteenlopende risicocategorieën empirische correlaties gebruiken wanneer
hun systeem voor het meten van correlaties solide is en integer wordt
geïmplementeerd. 6.
De instellingen die de
internemodellenbenadering gebruiken, berekenen E* overeenkomstig de volgende
formule: waarbij: Ei = de
uitzettingswaarde van elke afzonderlijke post i overeenkomstig de overeenkomst
die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn, wanneer de
instellingen de risicogewogen uitzettingsbedragen berekenen volgens de
standaardbenadering of wanneer zij de risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten berekenen volgens de interne-ratingbenadering; Ci
= de waarde van de
effecten die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de contanten die
zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elke dergelijke post i. Bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen op basis van interne modellen maken instellingen gebruik
van de modeloutput van de voorgaande werkdag. 7.
Voor de berekening van de potentiële
waardewijziging waarvan sprake in lid 6 gelden alle volgende vereisten: a) zij wordt ten minste eenmaal per dag berekend; b) zij is gebaseerd op een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %; c) zij is gebaseerd op een liquidatieperiode van ten minste 5 dagen of een
equivalent daarvan, behalve in geval van andere transacties dan effectenrepo's
of verstrekte of opgenomen effectenleningen, waarvoor een liquidatieperiode van
10 dagen of een equivalent daarvan geldt; d) zij is gebaseerd op een feitelijke historische waarnemingsperiode van
ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een
significante toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; e) het bij de berekening gebruikte gegevensbestand wordt om de drie
maanden geactualiseerd. Wanneer een instelling beschikt over een repo, een
transactie inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en
een margelenings- of soortgelijke transactie of een samenstel van verrekenbare
transacties waarvoor voldaan wordt aan de criteria van artikel 279, leden 2 en 3,
wordt de minimumaanhoudingsperiode in overeenstemming gebracht met de
margerisicoperiode die van toepassing zou zijn overeenkomstig die leden, in
combinatie met artikel 279, lid 4. 8.
Voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten voor repo's of verstrekte of
opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties die onder kaderverrekeningsovereenkomsten vallen, gebruiken de
instellingen E*, als berekend overeenkomstig lid 6, voor de toepassing van
artikel 108 volgens de standaardbenadering of hoofdstuk 3 volgens de
interne-ratingbenadering als de uitzettingswaarde van de uitzetting op de
tegenpartij welke voortvloeit uit de transacties die onder de
kaderverrekeningsovereenkomst vallen. 9.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) wat verstaan dient te worden onder een immateriële portefeuille voor de
toepassing van lid 3; b) de criteria voor het bepalen of een intern model solide is en integer
wordt geïmplementeerd voor de toepassing van de leden 4 en 5. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 217
Eenvoudige benadering van financiële zekerheden 1.
De instellingen mogen de eenvoudige benadering van
financiële zekerheden slechts gebruiken wanneer zij de risicogewogen
uitzettingsbedragen volgens de standaardbenadering berekenen. Een kredietinstelling gebruikt niet zowel de
eenvoudige benadering van financiële zekerheden als de uitgebreide benadering
van financiële zekerheden, behalve voor de toepassing van artikel 143, lid 1,
en artikel 145, lid 1. De
instellingen gebruiken deze uitzondering niet selectief om lagere
eigenvermogensvereisten te bewerkstelligen of voor regelgevingsarbitrage. 2.
Volgens de eenvoudige benadering van financiële
zekerheden kennen de instellingen aan toelaatbare financiële zekerheden een
waarde toe die gelijk is aan de marktwaarde ervan zoals vastgesteld
overeenkomstig punt d) van artikel 202, lid 4. 3.
De instellingen kennen aan die gedeelten van de
uitzettingswaarden die door de marktwaarde van toelaatbare zekerheden zijn
gedekt het risicogewicht toe dat zij overeenkomstig hoofdstuk 2 zouden
toekennen wanneer de leningverstrekkende instelling een rechtstreekse
uitzetting op het zekerheidsinstrument had. Te dien einde is de uitzettingswaarde van een in de lijst van
bijlage I opgenomen post buiten de balanstelling gelijk aan 100% van de
waarde van de post in plaats van de in artikel 106, lid 1, vermelde
uitzettingswaarde. Het risicogewicht van het door zekerheden gedekte
gedeelte bedraagt ten minste 20%, behalve in de in de leden 4 tot en met 6
gespecificeerde gevallen. De
instellingen passen op het resterende gedeelte van de uitzettingswaarde het
risicogewicht toe dat zij overeenkomstig hoofdstuk 2 zouden toekennen aan een
niet-gedekte uitzetting op de tegenpartij. 4.
De instellingen kennen aan het door zekerheden
gedekte gedeelte van de uitzetting welke voortvloeit uit repo's en verstrekte
of opgenomen effectenleningen die voldoen aan de criteria in artikel 222 een
risicogewicht van 0 % toe. Wanneer de
tegenpartij bij de transactie geen kerndeelnemer aan de markt is, kennen de
instellingen een risicogewicht van 10 % toe. 5.
De instellingen kennen aan de overeenkomstig
hoofdstuk 6 vastgestelde uitzettingswaarden van de in bijlage II opgesomde
afgeleide instrumenten die dagelijks op marktwaarde worden gewaardeerd en die
gedekt worden door zekerheden in de vorm van contanten of door met contanten
gelijk te stellen instrumenten waarbij geen sprake is van een valutamismatch,
naargelang van de reikwijdte van de zekerheidsstelling, een risicogewicht van 0
% toe. De instellingen passen op de uitzettingswaarden
van transacties die gedekt worden door zekerheden in de vorm van door centrale
overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels waaraan overeenkomstig
hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend, naargelang van de
reikwijdte van de zekerheidsstelling, een risicogewicht van 10 % toe. 6.
Voor andere transacties dan die waarvan sprake in
de leden 4 en 5 mogen de instellingen een risicogewicht van 0 % toekennen
wanneer de uitzetting en de zekerheid in dezelfde valuta luiden en een van de
volgende voorwaarden is vervuld: a) de zekerheid is ofwel een termijndeposito of een met contanten gelijk
te stellen instrument; b) de zekerheid heeft de vorm van door centrale overheden of centrale
banken uitgegeven schuldtitels die overeenkomstig artikel 109 in aanmerking
komen voor een risicogewicht van 0 %, en de marktwaarde van deze zekerheid is
met 20 % verlaagd. 7.
Voor de toepassing van de leden 5 en 6 wordt onder
"schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken"
verstaan: a) schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de
uitzettingen op deze overheden overeenkomstig artikel 110 worden behandeld als
uitzettingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn; b) schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waaraan
overeenkomstig of krachtens artikel 112, lid 2, een risicogewicht van 0 % wordt
toegekend; c) schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waaraan
overeenkomstig artikel 113 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend. Artikel 218
Uitgebreide benadering van financiële zekerheden 1.
Om rekening te houden met prijsvolatiliteit passen
de instellingen bij de waardering van financiële zekerheden volgens de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden volatiliteitsaanpassingen op
de marktwaarde van zekerheden toe, zoals beschreven in de artikelen 219 tot en
met 222. Wanneer een zekerheid in een andere valuta luidt
dan die van de onderliggende uitzetting verrichten de instellingen naast de
volatiliteitsaanpassing die passend wordt geacht voor de desbetreffende
zekerheid een aanpassing voor valutavolatiliteit zoals beschreven in de
artikelen 219 tot en met 222. In het geval van transacties in otc-derivaten in
het kader van door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig hoofdstuk 6 in
aanmerking genomen verrekeningsovereenkomsten wordt een aanpassing voor
valutavolatiliteit verricht indien er sprake is van een mismatch tussen de
valuta van de zekerheid en de vereffeningsvaluta. Ook wanneer de transacties overeenkomstig de verrekeningsovereenkomst
in meerdere valuta's worden uitgevoerd, passen de instellingen één
volatiliteitsaanpassing toe. 2.
De instellingen berekenen de voor volatiliteit
gecorrigeerde waarde van de zekerheid (CVA) die zij in aanmerking
moeten nemen als volgt: waarbij: C = de waarde van de
zekerheid; HC = de
volatiliteitsaanpassing die voor de zekerheid passend wordt geacht, berekend
overeenkomstig de artikelen 219 en 222; Hfx = de
volatiliteitsaanpassing die voor de valutamismatch passend wordt geacht,
berekend overeenkomstig de artikelen 219 en 222. De instellingen gebruiken de formule in dit lid
bij de berekening van de voor volatiliteit aangepaste waarde van de zekerheid
voor alle transacties, met uitzondering van die welke vallen onder in
aanmerking genomen kaderverrekeningsovereenkomsten waarop de bepalingen van de
artikelen 215 en 216 van toepassing zijn. 3.
De instellingen berekenen de voor volatiliteit
gecorrigeerde waarde van de uitzetting (EVA) die zij in aanmerking
moeten nemen als volgt: waarbij: E = de
uitzettingswaarde zoals deze overeenkomstig, naargelang van het geval,
hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3, zou worden vastgesteld in de situatie waarin de
uitzetting niet door zekerheden was gedekt; HE = de
volatiliteitsaanpassing die voor de uitzetting passend wordt geacht, berekend
overeenkomstig de artikelen 219 en 222. Bij otc-derivatentransacties berekenen de
instellingen EVA als volgt: . 4.
Voor de berekening van E in lid 3 geldt het
volgende: a) voor instellingen die risicogewogen uitzettingsbedragen berekenen
volgens de standaardbenadering bedraagt de uitzettingswaarde van een in
bijlage I vermelde post buiten de balanstelling 100% van zijn waarde in
plaats van de in artikel 106, lid 1, vermelde uitzettingswaarde; b) instellingen die risicogewogen uitzettingsbedragen berekenen volgens de
interne-ratingbenadering berekenen de uitzettingswaarde van de in artikel 162,
leden 8 tot en met 10, opgenomen posten met gebruikmaking van een
omrekeningsfactor van 100 % in plaats van de in die leden vermelde
omrekeningsfactoren of percentages. 5.
De instellingen berekenen de volledig aangepaste
waarde van de uitzetting, waarin zowel de volatiliteit als het
risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking worden genomen, als
volgt: waarbij: CVAM = CVA,
aangepast voor een eventueel looptijdverschil overeenkomstig de bepalingen van
afdeling 5; E = de volledig
aangepaste uitzettingswaarde. 6.
De instellingen mogen de volatiliteitsaanpassingen
berekenen hetzij volgens de toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen waarvan sprake in artikel 219, hetzij volgens de
eigenramingenbenadering waarvan sprake in artikel 220. Een instelling mag voor de berekening van de
risicogewogen uitzettingsbedragen kiezen tussen de toezichthoudersbenadering
van volatiliteitsaanpassingen of de eigenramingenbenadering, ongeacht de keuze
die zij heeft gemaakt tussen de standaardbenadering en de
interne-ratingbenadering. In de situatie waarin een instelling evenwel
gebruik maakt van de eigenramingenbenadering, doet zij dit voor alle soorten
instrumenten, met uitzondering van immateriële portefeuilles, waarbij zij wel
gebruik mag maken van de toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen . 7.
Wanneer de zekerheid uit een aantal toelaatbare
posten bestaat, berekenen de instellingen de volatiliteitsaanpassing als volgt: waarbij: ai = de waarde van
een toelaatbare post i in verhouding tot de totale waarde van de zekerheid; Hi
= de
volatiliteitsaanpassing die op de toelaatbare post i van toepassing is. Artikel 219
De toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen in het kader van de uitgebreide benadering van
financiële zekerheden 1.
De volatiliteitsaanpassingen die op grond van de
toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen door de instellingen
moeten worden verricht, waarbij wordt uitgegaan van een dagelijkse
herwaardering, zijn in de tabellen 1 tot en met 4 van dit lid weergegeven. VOLATILITEITSAANPASSINGEN Tabel 1 Kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling van de schuldtitel is ondergebracht || Resterende looptijd || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, artikel 193, onder b) || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, artikel 193, onder c) en d) || Volatiliteitsaanpassingen voor securitisatieposities die voldoen aan de criteria in deel 1, artikel 193, onder h) || || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) 1 || ≤ 1 jaar || 0,707 || 0,5 || 0,354 || 1,414 || 1 || 0,707 || 2,829 || 2 || 1,414 || > 1 ≤ 5 jaar || 2,828 || 2 || 1,414 || 5,657 || 4 || 2,828 || 11,314 || 8 || 5,657 || > 5 jaar || 5,657 || 4 || 2,828 || 11,314 || 8 || 5,657 || 22,628 || 16 || 11,313 2-3 || ≤ 1 jaar || 1,414 || 1 || 0,707 || 2,828 || 2 || 1,414 || 5,657 || 4 || 2,828 || > 1 ≤ 5 jaar || 4,243 || 3 || 2,121 || 8,485 || 6 || 4,243 || 16,971 || 12 || 8,485 || > 5 jaar || 8,485 || 6 || 4,243 || 16,971 || 12 || 8,485 || 33,942 || 24 || 16,970 4 || ≤ 1 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt || > 1 ≤ 5 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt || > 5 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt || nvt Tabel 2 Kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling van een kortlopende schuldtitel is ondergebracht || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, artikel 193, onder b), met kredietbeoordelingen voor de korte termijn || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, artikel 193, onder c) en d), met kredietbeoordelingen voor de korte termijn || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) 1 || 0,707 || 0,5 || 0,354 || 1,414 || 1 || 0,707 2-3 || 1,414 || 1 || 0,707 || 2,828 || 2 || 1,414 Tabel 3 Andere soorten zekerheden of uitzettingen || liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) In een hoofdindex opgenomen aandelen en converteerbare obligaties || 21,213 || 15 || 10,607 Andere aan een erkende beurs genoteerde aandelen of converteerbare obligaties || 35,355 || 25 || 17,678 Contanten || 0 || 0 || 0 Goud || 21,213 || 15 || 10,607 Tabel 4 Volatiliteitsaanpassing voor valutamismatch liquidatieperiode van 20 dagen ( %) || liquidatieperiode van 10 dagen ( %) || liquidatieperiode van 5 dagen ( %) 11,314 || 8 || 5,657 2.
De berekening van de volatiliteitsaanpassingen
overeenkomstig lid 1 is onderworpen aan de volgende voorwaarden: a) voor gedekte leningstransacties geldt een liquidatieperiode van 20
werkdagen; b) voor repo's, behalve indien deze betrekking hebben op de overdracht van
grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen, en
verstrekte of opgenomen effectenleningen geldt een liquidatieperiode van 5 werkdagen; c) voor andere kapitaalmarktgerelateerde transacties geldt een
liquidatieperiode van 10 werkdagen. Wanneer een instelling beschikt over een
transactie of een samenstel van verrekenbare transacties waarvoor voldaan wordt
aan de criteria van artikel 279, leden 2 en 3, wordt de
minimumaanhoudingsperiode in overeenstemming gebracht met de margerisicoperiode
die van toepassing zou zijn overeenkomstig die leden. 3.
In de tabellen 1 tot en met 4 van lid 1 en in de
leden 4 tot en met 6 wordt onder de kredietkwaliteitscategorie waarin een
kredietbeoordeling van een schuldtitel is ondergebracht, de
kredietkwaliteitscategorie verstaan waarin de kredietbeoordeling volgens de EBA
overeenkomstig hoofdstuk 2 moet worden ondergebracht. Voor het bepalen van de kredietkwaliteitscategorie
waarin een kredietbeoordeling van een schuldtitel is ondergebracht waarvan
sprake in de eerste alinea is artikel 193, lid 7, eveneens van toepassing. 4.
Op niet-toelaatbare effecten of grondstoffen die in
het kader van repo's zijn uitgeleend of verkocht en op verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen wordt dezelfde volatiliteitsaanpassing
toegepast als op aandelen die aan een erkende beurs zijn genoteerd maar die
niet in de hoofdindex zijn opgenomen. 5.
Op toelaatbare rechten van deelneming in
instellingen voor collectieve belegging is de gewogen gemiddelde
volatiliteitsaanpassing van toepassing die, gelet op de in lid 2 genoemde
liquidatieperiode van de transactie, van toepassing zou zijn op activa waarin
het fonds heeft belegd. Wanneer de activa waarin het fonds heeft belegd,
niet bekend zijn bij de instelling, is de volatiliteitsaanpassing die van
toepassing is, de hoogste volatiliteitsaanpassing die van toepassing zou zijn
op de activa waarin het fonds mag beleggen. 6.
Op door instellingen uitgegeven schuldtitels zonder
externe rating die voldoen aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 193, lid
4, zijn dezelfde volatiliteitsaanpassingen van toepassing als die welke van
toepassing zijn op door instellingen of ondernemingen uitgegeven effecten
waarvan de externe kredietbeoordeling in kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is
ondergebracht. Artikel 220
Volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen in
het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden 1.
De bevoegde autoriteiten staan de instellingen toe
voor de berekening van de op zekerheden en uitzettingen toe te passen
volatiliteitsaanpassingen gebruik te maken van eigen volatiliteitsramingen wanneer
die instellingen aan de vereisten van de leden 2 en 3 voldoen. Instellingen die toestemming hebben gekregen voor
het gebruik van eigen volatiliteitsramingen vallen niet terug op andere
methoden, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde
autoriteiten daarmee akkoord gaan. Wanneer schuldtitels door een erkende EKBI van
goede kwaliteit ("investment grade" of hoger) worden geacht, mogen de
instellingen voor elke categorie effecten een volatiliteitsraming maken. Voor schuldtitels die door een erkende EKBI van
minder goede kwaliteit worden geacht („below investment grade”) en voor andere
toelaatbare zekerheden berekenen de instellingen de volatiliteitsaanpassingen
voor elke post afzonderlijk. Instellingen die gebruik maken van de benadering
op basis van eigen ramingen ramen de volatiliteit van de zekerheid of de
valutamismatch zonder rekening te houden met correlaties tussen de niet-gedekte
uitzetting, de zekerheden of de wisselkoers. Bij de vaststelling van de relevante categorieën
houden de instellingen rekening met de instelling die de effecten uitgeeft,
evenals met de externe kredietbeoordeling, de resterende looptijd en de
gewijzigde looptijd van de effecten. Volatiliteitsramingen
zijn representatief voor de effecten die door de instelling bij een bepaalde
categorie zijn ingedeeld. 2.
De berekening van de volatiliteitsaanpassingen is
onderworpen aan alle volgende criteria: a) de instellingen baseren de berekening op een eenzijdig
betrouwbaarheidsinterval van 99 %; b) de instellingen baseren de berekening op de volgende
liquidatieperioden: i) 20 werkdagen voor gedekte
leningstransacties; ii) 5 werkdagen voor repo's, behalve indien
deze betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gegarandeerde
rechten inzake de eigendom van grondstoffen, en verstrekte of opgenomen
effectenleningen; iii) 10 werkdagen voor andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties; c) de instellingen kunnen de volatiliteitsaanpassingscijfers die zij voor
kortere of langere liquidatieperioden hebben berekend, ‘converteren’ naar de
liquidatieperiode als bedoeld in punt b voor de desbetreffende soort transactie
op basis van de wortel/tijd-formule: waarbij: TM = de relevante liquidatieperiode; HM = de volatiliteitsaanpassing op basis van de
liquidatieperiode TM; HN = de volatiliteitsaanpassing op basis van de
liquidatieperiode TN; d) de instellingen houden rekening met de illiquiditeit van activa van
minder goede kwaliteit. Zij stellen
de liquidatieperiode naar boven bij indien er twijfels bestaan over de
liquiditeit van de zekerheid. Verder
gaan zij na of historische gegevens wellicht de potentiële volatiliteit
onderschatten. Deze gevallen moeten
aan een stress-scenario worden onderworpen; e) de lengte van de historische waarnemingsperiode die de instellingen
gebruiken voor het berekenen van volatiliteitsaanpassingen bedraagt ten minste
één jaar. Voor instellingen die
gebruik maken van weging of andere methoden in plaats van de historische
waarnemingsperiode, bedraagt de feitelijke waarnemingsperiode ten minste één
jaar. De bevoegde autoriteiten kunnen
tevens verlangen dat een instelling bij de berekening van haar
volatiliteitsaanpassingen een kortere waarnemingsperiode hanteert wanneer zij
van mening zijn dat dit op grond van een significante toename van de
prijsvolatiliteit gerechtvaardigd is; f) de instellingen actualiseren hun gegevensbestanden en berekenen de
volatiliteitsaanpassingen ten minste eens per drie maanden. Zij herbeoordelen hun gegevensbestanden eveneens
telkens wanneer de marktprijzen materiële wijzigingen ondergaan. 3.
Bij de raming van volatiliteitsaanpassingen wordt
aan alle volgende kwalitatieve criteria voldaan: a) een instelling gebruikt de volatiliteitsramingen in het dagelijkse
risicomanagement, ook met betrekking tot haar interne positielimieten; b) wanneer de liquidatieperiode die door de instelling bij haar dagelijkse
risicomanagement wordt toegepast langer is dan die welke in deze afdeling voor
het desbetreffende soort transactie wordt aangegeven, verhoogt die instelling
haar volatiliteitsaanpassingen op basis van de wortel/tijd-formule als bedoeld
in punt c) van lid 2; c) bij de instelling zijn vaste procedures in gebruik voor de monitoring
en handhaving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne gedragslijnen en
controlevoorschriften inzake de werking van het door haar toegepaste systeem
voor de raming van volatiliteitsaanpassingen en voor de integratie van deze
ramingen in het risicomanagement van de instelling; d) in het kader van de eigen internecontroleprocedure van de instelling
wordt periodiek een onafhankelijke evaluatie uitgevoerd van het door de
instelling toegepaste systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen. Ten minste eenmaal per jaar voert de instelling
een evaluatie uit van het algehele systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen
en voor de integratie van deze aanpassingen in haar risicomanagementprocedure. Deze evaluatie betreft ten minste het volgende: i) de integratie van de geraamde volatiliteitsaanpassingen in het
dagelijkse risicomanagement; ii) de validering van alle significante wijzigingen in de voor de raming
van de volatiliteitsaanpassingen gevolgde procedure; iii) de verificatie van de consistentie, actualiteit en betrouwbaarheid van
de gegevensbronnen die in het kader van het systeem voor de raming van
volatiliteitsaanpassingen gebruikt worden, alsmede van de onafhankelijkheid van
deze gegevensbronnen; iv) de accuraatheid en juistheid van de aannames over volatiliteit. Artikel 221
Verhoging van volatiliteitsaanpassingen in het kader van
de uitgebreide benadering van financiële zekerheden De volatiliteitsaanpassingen als bedoeld in
artikel 219 worden door een instelling toegepast in geval van dagelijkse
herwaardering. Evenzo worden
volatiliteitsaanpassingen die door een instelling overeenkomstig artikel 220
met gebruikmaking van eigen ramingen worden berekend, in eerste instantie
berekend op basis van dagelijkse herwaardering. Wanneer de herwaardering op minder frequente basis dan eenmaal per dag
geschiedt, passen de instellingen grotere volatiliteitsaanpassingen toe. Zij worden door de instellingen berekend door de
volatiliteitsaanpassingen bij dagelijkse herwaardering te verhogen op basis van
de volgende wortel/tijd-formule: waarbij: H = de toe te passen volatiliteitsaanpassing; HM = de volatiliteitsaanpassing bij dagelijkse herwaardering; NR = het feitelijke aantal werkdagen tussen twee herwaarderingen; TM = de liquidatieperiode voor het
desbetreffende soort transactie. Artikel 222
Voorwaarden voor de toepassing van een
volatiliteitsaanpassing van 0 % in het kader van de uitgebreide benadering van
financiële zekerheden 1.
Met betrekking tot repo's en verstrekte of
opgenomen effectenleningen kunnen instellingen die gebruik maken van de
toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig artikel
219 of van de eigenramingenbenadering overeenkomstig artikel 220, mits aan de
onder a) tot en met h) van lid 2 bedoelde voorwaarden is voldaan, in plaats van
de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig de artikelen 219 tot en met 221 te
berekenen, een volatiliteitsaanpassing van 0 % toepassen. Instellingen die de in artikel 216 beschreven internemodellenbenadering
gebruiken, maken geen gebruik van de behandeling van dit artikel. 2.
De instellingen mogen een volatiliteitsaanpassing
van 0 % toepassen wanneer alle volgende voorwaarden zijn vervuld: a) zowel de uitzetting als de zekerheid neemt de vorm aan van contanten of
schuldtitels, uitgegeven door centrale overheden of centrale banken in de zin
van artikel 193, lid 1, onder b), en komen in aanmerking voor een risicogewicht
van 0 % overeenkomstig hoofdstuk 2; b) zowel de uitzetting als de zekerheid luiden in dezelfde valuta; c) de looptijd van de transactie bedraagt niet meer dan één dag, of zowel
de uitzetting als de zekerheid worden dagelijks op marktwaarde gewaardeerd of
zijn het voorwerp van dagelijkse margebijstortingen; d) de tijd die verstrijkt tussen de laatste waardering op marktwaarde vóór
het uitblijven van deponering van extra marge door de tegenpartij en de
liquidatie van de zekerheid beloopt ten hoogste vier werkdagen; e) de transactie wordt afgewikkeld via een afwikkelingssysteem dat voor
dat soort transacties betrouwbaar is gebleken; f) de documentatie met betrekking tot de overeenkomst of de transactie is
de standaard-marktdocumentatie voor repo's of voor het verstrekken of opnemen
van leningen in de desbetreffende effecten; g) op de transactie is documentatie van toepassing waarin wordt bepaald
dat wanneer de tegenpartij verzuimt om te voldoen aan de verplichting om
contanten of effecten over te dragen of om marge te deponeren of anderszins in
gebreke blijft, de transactie onmiddellijk opzegbaar is; h) de tegenpartij wordt door de bevoegde autoriteiten als kerndeelnemer
aan de markt beschouwd. 3.
Kernmarktdeelnemers waarvan sprake in punt h) van
lid 2 zijn onder meer de volgende entiteiten: a) entiteiten als bedoeld in artikel 193, lid 1, onder b), aan de
uitzettingen waarop een risicogewicht van 0 % wordt toegekend overeenkomstig
hoofdstuk 2; b) instellingen; c) andere financiële ondernemingen, met inbegrip van
verzekeringsondernemingen, aan de uitzettingen waarop volgens de
standaardbenadering een risicogewicht van 20 % wordt toegekend of die, indien
zij instellingen zijn die risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte
verliesposten volgens de interne-ratingbenadering berekenen, niet over een
kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikken en over een interne rating
beschikken op grond waarvan de PD gelijk is aan die welke in het kader van de
kredietbeoordelingen van EKBI's volgens de EBA moet worden ondergebracht in
kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger conform de voorschriften inzake de
risicoweging van uitzettingen op ondernemingen overeenkomstig hoofdstuk 2; d) gereguleerde instellingen voor collectieve belegging die aan
kapitaalvereisten of vereisten inzake de verhouding eigen/vreemd vermogen zijn
onderworpen; e) gereguleerde pensioenfondsen; f) erkende clearinginstellingen. Artikel 223
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten volgens de uitgebreide benadering van financiële
zekerheden 1.
Volgens de standaardbenadering gebruiken de
instellingen E*, als berekend overeenkomstig artikel 218,
lid 5, als uitzettingswaarde voor de toepassing van artikel 108. In het geval van in de lijst in bijlage I
opgenomen posten buiten de balanstelling, gebruiken de instellingen E* als
waarde waarop de in artikel 106, lid 1, vermelde percentages worden
toegepast om tot de uitzettingswaarde te komen. 2.
Bij de interne-ratingbenadering gebruiken de
instellingen het effectieve LGD (LGD*) als LGD voor de toepassing
van hoofdstuk 3. De instellingen
berekenen LGD* als volgt: waarbij: LGD = het LGD dat
overeenkomstig hoofdstuk 3 op de uitzetting van toepassing zou zijn wanneer de
uitzetting niet door zekerheid was gedekt; E = de uitzettingswaarde
als beschreven in artikel 29, lid 2; E* = de volledig
aangepaste uitzettingswaarde als berekend overeenkomstig artikel 29, lid 2. Artikel 224
Waarderingsbeginselen voor andere toelaatbare zekerheden
volgens de interne-ratingbenadering 1.
Zekerheden in de vorm van onroerend goed worden
door een onafhankelijke schatter gewaardeerd tegen of onder de marktwaarde. Een instelling vereist dat de onafhankelijke
schatter de marktwaarde op doorzichtige en heldere wijze documenteert. In lidstaten die in hun wettelijke of
bestuursrechtelijke bepalingen strenge criteria voor de berekening van de
hypotheekwaarde hebben vastgesteld, mag het goed echter door een onafhankelijke
schatter worden gewaardeerd tegen of onder de hypotheekwaarde. De onafhankelijke schatter verrekent geen
speculatieve factoren in de hypotheekwaarde en documenteert die waarde op
doorzichtige en heldere wijze. De waarde van de zekerheid is de marktwaarde of de
hypotheekwaarde, zo nodig verlaagd naargelang van de resultaten van de overeenkomstig
artikel 203, lid 3, vereiste controle en om rekening te houden met
alle eerdere aanspraken op het goed. 2.
De waarde van kortlopende vorderingen is het te
ontvangen bedrag. 3.
De instellingen waarderen andere fysieke zekerheid
dan zekerheid in de vorm van onroerend goed op marktwaarde, die zij berekenen
als het geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de taxatie door een
willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een
willige en onafhankelijke koper. Artikel 225
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten voor andere toelaatbare zekerheden volgens de
interne-ratingbenadering 1.
De instellingen maken gebruik van LGD*,
berekend overeenkomstig dit lid en lid 2 als LGD voor de toepassing van hoofdstuk
3. Wanneer de ratio van de waarde van de zekerheid
ten opzichte van de uitzettingswaarde lager is dan het vereiste minimumniveau
van zekerheidsstelling van de post (C*) als bedoeld in tabel 5, dan
is LGD* de in hoofdstuk 3 bedoelde LGD voor niet door zekerheden gedekte
uitzettingen op de tegenpartij. Te
dien einde berekenen de instellingen de uitzettingswaarde van de in artikel 162,
leden 8 tot 10, vermelde posten met gebruikmaking van een omrekeningsfactor of
percentage van 100% in plaats van in die leden vermelde omrekeningsfactoren of
percentages. Wanneer de ratio van de waarde van de zekerheid
ten opzichte van de uitzettingswaarde hoger is dan een tweede, hogere
drempelwaarde van C**als vermeld in tabel 5, dan is LGD*
de in tabel 5 weergegeven LGD. In dit verband geldt dat wanneer het vereiste
niveau van zekerheidsstelling C** niet wordt bereikt ten aanzien van
de uitzetting als geheel, de instellingen de uitzetting als twee uitzettingen
moeten beschouwen — één uitzetting die overeenstemt met het gedeelte waarvoor
het vereiste niveau van zekerheidsstelling C** is bereikt en één
uitzetting die met het resterende gedeelte overeenstemt. 2.
In tabel 5 van dit lid worden de toepasselijke LGD*
en de vereiste niveaus van zekerheidsstelling voor de gedekte gedeelten van de
uitzettingen weergegeven. Tabel 5 Minimum LGD voor het gedekte gedeelte van de uitzettingen || LGD* voor niet-achtergestelde schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen || LGD* voor achtergestelde schuld-vorderingen of voorwaardelijke vorderingen || Vereist minimumniveau van de zekerheids-stelling van de uitzetting (C*) || Vereist minimumniveau van de zekerheids-stelling van de uitzetting (C**) Kortlopende vorderingen || 35 % || 65 % || 0 % || 125 % Niet-zakelijk/zakelijk onroerend goed || 35 % || 65 % || 30 % || 140 % Overige zekerheden || 40 % || 70 % || 30 % || 140 % 3.
Als alternatief voor de behandeling in de leden 1
en 2, en behoudens artikel 119, lid 2, mogen de instellingen, wanneer alle
voorwaarden in artikel 195, lid 6, zijn vervuld, een risicogewicht van 50%
toekennen aan het gedeelte van de uitzetting dat, binnen de grenzen van de
artikelen 120, lid 2, onder d) repectievelijk 121, lid 2), onder d), volledig
gedekt is door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed dat gelegen is binnen
het grondgebied van een lidstaat. Artikel 226
De berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten bij gemengde pools van zekerheden 1.
Een instelling berekent de waarde van LGD*
die zij gebruikt als LGD voor de toepassing van hoofdstuk 3 overeenkomstig de
leden 2 en 3 wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: a) de instelling gebruikt de interne-ratingbenadering om de risicogewogen
uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten te berekenen; b) een uitzetting wordt zowel door financiële zekerheden als door andere
toelaatbare zekerheden gedekt. 2.
De instelling wordt verplicht de voor volatiliteit
gecorrigeerde waarde van de uitzetting, verkregen door de
volatiliteitsaanpassing als beschreven in artikel 218, lid 5, op de waarde van
de uitzetting toe te passen, op te splitsen in gedeelten om, al naar het geval,
een gedeelte te verkrijgen dat gedekt wordt door toelaatbare financiële
zekerheden, een gedeelte dat gedekt wordt door kortlopende vorderingen, een
gedeelte dat gedekt wordt door zekerheid in de vorm van zakelijk onroerend goed
of zekerheid in de vorm van niet-zakelijk roerend goed, een gedeelte dat gedekt
wordt door andere toelaatbare zekerheden, en het ongedekte gedeelte. 3.
De instellingen berekenen LGD* voor elk
gedeelte van de uitzetting verkregen overeenkomstig lid 2 afzonderlijk
overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 227
Overige gedekte kredietprotectie 1.
Wanneer de voorwaarden van artikel 207, lid 1, zijn
vervuld, mogen deposito's bij derde instellingen als een garantie van de derde
instelling worden behandeld. 2.
Wanneer de voorwaarden van artikel 207, lid 2, zijn
vervuld, onderwerpen de instellingen het deel van de uitzetting dat door
zekerheid in de vorm van de actuele afkoopwaarde van aan de leningverstrekkende
instelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten wordt gedekt, aan
de volgende behandeling: a) wanneer de uitzetting is onderworpen aan de standaardmethode, worden
daaraan risicogewichten toegekend met behulp van de risicogewichten van lid 3; b) wanneer de uitzetting onderworpen is aan de interne-ratingbenadering,
maar niet onderworpen is aan de eigen LGD-ramingen van de instelling, wordt er
een LGD van 40 % aan toegekend. In geval van een valutamismatch verminderen de
instellingen de actuele afkoopwaarde overeenkomstig artikel 228, lid 3,
waarbij de waarde van de kredietprotectie de actuele afkoopwaarde van de
levensverzekeringsovereenkomst is. 3.
Voor de toepassing van punt a) van lid 2
kennen de instellingen de volgende risicogewichten toe, waarbij wordt uitgegaan
van het risicogewicht dat wordt toegekend aan een preferente niet-gedekte
uitzetting op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten: a) een risicogewicht van 20 % wanneer aan een preferente niet-gedekte
uitzetting op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een
risicogewicht van 20 % wordt toegekend; b) een risicogewicht van 35 % wanneer aan een preferente niet-gedekte
uitzetting op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een
risicogewicht van 50 % wordt toegekend; c) een risicogewicht van 70 % wanneer aan een preferente niet-gedekte
uitzetting op de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, een
risicogewicht van 100 % wordt toegekend; d) een risicogewicht van 150 % wanneer aan een preferente
niet-gedekte uitzetting op de onderneming waarbij de levensverzekering is
gesloten, een risicogewicht van 150 % wordt toegekend. 4.
De instelling mag op verzoek teruggekochte
instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 196, punt c), als een
garantie van de uitgevende instelling behandelen. De waarde van de toelaatbare kredietprotectie is als volgt: a) wanneer het instrument wordt teruggekocht tegen de nominale waarde, is
de waarde van de protectie gelijk aan dat bedrag; b) wanneer het instrument wordt teruggekocht tegen de marktprijs, is de
waarde van de protectie gelijk aan de waarde van het instrument; deze waarde
wordt op dezelfde wijze vastgesteld als die van de schuldtitels zoals
gespecificeerd in artikel 193, lid 4. Onderafdeling 2
Ongedekte
kredietprotectie Artikel 228
Waardering 1.
Voor de berekening van de effecten van ongedekte
kredietprotectie overeenkomstig deze onderafdeling is de waarde van de ongedekte
kredietprotectie (G) het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen
betalen in geval van wanbetaling door de kredietnemer of bij andere specifieke
kredietgebeurtenissen. 2.
Indien de in het kader van een kredietderivaat
gespecificeerde kredietgebeurtenissen geen herstructurering van de
onderliggende verplichting omvatten die een kwijtschelding of uitstel van
betaling op de hoofdsom, de rente of provisies behelst welke resulteert in een
verlies op de uitstaande vorderingen is het volgende van toepassing: a) wanneer het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen
betalen niet hoger is dan de uitzettingswaarde, verminderen de instellingen de
waarde van de kredietprotectie als berekend op de in lid 1 beschreven wijze,
met 40 %; b) wanneer het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen
betalen hoger is dan de uitzettingswaarde van de, is de waarde van de
kredietprotectie niet hoger dan 60 % van de uitzettingswaarde. 3.
Wanneer de ongedekte kredietprotectie in een andere
valuta luidt dan die van de uitzetting, dan verminderen de instellingen de
waarde van de kredietprotectie door de toepassing van een
volatiliteitsaanpassing en wel als volgt: waarbij: G* = het bedrag van de
kredietprotectie, gecorrigeerd voor een eventueel valutarisico, G
= het
nominale bedrag van de kredietprotectie; Hfx
= de
volatiliteitsaanpassing voor elke valutamismatch tussen de kredietprotectie en
de onderliggende verplichting bepaald overeenkomstig lid 4. Wanneer er geen valutamismatch is, dan is Hfx
gelijk aan nul. 4.
De instellingen baseren de
volatiliteitsaanpassingen voor elke valutamismatch op een liquidatieperiode van
10 werkdagen, waarbij wordt uitgegaan van een dagelijkse herwaardering, en
mogen deze berekenen op basis van de toezichthoudersbenadering van
volatiliteitsaanpassingen of de eigenramingenbenadering zoals beschreven in
artikel 219 respectievelijk artikel 220. De instellingen verhogen de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig
artikel 221. Artikel 229
De berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten bij gedeeltelijke protectie en onderverdeling in
tranches Wanneer een instelling een deel van het risico
van een lening in één of meer tranches onderverdeelt, zijn de in hoofdstuk 5
vastgestelde bepalingen van toepassing. Materialiteitsdrempels inzake betalingen bij overschrijding waarvan in
geval van verlies geen betaling wordt verricht, mogen door de instellingen als
gelijkwaardig met aangehouden eerste-verliesposities worden beschouwd en mogen
worden geacht aanleiding te geven tot een risico-overdracht in tranches. Artikel 230
De berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen
volgens de standaardbenadering 1.
Voor de toepassing van artikel 108, lid 3,
berekenen de instellingen de risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig
de volgende formule: waarbij: E = de
uitzettingswaarde als bedoeld in artikel 106; te dien einde is de uitzettingswaarde van een in bijlage I
vermelde post buiten de balanstelling 100% van zijn waarde in plaats van de in
artikel 106, lid 1, vermelde uitzettingswaarde; GA = het bedrag aan
kredietrisicobescherming als berekend overeenkomstig artikel 228, lid 3,
(G*) en nader gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil als beschreven
in afdeling 5; r = het
risicogewicht van uitzettingen op de debiteur als aangegeven in hoofdstuk 2; g = het
risicogewicht van uitzettingen op de debiteur als aangegeven in hoofdstuk 2. 2.
Wanneer het bedrag van de protectie (GA)
lager is dan de waarde van de uitzetting (E) mogen de instellingen de in lid 1
vermelde formule slechts toepassen wanneer de gedekte en ongedekte delen van de
post dezelfde rangorde hebben. 3.
De instellingen kunnen de in artikel 109, leden 4
en 5, beschreven behandeling uitbreiden tot uitzettingen of delen van
uitzettingen die door de centrale overheid of de centrale bank zijn
gegarandeerd, wanneer de garantie in de nationale valuta van de leningnemer
luidt en de uitzetting in die valuta is gefinancierd. Artikel 231
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen en
verwachte verliesposten volgens de interne-ratingbenadering 1.
Ten aanzien van het gedekte gedeelte van de de
uitzettingswaarde (E), op basis van de gecorrigeerde waarde van de
kredietprotectie GA, kan de voor de toepassing van afdeling 3 van
hoofdstuk 3 te ramen PD de PD van de protectiegever zijn, of een PD tussen die
van de leningnemer en die van de garantiegever in wanneer volledige vervanging
niet gerechtvaardigd wordt geacht. In
het geval van achtergestelde uitzettingen en niet-achtergestelde, ongedekte
protectie mag door de instellingen voor de toepassing van afdeling 3 van
hoofdstuk 3 de LGD worden gebruikt die van toepassing is op niet-achtergestelde
schuldvorderingen. 2.
Voor een eventueel ongedekt gedeelte van de
uitzettingswaarde (E) is de PD die van de leningnemer en is de LGD die van de
onderliggende uitzetting. 3.
GA is de waarde van G* als
berekend overeenkomstig punt 228, lid 3, nader gecorrigeerd voor een
eventueel looptijdverschil als beschreven in afdeling 5. E is de uitzettingswaarde als bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk 3. Te dien einde berekenen de instellingen de
uitzettingswaarde van de in artikel 162, leden 8 tot 10, vermelde posten met
gebruikmaking van een omrekeningsfactor of een percentage van 100% in plaats
van in die punten vermelde omrekeningsfactoren of percentages. Afdeling 5
Looptijdverschil Artikel 232
Looptijdverschil 1.
In het kader van de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen doet zich een looptijdverschil voor wanneer de resterende
looptijd van de kredietprotectie korter is dan die van de gedekte uitzetting. Wanneer protectie een resterende looptijd van
minder dan drie maanden heeft en de looptijd van de protectie korter is dan de
looptijd van de onderliggende uitzetting, kwalificeert die protectie niet als
toelaatbare kredietprotectie. 2.
Wanneer er een looptijdverschil is, kwalificeert de
kredietprotectie niet als toelaatbaar wanneer een van de volgende voorwaarden
is vervuld: a) de oorspronkelijke looptijd van de protectie bedraagt minder dan één
jaar; b) de uitzetting is een door de bevoegde autoriteiten gespecificeerde
kortlopende uitzetting waarvan de looptijd (M) ten minste gelijk is aan een dag
veeleer dan aan een jaar overeenkomstig bijlage artikel 158, lid 3. Artikel 233
Looptijd van kredietprotectie 1.
De effectieve looptijd van de onderliggende
vordering is de langst mogelijke periode die de debiteur mag wachten om zijn
contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij een maximum geldt van
vijf jaar. Behoudens lid 2 is de
looptijd van de kredietprotectie de periode tot de vroegste datum waarop de
protectie kan aflopen of kan worden beëindigd. 2.
Wanneer de protectiegever over de mogelijkheid
beschikt om de protectie te beëindigen, wordt de looptijd van de protectie door
de instellingen beschouwd als de periode tot de vroegste datum waarop van die
mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Wanneer de protectienemer over de mogelijkheid beschikt om de protectie
te beëindigen en de voorwaarden van de overeenkomst die aan de protectie ten
grondslag ligt een positieve prikkel voor de instelling bevatten om de
transactie vóór de vervaldatum van de overeenkomst af te handelen, wordt door
een instelling als looptijd van de protectie de periode beschouwd tot de
vroegste datum waarop van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt; is dit niet het geval, dan kan door de instelling
worden aangenomen dat een dergelijke mogelijkheid niet van invloed is op de
looptijd van de protectie. 3.
Wanneer protectie in de vorm van een
kredietderivaat kan worden beëindigd vóór het verstrijken van enige
respijtperiode, waarbij het verstrijken van die respijtperiode een vereiste is
voor het optreden van een wanbetaling als gevolg van niet-betaling, wordt de
looptijd van de protectie door de instellingen verminderd met de
respijtperiode. Artikel 234
Waardering van de protectie 1.
Voor transacties die onderworpen zijn aan gedekte
kredietprotectie volgens de eenvoudige benadering van financiële zekerheden,
kwalificeert de zekerheid, wanneer er een verschil is tussen de looptijd van de
uitzetting en de looptijd van de protectie, niet als toelaatbare gedekte
kredietprotectie. 2.
Voor transacties die onderworpen zijn aan gedekte
kredietprotectie volgens de uitgebreide benadering van financiële zekerheden
geven de instellingen de looptijd van de kredietprotectie en die van de
uitzetting in de aangepaste waarde van de zekerheid weer overeenkomstig de
volgende formule: waarbij: CVA = de voor
volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid zoals gespecificeerd in
artikel 218, lid 2, dan wel het bedrag van de uitzetting, naargelang
welke van beide het laagst is; t = het aantal
resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend
overeenkomstig artikel 233, dan wel de waarde van T, naargelang welke van
beide het laagst is; T = het aantal
resterende jaren tot de vervaldatum van de uitzetting, berekend overeenkomstig
artikel 233, dan wel 5 jaar, naargelang welke van beide het laagst is; t* = 0,25. De instellingen gebruiken CVAM als CVA,
gecorrigeerd voor looptijdverschil, in de formule voor de berekening van de
volledig aangepaste waarde van de uitzetting (E*) als bedoeld in
artikel 218, lid 5. 3.
Voor transacties die aan ongedekte kredietprotectie
onderworpen zijn, geven de instellingen de looptijd van de kredietprotectie en
die van de uitzetting in de aangepaste waarde van de kredietprotectie weer
overeenkomstig de volgende formule: waarbij: G*
= het
bedrag van de protectie, gecorrigeerd voor enige valutamismatch; GA
= G*,
gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil; t
= het aantal
resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend
overeenkomstig artikel 233, dan wel de waarde van T, naargelang welke van
beide het laagst is; T
= het
aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de uitzetting, berekend
overeenkomstig artikel 233, dan wel 5 jaar, naargelang welke van beide het
laagst is; t* = 0,25. De instellingen gebruiken GA als de
waarde van de protectie voor de toepassing van de artikelen 228 tot en met 231. Afdeling 6
Basket-technieken
inzake kredietrisicolimitering Artikel 235
Kredietderivaten voor de eerst optredende wanbetaling Wanneer een instelling voor een aantal
uitzettingen kredietprotectie verkrijgt onder de voorwaarde dat de eerst
optredende wanbetaling aanleiding geeft tot betaling en dat deze
kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, mag de
instelling de berekening van het risicogewogen uitzettingsbedrag en, in
voorkomend geval, van het verwachte verlies van de post die bij ontbreken van
de kredietprotectie het laagste van de twee volgende bedragen oplevert
overeenkomstig dit hoofdstuk wijzigen, maar uitsluitend wanneer de
uitzettingswaarde lager is dan of gelijk is aan de waarde van de
kredietprotectie: a) risicogewogen post volgens de standaardbenadering; b) risicogewogen post volgens de interne-ratingbenadering vermeerderd met 12,5
maal de verwachte verliespost. Artikel 236
Kredietderivaten voor de n-de wanbetaling In het geval waarin de n-de wanbetaling
overeenkomstig de kredietprotectie aanleiding geeft tot betaling, mag de
instelling die de protectie koopt deze slechts voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen en, in voorkomend geval, van verwachte
verliesposten in aanmerking nemen wanneer tevens protectie is verkregen voor
wanbetaling 1 tot en met n-1, of wanneer zich reeds n-1 wanbetalingen hebben
voorgedaan. In dergelijke gevallen
mag de instelling de berekening wijzigen van het risicogewogen
uitzettingsbedrag en, in voorkomend geval, van het verwachte verlies van de
post die bij ontbreken van de kredietprotectie het n-de laagste bedrag oplevert
van de twee bedragen waarvan sprake in de punten a) en b) in artikel 235. Alle uitzettingen in de basket voldoen aan de
vereisten van artikel 199, lid 2, en 211, lid 1, onder d). Hoofdstuk 5
Securitisatie Afdeling 1
Definities Artikel 237
Definities Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de
volgende definities: (1)
'overgebleven rentemarge':
financieringsvergoedingen en andere vergoedingen die met betrekking tot
gesecuritiseerde uitzettingen zijn ontvangen minus kosten en uitgaven; (2)
'opschoon-calloptie': een contractuele optie die de
initiator het recht geeft de securitisatieposities terug te kopen of af te
lossen voordat alle onderliggende uitzettingen zijn terugbetaald, wanneer het
bedrag van de uitstaande uitzettingen beneden een bepaald niveau daalt; (3)
'liquiditeitsfaciliteit': een securitisatiepositie
die voortvloeit uit een contractueel vastgelegde afspraak om middelen ter
beschikking te stellen ten einde de continuïteit van de kasstroom ten behoeve
van de beleggers te waarborgen; (4)
‘KIRB’: 8 % van de risicogewogen
uitzettingsbedragen die overeenkomstig hoofdstuk 3 met betrekking tot de gesecuritiseerde
uitzettingen zouden zijn berekend indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn,
vermeerderd met het bedrag van de overeenkomstig dat hoofdstuk berekende
verwachte verliesposten die met deze uitzettingen verband houden; (5)
'op ratings gebaseerde methode': de methode waarbij
de risicogewogen uitzettingsbedragen voor securitisatieposities overeenkomstig
artikel 256 worden berekend; (6)
'benadering met toezichthoudersformule': de methode
waarbij de risicogewogen uitzettingsbedragen voor securitisatieposities
overeenkomstig artikel 257 worden berekend; (7)
'positie zonder rating': een securitisatiepositie
waarvoor geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI, zoals omschreven in
afdeling 4 voorhanden is; (8)
'positie met een rating': een securitisatiepositie
waarvoor een kredietbeoordeling van een erkende EKBI, als omschreven in
afdeling 4, beschikbaar is; (9)
'door activa gedekt commercial-paperprogramma'
(„ABCP-programma”): een securitisatieprogramma in het kader waarvan effecten
worden uitgegeven, voornamelijk in de vorm van commercial paper met een
oorspronkelijke looptijd van een jaar of minder; (10)
'traditionele securitisatie': securitisatie waarbij
de gesecuritiseerde uitzettingen in economische zin worden overgedragen. Daartoe wordt het eigendom van de gesecuritiseerde
uitzettingen door de initiërende instelling of via subdeelneming overgedragen. De uitgegeven effecten vormen voor de initiërende
instelling geen betalingsverplichting; (11)
'synthetische securitisatie': securitisatie waarbij
de overdracht van risico geschiedt door middel van kredietderivaten of
garanties, en de gesecuritiseerde uitzettingen uitzettingen van de initiërende
instelling blijven; (12)
'revolverende uitzetting': een uitzetting waarbij
de openstaande saldi van cliënten al naar hun beslissingen om te lenen en terug
te betalen, mogen schommelen tot een van tevoren afgesproken limiet; (13)
'vervroegde-aflossingsbepaling': een contractuele
clausule in een securitisatie van revolverende uitzettingen op grond waarvan de
posities van de beleggers vóór de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven
effecten moeten worden afgelost wanneer bepaalde gebeurtenissen zich voordoen; (14)
'eersteverliestranche': de meest achtergestelde
tranche in een securitisatie die het eerste verlies draagt dat op de
gesecuritiseerde uitzettingen wordt geleden en aldus bescherming biedt voor het
tweede verlies en, in voorkomend geval, tranches met een hogere rangorde. Afdeling 2
Inaanmerkingneming
van de overdracht van een significant deel van het risico Artikel 238
Traditionele securitisatie 1.
De initiërende instelling van een traditionele
securitisatie mag gesecuritiseerde uitzettingen buiten de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte verliesposten houden indien aan
een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) een significant deel van het aan de gesecuritiseerde uitzettingen
verbonden kredietrisico is geacht te zijn overgedragen aan derden; b) de initiërende instelling past een risicogewicht van 1250 % toe op
alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of
trekt deze securitisatieposities af van uit gewone aandelen bestaande tier 1-posten
overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder k). 2.
In de volgende gevallen wordt aangenomen dat een
significant deel van het kredietrisico is overgedragen: a) de risicogewogen uitzettingsbedragen van de mezzanine
securitisatieposities die de initiërende instelling in deze securitisatie
inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen
uitzettingsbedragen van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine
securitisatieposities; b) ingeval er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine
securitisatieposities bestaan en de initiator kan aantonen dat de
uitzettingswaarde van de securitisatieposities die van het eigen vermogen
zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250% van toepassing
zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het
verwachte verlies op de gesecuritiseerde uitzettingen, houdt de initiërende
instelling niet meer dan 20% van de uitzettingswaarde van de
securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of
waarop een risicogewicht van 1 250% van toepassing zou zijn. Wanneer de eventuele vermindering van de
risicogewogen uitzettingsbedragen die de initiërende instelling door de
betrokken securitisatie zou bewerkstelligen niet gerechtvaardigd is door een
overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, mag de bevoegde
autoriteit per geval besluiten dat niet wordt aangenomen dat een significant
deel van het kredietrisico aan derden is overgedragen. 3.
Voor de toepassing van lid 2 worden onder mezzanine
securitisatieposities securitisatieposities verstaan waarop een risicogewicht
van minder dan 1 250% van toepassing is en die van een lagere rangorde
zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en
tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze
securitisatie welke overeenkomstig afdeling 4 is ondergebracht in: a) kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie
waarop afdeling 3, onderafdeling 3, van toepassing is; b) kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een
securitisatiepositie waarop afdeling 3, onderafdeling 4, van toepassing is; 4.
Bij wijze van alternatief voor de leden 2 en 3
verlenen de bevoegde autoriteiten aan de initiërende instellingen de
toestemming om ervan uit te gaan dat een significant deel van het kredietrisico
is overgedragen wanneer de initiërende instelling in staat is bij elke
securitisatie aan te tonen dat de vermindering van eigenvermogensvereisten die
de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een
overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. Er wordt enkel toestemming verleend wanneer de
instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet: a) bij de instelling zijn op passende wijze
risicogevoelige gedragslijnen en methoden in werking om de overdracht van
risico te beoordelen; b) de instelling heeft in elk geval ook de overdracht van kredietrisico
aan derden met het oog op het interne risicomanagement en de interne
kapitaalallocatie van de instelling in aanmerking genomen. 5.
Naast de vereisten van de, al naar het geval, leden
1 tot en met 4 dienen alle volgende voorwaarden te worden vervuld: a) de documentatie inzake de securitisatie geeft de economische kenmerken
van de transactie weer; b) de gesecuritiseerde uitzettingen bevinden zich buiten het bereik van de
initiërende instelling en haar schuldeisers, ook in geval van faillissement of
bij beheer van een curator. Dit wordt
door een gekwalificeerd juridisch adviseur bevestigd; c) de uitgegeven effecten vormen voor de initiërende instelling geen
betalingsverplichting; d) de initiërende instelling heeft geen
daadwerkelijke of indirecte beschikkingsmacht over de overgedragen
uitzettingen. Een initiator wordt
slechts geacht daadwerkelijke beschikkingsmacht over de overgedragen
uitzettingen te hebben indien hij het recht heeft de eerder overgedragen
uitzettingen van de ontvangende entiteit terug te kopen om de daaraan verbonden
baten te realiseren of indien hij verplicht is het overgedragen risico opnieuw
over te nemen. Indien de initiërende
instelling de rechten of verplichtingen inzake het beheer van de uitzettingen
behoudt, betekent dit niet dat er sprake is van een indirecte beschikkingsmacht
over die uitzettingen; e) de documentatie inzake de securitisatie voldoet aan alle volgende
voorwaarden: i) zij bevat geen clausules die, tenzij in het geval van
vervroegde-aflossingsbepalingen, bepalen dat de posities in de securitisatie
door de initiërende instelling moeten worden verbeterd, onder meer maar niet
uitsluitend door de onderliggende kredietuitzettingen te wijzigen of het aan
beleggers uit te keren rendement te verhogen in geval van een verslechtering
van de kredietkwaliteit van de gesecuritiseerde uitzettingen; ii) zij bevat geen clausules die het aan de houders van posities in de
securitisatie uit te keren rendement verhogen naar aanleiding van een
verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool; iii) zij maakt in voorkomend geval duidelijk dat elke aankoop of wederinkoop
van securitisatieposities door de initiator of de sponsor buiten diens
contractuele verplichtingen om enkel onder zakelijke voorwaarden mag
plaatsvinden; f) voor opschoon-callopties wordt ook aan alle volgende voorwaarden
voldaan: i) zij mogen door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden
uitgeoefend; ii) zij mogen slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de
oorspronkelijke waarde van de gesecuritiseerde uitzettingen nog niet is
afgelost; iii) zij zijn niet zodanig gestructureerd dat wordt vermeden dat verliezen
aan kredietverbeteringsposities of aan andere door beleggers ingenomen posities
worden toegewezen en zijn niet anderszins gestructureerd om kredietverbetering
te verschaffen. 6.
De bevoegde autoriteiten houden de EBA op de hoogte
van de specifieke gevallen, waarvan sprake in lid 2, waarin de mogelijke
vermindering van de risicogewogen uitzettingsbedragen door een overeenkomstige
overdracht van kredietrisico aan derden niet gerechtvaardigd is, en het gebruik
dat de instellingen van lid 4 maken. De
EBA gaat na welke werkwijzen op dit gebied worden gevolgd en geeft
overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren. Artikel 239
Synthetische securitisatie 1.
Een initiërende instelling van een synthetische
securitisatie mag risicogewogen uitzettingsbedragen en, in voorkomend geval,
verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde uitzettingen berekenen
overeenkomstig artikel 244 indien aan een van de volgende voorwaarden is
voldaan: a) een significant deel van het kredietrisico is geacht te zijn
overgedragen aan derden via ofwel gedekte, ofwel ongedekte kredietprotectie; b) de initiërende instelling past een risicogewicht van 1250 % toe op
alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of
brengt deze securitisatieposities in mindering op uit gewone aandelen bestaande
tier 1-posten overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder k). 2.
Indien een van de volgende voorwaarden is vervuld,
wordt aangenomen dat een significant deel van het kredietrisico is
overgedragen: a) de risicogewogen uitzettingsbedragen van de mezzanine
securitisatieposities die de initiërende instelling in deze securitisatie
inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen
uitzettingsbedragen van alle in het kader van deze securitisatie bestaande
mezzanine securitisatieposities; b) wanneer in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine
securitisatieposities bestaan en de initiator kan aantonen dat de
uitzettingswaarde van de securitisatieposities die van het eigen vermogen
zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1 250% van
toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming
van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde uitzettingen, houdt de
initiërende instelling niet meer dan 20% aan van de uitzettingswaarde van de
securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of
waarop een risicogewicht van 1 250% van toepassing zou zijn; c) wanneer de eventuele vermindering van de risicogewogen
uitzettingsbedragen die de initiërende instelling door de betrokken
securitisatie zou bewerkstelligen niet gerechtvaardigd is door een
overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, mag de bevoegde
autoriteit per geval besluiten dat niet wordt aangenomen dat een significant
deel van het kredietrisico aan derden is overgedragen. 3.
Voor de toepassing van lid 2 worden onder mezzanine
securitisatieposities securitisatieposities verstaan waarop een risicogewicht
van minder dan 1 250% van toepassing is en die van een lagere rangorde
zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en
tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie
welke overeenkomstig afdeling 4 is ondergebracht in: a) kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie
waarop afdeling 4, onderafdeling 3, van toepassing is; b) kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie
waarop afdeling 3, onderafdeling 4, van toepassing is; 4.
Bij wijze van alternatief voor de leden 2 en 3
verlenen de bevoegde autoriteiten aan de initiërende instellingen de
toestemming aan te nemen dat een significant deel van het kredietrisico is
overgedragen wanneer de initiërende instelling in staat is bij elke
securitisatie aan te tonen dat de vermindering van eigenvermogensvereisten die
de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een
overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. Er wordt enkel toestemming verleend wanneer de
instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet: a) bij de instelling zijn op passende wijze risicogevoelige gedragslijnen
en methoden in gebruik om de overdracht van risico te beoordelen; b) de instelling heeft, met het oog op het interne risicomanagement en de
interne kapitaalallocatie van de instelling, in elk geval ook de overdracht van
kredietrisico aan derden in aanmerking genomen. 5.
Naast de vereisten van de, al naar het geval,
leden 1 tot en met 4 dient de overdracht aan de volgende voorwaarden te
voldoen: a) de documentatie inzake de securitisatie geeft de economische kenmerken
van de transactie; b) de kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt
overgedragen, voldoet aan artikel 242, lid 2; c) de instrumenten die worden gebruikt om kredietrisico over te dragen,
bevatten geen voorwaarden die: i) significante materialiteitsdrempels voorschrijven, bij overschrijding
waarvan geen kredietprotectie behoeft te worden geboden ingeval zich een
kredietgebeurtenis voordoet; ii) de beëindiging van de protectie toestaan in geval van een
verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende uitzettingen; iii) tenzij in het geval van vervroegde-aflossingsbepalingen, voorschrijven
dat posities in de securitisatie worden verbeterd door de initiërende
instelling; iv) de kosten van kredietprotectie van de instelling of het aan de houders
van posities in de securitisatie te betalen rendement verhogen naar aanleiding
van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool; d) de afdwingbaarheid van de kredietprotectie in alle betrokken
jurisdicties wordt door een gekwalificeerd juridisch adviseur bevestigd; e) in de securitisatiedocumentatie wordt in voorkomend geval duidelijk
gemaakt dat elke aankoop of wederinkoop van securitisatieposities door de
initiator of de sponsor buiten diens contractuele verplichtingen om enkel onder
zakelijke voorwaarden mag plaatsvinden; f) opschoon-callopties voldoen aan alle volgende voorwaarden: i) zij mogen door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden
uitgeoefend; ii) zij mogen slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de
oorspronkelijke waarde van de gesecuritiseerde uitzettingen nog niet is afgelost; iii) zij zijn niet zodanig gestructureerd dat wordt vermeden dat verliezen
aan kredietverbeteringsposities of aan andere door beleggers ingenomen posities
worden toegewezen en zijn niet anderszins gestructureerd om kredietverbetering
te verschaffen. 6.
De bevoegde autoriteiten houden de EBA op de hoogte
van de specifieke gevallen, waarvan sprake in lid 2, waarin de mogelijke
vermindering van de risicogewogen uitzettingsbedragen door een overeenkomstige
overdracht van kredietrisico aan derden niet gerechtvaardigd is, en het gebruik
dat de instellingen van lid 4 maken. De
Europese Bankautoriteit gaat na welke werkwijzen op dit gebied worden gevolgd
en geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
richtsnoeren. Afdeling 3
Berekening
van risicogewogen uitzettingsbedragen Onderafdeling 1
Beginselen Artikel 240
Berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen 1.
Wanneer een initiërende instelling een significant
deel van het aan de gesecuritiseerde posities verbonden kredietrisico
overeenkomstig afdeling 2 heeft overgedragen, mag die instelling: a) in geval van een traditionele
securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen en — indien van toepassing — van de verwachte
verliesposten laten; b) in geval van een synthetische
securitisatie de risicogewogen uitzettingsbedragen en — indien van toepassing —
de verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde posities op basis van de
artikelen 244 en 245 berekenen. 2.
Wanneer de initiërende instelling heeft besloten
lid 1 toe te passen, berekent zij voor de posities die zij in de securitisatie
mag aanhouden de in dit hoofdstuk voorgeschreven risicogewogen
uitzettingsbedragen. Wanneer de initiërende instelling geen significant
deel van het kredietrisico heeft overgedragen of heeft besloten lid 1 niet toe
te passen, dient zij voor posities die zij in de betrokken securitisatie
mogelijk heeft geen risicogewogen uitzettingsbedragen te berekenen, maar blijft
zij de gesecuritiseerde uitzettingen bij haar berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen betrekken alsof deze niet zijn gesecuritiseerd. 3.
Wanneer een securitisatie een uitzetting op
verschillende tranches telt, wordt elke tranche van de uitzetting als een
afzonderlijke securitisatiepositie beschouwd. De kredietprotectiegevers bij securitisatieposities worden beschouwd
als houders van posities in deze securitisatie. Securitisatieposities omvatten ook posities die ontstaan als gevolg van
rente- of valutaderivaten. 4.
Tenzij een securitisatiepositie op uit gewone
aandelen bestaande tier 1-posten in mindering wordt gebracht overeenkomstig
artikel 33, lid 1, onder k), wordt het risicogewogen uitzettingsbedrag voor de
toepassing van artikel 87, lid 3, opgenomen in de totaliteit van de
risicogewogen uitzettingsbedragen van de instelling. 5.
Het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatiepositie wordt berekend door op de uitzettingswaarde van de
positie, berekend als beschreven in artikel 241, het relevante totale
risicogewicht toe te passen. 6.
Het totale risicogewicht is de som van het
risicogewicht beschreven in dit hoofdstuk en elk additioneel risicogewicht
overeenkomstig artikel 396. Artikel 241
Uitzettingswaarde 1.
De uitzettingswaarde wordt als volgt berekend: a) wanneer een instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen berekent
overeenkomstig onderafdeling 3, is de uitzettingswaarde van een
securitisatiepositie op de balans de na het aanbrengen van bepaalde
kredietrisicoaanpassingen resterende boekwaarde; b) wanneer een instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen berekent
overeenkomstig onderafdeling 4, is de uitzettingswaarde van een
securitisatiepositie op de balans de boekwaarde gemeten zonder rekening te
houden met aangebrachte kredietrisicoaanpassingen; c) wanneer een instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen berekent
overeenkomstig onderafdeling 3, is de uitzettingswaarde van een
securitisatiepositie buiten de balans haar nominale waarde, verminderd met een
specifieke kredietrisicoaanpassing van die securitisatiepostie, vermenigvuldigd
met een omrekeningsfactor als voorgeschreven in dit hoofdstuk; d) wanneer een instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen berekent
overeenkomstig onderafdeling 4, is de uitzettingswaarde van een
securitisatiepositie buiten de balans haar nominale waarde, vermenigvuldigd met
een omrekeningsfactor als voorgeschreven in dit hoofdstuk. De
omrekeningsfactor bedraagt 100 %, tenzij anders is aangegeven; e) de uitzettingswaarde voor het tegenpartijkredietrisico van een in
bijlage II vermeld derivaat wordt bepaald overeenkomstig hoofdstuk 6. 2.
Wanneer een instelling twee of meer posities in een
securitisatie heeft die elkaar overlappen, neemt zij, in de mate waarin de
posities elkaar overlappen, bij haar berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen uitsluitend de positie of deelpositie in aanmerking die de
hoogste risicogewogen uitzettingsbedragen oplevert. De instelling kan een dergelijke overlap tussen eigenvermogensvereisten
voor specifieke risico’s voor posities in de handelsportefeuille en eigenvermogensvereisten
voor securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille ook in aanmerking
nemen, mits de instelling in staat is de eigenvermogensvereisten voor de
posities in kwestie te berekenen en te vergelijken. In dit verband betekent overlappen dat de posities geheel of
gedeeltelijk aan hetzelfde risico blootstaan waardoor er voor het gedeelte dat
de posities elkaar overlappen slechts sprake is van één uitzetting. 3.
Wanneer artikel 263, onder c), geldt voor posities
in het ABCP mag de instelling voor de berekening van het risicogewogen
uitzettingsbedrag van het ABCP het aan een liquiditeitsfaciliteit toegekende
risicogewicht hanteren mits de bedrijfsobligaties van het ABCP voor 100 % onder
deze of andere liquiditeitsfaciliteiten vallen en al deze liquiditeitsfaciliteiten
van gelijke rang zijn als het ABCP zodat zij overlappende posities vormen. De instelling stelt de bevoegde autoriteiten in
kennis van het gebruik dat zij van deze behandeling maakt. Artikel 242
Inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering voor
securitisatieposities 1.
Een instelling mag gedekte of ongedekte
kredietprotectie, verkregen ten aanzien van een securitisatiepositie, in
aanmerking nemen overeenkomstig hoofdstuk 4 en met inachtneming van de
voorschriften van dit hoofdstuk en van hoofdstuk 4. Toelaatbare gedekte kredietprotectie is beperkt
tot financiële zekerheid die in aanmerking komt voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk 2, als vastgesteld
in hoofdstuk 4, en kan slechts in aanmerking worden genomen indien aan de
desbetreffende vereisten als vastgesteld in hoofdstuk 4 is voldaan. 2.
Toelaatbare ongedekte kredietprotectie en
verschaffers van ongedekte kredietprotectie blijven beperkt tot de protectie en
protectiegevers die overeenkomstig hoofdstuk 4 toelaatbaar is respectievelijk
voor erkenning in aanmerking komen; erkenning is slechts mogelijk indien aan de
in hoofdstuk 4 vastgestelde desbetreffende vereisten is voldaan. 3.
In afwijking van lid 2 beschikken de toelaatbare
verschaffers van ongedekte kredietprotectie die zijn opgenomen in de lijst van
artikel 197 over een kredietbeoordeling van een erkende EKBI die is
ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger overeenkomstig artikel 131
en is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger op het moment dat
de kredietprotectie voor het eerst in aanmerking wordt genomen. Instellingen die toestemming hebben om de
interne-ratingbenadering toe te passen op een directe uitzetting op de
potectiegever mogen de toelaatbaarheid overeenkomstig de eerste zin beoordelen
op basis van de gelijkwaardigheid van de PD voor de protectiegever met de PD
die verbonden is aan de kredietkwaliteitscategorieën waarvan sprake in artikel 131. 4.
In afwijking van lid 2 zijn SSPE's toelaatbare
protectiegevers wanneer zij activa bezitten die kwalificeren als toelaatbare
financiële zekerheid en ten aanzien waarvan geen rechten of voorwaardelijke
rechten bestaan met een hogere rangorde dan of een rangorde gelijk aan die van
de voorwaardelijke rechten van de instelling die de ongedekte kredietprotectie
ontvangt en alle vereisten voor de inaanmerkingneming van financiële zekerheid
in hoofdstuk zijn vervuld. In die
gevallen wordt de GA (het bedrag van de protectie gecorrigeerd voor
valutamismatch en looptijdverschil overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4)
beperkt tot de voor volatiliteit gecorrigeerde marktwaarde van die activa en is
g (het risicogewicht van uitzettingen op de protectiegever zoals gespecificeerd
overeenkomstig de standaardbenadering) gelijk aan het gewogen gemiddelde
risicogewicht dat van toepassing zou zijn op die activa als financiële
zekerheid overeenkomstig de standaardbenadering. Artikel 243
Stilzwijgende steun 1.
Een als sponsor optredende instelling of een als
initiator optredende instelling die in verband met een securitisatie bij de
berekening van de risicogewogen uitzettingsbedragen gebruik heeft gemaakt van
artikel 240, leden 1 en 2, of instrumenten uit haar handelsportefeuille
verkocht heeft met als gevolg dat niet meer van haar wordt verlangd dat ze
eigen vermogen aanhoudt voor de risico’s van deze instrumenten, overschrijdt
bij het verlenen van steun aan een securitisatie, teneinde de mogelijke of
feitelijke verliezen van beleggers te beperken, de grenzen van haar
contractuele verplichtingen niet. Een
transactie wordt niet geacht steun te verlenen indien zij op zakelijke
voorwaarden wordt uitgevoerd en in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling
of een significant deel van het risico is overgedragen.
Een dergelijke transactie wordt, ongeacht of zij steun
verleent, ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten en is onderworpen
aan het krediettoetsings- en -goedkeuringsproces van de instelling. De instelling besteedt, bij de beoordeling of
de transactie niet is opgezet om steun te verlenen, voldoende aandacht aan ten
minste het volgende: a) de prijs van de wederinkoop; b) de kapitaals- en liquiditeitspositie van de instellingen voor en na
wederinkoop; c) de prestaties van de gesecuritiseerde uitzettingen; d) de prestaties van de securitisatieposities; 2.
De EBA geeft overeenkomstig artikel 16 of
Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren betreffende het feit wat zakelijke
voorwaarden zijn en wanneer een transactie niet is opgezet om steun te
verlenen. 3.
Als een initiërende instelling of een sponsor bij
een securitisatie lid 1 niet naleeft, houdt zij voor alle gesecuritiseerde
uitzettingen evenveel eigen vermogen aan als noodzakelijk was geweest als deze
uitzettingen niet waren gesecuritiseerd. Onderafdeling 2
Berekening
door de initiërende instellingen van bij een synthetische securitisatie
gesecuritiseerde risicogewogen uitzettingsbedragen Artikel 244
Algemene behandeling Bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen voor gesecuritiseerde uitzettingen past de initiërende
instelling van een synthetische securitisatie, indien aan de in artikel 239
genoemde voorwaarden is voldaan en onverminderd artikel 245, de
berekeningsmethoden toe die in deze afdeling zijn vermeld, en niet die welke in
hoofdstuk 2 worden beschreven. Voor
instellingen die de risicogewogen uitzettingsbedragen en verwachte
verliesposten overeenkomstig hoofdstuk 3 berekenen, is de verwachte verliespost
met betrekking tot deze uitzettingen nihil. De vereisten van de eerste alinea zijn van
toepassing op de gehele pool van uitzettingen die deel uitmaken van de
securitisatie. Onverminderd artikel 245
berekent de initiërende instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen met
betrekking tot alle tranches van de securitisatie overeenkomstig de bepalingen
van deze afdeling, met inbegrip van die waarvoor de instelling
kredietrisicolimitering in aanmerking neemt overeenkomstig artikel 242, in welk
geval het risicogewicht dat voor die positie geldt overeenkomstig hoofdstuk 4
mag worden gewijzigd met inachtneming van de vereisten in dit hoofdstuk. Artikel 245
Behandeling van looptijdverschillen bij synthetische
securitisatie Bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig artikel 244 wordt als volgt rekening
gehouden met een eventueel looptijdverschil tussen de kredietprotectie in het
kader waarvan de verdeling in tranches heeft plaatsgevonden en de
gesecuritiseerde uitzettingen: a) de looptijd van de gesecuritiseerde uitzettingen is de langste looptijd
van één van deze uitzettingen, met een maximum van vijf jaar. De looptijd van de kredietprotectie wordt
vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 4; b) een initiërende instelling laat bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen voor tranches waaraan in het kader van deze afdeling een
risicoweging van 1250 % is toegekend, alle looptijdverschillen buiten
beschouwing. Voor alle andere
tranches wordt het looptijdverschil behandeld als beschreven in hoofdstuk 4,
overeenkomstig de volgende formule: waarbij: RW*
= de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor de toepassing van artikel 87, lid 3,
onder a); RWAss
= de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor uitzettingen alsof deze niet gesecuritiseerd zijn,
naar rato berekend; RWSP= de risicogewogen uitzettingsbedragen, berekend
overeenkomstig artikel 244, alsof er geen looptijdverschil is; T = de looptijd van de onderliggende
uitzettingen, uitgedrukt in jaren; t = de looptijd van de kredietprotectie,
uitgedrukt in jaren; t*
= 0,25. Onderafdeling 3
De
berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen volgens de standaardbenadering Artikel 246
Risicogewichten Behoudens
artikel 247 berekent de instelling het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatie- of hersecuritisatiepositie met een rating door op de
uitzettingswaarde het toepasselijke risicogewicht toe te passen. Het
toepasselijke risicogewicht is het risicogewicht als vastgesteld in tabel 1
waaraan de kredietbeoordeling van de positie is verbonden overeenkomstig
afdeling 4. Tabel 1 Kredietkwaliteitscategorie || 1 || 2 || 3 || 4 (alleen voor andere kredietbeoordelingen dan kredietbeoordelingen voor de korte termijn) || Alle overige kredietkwaliteitscategorieën Securitisatieposities || 20% || 50% || 100% || 350% || 1250% Hersecuritisatieposities || 40% || 100% || 225% || 650% || 1250% Onverminderd de artikelen 247 tot en met 250,
wordt het risicogewogen uitzettingsbedrag van een securitisatiepositie zonder
rating berekend door een risicogewicht van 1250 % toe te passen. Artikel 247
Instellingen die als initiator of sponsor optreden Voor een instelling die als initiator of
sponsor optreedt, mogen de risicogewogen uitzettingsbedragen die met betrekking
tot haar securitisatieposities in elke afzonderlijke securitisatie worden
berekend, beperkt blijven tot de risicogewogen uitzettingsbedragen zoals die
momenteel voor de gesecuritiseerde uitzettingen zouden worden berekend indien
zij niet gesecuritiseerd zouden zijn, onverminderd de veronderstelde toepassing
van een risicogewicht van 150 % op de volgende posten: a) alle momenteel achterstallige posten; b) alle posten van de gesecuritiseerde uitzettingen waaraan een bijzonder
hoog risico is verbonden overeenkomstig artikel 123. Artikel 248
Behandeling van posities zonder rating 1.
Voor de berekening van het risicogewogen
uitzettingsbedrag van een securitisatiepositie zonder rating mag een instelling
het gewogen gemiddelde risicogewicht toepassen dat overeenkomstig hoofdstuk 2
op de gesecuritiseerde uitzettingen zou worden toegepast door een instelling
die de uitzettingen aanhoudt, vermenigvuldigd met de concentratiefactor waarvan
sprake in lid 2. Hiertoe moet
de instelling altijd op de hoogte zijn van de samenstelling van de pool van
gesecuritiseerde uitzettingen. 2.
De concentratiefactor is gelijk aan de som van de
nominale bedragen van alle tranches, gedeeld door de som van de nominale
bedragen van de tranches met een lagere rang dan, of pari passu met de tranche
waarin de positie wordt aangehouden, met inbegrip van die tranche zelf. Het resulterende risicogewicht mag niet hoger
zijn dan 1250 % of lager zijn dan het risicogewicht dat van toepassing is op
een tranche met een hogere rangorde met een rating. Wanneer de instelling niet in staat is de risicogewichten te bepalen
die overeenkomstig hoofdstuk 2 op de gesecuritiseerde uitzettingen van
toepassing zouden zijn, past zij een risicogewicht van 1250 % op de positie
toe. Artikel 249
Behandeling van securitisatieposities in een
tweede-verliestranche of hoger in het kader van een ABCP-programma Behoudens de mogelijkheid van een gunstiger
behandeling overeenkomstig artikel 250 voor liquiditeitsfaciliteiten zonder
rating, mag een instelling op securitisatieposities die voldoen aan de volgende
voorwaarden een risicogewicht toepassen van hetzij 100 %, hetzij het hoogste
risicogewicht dat overeenkomstig hoofdstuk 2 op de gesecuritiseerde uitzettingen
zou worden toegepast door een instelling die de uitzettingen aanhoudt,
naargelang welk risicogewicht het hoogst is: a) de securitisatiepositie behoort tot een tranche die economisch gezien
een tweede-verliespositie of hoger in de securitisatie inneemt, waarbij de
eerste-verliestranche een kredietverbetering van betekenis biedt ten opzichte
van de tweede-verliestranche; b) de securitisatiepositie is van goede kwaliteit (investment grade of
hoger); c) de securitisatiepositie wordt aangehouden door een instelling die geen
positie in de eerste-verliestranche aanhoudt. Artikel 250
Behandeling van liquiditeitsfaciliteiten zonder rating 1.
Wanneer aan de hiernavolgende voorwaarden is
voldaan mag, om de uitzettingswaarde van een liquiditeitsfaciliteit zonder rating
te bepalen, door de instellingen op de nominale waarde ervan een
omrekeningsfactor van 50 % worden toegepast: a) de documentatie betreffende de liquiditeitsfaciliteit moet duidelijk de
omstandigheden aangeven en afbakenen waaronder de faciliteit mag worden benut; b) de faciliteit kan niet worden benut voor kredietondersteuning ter
dekking van verliezen die op het moment van de benutting reeds zijn geleden,
met name om liquiditeit te verstrekken met betrekking tot uitzettingen ten
aanzien waarvan op het moment van de benutting reeds sprake is van wanbetaling
of om activa te verwerven voor een hogere prijs dan de reële waarde; c) de faciliteit mag niet worden gebruikt voor een permanente of
periodieke financiering van de securitisatie; d) de terugbetaling van in het kader van de faciliteit opgenomen bedragen
wordt niet achtergesteld bij andere vorderingen van beleggers dan die welke
voortvloeien uit rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere
soortgelijke betalingen, en komt evenmin in aanmerking voor ontheffing of
uitstel; e) de faciliteit kan niet worden benut wanneer alle toepasselijke
kredietverbeteringen ten gunste van de liquiditeitsfaciliteit zijn uitgeput; f) de faciliteit moet een bepaling bevatten op grond waarvan het bedrag
dat kan worden opgenomen automatisch wordt verminderd met het bedrag van de
uitzettingen waarbij sprake is van wanbetaling in de zin van hoofdstuk 3, of
een bepaling die, wanneer de pool van gesecuritiseerde uitzettingen uit
instrumenten met een rating bestaat, de faciliteit beëindigt wanneer de
gemiddelde kwaliteit van de pool tot beneden investment grade daalt. Het toe te passen risicogewicht is het hoogste
risicogewicht dat overeenkomstig hoofdstuk 2 op alle gesecuritiseerde
uitzettingen zou worden toegepast door een instelling die de uitzettingen
aanhoudt. 2.
Om de uitzettingswaarde te bepalen van
voorschotfaciliteiten mag op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit
die onvoorwaardelijk opzegbaar is een omrekeningsfactor van 0 % worden
toegepast, mits aan in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan en de
terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde
heeft dan alle andere rechten op de kasstromen die uit de gesecuritiseerde
uitzettingen voortvloeien. Artikel 251
Additionele eigenvermogensvereisten voor securitisaties
van revolverende posities met vervroegde-aflossingsbepalingen 1.
Wanneer op een securitisatie van revolverende
posities een vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is, berekent de
initiërende instelling, op basis van dit artikel, voor het risico dat hun
kredietrisico toeneemt ingeval van de vervroegde-aflossingsbepaling gebruik
wordt gemaakt, een additionele risicogewogen post. 2.
De instelling berekent een risicogewogen
uitzettingsbedrag met betrekking tot de som van de uitzettingswaarden van het
belang van de initiator en het belang van de beleggers. Ten aanzien van securitisatiestructuren waarbij de
gesecuritiseerde uitzettingen zowel revolverende als niet-revolverende posities
omvatten, past de initiërende instelling de in de leden 3 tot en met 6
beschreven behandeling toe op dat deel van de onderliggende pool dat
revolverende posities bevat. De uitzettingswaarde van het belang van de
initiator is de uitzettingswaarde van het notionele gedeelte van een in het
kader van een securitisatie verkochte pool van opgenomen bedragen, waarvan de
verhouding ten opzichte van het bedrag van de totale in het kader van de
structuur verkochte pool het gedeelte van de kasstromen bepaalt die worden
gegenereerd door de inning van aflossingsbetalingen op de hoofdsom en van
rentebetalingen en andere daarmee samenhangende bedragen en die niet
beschikbaar zijn om betalingen te verrichten aan degenen die posities in de
securitisatie hebben. Het belang van
de initiator is niet achtergesteld aan het belang van de beleggers. De uitzettingswaarde van het belang van de
beleggers is de uitzettingswaarde van het resterende notionele gedeelte van de
pool van opgenomen bedragen. Het risicogewogen uitzettingsbedrag met betrekking
tot de uitzettingswaarde van het belang van de initiator wordt berekend als dat
voor een evenredige uitzetting op de gesecuritiseerde uitzettingen alsof deze
niet gesecuritiseerd zijn. 3.
Initiators van de volgende soorten securitisaties
zijn vrijgesteld van de berekening van een additioneel risicogewogen
uitzettingsbedrag als bedoeld in lid 1: a) securitisaties van revolverende posities waarbij de beleggers volledig
blijven blootstaan aan alle risico's in verband met toekomstige opnemingen door
leningnemers, zodat het risico dat met de onderliggende faciliteiten is
verbonden niet terugkeert naar de initiërende instelling, zelfs niet nadat zich
een gebeurtenis heeft voorgedaan die tot vervroegde aflossing aanleiding geeft; b) securitisaties waarbij een vervroegde-aflossingsbepaling slechts van
kracht wordt naar aanleiding van gebeurtenissen die geen verband houden met de
prestaties van de gesecuritiseerde activa of de initiërende instelling, zoals
materiële wijzigingen in belastingwetten of -regelgeving. 4.
Voor een initiërende instelling die is onderworpen
aan de berekening van een additioneel risicogewogen uitzettingsbedrag
overeenkomstig lid 1 is de som van de risicogewogen uitzettingsbedragen
ten aanzien van haar posities in het belang van de beleggers en de
overeenkomstig lid 1 berekende risicogewogen uitzettingsbedragen niet
groter dan het grootste van de twee volgende bedragen: a) de risicogewogen uitzettingsbedragen, berekend ten aanzien van haar
posities in het belang van de beleggers; b) de risicogewogen uitzettingsbedragen die door een instelling die de
uitzettingen aanhoudt ten aanzien van de gesecuritiseerde uitzettingen zouden
worden berekend alsof deze niet gesecuritiseerd zijn voor een bedrag gelijk aan
het belang van de beleggers. De bij artikel 29, lid 1, voorgeschreven aftrek
van eventuele nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van
toekomstige inkomsten wordt niet in het kader van het in de vorige alinea
bedoelde maximumbedrag behandeld. 5.
Het risicogewogen uitzettingsbedrag dat
overeenkomstig lid 1 moet worden berekend, wordt bepaald door de
uitzettingswaarde van het belang van de beleggers te vermenigvuldigen met het
product van de passende omrekeningswaarde als bedoeld in de leden 6 tot en
met 9 en het gewogen gemiddelde risicogewicht dat van toepassing zou zijn
op de gesecuritiseerde uitzettingen indien zij niet gesecuritiseerd zouden
zijn. Een vervroegde-aflossingsbepaling wordt als
gecontroleerd beschouwd wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de initiërende instelling beschikt over een passend
eigenvermogens/liquiditeitsplan om ervoor te zorgen dat zij in geval van
vervroegde aflossing over voldoende eigen vermogen en liquiditeiten beschikt; b) gedurende de gehele transactie wordt een evenredige verdeling tussen
het belang van de initiërende instelling en het belang van de beleggers
toegepast met betrekking tot rentebetalingen en aflossingen op de hoofdsom,
uitgaven, verliezen en inningen op basis van het saldo van de uitstaande
kortlopende vorderingen op een of meer referentiepunten tijdens iedere maand; c) de aflossingsperiode wordt toereikend geacht om 90 % van de totale
schuld (belang van de initiator en belang van de beleggers) die aan het begin
van de vervroegde-aflossingsperiode uitstond af te lossen of als oninbaar in
aanmerking te nemen; d) het terugbetalingstempo is niet hoger dan bij lineaire aflossing
gedurende de onder c) genoemde periode het geval zou zijn. 6.
Ten aanzien van de onder een
vervroegde-aflossingsbepaling vallende securitisaties van uitzettingen op
particulieren en kleine partijen welke niet gecommitteerd zijn en welke
onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande kennisgeving opzegbaar zijn,
vergelijken de instellingen, wanneer de vervroegde aflossing afhankelijk is
gesteld van een daling van de overgebleven rentemarge tot een bepaald niveau,
het driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge met het niveau waarop
deze marge moet worden ingesloten. Wanneer het insluiten van de overgebleven
rentemarge niet door de securitisatie wordt voorgeschreven ligt het
insluitingsniveau 4,5 procentpunt hoger dan het niveau waarop tot vervroegde
aflossing wordt overgegaan. De toe te passen omrekeningsfactor wordt bepaald
door het niveau van het feitelijke driemaandsgemiddelde van de overgebleven
rentemarge als weergegeven in tabel 2. Tabel 2 || Securitisaties die onder een gecontroleerde vervroegde- aflossingsbepaling vallen || Securitisaties die onder een niet-gecontroleerde vervroegde- aflossingsbepaling vallen 3-maands-gemid-delde van de overgebleven rentemarge || Omrekeningsfactor || Omrekeningsfactor Boven niveau A || 0 % || 0 % Niveau A || 1 % || 5 % Niveau B || 2 % || 15 % Niveau C || 10 % || 50 % Niveau D || 20 % || 100 % Niveau E || 40 % || 100 % waarbij a) 'niveau A' een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is
dan 133,33 % maar niet lager dan 100 % van het insluitingsniveau van de
overgebleven rentemarge; b) 'niveau B' een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is
dan 100 % maar niet lager dan 75 % van dat insluitingsniveau; c) 'niveau C' een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is
dan 75 % maar niet lager dan 50 % van het insluitingsniveau van de overgebleven
rentemarge; d) 'niveau D' een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is
dan 50 % maar niet lager dan 25 % van het insluitingsniveau van de overgebleven
rentemarge; e) 'niveau E' een niveau van overgebleven rentemarges inhoudt dat lager is
dan 25 % van het insluitingsniveau.; 7.
Als op securitisaties van uitzettingen op
particulieren en kleine partijen die niet toegezegd zijn en onvoorwaardelijk,
zonder opzegtermijn, kunnen worden opgezegd, een vervroegde-aflossingsbepaling
van toepassing is, en een kwantitatieve waarde die geen verband houdt met het
driemaandsgemiddelde van de overgebleven marge, de aanleiding is voor de
vervroegde aflossing, mogen de instellingen, met toestemming van de bevoegde
autoriteiten, voorschriften toepassen die nauw aansluiten op de voorschriften
van lid 6, voor de bepaling van de aldaar aangegeven omrekeningswaarde. De bevoegde autoriteit verleent toestemming
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) deze behandeling is passender omdat de onderneming een kwantitatieve
meting kan instellen die, ten aanzien van de kwantitatieve waarde die vervoegde
aflossing tot gevolg heeft, gelijkwaardig is met het insluitingsniveau van de overgebleven
rentemarge; b) deze behandeling leidt tot een meting van het risico dat het
kredietrisico waaraan de instelling is blootgesteld, kan toenemen ingeval van
de vervroegde-aflossingsbepaling gebruik wordt gemaakt, die even voorzichtig is
als berekening overeenkomstig lid 6. 8.
Voor alle andere securitisaties die onder een
gecontroleerde vervroegde-aflossingsbepaling van revolverende uitzettingen
vallen geldt een omrekeningsfactor van 90 %. 9.
Voor alle andere securitisaties die onder een
niet-gecontroleerde vervroegde- aflossingsbepaling van revolverende
uitzettingen vallen geldt een omrekeningswaarde van 100 %. Artikel 252
Kredietrisicolimitering voor securitisatieposities die
onderworpen zijn aan de standaardbenadering Wanneer kredietprotectie ten aanzien van een
securitisatiepositie wordt verkregen, mag de berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk 4 worden gewijzigd. Artikel 253
Vermindering van risicogewogen uitzettingsbedragen Wanneer aan een securitisatiepositie een
risicogewicht van 1250 % wordt toegekend, mogen de instellingen overeenkomstig
artikel 33, lid 1, onder k, de uitzettingswaarde van de positie in mindering
brengen op hun eigen vermogen in plaats van de positie in hun berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen te betrekken. In dat verband mag bij de berekening van de uitzettingswaarde de
toelaatbare gedekte kredietprotectie in aanmerking worden genomen op een wijze
die in overeenstemming is met artikel 252. Wanneer een initiërende instelling gebruik
maakt van deze alternatieve mogelijkheid, mag zij 12,5 maal het bedrag dat
overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder k, is afgetrokken op het bedrag dat in
artikel 247 wordt gespecificeerd in mindering brengen als risicogewogen
uitzettingsbedrag dat momenteel voor de gesecuritiseerde uitzettingen zou
worden berekend indien deze niet gesecuritiseerd waren. Onderafdeling 4
Berekening
van risicogewogen uitzettingsbedragen volgens de interne-ratingbenadering Artikel 254
Rangorde van methoden 1.
De instellingen gebruiken de methoden
overeenkomstig de volgende rangorde: a) om het risicogewogen uitzettingsbedrag van een positie met een rating
of een positie ten aanzien waarvan een afgeleide rating mag worden gebruikt te
berekenen, wordt de in de artikel 256 beschreven ratingbenadering
toegepast; b) voor een positie zonder een rating mag de instelling de benadering met
toezichthoudersformule van artikel 257 gebruiken wanneer zij PD-schattingen kan
maken, en in voorkomend geval uitzettingswaarde en LGD als inputs voor de
benadering met toezichthoudersformule gebruiken overeenkomstig de vereisten
voor de raming van die parameters volgens de interne-ratingbenadering
overeenkomstig afdeling 3. Een andere
instelling dan de initiërende instelling mag de benadering met toezichthoudersformule
slechts gebruiken met toestemming van de bevoegde autoriteiten, die wordt
verleend wanneer de instelling de in de vorige zin gestelde voorwaarde vervult;
c) als alternatief voor punt b) en enkel voor posities zonder rating in
ABCP-programma's mag de instelling de interne-beoordelingsbenadering van lid 4
gebruiken indien de bevoegde autoriteiten daar toestemming voor hebben
verleend; d) in alle andere gevallen wordt een risicogewicht van 1250 % toegekend
aan securitisatieposities zonder rating. 2.
Voor het gebruiken van afgeleide ratings kent een
instelling aan een positie zonder rating een intern afgeleide
kredietbeoordeling toe die gelijk is aan de kredietbeoordeling van een
referentiepositie met een rating van de hoogste rang welke in alle opzichten is
achtergesteld bij de betrokken securitisatiepositie zonder rating en aan alle
volgende voorwaarden voldoet: a) de referentieposities moeten in alle opzichten achtergesteld zijn bij
de securitisatiepositie zonder rating; b) de looptijd van de referentieposities is gelijk aan of langer dan die
van de betrokken positie zonder rating; c) alle afgeleide ratings worden voortdurend geactualiseerd om rekening te
houden met alle wijzigingen in de kredietbeoordeling van de referentieposities. 3.
De bevoegde autoriteiten verlenen aan de
instellingen toestemming om gebruik te maken van de
'internebeoordelingsbenadering' van lid 4 wanneer aan alle volgende voorwaarden
is voldaan: a) de posities in het commercial paper dat in het kader van het
ABCP-programma is uitgegeven, betreffen posities met een rating; b) de interne beoordeling van de kredietkwaliteit van de positie is in
overeenstemming is met de voor het publiek toegankelijke beoordelingsmethode
die door een of meer erkende EKBI's wordt toegepast voor de opstelling van
ratings met betrekking tot effecten die worden gedekt door uitzettingen van het
gesecuritiseerde type; c) de EKBI's waarvan de methode wordt toegepast zoals voorgeschreven in
punt b), omvatten tevens EKBI's die een externe rating hebben vastgesteld voor
het in het kader van het ABCP-programma uitgegeven commercial paper. De kwantitatieve elementen - zoals stressfactoren
- die bij de toekenning van een bepaalde kredietkwaliteit aan de positie worden
gebruikt, zijn tenminste even voorzichtig als die welke worden toegepast in het
kader van de relevante beoordelingsmethode van de betrokken EKBI's; d) bij de ontwikkeling van haar internebeoordelingsmethode neemt de
instelling relevante bekendgemaakte beoordelingsmethoden in aanmerking welke
worden toegepast door de erkende EKBI's die het commercial paper van het
ABCP-programma van een kredietbeoordeling voorzien. Deze inaanmerkingneming wordt door de instelling gedocumenteerd en
regelmatig geactualiseerd overeenkomstig het bepaalde in letter g); e) de internebeoordelingsmethode van de instelling omvat
beoordelingsgraden. Er is
overeenstemming tussen deze beoordelingsgraden en de kredietbeoordelingen van
erkende EKBI's. Deze overeenstemming
is expliciet gedocumenteerd; f) de interne beoordelingsmethode wordt in het kader van de interne
risicomanagementprocessen van de instelling gebruikt, met inbegrip van de door
haar toegepaste procedures inzake besluitvorming, managementinformatie en
interne kapitaalallocatie; g) interne of externe accountants, een EKBI of de interne
kredietbeoordelings- of risicomanagementfunctie van de instelling stellen
regelmatig een onderzoek in naar de interne beoordelingsprocedures en de
kwaliteit van de interne beoordelingen van de kredietkwaliteit van de posities
van de instelling in een ABCP-programma. Indien de interne accountants-, kredietbeoordelings- of
risicomanagementfuncties van de instelling dit onderzoek uitvoeren, dan zijn
deze functies onafhankelijk van het voor het ABCP-programma verantwoordelijke
bedrijfsonderdeel, alsook van het bedrijfsonderdeel dat verantwoordelijk is
voor de relatie met de cliënten; h) de instelling houdt de resultaten van haar interne ratings in de tijd
bij om haar interne beoordelingsmethode te evalueren en past deze methode zo
nodig aan wanneer de prestaties van de posities regelmatig afwijken van die
welke in de interne ratings zijn vermeld; i) het ABCP-programma bevat overnemingsnormen in de vorm van krediet- en
beleggingsrichtsnoeren. Bij zijn
beslissing over de aankoop van een activum onderzoekt de
ABCP-programmabeheerder het type activum dat wordt gekocht, het soort en de
geldelijke waarde van de uitzettingen die uit het verstrekken van
liquiditeitsfaciliteiten en kredietverbeteringen voortvloeien, de verdeling van
verliezen en de juridische en economische scheiding van de overgedragen activa
van de entiteit die deze activa verkoopt. Er wordt een kredietanalyse van het risicoprofiel van de verkoper van
de activa uitgevoerd, die tevens een onderzoek omvat naar de vroegere en te
verwachten financiële prestaties, de huidige marktpositie, het verwachte
concurrentievermogen in de toekomst, de verhouding vreemd/eigen vermogen, de
kasstromen, de rentedekking en de schuldrating. Bovendien wordt een onderzoek uitgevoerd naar de overnemingsnormen van
de verkoper, zijn vermogen om schulden af te lossen en zijn inningsprocedures; j) in de overnemingsnormen van het ABCP-programma worden minimale
toelaatbaarheidscriteria voor activa vastgesteld waarbij met name: i) de aankoop van activa waarvoor er sprake is van een significante
betalingsachterstand of van wanbetaling, wordt uitgesloten; ii) een al te sterke concentratie op een individuele debiteur of
geografisch gebied wordt tegengegaan; iii) de looptijd van de te kopen activa wordt beperkt; k) het ABCP-programma beschikt over inningsstrategieën en -procedures die
rekening houden met de operationele capaciteit en kredietkwaliteit van de
beheerder. Het ABCP-programma beperkt
het risico betreffende de prestaties van de verkoper en de beheerder aan de
hand van uiteenlopende methoden, zoals reactiemechanismen op basis van de
actuele kredietkwaliteit waardoor een „commingling” van middelen kan worden
voorkomen; l) bij de totale raming van verliezen op een pool van activa die het
ABCP-programma overweegt te kopen, wordt met alle bronnen van potentiële
risico's, zoals krediet- en verwateringsrisico, rekening gehouden. Indien het niveau van de door de verkoper geboden
kredietverbetering uitsluitend is gebaseerd op kredietgerelateerde verliezen,
dan moet een aparte reserve worden ingesteld voor verwateringsrisico indien dit
verwateringsrisico van materieel belang is voor de specifieke pool van
uitzettingen. Bovendien onderzoekt
het programma, met het oog op de vaststelling van het vereiste niveau van
kredietverbetering, de historische gegevens van meerdere jaren welke onder meer
betrekking hebben op verliezen, betalingsachterstanden, verwatering en de
omlooptijd van kortlopende vorderingen; m) het ABCP-programma zorgt ervoor dat de aankoop van posities structurele
kenmerken, zoals afbouwmechanismen, bevat om de potentiële
kredietverslechtering van de onderliggende portefeuille tegen te gaan. 4.
Volgens de internebeoordelingsbenadering wordt de
positie zonder een rating door de instelling in een van de in lid 3, punt e),
beschreven ratingklassen ondergebracht. Aan deze positie wordt dezelfde afgeleide rating toegekend als aan de
kredietbeoordelingen die met die ratingklasse overeenstemmen zoals in lid 3,
punt e), wordt uiteengezet. Wanneer
deze afgeleide rating bij de aanvang van de securitisatie een niveau heeft van
investment grade of hoger, wordt deze rating voor de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen op één lijn gesteld met een erkende
kredietbeoordeling door een erkende EKBI. 5.
Instellingen die toestemming hebben gekregen voor
het gebruik van de 'internebeoordelingsbenadering' vallen niet terug op andere
methoden, tenzij aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond
dat de instelling daartoe goede gronden heeft; b) de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde
autoriteit ontvangen. Artikel 255
Maximale risicogewogen uitzettingsbedragen Voor een initiërende instelling, een sponsor
of voor andere instellingen die KIRB kunnen berekenen, mogen de
risicogewogen uitzettingsbedragen die zij met betrekking tot hun posities in
een securitisatie berekenen beperkt blijven tot de posten die overeenkomstig
artikel 87, lid 3, een eigenvermogensvereiste zouden opleveren dat gelijk is
aan de som van 8 % van de risicogewogen uitzettingsbedragen die zouden ontstaan
indien de gesecuritiseerde activa niet gesecuritiseerd zouden zijn en op de
balans van de instelling zouden zijn opgenomen, en de verwachte verliesposten
voor deze uitzettingen. Artikel 256
Op ratings gebaseerde methode 1.
Overeenkomstig de op ratings gebaseerde methode
berekent de instelling het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatie- of hersecuritisatiepositie met een rating door op de
uitzettingswaarde het desbetreffende risicogewicht toe te passen en het
resultaat met 1,06 te vermenigvuldigen. Het toepasselijke risicogewicht is het
risicogewicht als vastgesteld in tabel 4 waaraan de kredietbeoordeling van de
positie is verbonden overeenkomstig afdeling 4. Tabel 4 Kredietkwaliteitscategorie || Securitisatieposities || Hersecuritisatieposities Andere kredietbeoordelingen dan kredietbeoordelingen voor de korte termijn || Kredietbeoordelingen voor de korte termijn || A || B || C || D || E 1 || 1 || 7% || 12% || 20% || 20% || 30% 2 || || 8% || 15% || 25% || 25% || 40% 3 || || 10% || 18% || 35% || 35% || 50% 4 || 2 || 12% || 20% || || 40% || 65% 5 || || 20% || 35% || || 60% || 100% 6 || || 35% || 50% || 100% || 150% 7 || 3 || 60% || 75% || 150% || 225% 8 || || 100% || 200% || 350% 9 || || 250% || 300% || 500% 10 || || 425% || 500% || 650% 11 || || 650% || 750% || 850% Alle overige en zonder rating || 1250% De risicogewichten van kolom C van tabel 4
worden toegepast wanneer de securitisatiepositie geen hersecuritisatiepositie
betreft en wanneer het effectieve aantal gesecuritiseerde uitzettingen minder
dan zes bedraagt. Op de resterende securitisatieposities die geen
hersecuritisatieposities betreffen, worden de risicogewichten van kolom B
toegepast, tenzij de positie zich in de tranche van de hoogste rang van een
securitisatie bevindt, in welk geval de risicogewichten van kolom A worden
toegepast. Op hersecuritisatieposities worden de risicogewichten
van kolom E toegepast, tenzij de hersecuritisatiepositie zich in de tranche van
de hoogste rang van een hersecuritisatie bevindt en geen van de onderliggende
uitzettingen zelf hersecuritisatieposities waren, in welk geval de
risicogewichten van kolom D worden toegepast. Om vast te stellen of een bepaalde tranche de
hoogste rang heeft behoeft geen rekening te worden gehouden met verschuldigde
bedragen in het kader van rente- of valutaderivatencontracten, verschuldigde
vergoedingen of andere soortgelijke betalingen. Om het effectieve aantal gesecuritiseerde
uitzettingen te berekenen, moeten meerdere uitzettingen op één debiteur als één
uitzetting worden beschouwd. Het
effectieve aantal uitzettingen wordt als volgt berekend: waarbij EADi de som is van de waarde van alle
uitzettingen op de i-de debiteur. Indien
het aandeel in de portefeuille van de grootste uitzetting, C1, beschikbaar is,
mag de instelling N berekenen als 1/C1. 2.
Kredietrisicolimitering ten aanzien van
securitisatieposities mag overeenkomstig artikel 259, leden 1 en 4, in
aanmerking worden genomen, behoudens de voorwaarden in artikel 242. Artikel 257
Benadering met toezichthoudersformule 1.
Overeenkomstig de benadering met
toezichthoudersformule wordt het risicogewicht voor een securitisatiepositie
berekend als volgt, behoudens een minimum van 20 % voor hersecuritisatieposties
en 7 % voor alle andere securitisatieposities: waarbij: waarbij: ; ; ; ; ; ; ; ; ; τ
= 1000; ω
= 20; Beta
[x; a, b] =
de cumulatieve kansdichtheidsfunctie van de
betadistributie met de parameters a en b, berekend in het punt x. T = de omvang van de tranche waarin de
positie wordt gehouden, gemeten als de verhouding tussen a) het nominale bedrag
van de tranche en b) de som van de nominale bedragen van de uitzettingen die
zijn gesecuritiseerd. Voor in bijlage
II opgenomen derivaten wordt in plaats van het nominale bedrag gebruik gemaakt
van de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige
kredietuitzetting, berekend overeenkomstig hoofdstuk 6; KIRBR
= de verhouding tussen a) KIRB
en b) de som van de uitzettingswaarden van de uitzettingen die gesecuritiseerd
zijn, en wordt in decimale vorm uitgedrukt. L = het kredietverbeteringsniveau, gemeten
als de verhouding tussen het nominale bedrag van alle tranches die
achtergesteld zijn bij de tranche waarin de positie wordt gehouden en de som
van de nominale bedragen van de uitzettingen die gesecuritiseerd zijn. Gekapitaliseerde toekomstige inkomsten worden
niet in de meting van L betrokken. Door tegenpartijen verschuldigde bedragen in
verband met in bijlage II genoemde afgeleide instrumenten die tranches van een
lagere rangorde vertegenwoordigen dan de desbetreffende tranche, kunnen bij de
berekening van het niveau van de kredietverbetering tegen hun actuele
vervangingswaarde worden berekend, exclusief de potentiële toekomstige
kredietrisico's. N = het effectieve aantal uitzettingen,
berekend overeenkomstig artikel 256. In geval van hersecuritisaties neemt de instelling het aantal
securitisatieposities in de pool en niet het aantal onderliggende uitzettingen
in de oorspronkelijke pools die aan de onderliggende securitisatieposities ten
grondslag liggen in aanmerking; ELGD = het risicogewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling, als volgt
berekend: waarbij: LGDi
= de gemiddelde LGD die verbonden
is met alle uitzettingen op de i-de debiteur, waarbij LGD overeenkomstig
hoofdstuk 3 wordt bepaald. In geval
van hersecuritisatie wordt een LGD van 100 % op de gesecuritiseerde posities
toegepast. Wanneer wanbetalings- en
verwateringsrisico voor kortlopende gekochte vorderingen in een securitisatie
op geaggregeerde wijze worden behandeld, wordt de input van de LGDi
geconstrueerd als een gewogen gemiddelde van de LGD voor het kredietrisico en 75 %
van het LGD voor het verwateringsrisico. De risicogewichten zijn de afzonderlijke eigenvermogensvereisten voor
respectievelijk het kredietrisico en het verwateringsrisico. 2.
Wanneer het nominale bedrag van de grootste
gesecuritiseerde uitzetting, C1, niet meer dan 3 % van de som
van het nominale bedrag van de gesecuritiseerde uitzettingen uitmaakt, dan mag
de instelling in het kader van de benadering met toezichthoudersformule,
bepalen dat LGD=50 % en N berekend wordt aan de hand van een van beide volgende
mogelijkheden: waarbij: Cm
= de verhouding tussen de som
van de nominale bedragen van de grootste 'm'-uitzettingen en de som van de
nominale bedragen van de gesecuritiseerde uitzettingen. Het niveau van 'm' mag door de instelling worden bepaald. Voor securitisaties waarbij alle gesecuritiseerde
uitzettingen materieel uitzettingen zijn op particulieren en kleine partijen,
mogen de instellingen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,
gebruik maken van de benadering met toezichthoudersformule met behulp van de
vereenvoudigingen h=0 en v=0, op voorwaarde dat het effectieve aantal
uitzettingen niet laag is en de uitzettingen niet sterk geconcentreerd zijn. 3.
De bevoegde autoriteiten houden de EBA op de hoogte
van het gebruik dat de instellingen maken van het vorige lid. De EBA gaat na welke werkwijzen op dit gebied
worden gevolgd en geeft in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU)
nr. 1093/2010 richtsnoeren. 4.
Kredietrisicolimitering ten aanzien van
securitisatieposities mag overeenkomstig de leden 2 tot en met 4 van artikel 259
in aanmerking worden genomen, behoudens de voorwaarden in artikel 242. Artikel 258
Liquiditeitsfaciliteiten 1.
Om de uitzettingswaarde te bepalen van een
securitisatiepositie zonder rating in de vorm van voorschotfaciliteiten mag een
omrekeningsfactor van 0 % worden toegepast op het nominale bedrag van een
liquiditeitsfaciliteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 250, lid 2. 2.
Wanneer het voor de instelling niet doenlijk is de
risicogewogen uitzettingsbedragen voor de gesecuritiseerde uitzettingen te
berekenen alsof deze niet gesecuritiseerd zijn, mag een instelling bij wijze
van uitzondering tijdelijk de methode van lid 3 toepassen voor de berekening
van risicogewogen uitzettingsbedragen voor een securitisatiepositie zonder
rating in de vorm van een liquiditeitsfaciliteit die voldoet aan de voorwaarden
in punt 250, lid 1. De instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis
van het gebruik dat zij van de eerste zin maken alsook van hun motivering en de
voorgenomen periode van gebruik. 3.
Het hoogste risicogewicht dat overeenkomstig
hoofdstuk 2 op alle gesecuritiseerde uitzettingen zou worden toegepast als zij
niet gesecuritiseerd zouden zijn, mag worden toegepast op de
securitisatiepositie vertegenwoordigd door een liquiditeitsfaciliteit die
voldoet aan de voorwaarden in artikel 250, lid 1. Voor het bepalen van de uitzettingswaarde van de positie wordt een
omrekeningsfactor van 100% toegepast. Artikel 259
Kredietrisicolimitering voor securitisatieposities die
onderworpen zijn aan de interne-ratingbenadering 1.
Wanneer risicogewogen uitzettingsbedragen worden
berekend met gebruikmaking van de op ratings gebaseerde methode, mag de
uitzettingswaarde of het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatiepositie ten aanzien waarvan kredietprotectie is verkregen, worden
gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 die met het oog op de
berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk 2 van
toepassing zijn. 2.
In geval van volledige kredietprotectie zijn,
wanneer risicogewogen uitzettingsbedragen worden berekend met gebruikmaking van
de benadering met toezichthoudersformule, de volgende vereisten van toepassing: a) de instelling stelt het 'effectieve risicogewicht' van de positie vast. Zij doet dit door het risicogewogen
uitzettingsbedrag van de positie te delen door de uitzettingswaarde van de
positie en de uitkomst met 100 te vermenigvuldigen; b) in geval van gedekte kredietprotectie wordt het risicogewogen
uitzettingsbedrag van de securitisatiepositie berekend door de voor de gedekte
protectie gecorrigeerde uitzettingswaarde van de positie (E*), als
berekend overeenkomstig hoofdstuk 4 met het oog op de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk 2, waarbij E het
bedrag van de securitisatiepositie weergeeft, te vermenigvuldigen met het
effectieve risicogewicht; c) in geval van ongedekte kredietprotectie wordt het risicogewogen
uitzettingsbedrag van de securitisatiepositie berekend door het bedrag van de
protectie, gecorrigeerd voor iedere valutamismatch en looptijdverschil (GA)
overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4, te vermenigvuldigen met het
risicogewicht van de protectiegever en
dit vervolgens op te tellen bij het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag
van de securitisatiepositie minus GA te vermenigvuldigen met het
effectieve risicogewicht. 3.
In geval van gedeeltelijke kredietprotectie zijn,
wanneer risicogewogen uitzettingsbedragen worden berekend met gebruikmaking van
de benadering met toezichthoudersformule, de volgende vereisten van toepassing: a) indien de kredietrisicolimitering het eerste verlies of de verliezen op
de securitisatiepositie op proportionele basis dekt, mag de instelling lid 2
toepassen; b) in de overige gevallen behandelt de instelling de securitisatiepositie
als twee of meer posities, waarbij het ongedekte gedeelte als de positie met de
laagste kredietkwaliteit wordt beschouwd. Met het oog op de berekening van het risicogewogen uitzettingsbedrag
voor deze positie zijn de bepalingen in artikel 257 van toepassing, behoudens
de volgende wijzigingen: T wordt vervangen door e* in geval van gedekte
protectie en door T-g in geval van ongedekte
protectie, waarbij e* de verhouding weergeeft tussen E*
en het totale notionele bedrag van de onderliggende pool, E* de
aangepaste waarde is van de securitisatiepositie, berekend overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk die met het oog op de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk van toepassing zijn, E het bedrag
van de securitisatiepositie weergeeft, en g de ratio weergeeft van het nominale bedrag van de
kredietprotectie, gecorrigeerd voor iedere valutamismatch of looptijdverschil
overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 en de som van de posten van de
gesecuritiseerde uitzettingen. In
geval van ongedekte kredietprotectie wordt het risicogewicht van de
protectiegever toegepast op dat gedeelte van de positie dat niet onder de
aangepaste waarde van T valt. 4.
Wanneer, in geval van ongedekte kredietprotectie,
de bevoegde autoriteiten de instelling toestemming hebben verleend voor de
berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen voor vergelijkbare
rechtstreekse uitzettingen op de protectiegever in overeenstemming met
hoofdstuk 3, wordt het risicogewicht g van uitzettingen op de protectiegever
overeenkomstig artikel 230 bepaald zoals gespecificeerd in hoofdstuk 3. Artikel 260
Additionele eigenvermogensvereisten voor securitisaties
van revolverende posities met vervroegde-aflossingsbepalingen 1.
Afgezien van de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen met betrekking tot haar securitisatieposities berekent een
initiërende instelling een risicogewogen uitzettingsbedrag volgens de in
artikel 251 beschreven methode wanneer zij revolverende posities met een
vervroegde-aflossingsbepaling verkoopt in het kader van een securitisatie. 2.
In afwijking van artikel 251, is de
uitzettingswaarde van het belang van de initiator de som van de volgende
posten: a) de uitzettingswaarde van het notionele gedeelte van een in het kader
van een securitisatie verkochte pool van opgenomen bedragen, waarvan de
verhouding ten opzichte van het bedrag van de totale in het kader van de
structuur verkochte pool het gedeelte van de kasstromen bepaalt die worden
gegenereerd door de inning van aflossingsbetalingen op de hoofdsom en van
rentebetalingen en andere daarmee samenhangende bedragen en die niet
beschikbaar zijn om betalingen te verrichten aan degenen die posities in de
securitisatie hebben; b) de uitzettingswaarde van het gedeelte van de pool van niet-opgenomen
bedragen van de kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de
securitisatie zijn verkocht, waarvan de verhouding ten opzichte van het totale
bedrag van dergelijke niet-opgenomen bedragen dezelfde is als de verhouding van
het in punt a) beschreven uitzettingswaarde en de uitzettingswaarde van de pool
van opgenomen bedragen die in het kader van de securitisatie zijn verkocht. Het belang van de initiator is niet achtergesteld
aan het belang van de beleggers. De uitzettingswaarde van het belang van de
beleggers is de uitzettingswaarde van het notionele gedeelte van de pool van
opgenomen bedragen dat niet onder punt a) valt, plus de uitzettingswaarde van
het gedeelte van de pool van niet-opgenomen bedragen van kredietlijnen waarvan
de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht, dat niet
onder punt b) valt. 3.
Het risicogewogen uitzettingsbedrag met betrekking
tot de uitzettingswaarde van het belang van de initiator overeenkomstig punt a)
van lid 2 is de waarde van een positie die evenredig is met de gesecuritiseerde
uitzettingen alsof deze niet gesecuritiseerd zijn en een positie die evenredig
is met de niet-opgenomen bedragen van de kredietlijnen waarvan de opgenomen
bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht. Artikel 261
Vermindering van risicogewogen uitzettingsbedragen 1.
Het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1250 % wordt toegekend, mag
worden verminderd met 12,5 maal het bedrag van alle specifieke
kredietrisicoaanpassingen die door de instelling op de gesecuritiseerde
uitzettingen worden toegepast. Specifieke
kredietrisicoaanpassingen die aldus in aanmerking worden genomen, worden buiten
beschouwing gelaten voor de berekening die in artikel 155 wordt vermeld. 2.
Het risicogewogen uitzettingsbedrag van een
securitisatiepositie kan worden verminderd met 12,5 maal het bedrag van
alle specifieke kredietaanpassingen die door de instelling op de positie worden
toegepast. 3.
Overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder k),
beschikken instellingen ten aanzien van een securitisatiepositie waarop een
risicogewicht van 1250 % van toepassing is over de mogelijkheid om de
uitzettingswaarde van deze positie van hun eigen vermogen af te trekken, in
plaats van de positie bij de berekening van de risicogewogen
uitzettingsbedragen mee te tellen, behoudens het volgende: a) de uitzettingswaarde van de positie mag worden afgeleid van de
risicogewogen uitzettingsbedragen, waarbij rekening wordt gehouden met alle
verminderingen overeenkomstig de leden 1 en 2; b) bij de berekening van de uitzettingswaarde mag de toelaatbare gedekte
protectie in aanmerking worden genomen op een wijze die strookt met de in de
artikelen 242 en 259 voorgeschreven methode; c) wanneer de benadering met toezichthoudersformule wordt gebruikt om
risicogewogen uitzettingsbedragen te berekenen en L < KIRBR en
[L+T] > KIRBR, mag de positie worden behandeld als twee posities
waarbij voor de positie met de hoogste rangorde L gelijk is aan KIRBR. 4.
Wanneer een instelling gebruik maakt van de optie
in lid 3 mag zij 12,5 maal het bedrag dat overeenkomstig dat lid afgetrokken
wordt in mindering brengen op het bedrag dat in artikel 255 wordt
gespecificeerd als het bedrag waartoe het risicogewogen uitzettingsbedrag ten
aanzien van haar posities in een securitisatie mag worden beperkt. Afdeling 4
Externe
kredietbeoordelingen Artikel 262
Erkenning van EKBI's 1.
De instellingen mogen voor de bepaling van het
risicogewicht van een securitisatiepositie van kredietbeoordelingen van een
erkende EKBI slechts gebruik maken wanneer de kredietbeoordeling is gegeven
door een EKBI of is bevestigd door een erkende EKBI overeenkomstig Verordening
(EG) nr. 1060/2009. 2.
Erkende EKBI's zijn alle ratingbureaus die zijn
geregistreerd of gecertificeerd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1060/2009
en centrale banken die ratings geven die zijn vrijgesteld van Verordening (EG)
nr. 1060/2009. 3.
De EBA publiceert een lijst van erkende EKBI's. Artikel 263
Vereisten waaraan de kredietbeoordelingen van EKBI's
moeten voldoen Voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig afdeling 3 gebruiken de instellingen een
kredietbeoordeling van een erkende EKBI slechts indien aan de volgende
voorwaarden is voldaan: a) er is geen incongruentie tussen de soorten betalingen die in de
kredietbeoordeling tot uiting komen en de soorten betalingen waarop de
instelling recht heeft overeenkomstig het contract dat tot de betrokken
securitisatiepositie aanleiding heeft gegeven; b) de kredietbeoordelingen, procedures,
methoden, aannames en de belangrijkste elementen ter ondersteuning van de
beoordelingen zijn door de EKBI gepubliceerd. Tevens publiceert de EKBI
verlies- en kasstroomanalyses en gegevens betreffende de gevoeligheid van de
ratings voor veranderingen in de onderliggende ratingveronderstellingen, met
inbegrip van de prestaties van poolactiva. Informatie die slechts aan een
beperkt aantal entiteiten ter beschikking is gesteld, wordt geacht te zijn
gepubliceerd. De kredietbeoordelingen worden opgenomen in de overgangsmatrix
van de EKBI; c) de kredietbeoordeling wordt niet geheel of gedeeltelijk gebaseerd op ongedekte
steun die door de instelling zelf wordt verstrekt. In een dergelijk geval beschouwt de instelling de desbetreffende
positie met het oog op de berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen voor
deze positie overeenkomstig afdeling 3 als zonder rating. De EKBI is verplicht toelichting te publiceren
betreffende de wijze waarop de prestaties van poolactiva deze
kredietbeoordeling beïnvloeden. Artikel 264
Gebruik van kredietbeoordelingen 1.
Een instelling mag een of meer erkende EKBI's
aanwijzen als de EKBI's waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken bij
de berekening van haar risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig dit
hoofdstuk ('aangewezen EKBI'). 2.
Een instelling gebruikt de kredietbeoordelingen
consistent en niet selectief ten aanzien van haar securitisatieposities,
overeenkomstig de volgende beginselen: a) een instelling mag geen gebruik maken van de kredietbeoordelingen van
de ene EKBI ten aanzien van haar posities in bepaalde tranches en van de
kredietbeoordelingen van een andere EKBI voor haar posities in andere tranches
binnen dezelfde securitisatie waarvoor al dan niet een rating van de
eerstgenoemde EKBI beschikbaar is; b) wanneer ten aanzien van een positie twee kredietbeoordelingen van
aangewezen EKBI's beschikbaar zijn, past de instelling de minst gunstige
kredietbeoordeling toe; c) wanneer ten aanzien van een positie meer dan twee kredietbeoordelingen
van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn, zijn de twee gunstigste kredietbeoordelingen
van toepassing. Indien de twee
gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn, is de minst gunstige van
beide van toepassing. 3.
Wanneer kredietprotectie die krachtens hoofdstuk 4
toelaatbaar is rechtstreeks aan de SSPE wordt verstrekt, en die protectie tot
uitdrukking komt in de kredietbeoordeling van een positie door een aangewezen
EKBI, kan het risicogewicht worden gebruikt dat met die kredietbeoordeling is
verbonden. Wanneer de protectie
krachtens hoofdstuk 4 niet toelaatbaar is, wordt de kredietbeoordeling niet in
aanmerking genomen. Wanneer de
kredietprotectie niet aan de SSPE wordt verstrekt, maar rechtstreeks op een
securitisatiepositie wordt toegepast, wordt de kredietbeoordeling niet in
aanmerking genomen. Artikel 265
Mapping De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen om voor alle erkende EKBI's te bepalen in welke
kredietkwaliteitscategorie van dit hoofdstuk de desbetreffende
kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt ondergebracht. Het bepalen in welke kredietkwaliteitscategorie
de kredietbeoordeling wordt ondergebracht, gebeurt objectief en consistent en
met inachtneming van de volgende beginselen: a) de EBA maakt onderscheid tussen de relatieve risicograden waaraan door
elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven; b) de EBA houdt rekening met kwantitatieve factoren, zoals wanbetalings-
en/of verliesgraden en de historische prestaties van de kredietbeoordelingen
van elke EKBI in de verschillende activaklassen; c) de EBA houdt rekening met kwalitatieve factoren zoals het scala van de
transacties die door de EKBI worden beoordeeld, haar methode en de betekenis
van haar kredietbeoordelingen, met name of deze gebaseerd zijn op verwacht
verlies of eerste-euroverlies; d) de EBA tracht ervoor te zorgen dat securitisatieposities waarop in het
kader van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI's hetzelfde risicogewicht is
toegepast, aan gelijkwaardige kredietrisicograden blootstaan. Dit houdt tevens in dat de EBA in voorkomend
geval haar oordeel over de kredietkwaliteitscategorie waarin een bepaalde
kredietbeoordeling moet worden ondergebracht, wijzigt. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid
toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te
stellen volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Hoofdstuk 6
Tegenpartijkredietrisico Afdeling 1
definities Artikel 266
Bepaling van de uitzettingswaarde 1.
Een instelling bepaalt de uitzettingswaarde van in
bijlage II opgenomen afgeleide instrumenten overeenkomstig dit hoofdstuk 2.
Een instelling mag de uitzettingswaarde van repo's,
opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, transacties met
afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties bepalen overeenkomstig
dit hoofdstuk in plaats van gebruik te maken van hoofdstuk 4. Artikel 267
Definities Voor de toepassing van dit hoofdstuk en titel
VI wordt verstaan onder: Algemene termen (1)
'Tegenpartijkredietrisico' (hierna 'CCR' genoemd):
het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de
definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft
plaatsgevonden; Transactiesoorten (2)
'Transacties met afwikkeling op lange termijn':
transacties waarbij een tegenpartij toezegt een hoeveelheid effecten,
grondstoffen of deviezen te leveren tegen contanten, andere financiële
instrumenten of grondstoffen, of vice versa, op een afwikkelings- of
leveringsdatum die contractueel later valt dan de marktstandaard voor dit type
transactie of vijf werkdagen na de datum waarop de instelling de transactie
aangaat, indien deze datum eerder valt; (3)
'Margeleningstransacties': transacties waarbij een
instelling krediet verleent voor de aan- of verkoop, het aanhouden of het
verhandelen van effecten. Andere
leningen die door zekerheid in de vorm van effecten gedekt zijn, vallen niet
onder margeleningstransacties; Samenstel
van verrekenbare transacties, samenstel van afdekkingsinstrumenten en daarmee
verband houdende termen (4)
'Samenstel van verrekenbare transacties' (netting
set): een groep tussen een instelling en één tegenpartij gesloten transacties
die onderworpen is aan een in rechte afdwingbare bilaterale
verrekeningsovereenkomst welke in aanmerking genomen wordt overeenkomstig
afdeling 7 en hoofdstuk 4; Elke
transactie die niet onderworpen is aan een in rechte afdwingbare bilaterale
verrekeningsovereenkomst die overeenkomstig afdeling 7 in aanmerking genomen
wordt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk als een apart samenstel van
verrekenbare transacties behandeld. Volgens
de in afdeling 6 beschreven internemodellenmethode kunnen alle samenstellen van
verrekenbare transacties met een en dezelfde tegenpartij worden behandeld als
één samenstel indien de negatieve gesimuleerde marktwaarden van de
afzonderlijke samenstellen bij de raming van de verwachte uitzetting op 0
worden bepaald (hierna 'EE' genoemd); (5)
'Risicopositie': een risicowaarde die volgens de in
afdeling 5 beschreven standaardmethode aan een transactie wordt toegekend op
basis van een vooraf bepaald algoritme; (6)
'Samenstel van afdekkingsinstrumenten': een groep
risicoposities uit hoofde van transacties die tot eenzelfde samenstel van
verrekenbare transacties behoren, waarbij alleen het saldo van die
risicoposities gebruikt wordt voor de bepaling van de uitzettingswaarde volgens
de in afdeling 5 beschreven standaardmethode; (7)
'Margeovereenkomst': een overeenkomst of een aantal
clausules in een overeenkomst op grond waarvan een tegenpartij een zekerheid
aan een tweede tegenpartij moet verstrekken wanneer een uitzetting van deze
tweede tegenpartij op de eerste tegenpartij een bepaalde hoogte overschrijdt; (8)
'Margedrempel': het hoogste bedrag dat een
uitstaande uitzetting mag bereiken voordat een partij het recht heeft een
zekerheid te vereisen; (9)
'Margerisicoperiode' (margin period of risk): de
periode vanaf de recentste ruil van zekerheden ter dekking van een samenstel
van verrekenbare transacties met een in gebreke blijvende tegenpartij totdat de
transacties zijn geliquideerd en het resulterende marktrisico opnieuw is
afgedekt; (10)
'Effectieve looptijd volgens de op een intern model
berustende methode, voor een samenstel van verrekenbare transacties met een
looptijd van meer dan een jaar': het verhoudingsgetal tussen de som van de
verwachte uitzetting over de looptijd van de transacties van een samenstel van
verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement, gedeeld
door de som van de verwachte uitzetting over één jaar van een samenstel van
verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement; Deze
effectieve looptijd mag worden aangepast voor het doorrolrisico door de
verwachte uitzetting te vervangen door de feitelijk verwachte uitzetting over
een prognosehorizon van minder dan een jaar; (11)
'Productoverschrijdende verrekening': de opneming
van transacties met betrekking tot verschillende productcategorieën in
hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties overeenkomstig de in dit
hoofdstuk vervatte regels voor productoverschrijdende verrekening; (12)
'Actuele marktwaarde' (current market value)
(hierna 'CMV' genoemd): voor de toepassing van afdeling 5, de netto
marktwaarde van de portefeuille van transacties binnen een samenstel van
verrekenbare transacties met de tegenpartij, waarbij bij de berekening van de
CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden gebruikt; Distributies (13)
'Distributie van marktwaarden': de prognose van de
waarschijnlijkheidsdistributie van netto marktwaarden van transacties binnen een
samenstel van verrekenbare transacties voor een datum in de toekomst (de
prognosehorizon) in het licht van de gerealiseerde marktwaarde van die
transacties op de datum van de prognose; (14)
'Distributie van uitzettingen': de prognose van de
waarschijnlijkheidsdistributie van marktwaarden waarbij de verwachte negatieve
netto marktwaarden door nul worden vervangen; (15)
'Risiconeutrale distributie': een distributie van
marktwaarden of uitzettingen tijdens een periode in de toekomst waarbij de
distributie wordt berekend aan de hand van impliciete marktwaarden, zoals
impliciete volatiliteiten; (16)
'Werkelijke distributie': een distributie van
marktwaarden of uitzettingen tijdens een periode in de toekomst waarbij de
distributie wordt berekend aan de hand van historische of gerealiseerde
waarden, zoals volatiliteiten die zijn berekend op basis van prijs- of
koerswijzigingen welke zich in het verleden hebben voorgedaan; Metingen
van uitzetting en aanpassingen (17)
'Actuele uitzetting': gelijk aan nul of, indien
deze groter is, de marktwaarde van een transactie of een portefeuille van
transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties met een
tegenpartij welke verloren zou gaan indien de tegenpartij in gebreke blijft,
ervan uitgaande dat bij insolventie of liquidatie niets van de waarde van die
transacties kan worden teruggevorderd; (18)
'Maximumuitzetting': een hoog percentiel van de
distributie van uitzettingen op een bepaalde datum in de toekomst vóór de
vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare
transacties; (19)
'verwachte uitzetting' (expected exposure) (hierna
'EE' genoemd): het gemiddelde van de distributie van uitzettingen op een
bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende
transactie van het samenstel van verrekenbare transacties; (20)
'effectieve verwachte uitzetting op een specifieke
datum' (hierna 'effectieve EE' genoemd): de hoogste verwachte uitzetting die
zich voordoet op die bepaalde datum of de effectieve verwachte uitzetting op de
eerdere datum; (21)
'verwachte positieve uitzetting' (expected positive
exposure) (hierna 'EPE' genoemd): het gewogen gemiddelde in de tijd van de
verwachte uitzettingen, waarbij de gewichten het gedeelte zijn van de volledige
duur die een afzonderlijke verwachte uitzetting vertegenwoordigt; Bij
de berekening van het eigenvermogensvereiste nemen de instellingen het
gemiddelde over het eerste jaar of indien alle contracten binnen het samenstel
van verrekenbare transacties over minder dan een jaar vervallen, over de
periode totdat het contract met de langste looptijd in het samenstel van
verrekenbare transacties verstrijkt, . (22)
'effectieve verwachte positieve uitzetting' (hierna
'effectieve EPE' genoemd): het gewogen gemiddelde van de effectieve verwachte
uitzetting over het eerste jaar van een samenstel van verrekenbare transacties
of, als alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties over
minder dan een jaar vervallen, over de duur van het langstlopende contract van
het samenstel van verrekenbare transacties, waarbij de gewichten het gedeelte
zijn van de volledige duur die een afzonderlijke verwachte uitzetting
vertegenwoordigt; Met
het CCR samenhangende risico's (23)
'doorrolrisico': het bedrag waarmee de EPE is
onderschat wanneer wordt verwacht dat toekomstige transacties met een
tegenpartij een permanent karakter krijgen; De
additionele uitzetting die uit deze toekomstige transacties voortvloeit, wordt
niet betrokken bij de berekening van de EPE; (24)
'tegenpartij': voor de toepassing van artikel 7,
een rechtspersoon of natuurlijke persoon die een verrekeningsovereenkomst
aangaat, en daartoe handelingsbevoegd is; (25)
'contractuele productoverschrijdende
verrekeningsovereenkomst': een bilaterale overeenkomst tussen een instelling en
een wederpartij waarbij (op basis van verrekening van gedekte transacties) één
juridische verbintenis tot stand komt die alle in de overeenkomst opgenomen tot
verschillende productsoorten behorende bilaterale raamovereenkomsten en
transacties dekt; Voor de toepassing van deze definitie wordt onder
'verschillende productsoorten' verstaan: a) repo's, opgenomen en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen; b) margeleningstransacties; c) de in bijlage II vermelde contracten; (26)
'betalingsgedeelte' (payment leg): de betaling
overeengekomen in het kader van een transactie met een lineair risicoprofiel
die op een otc-derivaat betrekking heeft, waarbij voorzien wordt in de levering
van een financieel instrument tegen betaling. In geval van transacties die voorzien in de ruil
van twee betalingen bestaan die twee betalingsgedeelten uit contractueel
overeengekomen brutobetalingen, met inbegrip van het notionele bedrag van de
transactie. Afdeling 2
Methoden
voor de berekening van de uitzettingswaarde Artikel 268
Methoden voor de berekening van de uitzettingswaarde 1.
De instellingen stellen de uitzettingswaarde voor
de contracten die worden vermeld in bijlage II vast op basis van een van de
methoden die worden beschreven in de afdelingen 3 tot en met 6 in
overeenstemming met dit artikel. Een instelling die niet in aanmerking komt voor de
behandeling van artikel 89 maakt geen gebruik van de oorspronkelijke
uitzettingsmethode. Voor het bepalen
van de uitzettingswaarde voor de contracten die worden vermeld in punt 3 van
bijlage II maakt een instelling geen gebruik van de oorspronkelijke
uitzettingsmethode. Een groep van instellingen mogen permanent gebruik
maken van de methoden die beschreven worden in de afdelingen 3 tot en met 6 en
mogen deze combineren. Eén instelling
mag de methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde niet in combinatie
met de oorspronkelijke uitzettingsmethode gebruiken tenzij een van de methoden
wordt gebruikt voor de gevallen die worden beschreven in artikel 276, lid 6. 2.
Wanneer door de bevoegde autoriteiten toegestaan
overeenkomstig de leden 1 en 2 van artikel 277 mag een instelling de
uitzettingswaarde voor de volgende posten bepalen met behulp van de
internemodellenmethode van afdeling 6: a) de in bijlage II vermelde contracten; b) repo's; c) opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen; d) margeleningstransacties; e) transacties met een lange afwikkelingsduur. 3.
Wanneer een instelling middels een kredietderivaat
protectie koopt voor een uitzetting in de niet-handelsportefeuille of tegen een
tegenpartijrisico-uitzetting, mag zij haar eigenvermogensvereiste voor de
afgedekte uitzetting berekenen in overeenstemming met een van de volgende
punten: a) artikel 228 tot en met 231; b) in overeenstemming met artikel 148, lid 3, of artikel 179, wanneer
toestemming is verleend in overeenstemming met artikel 138. De uitzettingswaarde voor het CCR voor die
kredietderivaten bedraagt nul, tenzij een instelling benadering ii) in punt h)
van artikel 293, lid 2, toepast. 4.
Niettegenstaande lid 3 mag een instelling ervoor
kiezen om voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het
tegenpartijkredietrisico consequent rekening te houden met alle niet in de
handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die zijn gekocht als protectie
voor een uitzetting in de niet-handelsportefeuille of voor een tegenpartijrisico-uitzetting
wanneer de kredietprotectie op grond van deze verordening in aanmerking wordt
genomen. 5.
Wanneer door een instelling verkochte credit
default swaps door een instelling worden behandeld als door die instelling
verleende kredietprotectie en voor het volle notionele bedrag onderworpen zijn
aan een eigenvermogensvereiste voor kredietrisico van de onderliggende waarde,
bedraagt de uitzettingswaarde ervan voor het CCR in de
niet-handelsportefeuille nul. 6.
Volgens alle in de afdelingen 3 tot en met 6
uiteengezette methoden is de uitzettingswaarde voor een bepaalde tegenpartij
gelijk aan de som van de uitzettingswaarden die worden berekend voor ieder
samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij. Wanneer een instelling de risicogewogen uitzettingsbedragen
die voortkomen uit otc-derivaten berekent in overeenstemming met hoofdstuk 2,
ligt de uitzettingswaarde voor een bepaald samenstel van verrekenbare
transacties van afgeleide otc-instrumenten die zijn opgenomen in bijlage II,
berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som
van de uitzettingswaarden van alle samenstellen van verrekenbare transacties
met de tegenpartij en de som van de CVA voor die tegenpartij die door de
instelling als een gemaakte afwaardering in aanmerking wordt genomen. 7.
De instellingen bepalen de uitzettingswaarde voor
uitzettingen die voortkomen uit transacties met afwikkeling op lange termijn
met behulp van elk van de methoden die worden beschreven in de afdelingen 3 tot
en met 6, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de
behandeling van otc-derivaten en repo's, opgenomen of verstrekte effecten- of
grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met
afwikkeling op lange termijn kan een instelling die de benadering van hoofdstuk
3 gebruikt op permanente basis en ongeacht de materialiteit van dergelijke
posities de risicoweging volgens de benadering van hoofdstuk 2 gebruiken. 8.
Voor de methoden van de afdelingen 3 en 4 volgt de
instelling een consistente methode voor het bepalen van het notionele bedrag en
zorgt zij ervoor dat het notionele bedrag waarmee rekening moet worden gehouden
een passende meting oplevert van het inherente risico van het contract. Wanneer het contract voorziet in een
vermenigvuldiging van de kasstromen, moet de notionele waarde door een
instelling worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze
vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract. Afdeling 3
Methode
gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde Artikel 269
Methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde 1.
Om de actuele vervangingswaarde van alle contracten
met een positieve waarde te bepalen, kennen de instellingen de actuele
marktwaarde aan de contracten toe. 2.
Om de potentiële toekomstige kredietuitzetting te
bepalen, vermenigvuldigen de instellingen, al naar het geval, de notionele
bedragen of de onderliggende waarden met de percentages in tabel 1, waarbij zij
de volgende beginselen in acht nemen: a) contracten die niet tot een van de in tabel 1 vermelde vijf categorieën
behoren, worden behandeld als contracten die betrekking hebben op andere
goederen dan edele metalen; b) voor contracten waarbij de hoofdsom meer dan eens wordt betaald, worden
de percentages vermenigvuldigd met het resterende aantal betalingen dat
overeenkomstig het contract nog moet worden verricht; c) voor contracten die gestructureerd zijn om na gespecificeerde
betalingsdata de risicopositie af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig
herzien worden dat de marktwaarde van het contract op die gespecificeerde data
nihil is, is de resterende looptijd gelijk aan de periode tot de volgende
herzieningsdatum. In het geval van
rentecontracten die aan die criteria voldoen en een resterende looptijd van
meer dan één jaar hebben, mag het percentage niet lager zijn dan 0,5 %. Tabel 1 Resterende looptijd || Rentecontracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud || Contracten die betrekking hebben op aandelen || Contracten die betrekking hebben op andere edele metalen dan goud || Contracten die betrekking hebben op andere grondstoffen dan edele metalen Eén jaar of korter || 0 % || 1 % || 6 % || 7 % || 10 % Langer dan één jaar maar niet langer dan vijf jaar || 0.5 % || 5 % || 8 % || 7 % || 12 % Langer dan vijf jaar || 1.5 % || 7.5 % || 10 % || 8 % || 15 % 3.
Voor contracten met betrekking tot andere
grondstoffen dan goud waarvan sprake in punt 3 van bijlage II mag een
instelling, als alternatief voor de toepassing van de percentages in tabel 1,
de percentages in tabel 2 toepassen op voorwaarde dat die instelling voor die
contracten de uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen van artikel 350
volgt. Tabel 2 Resterende looptijd || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Zachte grondstoffen (landbouw) || Overige, inclusief energieproducten Eén jaar of korter || 2 % || 2,5 % || 3 % || 4 % Langer dan één jaar maar niet langer dan vijf jaar || 5 % || 4 % || 5 % || 6 % Langer dan vijf jaar || 7,5 % || 8 % || 9 % || 10 % 4.
De som van de actuele vervangingswaarde en de
potentiële toekomstige kredietuitzetting is de uitzettingswaarde. Afdeling 4
Oorspronkelijke
uitzettingsmethode Artikel 270
Oorspronkelijke uitzettingsmethode 1.
De uitzettingswaarde is het notionele bedrag van
ieder instrument vermenigvuldigd met de percentages in tabel 3. Tabel 3 Oorspronkelijke looptijd || Rentecontracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud Eén jaar of korter || 0,5 % || 2 % Langer dan één jaar, maar niet langer dan twee jaar || 1 % || 5 % Verhoging voor ieder jaar extra || 1 % || 3 % 2.
Voor het berekenen van de uitzettingswaarde van
rentecontracten kan een instelling ervoor kiezen de oorspronkelijke of de
resterende looptijd te gebruiken. Afdeling 5
Standaardmethode Artikel 271
Standaardmethode 1.
Instellingen mogen uitsluitend gebruik maken van de
standaardmethode (hierna 'SM' genoemd) voor de berekening van de
uitzettingswaarde voor otc-derivaten en transacties met afwikkeling op lange
termijn. 2.
Bij de toepassing van de SM berekenen de
instellingen voor elk samenstel van verrekenbare transacties afzonderlijk de
uitzettingswaarde, na aftrek van zekerheid, als volgt: waarbij: CMV = de actuele marktwaarde van de portefeuille
van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de
tegenpartij, exclusief zekerheid, waarbij waarbij: CMVi = de actuele marktwaarde van transactie i; CMC = de actuele marktwaarde van de zekerheid die
aan het samenstel van verrekenbare transacties is toegewezen, waarbij waarbij CMCl = de
actuele marktwaarde van zekerheid l; i = de index die verwijst naar de transactie; l = de index die verwijst naar de zekerheid; j = de index die verwijst naar de categorie
waartoe het samenstel van afdekkingsinstrumenten behoort; De samenstellen van afdekkingsinstrumenten stemmen
daartoe overeen met risicofactoren waarvoor de risicoposities met een
tegengesteld teken kunnen worden gesaldeerd zodat een netto risicopositie wordt
verkregen waarop vervolgens de meting van de uitzetting wordt gebaseerd; RPTij = de
uit transactie i voortvloeiende risicopositie met betrekking tot samenstel van
afdekkingsinstrumenten j; RPClj = de
uit zekerheid l voortvloeiende risicopositie met betrekking tot samenstel van
afdekkingsinstrumenten j; CCRMj = de
CCR-vermenigvuldigingsfactor van tabel 5 met betrekking tot het samenstel van
afdekkingsinstrumenten j; β = 1,4. 3.
Voor de berekening overeenkomstig lid 2: a) toelaatbare zekerheden die van een tegenpartij worden ontvangen, hebben
een positief teken; zekerheden die aan een tegenpartij worden verleend, hebben
een negatief teken; b) voor de SM wordt alleen zekerheid gebruikt die toelaatbaar is
overeenkomstig artikel 193, lid 2, en artikel 232; c) een instellingen mag voorbijgaan aan het renterisico van
betalingsgedeelten met een resterende looptijd van minder dan één jaar; d) een instelling mag transacties die bestaan uit twee betalingsgedeelten
die luiden in dezelfde valuta als één transactie beschouwen. De procedure voor betalingsgedeelten geldt voor
de transactie. Artikel 272
Transacties met een lineair risicoprofiel 1.
De instellingen koppelen transacties met een
lineair risicoprofiel aan risicoposities overeenkomstig de volgende bepalingen: a) transacties met een lineair risicoprofiel waarbij aandelen (met
inbegrip van aandelenindexen), goud, andere edele metalen of andere
grondstoffen als onderliggende waarde fungeren, worden gekoppeld aan een
risicopositie in de desbetreffende aandelen (of de desbetreffende
aandelenindex) of de desbetreffende grondstof en een renterisicopositie voor
het betalingsgedeelte; b) transacties met een lineair risicoprofiel waarbij een schuldinstrument
als het onderliggende instrument fungeert, worden gekoppeld aan een
renterisicopositie voor het schuldinstrument en aan een andere
renterisicopositie voor het betalingsgedeelte; c) bij transacties met een lineair risicoprofiel die voorzien in de ruil
van twee betalingen (met inbegrip van valutatermijntransacties), wordt elk van
beide betalingsgedeelten aan een renterisicopositie gekoppeld; Wanneer in het kader van een transactie als
vermeld in punt a), b) of c) een betalingsgedeelte of het onderliggende
schuldinstrument in een buitenlandse valuta luidt, wordt dat betalingsgedeelte
of onderliggende schuldinstrument eveneens aan een risicopositie in die valuta
gekoppeld. 2.
Voor de toepassing van lid 1 is, behalve voor
schuldinstrumenten, de omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een
transactie met een lineair risicoprofiel gelijk aan de effectieve notionele
waarde (marktprijs maal hoeveelheid) van de onderliggende financiële
instrumenten of grondstoffen, omgerekend in de nationale munteenheid van de
instelling door vermenigvuldiging met de toepasselijke wisselkoers. 3.
Voor schuldinstrumenten en betalingsgedeelten is de
omvang van de risicopositie gelijk aan de effectieve notionele waarde van de
uitstaande brutobetalingen (inclusief het notionele bedrag), omgerekend in de
munteenheid van de lidstaat van herkomst van de instelling, vermenigvuldigd met
de gewijzigde duur van, al naar het geval, het schuldinstrument of het
betalingsgedeelte. 4.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit
een credit default swap is de notionele waarde van het als referentie
fungerende schuldinstrument vermenigvuldigd met de resterende looptijd van de
credit default swap. Artikel 273
Transacties met een niet-lineair risicoprofiel 1.
De instellingen bepalen de omvang van de
risicoposities voor transacties met een niet-lineair risicoprofiel in
overeenstemming met de volgende leden. 2.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit
een otc-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en
swapties), waarvan de onderliggende waarde geen schuldinstrument is, is gelijk
aan het delta-equivalent van de effectieve notionele waarde van het
onderliggende financiële instrument van de transactie in overeenstemming met
artikel 274, lid 1. 3.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit
een otc-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en
swapties) waarvan de onderliggende waarde een schuldinstrument of een
betalingsgedeelte is, is gelijk aan het delta-equivalent van de effectieve
notionele waarde van het financiële instrument of het betalingsgedeelte
vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van, al naar het geval, het
schuldinstrument of het betalingsgedeelte. 4.
Voor de vaststelling van risicoposities behandelen
de instellingen zekerheid als volgt: a) van een tegenpartij ontvangen zekerheid wordt behandeld als een claim
op de tegenpartij overeenkomstig een derivatencontract (longpositie) die
vervalt op de dag dat de vaststelling plaatsvindt; b) aan een tegenpartij verleende zekerheid wordt behandeld als een
verplichting ten opzichte van de tegenpartij (shortpositie) die vervalt op de
dag dat de vaststelling plaatsvindt. Artikel 274
Berekening van risicoposities 1.
Een instelling bepaalt de omvang en het teken van
een risicopositie als volgt: a) voor alle andere instrumenten dan schuldinstrumenten: i) als de effectieve
notionele waarde in geval van een transactie met een lineair risicoprofiel; ii) als het
delta-equivalent in notionele waarde, , in geval van een transactie met een niet-lineair
risicoprofiel; waarbij: Pref = de waarde van het onderliggend
instrument, uitgedrukt in de referentievaluta; V = de waarde van het financieel instrument (in
het geval van een optie is de waarde de optieprijs); p = waarde van het onderliggend instrument,
uitgedrukt in dezelfde valuta als V; b) voor schuldinstrumenten en de betalingsgedeelten van alle transacties: i) als de effectieve notionele waarde
vermenigvuldigd met de gewijzigde duur in geval van een transactie met een
lineair risicoprofiel; ii) als het delta-equivalent in notionele waarde, vermenigvuldigd met de
gewijzigde duur, , in geval van een
transactie met een niet-lineair risicoprofiel, waarbij: V = de waarde van het financieel instrument (in
het geval van een optie is dit de optieprijs); r = renteniveau. Als V wordt uitgedrukt in een andere valuta dan de
referentievaluta, wordt het derivaat omgezet in de referentievaluta door
vermenigvuldiging met de toepasselijke wisselkoers. 2.
Voor de toepassing van de formules in lid 1
groeperen de instellingen de risicoposities in samenstellen van
afdekkingsinstrumenten. Voor elk
samenstel van afdekkingsinstrumenten wordt het absolute bedrag van de som van
de resulterende risicoposities berekend. De netto risicopositie is het resultaat van die berekening en wordt
voor de toepassing van lid 1 als volgt berekend: . Artikel 275
Renterisicoposities 1.
Om de renterisicoposities te berekenen, passen de
instellingen de volgende bepalingen toe. 2.
Voor renterisicoposities die voortvloeien uit: a) gelddeposito's die van de tegenpartij als zekerheid zijn ontvangen; b) betalingsgedeelten; c) onderliggende schuldinstrumenten; waarop in elk geval een kapitaalvereiste van ten
hoogste 1,60 % van toepassing is overeenkomstig tabel 1 van artikel 325,
brengen de instellingen die posities onder in een van de zes samenstellen van
afdekkingsinstrumenten voor elke valuta van tabel 4. Tabel 4 || Rentetarieven waarvoor rente op overheidspapier als referentierentetarief fungeert || Rentetarieven waarvoor rente op niet-overheidspapier als referentierentetarief fungeert Looptijd || < 1 jaar > 1 ≤ 5 jaar > 5 jaar || < 1 jaar > 1 ≤ 5 jaar > 5 jaar 3.
Voor renterisicoposities die voortvloeien uit
onderliggende schuldinstrumenten of betalingsgedeelten en waarvan de rente
gekoppeld is aan een referentierente die een algemeen marktrenteniveau
weerspiegelt, is de resterende looptijd gelijk aan de duur van het
tijdsinterval tot de volgende aanpassing van de rente. In alle overige gevallen is zij gelijk aan de resterende looptijd van
het onderliggende schuldinstrument of, in het geval van een betalingsgedeelte,
de resterende looptijd van de transactie. Artikel 276
Samenstellen van afdekkingsinstrumenten 1.
De instellingen stellen samenstellen van
afdekkingsinstrumenten vast overeenkomstig de leden 2 tot en met 5. 2.
Er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor
elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat als
onderliggende waarde van een credit default swap fungeert. Basket credit default swaps voor de n-de
wanbetaling worden als volgt behandeld: a) de omvang van een risicopositie in een referentieschuldinstrument in
een basket die als onderliggende waarde van een credit default swap voor de
n-de wanbetaling fungeert, is de effectieve notionele waarde van het
referentieschuldinstrument, vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van het
derivaat voor de n-de wanbetaling als gevolg van een verandering in de
creditspread van het referentieschuldinstrument; b) er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elk
referentieschuldinstrument in een basket die als onderliggende waarde van een
bepaalde credit default swap voor de n-de wanbetaling fungeert. Risicoposities die uit verschillende credit
default swaps voor de n-de wanbetaling voortvloeien, worden niet in hetzelfde
samenstel van afdekkingsinstrumenten opgenomen; c) de CCR-vermenigvuldigingsfactor voor elk samenstel van
afdekkingsinstrumenten voor een van de referentieschuldinstrumenten van een
derivaat voor de n-de wanbetaling bedraagt: (i) 0,3 % voor referentieschuldinstrumenten
die van een erkende EKBI een kredietbeoordeling hebben gekregen die overeenkomt
met kredietkwaliteitscategorie 1 tot 3; ii) 0,6 % voor andere schuldinstrumenten. 3.
Voor renterisicoposities die voortvloeien uit: a) gelddeposito's die bij een tegenpartij als zekerheid worden
ondergebracht, wanneer deze tegenpartij geen schuldverplichtingen van een laag
specifiek risico heeft; b) onderliggende schuldinstrumenten; waarop overeenkomstig tabel 1 van artikel 325 een
kapitaalvereiste van meer dan 1,60 % van toepassing is, is er één samenstel van
afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling.
Wanneer een betalingsgedeelte is geënt op zulk een
schuldinstrument, is er eveneens één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor
elke uitgevende instelling van het referentieschuldinstrument. Een instelling mag risicoposities die voortvloeien
uit schuldinstrumenten van een bepaalde uitgevende instelling of uit
referentieschuldinstrumenten van dezelfde uitgevende instelling waarop
betalingsgedeelten zijn geënt of welke als onderliggende waarde van een credit
default swap fungeren, in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten
onderbrengen. 4.
Andere onderliggende financiële instrumenten dan
schuldinstrumenten worden alleen in dezelfde samenstellen van afdekkingsinstrumenten
ondergebracht indien het identieke of vergelijkbare instrumenten betreft. In alle andere gevallen worden zij in
afzonderlijke samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht. Voor de toepassing van dit lid bepalen de
instellingen overeenkomstig de volgende beginselen of onderliggende
instrumenten vergelijkbaar zijn: a) wat aandelen betreft is het onderliggende instrument vergelijkbaar
indien het door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven. Een aandelenindex wordt als een afzonderlijke uitgevende
instelling behandeld; b) wat edele metalen betreft is het onderliggende instrument vergelijkbaar
indien het hetzelfde metaal is. Een
index voor edele metalen wordt als een afzonderlijk edel metaal behandeld; c) wat elektrische energie betreft, zijn de onderliggende instrumenten
vergelijkbaar indien de leveringsrechten en -verplichtingen naar dezelfde
piek- of dallaadtijdinterval binnen een periode van 24 uur verwijzen; d) wat grondstoffen betreft is het onderliggende instrument vergelijkbaar
indien het dezelfde grondstof is. Een
grondstoffenindex wordt als een afzonderlijke grondstof behandeld. 5.
De CCR-vermenigvuldigingsfactoren (hierna 'CCRM'
genoemd) voor de verschillende categorieën van samenstellen van
afdekkingsinstrumenten worden in de volgende tabel aangegeven: Tabel 5 || Categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten || CCRM 1. || Rentetarieven || 0,2 % 2. || Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een credit default swap fungeert en waarop volgens tabel 1 van hoofdstuk 2 van titel IV een kapitaalvereiste van ten hoogste 1,60 % van toepassing is || 0,3 % 3. || Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een schuldinstrument of een referentieschuldinstrument waarop volgens tabel 1 van hoofdstuk 2 van titel IV een kapitaalvereiste van meer dan 1,60 % van toepassing is || 0,6 % 4. || Wisselkoersen || 2,5 % 5. || Elektrische energie || 4 % 6. || Goud || 5 % 7. || Aandelen || 7 % 8. || Edele metalen (met uitzondering van goud) || 8,5 % 9. || Andere grondstoffen (exclusief edele metalen en elektrische energie) || 10 % 10. || Tot geen enkele van de bovengenoemde categorieën behorende onderliggende instrumenten van otc-derivaten || 10 % Onderliggende instrumenten van otc-derivaten als
bedoeld in punt 10 van tabel 5 worden in afzonderlijke samenstellen van
afdekkingsinstrumenten ondergebracht, waarbij elk verschillend onderliggend
financieel instrument in een apart samenstel wordt ondergebracht. 6.
Voor transacties met een niet-lineair risicoprofiel
of voor betalingsgedeelten en transacties met schuldinstrumenten als
onderliggende waarde waarvoor de instelling met behulp van een instrumentmodel
dat door de bevoegde autoriteiten voor de bepaling van de
eigenvermogensvereisten voor het marktrisico is goedgekeurd geen, al naar het
geval, delta of gewijzigde duur kan bepalen, bepaalt de bevoegde autoriteit
ofwel de omvang van de risicoposities en de toe te passen CCRM's op
voorzichtige wijze of vereist zij dat de instelling de methode van afdeling 3
gebruikt. Verrekening wordt niet in aanmerking genomen, d.w.z. de
uitzettingswaarde wordt bepaald alsof er een verrekening bestaat die
uitsluitend de individuele transactie behelst. 7.
Een instelling beschikt over interne procedures om
te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare
verrekeningsovereenkomst die aan de toepasselijke vereisten van afdeling 7
voldoet voordat zij de desbetreffende transactie in het samenstel van
verrekenbare transacties opneemt. 8.
Een instelling die gebruik maakt van zekerheden om
haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of
een zekerheid aan de rechtszekerheidsvereisten van hoofdstuk 4 voldoet voordat
zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt. Afdeling 6
internemodellenmethode Artikel 277
Internemodellenmethode 1.
Mits de bevoegde autoriteiten de zekerheid hebben
verkregen dat door een instelling de vereisten in lid 2 zijn vervuld, verlenen
zij die instelling toestemming de internemodellenmethode (IMM) te gebruiken om
de uitzettingswaarde te berekenen voor een van de volgende transacties: a) transacties in artikel 268, lid 2, punt a); b) transacties in artikel 268, lid 2, punten b), c) en d); c) transacties in artikel 268, lid 2, punten a) tot en met d). Wanneer een instelling de IMM mag gebruiken om de
uitzettingswaarde te berekenen voor elk van de transacties vermeld in de punten
a) tot en met c) van de vorige alinea, mag zij de IMM eveneens gebruiken voor
de transacties in artikel 268, lid 2, punt e). In afwijking van het bepaalde in artikel 268, lid 1,
derde alinea, mag een instelling besluiten deze methode niet toe te passen op
uitzettingen die qua omvang en risico niet materieel zijn.
In een dergelijk geval past een instelling één van de in
de afdelingen 3 tot en met 5 bedoelde methoden op die uitzettingen toe. 2.
De bevoegde autoriteiten staan de instellingen
slechts toe om de IMM te gebruiken voor de berekeningen waarvan sprake in lid 1
indien de instelling heeft aangetoond dat zij voldoet aan de vereisten van deze
afdeling en de bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat de systemen voor
het management van het CCR van de instelling gezond zijn en naar behoren zijn
geïmplementeerd. 3.
De bevoegde autoriteiten mogen de instellingen
toestaan de IMM voor verschillende types transacties gedurende een beperkte
periode ononderbroken te implementeren. Tijdens deze periode van ononderbroken implementatie mogen de
instellingen gebruik maken van de methoden in afdeling 3 of afdeling 5 voor
transactietypes waarvoor zij geen gebruik maken van de IMM. 4.
Voor alle otc-derivatentransacties en transacties
met afwikkeling op lange termijn waarvoor een instelling overeenkomstig lid 1
geen toestemming heeft ontvangen om de IMM te gebruiken, gebruikt zij de
methoden in afdeling 3 of afdeling 5. Het gecombineerde gebruik van beide methoden is
permanent toegestaan binnen een groep. Het gecombineerde gebruik van die methoden binnen een instelling is
slechts toegestaan wanneer een van de methoden wordt gebruikt voor de in
artikel 276, lid 6, uiteengezette gevallen. 5.
Een instelling die overeenkomstig lid 1 toestemming
heeft gekregen om de IMM te gebruiken, vallen niet terug op de methoden in
afdeling 3 of afdeling 5 zonder toestemming van de bevoegde autoriteit. De
bevoegde autoriteiten verlenen die toestemming indien de instelling aantoont
dat zij daartoe goede gronden heeft. 6.
Indien een instelling niet langer voldoet aan de
vereisten van deze afdeling, stelt zij de bevoegde autoriteit in kennis en doet
zij een van de volgende dingen:
(a) zij legt aan de bevoegde autoriteit een
plan voor om tijdig terug te keren naar de oude situatie;
(b) zij toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de gevolgen
van niet-naleving niet materieel zijn. Artikel 278
Uitzettingswaarde 1.
Wanneer een instelling overeenkomstig artikel 277,
lid 1, de IMM mag gebruiken om de uitzettingswaarde te berekenen voor sommige
of alle transacties vermeld in dat lid, meet zij de uitzettingswaarde voor die
transacties op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties. Het door de instelling met dat doel gebruikte
model: a) specificeert de prognosedistributie voor veranderingen in de
marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties die toe te schrijven
zijn aan gezamenlijke veranderingen in toepasselijke marktvariabelen zoals
rentetarieven, wisselkoersen enz. b) berekent de waarde van de uit het samenstel van verrekenbare
transacties voortvloeiende post in het licht van de gezamenlijke veranderingen
in de marktvariabelen op elke datum in de toekomst. 2.
Wil het model de gevolgen van margestortingen
meenemen, dan voldoet het model van de zekerheidswaarde aan de kwantitatieve,
kwalitatieve en gegevensvereisten voor het IMM-model in overeenstemming met
deze afdeling en mag de instelling bij haar prognosedistributie voor
veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties
alleen toelaatbare financiële zekerheid, zoals omschreven in artikel 193, lid 2,
en artikel 232, betrekken. 3.
Het eigenvermogensvereiste voor het
tegenpartijkredietrisico met betrekking tot de CCR-posities waarop een
instelling de IMM toepast, is het hoogste van de hierna bedoelde bedragen: a) het eigenvermogensvereiste voor die posities, berekend op basis van de
effectieve EPE met behulp van actuele marktgegevens; b) het eigenvermogensvereiste voor die posities, berekend op basis van de
effectieve EPE, met behulp van één consistente stress-kalibratie voor alle
CCR-posities waarop zij de IMM toepassen; 4.
Behalve voor tegenpartijen die geacht worden een
specifiek wrong-way risico te lopen en binnen de werkingssfeer van de leden 4
en 5 van artikel 285 vallen, berekenen de instellingen de uitzettingswaarde als
het product van alfa (α) keer de effectieve EPE, als volgt: waarbij: α = 1,4, tenzij de bevoegde autoriteiten een
hogere α vereisen of de instellingen toestaan hun eigen ramingen te
gebruiken in overeenstemming met lid 9; de effectieve EPE wordt berekend door de verwachte
uitzetting (EEt) te ramen als de gemiddelde uitzetting op een
toekomstige datum t, waarbij het gemiddelde wordt genomen van mogelijke
toekomstige waarden van relevante marktrisicofactoren. Het model raamt de EE op een reeks toekomstige
data t1, t2, t3, enz. 5.
De effectieve EE worden recursief berekend op de
volgende wijze: waarbij: de actuele datum aangeduid wordt als t0; de effectieve EEt0 gelijk is aan de
actuele uitzetting. 6.
De effectieve EPE is gelijk aan de gemiddelde
effectieve EE tijdens de eerste vijf jaar van de toekomstige uitzetting. Indien alle contracten binnen het samenstel van
verrekenbare transacties over minder dan een jaar vervallen, is de EPE het
gemiddelde van de EE totdat alle contracten vervallen die tot het samenstel van
verrekenbare transacties behoren. De
effectieve EPE wordt berekend als een gewogen gemiddelde van de effectieve EE: waarbij de gewichten het mogelijk maken
om rekening te houden met het geval waarin de toekomstige uitzetting wordt
berekend op data die niet gelijk verdeeld zijn in de tijd. 7.
De instellingen meten de EE of de maximumuitzetting
op basis van een distributie van posities welke met de mogelijke abnormaliteit
van de distributie van de posities rekening houdt. 8.
Een instelling mag voor elke tegenpartij een door
het model berekende meting voor distributie gebruiken die voorzichtiger is dan
α vermenigvuldigd met de effectieve EPE als berekend volgens de
vergelijking in lid 4. 9.
Niettegenstaande lid 4, mogen de bevoegde
autoriteiten de instellingen toestaan hun eigen ramingen van alfa te gebruiken
waarbij: a) alfa gelijk is aan de verhouding tussen het economische kapitaal dat
wordt verkregen na uitvoering van een volledige simulatie aan de hand van de
posities op alle tegenpartijen (teller) en het op basis van de EPE berekende
economische kapitaal (noemer); b) in de noemerde EPE wordt gebruikt alsof het een vast uitstaand
leningsbedrag betreft. Geraamd overeenkomstig dit lid mag alfa niet lager
zijn dan 1,2. 10.
Voor de raming van alfa overeenkomstig lid 9 zorgt
een instelling ervoor dat de teller en de noemer worden berekend op een wijze
die in overeenstemming is met de modelleringsmethode, de parameterspecificaties
en de portefeuillesamenstelling. De
voor de raming van α gevolgde benadering berust op de door de instelling
gevolgde interne benadering ten aanzien van het kapitaal, is goed
gedocumenteerd en is tevens aan onafhankelijke validatie onderworpen. Voorts onderwerpt een instelling haar ramingen
van alfa ten minste om de drie maanden aan een nieuw onderzoek. Dit onderzoek
vindt veelvuldiger plaats wanneer de samenstelling van de portefeuille varieert
in de tijd. Een instelling evalueert
tevens het modelrisico. 11.
Een instelling toont ten genoegen van de bevoegde
autoriteit aan dat bij haar interne ramingen van alfa de teller de materiële
bronnen van afhankelijkheid na de distributie van de marktwaarden van de
transacties of van de portefeuilles van transacties over de tegenpartijen
meeneemt. Bij de interne ramingen van
alfa wordt rekening gehouden met de granulariteit van de portefeuilles. 12.
Bij het toezicht op het gebruik van ramingen
overeenkomstig lid 9 houden de bevoegde autoriteiten rekening met de
significante variatie in de ramingen van alfa die voortvloeit uit het potentieel
voor misspecificatie in de modellen welke gebruikt worden voor de teller, met
name wanneer convexiteit aanwezig is. 13.
In voorkomend geval moeten de volatiliteiten en
correlaties van de marktrisicofactoren die bij de gezamenlijke modellering van
het markt- en kredietrisico worden gebruikt, worden bepaald aan de hand van de
kredietrisicofactor om de mogelijke toename van de volatiliteit of de
correlatie bij een economische neergang tot uiting te laten komen. Artikel 279
Uitzettingswaarde voor samenstellen van verrekenbare
transacties die aan een margeovereenkomst zijn onderworpen 1.
Indien het samenstel van verrekenbare transacties
aan een margeovereenkomst en dagelijkse waardering tegen marktwaarde
onderworpen is, mag een instelling gebruik maken van een van de volgende
EPE-metingen: a) effectieve EPE, zonder rekening te houden met zekerheid die bij wijze
van marge wordt aangehouden of gedeponeerd vermeerderd met zekerheid die aan de
tegenpartij is gestort onafhankelijk van het dagelijkse waarderings- en
margestortingsproces of de actuele uitzetting; b) een opslagfactor die de potentiële
stijging van de uitzetting over de margerisicoperiode weerspiegelt, vermeerderd
met het grootste van de volgende bedragen: i) de actuele uitzetting inclusief alle momenteel aangehouden of gestorte
zekerheid, met uitzondering van nog te storten of betwiste zekerheid; ii) de grootste nettopositie, inclusief zekerheid overeenkomstig de
margeovereenkomst, die niet tot een verzoek tot deponering van extra marge
leidt. Dit bedrag weerspiegelt alle
toepasselijke drempels, minimumoverdrachtbedragen, margebedragen en initiële
marges overeenkomstig de margeovereenkomst; c) indien het model bij de raming van EE de gevolgen van margestortingen
meeneemt, mag de instelling, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,
direct in de vergelijking van artikel 13, lid 5, gebruik maken van de EE-meting
van het model. De bevoegde
autoriteiten verlenen die toestemming alleen indien zij nagaan of het model bij
de raming van EE terdege de gevolgen van margestortingen meeneemt. Voor de toepassing van punt b) berekenen de
instellingen de opslag als de verwachte positieve verandering van de
marktwaarde van de transacties tijdens de margerisicoperiode. Veranderingen in de waarde van de zekerheid worden
tot uitdrukking gebracht met behulp van de volatiliteitsaanpassingen door de
toezichthouder in overeenstemming met afdeling 3 van hoofdstuk 4 of de
volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen van de uitgebreide
benadering van financiële zekerheden, maar er worden geen zekerheidsbetalingen
geacht te zijn gedaan tijdens de margerisicoperiode. De margerisicoperiode is onderworpen aan de minimumtermijnen van de
leden 2 tot en met 4. 2.
Voor transacties die aan dagelijkse
margebijstortingen en waardering tegen marktwaarde onderworpen zijn, bedraagt
de margerisicoperiode die bij margeovereenkomsten voor de modellering van de
uitzettingswaarde wordt gebruikt niet minder dan: a) 5 werkdagen voor samenstellen van verrekenbare transacties die alleen
bestaan uit repo's, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of
grondstoffenleningen en margeleningstransacties; b) 10 werkdagen voor alle andere samenstellen van verrekenbare
transacties. De punten a) en b) zijn onderworpen aan de
volgende uitzonderingen: i) voor alle samenstellen van verrekenbare transacties waarbij het aantal
transacties op enig moment tijdens een kwartaal groter is dan 5 000, bedraagt
de margerisicoperiode voor het volgende kwartaal niet minder dan 20 werkdagen. Deze uitzondering is niet van toepassing op de
uitzettingen in de handelsportefeuille van instellingen; ii) voor samenstellen van verrekenbare transacties die een of meer
transacties omvatten waarbij illiquide zekerheid of een niet gemakkelijk
vervangbaar otc-derivaat betrokken zijn, bedraagt de margerisicoperiode niet
minder dan 20 werkdagen. Een instelling bepaalt of zekerheid illiquide is
dan wel of otc-derivaten niet gemakkelijk vervangbaar zijn in de context van
gespannen marktomstandigheden, gekenmerkt door de afwezigheid van continu
actieve markten waarbij een tegenpartij binnen twee of minder dagen meerdere
koersnoteringen zou verkrijgen die de markt niet in beweging zouden brengen of
een koers zouden vertegenwoordigen die een marktkorting (in het geval van zekerheid)
of premie (in het geval van een otc-derivaat) tot uitdrukking brengt. Een instelling gaat na of transacties dan wel
effecten die zij als zekerheid aanhoudt bij een bepaalde tegenpartij zijn
geconcentreerd en of, indien die tegenpartij plotseling uit de markt zou
uittreden, de instelling in staat zou zijn die transacties of effecten te
vervangen. 3.
Indien een instelling tijdens de onmiddellijk
voorafgaande twee kwartalen bij meer dan twee geschillen in verband met
verzoeken om extra marge te deponeren betreffende een bepaald samenstel van
verrekenbare transacties of een tegenpartij betrokken is geweest die langer
geduurd hebben dan de overeenkomstig lid 2 van toepassing zijnde
margerisicoperiode, dan maakt de instelling tijdens de volgende twee kwartalen
gebruik van een margerisicoperiode die ten minste het dubbele bedraagt van de
termijn van lid 2. 4.
Voor de margebijstortingen met een periodiciteit
van N dagen is de margerisicoperiode ten minste gelijk zijn aan de termijn van
lid 2, F, plus N dagen min één dag. Dat
wil zeggen: margerisicoperiode = F + N - 1 5.
Indien het interne model het effect van
margestortingen op veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van
verrekenbare transacties omvat, modelleert een instelling bij haar berekeningen
van de uitzettingswaarde voor otc-derivaten en effectenfinancieringstransactie
samen met de uitzetting andere zekerheid dan contanten in dezelfde valuta als
de uitzetting zelf. 6.
Indien een instelling niet in staat is om zekerheid
samen met de uitzetting te modelleren, neemt zij bij haar berekeningen van de
uitzettingswaarde voor otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties het
effect van andere zekerheid dan contanten in dezelfde valuta als de uitzetting
zelf slechts in aanmerking indien zij gebruik maakt van volatiliteitsaanpassingen
die voldoen aan de normen van de uitgebreide benadering van financiële
zekerheden met eigen ramingen van de volatiliteitsaanpassingen of de
standaardvolatiliteitsaanpassingen door de toezichthouder overeenkomstig
hoofdstuk 4. 7.
Een instelling die gebruik maakt van de IMM
houdt in haar modellen geen rekening met het effect van een vermindering van de
uitzettingswaarde als gevolg van een clausule in een zekerheidsovereenkomst die
de ontvangst van zekerheid vereist wanneer de kredietwaardigheid van de
tegenpartij verslechtert. Artikel 280
Management van het CCR – Gedragslijnen, processen en
systemen 1.
Een instelling creëert en houdt een
CCR-managementkader aan, dat bestaat uit: a) gedragslijnen,
processen en systemen om te zorgen voor de vaststelling, de meting, het
management, de goedkeuring en de interne rapportage van het CCR; b) procedures om ervoor te zorgen dat die gedragslijnen, processen en
systemen worden nageleefd. Die gedragslijnen, processen en systemen moeten
conceptueel gezond zijn, integer worden geïmplementeerd en worden
gedocumenteerd. De documentatie omvat
een verduidelijking van de empirische technieken die gebruikt worden om het CCR
te meten. 2.
Het bij lid 1 vereiste CCR-kader voor
risicomanagement houdt rekening met de markt, de liquiditeit en de juridische
en operationele risico's die samenhangen met het CCR. In het bijzonder waarborgt het kader dat de instelling de volgende
principes in acht neemt: a) zij doet geen zaken met een tegenpartij zonder haar kredietwaardigheid
te beoordelen; b) zij houdt op passende wijze rekening met settlement- en
presettlementkredietrisico; c) zij beheert deze risico's zo veel mogelijk op het niveau van de
tegenpartij (CCR-uitzettingen worden geaggregeerd met andere
kredietuitzettingen) en ondernemingsbreed. 3.
Een instelling die gebruik maakt van de IMM zorgt
ervoor dat haar CCR-kader voor risicomanagement ten genoegen van de bevoegde
autoriteit rekening houdt met alle hierna bedoelde liquiditeitsrisico's: a) potentiële inkomende verzoeken om extra marge te deponeren in het kader
van de uitwisseling van variatiemarge of andere margetypes, zoals initiële of
onafhankelijke marge, bij ongunstige marktschokken; b) potentiële inkomende verzoeken tot terugstorting van door tegenpartijen
te veel gestorte zekerheid; c) verzoeken als gevolg van een mogelijke downgrade van haar eigen externe
kredietkwaliteitsbeoordeling. Een instelling draagt er zorg voor dat de aard en
de horizon van het hergebruik van zekerheid in overeenstemming is met haar
liquiditeitsbehoeften en haar vermogen om zekerheid tijdig te storten of terug
te storten. 4.
Het leidinggevend orgaan en de directie van een
instelling zijn actief betrokken bij, en zorgen ervoor dat voldoende middelen
worden toegewezen aan het management van het CCR. De directie heeft middels een formeel proces kennis van de beperkingen
en aannames van het gebruikte model en het mogelijke effect van die beperkingen
en aannames op de betrouwbaarheid van de output. De directie heeft tevens kennis van de onzekerheden van het marktklimaat
en operationele kwesties, en van de wijze waarop deze in het model tot uiting
komen. 5.
De dagelijkse rapporten die overeenkomstig artikel 281,
lid 2, onder b, over de CCR-uitzettingen van een instelling worden opgesteld,
worden getoetst door een managementechelon dat hoog genoeg geplaatst is en
voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de door afzonderlijke
kredietbeheerders of handelaren ingenomen posities en van de totale
CCR-uitzetting van de instelling op te leggen. 6.
Het overeenkomstig lid 1 gecreëerde
CCR-managementsysteem van een instelling wordt gebruikt in combinatie met
interne krediet- en transactielimieten. De krediet- en transactielimieten zijn aan het risicometingsmodel van
de instelling gerelateerd op een wijze die consistent is in de tijd en die goed
wordt begrepen door kredietbeheerders, handelaren en de directie. Een instelling heeft een formeel proces om
inbreuken op risicolimieten aan het passende managementniveau te rapporteren. 7.
Een CCR-meting van de instelling behelst de meting
van het dagelijkse en intra-day gebruik van kredietlijnen.
De instelling meet de actuele uitzetting met en zonder
inaanmerkingneming van gestelde zekerheden. Op het niveau van de portefeuille en de tegenpartij berekent en
monitort de instelling de maximumuitzetting of de potentiële toekomstige
uitzetting voor het door haar gekozen betrouwbaarheidsinterval.f) De
instelling houdt rekening met grote of geconcentreerde posities, met inbegrip
van die per groep van verbonden tegenpartijen, per sector en per markt. 8.
Een instelling creëert en houdt een ordelijk en
strikt programma van stresstesten aan. De resultaten van die stresstesten worden door de directie regelmatig
en ten minste om het kwartaal getoetst en worden verwerkt in de
CCR-gedragslijnen en -limieten die door het leidinggevend orgaan of de directie
worden bepaald. Wanneer uit de
stresstesten blijkt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid voor een
bepaalde samenloop van omstandigheden, neemt de instelling terstond maatregelen
om die risico's te beheren. Artikel 281
Organisatiestructuren voor CCR-risicomanagement 1.
Een instelling die gebruik maakt van de IMM is
verplicht tot het oprichten en aanhouden van: a) een afdeling risicocontrole die voldoet aan lid 2; b) een afdeling zekerhedenbeheer die voldoet aan lid 3. 2.
De afdeling risicocontrole is verantwoordelijk voor de
opzet en implementatie van haar CCR-management, met inbegrip van de initiële en
doorlopende validatie van het model, en verricht de volgende functies en
voldoet aan de volgende vereisten: a) zij is
verantwoordelijk voor de opzet en implementatie van het CCR-managementsysteem
van de instelling; b) zij stelt dagelijkse
rapporten op over en analyseert de output van het risicomeetmodel van de
instelling. Die analyse omvat een
evaluatie van de relatie tussen de maatregelen van de CCR-uitzettingswaarden en
-handelslimieten; c) zij
controleert de integriteit van de inputgegevens. Tevens dient zij rapporten op
te stellen en te analyseren die betrekking hebben op de output van het risicometingsmodel
van de instelling en waarin onder meer de relatie tussen
risicoblootstellingsmetingen en krediet- en transactielimieten wordt
beoordeeld; d) zij is onafhankelijk van de
afdelingen die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking, de vernieuwing en het
verhandelen van uitzettingen in de handelsportefeuille, en staat niet bloot aan
ongewenste invloeden; e) zij beschikt over voldoende en geschikt personeel; f) zij rapporteert rechtstreeks aan de directie van de instelling; g) haar werkzaamheden zijn in hoge mate in het dagelijkse
kredietrisicomanagementproces van de instelling geïntegreerd; h) haar output is een geïntegreerd onderdeel van het proces van de
planning, monitoring en controle van het krediet- en algemene risicoprofiel van
de instelling. 3.
De afdeling zekerhedenbeheer voert de volgende
taken en functies uit: a) accuraat en dagelijks berekenen en doen van verzoeken om extra marge te
deponeren, beheren van geschillen in verband met verzoeken om extra marge te
deponeren en rapporteren van niveaus van margebedragen, initiële marges en
variatiemarges; b) controleren van de integriteit van de gegevens die worden gebruikt om
verzoeken om extra marge te deponeren te doen en ervoor zorgen dat deze in
overeenstemming zijn en regelmatig afgestemd worden met alle relevante bronnen
van gegevens binnen de instelling; c) het volgen van de mate van hergebruik van zekerheid en elke wijziging
van de rechten van de instelling op of in verband met de gestorte zekerheid; d) rapportage aan het
passende managementniveau van de types zekerheidsactiva die worden hergebruikt
en de voorwaarden van dit hergebruik waaronder instrumenten, kredietkwaliteit
en looptijd; e) concentratie op het
volgen van individuele types van zekerheidsactiva die door de instelling worden
aanvaard; f) rapportage van
informatie over zekerhedenbeheer op regelmatige basis, maar ten minste elk
kwartaal, aan de directie, inclusief informatie over het type ontvangen en
gestorte zekerheid, de omvang, analyse naar ouderdom en oorzaak van geschillen
in verband met verzoeken om extra marge te deponeren. Bij die interne rapportage worden tevens trends in deze cijfers tot
uitdrukking gebracht. 4.
De directie wijst voldoende middelen toe aan de
overeenkomstig lid 1, onder b), vereiste afdeling zekerhedenbeheer om ervoor te
zorgen dat de systemen ervan een passend niveau van operationele prestaties
bereiken, als gemeten door de tijdigheid en nauwkeurigheid van verzoeken om
extra marge te deponeren door de instelling en de tijdigheid van de reactie van
de instelling op margebijstortingsverzoeken door de desbetreffende
tegenpartijen. De directie
draagt er zorg voor dat de afdeling voldoende is bemand om verzoeken en
geschillen ook bij een hevige marktcrisis tijdig te behandelen en de instelling
in staat te stellen haar aantal grote geschillen als gevolg van de
handelsvolumes te beperken. Artikel 282
Toetsing van het CCR-risicomanagementsysteem Een instelling laat middels haar interne
auditproces regelmatig een onafhankelijke toetsing van haar
CCR-managementsysteem verrichten. Bij
die toetsing worden de activiteiten van de bij artikel 281 vereiste afdelingen
risicocontrole en zekerhedenbeheer betrokken en wordt met name ten minste
aandacht besteed aan: (a)
de toereikendheid van de documentatie over het bij artikel
280 vereiste CCR-managementsysteem en –proces; (b)
de organisatie van de bij artikel 281, lid 1, onder
a), vereiste afdeling voor CCR-controle; (c)
de organisatie van de bij artikel 281, lid 1, onder
b), vereiste afdeling voor zekerhedenbeheer; (d)
de integratie van de CCR-metingen in het dagelijkse
risicomanagement; (e)
het proces voor de fiattering van
risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in
back- en frontoffice-afdelingen worden gebruikt; (f)
de validatie van significante wijzigingen in het
CCR-metingsproces; (g)
het CCR-bereik van het risicometingsmodel; (h)
de integriteit van het managementinformatiesysteem; (i)
de nauwkeurigheid en volledigheid van de CCR-gegevens; (j)
de accurate weerspiegeling van de juridische
voorwaarden in zekerheids- en verrekeningsovereenkomsten in de
uitzettingswaardemetingen; (k)
de verificatie van de consistentie, tijdigheid en
betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen worden
gebruikt alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; (l)
de nauwkeurigheid en adequaatheid van de aannames
inzake volatiliteit en correlatie; (m)
de nauwkeurigheid van de waarderings- en
risicotransformatieberekeningen; (n)
de verificatie van de accuraatheid van het model
middels frequente backtesten als beschreven in de punten b) tot en met e) van
artikel 287, lid 1; (o)
de naleving door de afdelingen CCR-controle en
zekerhedenbeheer van de toepasselijke regelgevingsvereisten. Artikel 283
Gebruikstest 7.
De instellingen zorgen ervoor dat de distributie
van de uitzettingen die gegenereerd wordt door het model dat wordt gebruikt om
de effectieve EPE te berekenen nauw in het dagelijkse CCR-managementproces van
de instelling wordt geïntegreerd en dat de output van het model in aanmerking
wordt genomen in het proces van kredietgoedkeuring, CCR-management en interne
kapitaalallocatie. 8.
De instelling toont derhalve ten genoegen van de
bevoegde autoriteiten aan dat zij voor de berekening van de distributie van de
uitzettingen waarop de EPE-berekening is gebaseerd gedurende ten minste één
jaar voordat de bevoegde autoriteiten hun toestemming voor het gebruik van de
IMM verlenen, gebruik heeft gemaakt van een model dat in grote lijnen aan de
minimumvereisten vermeld in deze afdeling voldoet. 9.
Het model dat wordt gebruikt om een distributie van
de uitzettingen op CCR te genereren, is onderdeel van het bij artikel 280
vereiste CCR-managementkader. Dit
kader omvat de meting van het gebruik van kredietlijnen, waarbij
CCR-uitzettingen met andere kredietuitzettingen worden geaggregeerd, en de
interne kapitaalallocatie. 10.
Benevens de EPE meet en beheert een instelling de
actuele uitzettingen. In voorkomend
geval meet de instelling de actuele uitzetting met en zonder inaanmerkingneming
van gestelde zekerheden. Aan de
gebruikstest is voldaan indien een instelling gebruik maakt van andere
CCR-metingen, zoals de maximumuitzetting, die gebaseerd zijn op de distributie
van de uitzettingen welke door hetzelfde model wordt gegenereerd om de EPE
berekenen. 11.
De instelling beschikt over de systeemcapaciteit om
indien nodig de EE dagelijks te ramen, tenzij zij ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten kan aantonen dat haar CCR-uitzettingen een minder frequente
berekening rechtvaardigen. De
instelling raamt de EE langs een tijdsprofiel van prognosehorizonten die op
toereikende wijze de tijdsstructuur van de toekomstige kasstromen en de
looptijd van de contracten weerspiegelen, en op een wijze die consistent is met
de materialiteit en de samenstelling van de uitzettingen. 12.
Een uitzetting wordt gemeten, gemonitord en
gecontroleerd tijdens de duur van alle contracten van het samenstel van
verrekenbare transacties, en niet alleen over een tijdshorizon van één jaar. Voor het geval dat de looptijd van de uitzetting
de tijdshorizon van één jaar overschrijdt, zijn bij de instelling procedures in
gebruik om de risico's voor de tegenpartijen vast te stellen en te controleren.
.De voorspelde toename van de uitzetting is een input in het interne
kapitaalmodel van de instelling. Artikel 284
Stresstesten 1.
Een instelling beschikt, ook voor gebruik bij de
beoordeling van de eigenvermogensvereisten voor het CCR, over een uitgebreid
programma van stresstesten voor het CCR dat voldoet aan de vereisten in de
leden 2 tot en met 10. 2.
Zij stelt mogelijke gebeurtenissen of toekomstige
veranderingen in economische omstandigheden vast die ongunstige gevolgen kunnen
hebben voor de kredietuitzettingen van een instelling en beoordeelt in hoeverre
de instelling tegen dergelijke veranderingen bestand is. 3.
De stressmetingen overeenkomstig het programma
worden vergeleken met de risicolimieten en door de instelling als een onderdeel
van het in artikel 79 van Richtlijn [ingevoegd door het OP] beschreven proces
beschouwd. 4.
Het programma neemt, tijdens een voldoende lange
periode om regelmatig stresstesten uit te voeren, op het niveau van specifieke
tegenpartijen op gedetailleerde wijze de transacties en geaggregeerde
uitzettingen voor alle vormen van tegenpartijkredietrisico mee 5.
Het voorziet in ten minste maandelijkse
stresstesten van de uitzettingen voor de belangrijkste marktrisicofactoren,
zoals rente, FX, aandelen, creditspreads en grondstoffenprijzen voor alle
tegenpartijen van de instelling, om zeer grote concentraties in bepaalde
richtinggevende risico's vast te stellen en de instelling in staat te stellen
deze wanneer nodig te verminderen. Er
worden op tegenpartijspecifiek, tegenpartijgroeps- en geaggregeerd
instellingsbreed CCR-niveau stresstesten van de uitzettingen – inclusief
unifactoriële, multifactoriële en materiële niet-richtinggevende risico's – en
gezamenlijke stresstesten van de uitzettingen en kredietwaardigheid verricht. 6.
Er worden ten minste elk kwartaal multifactoriële
stresstest-scenario's toegepast en materiële niet-richtinggevende risico's
waaronder yield curve-uitzettingen en basisrisico's beoordeeld. Bij multifactoriële stresstesten worden minimaal
de volgende scenario's behandeld: a) er hebben zich hevige economische of marktgebeurtenissen voorgedaan; b) de brede marktliquiditeit is significant gedaald; c) een grote financiële intermediair is bezig zijn posities te liquideren. 7.
De hevigheid van de schokken van de onderliggende
risicofactoren is consistent met het doel van de stresstest. Bij de beoordeling van de solvabiliteit onder
stress zijn de schokken van de onderliggende risicofactoren hevig genoeg om
historische extreme marktomstandigheden en extreme, maar plausibele stressvolle
marktomstandigheden mee te nemen. Met
de stresstesten worden de impact van dergelijke schokken op het eigen vermogen,
de eigenvermogensvereisten en de winst geëvalueerd. Voor de dagelijkse monitoring van de portefeuille, de hedging en het
beheer van de concentraties houdt het testprogramma ook rekening met scenario's
die minder hevig en waarschijnlijker zijn. 8.
Het programma voorziet, in voorkomend geval, ook in
omgekeerde stresstesten om extreme, maar plausibele, scenario's vast te stellen
die in significante ongunstige uitkomsten kunnen resulteren. Bij omgekeerde stresstesten wordt rekening
gehouden met de impact van materiële niet-lineariteit in de portefeuille. 9.
De resultaten van de stresstesten overeenkomstig
het programma worden regelmatig, ten minste op kwartaalbasis, aan de directie
gerapporteerd. De rapporten en
analyse van de resultaten hebben betrekking op de grootste effecten op
tegenpartijniveau over de hele portefeuille, de materiële concentraties binnen
segmenten van de portefeuille (binnen dezelfde branche of regio) en relevante
portefeuille- en tegenpartijspecifieke trends. 10.
De directie neemt een leidende rol op zich bij de
integratie van de stresstesten in het kader voor risicomanagement en de
risicocultuur van de instelling en zorgt ervoor dat de resultaten zinvol zijn
en gebruikt worden om het CCR te beheren. De resultaten van de stresstesten voor significante uitzettingen worden
beoordeeld aan de hand van richtsnoeren die de risicobereidheid van een
instelling aangeven en worden aan de directie ter fine van discussie en actie
voorgelegd bij vaststelling van buitensporige of geconcentreerde risico's. Artikel 285
Wrong-way risico 1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
onder: a) 'Algemeen wrong-way risico' : risico dat ontstaat wanneer de kans op
wanbetaling van de tegenpartijen een positieve correlatie vertoont met algemene
marktrisicofactoren; b) 'Specifiek wrong-way risico': het risico dat ontstaat wanneer er een
juridische relatie is tussen de tegenpartij en de emittent van de onderliggende
waarde van het otc-derivaat of de effectenfinancieringstransactie. 2.
Een instelling houdt terdege rekening met
uitzettingen die aanleiding geven tot het ontstaan van een significante mate
van specifiek en algemeen wrong-way risico. 3.
Om algemeen wrong-way risico vast te stellen,
ontwikkelt een instelling stresstesten en scenarioanalyses om risicofactoren
onder stress te brengen die ongunstig aan tegenpartijkredietwaardigheid zijn
gerelateerd. Dergelijke testen hebben
betrekking op de mogelijkheid dat zich hevige schokken voordoen wanneer de
relaties tussen de risicofactoren veranderen. Een instelling monitort het algemene wrong-way risico per product, per
regio, per sector, of op basis van andere categorieën die relevant zijn voor de
sector. 4.
Een instelling houdt, vanaf de aanvang van een
transactie en tijdens de gehele duur van de transactie, procedures aan om
gevallen van specifiek wrong-way risico vast te stellen, te monitoren en te
controleren. Transacties met
tegenpartijen waar specifiek wrong-way risico is vastgesteld, worden behandeld
in overeenstemming met lid 5. 5.
De instellingen berekenen de
eigenvermogensvereisten voor het CCR met betrekking tot tegenpartijen waar specifiek
wrong-way risico is vastgesteld in overeenstemming met de volgende principes: a) de instrumenten waarvoor specifiek wrong-way risico bestaat, worden
niet in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties als de andere
transacties met de tegenpartij opgenomen en worden elk als een afzonderlijk
samenstel van verrekenbare transacties behandeld; b) binnen een dergelijk afzonderlijk samenstel van verrekenbare
transacties is voor credit default swaps met één referentie-entiteit de
uitzettingswaarde gelijk aan het volledige verwachte verlies van de resterende
reële waarde van de onderliggende instrumenten uitgaande van de
veronderstelling dat de onderliggende emittent in vereffening is; c) de LGD voor een instelling die gebruik maakt van de benadering van
hoofdstuk 3 bedraagt 100% voor dergelijke swaptransacties; d) voor een instelling die gebruik maakt van de benadering van hoofdstuk 2,
is het toepasselijke risicogewicht dat van een ongedekte transactie; e) voor alle andere transacties betreffende één referentie-entiteit in een
dergelijk afzonderlijk samenstel van verrekenbare transacties is de
uitzettingswaarde gelijk aan de waarde van de transactie in de veronderstelling
dat er zich met met betrekking tot de onderliggende verplichting een
plotselinge kredietgebeurtenis voordoet; f) in de mate dat hierbij bestaande marktrisicoberekeningen voor de
eigenvermogensvereisten voor additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico
als beschreven in titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, worden gebruikt die al een
LGD-aanname bevatten, bedraagt de in de formule gebruikte LGD 100%. 6.
De instellingen verstrekken de directie en het
bevoegde comité van het leidinggevend orgaan regelmatig verslagen over zowel
het specifieke als het algemene wrong-way risico en de stappen die worden
ondernomen om die risico's te beheren. Artikel 286
Integriteit van het modelleringsproces 1.
Een instelling draagt zorg voor de integriteit van
het modelleringsproces als beschreven in artikel 278 door het nemen van ten
minste de volgende maatregelen: a) het model weerspiegelt de voorwaarden en specificaties van een
transactie op tijdige, volledige en voorzichtige wijze; b) die voorwaarden omvatten ten minste contractuele notionele bedragen,
looptijd, referentieactiva, margestortingsovereenkomsten en verrekeningsovereenkomsten; c) die voorwaarden en specificaties worden bijgehouden in een database die
onderworpen is aan een formele en periodieke audit; d) een proces voor het in aanmerking nemen van verrekeningsovereenkomsten
waarbij van de juridische medewerkers vereist wordt te verifiëren of
verrekening overeenkomstig die overeenkomsten juridisch afdwingbaar is; e) de in punt d) vereiste verificatie wordt door een onafhankelijke
afdeling in de in punt c) vermelde database ingevoerd; f) de overbrenging van de transactievoorwaarden en specificatiegegevens
naar het EPE-model is onderworpen aan interne audit; g) er zijn processen voorhanden voor formele afstemming tussen de model-
en brongegevenssystemen om voortdurend te verifiëren of de transactievoorwaarden
en -specificaties op correcte of ten minste voorzichtige wijze in de EPE tot
uitdrukking worden gebracht. 2.
De actuele marktgegevens worden gebruikt om de
actuele uitzettingen te bepalen. Een
instelling mag haar EPE-model kalibreren met behulp van historische
marktgegevens of geïmpliceerde marktgegevens om de parameters van de
onderliggende stochastische processen zoals drift, volatiliteit en correlatie
vast te stellen. Indien een
instelling gebruik maakt van historische gegevens, gebruikt zij gegevens die
ten minste drie jaar bestrijken. De
gegevens worden ten minste elk kwartaal en indien nodig vaker geactualiseerd om
de marktomstandigheden tot uitdrukking te brengen. Voor de berekening van de effectieve EPE met
behulp van een stresskalibratie kalibreert een instelling de effectieve EPE met
behulp van ofwel gegevens over drie jaar die een periode van blootstelling aan
stress door de credit spreads van haar tegenpartijen omvatten of geïmpliceerde
marktgegevens uit een dergelijke periode van stress. De vereisten in de leden 3, 4 en 5 worden door de
instelling met dat doel toegepast. 3.
Een instelling toont ten minste elk kwartaal ten
genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de voor de berekening
overeenkomstig dit lid gebruikte stressperiode voor een representatieve
selectie van haar tegenpartijen met verhandelde creditsspreads samenvalt met
een periode van verhoogde credit default swap-spreads of andere creditspreads
(zoals voor leningen of bedrijfsobligaties). In situaties waarin de instelling niet over voldoende
creditspreadgegevens voor een tegenpartij beschikt, relateert zij die
tegenpartij aan specifieke creditspreadgegevens op basis van regio, interne
rating en sector. 4.
In het EPE-model wordt voor alle tegenpartijen
gebruik gemaakt van gegevens, zowel historische als geïmpliceerde, die de
gegevens uit de stressvolle kredietperiode omvatten en worden deze gegevens
gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de methode die wordt
gebruikt voor de kalibratie van het EPE-model op basis van actuele gegevens. 5.
Voor het evalueren van de doeltreffendheid van haar
stresskalibratie voor EEPE creëert een instelling verschillende
benchmarkportefeuilles die gevoelig zijn voor de belangrijkste risicofactoren
waaraan de instelling is blootgesteld. De uitzetting op die benchmarkportefeuilles wordt berekend met behulp
van a) een stressmethode op basis van actuele marktwaarden en modelparameters
die gekalibreerd zijn op basis van stressvolle marktomstandigheden en b) de
tijdens de stressperiode gegenereerde blootstelling, maar onder toepassing van
de methode van deze afdeling (marktwaarde aan het einde van stressperiode,
volatiliteiten en correlaties van de stressperiode van 3 jaar). De bevoegde autoriteiten vereisen dat een
instelling de stresskalibratie aanpast indien de uitzettingen van die
benchmarkportefeuilles sterk afwijken van elkaar. 6.
Een instelling onderwerpt het model aan een
validatieproces dat duidelijk samenhangt met de gedragslijnen en procedures van
de instelling. In het kader van dat
validatieproces: a) worden de testen gespecificeerd die nodig zijn om de integriteit van
het model te waarborgen en worden de omstandigheden vastgesteld waaronder de
aannames die ten grondslag liggen aan het model niet passend zijn en dan ook in
een onderschatting van de EPE kunnen resulteren; b) wordt de breedte van het model getoetst. 7.
Een instelling monitort de desbetreffende risico's
en beschikt over processen om haar EEPE-raming aan te passen wanneer deze
risico's significant worden. Bij de
naleving van dit lid is de instelling belast met de volgende taken: a) vaststellen en beheren van haar uitzettingen op optredend specifiek
wrong-way risico als gespecificeerd in Artikel 285, lid 1, onder b), en
uitzettingen op optredend general wrong-way risico als gespecificeerd in artikel
285, lid 1, onder a); b) voor uitzettingen met een na één jaar stijgend risicoprofiel,
regelmatig vergelijken van de raming van een relevante uitzettingsmeetwaarde
gedurende één jaar met dezelfde uitzettingsmeetwaarde tijdens de duur van de
uitzetting; c) voor uitzettingen met een restlooptijd van minder dan één jaar,
regelmatig vergelijken van de vervangingswaarde (actuele uitzetting) en het
gerealiseerde uitzettingsprofiel en opslaan van de gegevens die een dergelijke
vergelijking mogelijk maken. 8.
Een instelling beschikt over interne procedures om,
voordat zij de desbetreffende transactie in het samenstel van verrekenbare
transacties opneemt, te verifiëren of een transactie onder een in rechte
afdwingbare verrekeningsovereenkomst valt die aan de toepasselijke vereisten
van afdeling 7 voldoet. 9.
Een instelling die van zekerheden gebruik maakt om
haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of
een zekerheid aan de rechtszekerheidsvereisten van hoofdstuk 4 voldoet voordat
zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt. 10.
De EBA gaat na welke werkwijzen op dit gebied
worden gevolgd en geeft in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU)
nr. 1093/2010 richtsnoeren betreffende de toepassing van dit artikel. Artikel 287
Vereisten inzake het risicomanagementsysteem 1.
Een instelling voldoet aan de volgende vereisten: a) zij voldoet aan de kwalitatieve vereisten van deel 3, titel IV,
hoofdstuk 5; b) zij voert regelmatig een programma van backtesten uit, waarbij de door
het model gegenereerde risicometingen met de gerealiseerde risicometingen, en
de hypothetische veranderingen op basis van statische posities met de
gerealiseerde metingen worden vergeleken; c) zij voert een initiële validatie en een doorlopende periodieke toetsing
van haar CCR-uitzettingsmodel en de erdoor gegenereerde risicometingen uit. De validatie en de toetsing zijn onafhankelijk
van de modelontwikkeling; d) het leidinggevend orgaan en de directie worden betrokken bij het
risicocontroleproces en zorgen ervoor dat er voldoende middelen worden
uitgetrokken voor de controle van het krediet- en tegenpartijkredietrisico. In dit verband worden de dagelijkse rapporten die
door de overeenkomstig artikel 281, lid 1, onder a), opgerichte onafhankelijke
afdeling voor risicocontrole zijn opgesteld, getoetst door een managementniveau
met voldoende anciënniteit en bevoegdheden om zowel verminderingen van de
posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben als verminderingen in de
totale risicoblootstelling van de instelling af te dwingen; e) het interne model voor meting van de risicoblootstelling wordt in het
dagelijkse risicomanagementproces van de instelling geïntegreerd; f) het risicomeetsysteem wordt gebruikt in combinatie met interne handels-
en uitzettingslimieten. In dat
verband zijn de uitzettingslimieten aan het risicometingsmodel van de
instelling gerelateerd op een wijze die consistent is in de tijd en die goed
wordt begrepen door handelaren, kredietfunctie en directie; g) een instelling zorgt ervoor dat het risicomanagementsysteem goed is
gedocumenteerd. In het bijzonder
houdt zij een gedocumenteerd geheel aan van interne gedragslijnen,
controlemaatregelen en procedures met betrekking tot het beheer van het
risicomeetsysteem en regelingen om ervoor te zorgen dat die gedragslijnen
worden nageleefd; h) een onafhankelijke toetsing van het risicomeetsysteem wordt regelmatig
uitgevoerd in het kader van het eigen interne auditproces van de instelling. Deze toetsing heeft betrekking op de activiteiten
van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicocontrole. Op regelmatige tijdstippen (en niet minder dan
één keer per jaar) vindt een toetsing van het totale risicomanagementproces
plaats en worden met name ten minste alle punten waarvan sprake in artikel 282
behandeld; i) de doorlopende validatie van de tegenpartijkredietrisicomodellen,
waaronder backtesten, wordt periodiek getoetst door een managementniveau dat
voldoende bevoegdheden heeft om maatregelen te nemen om zwakke punten in de
modellen aan te pakken. 2.
De bevoegde autoriteiten houden rekening met de
mate waarin een instelling voldoet aan de vereisten van lid 1 bij het
vaststellen van het niveau van alfa, zoals beschreven in artikel 278, lid 4. Alleen die instellingen welke geheel aan die
vereisten voldoen, komen in aanmerking voor de toepassing van de
minimumvermenigvuldigingsfactor. 3.
Een instelling documenteert het proces voor de
initiële en doorlopende validatie van haar CCR-uitzettingsmodel en de
berekening van de door de modellen gegenereerde risicometingen tot een niveau
van gedetailleerdheid dat een derde in staat stelt de analyse respectievelijk
de risicometingen te reproduceren. Deze
documentatie omvat een beschrijving van de frequentie waarmee backtestanalyses
en alle andere lopende validaties worden uitgevoerd, de wijze waarop de
validatie wordt uitgevoerd met betrekking tot gegevensstromen en portefeuilles
en de analyses die worden gebruikt. 4.
Een instelling stelt criteria vast voor de
beoordeling van haar CCR-uitzettingsmodellen en de modellen die input genereren
voor de berekening van de uitzetting en houdt een schriftelijke gedragslijn aan
waarin het proces wordt beschreven waarmee onaanvaardbare prestaties worden
vastgesteld en verholpen. 5.
Een instelling bepaalt hoe representatief de
tegenpartijportefeuilles worden geconstrueerd met het oog op het valideren van
een CCR-uitzettingsmodel en de risicometingen ervan. 6.
Voor de validatie van CCR-uitzettingsmodellen en de
risicometingen ervan die prognosedistributies genereren, wordt rekening
gehouden met meer dan één statistiek van de prognosedistributie. Artikel 288
Validatievereisten voor EPE-modellen 1.
In het kader van de initiële en doorlopende
validatie van haar CCR-uitzettingsmodel en de risicometingen ervan zorgt een
instelling ervoor dat aan de volgende vereisten wordt voldaan: a) de instelling voert backtesten uit met behulp van historische gegevens
over bewegingen in de marktrisicofactoren vóór de toestemming van de bevoegde
autoriteiten in overeenstemming met artikel 277, lid 1. Daarbij wordt rekening gehouden met een aantal duidelijke
voorspellingstijdhorizonten van ten minste één jaar, een scala van
verschillende initialisatiedata en een breed scala van marktomstandigheden; b) de instelling die gebruik maakt van de benadering van lid 12, onder b),
van artikel 278 valideert regelmatig haar model om te testen of gerealiseerde
actuele uitzettingen in overeenstemming zijn met de voorspelling over alle
margeperiodes binnen één jaar. Indien
sommige transacties in het samenstel van verrekenbare transacties een looptijd
hebben van minder dan één jaar en het samenstel van verrekenbare transacties
hogere risicofactorgevoeligheden vertoont zonder deze transacties, houdt de
validatie hiermee rekening; c) zij voert backtesten uit inzake de prestaties van haar
CCR-uitzettingsmodel en de toepasselijke risicometingen van het model alsook de
marktrisicofactorvoorspellingen. Voor
door zekerheid gedekte transacties worden de voorspellingstijdhorizonten in
aanmerking genomen die typische margerisicoperioden weerspiegelen welke bij
door zekerheid of marge gedekte transacties van toepassing zijn; d) indien uit de modelvalidatie blijkt dat de effectieve EPE wordt
onderschat, onderneemt de instelling de actie die nodig is om de onnauwkeurigheid
van het model aan te pakken; e) zij test in het kader van het initiële en doorlopende validatieproces
van het model de prijsmodellen die worden gebruikt voor de berekening van de
CCR-uitzetting onder een bepaald scenario waarbij marktrisicofactoren toekomstige
schokken ondergaan. In prijsmodellen
voor opties wordt rekening gehouden met de niet-lineariteit van de optiewaarde
ten opzichte van marktrisicofactoren; f) het CCR-uitzettingsmodel neemt transactiespecifieke informatie mee om
uitzettingen te aggregeren op het niveau van het samenstel van verrekenbare
transacties. Een instelling
verifieert of de transacties in het model bij het passende samenstel van
verrekenbare transacties zijn ondergebracht; g) het CCR-uitzettingsmodel bevat ook transactiespecifieke informatie om
het effect van margeovereenkomsten mee te nemen. Het houdt rekening met zowel het actuele bedrag van de marge als met
toekomstige margedeponeringen tussen tegenpartijen. Dit model houdt tevens rekening met de aard van de margeovereenkomsten
die unilateraal of bilateraal zijn, de frequentie van de verzoeken om extra
marge te deponeren, de margerisicoperiode, de minimumomvang van een niet door
marge gedekte uitzetting die de instelling bereid is te accepteren en het
minimumbedrag van de overdracht. Een
dergelijk model raamt de verandering in de marktwaarde van de gestelde
zekerheden of past de regels toe van hoofdstuk 4; h) in het kader van het validatieproces van het model worden statische,
historische backtesten uitgevoerd. Een instelling verricht deze backtesten
regelmatig op een aantal representatieve tegenpartijportefeuilles (feitelijke
of hypothetische). Deze
representatieve portefeuilles worden gekozen op grond van hun gevoeligheid voor
de materiële risicofactoren en combinaties van risicofactoren waaraan de
instelling is blootgesteld; i) een instelling voert backtesten uit die bestemd zijn om de
belangrijkste veronderstellingen van het CCR-uitzettingsmodel en de
toepasselijke risicometingen, waaronder de gemodelleerde relatie tussen dragers
van dezelfde risicofactor en de gemodelleerde relaties tussen risicofactoren,
te testen; j) de prestaties van de CCR-uitzettingsmodellen en de risicometingen ervan
zijn onderworpen aan een passende praktijk van backtesten.
Het programma van backtesten maakt het mogelijk slechte
prestaties bij risicometingen van een EPE-model vast te stellen; k) een instelling valideert haar CCR-uitzettingsmodellen en alle
risicometingen voor tijdshorizonten die samenvallen met de looptijd van de
transacties welke onder de verklaring van afstand van de IMM vallen in
overeenstemming met artikel 277; l) een instelling test in het kader van het doorlopende
modelvalidatieproces regelmatig de voor de berekening van de
tegenpartij-uitzetting gebruikte prijsmodellen op basis van passende
onafhankelijke benchmarks; m) de doorlopende validatie van het CCR-uitzettingsmodel van een
instelling en de toepasselijke risicometingen omvat een beoordeling van de
toereikendheid van de recente prestaties; n) de frequentie waarmee de parameters van een CCR-uitzettingsmodel worden
geactualiseerd, wordt door een instelling beoordeeld in het kader van het
initiële en doorlopende validatieproces; o) bij de initiële en doorlopende validatie van de CCR-uitzettingsmodellen
wordt beoordeeld of de berekeningen van de uitzetting op het tegenpartijniveau
en het samenstel van verrekenbare transacties al dan niet passend zijn. 2.
Er mag, met voorafgaande toestemming van de
bevoegde autoriteiten, in plaats van de formule alfa vermenigvuldigd met de
effectieve EPE een maatstaf die voorzichtiger is dan de graadmeter die wordt
gebruikt voor de berekening van de regelgevende uitzettingswaarde voor elke
tegenpartij worden gebruikt. De mate
van relatieve voorzichtigheid zal worden beoordeeld bij de initiële goedkeuring
door de bevoegde autoriteiten en tijdens de regelmatige toezichthoudende
toetsingen van de EPE-modellen. Een instelling valideert regelmatig de voorzichtigheidsgraad. De doorlopende beoordeling van de
modelprestaties heeft betrekking op alle tegenpartijen waarvoor de modellen
worden gebruikt. 3.
Indien bij de backtesten blijkt dat een model niet
precies genoeg is, trekken de bevoegde autoriteiten de modelgoedkeuring in of
leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model
onmiddellijk wordt verbeterd. Afdeling 7
Contractuele
verrekening Artikel 289
Inaanmerkingneming van contractuele verrekening als
risicoverminderend 1.
De instellingen mogen als risicoverminderend
overeenkomstig artikel 292 alleen de volgende types van contractuele verrekeningsovereenkomsten
behandelen wanneer de verrekeningsovereenkomst door de bevoegde autoriteiten in
aanmerking wordt genomen in overeenstemming met artikel 290 en wanneer de
instelling voldoet aan de vereisten van artikel 291: a) bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een instelling en haar
tegenpartij overeenkomstig welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen
automatisch derwijze worden samengevoegd dat door de schuldvernieuwing één
nettobedrag wordt vastgesteld telkens als deze van toepassing is, waardoor één
nieuw contract ontstaat dat alle vroegere contracten en alle verplichtingen
tussen partijen overeenkomstig die contracten vervangt en bindend is voor de
partijen; b) andere bilaterale verrekeningsovereenkomsten tussen een instelling en haar
tegenpartij; c) contractuele productoverschrijdende verrekeningsovereenkomsten voor
instellingen die de methode van afdeling 6 gebruiken voor transacties die onder
het toepassingsgebied van die methode vallen. Onderlinge verrekeningstransacties tussen
verschillende juridische entiteiten van een groep komen niet in aanmerking voor
de berekening van de eigenvermogensvereisten. Artikel 290
Inaanmerkingneming van contractuele
verrekeningsovereenkomsten 1.
De bevoegde autoriteiten nemen een contractuele
verrekeningsovereenkomst alleen in aanmerking wanneer de voorwaarden in lid 2
en, in voorkomend geval, lid 3 zijn vervuld. 2.
Alle contractuele verrekeningsovereenkomsten die
door een instelling worden gebruikt voor de bepaling van de uitzettingswaarde
in dit deel voldoen aan de volgende voorwaarden: a) de instelling heeft een contractuele verrekeningsovereenkomst met haar
tegenpartij gesloten waaruit één juridische verplichting ontstaat die alle
onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt zodat, ingeval een
tegenpartij in gebreke blijft, de instelling slechts het nettobedrag van de
tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de
afzonderlijke betrokken transacties mag ontvangen of dient te betalen; b) de instelling heeft voor de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met
redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld in die zin dat,
ingeval de verrekeningsovereenkomst juridisch wordt aangevochten, de
vorderingen en verplichtingen van de instelling de vorderingen en verplichtingen
waarvan sprake in punt a) niet overschrijden. Het juridisch advies verwijst naar het geldende recht van: i) de jurisdictie waarin de tegenpartij als onderneming is opgericht; ii) indien het om bijkantoor van een onderneming gaat dat in een ander land
is gevestigd dan het land waar de onderneming is opgericht, de jurisdictie
waarin het bijkantoor is gevestigd; iii) de jurisdictie waarvan het recht van toepassing is op de afzonderlijke
onder de verrekeningsovereenkomst vallende transacties; iv) de jurisdictie waarvan het recht van toepassing is op alle contracten
of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele
verrekening; c) het kredietrisico voor elke tegenpartij wordt samengevoegd om te komen
tot één juridische uitzetting voor alle transacties met elke tegenpartij. Deze samenvoeging wordt als factor meegewogen in
de procedures inzake kredietlimieten en het interne kapitaal; d) het contract mag geen beding bevatten op grond waarvan, bij wanbetaling
van een tegenpartij, een niet in gebreke blijvende tegenpartij slechts beperkte
betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke
blijvende partij kan verrichten, zelfs wanneer de in gebreke blijvende partij
een nettocrediteur is. De bevoegde autoriteiten overtuigen zich ervan dat
de contractuele verrekening rechtsgeldig is en afdwingbaar overeenkomstig het
recht van elk van de jurisdicties waarvan sprake in punt b). Indien een van de bevoegde autoriteiten te dien
aanzien niet overtuigd is, wordt de overeenkomst inzake contractuele
verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend in
aanmerking genomen. De bevoegde
autoriteiten stellen elkaar daarvan op passende wijze in kennis. 3.
De juridische adviezen waarvan sprake in punt b)
mogen betrekking hebben op types van contractuele verrekening. Contractuele productoverschrijdende
verrekeningsovereenkomsten dienen aan de volgende additionele voorwaarden te
voldoen: a) het in artikel 290, lid 2, onder a), bedoelde nettobedrag is het
nettobedrag van de positieve en negatieve liquidatiewaarden van iedere
opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en van de tegen marktwaarde
gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke transacties
(het 'productoverschrijdend nettobedrag'); b) de in artikel 290, lid 2, onder b), bedoelde juridische adviezen
behelzen de geldigheid en afdwingbaarheid van de gehele contractuele
productoverschrijdende verrekeningsovereenkomst en het effect van de
verrekeningsovereenkomst op de materiële bepalingen van iedere opgenomen
individuele bilaterale raamovereenkomst. Artikel
291
Verplichtingen
van de instellingen 1.
Een instelling is belast met het instellen en
aanhouden van procedures om te waarborgen dat de rechtsgeldigheid en de
afdwingbaarheid van haar contractuele verrekening getoetst wordt in het licht
van wijzigingen in het recht van de desbetreffende jurisdicties waarvan sprake
in artikel 290, lid 2, onder b). 2.
De instelling bewaart alle vereiste documentatie
betreffende haar contractuele verrekening in haar dossiers. 3.
De instelling weegt de effecten van de verrekening
als factor mee bij de meting van de totale kredietrisicoblootstelling van elke
tegenpartij en de instelling beheert haar CCR op basis van die effecten van die
meting. 4.
In geval van contractuele productoverschrijdende
verrekeningsovereenkomsten waarvan sprake in artikel 289 houdt de instelling
procedures overeenkomstig artikel 290, lid 2, onder c), aan om na te gaan of
elke transactie die in de verrekeningsovereenkomst moet worden opgenomen, wordt
gedekt door een juridisch advies waarvan sprake in artikel 290, lid 2, onder
b). Bij het in aanmerking nemen van de contractuele
productoverschrijdende verrekeningsovereenkomst blijft de instelling, met
betrekking tot elke opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en
transactie, al naar het geval, de vereisten voor de inaanmerkingneming van
bilaterale verrekening en de vereisten van hoofdstuk 4 voor de
inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering naleven.
Artikel 292
Effecten van inaanmerkingneming van verrekening als
risicoverminderend 1.
De volgende behandeling is van toepassing op
contractuele verrekeningsovereenkomsten: a) voor de toepassing van de afdelingen 5 en 6 wordt verrekening in
aanmerking genomen zoals in die afdelingen beschreven; b) in geval van schuldvernieuwingscontracten mogen in plaats van de
betrokken brutobedragen de bij die contracten vastgestelde nettobedragen worden
gewogen. Bij de toepassing van afdeling 3 mogen de
instellingen het schuldvernieuwingscontract in aanmerking nemen bij het bepalen
van: i) de actuele vervangingswaarde waarvan sprake in artikel 269, lid 1; ii) de notionele hoofdsommen of onderliggende waarden waarvan sprake in
artikel 269, lid 2. Bij de toepassing van afdeling 4, bij het bepalen
van het notionele bedrag waarvan sprake in artikel 270, lid 1, mogen de
instellingen rekening houden met het schuldvernieuwingscontract voor de
berekening van de notionele hoofdsom. In dergelijke gevallen passen de
instellingen de percentages van tabel 3 toe. c) In geval van andere verrekeningsovereenkomsten passen de instellingen
afdeling 3 als volgt toe: i) voor de contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen,
wordt de actuele vervangingswaarde waarvan sprake in artikel 269, lid 1,
verkregen door de werkelijke hypothetische nettovervangingswaarde die uit de
overeenkomst resulteert in aanmerking te nemen; indien de verrekening ertoe leidt dat de instelling die de
nettovervangingswaarde berekent een nettobetalingsverplichting heeft, wordt de
actuele vervangingswaarde op nul gesteld; ii) het bedrag van de potentiële toekomstige kredietuitzetting waarvan
sprake in artikel 269, lid 2, wordt voor alle contracten die onder een
verrekeningsovereenkomst vallen, verlaagd overeenkomstig de onderstaande
formule: waarbij: PCEred
= het verlaagde bedrag van de
potentiële toekomstige kredietuitzetting van alle contracten met eenzelfde
tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst
vallen; PCEgross
= de som van de bedragen van de
potentiële toekomstige kredietuitzettingen van alle contracten met eenzelfde
tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst
vallen en worden berekend door de notionele hoofdsommen ervan te
vermenigvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages; NGR
= de netto/bruto-ratio
berekend als het quotiënt van de nettovervangingswaarde van alle contracten die
onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met een bepaalde
tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten
die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde
tegenpartij vallen (noemer). 2.
Bij de berekening van de potentiële toekomstige
kredietuitzetting volgens de bovenstaande formule mogen de instellingen onder
de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten behandelen
als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom gelijk is aan de
netto-opbrengsten. Bij de toepassing van artikel 270, lid 1, mogen de
instellingen onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende
contracten behandelen als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom
gelijk is aan de netto-opbrengsten; de notionele hoofdsommen worden
vermenigvuldigd met de in tabel 3 vermelde percentages. Voor de toepassing van dit lid zijn perfect
matchende contracten valutatermijncontracten of soortgelijke contracten waarvan
de notionele hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de kasstromen op
dezelfde datum vervallen en geheel of gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden. 3.
Voor alle overige contracten die onder een
verrekeningsovereenkomst vallen, mogen de toe te passen percentages worden
verlaagd overeenkomstig tabel 6: Tabel 6 Oorspronkelijke looptijd || Rentecontracten || Valutacontracten Eén jaar of korter || 0,35 % || 1,50 % Langer dan één jaar maar niet langer dan twee jaar || 0,75 % || 3,75 % Verhoging voor ieder jaar extra || 0,75 % || 2,25 % 4.
In het geval van rentecontracten mogen
instellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, voor de
oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen. Afdeling 8
Posten
in de handelsportefeuille Artikel 293
Posten in de handelsportefeuille 1.
Voor de toepassing van dit artikel omvat bijlage II
een verwijzing naar afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico
als vermeld in punt 8) van afdeling C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG. 2.
Wanneer de instellingen de risicogewogen
uitzettingsbedragen berekenen voor het tegenpartijrisico van posten in de
handelsportefeuille, leven zij de volgende beginselen na: a) teneinde volgens de methode van afdeling 3 een waarde te bepalen voor
de potentiële toekomstige kredietuitzetting van op een total return swap of
een credit default swap gebaseerde kredietderivaten, wordt het nominale bedrag
van het instrument vermenigvuldigd met de volgende percentages: i) 5%, wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van de
instelling een directe uitzetting zou doen ontstaan, als gekwalificeerde post
in aanmerking zou worden genomen voor de toepassing van deel 3, titel IV,
hoofdstuk 2; ii) 10%, wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van
de instelling een directe uitzetting zou doen ontstaan, niet als
gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen voor de toepassing van
deel 3, titel IV, hoofdstuk 2. In het geval van een instelling waarvan de
uitzetting die uit een credit default swap voortkomt een longpositie in de
onderliggende waarde vertegenwoordigt, mag voor de potentiële toekomstige
kredietuitzetting het percentage van 0 % worden toegepast, tenzij de credit default
swap wordt geliquideerd in geval van insolventie van de entiteit waarvan de uit
de swap voortkomende uitzetting een shortpositie in de onderliggende waarde
vertegenwoordigt, ook al heeft er zich voor de onderliggende waarde geen
wanbetaling voorgedaan. Wanneer het kredietderivaat protectie verschaft
voor de 'n-de wanbetaling' onder een aantal onderliggende verplichtingen,
bepaalt een instelling welke van de hierboven voorgeschreven bedragen van
toepassing is met betrekking tot de verplichting met de n-de laagste
kredietkwaliteit die, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct
risico zou doen ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden
genomen voor de toepassing van deel 3, titel IV, hoofdstuk 2; b) de instellingen maken geen gebruik van de eenvoudige benadering van
financiële zekerheden van artikel 217 voor de inaanmerkingneming van de
effecten van de financiële zekerheid; c) in geval van repo's en verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen die geboekt zijn in de handelsportefeuille, mogen de
instellingen alle financiële instrumenten en grondstoffen die in aanmerking
komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen als toelaatbare
zekerheid in aanmerking nemen; d) met betrekking tot de uitzettingen die voortkomen uit afgeleide
otc-instrumenten die in de handelsportefeuille zijn opgenomen, mogen de
instellingen grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille
te worden opgenomen als toelaatbare zekerheid in aanmerking nemen; e) voor de bepaling van volatiliteitsaanpassingen in de gevallen waarin de
financiële instrumenten of grondstoffen die niet toelaatbaar zijn
overeenkomstig hoofdstuk 4 in het kader van dergelijke transacties worden
uitgeleend, verkocht of verstrekt, dan wel geleend, gekocht of ontvangen als
zekerheid of anderszins en een instelling gebruik maakt van de
toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig afdeling
3 van hoofdstuk 4, behandelen de instellingen de desbetreffende instrumenten en
grondstoffen op dezelfde wijze als aan een erkende beurs genoteerde, maar niet
in een hoofdindex opgenomen aandelen; f) wanneer een instelling gebruik maakt van de benadering van eigen
ramingen van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig afdeling 3 van hoofdstuk 4
met betrekking tot financiële instrumenten of grondstoffen die niet toelaatbaar
zijn overeenkomstig hoofdstuk 4, berekent zij volatiliteitsaanpassingen voor
elk afzonderlijk instrument. Wanneer
een instelling gebruik maakt van de internemodellenbenadering in hoofdstuk 4,
mag zij deze benadering ook in de handelsportefeuille toepassen; g) ten aanzien van de inaanmerkingneming van
kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot repo's, verstrekte of
opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties, nemen de instellingen verrekening tussen posities in en posities
buiten de handelsportefeuille slechts in aanmerking wanneer de verrekende
transacties aan de volgende voorwaarden voldoen: i) alle transacties worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd; ii) alle in het kader van de transacties geleende, gekochte of ontvangen
waarden mogen in aanmerking worden genomen als toelaatbare financiële zekerheid
overeenkomstig hoofdstuk 4 , met dien verstande dat de punten c) tot en
met f) van dit lid niet van toepassing zijn; h) wanneer een in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat deel
uitmaakt van een intern afdekkingsinstrument en de kredietprotectie
overeenkomstig deze verordening in overeenstemming met artikel 199 in
aanmerking wordt genomen, passen de instellingen een van de volgende
benaderingen toe: i) zij behandelen het alsof er geen tegenpartijrisico uit de positie in
dat kredietderivaat voorkomt; ii) zij houden voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het
tegenpartijkredietrisico consequent rekening houden met alle in de
handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die deel uitmaken van interne
afdekkingsinstrumenten of zijn gekocht als protectie tegen een CCR-uitzetting
wanneer de kredietprotectie overeenkomstig hoofdstuk 4 toelaatbaar wordt
geacht. Afdeling 9
Eigenvermogensvereisten
voor uitzettingen op een centrale tegenpartij Artikel 294
Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: (1)
'buiten het faillissement vallend': het feit dat
met betrekking tot activa effectieve regelingen bestaan die waarborgen dat de
activa niet beschikbaar zullen zijn voor de crediteuren van een ctp of van een
clearinglid in geval van insolventie van die ctp of dat clearinglid; (2)
'ctp-gerelateerde transactie': een contract of een
transactie opgenomen in de lijst van artikel 295, lid 1, tussen een cliënt en
een clearinglid die direct gerelateerd zijn aan een contract of een transactie
opgenomen in de lijst van artikel 295, lid 1, tussen dat clearinglid en een
ctp; (3)
'clearinglid': een onderneming die aan een ctp
deelneemt en verantwoordelijk is voor het vervullen van de uit die deelname
voortkomende financiële verplichtingen; (4)
'cliënt': een onderneming die een contractuele
relatie heeft met een clearinglid waardoor die onderneming in staat is haar
transacties bij die ctp te clearen; (5)
'voorgefinancierde bijdrage': een bijdrage aan het
wanbetalingsfonds van een ctp die door een instelling wordt betaald. Artikel 295
Materieel toepassingsgebied 1.
Deze afdeling is van toepassing op de volgende
contracten en transacties zolang zij bij een ctp uitstaan: a) de in de lijst van bijlage II opgenomen contracten en kredietderivaten; b) repo's; c) opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen; d) transacties met afwikkeling op lange termijn; e) margeleningstransacties; 2.
De instellingen passen de in de artikelen 297 en
298 gespecificeerde behandeling toe op de in lid 1 opgenomen contracten en
transacties die bij een ctp uitstaan mits aan alle volgende voorwaarden is
voldaan: a) de ctp in kwestie is in haar lidstaat van herkomst een vergunning
verleend om clearingdiensten te verlenen in overeenstemming met het nationale
recht of, in geval van een ctp uit een derde land of een ctp die diensten
verleent in een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst, is een
vergunning verleend om clearingdiensten in die lidstaat te verlenen in
overeenstemming met het nationale recht van die lidstaat; b) de bevoegde autoriteit van de ctp waarvan sprake in punt a) heeft een
document gepubliceerd dat bevestigt dat die ctp voldoet aan alle aanbevelingen
voor centrale tegenpartijen die door het Comité betalingen en verrekeningen en
het Technisch Comité van de Internationale organisatie van
effectentoezichthouders zijn gepubliceerd; c) de contracten of transacties zijn niet door de ctp verworpen. 3.
Wanneer een of meer in lid 2 opgenomen criteria
niet zijn vervuld, passen de instellingen de in artikel 300 gespecificeerde
behandeling toe. Artikel 296
Behandeling van transacties van clearingleden en cliënten 1.
De instellingen monitoren al hun uitzettingen op de
ctp's en rapporteren regelmatig informatie over die uitzettingen aan hun
directie en bevoegde comité of comités van het leidinggevend orgaan. 2.
Wanneer een instelling als clearinglid optreedt,
hetzij voor eigen doeleinden of als een financiële tussenpersoon tussen een
cliënt en een ctp, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar
uitzettingen op een ctp in overeenstemming met de artikelen 297 tot en met 300. 3.
Wanneer een instelling als een clearinglid optreedt
en in die hoedanigheid als een financiële tussenpersoon tussen een cliënt en
een ctp optreedt, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar
ctp-gerelateerde transacties met de cliënt in overeenstemming met de
toepasselijke overblijvende afdelingen van dit hoofdstuk. 4.
Wanneer een instelling een cliënt is van een
clearinglid, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar ctp-gerelateerde
transacties met het clearinglid in overeenstemming met de toepasselijke
overblijvende afdelingen van dit hoofdstuk. 5.
Bij wijze van alternatief voor de in lid 4
gespecificeerde benadering mag een instelling, wanneer zij een cliënt is, de
eigenvermogensvereisten voor haar ctp-gerelateerde transacties met het
clearinglid berekenen in overeenstemming met de artikelen 297 tot en met 300
mits beide volgende voorwaarden worden vervuld: a) de posities en activa van die instelling die betrekking hebben op die
transacties worden, zowel op het niveau van het clearinglid als de ctp,
onderscheiden en gescheiden van de posities en activa van zowel het clearinglid
als de andere cliënten van dat clearinglid; door die scheiding vallen die
posities en activa buiten het faillissement in geval van wanbetaling of
insolventie van het clearinglid of een of meer van zijn andere cliënten; b) de wetten, voorschriften, regels en contractuele regelingen die van
toepassing zijn op of bindend zijn voor die instelling of de ctp waarborgen in
geval van wanbetaling of insolventie van het clearinglid de overdracht van de
posities van de instelling met betrekking tot die contracten en transacties en
van de bijbehorende zekerheid aan een ander clearinglid binnen de toepasselijke
margerisicoperiode. 6.
Wanneer een instelling die als een clearinglid
optreedt een overeenkomst met een cliënt van een andere clearinglid aangaat om
voor die cliënt de overdraagbaarheid van activa en posities waarvan sprake in
punt b) van lid 5 te waarborgen, mag die instelling een uitzettingswaarde van
nul toekennen aan de voorwaardelijke verplichting die als gevolg van die overeenkomst
ontstaat. Artikel 297
Eigenvermogensvereisten voor uitzettingen in de
handelsportefeuille 1.
Een instelling past een risicogewicht van 2% toe op
de uitzettingswaarden van al haar uitzettingen in de handelsportefeuille op
ctp's. 2.
Niettegenstaande lid 1 mag een instelling, wanneer
activa die als zekerheid aan een ctp of een clearinglid zijn verstrekt buiten
het faillissement vallen ingeval de ctp, het clearinglid of een of meer van de
andere cliënten van het clearinglid insolvent wordt, een uitzettingswaarde van
nul toekennen aan de tegenpartijkredietrisicoblootstellingen voor die activa. 3.
Een instelling berekent de uitzettingswaarden van
haar uitzettingen in de handelsportefeuille met een ctp in overeenstemming met
de resterende toepasselijk afdelingen van dit hoofdstuk. 4.
Een instelling berekent de risicogewogen
uitzettingsbedragen voor haar uitzettingen in de handelsportefeuille bij ctp's
voor de toepassing van de artikelen 108, lid 8, en 151 als de som van de
uitzettingswaarden van haar uitzettingen in de handelsportefeuille bij ctp's,
berekend overeenkomstig de leden 2 en 3, vermenigvuldigd met het risicogewicht
bepaald in overeenstemming met lid 1. 5.
Onverminderd de leden 1 en 2 past een instelling,
wanneer zij activa als zekerheid aan een ctp verstrekt, op die activa een
risicogewicht toe dat anders overeenkomstig de hoofdstukken 2 tot en met 4 op
de in overeenstemming met lid 3 berekende uitzettingswaarden van toepassing is. Artikel 298
Eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsfondsbijdragen 1.
Instellingen die optreden als clearinglid houden
eigen vermogen aan om de uitzettingen te dekken die voortkomen uit hun
bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een ctp. Zij berekenen de eigenvermogensvereisten voor die uitzettingen
overeenkomstig de in dit artikel beschreven methode. Wanneer een ctp niet beschikt over afzonderlijke
wanbetalingsfondsen voor transacties in producten met alleen settlementrisico's
als beschreven in titel V en voor contracten en transacties die in artikel 295,
lid 1, zijn opgenomen, maar in plaats daarvan hetzelfde wanbetalingsfonds
gebruikt om verliezen in verband met al die transacties en contracten onderling
om te slaan, passen de instellingen op al hun bijdragen aan dat
wanbetalingsfonds de in dit artikel beschreven methode toe. 2.
Een instelling berekent het eigenvermogensvereiste
(Ki) om de uit haar voorgefinancierde bijdrage(DFi)
voorkomende uitzetting te dekken als volgt: waarbij: β = de door de ctp
aan de instelling meegedeelde concentratiefactor; N= het door de ctp
aan de instelling meegedeelde aantal clearingleden; DFCM= de som van de door de
ctp aan de instelling meegedeelde voorgefinancierde bijdragen van alle
clearingleden van de ctp () ; KCM= de som van de
eigenvermogensvereisten van alle clearingleden van de ctp berekend
overeenkomstig de in lid 3 gespecificeerde toepasselijke formule (). Wanneer een ctp een bindende overeenkomst met haar
clearingleden heeft gesloten op grond waarvan zij de initiële marge die zij van
haar clearingleden heeft ontvangen geheel of gedeeltelijk als een
voorgefinancierde bijdrage mag gebruiken, beschouwt het clearinglid voor de
berekening in dit lid die initiële marge als voorgefinancierde bijdrage. 3.
De instellingen berekenen KCM als
volgt: a) wanneer KCCP ≤ DFCCP gebruiken de instellingen
de volgende formule: ; b) wanneer DFCCP < KCCP ≤DF*gebruiken
de instellingen de volgende formule: ; c) wanneer DF* < KCCP
gebruiken de instellingen de volgende formule: waarbij: DFCCP = de door de ctp aan de instelling
meegedeelde voorgefinancierde financiële middelen van de ctp; KCCP= het door de ctp aan de instelling
meegedeelde hypothetische kapitaal van de ctp; DF = het door de ctp aan de instelling
meegedeelde totaal aan voorgefinancierde bijdragen; DF*= ; = ; = de door de ctp aan de instelling meegedeelde gemiddelde
voorgefinancierde bijdrage, ; c1= een factor kapitaal gelijk aan; c2= een factor kapitaal gelijk aan 100%; μ= 1,2. 4.
Instellingen die als clearinglid optreden,
berekenen de eigenvermogensvereiste () voor de uitzetting
die voortkomt uit hun contractueel vastgelegde bijdragen () als
volgt: a) wanneer DF*≥KCCP gebruiken de
instellingen de volgende formule: waarbij: c1= een factor kapitaal gelijk aan; = de door de ctp aan de instelling meegedeelde som van alle contractueel
vastgelegde bijdragen ; b) wanneer DF* < KCCP
gebruiken de instellingen de volgende formule: . 5.
De risicogewogen uitzettingsbedragen voor
uitzettingen die voortkomen uit een voorgefinancierde bijdrage van een
instelling voor de toepassing van artikel 108, lid 8, en artikel 151 worden
berekend als de eigenvermogensvereisten (Ki) bepaald
overeenkomstig de leden 2 tot en met 4 vermenigvuldigd met 12,5. 6.
Onder 'contractueel vastgelegde bijdrage' dient te
worden verstaan, een bijdrage anders dan een voorgefinancierde bijdrage aan het
wanbetalingsfonds van een ctp die een instelling contractueel dient te betalen
bij een bepaalde gebeurtenis. 7.
Wanneer een ctp niet over een wanbetalingsfonds
beschikt en geen bindende overeenkomst met haar clearingleden heeft gesloten op
grond waarvan zij de initiële marge die zij van haar clearingleden heeft
ontvangen geheel of gedeeltelijk als een voorgefinancierde bijdrage mag
gebruiken, is het volgende van toepassing: a) de instellingen vervangen de formule voor de berekening van de
eigenvermogensvereiste (Ki) in lid 2 door de volgende formule: waarbij: IMi= de door clearinglid i bij de ctp
gedeponeerde initiële marge; IM= de door de ctp aan de instelling meegedeelde som van initiële marge; b) wanneer DFCCP gelijk is aan nul, gebruiken de instellingen
een waarde voor c1 van 1,6% voor de berekening in lid 3. 8.
Wanneer KCCP
gelijk is aan nul, gebruiken de instellingen de waarde voor c1 van 1,6%
voor de berekening in de leden 3 en 4. Artikel 299
Berekening van het hypothetische kapitaal van een ctp 1.
Voor contracten en transacties die zijn opgenomen
in de lijst in artikel 295, lid 1, berekent een ctp het hypothetische kapitaal
dat haar clearingleden nodig hebben voor de toepassing van deze afdeling als
volgt: waarbij: EBRMi= uitzettingswaarde vóór risicolimitering die gelijk is aan de waarde van
de uitzetting van de ctp op clearinglid i die voortkomt uit de contracten en
transacties welke zijn opgenomen in de lijst in artikel 295, lid 1, berekend
zonder rekening te houden met de door dat clearinglid gestelde zekerheid; VMi= de variatiemarge in verband met clearinglid i; IMi= de door clearinglid i bij de ctp gedeponeerde initiële marge; DFi= de voorgefinancierde bijdrage van clearinglid i; RW = een risicogewicht van 20%; kapitaalratio= 8%. 2.
Voor de bij lid 1 vereiste berekening is het
volgende van toepassing: a) een ctp berekent de waarde van de uitzettingen op haar clearingleden in
overeenstemming met de in artikel 269 gespecificeerde methode gebaseerd op de
waardering tegen marktwaarde. Bij de
berekening van deze waarden brengt de ctp op haar uitzettingen de door haar
clearingleden gestelde zekerheid in mindering, op passende wijze verminderd
middels de door de toezichthouder vastgestelde volatiliteitsaanpassingen in
overeenstemming met in artikel 219 gespecificeerde uitgebreide benadering van
financiële zekerheden; b) wanneer het clearinglid gerechtigd is de variatiemarge van de ctp te
ontvangen - maar deze nog niet heeft ontvangen – neemt de ctp het
overeenkomstige VMi-bedrag in de vergelijking op met een positief
teken. Wanneer daarentegen de ctp gerechtigd is de variatiemarge van het
clearinglid te ontvangen - maar deze nog niet heeft ontvangen – neemt de ctp
het overeenkomstige VMi-bedrag in de vergelijking op met een
negatief teken; c) wanneer een ctp een uitzetting heeft op een of meer ctp's behandelt zij
een dergelijke uitzetting als een uitzetting op clearingleden en betrekt zij
marge of voorgefinancierde bijdragen die van die ctp's zijn ontvangen bij de
berekening van KCCP; d) wanneer de financiële middelen van een ctp parallel aan en naar rata
van de voorgefinancierde bijdragen van haar clearingleden worden gebruikt, telt
de ctp het overeenkomstige bedrag van die middelen bij DFCM op; e) wanneer een ctp een bindende overeenkomst met haar clearingleden heeft
gesloten op grond waarvan zij de initiële marge die zij van haar clearingleden
heeft ontvangen geheel of gedeeltelijk als een voorgefinancierde bijdrage mag
gebruiken, beschouwt de ctp voor de berekening in lid 1 en voor de kennisgeving
in punt b) van lid 4 die initiële marge als voorgefinancierde bijdrage; f) een ctp vervangt de formule in punt c), ii), van artikel 292, lid 1,
door de volgende formule: ; g) wanneer een ctp niet in staat is de waarde van NGR te berekenen als
bepaald in punt c), ii) van artikel 292, lid 1, doet zij het volgende: i) zij stelt de instellingen onder haar clearingleden in kennis van het
feit dat zij niet in staat is de waarde van NGR te berekenen; ii) zij mag gedurende een periode van 3 maanden een NGR-waarde van 0,3
gebruiken voor het verrichten van de berekening van PCEred
als gespecificeerd in punt f); h) wanneer de ctp aan het einde van de in punt ii) van punt g)
gespecificeerde periode nog steeds niet in staat is de waarde van NGR te
berekenen, doet zij het volgende: i) zij houdt op KCCP te berekenen; ii) zij stelt de instellingen onder haar clearingleden ervan in kennis dat
zij opgehouden is met het berekenen van KCCP; i) voor de berekening van de potentiële toekomstige uitzetting voor opties
en swapties volgens de in artikel 269 gespecificeerde methode gebaseerd op de
waardering tegen marktwaarde, vermenigvuldigt een ctp het notionele bedrag van
het contract met de absolute waarde van de delta van de optie () als
bepaald in punt a) van artikel 274, lid 1; j) wanneer de regels van een ctp erin voorzien dat zij een deel van haar
financiële middelen gebruikt om haar verliezen te dekken als gevolg van de
wanbetaling van een of meer van haar clearingleden nadat zij haar
wanbetalingsfonds heeft uitgeput, maar voordat zij een beroep doet op de contractueel
vastgelegde bijdragen van haar clearingleden, telt de ctp het bedrag van die
additionele financiële middelen () op bij het
totale bedrag van de voorgefinancierde bijdragen (DF): . 3.
Een ctp voert de bij lid 1 vereiste berekening ten
minste elk kwartaal of vaker uit wanneer dit vereist wordt door de bevoegde
autoriteiten van de instellingen onder haar clearingleden. 4.
Een ctp stelt de instellingen onder haar
clearingleden en hun bevoegde autoriteiten van de volgende informatie in
kennis: a) het hypothetische kapitaal (KCCP); b) ofwel de som van de voorgefinancierde bijdragen (DFCM)
of, wanneer een ctp niet over een wanbetalingsfonds beschikt en geen bindende
overeenkomst met haar clearingleden heeft gesloten op grond waarvan zij de
initiële marge die zij van haar clearingleden heeft ontvangen geheel of
gedeeltelijk als een voorgefinancierde bijdrage mag gebruiken, de som van de
van haar clearingleden ontvangen initiële marge (); c) het bedrag van haar voorgefinancierde financiële middelen dat zij – bij
wet of op grond van een overeenkomst met haar clearingleden – dient te
gebruiken om haar verliezen te dekken na de wanbetaling van een of meer van
haar clearingleden alvorens gebruik te maken van de bijdragen aan het
wanbetalingsfonds van de resterende clearingleden (DFCCP); d) de gemiddelde voorgefinancierde bijdrage (); e) het totale aantal van haar clearingleden (N); f) de concentratiefactor (β), als bepaald in lid 5; g) de som van alle contractueel vastgelegde bijdragen (). Een ctp stelt de instellingen onder haar
clearingleden ten minste elk kwartaal of vaker wanneer dit vereist wordt door
de bevoegde autoriteiten van die clearingleden van die informatie in kennis. 5.
Een ctp berekent de concentratiefactor (β)
volgens de volgende formule: waarbij: PCEred,i= het verlaagde bedrag van de potentiële toekomstige kredietuitzetting
van alle contracten en transacties van een ctp met clearinglid i. 6.
De instellingen informeren hun bevoegde
autoriteiten over de ontvangst van de kennisgevingen waarvan sprake in punt g)
i) en h) ii) van lid 2 en in lid 4. 7.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met het oog op de specificatie van het volgende: a) de frequentie en de datums van de in lid 1 gespecificeerde
berekeningen; b) de frequentie, de datums en het uniforme formaat van de in lid 4
gespecificeerde kennisgeving; c) de situaties waarin de bevoegde autoriteit van een instelling die als
een clearinglid optreedt een hogere berekenings- en rapportagefrequentie mag
vereisen dan die overeenkomstig de punten a) en b). De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 aan de Commissie voor. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 300
Eigenvermogensvereisten voor uitzettingen op niet-conforme
ctp's en voor uitzettingen op niet-conforme transacties 1.
Wanneer de voorwaarde van artikel 295, lid 3, is
vervuld, doen de instellingen het volgende: a) zij passen de standaardbenadering voor kredietrisico van hoofdstuk 2
toe voor het berekenen van de uitzettingswaarden en risicogewogen bedragen van
de uitzettingen in de handelsportefeuille voor hun contracten en transacties
met een ctp; b) zij passen de volgende formule toe voor de berekening van de
eigenvermogensvereisten voor de uitzettingen die voortkomen uit hun
voorgefinancierde en hun contractueel vastgelegde bijdragen: . Wanneer alleen aan de voorwaarde in punt c) van
artikel 295, lid 2, niet is voldaan, passen de instellingen punt a) toe met
betrekking tot de uitzettingen in de handelsportefeuille betreffende de door de
ctp verworpen contracten of transacties, en passen zij de in artikel 298
gespecificeerde behandeling toe op uitzettingen die uit zowel hun
voorgefinancierde als hun contractueel vastgelegde bijdragen voortkomen. 2.
De instellingen berekenen de eigenvermogensvereiste
voor hun uitzettingen op een ctp overeenkomstig lid 3 in de volgende
omstandigheden: a) zij hebben van de ctp een bij punt h), ii), van artikel 299, lid 2,
vereiste kennisgeving ontvangen dat de ctp is opgehouden met het berekenen van
KCCP; b) het wordt de instellingen - na een openbare aankondiging of
kennisgeving van de bevoegde autoriteit van die ctp of van de ctp zelf – bekend
dat de betrokken ctp niet langer zal voldoen aan de voorwaarde van punt a) van
artikel 295, lid 2; c) er wordt niet langer voldaan aan de voorwaarde van artikel 295, lid 2. 3.
Binnen 3 maanden nadat een van de omstandigheden in
de punten a) tot en met c) van lid 2 optreedt, of eerder wanneer de bevoegde
autoriteit van de instelling dit vereist, past een instelling niet langer de
artikelen 297 en 298 toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor
de uitzettingen in de handelsportefeuille en de wanbetalingsfondsbijdragen, en
doet zij in plaats daarvan het volgende: a) zij berekent de eigenvermogensvereiste voor de uitzettingen in de
handelsportefeuille op die ctp overeenkomstig punt a) van lid 1; b) zij berekent de eigenvermogensvereiste voor uitzettingen die voortkomen
uit zowel haar voorgefinancierde als haar contractueel vastgelegde bijdragen aan
die ctp overeenkomstig punt b) van lid 1. Titel III
Eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico Hoofdstuk 1
Algemene beginselen betreffende het gebruik van de
verschillende benaderingen Artikel 301
Toestemming en kennisgeving 1.
Om in aanmerking te komen voor de
standaardbenadering voldoen de instellingen, behalve aan de algemene normen
voor het risicomanagement van de artikelen 73 en 83 van Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau], tevens aan de criteria van artikel 309. Instellingen die de standaardbenadering hanteren,
stellen de bevoegde autoriteiten daarvan van tevoren in kennis. De bevoegde autoriteiten staan instellingen toe om
een alternatieve relevante indicator te gebruiken voor de bedrijfsonderdelen
"retailbanking" en "zakelijke bankdiensten" wanneer de
voorwaarden van artikel 308, lid 2, en artikel 309 zijn vervuld. 2.
De bevoegde autoriteiten staan instellingen toe om
geavanceerde meetbenaderingen te hanteren die op hun eigen systemen voor de
meting van het operationele risico berusten, wanneer alle kwalitatieve en
kwantitatieve normen van respectievelijk artikel 310 en 311 zijn vervuld en
wanneer deze instellingen voldoen aan de algemene normen voor het
risicomanagement van de artikelen 73 en 83 van Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau] en afdeling II, hoofdstuk 3, titel VII van die richtlijn. Instellingen vragen hun bevoegde autoriteiten ook
om toestemming wanneer zij die geavanceerde meetbenaderingen materieel willen
uitbreiden of wijzigen. De bevoegde
autoriteiten verlenen alleen toestemming wanneer instellingen na die materiële
uitbreidingen en wijzigingen nog altijd aan de in het eerste lid genoemde
normen voldoen. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan: (a)
de beoordelingsmethodologie op basis waarvan de bevoegde
autoriteiten instellingen toestemming verlenen om geavanceerde meetbenaderingen
te hanteren; (b)
de voorwaarden voor het beoordelen van het
materiële karakter van de uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde
meetbenaderingen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 302
Teruggrijpen op minder verfijnde benaderingen 1.
Instellingen die de standaardbenadering hanteren,
grijpen niet terug op de basisindicatorbenadering, tenzij de voorwaarden van
lid 3 zijn vervuld. 2.
Instellingen die de geavanceerde meetbenaderingen
hanteren, grijpen niet terug op de standaardbenadering of de basisindicatorbenadering,
tenzij de voorwaarden van lid 3 zijn vervuld. 3.
Een instelling mag alleen teruggrijpen op een minder
verfijnde benadering voor het operationeel risico wanneer de beide volgende
voorwaarden zijn vervuld: (a) de instelling heeft tot voldoening van de bevoegde autoriteit
aangetoond dat het gebruik van een minder verfijnde benadering niet wordt
voorgesteld om de voor de instelling geldende eigenvermogensvereisten voor het
operationeel risico te beperken, dat dit noodzakelijk is op basis van de aard
en de complexiteit van de instelling en dat het geen materieel negatief effect
zal hebben op de solvabiliteit van de instelling of haar vermogen om het
operationeel risico effectief te beheren; b) de instelling heeft voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit
gekregen. Artikel 303
Gecombineerde toepassing van verschillende benaderingen 1.
Instellingen mogen een combinatie van benaderingen
toepassen op voorwaarde dat zij daarvoor toestemming krijgen van de bevoegde
autoriteiten. De bevoegde
autoriteiten verlenen deze toestemming wanneer de voorwaarden van de leden 2
tot en met 4, naargelang het geval, zijn vervuld. 2.
Een instelling mag een geavanceerde meetbenadering
toepassen in combinatie met de basisindicatorbenadering of de
standaardbenadering wanneer de beide volgende voorwaarden zijn vervuld: (a)
de combinatie van de door de instelling toegepaste
benaderingen geeft al haar operationele risico's weer en de bevoegde
autoriteiten stemmen in met de door de instelling gebruikte methodologie om de
verschillende activiteiten, geografische locaties, juridische structuren of
andere relevante, intern vastgestelde onderverdelingen in aanmerking te nemen; (b)
er is aan de criteria van artikel 309 en de normen
van de artikelen 310 en 311 voldaan ten aanzien van de activiteiten die met
gebruikmaking van respectievelijk de standaardbenadering en de geavanceerde
meetbenaderingen in aanmerking worden genomen. 3.
Bij instellingen die een geavanceerde
meetbenadering willen combineren met de basisindicatorbenadering of de
standaardbenadering, mogen de bevoegde autoriteiten van geval tot geval de
volgende aanvullende voorwaarden stellen voordat zij toestemming verlenen: (a)
vanaf de datum waarop een geavanceerde
meetbenadering wordt ingevoerd, wordt deze benadering op een significant
gedeelte van de operationele risico's van de instelling toegepast; (b)
de instelling verbindt zich ertoe de geavanceerde
meetbenadering op een materieel gedeelte van haar activiteiten toe te passen
overeenkomstig een tijdschema dat aan haar bevoegde autoriteiten is voorgelegd
en door hen is goedgekeurd. 4.
Een instelling mag een bevoegde autoriteit slechts
in uitzonderlijke omstandigheden om toestemming voor een gecombineerde
toepassing van de basisindicatorbenadering en de standaardbenadering verzoeken,
zoals bij de recente verwerving van nieuwe activiteiten waarbij een
overgangsperiode nodig kan zijn voor de toepassing van de standaardbenadering. Een bevoegde autoriteit verleent die toestemming
uitsluitend wanneer de instelling zich ertoe heeft verbonden de
standaardbenadering toe te passen overeenkomstig een tijdschema dat aan de
bevoegde autoriteit is voorgelegd en door haar is goedgekeurd. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan: (a)
de voorwaarden die de bevoegde autoriteiten
hanteren bij de beoordeling van de in lid 2, onder a), bedoelde methodologie; b) de voorwaarden die de bevoegde autoriteiten hanteren om te beslissen of
zij de in lid 3 bedoelde aanvullende voorwaarden stellen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Hoofdstuk 2
Basisindicatorbenadering Artikel 304
Kapitaalvereiste Volgens de basisindicatorbenadering is het
eigenvermogensvereiste voor het operationeel risico gelijk aan 15 % van
het driejaarsgemiddelde van de relevante indicator die in artikel 305 is
gedefinieerd. Instellingen berekenen het driejaarsgemiddelde
van de relevante indicator op basis van de laatste drie twaalfmaandelijkse
waarnemingen aan het eind van het boekjaar. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen
instellingen gebruikmaken van bedrijfsramingen. Indien voor een bepaalde waarneming de
relevante indicator negatief is of gelijk is aan nul, nemen instellingen dit
cijfer niet in aanmerking bij de berekening van het driejaarsgemiddelde. Instellingen berekenen het
driejaarsgemiddelde in dat geval als de som van de positieve cijfers, gedeeld
door het aantal positieve cijfers. Artikel 305
Relevante indicator 1.
Voor instellingen die de bij Richtlijn 86/635/EEG
vastgestelde standaarden voor jaarrekeningen toepassen, is de relevante
indicator, uitgaande van de boekhoudkundige rubrieken voor de winst- en
verliesrekening van instellingen volgens het schema van artikel 27 van die
richtlijn, de som van de in tabel 1 van dit lid genoemde bestanddelen. Instellingen tellen elk bestanddeel mee met het
bijbehorende positieve of negatieve teken. Tabel 1 1 Ontvangen rentebaten en soortgelijke baten 2 Rente en soortgelijke lasten 3 Opbrengsten uit aandelen en andere vastrentende/niet-vastrentende waardepapieren 4 Ontvangen provisie/vergoedingen 5 Betaalde provisie/vergoedingen 6 Resultaat uit financiële transacties 7 Overige bedrijfsopbrengsten Instellingen passen deze bestanddelen aan rekening
houdende met de volgende overwegingen: (a)
Instellingen berekenen de relevante indicator vóór
aftrek van eventuele voorzieningen en bedrijfskosten. Instellingen nemen in de bedrijfskosten mede op de betaalde honoraria
voor diensten uitbesteed aan een derde partij die niet een moederonderneming of
een dochteronderneming van de instelling is, noch een dochteronderneming van
een moederonderneming die ook de moederonderneming van de instelling is. Instellingen mogen de uitgaven voor de
uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht, gebruiken
om de relevante indicator te verlagen wanneer de uitgaven voor rekening komen
van een onderneming die onderworpen is aan voorschriften in de zin van of
evenwaardig aan deze richtlijn; (b)
Instellingen laten de volgende bestanddelen buiten
beschouwing bij de berekening van de relevante indicator: i) gerealiseerd resultaat uit de verkoop van bestanddelen die geen deel
uitmaken van de handelsportefeuille; ii) inkomsten uit buitengewone of onregelmatige posten; iii) inkomsten uit verzekeringen. (c)
Wanneer de herwaardering van de in de
handelsportefeuille opgenomen posten een onderdeel vormt van de winst- en verliesrekening,
kunnen instellingen deze herwaardering meetellen. Wanneer instellingen artikel 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG
toepassen, tellen zij de in de winst- en verliesrekening geboekte herwaardering
mee. 2.
Wanneer instellingen andere dan de bij Richtlijn 86/635/EEG
vastgestelde standaarden voor jaarrekeningen toepassen, berekenen zij de
relevante indicator op basis van gegevens die het beste aansluiten bij de in
dit artikel opgenomen definitie. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om de methodologie voor de berekening van de in lid 2
bedoelde relevante indicator vast te stellen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Hoofdstuk 3
Standaardbenadering Artikel 306
Eigenvermogensvereiste 1.
Volgens de standaardbenadering splitsen
instellingen hun activiteiten op naar de in tabel 2 van lid 4 bedoelde
bedrijfsonderdelen overeenkomstig de beginselen van artikel 307. 2.
Instellingen berekenen het eigenvermogensvereiste
voor het operationeel risico als het driejaarsgemiddelde van de som van de
jaarlijkse eigenvermogensvereisten voor alle in tabel 2 van lid 4 bedoelde
bedrijfsonderdelen. Het jaarlijkse
eigenvermogensvereiste voor elk bedrijfsonderdeel is gelijk aan het product van
de in die tabel vermelde overeenkomstige betafactor en het gedeelte van de
relevante indicator dat is gekoppeld aan het desbetreffende bedrijfsonderdeel. 3.
In ieder gegeven jaar mogen instellingen negatieve
eigenvermogensvereisten ten gevolge van een negatief gedeelte van de relevante
indicator voor een bedrijfsonderdeel onbeperkt salderen met positieve
eigenvermogensvereisten voor andere bedrijfsonderdelen. Wanneer evenwel de samengevoegde eigenvermogensvereisten voor alle
bedrijfsonderdelen in een gegeven jaar negatief zijn, stellen instellingen de
bijdrage aan de noemer voor dat jaar vast op nul. 4.
Instellingen berekenen het driejaarsgemiddelde van
de in lid 2 bedoelde som op basis van de laatste drie twaalfmaandelijkse
waarnemingen aan het eind van het boekjaar. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen
instellingen gebruikmaken van bedrijfsramingen. Tabel 2 Bedrijfsonderdeel || Activiteiten || Percentage (betafactor) Ondernemingsfinanciering || Het overnemen van financiële instrumenten of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie Diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten Beleggingsadvies Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames van ondernemingen Onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten || 18 % Handel en verkoop || Het handelen voor eigen rekening Bemiddeling op interbankenmarkten Het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot een of meer financiële instrumenten Het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten Het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie Het exploiteren van multilaterale handelsfaciliteiten || 18 % Courtagediensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen (activiteiten met individuele natuurlijke personen of met kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de in artikel 79 genoemde criteria om in de categorie uitzettingen op particulieren en kleine partijen te kunnen worden opgenomen) || Het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot een of meer financiële instrumenten Het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten Het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie || 12 % Zakelijke bankdiensten || Inontvangstneming van deposito's of andere terugbetaalbare gelden Verstrekken van leningen Financiële leasing Verlenen van garanties en stellen van borgtochten || 15 % Retailbanking (activiteiten met individuele natuurlijke personen of met kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de in artikel 79 genoemde criteria om in de categorie uitzettingen op particulieren en kleine partijen te kunnen worden opgenomen) || Inontvangstneming van deposito's of andere terugbetaalbare gelden Verstrekken van leningen Financiële leasing Verlenen van garanties en stellen van borgtochten || 12 % Betaling en afwikkeling || Betalingsverrichtingen Uitgifte en beheer van betaalmiddelen || 18 % Bemiddelingsdiensten || Bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer || 15 % Vermogensbeheer || Portefeuillebeheer Beheer van ICBE's Andere vormen van vermogensbeheer || 12 % Artikel 307
Beginselen voor de mapping van bedrijfsonderdelen 1.
Instellingen ontwikkelen en documenteren specifieke
gedragslijnen en criteria om de relevante indicator voor bestaande bedrijfsonderdelen
en activiteiten in het gestandaardiseerde raamwerk van artikel 306 in te
passen. Voor nieuwe of veranderende
bedrijfsactiviteiten en risico's evalueren en passen zij deze gedragslijnen en
criteria in voorkomend geval aan. 2.
Instellingen passen de volgende beginselen toe op
de mapping van bedrijfsonderdelen: (a)
instellingen delen alle activiteiten op een mutueel
exclusieve en uitputtende wijze bij bedrijfsonderdelen in; (b)
instellingen delen een activiteit die niet
gemakkelijk in het raamwerk van bedrijfsonderdelen kan worden ingepast, doch
die een nevenactiviteit vormt van een in dit raamwerk opgenomen activiteit, in
bij het bedrijfsonderdeel dat zij ondersteunt. Indien meer dan één bedrijfsonderdeel door middel van de
nevenactiviteit wordt ondersteund, hanteren instellingen een objectief
criterium om deze bij een bepaald bedrijfsonderdeel in te delen; (c)
indien een activiteit niet bij een bepaald
bedrijfsonderdeel kan worden ingedeeld, kiezen instellingen voor het
bedrijfsonderdeel dat het hoogste percentage oplevert. Een eventuele met die activiteit samenhangende nevenactiviteit moet in
hetzelfde bedrijfsonderdeel worden ingedeeld; (d)
instellingen kunnen interne tariferingsmethoden
gebruiken om de relevante indicatoren voor de verschillende bedrijfsonderdelen
vast te stellen. Kosten die in een
bepaald bedrijfsonderdeel worden gegenereerd doch die aan een ander
bedrijfsonderdeel kunnen worden toegeschreven, mogen heringedeeld worden bij
het bedrijfsonderdeel waarop zij betrekking hebben; (e)
de indeling van activiteiten bij bedrijfsonderdelen
met het oog op de vaststelling van de kapitaalvereisten voor het operationele
risico moet in overeenstemming zijn met de categorieën die instellingen voor
het krediet- en het marktrisico gebruiken; (f)
de directie is verantwoordelijk voor de mapping,
onder toezicht van het leidinggevende orgaan van de instelling; (g)
instellingen onderwerpen de mapping aan een
onafhankelijk onderzoek. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen om de voorwaarden voor de toepassing van de in dit artikel
genoemde beginselen voor de mapping van bedrijfsonderdelen vast te stellen. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2017 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 308
Alternatieve standaardbenadering 1.
Volgens de alternatieve standaardbenadering gaan
instellingen voor de bedrijfsonderdelen "retailbanking" en
"zakelijke bankdiensten" als volgt te werk: (a)
de relevante indicator is een genormaliseerde
inkomstenindicator die gelijk is aan het nominale bedrag van de verstrekte
leningen en voorschotten, vermenigvuldigd met 0,035; (b)
de verstrekte leningen en voorschotten bestaan uit
de totale opgenomen bedragen in de desbetreffende kredietportefeuilles. Voor het bedrijfsonderdeel "zakelijke
bankdiensten" rekenen instellingen ook buiten de handelsportefeuille
aangehouden effecten mee in het nominale bedrag van de verstrekte leningen en
voorschotten. 2.
Om toestemming te krijgen voor het gebruik van de
alternatieve standaardbenadering, moet de instelling aan alle onderstaande
voorwaarden voldoen: (a)
haar activiteiten op het gebied van retailbanking
en zakelijke bankdiensten vertegenwoordigen ten minste 90 % van haar inkomsten; (b)
een significant deel van haar activiteiten op het
gebied van retailbanking en zakelijke bankdiensten bestaat uit leningen met een
grote kans op wanbetaling; (c)
de alternatieve standaardbenadering biedt een
passende grondslag om haar eigenvermogensvereiste voor het operationeel risico
te berekenen. 3.
De EBA ontwikkelt technische regelgevingsnormen om
nadere invulling te geven aan de voorwaarden voor het gebruik van de in lid 2
bedoelde alternatieve standaardbenadering. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 309
Criteria voor de standaardbenadering De in artikel 301, lid 1, eerste alinea,
bedoelde criteria zijn de volgende: (a)
instellingen beschikken over een goed
gedocumenteerd systeem voor de beoordeling en het beheer van het operationele
risico, waaraan welomschreven taken zijn toegewezen. Zij geven hun blootstelling aan het operationele risico aan en houden
relevante gegevens inzake het operationele risico bij, zoals gegevens over
materiële verliezen. Dit systeem
wordt regelmatig aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen; (b)
het beoordelingssysteem voor het operationele
risico is in hoge mate geïntegreerd in de door de instelling toegepaste
risicomanagementprocessen. De output
ervan moet een integraal onderdeel vormen van het proces van bewaking en
beheersing van het operationele risico van de instelling; (c)
instellingen leggen een systeem van rapportage aan
de directie ten uitvoer dat voorziet in het uitbrengen van verslagen over het
operationele risico aan de relevante functies binnen de instelling. Instellingen beschikken over procedures om
passende maatregelen te nemen in reactie op de informatie in de verslagen aan
het management. Hoofdstuk 4
Geavanceerde meetbenaderingen Afdeling 1
Kwalificatiecriteria Artikel 310
Kwalitatieve normen De in artikel 301, lid 2, bedoelde
kwalitatieve normen zijn de volgende: (a)
het interne meetsysteem voor het operationele
risico is in hoge mate geïntegreerd in de door de instelling toegepaste
dagelijkse risicomanagementprocessen; (b)
instellingen beschikken over een onafhankelijke
risicomanagementfunctie voor het operationele risico; (c)
instellingen brengen periodiek verslag uit over de
blootstelling aan operationeel risico en geleden verliezen en beschikken over
procedures om passende corrigerende maatregelen te nemen; (d)
het risicomanagementsysteem van een instelling is
naar behoren schriftelijk vastgelegd. De instelling heeft procedures vastgesteld om naleving te waarborgen en
beschikt over gedragslijnen om niet-naleving aan te pakken; (e)
instellingen onderwerpen hun beheerprocessen en
meetsystemen voor het operationele risico periodiek aan een onderzoek door
interne of externe accountants; (f)
de interne validatieprocessen van een instelling
functioneren op degelijke en doeltreffende wijze; (g)
de datastromen en processen in het kader van het
risicomeetsysteem van een instelling zijn transparant en toegankelijk. Artikel 311
Kwantitatieve normen 1.
De in artikel 301, lid 2, bedoelde kwantitatieve
normen omvatten de normen die betrekking hebben op de procedure, interne
gegevens, externe gegevens, scenarioanalyse, ondernemingsklimaat en factoren
inzake interne controle, als bedoeld in respectievelijk de leden 2 tot en met 6. 2.
De normen die betrekking hebben op de procedure,
zijn de volgende: (a)
Bij de berekening van hun eigenvermogensvereiste
houden instellingen rekening zowel met verwachte als met onverwachte verliezen,
tenzij verwachte verliezen naar behoren in aanmerking worden genomen in hun
interne bedrijfspraktijk. De meting
van het operationele risico moet met potentieel ernstige overschrijdingskansen
rekening houden, en een deugdelijkheidsnorm halen die vergelijkbaar is met een
betrouwbaarheidsinterval van 99,9 % over een periode van één jaar; (b)
Het door een instelling gehanteerde meetsysteem
voor het operationele risico behelst het gebruik van interne gegevens en het
gebruik van externe gegevens, scenarioanalyse en factoren die het
ondernemingsklimaat en de internecontrolesystemen weergeven zoals in de
leden 3 tot en met 6 wordt beschreven. Een instelling moet over een schriftelijk vastgelegde methode
beschikken om het gebruik van deze vier elementen in haar algemene meetsysteem
voor het operationele risico te wegen; (c)
het risicomeetsysteem van een instelling bevat de
voornaamste risicovariabelen die bepalend zijn voor de overschrijdingsvorm van
de geraamde verdeling van verliezen; (d)
Instellingen mogen correlaties tussen uit het
operationele risico voortvloeiende verliezen die in afzonderlijke ramingen zijn
opgenomen, slechts erkennen indien hun systemen waarmee zij de correlaties
meten, deugdelijk zijn, op integere wijze worden toegepast en de onzekerheid
waarmee dergelijke correlatieramingen zijn omgeven, met name in perioden van
stress, in aanmerking nemen. Instellingen
valideren hun correlatiehypothesen op grond van passende kwantitatieve en
kwalitatieve technieken; (e)
Het risicomeetsysteem van een instelling is intern
consistent en vermijdt de meervoudige telling van kwalitatieve beoordelingen of
risicolimiteringstechnieken die in andere onderdelen van deze verordening
worden erkend. 3.
De normen die betrekking hebben op interne gegevens, zijn
de volgende: (a)
Instellingen baseren hun intern verrichte metingen
van het operationele risico op een historische waarnemingsperiode van ten
minste vijf jaar. Wanneer een
instelling voor het eerst gebruik maakt van een geavanceerde meetbenadering,
kan zij gebruikmaken van een historische waarnemingsperiode van drie jaar; b) Instellingen kunnen hun historische interne verliesgegevens opsplitsen
naar de bedrijfsonderdelen als omschreven in artikel 306 en de soorten
gebeurtenissen als omschreven in artikel 313, en deze gegevens op verzoek aan
de bevoegde autoriteiten verstrekken. In uitzonderlijke omstandigheden mag een instelling
verliesgebeurtenissen die een negatief effect hebben op de gehele instelling,
onderbrengen in een extra bedrijfsonderdeel
"ondernemingsaangelegenheden". Instellingen moeten schriftelijk vastgelegde, objectieve criteria
hebben voor de toewijzing van verliezen aan de gespecificeerde
bedrijfsonderdelen en soorten gebeurtenissen. Instellingen moeten de uit het operationele risico voortvloeiende
verliezen die verband houden met kredietrisico en die zij tot dusverre
gewoonlijk in de interne databanken voor kredietrisico opnamen, in de
databanken voor operationeel risico registreren en afzonderlijk identificeren. Deze verliezen vallen niet onder het vereiste
voor het operationele risico zolang zij door instellingen met het oog op de
berekening van de eigenvermogensvereisten als kredietrisico worden behandeld. Instellingen moeten de uit het operationele
risico voortvloeiende verliezen die verband houden met marktrisico’s,
onderbrengen bij het eigenvermogensvereiste voor het operationele risico; c) De interne verliesgegevens van een instelling moeten volledig zijn in
die zin dat zij betrekking hebben op alle materiële activiteiten en
uitzettingen van alle betrokken subsystemen en geografische locaties. Instellingen moeten kunnen aantonen dat eventuele
uitgesloten activiteiten of uitzettingen, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen
genomen, geen materiële invloed zouden hebben op de risicoramingen als geheel. Instellingen moeten passende
minimumverliesdrempels voor de interne verzameling van verliesgegevens
vaststellen; d) Afgezien van informatie over brutoverliezen verzamelen instellingen
tevens gegevens over de datum van de verliesgebeurtenis en de eventuele
recuperatie van brutoverliesbedragen, en geven zij een beschrijving van de aanleidingen
of oorzaken van de verliesgebeurtenis; e) Instellingen beschikken over specifieke criteria voor de toewijzing van
verliesgegevens die het gevolg zijn van een verliesgebeurtenis in een
gecentraliseerde afdeling of een activiteit die zich over meer dan één
bedrijfsonderdeel uitstrekt, alsmede van chronologisch samenhangende
verliesgebeurtenissen; f) Instellingen beschikken over schriftelijk vastgelegde procedures om te
beoordelen of historische verliesgegevens nog steeds relevant zijn, met
inbegrip van situaties waarbij op eigen oordeel wordt afgegaan of gebruik kan
worden gemaakt van de weging van gegevens of van andere aanpassingen, in
hoeverre deze procedures kunnen worden gebruikt en wie bevoegd is om ter zake
besluiten te nemen. 4.
De in aanmerking te nemen normen die betrekking
hebben op externe gegevens, zijn de volgende: (a)
Het meetsysteem voor het operationele risico van
een instelling maakt gebruik van relevante externe gegevens, met name wanneer
er reden is om aan te nemen dat de instelling blootstaat aan occasionele, doch
potentieel ernstige verliezen. Een
instelling moet over een systematische procedure beschikken om vast te stellen
in welke situaties externe gegevens moeten worden gebruikt en welke
methodologieën moeten worden gehanteerd om de gegevens in haar meetsysteem op
te nemen; (b)
Instellingen moeten de voorwaarden en praktijken
inzake het gebruik van externe gegevens regelmatig evalueren, schriftelijk
vastleggen en periodiek aan een onafhankelijk onderzoek onderwerpen. 5.
Een instelling maakt gebruik van deskundige
scenarioanalyse alsmede van externe gegevens om haar blootstelling aan zeer
ernstige gebeurtenissen te evalueren. De instelling moet deze beoordelingen in de loop van de tijd valideren
en opnieuw evalueren door vergelijking met de feitelijke verlieservaring om de
redelijkheid ervan te verifiëren. 6.
De in aanmerking te nemen normen die betrekking
hebben op het ondernemingsklimaat en de factoren inzake interne controle, zijn
de volgende: (a)
De risicobeoordelingsmethodologie van een instelling
die op de gehele onderneming van toepassing is, moet sleutelfactoren inzake het
ondernemingsklimaat en de interne controle in aanmerking nemen die het profiel
van de instelling inzake het operationele risico kunnen wijzigen; (b)
Instellingen dienen de keuze van elke factor die
als een belangrijke risicobepalende factor wordt aangemerkt, te rechtvaardigden
op basis van ervaring en een deskundig oordeel over de desbetreffende
bedrijfsonderdelen; (c)
Instellingen dienen aan de bevoegde autoriteiten de
gevoeligheid van risicoramingen voor wijzigingen in de factoren en de relatieve
weging van de verschillende factoren te kunnen rechtvaardigen. De methodologie van een instelling voor het meten
van risico's moet niet alleen wijzigingen van het risico als gevolg van verbeteringen
in het risicobeheersingsinstrumentarium in aanmerking nemen, doch tevens
rekening houden met potentieel verhoogde risico's als gevolg van een grotere
complexiteit van activiteiten of een toename van het transactievolume; (d)
Een instelling moet haar methodologie voor het
meten van risico's schriftelijk vastleggen en deze zowel binnen de instelling
als door bevoegde autoriteiten aan een onafhankelijk onderzoek onderwerpen. Instellingen moeten de procedure en de resultaten
in de loop van de tijd valideren en opnieuw evalueren door deze te vergelijken
met de feitelijke interne verlieservaring en relevante externe gegevens. 7. De EBA ontwikkelt technische regelgevingsnormen die nadere invulling
geven aan: (a)
de voorwaarden om te beoordelen of een systeem
deugdelijk is en op integere wijze wordt toegepast met het oog op lid 2, onder
d); (b)
de uitzonderlijke omstandigheden waarin een
instelling verliesgebeurtenissen mag toewijzen aan een extra bedrijfsonderdeel
als bedoeld in lid 3, onder b). De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 312
Impact van verzekering en van andere mechanismen van
risico-overdracht 1.
De bevoegde autoriteiten staan instellingen toe om
de impact van verzekering in aanmerking te nemen mits aan de in de leden 2 tot
en met 5 genoemde voorwaarden is voldaan, alsmede van andere mechanismen voor
risico-overdracht mits de instelling kan aantonen dat een merkbaar
risicobeperkend effect bereikt wordt. 2.
De verzekeringsaanbieder is gemachtigd om verzekering
of herverzekering aan te bieden en beschikt voor zijn capaciteit tot
afwikkeling voor schadegevallen over een minimale rating van een daarvoor in
aanmerking komende EKBI die door de EBA is ingedeeld bij
kredietwaardigheidscategorie 3 of daarboven, in het kader van de regels voor
risicoweging van instellingen krachtens hoofdstuk 2. 3.
De verzekering en het verzekeringskader van
instellingen moeten aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: (a)
de verzekeringspolis heeft een oorspronkelijke
looptijd van ten minste één jaar. Voor
polissen met een resterende looptijd van minder dan één jaar moet een
instelling passende reductiefactoren vaststellen die de afnemende resterende
looptijd van de polis weergeven, tot een factor van 100 % voor polissen met een
resterende looptijd van 90 dagen of minder; (b)
voor de verzekeringspolis geldt een
minimumopzegtermijn van 90 dagen; (c)
de verzekeringspolis bevat geen uitsluitende of
beperkende clausules die naar aanleiding van toezichtmaatregelen in werking
treden of die, in het geval van een faillerende instelling, de bewindvoerder of
de curator van de instelling beletten de door die instelling geleden schade of
gemaakte kosten terug te vorderen, behalve indien zij betrekking hebben op
gebeurtenissen die na de aanstelling van de bewindvoerder of na de inleiding
van de liquidatieprocedure hebben plaatsgevonden. De polis mag wel boetes, sancties of schadevergoeding met een punitief
karakter als gevolg van door de bevoegde autoriteit genomen maatregelen
uitsluiten; (d)
de berekeningen inzake risicolimitering moeten de
verzekeringsdekking weergeven op een wijze die duidelijk gerelateerd is aan en
consistent is met de daadwerkelijke kans op en gevolgen van schade waarvan bij
de vaststelling van het vereiste voor het operationele risico wordt uitgegaan; (e)
de verzekering wordt verstrekt door een derde
partij. In geval van verzekering door
middel van captives en gelieerde ondernemingen moet de uitzetting worden
overgedragen aan een onafhankelijke derde partij die aan de toelatingscriteria
van lid 2 voldoet; (f)
het kader voor de inaanmerkingneming van
verzekering is goed onderbouwd en gedocumenteerd. 4.
De methodologie die met het oog op de
inaanmerkingneming van verzekering wordt toegepast, houdt door middel van
kortingen op of verlagingen van het in aanmerking te nemen verzekeringsbedrag
rekening met alle volgende elementen: (a)
wanneer de resterende looptijd van de
verzekeringspolis minder dan één jaar bedraagt: i) de resterende looptijd van de verzekeringspolis; ii) de opzegtermijn
van de polis; (b)
de onzekerheid van betaling alsmede verschillen in
de dekking van verzekeringspolissen. 5.
De vermindering van het eigenvermogensvereiste als
gevolg van de inaanmerkingneming van verzekering en van andere mechanismen van
risico-overdracht bedraagt ten hoogste 20 % van het eigenvermogensvereiste
voor het operationele risico, alvorens met eventuele
risicolimiteringstechnieken rekening wordt gehouden. Artikel 313
Indeling van verliesgebeurtenissen De in artikel 311, lid 3, onder b), bedoelde
soorten verliesgebeurtenissen zijn de volgende: Tabel 3 Soort gebeurtenis || Definitie Interne fraude || Verliezen als gevolg van handelingen waarbij ten minste één interne partij betrokken is en waarmee wordt beoogd te frauderen, eigendommen te verduisteren of wet- of regelgeving of het ondernemingsbeleid te ontduiken of te omzeilen, met uitzondering van gebeurtenissen voortvloeiend uit ongelijkheid/discriminatie Externe fraude || Verliezen als gevolg van door een derde partij gestelde handelingen met de bedoeling te frauderen, eigendommen te verduisteren of de wet te ontduiken Praktijken op het gebied van de werkomstandigheden en veiligheid op de werkplaats || Verliezen als gevolg van handelingen die niet in overeenstemming zijn met wetgeving of overeenkomsten op het gebied van werkomstandigheden, gezondheid of veiligheid, als gevolg van de uitkering van schadevergoeding voor letsel, of als gevolg van gebeurtenissen in verband met ongelijkheid/discriminatie Cliënten, producten en ondernemingspraktijken || Verliezen als gevolg van het onopzettelijk of uit onachtzaamheid niet nakomen van een professionele verplichting (met inbegrip van fiduciaire en geschiktheidsvereisten) jegens bepaalde cliënten, of als gevolg van de aard of het ontwerp van een product Schade aan fysieke activa || Verliezen als gevolg van verlies van of schade aan fysieke activa door natuurrampen of andere gebeurtenissen Verstoring van bedrijfsactiviteiten en systeemfalen || Verliezen als gevolg van een verstoring van bedrijfsactiviteiten of systeemfalen Uitvoering, levering en procesbeheer || Verliezen als gevolg van falende transactieverwerking of procesbeheer of als gevolg van relaties met handelspartners en verkopers Titel IV
Eigenvermogensvereisten voor het marktrisico Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen Artikel 314
Facilitering voor geconsolideerde vereisten 1.
Behoudens lid 2 en uitsluitend ter berekening van
nettoposities en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis in
overeenstemming met deze titel mogen instellingen posities in een instelling of
onderneming gebruiken om te compenseren met posities in een andere instelling
of onderneming. 2.
Instellingen mogen lid 1 uitsluitend toepassen met
toestemming van de bevoegde autoriteiten, die wordt verleend indien aan alle
onderstaande voorwaarden is voldaan: (a)
er is binnen de groep een adequate verdeling van
eigen vermogen; (b)
het reglementaire, juridische of contractuele kader
waarbinnen de instellingen werken, waarborgt wederzijdse financiële
ondersteuning binnen de groep. 3.
In geval van in derde landen gevestigde
ondernemingen dient, behalve aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, tevens aan
alle onderstaande voorwaarden te zijn voldaan: (a)
aan die ondernemingen is vergunning verleend in een
derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling of zijn
erkende beleggingsondernemingen uit een derde land; (b)
die ondernemingen voldoen op niet-geconsolideerde
basis aan eigenvermogensvereisten die gelijkwaardig zijn aan de in deze
verordening vastgestelde vereisten; (c)
in de betrokken derde landen bestaan geen
voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen
de groep. Hoofdstuk 2
Eigenvermogensvereisten voor het positierisico Afdeling 1
Algemene
bepalingen en specifieke instrumenten Artikel 315
Eigenvermogensvereisten voor het positierisico Het eigenvermogensvereiste van een instelling
voor het positierisico is de som van de eigenvermogensvereisten voor het
algemene en het specifieke risico van haar posities in schuldinstrumenten en
aandelen. Securitisatieposities in de
handelsportefeuille worden behandeld als schuldinstrumenten. Artikel 316
Verrekening 1.
De absolute waarde van het saldo van de
longposities (shortposities) van een instelling tegenover haar shortposities
(longposities) in dezelfde aandelen, schuldinstrumenten en converteerbare
waardepapieren en identieke financiële futures, opties, warrants en gedekte
warrants, is haar nettopositie in elk van de verschillende instrumenten. Bij de berekening van de nettopositie worden
posities in afgeleide instrumenten behandeld op de in de artikelen 317 tot en
met 319 beschreven wijze. Door de
instelling gehouden eigen schuldinstrumenten worden niet in aanmerking genomen
bij de berekening van de kapitaalvereisten voor het specifieke risico
overeenkomstig artikel 325. 2.
Tussen een converteerbaar waardepapier en een
compenserende positie in het onderliggende instrument is geen verrekening
toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteiten een benadering volgen waarbij
rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van de conversie van een
bepaald converteerbaar waardepapier, of zij een eigenvermogensvereiste opleggen
ter dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen.
Dergelijke benaderingen of eigenvermogensvereisten moeten
de EBA ter kennis worden gebracht. De EBA zal de diverse praktijken op dit gebied volgen en overeenkomstig
artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren opstellen. 3.
Alle nettoposities, ongeacht of zij positief of
negatief zijn, moeten voordat zij worden samengevoegd, op dagbasis tegen de
geldende contante wisselkoers worden omgerekend in de rapportagevaluta van de
instelling. Artikel 317
Rentefutures en termijncontracten 1.
Rentefutures, rentetermijncontracten (FRA's) en
termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden
behandeld als combinaties van long- en shortposities. Aldus wordt een long-rentefuturepositie behandeld als een combinatie
van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een
vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of de
notionele positie die aan het futurecontract in kwestie ten grondslag liggen. Evenzo wordt een verkocht FRA behandeld als een
longpositie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur,
en een shortpositie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Zowel de opgenomen lening als de vordering wordt opgenomen in de eerste
categorie van tabel 1 in artikel 325 voor de berekening van het
eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico in verband met rentefutures
en FRA's. Een termijnverbintenis tot
aankoop van een schuldinstrument wordt behandeld als een combinatie van een
lening die vervalt op de leveringsdatum en een long-(contante)positie in het
schuldinstrument zelf. De lening
wordt opgenomen in de eerste categorie van tabel 1 in artikel 325 voor het
specifieke risico en het schuldinstrument in de daarvoor geschikte kolom in
dezelfde tabel. 2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
"longpositie" verstaan een positie waarin een instelling de op een
bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en onder
"shortpositie" een positie waarin een instelling de op een bepaald
tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd. Artikel 318
Opties en warrants 1.
Opties en warrants op rente, schuldinstrumenten,
aandelen, aandelenindexen, financiële futures, swaps en valuta's worden voor de
toepassing van dit hoofdstuk behandeld alsof het posities zijn die in waarde
gelijk zijn aan het bedrag van het onderliggende instrument waarop de optie
betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende
posities in dezelfde onderliggende effecten of daarvan afgeleide instrumenten. De gebruikte delta moet, in voorkomend geval, die
van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta
dan wel, indien deze niet beschikbaar is, of voor otc-opties, de delta die door
de instelling zelf is berekend op basis van een passend model, mits de bevoegde
autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend wanneer het model een juiste raming
geeft van de wijziging van de waarde van de optie of de warrant met betrekking
tot kleine wijzigingen in de marktprijs van het onderliggende instrument. 2.
Instellingen moeten andere aan opties verbonden
risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weergeven in hun
eigenvermogensvereisten. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen waarin een reeks methoden wordt gedefinieerd om de in lid 2
bedoelde andere risico's, afgezien van het deltarisico, in de
eigenvermogensvereisten weer te geven op een wijze die in verhouding staat tot
de omvang en de complexiteit van de activiteiten van een instelling op het
gebied van opties en warrants. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen. Artikel 319
Swaps Swaps worden met betrekking tot het
renterisico op dezelfde basis behandeld als balansinstrumenten. Aldus wordt een renteswap waarbij een instelling
een variabele rente ontvangt en een vaste rente betaalt, behandeld als een
longpositie in een instrument met variabele rente met een looptijd die gelijk
is aan de periode tot de volgende rentevaststelling, en een shortpositie in een
instrument met vaste rente en met dezelfde looptijd als de swap zelf. Artikel 320
Renterisico op afgeleide instrumenten 1.
Instellingen die het renterisico op afgeleide
instrumenten als bedoeld in de artikelen 317 tot en met 319 op basis van de
contante waarde van de verwachte kasstroom waarderen en beheren, mogen, mits de
bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, gebruikmaken van
gevoeligheidsmodellen voor de berekening van de in die artikelen genoemde
posities, en mogen daarvan gebruikmaken voor obligaties die over de resterende
looptijd, en niet aan het einde daarvan via terugbetaling van de hoofdsom in
één termijn, worden afgelost. Deze
toestemming wordt verleend wanneer deze modellen posities opleveren die
dezelfde gevoeligheid voor renteschommelingen hebben als de onderliggende
kasstromen. Bij de evaluatie van deze
gevoeligheid wordt uitgegaan van onafhankelijke schommelingen in over de gehele
rendementscurve bemonsterde renten, waarbij ten minste één gevoeligheidspunt in
elk van de in tabel 2 van artikel 328 hieronder genoemde looptijdklassen wordt
genomen. De posities worden bij de
berekening van de eigenvermogensvereisten voor het algemene risico van
schuldinstrumenten in aanmerking genomen. 2.
Instellingen die geen gebruikmaken van modellen van
lid 1, mogen posities in afgeleide instrumenten als bedoeld in de artikelen 317
tot en met 319 als volledig compenserende posities behandelen, mits zij ten
minste aan de volgende voorwaarden voldoen: (a)
de posities hebben dezelfde waarde en luiden in dezelfde
valuta; (b)
de referentierenten (voor posities met variabele
rente) of coupons (voor posities met vaste rente) sluiten nauw bij elkaar aan; (c)
de eerstvolgende data van rentevaststelling of,
voor vastecouponposities, de resterende looptijden vallen binnen de volgende
grenzen samen: i) minder dan een maand: dezelfde
dag; ii) tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen; iii) meer dan een jaar: binnen
dertig dagen. Artikel 321
Kredietderivaten 1.
Voor de berekening van het eigenvermogensvereiste
voor het algemene en het specifieke risico van de partij die het kredietrisico
draagt ("de protectiegever"), wordt, tenzij anders bepaald, de
notionele waarde van het kredietderivaatcontract gebruikt.
Niettegenstaande het bepaalde in de eerste zin kan de
instelling ervoor kiezen de notionele waarde te vervangen door de notionele
waarde vermeerderd met de marktwaardeveranderingen in het kredietderivaat sinds
handelsintroductie, hetgeen vanuit het oogpunt van de protectienemer een netto
neerwaartse verandering met een negatief signaal vertegenwoordigt. Voor de berekening van het vereiste voor het
specifieke risico is, anders dan bij totale-opbrengstenswaps, de looptijd van
het kredietderivaatcontract van toepassing in plaats van de looptijd van de
verplichting. Posities worden als
volgt bepaald: (a)
Een totale-opbrengstenswap geeft aanleiding tot
boeking van een longpositie onder het algemene risico van de referentieverplichting
en van een shortpositie onder het algemene risico van een overheidsobligatie
met een looptijd die gelijk is aan de termijn tot de eerstkomende
rentevaststelling en waaraan overeenkomstig titel II van hoofdstuk 2 een
risicogewicht van 0 % wordt toegewezen. Daarnaast geeft een dergelijke swap aanleiding tot boeking van een
longpositie onder het specifieke risico van de referentieverplichting; (b)
Voor een credit default swap behoeft onder het
algemene risico geen positie te worden geboekt. Wat betreft het specifieke risico, dient de instelling een synthetische
longpositie in een verplichting van de referentie-entiteit te boeken, tenzij
het derivaat een externe rating heeft en voldoet aan de voorwaarden van een
gekwalificeerd schuldinstrument, in welk geval een longpositie in het derivaat
wordt geboekt. Indien uit hoofde van
het product premie- of rentebetalingen verschuldigd zijn, dienen de
desbetreffende kasstromen als notionele posities in overheidsobligaties te
worden weergegeven; (c)
Een 'credit linked note' met één
referentie-entiteit geeft aanleiding tot boeking van een longpositie onder het
algemene risico van de note zelf, zoals voor een rentevoetproduct. Wat betreft het specifieke risico, wordt een
synthetische longpositie in een verplichting van de referentie-entiteit
geboekt. Een extra longpositie wordt
op de emittent van de note geboekt. Indien
de 'credit linked note' een externe rating heeft en voldoet aan de voorwaarden
van een gekwalificeerd schuldinstrument, volstaat het een eenmalige longpositie
voor het specifieke risico van de note te boeken; (d)
Afgezien van een longpositie voor het specifieke
risico van de emittent van de note geeft een 'multiple name credit linked note'
die proportionele protectie verschaft, wat betreft het specifieke risico
aanleiding tot boeking van een positie in elke referentie-entiteit, waarbij de
totale notionele waarde van het contract over de posities wordt gespreid in
verhouding tot het aandeel van elke aan een referentie-entiteit verbonden
uitzetting in de totale notionele waarde. Wanneer voor een referentie-entiteit meer dan één verplichting in
aanmerking komt, wordt de verplichting met het hoogste risicogewicht in
aanmerking genomen voor het specifieke risico. Indien de „multiple name credit linked note” een externe
rating heeft en voldoet aan de voorwaarden van een gekwalificeerd
schuldinstrument, volstaat het een eenmalige longpositie voor het specifieke
risico van de note te boeken; (e)
Een 'first-asset-to-default'-kredietderivaat geeft
aanleiding tot boeking, voor het notionele bedrag, van een positie in een
verplichting van elke referentie-entiteit. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de
kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van
dit punt verkregen eigenvermogensvereiste, dan kan dat maximumbedrag als
eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico worden aangehouden. Een 'second-asset-to-default'-kredietderivaat
geeft aanleiding tot boeking, voor het notionele bedrag, van een positie in een
verplichting van elke referentie-entiteit minus één (die met het kleinste
eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico). Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de
kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van
dit punt verkregen eigenvermogensvereiste, dan kan dat bedrag als
eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico worden aangehouden. Wanneer een 'n-th-to-default'-kredietderivaat een
externe rating heeft, berekent de protectiegever het eigenvermogensvereiste
voor het specifieke risico met gebruikmaking van de rating van het derivaat en
past hij de respectieve risicogewichten voor securitisatie toe, zoals van
toepassing. 2.
Voor de partij die het kredietrisico overdraagt
("de protectienemer") worden de posities vastgesteld als spiegelbeeld
van die van de protectiegever, behalve voor credit linked notes (die bij de
emittent geen aanleiding geven tot een shortpositie). Voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor de
protectienemer wordt de notionele waarde van het kredietderivaatcontract
gebruikt. Niettegenstaande het
bepaalde in de eerste zin kan de instelling ervoor kiezen de notionele waarde
te vervangen door de notionele waarde minus de nettoverandering in de
marktwaarde van het kredietderivaat sinds handelsintroductie, hetgeen vanuit
het oogpunt van de protectienemer een netto neerwaartse verandering met een
negatief signaal vertegenwoordigt. Als op een gegeven moment een combinatie van een call-optie en een
step-up optreedt, wordt het desbetreffende tijdstip beschouwd als de vervaltijd
van het protectie-instrument. Artikel 322
Effecten die worden uitgeleend of worden verkocht op grond
van een retrocessieovereenkomst De partij die effecten of gegarandeerde
rechten inzake de eigendom van effecten overdraagt bij een
retrocessieovereenkomst, en de partij die effecten in lening geeft bij een
effectenleningstransactie, dienen deze effecten te betrekken in de berekening
van hun eigenvermogensvereiste uit hoofde van dit hoofdstuk, mits deze effecten
posities in de handelsportefeuille vormen. Afdeling 2
Schuldinstrumenten Artikel 323
Nettoposities in schuldinstrumenten Nettoposities worden ingedeeld naar de
valuta's waarin zij luiden en het eigenvermogensvereiste voor het algemene en
het specifieke risico wordt berekend in elke valuta afzonderlijk. Onderafdeling 1
Specifiek
risico Artikel 324
Begrenzing van het eigenvermogensvereiste voor een
nettopositie De instelling kan het eigenvermogensvereiste
voor het specifieke risico van een nettopositie in een schuldinstrument tot het
maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies begrenzen. Voor een shortpositie kan deze begrenzing worden
berekend als een waardeverandering wegens het feit dat het instrument of, in
voorkomend geval, de onderliggende namen onmiddellijk vrij van
wanbetalingsrisico worden. Artikel 325
Eigenvermogensvereiste voor niet-gesecuritiseerde
schuldinstrumenten 1.
De instelling brengt haar overeenkomstig artikel 316
berekende nettoposities in de handelsportefeuille in instrumenten die geen
securitisatieposities zijn op grond van de emittent of debiteur, de externe of
interne kredietbeoordeling en hun resterende looptijden onder in de
desbetreffende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens
met de in die tabel aangegeven wegingsfactoren. Zij bepaalt de som van haar uit de toepassing van dit artikel
resulterende gewogen posities (ongeacht of het long- dan wel shortposities
betreft) teneinde haar eigenvermogensvereiste met betrekking tot het specifieke
risico te berekenen. Tabel 1 Categorieën || Eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico Schuldtitels die volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 0 % zouden krijgen. || 0 % Schuldtitels die volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 20 % of 50 % zouden krijgen en andere gekwalificeerde posten als gedefinieerd in lid 6. || 0,25 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van 6 maand of minder) 1,00 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 6 maand en tot ten hoogste 24 maand) 1,60 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maand) Schuldtitels die volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 100 % zouden krijgen. || 8,00 % Schuldtitels die volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 150 % zouden krijgen. || 12,00 % 2.
In het geval van instellingen die de
interne-ratingbenadering toepassen op de categorie uitzettingen waartoe de
emittent van het schuldinstrument behoort, geschiedt de in lid 1 bedoelde
vaststelling van het risicogewicht volgens de standaardbenadering voor het
specifieke risico als volgt: de emittent van de uitzetting heeft een interne
rating met een kans op wanbetaling (probability of default — PD) die gelijk is
aan of lager is dan die welke samenhangt met die van de overeenkomstige
kredietkwaliteitscategorie volgens de standaardbenadering. 3.
Instellingen mogen voor obligaties die
overeenkomstig artikel 124, lid 3, in aanmerking komen voor een risicogewicht
van 10 %, de vereisten voor het specifieke risico vaststellen op de helft
van het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico dat van toepassing is
op de tweede categorie in tabel 1. 4.
Andere in aanmerking komende posten zijn: (a)
long- en shortposities in activa waaraan een
kredietkwaliteitscategorie kan worden toegekend die minstens overeenkomt met de
kwalificatie „investeringswaardig (investment grade)” van de categorisering
volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico; (b)
long- en shortposities in activa die, gelet op de
solvabiliteit van de emittent, volgens de interne-ratingbenadering voor het
kredietrisico een PD hebben die niet hoger is dan die van de onder a) bedoelde
activa,; (c)
long- en shortposities in activa waarvoor geen
kredietbeoordeling door een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling
beschikbaar is en die aan alle onderstaande voorwaarden voldoen: i) zij worden door de betrokken instelling als voldoende liquide
beschouwd; ii) de beleggingskwaliteit ervan is volgens de eigen beoordeling van de
instelling minstens gelijkwaardig aan die van de onder a) bedoelde activa; iii) zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt in een
lidstaat of aan een beurs in een derde land, mits deze beurs erkend is door de
bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat; (d)
long- en shortposities in activa uitgegeven door
instellingen die aan de eigenvermogensvereisten van deze verordening zijn
onderworpen en die door de betrokken instelling als voldoende liquide worden
beschouwd en waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de
instelling ten minste gelijkwaardig is aan die van de onder a) bedoelde activa; (e)
effecten uitgegeven door instellingen waarvan wordt
aangenomen dat de kredietkwaliteit gelijk is aan of hoger is dan die welke
verbonden zijn met kredietkwaliteitscategorie 2 volgens de standaardbenadering
voor het kredietrisico van uitzettingen op instellingen, en die onderworpen
zijn aan een toezicht- en regelgevingskader dat vergelijkbaar is met dat van
deze verordening en richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]. Instellingen die gebruikmaken van de punten c) of
d), moeten een schriftelijk vastgelegde methodologie hebben om te beoordelen of
de activa aan de in die punten gestelde vereisten voldoen, en moeten deze
methodologie ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten. Artikel 326
Eigenvermogensvereiste voor securitisatie-instrumenten 1.
Voor instrumenten in de handelsportefeuille die
securitisatieposities zijn, weegt de instelling haar nettoposities zoals
berekend overeenkomstig artikel 316, lid 1, met het volgende: (a)
voor securitisatieposities die in de
niet-handelsportefeuille van dezelfde instelling aan de standaardbenadering
voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8 % van het
risicogewicht overeenkomstig de in hoofdstuk 5 beschreven
standaardbenadering; (b)
voor securitisatieposities die in de
niet-handelsportefeuille van dezelfde instelling aan de
interne-ratingbenadering voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8 %
van het risicogewicht overeenkomstig de in hoofdstuk 5 beschreven
interne-ratingbenadering. 2.
De benadering met toezichthoudersformule van
artikel 257 mag worden toegepast wanneer de instelling ramingen van PD en in
voorkomend geval uitzettingswaarde en LGD kan leveren als inputs voor de
benadering met toezichthoudersformule overeenkomstig de voorwaarden voor de
raming van die parameters volgens de interne-ratingbenadering in
overeenstemming met hoofdstuk 2 van afdeling 3. Een instelling die geen initiërende instelling is
en deze benadering voor dezelfde securitisatiepositie in haar
niet-handelsportefeuille kan toepassen, mag dat alleen doen met toestemming van
de bevoegde autoriteiten, die deze toestemming verlenen wanneer de instelling
aan de in de voorgaande zin genoemde voorwaarde voldoet. Ramingen van PD en LGD als input voor de
benadering met toezichthoudersformule mogen ook worden bepaald op basis van
ramingen die zijn afgeleid van een interne-ratingbenadering voor een instelling
die toestemming heeft gekregen om gebruik te maken van een intern model voor
het specifieke risico van schuldinstrumenten. Deze laatste mogelijkheid mag alleen worden gebruikt met toestemming
van de bevoegde autoriteiten, die wordt verleend indien de ramingen stroken met
de kwantitatieve vereisten voor de interne-ratingbenadering zoals vastgesteld
in hoofdstuk 2 van afdeling 3. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU)
nr. 1093/2010 stelt de EBA richtsnoeren op voor het gebruik van als inputs
fungerende ramingen van PD en LGD wanneer deze ramingen op een
interne-ratingbenadering zijn gebaseerd. 3.
Voor securitisatieposities waarop overeenkomstig
artikel 396 een extra risicogewicht van toepassing is, wordt 8 % van het
totale risicogewicht toegepast. 4.
De instelling bepaalt de som van haar uit de toepassing
van dit artikel resulterende gewogen posities (ongeacht of het long- dan wel
shortposities betreft) teneinde haar eigenvermogensvereiste met betrekking tot
het specifieke risico te berekenen. 5.
Bij wijze van uitzondering op lid 4 berekent zij,
gedurende een overgangsperiode die eindigt op 31 december 2013, het totaal van
haar gewogen netto longposities en van haar gewogen netto shortposities als
afzonderlijke bedragen. Het hoogste
van deze bedragen is het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico. De instelling stelt echter de bevoegde autoriteit
van de lidstaat van herkomst ieder kwartaal in kennis van het totaal van zowel
haar gewogen netto long- als haar gewogen netto shortposities, uitgesplitst
naar categorie onderliggende activa. Artikel 327
Eigenvermogensvereiste voor de correlation
trading-portefeuille 1.
De correlation trading-portefeuille bestaat uit
securitisatieposities en n-th-to-default kredietderivaten die aan alle
onderstaande criteria beantwoorden: (a)
de posities zijn noch hersecuritisatieposities,
noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van
securitisatie-uitzettingen die geen aandeel naar rato bieden in de opbrengsten
van een securitisatietranche; (b)
alle referentie-instrumenten zijn: i) ofwel instrumenten met één referentie-entiteit, met inbegrip van
kredietderivaten met één referentie-entiteit, waarvoor een liquide vraag- en
aanbodmarkt bestaat; ii) ofwel courant verhandelde indexen, gebaseerd op deze
referentie-entiteiten. Een vraag- en aanbodmarkt wordt geacht te bestaan
wanneer er onafhankelijke aanbiedingen te goeder trouw zijn om te kopen en
verkopen zodat er binnen één dag een prijs kan worden vastgesteld die redelijk
gerelateerd is aan de prijs van de laatste verkoop of actuele concurrerende
vraag- en aanbodnoteringen te goeder trouw, en de koop tegen die prijs binnen
betrekkelijk korte tijd kan worden gesloten, overeenkomstig de
handelsgewoonten. 2.
Posities die verwijzen naar een van onderstaande
punten, maken geen deel uit van de correlation trading-portefeuille: (a)
een onderliggende waarde die kan worden toegewezen
aan de categorie "uitzettingen of voorwaardelijke uitzettingen op
particulieren en kleine partijen" of aan de categorie "uitzettingen
of voorwaardelijke uitzettingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend
goed" volgens de standaardbenadering voor kredietrisico in de
niet-handelsportefeuille van een instelling; (b)
een vordering op een special purpose entity. 3.
Een instelling mag in de correlation
trading-portefeuille posities opnemen die geen securitisatieposities of
n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in de
portefeuille dekken, mits er voor de instrumenten of de onderliggende waarden
ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat zoals bedoeld in de laatste
alinea van lid 1. 4.
Een instelling stelt het grootste van de volgende
bedragen vast als het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico voor de
correlation trading-portefeuille: (a)
het totale eigenvermogensvereiste voor het
specifieke risico dat slechts zou gelden voor de netto longposities van de
correlation trading-portefeuille; (b)
het totale eigenvermogensvereiste voor het
specifieke risico dat slechts zou gelden voor de netto shortposities van de
correlation trading-portefeuille. Onderafdeling 2
Algemeen
risico Artikel 328
Berekening van het algemene risico op grond van de
looptijd 1.
Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten
met betrekking tot het algemene risico worden alle posities gewogen naar
looptijd zoals uiteengezet in lid 2, teneinde het bedrag van het desbetreffende
eigenvermogensvereiste te berekenen. Dit
vereiste wordt verlaagd wanneer een gewogen positie naast een tegengestelde
gewogen positie in dezelfde looptijdklasse wordt ingenomen. Het vereiste wordt ook verlaagd wanneer de
tegengestelde gewogen posities zich in verschillende looptijdklassen bevinden;
de omvang van deze verlaging hangt af van het zich al dan niet in dezelfde zone
bevinden van de twee posities alsmede van de concrete zones waarin zij zich
bevinden. 2.
De instelling brengt haar nettoposities onder in de
desbetreffende looptijdklassen in de tweede of derde kolom van tabel 2 van lid 4. Zij doet dit op grond van resterende looptijden
in het geval van vastrentende instrumenten en op grond van de periode tot de
volgende rentevaststelling in het geval van instrumenten waarvan de rente vóór
de eindvervaldatum kan veranderen. Zij
maakt tevens onderscheid tussen schuldinstrumenten met een coupon van 3 % of
meer en schuldinstrumenten met een coupon van minder dan 3 %, en deelt deze
dienovereenkomstig in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2 in. Zij vermenigvuldigt dan elk van deze
nettoposities met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is
vermeld in de vierde kolom van tabel 2. 3.
Vervolgens bepaalt de instelling de som van de gewogen
longposities en de som van de gewogen shortposities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde
som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde som, vormt
de afgedekte gewogen positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende
long- of shortpositie de niet-afgedekte gewogen positie in deze zelfde
looptijdklasse is. Vervolgens wordt
het totaal van de afgedekte gewogen posities in alle looptijdklassen berekend. 4.
De instelling berekent het totaal van de niet-afgedekte
gewogen longposities voor de looptijdklassen in elk van de zones in tabel 2,
teneinde de niet-afgedekte gewogen longpositie voor elke zone te bepalen. Op dezelfde wijze wordt de som van de
niet-afgedekte gewogen shortposities voor elke looptijdklasse in een bepaalde
zone bepaald om te komen tot de niet-afgedekte gewogen shortpositie voor deze
zone. Het deel van de niet-afgedekte
gewogen longpositie van een bepaalde zone dat gelijk is aan de niet-afgedekte
gewogen shortpositie voor dezelfde zone, is de afgedekte gewogen positie voor
die zone. Het deel van de
niet-afgedekte gewogen long- of niet-afgedekte gewogen shortpositie voor een
zone dat niet op deze wijze afgedekt kan worden, vormt de niet-afgedekte
gewogen positie voor die zone. Tabel 2 Zones || Looptijdklassen || || Coupon van 3 % of meer || Coupon van minder dan 3 % Een || 0 ≤ 1 maand || 0 ≤ 1 maand || 0,00 || — > 1 ≤ 3 maand || > 1 ≤ 3 maand || 0,20 || 1,00 > 3 ≤ 6 maand || > 3 ≤ 6 maand || 0,40 || 1,00 > 6 ≤ 12 maand || > 6 ≤ 12 maand || 0,70 || 1,00 Twee || > 1 ≤ 2 jaar || > 1,0 ≤ 1,9 jaar || 1,25 || 0,90 > 2 ≤ 3 jaar || > 1,9 ≤ 2,8 jaar || 1,75 || 0,80 > 3 ≤ 4 jaar || > 2,8 ≤ 3,6 jaar || 2,25 || 0,75 Drie || > 4 ≤ 5 jaar || > 3,6 ≤ 4,3 jaar || 2,75 || 0,75 > 5 ≤ 7 jaar || > 4,3 ≤ 5,7 jaar || 3,25 || 0,70 > 7 ≤ 10 jaar || > 5,7 ≤ 7,3 jaar || 3,75 || 0,65 > 10 ≤ 15 jaar || > 7,3 ≤ 9,3 jaar || 4,50 || 0,60 > 15 ≤ 20 jaar || > 9,3 ≤ 10,6 jaar || 5,25 || 0,60 > 20 jaar || > 10,6 ≤ 12,0 jaar || 6,00 || 0,60 || > 12,0 ≤ 20,0 jaar || 8,00 || 0,60 || > 20 jaar || 12,50 || 0,60 5.
Vervolgens wordt het bedrag ten belope waarvan de
niet-afgedekte gewogen long- of shortpositie in zone 1 gelijk is aan het bedrag
van de niet-afgedekte gewogen short- of longpositie in zone 2, aangeduid als de
afgedekte gewogen positie tussen de zones 1 en 2. Dezelfde berekening vindt dan plaats voor het resterende deel van de
niet-afgedekte gewogen positie in zone 2 en de niet-afgedekte gewogen positie
in zone 3, teneinde de afgedekte gewogen positie tussen de zones 2 en 3 te
bepalen. 6.
De instelling mag desgewenst de volgorde in lid 5
omkeren, dat wil zeggen eerst de afgedekte gewogen positie tussen de zones 2 en
3 berekenen en vervolgens die tussen de zones 1 en 2. 7.
Teneinde de afgedekte gewogen positie tussen de
zones 1 en 3 te bepalen, wordt vervolgens bepaald tot welk bedrag het
resterende deel van de niet-afgedekte gewogen positie in zone 1 gelijk is aan
het deel dat voor zone 3 resteert nadat deze zone is afgedekt met zone 2. 8.
De posities die na de drie afzonderlijke
compensatieberekeningen van de leden 5 tot en met 7 resteren, worden opgeteld. 9.
Het eigenvermogensvereiste voor de instelling wordt
berekend als de som van: (a)
10 % van de som van de afgedekte gewogen posities in
alle looptijdklassen; (b)
40 % van de afgedekte gewogen positie in zone 1; (c)
30 % van de afgedekte gewogen positie in zone 2; (d)
30 % van de afgedekte gewogen positie in zone 3; (e)
40 % van de afgedekte gewogen positie tussen de
zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3; (f)
150 % van de afgedekte gewogen positie tussen de
zones 1 en 3; (g)
100 % van de resterende niet-afgedekte gewogen
posities. Artikel 329
Berekening van het algemene risico op grond van de duur 1.
Instellingen mogen voor de berekening van het
eigenvermogensvereiste voor het algemene risico met betrekking tot
schuldinstrumenten een benadering toepassen die de duur weergeeft in plaats van
de benadering die in artikel 328 is beschreven, mits zulks consequent
geschiedt. 2.
Bij de in lid 1 bedoelde op duur gebaseerde benadering
berekent de instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk vastrentend
schuldinstrument, het rendement tot het einde van de looptijd, dat het
impliciete discontopercentage voor dat instrument is. Bij instrumenten met variabele rente berekent de instelling, uitgaande
van de marktwaarde van elk instrument, het rendement op basis van de hypothese
dat het kapitaal verschuldigd wordt op het tijdstip dat de rente voor wijziging
vatbaar is (voor de eerstvolgende periode). 3.
Vervolgens berekent de instelling voor elk
schuldinstrument de gewijzigde duur op grond van de volgende formule: waarin: D = duur berekend aan de hand van de volgende
formule waarin: R = rendement tot einde van de looptijd; Ct = contante betaling in tijd t; M = totale looptijd. De berekening van de gewijzigde duur voor
schuldinstrumenten met een risico op vervroegde aflossing, wordt gecorrigeerd. De EBA stelt overeenkomstig artikel 16 van
Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren voor de toepassing van
dergelijke correcties op. 4.
De instelling brengt elk schuldinstrument onder in
de passende zone van tabel 3 en gaat
daarbij uit van de gewijzigde duur voor elk instrument. Tabel 3 Zones || Gewijzigde duur (in jaar) || Veronderstelde renteverandering (in %) Een || > 0 ≤ 1,0 || 1,0 Twee || > 1,0 ≤ 3,6 || 0,85 Drie || > 3,6 || 0,7 5.
De instelling berekent vervolgens de naar duur
gewogen positie van elk instrument door de marktwaarde ervan te
vermenigvuldigen met de gewijzigde duur en met de veronderstelde
renteverandering voor een instrument met die specifieke gewijzigde duur (zie
kolom 3 van tabel 3). 6.
De instelling berekent haar naar duur gewogen long-
en haar naar duur gewogen shortposities in elke zone. Het bedrag van de eerstgenoemde posities dat in elke zone door laatstgenoemde
posities wordt gecompenseerd, is de gecompenseerde naar duur gewogen positie
voor deze zone. De instelling berekent vervolgens de
niet-afgedekte naar duur gewogen posities voor elke zone. Zij volgt dan de werkwijze die in artikel 328, leden 5 tot en met 8,
voor niet-gecompenseerde gewogen posities is beschreven. 7.
Het eigenvermogensvereiste voor de instelling wordt
berekend als de som van: (a)
2 % van de som van de afgedekte naar duur gewogen
positie in elke zone; (b)
40 % van de afgedekte naar duur gewogen posities
tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3; (c)
150 % van de afgedekte naar duur gewogen positie
tussen de zones 1 en 3; (d)
100 % van de resterende niet-afgedekte naar duur
gewogen posities. Afdeling 3
Aandelen Artikel 330
Nettoposities in aandelen 1.
De instelling berekent het totaal van al haar netto
longposities en al haar netto shortposities als afzonderlijke bedragen
overeenkomstig artikel 316. De som
van de absolute waarden van de twee bedragen is haar totale brutopositie. 2.
De instelling berekent, voor elke markt
afzonderlijk, het verschil tussen het totaal van haar long- en van haar netto
shortposities. De som van de absolute
waarden van deze verschillen is haar totale nettopositie. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen waarin de in lid 2 bedoelde term "markt" wordt
omschreven. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de vorige alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 331
Specifiek risico van aandelen De instelling vermenigvuldigt haar totale
brutopositie met 8 % teneinde haar eigenvermogensvereiste met betrekking
tot het specifieke risico te bepalen. Artikel 332
Algemeen risico van aandelen Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot
het algemene risico is de totale nettopositie vermenigvuldigd met 8 %. Artikel 333
Beursindexen 1.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met een lijst van de beursindexen waarvoor een of meer van de
in de leden 3 en 4 bedoelde werkwijzen kunnen worden toegepast. De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. 2.
Voor de inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde
technische normen mogen instellingen de werkwijze van de leden 3 en 4 blijven
toepassen wanneer de bevoegde autoriteiten die ook toepasten voor 1 januari 2013. 3.
Beursindexfutures, naar de delta gewogen
equivalenten van opties in beursindexfutures en aandelenindexen, hierna
aangeduid met de verzamelnaam "beursindexfutures", mogen worden
opgesplitst in posities in elk van de samenstellende aandelen. Deze posities mogen worden behandeld als
onderliggende posities in de desbetreffende aandelen en mogen worden gesaldeerd
met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen zelf. Instellingen stellen de bevoegde autoriteit ervan
in kennis als zij op deze wijze te werk gaan. 4.
Indien een aandelenindexfuture niet in
onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt hij behandeld als één
afzonderlijk aandeel. Het specifieke
risico met betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten
beschouwing blijven indien het gaat om een aandelenindexfuture die ter beurze
wordt verhandeld en die op een passend gediversifieerde index berust. Afdeling 4
Overneming Artikel 334
Verlaging van nettoposities 1.
In het geval van overneming van schuldinstrumenten
en aandelen mag een instelling de volgende methode gebruiken voor de berekening
van haar eigenvermogensvereisten. De
instelling berekent eerst de nettoposities door de op grond van een formele
overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen
overnemingsposities af te trekken. De
instelling past vervolgens de in tabel 4 vermelde verlagingsfactoren toe op de
nettoposities en berekent haar eigenvermogensvereisten aan de hand van de
verlaagde overnemingsposities. Tabel 4 werkdag 0: || 100 % werkdag 1: || 90 % werkdagen 2 en 3: || 75 % werkdag 4: || 50 % werkdag 5: || 25 % na werkdag 5: || 0 % Werkdag 0 is de werkdag waarop de instelling een
onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal
waardepapieren tegen een overeengekomen prijs. 2.
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten ervan
in kennis als zij op de in lid 1 bedoelde wijze te werk gaan. Afdeling 5
Eigenvermogensvereisten
voor het specifieke risico van door kredietderivaten afgedekte posities Artikel 335
Facilitering voor afdekking door kredietderivaten 1.
Er wordt rekening gehouden met afdekking door middel
van kredietderivaten overeenkomstig de in de leden 2 tot en met 6 uiteengezette
beginselen. 2.
Instellingen behandelen de positie in het
kredietderivaat en de afgedekte positie met hetzelfde nominale of, in
voorkomend geval, notionele bedrag als een koppel. 3.
Het vereiste wordt verlaagd tot 0 % als de
waardeverandering van een instrument in de ene richting altijd gepaard gaat met
een vrijwel gelijke waardeverandering van een ander instrument in
tegenovergestelde richting. Dat zal
het geval zijn wanneer: (a)
in beide richtingen volstrekt identieke
instrumenten worden gebruikt; (b)
een longcashpositie is afgedekt door een
totale-opbrengstenswap (of andersom) en er volstrekte overeenstemming is tussen
de referentieverplichting en de onderliggende uitzettingen (d.i. de cashpositie). De looptijd van de swap zelf kan verschillen van
die van de onderliggende uitzetting. In dergelijke gevallen is op geen van beide zijden
van de positie een eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico van
toepassing. 4.
Het vereiste wordt verminderd met 80 % als de
waardeverandering van een instrument in de ene richting altijd gepaard gaat met
een waardeverandering van een ander instrument in tegenovergestelde richting en
er volstrekte overeenstemming is wat betreft de referentieverplichting, de
looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat, en de
valuta van de onderliggende uitzetting. Bovendien mogen wezenlijke bepalingen van het kredietderivaatcontract
niet ertoe leiden dat er tussen veranderingen in de waarde van het kredietderivaat
en veranderingen in de waarde van de cashpositie materiële afwijkingen
optreden. Wanneer de transactie
gepaard gaat met een overdracht van risico, wordt het vereiste voor het
specifieke risico met 80 % verminderd aan de zijde van de transactie waar
het hoogste eigenvermogensvereiste geldt en wordt het vereiste voor het
specifieke risico aan de andere zijde verminderd tot nul. 5.
Er wordt, bij ontstentenis van de situaties in de
leden 3 en 4, een gedeeltelijke verlaging toegestaan wanneer: (a)
de positie onder lid 3, onder b), valt, maar er
sprake is van een activamismatch tussen de referentieverplichting en de
onderliggende uitzetting. De posities
voldoen echter aan de volgende voorwaarden: i) de referentieverplichting heeft dezelfde of een lagere rangorde dan de
onderliggende verplichting; ii) de onderliggende verplichting en de referentieverplichting hebben
dezelfde debiteur en juridisch afdwingbare kruislingse kredietverzuimclausules
of kruislingse vervroegde opeisbaarheidsclausules; (b)
de positie onder lid 3, onder b), of lid 4 valt,
maar er sprake is van een valutamismatch of looptijdverschil tussen de
kredietprotectie en het onderliggende actief. Een dergelijke valutamismatch wordt in aanmerking genomen in het
eigenvermogensvereiste voor het valutarisico; (c)
de positie onder lid 4 valt, maar er sprake is van
een activamismatch tussen de cashpositie en het kredietderivaat. Het onderliggende actief wordt in de
kredietderivaatdocumentatie evenwel opgenomen onder de te leveren
verplichtingen. Om een gedeeltelijke verlaging te verlenen, worden
de eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico voor beide zijden van de
transactie niet bij elkaar opgeteld, maar wordt uitsluitend het hoogste van
beide bedragen in aanmerking genomen. 6.
In alle gevallen die niet onder de leden 3 tot en
met 5 vallen, wordt een eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico voor
beide zijden van de posities afzonderlijk berekend. Artikel 336
Facilitering voor afdekking door kredietderivaten voor het
eerst optredende en het n-de kredietverzuim In het geval van kredietderivaten voor het
eerst optredende kredietverzuim en kredietderivaten voor het n-de
kredietverzuim geldt de hierna beschreven behandeling voor de overeenkomstig
artikel 335 te verlenen verlaging: (a)
wanneer een instelling voor een aantal
onderliggende referentie-entiteiten van een kredietderivaat kredietprotectie
verkrijgt onder de voorwaarde dat het eerst optredende kredietverzuim
aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van
het contract met zich brengt, mag de instelling overgaan tot compensatie van
het specifieke risico voor de referentie-entiteit die volgens tabel 1 in
artikel 325 het laagste vereiste voor het specifieke risico van alle
onderliggende referentie-entiteiten heeft; (b)
wanneer het n-de kredietverzuim ingevolge de
kredietprotectie aanleiding geeft tot betaling, mag de protectienemer slechts
tot compensatie van het specifieke risico overgaan indien tevens protectie is
verkregen voor kredietverzuim 1 tot en met n-1 of wanneer zich reeds n-1
wanbetalingen hebben voorgedaan. In
dergelijke gevallen wordt dezelfde methodologie toegepast als die welke voor
kredietderivaten voor het eerst optredende kredietverzuim is beschreven,
dienovereenkomstig aangepast voor producten voor het n-de kredietverzuim. Afdeling 6
Eigenvermogensvereisten
voor ICB's Artikel 337
Eigenvermogensvereisten voor ICB's 1.
Onverminderd andere bepalingen van deze afdeling
geldt voor posities op ICB's een eigenvermogensvereiste voor het positierisico,
dat zowel het specifieke als het algemene risico omvat, van 32 %. Onverminderd artikel 342 of artikel 356, lid 2,
onder d), in samenhang met artikel 342 geldt, wanneer de aldaar beschreven
gewijzigde behandeling van goud wordt toegepast, voor posities op ICB's een
eigenvermogensvereiste voor het positierisico, dat zowel het specifieke als het
algemene risico omvat, en voor het valutarisico van 40 %. 2.
Tenzij in artikel 339 anders is bepaald, is geen
verrekening toegestaan tussen de onderliggende beleggingen van een ICB en andere
door de instelling ingenomen posities. Artikel 338
Algemene criteria voor ICB's Voor ICB's kan de in artikel 339 beschreven
benadering worden gevolgd wanneer alle onderstaande voorwaarden zijn vervuld: (a)
de prospectussen of gelijkwaardige documenten van
de ICB bevatten alle onderstaande gegevenselementen: i) de categorieën activa waarin de ICB mag beleggen; ii) als er beleggingsbeperkingen gelden, welke deze zijn en hoe zij worden
berekend; iii) als beleggingen met geleend vermogen zijn toegestaan, het maximumniveau
van kredietspeculatie; iv) als transacties in financiële otc-derivaten, repo's of het opnemen of
verstrekken van effectenleningen zijn toegestaan, een beschrijving van het
gevoerde beleid om het tegenpartijrisico van dergelijke verrichtingen te
beperken; (b)
over de activiteiten van de ICB wordt halfjaarlijks
en jaarlijks een verslag uitgebracht op grond waarvan de activa en passiva, de
inkomsten en de verrichtingen in de verslagperiode kunnen worden geëvalueerd; (c)
de rechten van deelneming in de ICB kunnen
dagelijks door de ICB uit eigen activa worden teruggekocht tegen contanten
wanneer zulks wordt gevraagd door houders van de rechten; (d)
de beleggingen in de ICB en de activa van de
beheerder van de ICB worden van elkaar gescheiden gehouden; (e)
de ICB wordt door de beleggende instelling aan een
adequate risicobeoordeling onderworpen; (f)
de ICB wordt beheerd door personen die onder
toezicht staan overeenkomstig de ICBE-richtlijn of gelijkwaardige wetgeving. Artikel 339
Bijzondere methoden voor ICB's 1.
Voor zover de onderliggende beleggingen van de ICB
op dagbasis worden gevolgd door de instelling, mag zij „doorkijken” naar die
beleggingen om de eigenvermogensvereisten voor het aan de betrokken posities
verbonden positierisico, dat zowel het specifieke als het algemene risico
omvat, te berekenen. Deze doorkijkbenadering houdt in dat posities op ICB's
worden behandeld als posities in de onderliggende beleggingen van de ICB. Verrekening tussen posities in de onderliggende
beleggingen van de ICB en andere door de instelling ingenomen posities is
toegestaan mits de instelling een voldoende groot aantal rechten van deelneming
bezit om aflossing/creatie in ruil voor de onderliggende beleggingen mogelijk
te maken. 2.
Instellingen kunnen de eigenvermogensvereisten voor
het aan posities in ICB's verbonden positierisico, dat zowel het specifieke als
het algemene risico omvat, berekenen op hypothetische posities overeenkomend
met die welke nodig zijn om de samenstelling en de prestaties van de index van
derden of een vaste mand van aandelen of schuldtitels waaraan onder punt a)
hieronder wordt gerefereerd, te volgen, op voorwaarde dat: (a)
het beleggingsbeleid van de ICB erop is gericht de
samenstelling en de prestaties van een index van derden of een vaste mand van
aandelen of schuldtitels te volgen; (b)
er gedurende minimaal zes maanden tussen de
dagelijkse koersbewegingen van de ICB en die van de gevolgde index of de mand
van aandelen of schuldtitels duidelijk een correlatie van 90 % kan worden
vastgesteld. Onder correlatie wordt
hier verstaan de correlatiecoëfficiënt tussen het dagrendement van de ICB en
dat van de gevolgde index of de mand van aandelen of schuldtitels. 3.
Wanneer de onderliggende beleggingen van de ICB
niet op dagbasis worden gevolgd door de instelling, kan zij de eigenvermogensvereisten
voor het positierisico, dat zowel het algemene als het specifieke risico omvat,
berekenen met inachtneming van het volgende: (a)
er wordt aangenomen dat de ICB in de eerste plaats,
binnen de toegestane grenzen, maximaal belegt in de activaklassen met het
hoogste eigenvermogensvereiste voor het specifieke en het algemene risico
afzonderlijk, en vervolgens in dalende volgorde totdat de totale
beleggingslimiet is bereikt. De op de
ICB ingenomen positie wordt behandeld als een directe participatie in de
hypothetische positie; (b)
instellingen nemen de maximale indirecte uitzetting
die zij kunnen bereiken door leveraged posities in te nemen via de ICB, in
aanmerking bij het afzonderlijk berekenen van hun eigenvermogensvereiste voor
het specifieke en het algemene risico, door de positie op de ICB proportioneel
op te bouwen tot de maximaal toegestane uitzetting op de onderliggende
beleggingen; (c)
als het eigenvermogensvereiste voor het specifieke
en het algemene risico tezamen op grond van dit lid hoger is dan het in artikel
337, lid 1, vastgestelde percentage, dan wordt het vereiste tot dit laatste
niveau begrensd. 4.
Instellingen kunnen een beroep doen op de volgende
externe partijen om de eigenvermogensvereisten voor het positierisico met
betrekking tot posities op ICB's die onder de leden 1 tot en met 4 vallen, te
berekenen en te rapporteren conform de in dit hoofdstuk beschreven methoden: (a)
de effectenbewaarinstelling van de ICB, mits de ICB
uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring
geeft; (b)
voor andere ICB's, de beheermaatschappij van de
ICB, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 127, lid 3, onder a),
vastgestelde criteria. De deugdelijkheid van de berekening dient door een
externe accountant te worden bevestigd. Hoofdstuk 3
Eigenvermogensvereisten voor het valutarisico Artikel 340
Drempel en weging voor valutarisico Indien de som van de totale nettopositie in
vreemde valuta's en de nettopositie in goud van een instelling, berekend
volgens de in artikel 341 omschreven procedure, daaronder begrepen alle
posities in vreemde valuta's en goud waarvoor eigenvermogensvereisten zijn
berekend met een intern model, meer dan 2 % van haar totale eigen vermogen
bedraagt, berekent de instelling een eigenvermogensvereiste ter dekking van het
valutarisico. Het
eigenvermogensvereiste voor het valutarisico is de in de rapportagevaluta
luidende som van de totale nettopositie in vreemde valuta's en de nettopositie
in goud van de instelling, vermenigvuldigd met 8 %. Artikel 341
Berekening van de totale nettopositie voor het
valutarisico 1.
De open nettopositie van de instelling in elke
valuta (met inbegrip van de rapportagevaluta) en in goud wordt berekend als de
som van de volgende elementen (positief of negatief): (a)
de nettocashpositie (dat wil zeggen alle activa min
alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de
betrokken valuta of, in het geval van goud, de nettocashpositie in goud); (b)
de nettotermijnpositie, dat wil zeggen alle te
ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van
termijntransacties in valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures
en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie; (c)
onherroepelijke garanties en soortgelijke
instrumenten die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk niet kunnen
worden teruggevorderd; (d)
het nettodelta- of op delta gebaseerde equivalent
van de totale portefeuille van valuta- en goudopties; (e)
de marktwaarde van andere opties. De voor punt d) gebruikte delta moet, in
voorkomend geval, die van de betrokken beurs zijn dan wel, indien deze niet
beschikbaar is, of voor otc-opties, de delta die door de instelling zelf is
berekend op basis van een passend model, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor
toestemming hebben verleend. Deze
toestemming wordt verleend wanneer het model een juiste raming geeft van de
wijziging van de waarde van de optie of de warrant met betrekking tot kleine
wijzigingen in de marktprijs van het onderliggende instrument. De instelling kan toekomstige
netto-inkomsten/-uitgaven die nog niet tot stand zijn gekomen maar reeds
volledig zijn afgedekt, in aanmerking nemen als zij dat stelselmatig doet. De instelling kan nettoposities in samengestelde
valuta's opsplitsen naar de samenstellende valuta's aan de hand van de geldende
quota. 2.
Posities die een instelling doelbewust heeft
ingenomen om valutarisico's voor haar ratio's af te dekken in overeenstemming
met artikel 87, lid 1, kunnen bij de berekening van de open nettovalutaposities
buiten beschouwing worden gelaten, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor
toestemming hebben verleend. Deze
posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard zijn,
en de voorwaarden voor het buiten beschouwing laten ervan mogen slechts worden
gewijzigd na afzonderlijke toestemming van de bevoegde autoriteiten. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden
als hierboven, te werk worden gegaan voor posities van een instelling die
betrekking hebben op posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen
zijn afgetrokken. 3.
Een instelling kan bij de berekening van de open
nettopositie in elke valuta en in goud gebruikmaken van de actuele nettowaarde,
mits zij deze benadering stelselmatig toepast. 4.
De netto shortposities en netto shortposities in
elke valuta (behalve de rapportagevaluta) en de netto long of shortpositie in
goud worden tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. Zij worden dan afzonderlijk samengevoegd tot
respectievelijk het totaal van de netto shortposities en het totaal van de
netto longposities. Het hoogste van
deze twee totalen is de totale nettovalutapositie van de instelling. 5.
Instellingen moeten andere aan opties verbonden
risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weergeven in hun
eigenvermogensvereisten. 6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen waarin een reeks methoden wordt gedefinieerd om andere
risico's, afgezien van het deltarisico, in de eigenvermogensvereisten weer te
geven op een wijze die in verhouding staat tot de omvang en de complexiteit van
de activiteiten van een instelling op het gebied van opties. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de vorige alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 342
Valutarisico van ICB's 1.
Voor de toepassing van artikel 341 worden, met
betrekking tot ICB's, de feitelijke valutaposities van de ICB in aanmerking
genomen. 2.
Instellingen kunnen zich baseren op de rapportage
van de volgende derde partijen over de op ICB ingenomen valutaposities: (a)
de effectenbewaarinstelling van de ICB, mits de ICB
uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring
geeft; (b)
voor andere ICB's, de beheermaatschappij van de
ICB, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 127, lid 3, onder a),
vastgestelde criteria. De deugdelijkheid van de berekening dient door een
externe accountant te worden bevestigd. 3.
Wanneer de valutaposities op een ICB niet worden
gevolgd door de instelling, zal worden aangenomen dat de ICB binnen de grenzen
van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en dient de
instelling met betrekking tot posities in de handelsportefeuille de maximale
indirecte uitzetting die zij kan bereiken door leveraged posities in te nemen
via de ICB, in aanmerking te nemen bij het berekenen van haar
eigenvermogensvereiste voor het valutarisico. Daartoe wordt de positie op de ICB proportioneel opgebouwd tot de
maximale uitzetting op de onderliggende beleggingen dat in het kader van het
beleggingsbeleid is toegestaan. De
hypothetische valutapositie van de ICB wordt als een afzonderlijke valuta
beschouwd en behandeld zoals beleggingen in goud, met dien verstande dat
naargelang van de beleggingsstrategie van de ICB - voor zover deze bekend is -
de totale longpositie kan worden opgeteld bij de totale openstaande
longvalutapositie en de totale shortpositie bij de totale openstaande
shortvalutapositie. Verrekening
tussen dergelijke posities vóór de berekening is niet toegestaan. Artikel 343
Nauw gecorreleerde valuta's 1.
Instellingen kunnen ter dekking van posities in
nauw gecorreleerde valuta's aan lagere eigenvermogensvereisten voldoen. Twee valuta's worden alleen dan als nauw
gecorreleerd aangemerkt indien het voor ten minste 99 % (bij een
waarnemingsperiode van drie jaar) of 95 % (bij een waarnemingsperiode van
vijf jaar) waarschijnlijk is dat een eventueel verlies op gelijke en
tegengestelde posities in die valuta's gedurende de volgende tien werkdagen
niet meer dan 4 % bedraagt van de waarde van de afgedekte positie in kwestie
(berekend in de rapportagevaluta) — uitgaande van de dagelijkse wisselkoersen
in de voorafgaande drie of vijf jaar. Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot de afgedekte positie in
twee nauw gecorreleerde valuta's bedraagt 4 %, vermenigvuldigd met de waarde
van de afgedekte positie. 2.
Bij de berekening van de vereisten uit hoofde van
dit hoofdstuk kunnen instellingen posities in valuta's buiten beschouwing laten
ten aanzien waarvan een juridisch bindende overeenkomst tussen staten bestaat
ter beperking van fluctuaties ten opzichte van andere onder dezelfde overeenkomst
vallende valuta's. Instellingen
berekenen hun afgedekte posities in die valuta's en passen daarop een
eigenvermogensvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal
toegestane fluctuatie die voor de betrokken valuta's in de overeenkomst tussen staten
is vastgesteld. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met een lijst van de valuta's die aan de in lid 1 gestelde
vereisten voldoen. De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. 4.
Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot de
afgedekte posities in valuta's van lidstaten die deelnemen aan de tweede fase
van de economische en monetaire unie, kan worden berekend als 1,6 % van de
waarde van deze afgedekte posities. 5.
In de totale open nettopositie overeenkomstig
artikel 341, lid 4, worden alleen de ongedekte posities in dit artikel bedoelde
valuta's opgenomen. Hoofdstuk 4
Eigenvermogensvereisten voor het grondstoffenrisico Artikel 344
Keuze van methode voor het grondstoffenrisico Behoudens de artikelen 345 tot en met 347
berekenen instellingen het eigenvermogensvereiste voor het grondstoffenrisico
volgens een van de in de artikelen 348, 349 of 350 beschreven methoden. Artikel 345
Nevenhandel in grondstoffen 1.
Instellingen met een nevenhandel in
landbouwgrondstoffen kunnen de eigenvermogensvereisten voor hun fysieke
grondstoffenvoorraden aan het eind van ieder jaar voor het daaropvolgende jaar
bepalen, wanneer alle onderstaande voorwaarden zijn vervuld: (a)
de instelling beschikt op elk ogenblik van het jaar
over een eigen vermogen voor dit risico dat niet lager is dan het gemiddelde
eigenvermogensvereiste voor dat risico volgens een conservatieve raming voor
het daaropvolgende jaar; (b)
zij maakt een conservatieve raming van de verwachte
volatiliteit voor het onder a) berekende getal; (c)
haar gemiddelde eigenvermogensvereiste voor dit
risico bedraagt niet meer dan 5 % van haar eigen vermogen of 1 miljoen EUR
en de verwachte eigenvermogensvereisten op piekmomenten bedragen, rekening
houdend met de overeenkomstig b) geraamde volatiliteit, niet meer dan 6,5 %
van haar eigen vermogen; (d)
zij ziet er constant op toe of de overeenkomstig a)
en b) verrichte ramingen nog steeds overeenkomen met de realiteit. 2.
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten ervan
in kennis als zij gebruikmaken van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid. Artikel 346
Posities in grondstoffen 1.
Elke positie in grondstoffen of in van grondstoffen
afgeleide instrumenten moet worden uitgedrukt in de vaste rekeneenheid. De contante koers van elke grondstof wordt
uitgedrukt in de rapportagevaluta. 2.
Voor posities in goud en in van goud afgeleide
instrumenten wordt geacht een valutarisico te bestaan en zij worden voor de
berekening van het grondstoffenrisico al naargelang het geval behandeld
overeenkomstig hoofdstuk 3 of 5. 3.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk mogen posities
waarmee enkel voorraden worden gefinancierd, buiten beschouwing worden gelaten. 4.
Voor de toepassing van artikel 349, lid 1, is het
saldo van de longposities van een instelling tegenover haar shortposities (of
omgekeerd) in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op
grondstoffen de nettopositie van de instelling in elke grondstof. Posities in afgeleide instrumenten worden zoals
bepaald in artikel 347 behandeld als posities in de onderliggende grondstof. 5.
Voor de berekening van een positie in een grondstof
worden de volgende posities behandeld als posities in dezelfde grondstof: a) posities in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze
subcategorieën in elkaars plaats leverbaar zijn; b) posities in vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor
elkaar substitueerbaar zijn en er gedurende minimaal één jaar tussen
koersbewegingen duidelijk een correlatie van ten minste 90% kan worden
vastgesteld. Artikel 347
Specifieke instrumenten 1.
Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot
aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden in het
waardemetingssysteem verwerkt als notionele bedragen op basis van de vaste
rekeneenheid; er wordt op basis van de afloopdatum een looptijd aan toegekend. 2.
Grondstoffenswaps waarbij het ene onderdeel van de
transactie een vastgestelde prijs is en het andere de dagkoers, worden
behandeld als een reeks posities die gelijk zijn aan het notionele bedrag van
het contract, waarbij in voorkomend geval een positie overeenkomt met elke
betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ondergebracht in de
looptijdklassen van artikel 348, lid 1. De posities zijn shortposities als de instelling een vastgestelde prijs
betaalt en een variabele prijs ontvangt; de posities zijn shortposities als de
instelling een vastgestelde prijs ontvangt en een variabele prijs betaalt. Grondstoffenswaps waarbij de twee onderdelen van
de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben, moeten voor de
benadering op grond van de looptijd in de desbetreffende categorieën worden
ondergebracht. 3.
Opties en warrants op grondstoffen of op van
grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van dit hoofdstuk
behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van
de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met
zijn delta. De aldus berekende
posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde
onderliggende grondstof respectievelijk hetzelfde onderliggende van
grondstoffen afgeleide instrument. De
gebruikte delta moet, in voorkomend geval, die van de betrokken beurs zijn dan
wel, indien deze niet beschikbaar is, of voor otc-opties, de delta die door de
instelling zelf is berekend op basis van een passend model, mits de bevoegde
autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend wanneer het model een juiste raming
geeft van de wijziging van de waarde van de optie of de warrant met betrekking
tot kleine wijzigingen in de marktprijs van het onderliggende instrument. Instellingen moeten andere aan opties verbonden
risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weergeven in hun
eigenvermogensvereisten. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen waarin een reeks methoden wordt gedefinieerd om andere
risico's, afgezien van het deltarisico, in de eigenvermogensvereisten weer te
geven op een wijze die in verhouding staat tot de omvang en de complexiteit van
de activiteiten van een instelling op het gebied van opties. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen. 5.
Een instelling dient de betrokken grondstoffen op
te nemen in de berekening van haar eigenvermogensvereiste voor het
grondstoffenrisico, wanneer zij een van onderstaande partijen is: a) de partij die grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom
van grondstoffen overdraagt bij een retrocessieovereenkomst; b) de partij die grondstoffen in lening geeft bij een
grondstoffenleningsovereenkomst. Artikel 348
Benadering op grond van looptijdklassen 1.
De instelling maakt voor elke grondstof gebruik van
afzonderlijke looptijdklassen overeenkomstig tabel 1. Alle posities in een bepaalde grondstof worden ondergebracht in de
desbetreffende looptijdklassen. Fysiek
aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse tussen 0
tot en met 1 maand. Tabel 1 Looptijdklassen (1) || Spread-coëfficient (in %) (2) 0 ≤ 1 maand || 1,50 > 1 ≤ 3 maand || 1,50 > 3 ≤ 6 maand || 1,50 > 6 ≤ 12 maand || 1,50 > 1 ≤ 2 jaar || 1,50 > 2 ≤ 3 jaar || 1,50 > 3 jaar || 1,50 2.
Posities in dezelfde grondstof kunnen op nettobasis
worden gecompenseerd en ondergebracht in de desbetreffende looptijdklassen in
de volgende gevallen: (a)
posities in contracten die op dezelfde datum
aflopen; (b)
posities in contracten die binnen tien dagen na
elkaar aflopen indien de contracten worden verhandeld op markten waar
dagelijkse leveringsdata bepaald worden. 3.
Vervolgens berekent de instelling de som van de
longposities en de som van de shortposities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde som
in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde som, vormt de
afgedekte positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende long- of
shortpositie de niet-gecompenseerde positie in deze zelfde looptijdklasse is. 4.
Het deel van de niet-afgedekte longpositie in een
bepaalde looptijdklasse dat gelijk is aan de niet-afgedekte shortpositie in een
volgende looptijdklasse, of omgekeerd, is de tussen twee looptijdklassen
afgedekte positie. Het deel van de
niet-afgedekte longpositie of de niet-afgedekte shortpositie dat niet op deze
wijze afgedekt kan worden, vormt de niet-afgedekte positie. 5.
De eigenvermogensvereisten van de instelling worden
voor iedere grondstof op basis van de desbetreffende looptijdklassen berekend
als de som van: (a)
de som van de afgedekte long- en shortposities,
vermenigvuldigd met de toepasselijke spread-coëfficiënt die in kolom 2 van
tabel 1 voor elke looptijdklasse wordt gegeven, en met de contante koers van de
grondstof; (b)
voor elke looptijdklasse waarnaar een
niet-afgedekte positie uit een voorgaande looptijdklasse wordt overgedragen, de
tussen twee looptijdklassen afgedekte positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de
overdrachtscoëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof; (c)
de resterende niet-afgedekte posities, vermenigvuldigd
met 15 % (de „outright”-coëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof. 6.
Het totale eigenvermogensvereiste van de instelling
voor het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig lid
5 berekende eigenvermogensvereisten voor elke grondstof. Artikel 349
Vereenvoudigde benadering 1.
Het eigenvermogensvereiste van de instelling voor
elke grondstof wordt berekend als de som van: (a)
15 % van de netto short- of longpositie,
vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof; (b)
3 % van de bruto long- plus shortpositie,
vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof. 2.
Het totale eigenvermogensvereiste van de instelling
voor het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig lid
1 berekende eigenvermogensvereisten voor elke grondstof. Artikel 350
Uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen Instellingen kunnen de minimale spread-,
overdrachts- en outright-coëfficiënten van onderstaande tabel 2 gebruiken in
plaats van de in artikel 348 genoemde coëfficiënten, op voorwaarde dat zij: (a)
in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen; (b)
een voldoende gediversifieerde
grondstoffenportefeuille hebben; (c)
nog niet in een positie verkeren om voor de
berekening van het eigenvermogensvereiste voor het grondstoffenrisico van interne
modellen gebruik te maken. Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten
ervan in kennis als zij van dit artikel gebruikmaken, en leveren hen bewijs van
hun inspanningen om een intern model voor de berekening van het
eigenvermogensvereiste voor het grondstoffenrisico ten uitvoer te leggen. Tabel 2 || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Niet-duurzame (landbouw)producten („softs”) || Overige, inclusief energieproducten Spread-coëfficiënt ( %) || 1,0 || 1,2 || 1,5 || 1,5 Overdrachts-coëfficiënt ( %) || 0,3 || 0,5 || 0,6 || 0,6 Outright-coëfficiënt ( %) || 8 || 10 || 12 || 15 Hoofdstuk 5
Gebruik van interne modellen voor de berekening van
eigenvermogensvereisten Afdeling 1
Toestemming en eigenvermogensvereisten Artikel 351
Specifieke en algemene risico's Voor de toepassing van dit hoofdstuk kan het
positierisico voor een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel of een van een
schuldinstrument of een aandeel afgeleid instrument in twee componenten worden
gesplitst. De eerste component betreft het
specifieke risico en omvat het risico van een prijsverandering in het betrokken
instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of,
in het geval van een afgeleid instrument, de emittent van het onderliggende
instrument. Het algemene risico omvat het
risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een
verhandelbaar schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument)
een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid
instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband
houdt met enigerlei specifieke aspecten van de betrokken waardepapieren. Artikel 352
Toestemming voor het gebruik van interne modellen 1.
Nadat zij hebben gecontroleerd of een instelling
voldoet aan de vereisten van de afdelingen 2, 3 en 4, al naargelang het geval,
verlenen de bevoegde autoriteiten deze instelling toestemming om haar
eigenvermogensvereisten voor een of meer van de volgende risicocategorieën te
berekenen met behulp van haar interne modellen in plaats van of in combinatie
met de in de hoofdstukken 2 tot en met 4 beschreven methoden: (a)
algemeen risico van aandelen; (b)
specifiek risico van aandelen; (c)
algemeen risico van schuldinstrumenten; (d)
specifiek risico van schuldinstrumenten; (e)
valutarisico; (f)
grondstoffenrisico. 2.
Een instelling blijft haar eigenvermogensvereisten
voor risicocategorieën waarvoor zij de in lid 1 bedoelde toestemming voor het
gebruik van interne modellen niet heeft gekregen, berekenen overeenkomstig
voornoemde hoofdstukken 2, 3 en 4, al naargelang het geval. De toestemming van de bevoegde autoriteiten voor
het gebruik van interne modellen dient te worden verleend voor elke
risicocategorie. Voor materiële
wijzigingen in het gebruik van interne modellen, de uitbreiding van het gebruik
van interne modellen, met name tot extra risicocategorieën, en de initiële
berekening van de stresswaarde van het potentiële verlies ("stressed
value-at-risk") overeenkomstig artikel 354, lid 2, is een afzonderlijke
toestemming van de bevoegde autoriteit vereist. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan: (a)
de voorwaarden voor het beoordelen van het
materiële karakter van de uitbreidingen en wijzigingen inzake het gebruik van
interne modellen; (b)
de beoordelingsmethodologie op basis waarvan de
bevoegde autoriteiten instellingen toestemming verlenen om interne modellen te
gebruiken. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 353
Eigenvermogensvereisten bij gebruik van interne modellen 1.
Iedere instelling die een intern model gebruikt,
dient, behalve aan de overeenkomstig de hoofdstukken 2, 3 en 4 berekende
eigenvermogensvereisten voor de risicocategorieën waarvoor zij geen intern
model mag gebruiken, tevens te voldoen aan een eigenvermogensvereiste dat is
uitgedrukt als de som van de punten a) en b): a) de hoogste waarde van: i) haar overeenkomstig artikel 354, lid 1, berekende VaR-cijfer van de dag
voordien (VaRt-1); ii) een gemiddelde van de overeenkomstig artikel 354, lid 1, berekende
dagelijkse VaR-cijfers op elk van de voorgaande zestig werkdagen (VaRgem),
vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (mc) overeenkomstig artikel 355; b) de hoogste waarde van: i) haar laatste overeenkomstig artikel 354, lid 2, berekende beschikbare
stressed VaR (sVaRt-1); en ii) een gemiddelde van de stressed VaR's berekend volgens de wijze en
frequentie gespecificeerd in artikel 354, lid 2, op elk van de voorgaande
zestig werkdagen (sVaRgem), vermenigvuldigd met de
vermenigvuldigingsfactor (ms) overeenkomstig artikel 355. 2.
Instellingen die een intern model gebruiken voor de
berekening van hun eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico van
schuldinstrumenten, dienen te voldoen aan een extra eigenvermogensvereiste dat
is uitgedrukt als de som van de volgende punten a) en b): a) het eigenvermogensvereiste berekend overeenkomstig de artikelen 326 en 327
voor het specifieke risico van securitisatieposities en n-th-to-default
kredietderivaten in de handelsportefeuille, met uitzondering van die welke zijn
opgenomen in een eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico van de
correlation trading-portefeuille overeenkomstig afdeling 4 en, indien van
toepassing, het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico
overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 6, voor de posities in ICB's ten aanzien
waarvan de voorwaarden van artikel 339, lid 1, noch die van artikel 339, lid 2,
zijn vervuld; b) de hoogste waarde van: i) de meest recente meting van het additioneel wanbetalingsrisico en
migratierisico, berekend overeenkomstig afdeling 3; ii) het gemiddelde van deze metingen over de voorgaande twaalf weken. 3.
Instellingen met een correlation
trading-portefeuille die de vereisten van artikel 327, leden 1 tot en met 3,
vervult, dienen te voldoen aan een extra eigenvermogensvereiste dat is berekend
als de hoogste waarde van: a) de meest recente meting voor de correlation trading-portefeuille,
berekend overeenkomstig afdeling 5; b) het gemiddelde van deze metingen over de voorgaande twaalf weken; c) 8 % van het eigenvermogensvereiste dat op het tijdstip van de
berekening van de meest recente meting als bedoeld in punt a), zou worden
bepaald overeenkomstig artikel 327, lid 4, voor alle posities die zijn
opgenomen in het interne model voor de correlation trading-portefeuille. Afdeling 2
Algemene
vereisten Artikel 354
Berekening van de Var en de stressed VaR 1.
Voor de berekening van het in artikel 353 bedoelde
VaR-cijfer gelden de volgende vereisten: a) het VaR-cijfer moet ten minste eenmaal per dag worden berekend; b) een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %; c) een aanhoudingsperiode van tien dagen; d) een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar,
tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming
van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; e) ten minste maandelijkse bijwerking van het gegevensbestand. De instelling kan gebruikmaken van VaR-cijfers die
zijn berekend overeenkomstig kortere aanhoudingsperioden dan tien dagen maar
met behulp van een passende methodologie die periodiek wordt geëvalueerd, zijn
omgezet naar tien dagen. 2.
Daarnaast berekent elke instelling ten minste
eenmaal per week een stressed VaR van de actuele portefeuille overeenkomstig de
vereisten van lid 1, waarbij de VaR-modelinputs zijn geijkt aan de hand van
historische gegevens uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van
aanzienlijke financiële spanningen die relevant waren voor de portefeuille van
de instelling. De keuze van deze
historische gegevens wordt ten minste eenmaal per jaar getoetst door de
instelling, die het resultaat van deze toetsing meedeelt aan de bevoegde
instanties. De EBA zal de
diverse berekeningsmethoden voor de stressed VaR volgen en overeenkomstig
artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren ter zake
opstellen. Artikel 355
Wettelijk vereiste back-testing en
vermenigvuldigingsfactoren 1.
De uitkomsten van de in artikel 354 bedoelde
berekeningen worden vermenigvuldigd met de factoren (mc) en (ms). 2.
De vermenigvuldigingsfactoren (mc) en (ms)
zijn gelijk aan de som van 3 en een optelgetal tussen 0 en 1 overeenkomstig
tabel 1. Dit optelgetal is
afhankelijk van het aantal overschrijdingen („overshootings”) dat de instelling
gedurende de laatste 250 werkdagen bij back-testing van het overeenkomstig
artikel 354, lid 1, berekende VaR-cijfer heeft geconstateerd. Tabel 1 Aantal overschrijdingen || Optelgetal minder dan 5 || 0,00 5 || 0,40 6 || 0,50 7 || 0,65 8 || 0,75 9 || 0,85 10 of meer || 1,00 3.
De instellingen tellen de dagelijkse
overschrijdingen door middel van back-testing op hypothetische en werkelijke
veranderingen in de waarde van de portefeuille. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de
portefeuille die meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de
instelling resulterende eendagswaarde van het VaR-cijfer. Ter bepaling van het optelgetal wordt het aantal overschrijdingen ten
minste eenmaal per kwartaal geëvalueerd, en gelijkgesteld met het hoogste van
het aantal overschrijdingen in het kader van hypothetische en werkelijke
veranderingen in de waarde van de portefeuille. Bij back-testing van de hypothetische
veranderingen van de waarde van de portefeuille wordt een vergelijking gemaakt
tussen de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde
posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende
werkdag. Bij back-testing van de werkelijke veranderingen
van de waarde van de portefeuille wordt een vergelijking gemaakt tussen de
eindedagswaarde van de portefeuille en de werkelijke waarde van de portefeuille
aan het einde van de daaropvolgende werkdag, exclusief vergoedingen, commissies
en nettorentebaten. 4.
De bevoegde autoriteiten kunnen in individuele
gevallen het optelgetal beperken tot het getal dat resulteert uit het aantal
overschrijdingen bij hypothetische veranderingen wanneer het aantal
overschrijdingen bij werkelijke veranderingen niet het gevolg is van
tekortkomingen in het interne model. 5.
Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de
juistheid van de vermenigsvuldigingsfactoren voortdurend in het oog te houden,
moeten instellingen de bij de toepassing van hun back-testing-programma
geconstateerde overschrijdingen terstond en in ieder geval binnen vijf
werkdagen ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten. Artikel 356
Vereisten inzake risicometing 1.
Interne modellen voor de berekening van
kapitaalvereisten voor het positierisico, valutarisico of grondstoffenrisico en
interne modellen voor correlation trading dienen aan alle onderstaande
voorwaarden te voldoen: (a)
het model bestrijkt accuraat alle materiële
koersrisico's; (b)
afhankelijk van de mate waarin de instelling op de
betrokken markten actief is, wordt in het model een voldoende aantal
risicofactoren bestreken. De
instelling verwerkt in haar model ten minste de risicofactoren die ook in haar
prijsmodel zijn opgenomen. Het
risicometingsmodel bestrijkt zowel de niet-lineariteit van opties en andere
producten als het correlatierisico en het basisrisico. Ingeval vervangende maatstaven voor risicofactoren worden gehanteerd,
hebben deze in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de aangehouden
feitelijke positie. 2.
Interne modellen voor de berekening van
kapitaalvereisten voor het positierisico, valutarisico of grondstoffenrisico
dienen aan alle onderstaande voorwaarden te voldoen: (a)
het model omvat een reeks risicofactoren die
corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's waarin de instelling
renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt. De instelling geeft de rendementscurves weer door
middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen. Voor materiële renterisico's in de voornaamste valuta's en markten
wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de
variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven. Het model bestrijkt ook het risico van
niet-perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves; (b)
het model omvat risicofactoren die corresponderen
met goud en met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van
de instelling luiden. Voor ICB’s
worden de feitelijke valutaposities van de ICB in aanmerking genomen. Instellingen kunnen zich baseren op de rapportage
van een derde partij over de op ICB’s ingenomen valutaposities, mits de
deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is aangetoond. Wanneer de valutaposities van een ICB niet worden
gevolgd door de instelling, dan moet deze positie afzonderlijk en
overeenkomstig artikel 342, lid 3, worden behandeld; (c)
het model gebruikt een afzonderlijke risicofactor
voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities
inneemt; (d)
het model gebruikt een afzonderlijke risicofactor
voor ten minste elke grondstof waarin de instelling significante posities
inneemt. Het model bestrijkt ook het
risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet
identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen
dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit. Voorts moet rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met
name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af
te dekken; (e)
het interne model van de instelling levert een
conservatieve beoordeling op van het risico dat volgens realistische
marktscenario’s voortvloeit uit minder liquide posities en posities met
beperkte prijstransparantie. Voorts
voldoet het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende
gegevens zijn voldoende conservatief en worden alleen gebruikt wanneer de
beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware volatiliteit van een
positie of portefeuille weerspiegelen. 3.
In interne modellen die voor de toepassing van dit
hoofdstuk worden gebruikt, mogen instellingen binnen risicocategorieën en over
risicocategorieën heen empirische correlaties hanteren, doch uitsluitend indien
de benadering waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en op
integere wijze wordt toegepast. Artikel 357
Kwaliteitsvereisten 1.
In het kader van dit hoofdstuk gebruikte interne
modellen dienen een solide concept te hebben en zorgvuldig te worden toegepast
en met name aan alle onderstaande kwaliteitsvereisten te voldoen: (a)
het interne model voor de berekening van de
kapitaalvereisten voor het positierisico, valutarisico of grondstoffenrisico is
in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse proces van risicomanagement van de
instelling en dient als basis voor het rapporteren van risico-uitzettingen aan
de directie; (b)
de instelling heeft een afdeling risicobewaking,
die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan
de directie. Deze afdeling is belast
met het ontwerpen en implementeren van in het kader van dit hoofdstuk
toegepaste interne modellen. De
afdeling verricht de initiële en continue validatie van in het kader van dit
hoofdstuk toegepaste interne modellen. De afdeling moet ook dagelijks rapporten opstellen en analyseren over
de uitkomsten van interne modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten
voor het positierisico, valutarisico en grondstoffenrisico, en over de
maatregelen die op het stuk van transactielimieten moeten worden genomen; (c)
het leidinggevende orgaan en de directie van de
instelling zijn actief bij het proces van risicobewaking betrokken; de
dagelijkse rapporten die de afdeling risicobewaking opstelt, worden beoordeeld
door een directie-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering
van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale
risicopositie van de instelling op te leggen; (d)
de instelling beschikt over voldoende personeel dat
onderlegd is in het gebruik van geavanceerde interne modellen, met inbegrip van
de in het kader van dit hoofdstuk toegepaste modellen, voor handel,
risicobewaking, controle en administratieve verwerking; (e)
de instelling heeft procedures vastgesteld voor de
bewaking van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde
reeks interne richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking
van haar interne modellen als geheel, met inbegrip van de in het kader van dit
hoofdstuk toegepaste modellen; (f)
in het kader van dit hoofdstuk toegepaste interne
modellen hebben in het verleden bewezen redelijk accuraat te zijn als het gaat
om het meten van risico's; (g)
de instelling voert frequent een stringent
programma van stresstests uit, met inbegrip van reverse stresstests, waaronder ook
alle in het kader van dit hoofdstuk toegepaste interne modellen vallen; de
uitkomsten van deze stresstests worden beoordeeld door de directie en worden
verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar worden bepaald. Dit proces bestrijkt met name de illiquiditeit
van markten onder gespannen marktomstandigheden, het concentratierisico, „one
way”-markten, „event” en „jump-to-default”-risico’s, de niet-lineariteit van
producten, „deep out-of-the-money”-posities, aan prijsverschillen onderhevige
posities en andere risico’s die niet op adequate wijze door interne modellen
worden bestreken. De toegepaste
schokken weerspiegelen de aard van de portefeuilles en de tijd die nodig kan
zijn om onder moeilijke marktomstandigheden risico’s af te dekken of te beheren; (h)
als onderdeel van de periodieke interne controle
verricht de instelling een onafhankelijke evaluatie van haar interne modellen,
met inbegrip van de in het kader van dit hoofdstuk toegepaste modellen. 2.
De in de eerste alinea, onder h), bedoelde evaluatie
heeft betrekking op de activiteiten van de handelsafdelingen en van de
zelfstandige afdeling risicobewaking. Ten minste eenmaal per jaar verricht de instelling een evaluatie van
het algehele risicomanagementproces. In
deze evaluatie worden de volgende elementen betrokken: (a)
het adequaat zijn van de documentatie over het
risicomanagementsysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling
risicobeheersing; (b)
de integratie van risicometingen in het dagelijkse
risicomanagement en de deugdelijkheid van het managementinformatiesysteem; (c)
het proces dat de instelling toepast voor het
fiatteren van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het
personeel in front- en backoffices worden gebruikt; (d)
aard en omvang van de risico's die in het
risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van significante wijzigingen
in het risicometingsproces; (e)
het accuraat en volledig zijn van gegevens over
posities, het accuraat en correct zijn van aannames over volatiliteit en
correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en
risicogevoeligheidsberekeningen; (f)
het verificatieproces dat de instelling hanteert
ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de
gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt worden, alsmede van de
onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; (g)
het verificatieproces waarvan de instelling gebruik
maakt voor de evaluatie van tests die achteraf worden uitgevoerd
(„back-testing”) om te beoordelen of het model accuraat is. 3.
Instellingen maken gebruik van de vorderingen op
het gebied van technieken en optimale werkwijzen in de in het kader van dit
hoofdstuk toegepaste interne modellen naarmate deze vorderingen zich voordoen. Artikel 358
Interne validatie 1.
Instellingen beschikken over procedures om te
waarborgen dat al hun interne modellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk
worden gebruikt, op adequate wijze zijn gevalideerd door voldoende
gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn,
zodat deze modellen een solide concept hebben en alle materiële risico’s
weergeven. De validatie vindt plaats
bij de initiële ontwikkeling van het interne model en wanneer er significante
wijzigingen in het interne model worden aangebracht. De validatie vindt ook periodiek plaats, maar vooral wanneer de markt
significante structurele veranderingen of de samenstelling van de portefeuille
wijzigingen heeft ondergaan die ertoe kunnen leiden dat het interne model niet
langer adequaat is. Instellingen
maken gebruik van de vorderingen op het gebied van technieken en optimale
werkwijzen voor interne validatie naarmate deze vorderingen zich voordoen. De validatie van het interne model blijft niet
beperkt back-testing, maar omvat ten minste ook de volgende aspecten: (a)
er worden tests verricht om aan te tonen dat de in
het kader van het interne model gehanteerde aannames adequaat zijn en het
risico niet onder- of overschatten; (b)
naast de wettelijk vereiste
back-testing-programma’s verrichten de instellingen hun eigen tests voor de
validatie van het interne model, met inbegrip van back-testing, gerelateerd aan
de risico’s en structuur van hun portefeuilles; (c)
er worden hypothetische portefeuilles gebruikt om
er zeker van te zijn dat het interne model in staat is rekening te houden met
eventuele bijzondere structurele kenmerken, zoals basisrisico’s van materieel
belang en concentratierisico. 2.
De instelling verricht back-testing op zowel
werkelijke als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille. Afdeling 3
Bijzondere
vereisten inzake modellen voor het specifieke risico Artikel 359
Vereisten inzake modellen voor het specifieke risico Een intern model voor de berekening van het
eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico en een intern model voor
correlation trading dienen aan de volgende aanvullende vereisten te voldoen: a) het verklaart de historische prijsschommeling in de portefeuille; b) het geeft de concentratie weer wat betreft de omvang en de
veranderingen in de samenstelling van de portefeuille; c) het blijkt solide in een ongunstige omgeving; d) het wordt gevalideerd door back-testing ter beoordeling van de vraag of
het specifieke risico accuraat wordt weergegeven. Als de instelling deze vorm van back-testing verricht op basis van
relevante subportefeuilles, moeten deze consequent worden gekozen; e) het geeft het name-related basisrisico weer en is met name gevoelig
voor materiële individuele verschillen tussen soortgelijke maar niet identieke
posities; f) het geeft "event"-risico weer. Artikel 360
Factoren die buiten modellen voor het specifieke risico
blijven 1.
Een instelling kan ervoor opteren om bij de
berekening van haar eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico met
behulp van een intern model de posities buiten beschouwing te laten waarvoor
zij aan het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico voldoet
overeenkomstig artikel 353, lid 3. 2.
Een instelling kan ervoor opteren om
wanbetalingsrisico’s en migratierisico’s voor schuldinstrumenten niet weer te
geven in haar interne model wanneer ze deze risico’s weergeeft in het kader van
de vereisten die zijn opgenomen in afdeling 4. Afdeling 4
Intern
model voor additioneel wanbetalings- en migratierisico Artikel 361
Verplicht gebruik van een intern IRC-model Een instelling die voor de berekening van haar
eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico van schuldinstrumenten een
intern model gebruikt, dient ook te beschikken over een intern model voor het
additionele wanbetalings- en migratierisco (IRC-model) voor de weergave van het
aan haar posities in de handelsportefeuille verbonden wanbetalingsrisico en
migratierisico bovenop de risico’s die zijn verwerkt in het in artikel 354, lid
1, gespecificeerde VaR-cijfer. De
instelling toont aan dat haar interne model voldoet aan deugdelijkheidsnormen
vergelijkbaar met de IRB-benadering voor het kredietrisico, uitgaande van een
constant risiconiveau, en waar nodig aangepast om het effect van liquiditeit,
concentraties, afdekking en optionaliteit weer te geven. Artikel 362
Reikwijdte van het interne IRC-model Het interne IRC-model bestrijkt alle posities
die aan een eigenvermogensvereiste voor specifiek renterisico onderworpen zijn,
met inbegrip van de posities met een kapitaalvereiste voor het specifieke
risico van 0 % uit hoofde van artikel 325, maar geen securitisatieposities
en n-th-to-default kredietderivaten. De instelling mag ervoor kiezen stelselmatig
alle posities in beursgenoteerde aandelen en op beursgenoteerde aandelen
gebaseerde derivatenposities in aanmerking te nemen, mits de bevoegde
autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend als die inaanmerkingneming consistent
is met de wijze waarop de instelling intern risico meet en beheert. Artikel 363
Parameters van het interne IRC-model 1.
Instellingen gebruiken het interne model voor de
berekening van een cijfer dat de waarde van de aan wanbetaling en aan de
migratie van interne of externe ratings toe te schrijven verliezen bepaalt met
een betrouwbaarheidsinterval van 99,9 % over een tijdhorizon van één jaar. Dit cijfer wordt door de instellingen ten minste
eenmaal per week berekend. 2.
Aannames inzake correlatie worden onderbouwd met
analyses van objectieve gegevens in een conceptueel solide kader. Het interne model geeft een juiste afspiegeling
van de concentratie van emittenten. Ook
concentraties die onder stressomstandigheden binnen en tussen
productcategorieën kunnen ontstaan, worden weergegeven.
3.
Het interne IRC-model geeft het effect weer van
correlaties tussen gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat en
gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven. Het effect van de diversificatie tussen gebeurtenissen waardoor
wanbetaling ontstaat en gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven
enerzijds en andere risicofactoren anderzijds, wordt niet weergegeven. 4.
Het interne model is gebaseerd op de aanname dat
het risico over de tijdhorizon van één jaar constant blijft, hetgeen inhoudt
dat er voor bepaalde individuele posities in de handelsportefeuille of reeksen
posities die tijdens hun liquiditeitshorizon door wanbetaling of migratie
werden gekenmerkt, aan het einde van hun liquiditeitshorizon rebalancing heeft
plaatsgevonden om het oorspronkelijke risiconiveau te bereiken. Bij wijze van alternatief kan een instelling
ervoor opteren stelselmatig aan te nemen dat een positie een jaar lang constant
blijft. 5.
De liquiditeitshorizons worden vastgesteld op basis
van de tijd die nodig is om de positie te verkopen of onder gespannen
marktomstandigheden alle materiële relevante prijsrisico’s af te dekken,
waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de omvang van de positie. Liquiditeitshorizons weerspiegelen de feitelijke
praktijk en ervaring tijdens perioden van zowel systematische als occasionele
spanningen. De liquiditeitshorizon
wordt bepaald op basis van conservatieve aannames en is lang genoeg opdat de
handeling van het verkopen of afdekken op zich geen materieel effect heeft op
de prijs waartegen het verkopen of afdekken geschiedt. 6.
Bij de vaststelling van de passende
liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt een termijn van ten
minste drie maanden gehanteerd. 7.
Bij de vaststelling van de passende
liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt rekening gehouden
met de interne gedragslijnen van een instelling op het gebied van
waarderingsaanpassingen en het beheer van slapende posities. Wanneer een instelling liquiditeitshorizons voor
reeksen posities in plaats van voor individuele posities vaststelt, worden de
criteria aan de hand waarvan de reeksen posities worden bepaald, gedefinieerd
op een wijze die verschillen in liquiditeit op betekenisvolle wijze
weerspiegelt. De liquiditeitshorizons
voor geconcentreerde posities zijn langer om aan te geven dat het langer duurt
om dergelijke posities te liquideren. De liquiditeitshorizon voor een securitisation warehouse weerspiegelt
de tijd die nodig is om de activa te construeren, te verkopen en te
securitiseren of om onder gespannen marktomstandigheden de materiële
risicofactoren af te dekken. Artikel 364
Erkenning van afdekking in het interne IRC-model 1.
In het door een instelling gehanteerde interne
model voor de weergave van het additioneel wanbetalings- en migratierisico
mogen afdekkingsinstrumenten worden verwerkt. Posities mogen worden verrekend wanneer long- en shortposities op
hetzelfde financiële instrument betrekking hebben. Afdekkings- of diversificatie-effecten die zowel met long- en
shortposities in verschillende instrumenten of effecten van dezelfde debiteur,
als met long- en shortposities jegens verschillende emittenten samenhangen,
mogen alleen worden erkend door uitdrukkelijk bruto long- en shortposities in
de verschillende instrumenten te modelleren. Het effect van materiële risico's die zich tussen de vervaldag van het
afdekkingsinstrument en het einde van de liquiditeitshorizon kunnen voordoen,
alsook de kans op significante basisrisico's in de afdekkingsstrategieën per
product, de rangorde in de kapitaalstructuur, de interne of externe rating, de
looptijd, de emissiedatum en andere verschillen in de instrumenten worden door
de instelling weergegeven. Een
instelling geeft een afdekkingsinstrument alleen weer voor zover het ook verder
kan worden aangehouden als een met de debiteur verband houdende krediet- of
andere gebeurtenis nadert. 2.
Voor posities die met behulp van dynamische
afdekkingsstrategieën worden afgedekt, mag rebalancing van het
afdekkingsinstrument binnen de liquiditeitshorizon van de afgedekte positie
worden erkend, mits de instelling: (a)
ervoor kiest de rebalancing van het
afdekkingsinstrument consequent over de betrokken reeks posities in de
handelsportefeuille te modelleren; (b)
aantoont dat de inaanmerkingneming van rebalancing
in een betere risicometing resulteert; (c)
aantoont dat de markten voor de instrumenten die
als afdekkingsinstrumenten fungeren, liquide genoeg zijn om zelfs in perioden
van spanningen rebalancing mogelijk te maken. Uit dynamische afdekkingsstrategieën voortvloeiende restrisico's moeten
in het eigenvermogensvereiste tot uiting komen. Artikel 365
Bijzondere vereisten voor het interne IRC-model 1.
Het interne model voor de weergave van het
additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico moet het niet-lineaire effect
van opties, gestructureerde kredietderivaten en andere posities met materieel
niet-lineair gedrag inzake prijswijzigingen weerspiegelen.
De instelling houdt ook naar behoren rekening met het modelrisico
dat inherent is aan de waardering en raming van de prijsrisico’s die aan
dergelijke producten verbonden zijn. 2.
Het interne model is op objectieve en
geactualiseerde gegevens gebaseerd. 3.
Als onderdeel van de onafhankelijke evaluatie en
validatie van haar in het kader van dit hoofdstuk gebruikte interne modellen
moet een instelling met name: (a)
valideren dat haar modelleringsbenadering voor
correlaties en prijswijzigingen, met inbegrip van de keuze en gewichten van
haar systemische risicofactoren, geschikt is voor haar portefeuille; (b)
diverse stresstests, met inbegrip van een
gevoeligheidsanalyse en een scenarioanalyse, uitvoeren om de kwalitatieve en
kwantitatieve redelijkheid van het interne model te beoordelen, met name wat de
behandeling van concentraties betreft. Deze tests mogen niet beperkt blijven tot in het verleden ervaren
gebeurtenissen; (c)
passende kwantitatieve validatie, met inbegrip van
relevante benchmarks voor interne modellering, toepassen. 4.
Het interne model moet consistent zijn met de
interne risicomanagementmethoden die door de instelling worden gevolgd voor het
detecteren, meten en beheren van handelsrisico's. 5.
Instellingen documenteren hun interne model zodanig
dat de correlatie- en andere modelleringsaannames transparant zijn voor de
bevoegde autoriteiten. 6.
Het interne model levert een conservatieve
beoordeling op van het risico dat volgens realistische marktscenario’s
voortvloeit uit minder liquide posities en posities met beperkte
prijstransparantie. Voorts voldoet
het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en mogen alleen worden
gebruikt wanneer de beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware
volatiliteit van een positie of portefeuille weerspiegelen. Artikel 366
Deels afwijkende IRC-benaderingen Indien een instelling een intern model voor de
weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico hanteert dat
niet aan alle in de artikelen 363, 364 en 365 gestelde vereisten voldoet maar
dat consistent is met de interne methoden die door de instelling worden gevolgd
voor het detecteren, meten en beheren van additionele wanbetalings- en
migratierisico’s, dan moet zij kunnen aantonen dat haar intern model resulteert
in een eigenvermogensvereiste dat ten minste even hoog is als datgene dat zou
worden verkregen op basis van een model dat volledig aan de in deze artikelen
gestelde vereisten voldoet. De
bevoegde autoriteiten gaan ten minste eenmaal per jaar na of aan het bepaalde
in de vorige volzin is voldaan. De
EBA zal de diverse praktijken op het gebied van interne modellen die niet aan
alle in de artikelen 363, 364 en 365 gestelde vereisten voldoen, volgen en
overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren
ter zake opstellen. Afdeling 5
Intern
model voor correlation trading Artikel 367
Vereisten inzake een intern model voor correlation trading 1.
De bevoegde autoriteiten verlenen aan instellingen
die een intern model voor het specifieke risico van schuldinstrumenten mogen
gebruiken en die voldoen aan de in de leden 2 tot en met 6, artikel 356, lid 1,
en de artikelen 357, 358 en 359 gestelde vereisten toestemming om gebruik te
maken van een intern model voor de eigenvermogensvereiste voor de correlation
trading-portefeuille in plaats van de eigenvermogensvereiste overeenkomstig
artikel 327. 2.
Dit interne model wordt door de instellingen
gebruikt om een cijfer te berekenen dat op afdoende wijze alle prijsrisico's
meet met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9 % over een tijdhorizon van
één jaar, uitgaande van een constant risiconiveau, en waar nodig aangepast om
het effect van liquiditeit, concentraties, afdekking en optionaliteit weer te
geven. Dit cijfer wordt door de
instellingen ten minste eenmaal per week berekend. 3.
De onderstaande risico's moeten in het in lid 1
bedoelde model op afdoende wijze worden weergegeven: (a)
de cumulatieve risico's, voortvloeiend uit
meervoudige wanbetalingen, inclusief de ongelijke indeling van wanbetalingen
bij in tranches verdeelde producten; (b)
creditspreadrisico, inclusief het gamma- en
cross-gamma-effect; (c)
volatiliteit van de impliciete correlaties, evenals
het crosseffect tussen spreads en correlaties; (d)
basisrisico, inclusief: i) de basis tussen de spread van een index en die van de samenstellende
referentie-entiteiten; en ii) de basis tussen de impliciete correlatie van een index en die van op
maat gemaakte portefeuilles; (e)
de volatiliteit van het herstelpercentage, omdat
deze betrekking heeft op de neiging van het herstelpercentage om trancheprijzen
te beïnvloeden; (f)
voor zover de algemene risicomaatstaf voordelen
omvat van dynamische afdekking, het risico op hedge-slippage en de potentiële
kosten van het herstellen van het evenwicht van zulke afdekkingen; (g)
alle andere materiële koersrisico's van posities in
de correlation trading-portefeuille. 4.
Een instelling moet bij het in lid 1 bedoelde model
voldoende marktgegevens gebruiken om ervoor te zorgen dat zij de voornaamste
risico’s van deze uitzettingen in haar interne methode weergeeft in
overeenstemming met de vereisten van dit artikel. Zij moet de bevoegde autoriteiten met behulp van back-testing of andere
passende middelen aantonen dat haar model de historische prijsschommeling van
deze producten goed kan verklaren. De instelling moet tevens beschikken over passende
gedragslijnen en procedures om de posities waarvoor zij toestemming heeft om ze
op te nemen in het eigenvermogensvereiste overeenkomstig dit artikel te
scheiden van de posities waarvoor zij die toestemming niet heeft. 5.
Met betrekking tot de portefeuille van alle
posities die in het in lid 1 bedoelde model zijn opgenomen past de instelling
regelmatig een reeks specifieke, vooraf bepaalde stressscenario's toe. Deze stressscenario's onderzoeken de effecten van
stress op wanbetalingsgraden, herstelpercentages, creditspreads, basisrisico,
correlaties en andere relevante risicofactoren voor de correlation
trading-portefeuille. De instelling
voert ten minste eenmaal per week stressscenario's uit en doet ten minste
eenmaal per kwartaal verslag aan de bevoegde instanties van de resultaten, inclusief
vergelijkingen met het eigenvermogensvereiste van de instelling volgens dit
artikel. Alle gevallen waarin de
resultaten van de stresstest materieel hoger liggen dan het
eigenvermogensvereiste voor de correlation trading-portefeuille, dienen tijdig
aan de bevoegde autoriteiten te worden gemeld. 6.
Het interne model levert een conservatieve
beoordeling op van het risico dat volgens realistische marktscenario’s
voortvloeit uit minder liquide posities en posities met beperkte
prijstransparantie. Voorts voldoet
het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en mogen alleen worden
gebruikt wanneer de beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware
volatiliteit van een positie of portefeuille weerspiegelen. Titel V
Eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico Artikel 368
Afwikkelings-/leveringsrisico In geval van transacties waarbij
schuldinstrumenten, aandelen, buitenlandse valuta en grondstoffen, exclusief
repo's en verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, na de
overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, moet een instelling het
prijsverschil berekenen waarvoor zij een risico loopt. De prijs wordt berekend als het verschil
tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het
aandeel, de buitenlandse valuta of de grondstof in kwestie, en de dagkoers
daarvan, indien dit verschil voor de kredietinstelling een verlies zou kunnen
opleveren. De instelling moet dit prijsverschil
vermenigvuldigen met de passende factor in de rechterkolom van onderstaande
tabel 1 om haar eigenvermogensvereiste voor het afwikkelingsrisico te
berekenen. Tabel 1 Aantal werkdagen na vastgestelde afwikkelingsdatum || ( %) 5 — 15 || 8 16 — 30 || 50 31 — 45 || 75 46 of meer || 100 Artikel 369
Niet-afgewikkelde transacties ("free
deliveries") 1.
Een instelling is verplicht over eigen vermogen te
beschikken, zoals bedoeld in tabel 2, indien: (a)
zij voor effecten, buitenlandse valuta of
grondstoffen heeft betaald voordat zij deze heeft ontvangen, dan wel effecten,
buitenlandse valuta of grondstoffen heeft geleverd voordat zij de betaling
hiervoor heeft ontvangen; (b)
er, in het geval van grensoverschrijdende
transacties, een of meer dagen zijn verstreken sinds de instelling deze
betaling of levering heeft verricht. Tabel 2 Kapitaalvereisten voor niet-afgewikkelde transacties Kolom 1 || Kolom 2 || Kolom 3 || Kolom 4 Transactietype || Tot de eerste contractuele betaling/het eerste leveringsgedeelte || Vanaf de eerste contractuele betaling/het eerste leveringsgedeelte tot vier dagen na de tweede contractuele betaling/het tweede leveringsgedeelte || Vanaf 5 werkdagen na de tweede contractuele betaling/het tweede leveringsgedeelte tot de beëindiging van de transactie Niet-afgewikkelde transactie || Geen kapitaalvereiste || Behandeling als een uitzetting || Behandeling als een uitzettingsrisico met een risicogewicht van 1 250 % 2.
Bij de toepassing van een risicogewicht op
niet-afgewikkelde handelsuitzettingen die overeenkomstig kolom 3 van tabel 2
worden behandeld, mag een instelling die gebruik maakt van de
interne-ratingbenadering zoals vastgesteld in deel 3, titel II, hoofdstuk 3,
aan een tegenpartij tegenover wie zij geen andere in de
niet-handelsportefeuille opgenomen uitzetting inneemt, een PD toekennen op
basis van de externe rating van de betrokken partij. Instellingen die eigen ramingen van verliezen bij wanbetaling (loss
given defaults — LGD) hanteren, mogen de LGD volgens artikel 157, lid 1,
toekennen aan niet-afgewikkelde transacties die overeenkomstig kolom 3 van
tabel 2 worden behandeld, op voorwaarde dat zij de LGD op al dit soort
uitzettingen toepassen. Bij wijze van
alternatief mag een instelling die gebruik maakt van de
interne-ratingbenadering zoals vastgesteld in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, de
risicogewichten van de standaardbenadering zoals vastgesteld in deel 3, titel
II, hoofdstuk 2, toepassen, op voorwaarde dat zij deze op al dit soort
uitzettingen toepast, of mag zij op al deze uitzettingen een risicogewicht van 100
% toepassen. Indien het bedrag van de positieve positie die uit
de niet-afgewikkelde transacties voortvloeit, niet materieel is, mogen de
instellingen op deze uitzettingen een risicogewicht van 100 % toepassen,
behalve wanneer een risicogewicht van 1 250 % is vereist in
overeenstemming met kolom 4 van tabel 2 in lid 1. 3.
In plaats van een risicogewicht van 1 250 %
toe te passen op niet-afgewikkelde handelsuitzettingen overeenkomstig kolom 4
van tabel 2 in lid 1 mogen instellingen de overgedragen waarde plus de
positieve actuele uitzetting van die transacties in mindering brengen op uit
gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen in overeenstemming met artikel 33,
lid 1, onder k). Artikel 370
Ontheffing Wanneer het gehele afwikkelings- of
clearingsysteem uitvalt, mogen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van
de berekening van eigenvermogensvereisten zoals bedoeld in de artikelen 368 en 369
totdat de situatie is rechtgezet. Het
feit dat een tegenpartij een transactie niet afwikkelt, zal in dit geval niet
als een wanbetaling voor kredietrisicodoeleinden worden aangemerkt. Titel VI
Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van
de kredietwaardering Artikel 371
Aanpassing van kredietwaardering Voor de toepassing van deze titel en hoofdstuk
6 van titel III is een aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation
adjustment – CVA) een aanpassing van de gemiddelde marktwaardering van een
portefeuille van transacties met een tegenpartij. Deze aanpassing weerspiegelt de actuele marktwaarde van het
kredietrisico van de tegenpartij voor de instelling, maar niet de actuele
marktwaarde van het kredietrisico van de instelling voor de tegenpartij. Artikel 372
Toepassingsgebied 1.
Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten
voor het CVA-risico overeenkomstig deze titel voor alle otc-derivaten met
betrekking tot haar gehele bedrijf, met uitzondering van kredietderivaten
waarvan is erkend dat zij risicogewogen uitzettingsbedragen voor het
kredietrisico verlagen. 2.
Een instelling houdt rekening met
effectenfinancieringstransacties bij de berekening van het krachtens lid 1
vereiste eigen vermogen indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat
het CVA-risico voor de instelling als gevolg van die transacties materieel is. 3.
Transacties met een centrale tegenpartij zijn
uitgesloten van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico. Artikel 373
Geavanceerde methode 1.
Een instelling die toestemming heeft om gebruik te
maken van een intern model voor het specifieke risico van schuldinstrumenten
overeenkomstig artikel 352, bepaalt voor alle transacties waarvoor zij de IMM
mag gebruiken om de uitzettingswaarde van het daaraan gerelateerde
tegenpartijkredietrisico overeenkomstig artikel 277 vast te stellen, de
eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico door het effect van veranderingen
in de creditspreads van de tegenpartijen op de CVA's van alle tegenpartijen bij
deze transacties te modelleren, rekening houdende met
CVA-afdekkingsinstrumenten die in aanmerking komen overeenkomstig artikel 375. Een instelling maakt gebruik van haar interne
model voor de vaststelling van de eigenvermogensvereisten voor het specifieke
risico van verhandelbare schuldinstrumenten en past daarbij een
betrouwbaarheidsinterval toe van 99 % en een aanhoudingsperiode die overeenkomt
met 10 dagen. Het interne model wordt
gebruikt om veranderingen in de creditspreads van tegenpartijen te simuleren,
maar houdt geen rekening met de gevoeligheid van CVA voor veranderingen in
andere marktfactoren, met inbegrip van wijzigingen in de waarde van het
referentieactief of de referentiegrondstof, -valuta of –rente van een derivaat. De eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico
voor elke tegenpartij wordt berekend volgens de onderstaande formule: waarbij: ti
= het tijdstip van
de i-de herwaardering, te beginnen met t0=0; tT
= de langste
looptijd van een overeenkomst in het samenstel van verrekenbare transacties met
de tegenpartij; si
= de creditspread
van de tegenpartij bij looptijd ti, die wordt gebruikt om de CVA van
de tegenpartij te berekenen. Wanneer
de spread voor de credit default swaps van de tegenpartij voorhanden is, zal
een instelling deze spread gebruiken. Wanneer de spread voor de credit default swaps van de tegenpartij niet
voorhanden is, maakt een instelling gebruik van een vervangende spread die past
bij de rating, sector en regio van de tegenpartij; LGDMKT
= het verlies bij wanbetaling
door de tegenpartij, gebaseerd op de spread van een marktinstrument van de
tegenpartij indien een instrument van de tegenpartij voorhanden is. Wanneer er geen instrument van de tegenpartij
voorhanden is, wordt dit cijfer gebaseerd op de vervangende spread die past bij
de rating, sector en regio van de tegenpartij. De eerste factor in de formule vormt een benadering van de
geïmpliceerde marginale kans op wanbetaling op de markt tussen de tijdstippen ti-1
en ti; EEi
= de verwachte
uitzetting op de tegenpartij op het herwaarderingstijdstip ti, zoals
omschreven in punt 19 van artikel 267, waarbij de uitzettingen van
verschillende samenstellen van verrekenbare transacties voor die tegenpartij
worden samengeteld en waarbij de langste looptijd van elk samenstel van
verrekenbare transacties wordt bepaald door de langste looptijd van een
overeenkomst in het samenstel van verrekenbare transacties; Een instelling maakt gebruik van de in lid 2
bedoelde benadering in het geval van door marge gedekte handel, indien de
instelling de in artikel 279, lid 1, onder a) of b), bedoelde EPE-meting
gebruikt voor gedekte handel; Di
= de risicovrije
disconteringsfactor op tijdstip ti, waarbij D0 =1. 2.
Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten
voor het CVA-risico voor een tegenpartij baseert een instelling alle inputs in
haar interne model voor het specifieke risico van schuldinstrumenten op de
volgende formules (al naar gelang het geval): (a)
wanneer het model gebaseerd is op gevoeligheden van
de creditspread voor specifieke looptijden, gebruikt een instelling voor elke
gevoeligheid van de creditspread ("Regulatory CS01") de volgende
formule: ; b) wanneer het model gebruik maakt van gevoeligheden van de creditspread
voor parallelle veranderingen in creditspreads, gebruikt een instelling de
volgende formule: ; c) wanneer het model gebruikt maakt van secundaire gevoeligheden voor
veranderingen in creditspreads (spreadgamma), worden de gamma's berekend op
basis van de formule in lid 1. 3.
Een instelling die gebruik maakt van de EPE-meting
voor door zekerheden gedekte otc-derivaten als bedoeld in artikel 279, lid 1,
onder a) of b), gaat bij de vaststelling van de eigenvermogensvereisten voor
het CVA-risico overeenkomstig lid 1 als volgt te werk: (a)
er wordt uitgegaan van een constant EE-profiel; en (b)
de EE wordt gelijkgesteld aan de effectief
verwachte uitzetting zoals berekend overeenkomstig artikel 279, lid 1, onder
b), voor een looptijd die gelijk is aan de langste van de volgende perioden: (i)
de helft van de langste looptijd in het samenstel
van verrekenbare transacties; (ii)
de hypothetische gewogen gemiddelde looptijd van
alle transacties in het samenstel van verrekenbare transacties. 4.
Een instelling die toestemming heeft van de
bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 277 om gebruik te maken van IMM
voor de berekening van de uitzettingswaarden voor het merendeel van haar
bedrijf, maar die de methode van afdeling 3 of afdeling 4 van titel II,
hoofdstuk 6, gebruikt voor kleinere portefeuilles en gebruik mag maken van de
internemodellenbenadering voor het marktrisico voor de berekening van het
specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten overeenkomstig artikel 352,
mag, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, de
eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekenen overeenkomstig lid 1 voor
de samenstellen van verrekenbare transacties die niet volgens IMM worden
behandeld. De bevoegde autoriteiten
verlenen deze toestemming uitsluitend wanneer de instelling de in afdeling 3 of
afdeling 4 van titel II, hoofdstuk 6, uiteengezette methode gebruikt voor een
beperkt aantal kleinere portefeuilles. Voor een in de voorgaande alinea beschreven
berekening waarbij het IMM-model geen EE-profiel oplevert, gaat een instelling
als volgt te werk: (a)
er wordt uitgegaan van een constant EE-profiel; en (b)
de EE wordt gelijkgesteld aan de uitzettingswaarde
zoals berekend volgens de methoden van afdeling 3 of afdeling 5 van titel II,
hoofdstuk 6, of IMM voor een looptijd die gelijk is aan de langste van de
volgende perioden: i) de helft van de langste looptijd in het samenstel van verrekenbare
transacties; ii) de hypothetische gewogen gemiddelde looptijd van alle transacties in
het samenstel van verrekenbare transacties. 5.
Een instelling bepaalt de eigenvermogensvereisten
voor het CVA-risico als de som van non-stressed en stressed VaR, die als volgt
wordt berekend: (a)
voor de non-stressed VaR wordt gebruik gemaakt van
de bestaande kalibraties van de parameters voor de verwachte uitzetting; (b)
voor de stressed VaR wordt gebruik gemaakt van
EE-profielen van toekomstige tegenpartijen uitgaande van een stresskalibratie
overeenkomstig artikel 286, lid 2. Voor
de parameters van de creditspread wordt als stressperiode aangemerkt de periode
van één jaar waarin zich de meeste spanningen hebben voorgedaan in de loop van
de stressperiode van drie jaar die voor de parameters van de uitzetting wordt
gebruikt. 6.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan: a) de wijze waarop een vervangende spread moet worden bepaald voor de
vaststelling van LGDMKT voor de volgens lid 1 vereiste berekening; b) het aantal en de omvang van de portefeuilles die voldoen aan het
criterium van een beperkt aantal kleinere portefeuilles als bedoeld in lid 4. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen.
Artikel 374
Gestandaardiseerde methode 1.
Een instelling die de eigenvermogensvereisten voor
het CVA-risico voor haar tegenpartijen niet berekent overeenkomstig artikel 373,
berekent voor een portefeuille de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico
voor iedere tegenpartij volgens onderstaande formule, rekening houdende met
CVA-afdekkingsinstrumenten die in aanmerking komen overeenkomstig artikel 375: waarbij: h = de risicohorizon
over één jaar (in eenheden van een jaar); h = 1; wi = het op tegenpartij
"i" toepasselijke gewicht. Tegenpartij "i" wordt gekoppeld aan een
van de zeven gewichten wi op basis van een externe
kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI zoals vastgesteld in tabel 1. Voor een tegenpartij waarvoor geen
kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is: a) een instelling die gebruik maakt van de benadering in titel II,
hoofdstuk 3, koppelt de interne rating van de tegenpartij aan één van de
externe kredietbeoordeling; b) Een instelling die gebruik maakt van de benadering in titel II,
hoofdstuk 2, kent aan deze tegenpartij kredietkwaliteitscategorie 3 toe; = de totale uitzettingswaarde van het tegenpartijkredietrisico van
tegenpartij "i" (de optelsom van alle samenstellen van verrekenbare
transacties), met inbegrip van het effect van zekerheidstelling volgens de in
de afdelingen 3 tot en met 6 van titel II, hoofdstuk 6, beschreven methoden
zoals van toepassing op de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het
tegenpartijkredietrisico van die tegenpartij. Voor een instelling die geen gebruik maakt van de
in afdeling 6 van titel II, hoofdstuk 6, beschreven methode wordt de uitzetting
verdisconteerd aan de hand van de volgende factor: ; Bi = de theoretische
waarde van gekochte afdekkingsinstrumenten in de vorm van credit default swaps
met één referentie-entiteit (opgeteld indien het meer dan één positie betreft)
die betrekking hebben op tegenpartij "i" en gebruikt worden om het
CVA-risico af te dekken. Deze notionele waarde wordt verdisconteerd aan de
hand van de volgende factor: ; Bind = is de totale notionele
waarde van een of meer index-credit default swaps van gekochte protectie om het
CVA-risico af te dekken. Deze notionele waarde wordt verdisconteerd aan de
hand van de volgende factor: ; wind
= het op indexafdekkingen toepasselijke
gewicht. Een instelling koppelt indexen aan een van de
zeven gewichten wi op basis van de gemiddelde spread van index
"ind"; Mi
= de werkelijke looptijd van de
transacties met tegenpartij i. Voor een instelling die gebruik maakt van de in
afdeling 6 van titel II, hoofdstuk 6, beschreven methode wordt Mi berekend
overeenkomstig artikel 158, lid 2, onder f). Voor een instelling die geen gebruik maakt van de
in afdeling 6 van titel II, hoofdstuk 6, beschreven methode is Mi gelijk
aan de gemiddelde notionele gewogen looptijd als bedoeld in artikel 158, lid 2; = de looptijd van het afdekkingsinstrument met notionele waarde Bi
(de hoeveelheden Mihedge Bi moeten worden opgeteld als het verschillende
posities betreft); Mind
= de looptijd van het
indexafdekkingsinstrument ind. In het geval van meer dan één
indexafdekkingspositie is Mind de notioneel gewogen looptijd. 2.
Wanneer een tegenpartij is opgenomen in een index
waarop een credit default swap is gebaseerd die wordt gebruikt om het tegenpartijkredietrisico
af te dekken, mag de instelling het notionele bedrag dat aan die tegenpartij is
toe te kennen overeenkomstig het gewicht van zijn referentie-entiteit,
aftrekken van het notionele bedrag van de index-credit default swap en het beschouwen
als een afdekking met één referentie-entiteit (Bi) van de
individuele tegenpartij met een looptijd op basis van de looptijd van de index. Tabel 1 Kredietkwaliteits-categorie || Gewicht wi 1 || 0,7% 2 || 0,8% 3 || 1,0% 4 || 2,0% 5 || 3,0% 6 || 10,0% Artikel 375
In aanmerking komende afdekkingsinstrumenten 1.
Afdekkingsinstrumenten komen in aanmerking voor de
berekening van eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig de
artikelen 373 en 374 alleen wanneer zij worden gebruikt om het CVA-risico te
beperken en als zodanig worden beheerd, en een van de volgende vormen hebben: (a)
credit default swaps met één referentie-entiteit of
andere gelijkwaardige afdekkingsinstrumenten die rechtstreeks betrekking hebben
op de tegenpartij; (b)
index-credit default swaps, op voorwaarde dat de
basis tussen iedere spread van een individuele tegenpartij en de spreads van
afdekkingsinstrumenten in de vorm van index-credit default swaps in de VaR
weerspiegeld wordt. De voorwaarde onder b) dat de basis tussen iedere
spread van een individuele tegenpartij en de spreads van afdekkingsinstrumenten
in de vorm van index-credit default swaps in de VaR weerspiegeld wordt, geldt
ook voor gevallen waarin een vervangende waarde wordt gebruikt voor de spread
van een tegenpartij. Voor alle tegenpartijen waarvoor een vervangende
waarde wordt gebruikt, hanteert een instelling redelijke basistijdreeksen van
een representatieve groep van vergelijkbare namen waarvoor een spread
beschikbaar is. Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat
de basis tussen iedere spread van een individuele tegenpartij en de spreads van
afdekkingsinstrumenten in de vorm van index-credit default swaps onvoldoende in
de VaR weerspiegeld wordt, neemt een instelling slechts 50 % van de
notionele waarde van de index-afdekkingsinstrumenten op in de VaR. De onder b) bedoelde afdekkingsinstrumenten mogen
alleen worden gebruikt voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het
CVA-risico overeenkomstig artikel 373. 2.
Een instelling neemt geen andere vormen van
afdekking voor het tegenpartijrisico op in de berekening van de
eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico. Met name in tranches verdeelde credit default swaps, credit default
swaps voor het n-de kredietverzuim en credit-linked notes zijn
afdekkingsinstrumenten die niet in aanmerking komen voor de berekening van de
eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico. 3.
In aanmerking komende afdekkingsinstrumenten die
zijn opgenomen in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het
CVA-risico, mogen niet worden opgenomen in de berekening van de
eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico zoals bepaald in titel IV of
worden behandeld als kredietrisicolimitering behalve voor het
tegenpartijkredietrisico van dezelfde transactieportefeuille. DEEL 4
GROTE UITZETTINGEN Afdeling I
Regeling
voor grote uitzettingen Artikel 376
Onderwerp Instellingen bewaken en beheersen hun grote
uitzettingen overeenkomstig dit deel. Artikel 377
Grenzen van het toepassingsgebied Dit deel is niet van toepassing op
beleggingsondernemingen die aan de criteria van artikel 90, lid 1, of artikel 91,
lid 1, voldoen. Artikel 378
Definitie Voor de toepassing van dit deel geldt de
volgende definitie: uitzettingen: alle activa en posten buiten de
balanstelling als bedoeld in deel 3, titel II, hoofdstuk 2, zonder
risicogewichten of risicograden. Artikel 379
Berekening van de uitzettingswaarde 1.
De uitzettingen die betrekking hebben op de in
bijlage II genoemde posten, worden berekend overeenkomstig een van de in deel 3,
titel II, hoofdstuk 6, beschreven methoden. 2.
Instellingen die toestemming hebben om gebruik te
maken van de internemodellenmethode overeenkomstig artikel 277, kunnen die
methode gebruiken voor de berekening van de uitzettingswaarde voor repo's,
verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen,
margeleningstransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn. 3.
De uitzettingen op individuele cliënten in het
kader van de handelsportefeuille worden door de instellingen die de
eigenvermogensvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen
overeenkomstig deel 3, titel IV, hoofdstuk 2, artikel 293 en deel 3, titel V,
en, in voorkomend geval, deel 3, titel IV, hoofdstuk 5, berekend door optelling
van de onderstaande posten: (a)
het positieve verschil tussen de long- en
shortposities van de instelling in alle door de betrokken cliënt uitgegeven
financiële instrumenten, waarbij de nettopositie in elk onderscheiden
instrument wordt berekend volgens de in deel 3, titel IV, hoofdstuk 2,
omschreven methoden; (b)
in het geval van overneming van een
schuldinstrument of aandeel, de netto-uitzetting; (c)
de uitzettingen in verband met de in artikel 293 en
de artikelen 368 tot en met 370 bedoelde transacties, overeenkomsten en
contracten met de betrokken cliënt; deze uitzettingen worden berekend zoals
voorgeschreven in die artikelen voor de berekening van uitzettingswaarden. Voor de toepassing van punt b) wordt de
netto-uitzetting berekend door aftrek van de op grond van een formele
overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities,
en verminderd met de factoren vermeld in artikel 334. Voor de toepassing van punt b) voeren de
instellingen systemen in voor de bewaking en de beheersing van hun
overnemingsuitzettingen in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke
verbintenis en de volgende werkdag, rekening houdend met de aard van de
risico's waaraan zij op de bewuste markten blootstaan. Voor de toepassing van punt c) geldt dat de
verwijzing in artikel 293 geen betrekking heeft op deel 3, titel II, hoofdstuk 3. 4.
De totale uitzettingen met betrekking tot
individuele cliënten of groepen van verbonden cliënten worden berekend door de
uitzettingen met betrekking tot de activiteiten in en buiten het kader van hun
handelsportefeuille op te tellen. 5.
De uitzettingen met betrekking tot groepen van
verbonden cliënten worden berekend door optelling van de uitzettingen met
betrekking tot de individuele cliënten in een groep. 6.
Onder uitzettingen vallen niet: (a)
in het geval van valutatransacties, de uitzettingen
die tijdens de normale afwikkeling worden ingenomen in de periode van twee
werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden; (b)
in het geval van transacties betreffende de verkoop
of aankoop van effecten, de uitzettingen die zich tijdens de normale
afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft
plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder
plaatsvindt; (c)
in het geval van betalingsverrichtingen, waaronder
de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta
en daarmee samenhangende clearing van bank- of financiële instrumenten,
afwikkeling en bewaring ten behoeve van cliënten, uitgestelde opbrengsten bij
de financiering en andere posities in verband met die diensten of activiteiten
die uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan; (d)
in het geval van betalingsverrichtingen waaronder
de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta
en daarmee samenhangende bankdiensten, intraday uitzettingen jegens
instellingen die deze diensten aanbieden; (e)
uitzettingen die in mindering zijn gebracht op het
eigen vermogen overeenkomstig de artikelen 33, 53 en 63. 7.
Om uit te maken of er sprake is van een groep van
verbonden cliënten in het geval van een uitzetting op onderliggende activa bij
uitzettingen als bedoeld in artikel 107, onder l) en n), en in het
geval van een constructie en een uitzetting op onderliggende activa bij
uitzettingen als bedoeld in artikel 107, onder p), beoordeelt een instelling de
constructie als zodanig, de onderliggende uitzettingen ervan, dan wel beide. Daartoe beoordeelt zij de economische kenmerken
en de risico’s die verbonden zijn aan de structuur van de transactie. 8.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan: (a)
welke van de in artikel 107, onder a), bedoelde
uitzettingen overeenkomstig dit lid worden behandeld; (b)
de voorwaarden en methoden die worden gebruikt om
uit te maken of er ten aanzien van die uitzettingen sprake is van een groep van
verbonden cliënten. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 380
Definitie van een instelling in de context van grote
uitzettingen Voor de berekening van de waarde van de
uitzettingen overeenkomstig dit deel heeft de term "instelling" ook
betrekking op iedere particuliere of openbare onderneming, inclusief haar
bijkantoren, die aan de definitie van "instelling" voldoet en waaraan
in een derde land vergunning is verleend. Artikel 381
Definitie van een grote uitzetting Een uitzetting van een instelling jegens een
cliënt of een groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de
waarde ervan 10 % of meer van haar in aanmerking komend kapitaal bedraagt. Artikel 382
Vermogen inzake vaststelling en beheer van grote uitzettingen Een instelling beschikt over deugdelijke
administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne
controlemechanismen inzake vaststelling, beheer, bewaking, rapportage en
vastlegging van alle grote uitzettingen en daarin optredende wijzigingen in
overeenstemming met deze verordening. Artikel 383
Rapportagevereisten 1.
Een instelling deelt de bevoegde autoriteiten over
elke grote uitzetting, en dus ook over grote uitzettingen die zijn vrijgesteld
van de toepassing van artikel 384, lid 1, de volgende informatie mee: (a)
de identiteit van de cliënt of groep van verbonden
cliënten jegens wie zij een grote uitzetting heeft; (b)
in voorkomend geval de uitzettingswaarde zonder
inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering; (c)
in voorkomend geval het soort kredietprotectie, al
dan niet gedekt; d) de voor de toepassing van artikel 384,
lid 1, berekende uitzettingswaarde met inaanmerkingneming van het effect
van de kredietrisicolimitering. Als een instelling onderworpen is aan deel 3,
titel II, hoofdstuk 3, worden haar twintig grootste uitzettingen op
geconsolideerde basis, ongerekend de uitzettingen die zijn vrijgesteld van de
toepassing van artikel 384, lid 1, meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten. 2.
Rapportage vindt ten minste tweemaal per jaar
plaats. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen die nadere invulling geven aan: a) de uniforme formats voor de in lid 2 bedoelde rapportage, die in
verhouding moet staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden
van de instelling, alsook de desbetreffende gebruiksaanwijzingen; b) de frequenties en termijnen voor de in lid 2 bedoelde rapportage; c) de toe te passen IT-oplossingen voor de in lid 2 bedoelde rapportage. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 384
Limiet voor grote uitzettingen 1.
Een instelling kan, met inaanmerkingneming van het
effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 388 tot
en met 392, jegens een cliënt of een groep van verbonden cliënten geen
uitzetting innemen waarvan de waarde meer dan 25 % van haar in aanmerking
komend kapitaal bedraagt. Wanneer
deze cliënt een instelling is of wanneer een groep van verbonden cliënten een
of meer instellingen omvat, kan deze waarde niet meer bedragen dan 25 %
van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling of — als dit hoger is —
150 miljoen EUR, voor zover de som van de uitzettingswaarden, met
inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig
de artikelen 388 tot en met 392, jegens alle verbonden cliënten die geen
instelling zijn, niet meer bedraagt dan 25 % van het in aanmerking komend
kapitaal van de instelling. Indien het bedrag van 150 miljoen EUR hoger
is dan 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling, mag
de uitzettingswaarde, met inaanmerkingneming van het effect van de
kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 388 tot en met 392,
een redelijke limiet, gelet op het in aanmerking komend kapitaal van de
instelling, niet te boven gaan. Deze limiet wordt door de instelling bepaald in overeenstemming met de
gedragslijnen en procedures bedoeld in artikel 79 van Richtlijn [in te voegen
door het Publicatiebureau], met het oog op het aanpakken en beheersen van
concentratierisico’s. Deze limiet mag
niet meer bedragen dan 100 % van het in aanmerking komend kapitaal van de
instelling. De bevoegde autoriteiten kunnen een limiet
vaststellen die lager is dan 150 miljoen EUR, en stellen de Commissie daarvan
in kennis. 2.
Behoudens artikel 385 neemt een instelling te allen
tijde de desbetreffende limiet van lid 1 in acht. 3.
Activa in de vorm van vorderingen en andere
uitzettingen op erkende beleggingsondernemingen uit een derde land mogen op
dezelfde wijze worden behandeld als is bepaald in lid 1. 4.
De in dit artikel vastgestelde limieten mogen
worden overschreden voor de uitzettingen in de handelsportefeuille van de
instelling, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: (a)
de uitzetting buiten de handelsportefeuille op de
betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter dan de in lid 1
vastgestelde limiet, berekend met betrekking tot het in aanmerking komend
kapitaal, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de
handelsportefeuille; (b)
de instelling voldoet aan een aanvullend
eigenvermogensvereiste voor de overschrijding van de in lid 1 vastgestelde
limiet, berekend overeenkomstig de artikelen 386 en 387; (c)
wanneer niet meer dan tien dagen zijn verstreken
sedert het ontstaan van de overschrijding, bedraagt de uitzetting binnen de
handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet
meer dan 500 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling; (d)
alle overschrijdingen die langer dan tien dagen
duren, bedragen samen niet meer dan 600 % van het in aanmerking komend kapitaal
van de instelling. Voor elk geval waarin de limiet is overschreden,
meldt de instelling de hoogte van de overschrijding en de naam van de betrokken
cliënt onverwijld aan de bevoegde autoriteiten. Artikel 385
Naleving van de vereisten inzake grote uitzettingen 1.
Indien in een uitzonderlijk geval de limiet van
artikel 384, lid 1, toch wordt overschreden, meldt de instelling de waarde van
de uitzetting onverwijld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de
omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn
kunnen toestaan om alsnog aan de limiet te voldoen. Indien het in artikel 384, lid 1, bedoelde bedrag
van 150 miljoen EUR van toepassing is, mogen de bevoegde autoriteiten per
geval toestaan dat de limiet van 100 % van het eigen vermogen van de instelling
wordt overschreden. 2.
Als een instelling ingevolge artikel 6, lid 1, op
niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis mag afwijken van de
verplichtingen in dit deel of als de bepalingen van artikel 8 worden toegepast
in het geval van moederondernemingen in een lidstaat, moeten er maatregelen
worden genomen om te zorgen voor een bevredigende spreiding van de risico's
binnen de groep. Artikel 386
Berekening van aanvullende eigenvermogensvereisten voor
grote uitzettingen in de handelsportefeuille 1.
De in artikel 384, lid 4, onder b), bedoelde
overschrijding wordt berekend door uit de totale handelsuitzetting op de
betrokken cliënt of groep van cliënten die componenten te selecteren waarvoor
de hoogste vereisten ter dekking van het specifieke risico in deel 3, titel IV,
hoofdstuk 2, en/of de vereisten in artikel 293 en deel 3, titel V, gelden, en
waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de in artikel 384, lid 4, onder a),
bedoelde overschrijding; 2.
Wanneer de overschrijding niet langer duurt dan
tien dagen, bedraagt het aanvullende kapitaalvereiste 200 % van de in punt 1
bedoelde vereisten voor deze componenten. 3.
Vanaf tien dagen na het ontstaan van de
overschrijding worden de componenten van de overschrijding die volgens punt
zijn geselecteerd, ondergebracht op de passende regel van kolom 1 van tabel I,
in stijgende volgorde van de vereisten voor het specifieke risico in deel 3,
titel IV, hoofdstuk 2 en/of de vereisten in artikel 293 en deel 3, titel V. Het aanvullend eigenvermogensvereiste is dan
gelijk aan de som van de vereisten voor het specifieke risico in deel 3, titel
IV, hoofdstuk 2 en/of de vereisten in artikel 293 en deel 3, titel V, voor deze
componenten, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2 van
tabel 1. Tabel 1 Kolom 1: overschrijding van de limieten (als percentage van het in aanmerking komend kapitaal) || Kolom 2: factoren Gedeelte tot 40 % || 200 % Gedeelte tussen 40 % en 60 % || 300 % Gedeelte tussen 60 % en 80 % || 400 % Gedeelte tussen 80 % en 100 % || 500 % Gedeelte tussen 100 % en 250 % || 600 % Gedeelte boven 250 % || 900 % Artikel 387
Procedures ter voorkoming van omzeiling van het aanvullend
eigenvermogensvereiste Instellingen mogen de aanvullende
eigenvermogensvereisten van artikel 386 die voortvloeien uit het langer dan
tien dagen aanhouden van uitzettingen boven de limiet van artikel 384,
lid 1, niet opzettelijk omzeilen door deze uitzettingen tijdelijk naar een
andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen
en/of door middel van kunstmatige transacties waardoor de uitzetting binnen de
periode van tien dagen wordt beëindigd en een nieuwe uitzetting wordt
gecreëerd. Instellingen dienen te zorgen voor regelingen
die waarborgen dat elke overdracht die het in de eerste alinea bedoelde effect
heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht. Artikel 388
In aanmerking komende technieken voor kredietrisicolimitering 1.
Voor de toepassing van de artikelen 389 tot en met 392
omvat het begrip "garantie" ook de in deel 3, titel II, hoofdstuk 4,
in aanmerking genomen kredietderivaten, behalve credit linked notes. 2.
Wanneer op grond van de artikelen 389 tot en
met 392 al dan niet gedekte kredietprotectie in aanmerking wordt genomen,
wordt, behoudens lid 3 van dit artikel, voldaan aan de voorwaarden van
inaanmerkingneming en andere vereisten van deel 3, titel II, hoofdstuk 4. 3.
Als een instelling gebruik maakt van artikel 390,
lid 2, wordt gedekte kredietprotectie alleen in aanmerking genomen als voldaan
is aan de desbetreffende vereisten in deel 3, titel II, hoofdstuk 3. Voor de toepassing van deze afdeling houdt een
instelling geen rekening met de zekerheden als bedoeld in artikel 195,
leden 3 tot en met 5, tenzij dit ingevolge artikel 391 is toegestaan. 4.
Instellingen moeten, voor zover mogelijk, hun
uitzettingen jegens uitgevers van zekerheden, verschaffers van ongedekte
kredietprotectie en onderliggende activa overeenkomstig artikel 379, lid 7,
analyseren op eventuele concentraties en zo nodig ingrijpen en bevindingen van
betekenis doorgeven aan hun bevoegde autoriteit. Artikel 389
Vrijstellingen 1.
De volgende uitzettingen zijn vrijgesteld van de
toepassing van artikel 384, lid 1: (a)
activa die vorderingen vertegenwoordigen op
centrale overheden of centrale banken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge
deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % zouden krijgen; (b)
activa die vorderingen vertegenwoordigen op
internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze
niet gegarandeerd waren, ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een
risicogewicht van 0 % zouden krijgen; (c)
activa die vorderingen vertegenwoordigen die
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken,
internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of
publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is dat niet-gegarandeerde vorderingen
op de entiteit die de garantie verstrekt, ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk
2, een risicogewicht van 0 % zouden krijgen; (d)
andere uitzettingen op of gegarandeerd door
centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale
ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is dat
niet-gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de debiteur dan wel de
garantiegever is, ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht
van 0 % zouden krijgen; (e)
activa die vorderingen vertegenwoordigen op
regionale of lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge
deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0% zouden krijgen, alsmede
andere uitzettingen jegens of gegarandeerd door deze regionale of lagere
overheden als deze ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht
van 0% zouden krijgen; (f)
uitzettingen jegens tegenpartijen als bedoeld in
artikel 108, lid 6, of artikel 108, lid 7, als deze ingevolge deel 3,
titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % zouden krijgen. Uitzettingen die niet aan deze criteria
voldoen, worden ongeacht of ze van artikel 384, lid 1, zijn
vrijgesteld, behandeld als uitzettingen jegens derden; (g)
activa en andere uitzettingen die zijn gegarandeerd
door zekerheden in de vorm van deposito's in contanten bij de
leningverstrekkende instelling, of bij een instelling die de moederonderneming
of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is; (h)
activa en andere uitzettingen die zijn gegarandeerd
door zekerheden in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de
leningverstrekkende instelling of door een instelling die de moederonderneming
of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is, en die bij
een van deze zijn gedeponeerd; (i)
uitzettingen die voortvloeien uit niet-opgenomen
kredietfaciliteiten die in bijlage I zijn ingedeeld bij de posten buiten
de balanstelling met een laag risico, mits met de cliënt of groep van verbonden
cliënten een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de faciliteit
alleen mag worden opgenomen als vaststaat dat de limiet die ingevolge
artikel 384, lid 1, van toepassing is, daardoor niet wordt
overschreden; (j)
handelsuitzettingen op centrale tegenpartijen en
bijdragen in het wanbetalingsfonds aan centrale tegenpartijen; (k)
uitzettingen op depositogarantiestelsels uit hoofde
van Richtlijn 94/19/EG ingevolge de financiering van dergelijke stelsels,
indien op de instellingen die deelnemen aan het stelsel, een wettelijke of
contractuele verplichting tot financiering van het stelsel rust. Punt g) omvat ook contanten die ontvangen worden
in het kader van een door de instelling uitgegeven credit linked note, alsmede
leningen en deposito's van een tegenpartij aan respectievelijk bij de
instelling die onder een ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 4, erkende
overeenkomst tot verrekening van balansposten vallen. 2.
De lidstaten of de bevoegde autoriteiten kunnen de
volgende uitzettingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van
artikel 384, lid 1: (a)
gedekte obligaties in de zin van artikel 124, leden
1 en 2; (b)
activa die vorderingen vertegenwoordigen op
regionale of lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge
deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % zouden krijgen,
alsmede andere uitzettingen jegens of gegarandeerd door deze regionale of
lagere overheden als deze ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een
risicogewicht van 20 % zouden krijgen; (c)
uitzettingen, waaronder deelnemingen of andere
belangen, die door een instelling zijn ingenomen ten opzichte van haar
moederonderneming, andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar
eigen dochterondernemingen, voor zover deze ondernemingen opgenomen zijn in het
toezicht op geconsolideerde basis waaraan de instelling zelf onderworpen is,
overeenkomstig de onderhavige verordening of overeenkomstig de in een derde
land geldende gelijkwaardige normen. Uitzettingen
die niet aan deze criteria voldoen, worden, ongeacht of ze van artikel 384,
lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als uitzettingen jegens derden; (d)
activa die vorderingen op en andere uitzettingen,
waaronder deelnemingen of andere belangen, jegens regionale of centrale
kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmee de kredietinstelling krachtens
wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden
en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van
onderlinge geldposities binnen het netwerk; (e)
activa die vorderingen op en andere uitzettingen
jegens kredietinstellingen vertegenwoordigen, ingenomen door
kredietinstellingen die op niet-concurrerende basis werkzaam zijn en in het
kader van wetgevingsprogramma’s of overeenkomstig hun statuten leningen
verstrekken waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren,
waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en er beperkingen
gelden voor de besteding van de leningen. Voorwaarde is dat de desbetreffende
uitzettingen voortvloeien uit leningen die via andere kredietinstellingen zijn
doorgegeven aan de begunstigden; (f)
activa die vorderingen op en andere uitzettingen
jegens instellingen vertegenwoordigen, mits deze uitzettingen geen eigen
vermogen van de instellingen vormen, uiterlijk tot en met de volgende werkdag
bestaan en niet luiden in een belangrijke handelsvaluta; (g)
activa die vorderingen op centrale banken
vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden
voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden; (h)
activa bestaande uit vorderingen op centrale
overheden in de vorm van wettelijk vereiste liquiditeit die in overheidspapier
worden aangehouden, en die in de nationale valuta gedenomineerd en gefinancierd
zijn, mits, naar keuze van de bevoegde autoriteit, de door een aangewezen EKBI
verrichte kredietbeoordeling van deze centrale overheden investeringswaardig
is; (i)
50 % van de documentaire kredieten met
middelhoog/laag risico buiten de balanstelling en van de niet-opgenomen
kredietfaciliteiten met middelhoog/laag risico buiten de balanstelling bedoeld
in bijlage I, en met instemming van de bevoegde autoriteiten, 80 %
van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsgrondslag die
voor de leden worden verstrekt door onderlingegarantiesystemen met de status van
kredietinstelling; (j)
wettelijk vereiste garanties die worden gebruikt
wanneer een hypothecaire lening, die wordt gefinancierd door de uitgifte van
obligaties met een hypotheek als onderpand, wordt betaald aan de hypotheeknemer
vóór de definitieve registratie in het kadaster, mits de garantie niet gebruikt
wordt ter vermindering van het risico bij de berekening van de risicogewogen
activa; (k)
activa in de vorm van vorderingen en andere
uitzettingen op erkende beurzen. Artikel 390
Berekening van het effect van het gebruik van technieken
voor kredietrisicolimitering 1.
Bij de berekening van de waarde van uitzettingen
voor de toepassing van artikel 384, lid 1, kan een instelling gebruikmaken van
de overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 4, berekende "volledig aangepaste
uitzettingswaarde" waarbij rekening is gehouden met
kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele
looptijdverschillen (E*). 2.
Een instelling die voor een categorie uitzettingen
gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van
deel 3, titel II, hoofdstuk 3, mag, met toestemming van de bevoegde
autoriteiten, de effecten van financiële zekerheden in aanmerking nemen bij de
berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 384, lid 1. De bevoegde autoriteiten verlenen de in de vorige
alinea bedoelde toestemming alleen wanneer de instelling de effecten van
financiële zekerheden op haar uitzettingen kan inschatten, los van andere
LGD-relevante aspecten. Een instelling hanteert zodanige procedures dat de
door haar opgestelde ramingen voldoende geschikt zijn om de uitzettingswaarde
te verlagen, teneinde aan de bepalingen van artikel 384 te voldoen. Als een instelling haar eigen ramingen van de
effecten van financiële zekerheden mag gebruiken, dient zij dat te doen op een
grondslag die in overeenstemming is met de benadering die is toegepast bij de
berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deze verordening. Een instelling die voor een categorie uitzettingen
haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren ingevolge deel 3, titel II,
hoofdstuk 3, mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar
uitzettingen niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea van dit lid genoemde
methode, kan deze waarde berekenen aan de hand van de uitgebreide benadering
van financiële zekerheden of de benadering van artikel 392, lid 1,
onder b). 3.
Een instelling die voor de berekening van de waarde
van uitzettingen voor de toepassing van artikel 384, lid 1, gebruik maakt van
de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of gebruik mag maken van de
in lid 2 van dit artikel genoemde benadering, voert op gezette tijden een
stresstest op haar kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van
de zekerheden omvat. In de in de eerste alinea bedoelde periodieke
stresstests wordt gekeken naar de risico's die ontstaan als zich eventueel
veranderingen in de marktsituatie voordoen die een ongunstige invloed
uitoefenen op de toereikendheid van het eigen vermogen van de instelling, en
naar de risico's die ontstaan als zekerheden in crisissituaties worden
gerealiseerd. Met de uitgevoerde stresstests moeten dergelijke
risico's op adequate en passende wijze kunnen worden beoordeeld. Mocht uit de periodieke stresstest blijken dat de
realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die welke op grond van de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de in lid 2 genoemde
benadering, al naargelang het geval, in aanmerking mag worden genomen, wordt de
waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities
voor de toepassing van artikel 384, lid 1, in aanmerking mag worden genomen,
dienovereenkomstig verlaagd. De strategieën van in de eerste alinea bedoelde
instellingen om het concentratierisico te verminderen, omvatten ook: (a)
gedragslijnen en procedures om de risico's tegen te
gaan die ontstaan als er sprake is van looptijdverschillen tussen enerzijds de
uitzettingen en anderzijds de kredietprotectie voor deze uitzettingen; (b)
gedragslijnen en procedures voor het geval dat bij
een stresstest blijkt dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is
dan die welke op grond van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden
of de in lid 2 genoemde benadering in aanmerking is genomen; (c)
gedragslijnen en procedures inzake het concentratierisico
dat ontstaat door kredietrisicolimitering, met name bij grote indirecte
kredietrisico's (waarvan bijvoorbeeld sprake is als de effecten die als
zekerheid worden aanvaard, slechts één organisatie als uitgevende instelling
hebben). Artikel 391
Uitzettingen die voortvloeien uit hypotheken 1.
Een instelling kan voor de berekening van de waarde
van uitzettingen of delen van uitzettingen die worden gegarandeerd door een
hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed, de waarde van de uitzetting met
maximaal 50 % van de waarde van het niet-zakelijk onroerend goed in kwestie
verlagen indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de uitzetting is gegarandeerd door een hypotheek op
niet-zakelijk onroerend goed of door aandelen in Finse woningbouwbedrijven, die
werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of
latere gelijkwaardige wetgeving; (b)
de uitzetting houdt verband met een transactie
inzake financieringshuur (leasing) krachtens welke de lessor de volledige
eigendom van het verhuurde niet-zakelijk onroerend goed behoudt zolang de
huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend. De waarde van het onroerend goed wordt berekend op
basis van voorzichtige, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
vastgelegde waarderingsnormen. De
waardering vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats voor particuliere
woningen. Voor de toepassing van dit lid gelden de vereisten
van artikel 203 en artikel 224, lid 1. Onder niet-zakelijk onroerend goed wordt verstaan:
een woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de eigenaar. 2.
Een instelling kan voor de berekening van de waarde
van uitzettingen of delen van uitzettingen die worden gegarandeerd door een
hypotheek op zakelijk onroerend goed, de waarde van de uitzetting met maximaal 50 %
van de waarde van het zakelijk onroerend goed in kwestie verlagen, alleen
indien de betrokken bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar het zakelijk
onroerend goed gelegen is, toestaan dat de volgende uitzettingen op basis van
dezelfde voorwaarden als die in artikel 121 een risicogewicht van 50 %
krijgen: (a)
de uitzettingen zijn gegarandeerd door een
hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen
in Finse woningbouwbedrijven, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de
woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die
betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden; (b)
de uitzettingen houden verband met transacties
inzake financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden. De waarde van het onroerend goed wordt berekend op
basis van voorzichtige, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
vastgelegde waarderingsnormen. Het zakelijk onroerend goed is volledig afgebouwd,
geleased en levert voldoende huurinkomsten op. Artikel 392
Substitutie 1.
Wanneer een uitzetting jegens een cliënt is
gegarandeerd door een derde, dan wel door een zekerheid uitgegeven door een
derde, kan een instelling: (a)
het gegarandeerde deel van de uitzetting beschouwen
als een uitzetting jegens de garantiegever en niet jegens de cliënt, mits de
niet-gegarandeerde uitzetting jegens de garantiegever ingevolge deel 3, titel
II, hoofdstuk 2, een risicogewicht zou krijgen dat gelijk is aan of lager is
dan een risicogewicht van de niet-gegarandeerde uitzetting jegens de cliënt; (b)
het deel van de uitzetting dat met de marktwaarde
van een erkende zekerheid is gedekt, beschouwen als een uitzetting jegens de
derde en niet jegens de cliënt, als de uitzetting met een zekerheid is gedekt
en het gedekte deel van de uitzetting ingevolge deel 3, titel II, hoofdstuk 2,
een risicogewicht zou krijgen dat gelijk is aan of lager is dan een
risicogewicht van de ongedekte uitzetting jegens de cliënt. Een instelling past de benadering van punt b) van
de eerste alinea niet toe wanneer de looptijd van de uitzetting niet
overeenstemt met de looptijd van de protectie. Een instelling kan voor de toepassing van dit deel
zowel de uitgebreide benadering van financiële zekerheden als de aanpak
overeenkomstig de eerste alinea, onder b), alleen hanteren als zij ook
voor de toepassing van artikel 87 zowel de uitgebreide als de eenvoudige
benadering van financiële zekerheden mag hanteren. 2.
Wanneer een instelling lid 1, onder a), toepast,
dan geldt het volgende: (a)
als de garantie in een andere valuta luidt dan de
uitzetting wordt de waarde van de uitzetting die als gedekt geldt, berekend aan
de hand van de in deel3 3, titel II, hoofdstuk 4, vervatte voorschriften voor
de behandeling van valutamismatches bij ongedekte kredietprotectie; (b)
bij een verschil tussen de looptijd van de
uitzetting en de looptijd van de kredietprotectie worden de in deel 3, titel
II, hoofdstuk 4, vervatte voorschriften voor de behandeling van
looptijdverschillen gevolgd; (c)
een gedeeltelijke dekking mag in aanmerking worden
genomen met inachtneming van het bepaalde in deel 3, titel II, hoofdstuk 4. DEEL 5
UITZETTTINGEN OP OVERGEDRAGEN KREDIETRISICO’S Titel I
Algemene bepalingen voor dit deel Artikel 393
Toepassingsgebied De
titels II en III zijn van toepassing op nieuwe securitisaties die op of na 1 januari 2011
worden uitgegeven. De titels II en
III zijn na 31 december 2014 van toepassing op bestaande securitisaties
ingeval na die datum onderliggende uitzettingen worden toegevoegd of vervangen. Titel II
Vereisten voor als belegger optredende instellingen Artikel 394
Door de emittent aangehouden belang 1.
Een instelling die niet optreedt als initiator,
sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker, staat alleen bloot aan het
kredietrisico van een securitisatiepositie in of buiten de handelsportefeuille
indien de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker jegens de
instelling expliciet te kennen heeft gegeven om permanent een materieel netto
economisch belang aan te houden dat in elk geval niet minder dan 5 % mag
bedragen. Als het aanhouden van een materieel netto
economisch belang van niet minder dan 5 % komen uitsluitend in aanmerking: (a)
het aanhouden van niet minder dan 5 % van de
nominale waarde van elk van de tranches die aan de beleggers zijn verkocht of overgedragen; (b)
in het geval van securitisaties van revolverende
posities, het aanhouden van een initiatorbelang van niet minder dan 5 %
van de nominale waarde van de gesecuritiseerde uitzettingen; (c)
het aanhouden van willekeurig gekozen uitzettingen
die niet minder dan 5% vertegenwoordigen van het nominale bedrag van de
gesecuritiseerde uitzettingen, indien zulke uitzettingen anders in de
securitisatie zouden zijn betrokken, mits het aantal potentieel
gesecuritiseerde uitzettingen bij het initiëren niet minder dan 100 bedraagt; (d)
het aanhouden van de eerste verliestranche en
indien nodig andere tranches met hetzelfde of een hoger risicoprofiel die geen
vroegere vervaldag hebben dan die welke aan beleggers zijn overgedragen of
verkocht, zodat de aangehouden waarde in totaal niet minder is dan 5 % van
de nominale waarde van de gesecuritiseerde uitzettingen. Het netto economisch belang wordt gemeten bij het
initiëren en wordt doorlopend gehandhaafd. Ten aanzien van het netto economisch belang, met inbegrip van aangehouden
posten, rente en posities, vindt geen kredietrisicolimitering plaats, worden
geen shortposities ingenomen of andere afdekkingstransacties verricht, en vindt
geen verkoop plaats. Het netto
economisch belang wordt bepaald door de notionele waarde voor posten buiten de
balanstelling. Er is geen meervoudige toepassing van de vereisten
voor het aanhouden voor een securitisatie. 2.
Wanneer een in de Europese Unie gevestigde
moederkredietinstelling of financiële holding, dan wel een dochteronderneming
daarvan, als initiator of sponsor uitzettingen securitiseert van verscheidene
kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen
die onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, kan aan het in
lid 1 bedoelde vereiste worden voldaan aan de hand van de geconsolideerde
situatie van de gelieerde in de Europese Unie gevestigde
moederkredietinstelling of financiële holding. De eerste alinea is enkel van toepassing indien de
kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of financiële instellingen die de
gesecuritiseerde uitzettingen hebben gecreëerd, zich ertoe verbonden hebben de
vereisten van artikel 397 in acht te nemen en de informatie die nodig is om te
voldoen aan de vereisten van artikel 398, tijdig aan de initiator of sponsor en
aan de in de Europese Unie gevestigde moederkredietinstelling of financiële
holding te verstrekken. 3.
Lid 1 is niet van toepassing wanneer de
gesecuritiseerde uitzettingen vorderingen of voorwaardelijke vorderingen zijn
op of volledig, onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door de
volgende entiteiten: a) centrale overheden of centrale banken; b) regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen van de
lidstaten; c) instellingen waaraan een risicoweging van 50 % of minder is
toegekend uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2;
d) multilaterale ontwikkelingsbanken. 4.
Lid 1 is niet van toepassing op: a) transacties die zijn gebaseerd op een duidelijke, transparante en
toegankelijke index, indien de onderliggende referentie-entiteiten identiek
zijn aan die van een index van entiteiten die op ruime schaal wordt verhandeld,
of andere verhandelbare effecten zijn dan securitisatieposities; b) syndicaatsleningen, aangekochte vorderingen of credit default swaps
wanneer deze instrumenten niet worden gebruikt voor het verpakken en/of
afdekken van een securitisatie die onder lid 1 valt. Artikel 395
Vereiste zorgvuldigheid 1.
Instellingen kunnen aan de bevoegde autoriteiten
vóór een belegging en zo nodig daarna voor elk van hun individuele
securitisatieposities aantonen dat zij beschikken over een breed en gedegen
inzicht in en formele gedragslijnen en procedures hebben ingevoerd die zijn
afgestemd op hun handels- en niet-handelsportefeuille en in verhouding staan
tot het risicoprofiel van hun gesecuritiseerde posities, voor de toetsing en
registratie van: (a)
de krachtens artikel 394, lid 1, door initiators of
sponsors verstrekte informatie ter precisering van het netto economisch belang
dat zij permanent aanhouden in de securitisatie; (b)
de risicokenmerken van de individuele
securitisatiepositie; (c)
de risicokenmerken van de onderliggende
uitzettingen van de securitisatieposities; (d)
de reputatie en verlieservaring in eerdere
securitisaties van de initiators of sponsors in de desbetreffende onderliggende
uitzettingscategorieën van de securitisatiepositie; (e)
de verklaringen en informatie van de initiators of
sponsors, dan wel hun gemachtigden of adviseurs, over de nodige zorgvuldigheid
die zij in acht hebben genomen met betrekking tot de gesecuritiseerde
uitzettingen en, in voorkomend geval, met betrekking tot de kwaliteit van de
zekerheden ter dekking van de gesecuritiseerde uitzettingen; (f)
in voorkomend geval, de methodieken en concepten
waarop de waardering van de kwaliteit van de zekerheden ter dekking van de
gesecuritiseerde uitzettingen berust, alsook de gedragslijnen die de initiator
of sponsor heeft vastgesteld om de onafhankelijkheid van de schatter te
waarborgen; (g)
alle structurele kenmerken van de securitisatie die
van materiële invloed kunnen zijn op de resultaten van de securitisatiepositie
van de instelling. Instellingen verrichten periodiek hun eigen
stresstests die aansluiten bij hun securitisatieposities. Daartoe kunnen instellingen afgaan op financiële modellen die door een
EKBI zijn ontwikkeld, mits deze instellingen desgevraagd kunnen aantonen dat
zij vóór de belegging de nodige zorgvuldigheid in acht hebben genomen om de
relevante aannames en structuren van de modellen te valideren en dat zij de
methoden, de aannames en de resultaten begrijpen. 2.
Instellingen die niet optreden als initiator of
sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker, stellen formele procedures vast
die zijn afgestemd op hun handels- en niet-handelsportefeuille en in verhouding
staan tot het risicoprofiel van hun beleggingen in gesecuritiseerde posities,
om prestatie-informatie over de onderliggende uitzettingen van hun
securitisatieposities doorlopend en tijdig te monitoren. In voorkomend geval wordt gekeken naar het soort uitzetting, het
percentage leningen met meer dan 30, 60 en 90 achterstallige dagen,
wanbetalingsgraden, het percentage vervroegde aflossingen, leningen in de
executiefase, het soort zekerheid en de bewoningswijze, de frequentieverdeling
van de kredietscores of andere maatstaven voor de kredietwaardigheid over de
onderliggende uitzettingen, de sectorale en geografische spreiding en de
frequentieverdeling van de LTV-ratio’s (Loan to Value-ratio’s) met bandbreedtes
die een deugdelijke gevoeligheidsanalyse vergemakkelijken.
Wanneer de onderliggende uitzettingen zelf securitisatieposities
vormen, moeten instellingen over de in deze alinea vermelde informatie niet
enkel beschikken met betrekking tot de onderliggende securitisatietranches,
zoals de naam en kredietkwaliteit van de emittent, maar ook met betrekking tot
de kenmerken en resultaten van de onderliggende pools van
securitisatietranches. Instellingen moeten een solide inzicht hebben in
alle structurele aspecten van een securitisatietransactie die een materieel
effect zouden hebben op het resultaat van hun positie in de transactie, zoals
de contractuele waterfall en waterfall-gerelateerde triggers,
kredietverbetering, liquiditeitsverbetering, reactiemechanismen op basis van de
marktwaarde en transactiespecifieke omschrijving van "wanbetaling". Artikel 396
Extra risicogewicht Wanneer een instelling in enig materieel
opzicht, ingevolge nalatigheid of verzuim harerzijds, niet voldoet aan de
vereisten van de artikelen 394 en 395, leggen de bevoegde autoriteiten een
evenredig extra risicogewicht op van niet minder dan 250 % van het
risicogewicht (met een maximum van 1 250 %), dat geldt voor de
betrokken securitisatieposities op de in respectievelijk artikel 240, lid 6, of
artikel 326, lid 3, gespecificeerde wijze. Het extra risicogewicht verhoogt geleidelijk bij elke volgende overtreding
van de zorgvuldigheidsregels. De bevoegde autoriteiten houden rekening met
de vrijstellingen voor bepaalde securitisaties als bepaald in artikel 394, lid 3,
door het risicogewicht te verlagen dat zij anders overeenkomstig dit artikel
zouden opleggen met betrekking tot een securitisatie waarop artikel 394,
lid 3, van toepassing is. Titel III
Vereisten voor als sponsor of initiator optredende
instellingen Artikel 397
Criteria voor kredietverlening Als initiator en als sponsor optredende
instellingen passen op te securitiseren posities dezelfde gedegen en
welomschreven criteria voor de kredietverlening als bedoeld in artikel 77 van
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] toe als die welke zij
toepassen op uitzettingen die zij in hun portefeuille zullen aanhouden. Daartoe volgen de als initiator en als sponsor
optredende instellingen dezelfde procedures voor de acceptatie en, in
voorkomend geval, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten. Instellingen passen ook dezelfde analysenormen
toe op van derden afkomstige deelnemingen in of overnemingen van
securitisaties, ongeacht of dergelijke deelnemingen of overnemingen in hun
handelsportefeuille dan wel niet-handelsportefeuille worden aangehouden. Wanneer niet aan de in de eerste alinea van
dit artikel bedoelde vereisten wordt voldaan, wordt artikel 240, lid 1, niet
toegepast door een als initiator optredende instelling en mag die als initiator
optredende instelling de gesecuritiseerde uitzettingen niet buiten de
berekening van haar kapitaalvereisten ingevolge deze verordening laten. Artikel 398
Verstrekking van informatie aan beleggers Als sponsor en als initiator optredende
instellingen maken aan beleggers bekend welk netto economisch belang zij uit
hoofde van de in artikel 394 bedoelde verbintenis in de securitisatie
aanhouden. Als sponsor en als
initiator optredende instellingen zorgen ervoor dat aspirant-beleggers
gemakkelijk toegang krijgen tot alle materieel relevante gegevens over de
kredietkwaliteit en de resultaten van de individuele onderliggende
uitzettingen, kasstromen en zekerheden ter dekking van een
securitisatie-uitzetting, alsook tot de informatie die nodig is om omvangrijke
en op goede informatie gebaseerde stresstests op de kasstromen en de waarde van
de zekerheden voor de onderliggende uitzettingen te kunnen uitvoeren. Hiertoe worden "materieel relevante
gegevens" vastgesteld op de datum van de securitisatie en zo nodig als
gevolg van de aard van de securitisatie daarna. Artikel 399
Uniforme toepassingsvoorwaarde 1.
De EBA brengt jaarlijks verslag uit bij de
Commissie over de maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen om te
garanderen dat instellingen de vereisten van de titels II en III naleven. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen voor technische
uitvoeringsnormen ter vergemakkelijking van de convergentie van
toezichtspraktijken met betrekking tot de artikelen 394 tot en met 398,
waaronder de te nemen maatregelen in geval van een overtreding van de
verplichtingen op het gebied van zorgvuldigheid en risicomanagement. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. DEEL 6
LIQUIDITEIT Titel I
Definities en liquiditeitsdekkingsvereiste Artikel 400
Definities Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan
onder: (1)
financiële cliënt: een cliënt die een of meer van
de in bijlage I bij Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
activiteiten als hoofdbedrijf uitoefent, dan wel een van onderstaande is: a) een kredietinstelling; b) een beleggingsonderneming; c) een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (SSPE); d) een instelling voor collectieve belegging (ICB); e) een non-open end beleggingsfonds; f) een verzekeringsonderneming; g) een financiële holding of een gemengde holding. (2) retaildeposito:
een verplichting jegens een natuurlijke persoon of een kleine of middelgrote
onderneming, waarbij het gezamenlijke bedrag van de verplichtingen jegens
dergelijke cliënten of groepen van verbonden cliënten kleiner is dan 1 miljoen
EUR. Artikel 401
Liquiditeitsdekkingsvereiste 1.
Een instelling houdt te allen tijde liquide activa
aan, waarvan de som van de waarden gelijk is aan of groter is dan de
liquiditeitsuitstromen minus de liquiditeitsinstromen onder
stressomstandigheden, zodat instellingen liquiditeitsbuffers aanhouden die
voldoende groot zijn om een eventueel onevenwicht tussen de
liquiditeitsinstromen en –uitstromen onder stressomstandigheden over een korte
periode het hoofd te kunnen bieden. 2.
Instellingen mogen liquiditeitsinstromen en liquide
activa niet dubbel tellen. 3.
Instellingen mogen de in lid 1 bedoelde liquide
activa gebruiken om aan hun in artikel 402 uiteengezette verplichtingen onder
stressomstandigheden te voldoen. 4.
De bepalingen in titel II gelden uitsluitend voor
de omschrijving van de in artikel 403 vastgestelde rapportageverplichtingen. Artikel 402
Naleving van liquiditeitsvereisten Wanneer een instelling niet aan het vereiste
van artikel 401, lid 1, voldoet of verwacht wordt dat zij niet aan dit vereiste
zal voldoen, stelt zij de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis
en legt zij de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging een plan voor om
de naleving van artikel 401 te gepasten tijde te herstellen. Totdat de naleving is hersteld, brengt de instelling dagelijks een
rapportage uit van de posten aan het eind van elke werkdag tenzij de bevoegde
autoriteit toestemming geeft voor een rapportage met een lagere frequentie en
langere termijn. De bevoegde autoriteiten baseren zich voor die toestemming uitsluitend
op de individuele situatie van een instelling. Zij zien toe op de uitvoering van het herstelplan en vereisten in
voorkomend geval een sneller herstel. Titel II
Liquiditeitsrapportage Artikel 403
Rapportageverplichting en rapportageformat 1.
Instellingen brengen bij de bevoegde autoriteiten
een rapportage uit van de in de titels II en III bedoelde posten en de
bestanddelen daarvan, met inbegrip van de samenstelling van hun liquide activa
overeenkomstig artikel 404 en bijlage III. Voor het vereiste in titel II en bijlage III wordt ten minste eenmaal
per maand gerapporteerd en voor in titel III bedoelde posten ten minste eenmaal
per kwartaal. 2.
Wanneer een bevoegde autoriteit besluit dat een
instelling een significant liquiditeitsrisico heeft in een andere valuta of een
significant bijkantoor zoals omschreven in artikel 52 van Richtlijn [in te
voegen door het Publicatiebureau] in een lidstaat van ontvangst die een andere
valuta hanteert dan haar lidstaat van herkomst, brengt de instelling bij de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst een aparte rapportage uit
van de posten die luiden in of geïndexeerd zijn ten aanzien van eerstgenoemde
valuta. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen die nadere invulling geven aan: (a)
uniforme formats met bijbehorende aanwijzingen voor
en frequenties, data en termijnen van rapportage. De rapportageformats en –frequenties dienen in verhouding te staan tot
de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de verschillende
instellingen en de overeenkomstig de leden 1 en 2 vereiste te rapporteren
gegevens te omvatten; (b)
noodzakelijke meetmethoden voor het bewaken van de
extra liquiditeit, zodat de bevoegde autoriteiten zich een volledig beeld
kunnen vormen van het liquiditeitsrisicoprofiel; deze methoden dienen in
verhouding te staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden
van een instelling; (c)
de voor deze rapportage toe te passen
IT-oplossingen, die een rechtstreekse en onmiddellijke elektronische toegang
moeten geven tot de rapportage van een instelling wanneer dit krachtens
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] en deze verordening vereist
is. De EBA legt die
ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de
Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van
technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van
Verordening (EU) nr. 1093/2010. 4.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst verstrekken de bevoegde autoriteiten en de nationale centrale bank van
de lidstaten van ontvangst en de EBA op verzoek een rechtstreekse en
onmiddellijke elektronische toegang tot de individuele rapportage
overeenkomstig dit artikel. 5.
De bevoegde autoriteiten die toezicht op
geconsolideerde basis uitoefenen overeenkomstig artikel 107 van Richtlijn [in
te voegen door het Publicatiebureau], verstrekken de volgende autoriteiten op
verzoek een rechtstreekse en onmiddellijke elektronische toegang tot alle door
de instelling overeenkomstig dit artikel gerapporteerde gegevens: (a)
de bevoegde autoriteiten en de nationale centrale
bank van de lidstaten van ontvangst waar zich significante bijkantoren of
dochterondernemingen van de moederonderneming bevinden dan wel instellingen die
worden beheerst door dezelfde financiële moederholding; (b)
de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben
verleend aan dochterondernemingen van de moederinstelling of instellingen die
worden beheerst door dezelfde financiële moederholding, en de nationale
centrale bank van dezelfde lidstaat; (c)
de EBA; (d)
de ECB. 6.
De bevoegde autoriteiten die vergunning hebben
verleend aan een instelling die een dochteronderneming is van een
moederinstelling of een financiële moederholding, verstrekken de bevoegde
autoriteiten die toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen overeenkomstig
artikel 106 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau], de centrale
bank van de lidstaat waar de instelling vergunning heeft verkregen en de EBA op
verzoek een rechtstreekse en onmiddellijke elektronische toegang tot alle door
de instelling gerapporteerde gegevens overeenkomstig de in lid 3 bedoelde
uniforme formats. Artikel 404
Rapportage over liquide activa 1.
Instellingen rapporteren de volgende posten als
liquide activa, tenzij zij uit hoofde van lid 2 zijn uitgesloten en uitsluitend
wanneer de liquide activa aan de voorwaarden van lid 3 voldoen: (a)
contanten en deposito's aangehouden bij centrale
banken, voor zover deze deposito's in tijden van stress kunnen worden
opgevraagd; (b)
overdraagbare activa met een zeer hoge liquiditeit
en kredietkwaliteit; (c)
overdraagbare activa, zijnde vorderingen op of
gegarandeerd door de centrale overheid van een lidstaat of een derde land
indien de instelling een liquiditeitsrisico loopt in die lidstaat of dat derde
land dat het dekt door het aanhouden van deze liquide activa; (d)
overdraagbare activa met een hoge liquiditeit en
kredietkwaliteit;. In afwachting van een uniforme definitie van hoge
en zeer hoge liquiditeit en kredietkwaliteit overeenkomstig artikel 481, lid 2,
identificeren instellingen zelf in een gegeven valuta overdraagbare activa met
respectievelijk een hoge of zeer hoge liquiditeit en kredietkwaliteit. In afwachting van een uniforme definitie geven de
bevoegde autoriteiten, rekening houdende met de in artikel 481, lid 2, vermelde
criteria, algemene richtsnoeren die instellingen kunnen hanteren bij het
identificeren van activa met hoge en zeer hoge liquiditeit en kredietkwaliteit. Bij ontstentenis van dergelijke richtsnoeren
maken instellingen te dien einde gebruik van transparante en objectieve
criteria, met inbegrip van sommige of alle in artikel 481, lid 2, vermelde
criteria. 2.
De volgende activa worden niet als liquide activa
beschouwd: (a)
activa uitgegeven door een kredietinstelling,
tenzij zij aan een van de volgende voorwaarden voldoen: i) het betreft obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 124,
lid 3 of lid 4, beschreven behandeling; ii) het betreft obligaties als omschreven in artikel 52, lid 4, van
Richtlijn 2009/65/EG, andere dan de onder i) bedoelde obligaties; iii) de kredietinstelling is opgezet en wordt gesteund door een centrale of
regionale regering van een lidstaat en het actief wordt door die regering
gegarandeerd en gebruikt voor de financiering van stimuleringsleningen die
worden verleend op een niet-concurrerende, non-profitbasis ter bevordering van
haar publieke beleidsdoelstellingen; (b)
activa uitgegeven door een van de volgende: i) een beleggingsonderneming; ii) een verzekeringsonderneming; iii) een financiële holding; iv) een gemengde holding; v) een andere entiteit die een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn [in
te voegen door het Publicatiebureau] activiteiten als hoofdbedrijf uitoefent. 3.
Instellingen rapporteren activa uitsluitend als
liquide indien zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoen: (a)
zij zijn niet uitgegeven door de instelling zelf of
haar moeder- of dochterinstellingen of een andere dochter van haar
moederinstellingen of financiële moederholding; (b)
zij vormen onder normale omstandigheden een
toelaatbare zekerheid voor intraday liquiditeitsbehoeften en overnight
liquiditeitsfaciliteiten van een centrale bank in een lidstaat of, wanneer de
liquide activa worden aangehouden om te voldoen aan de liquiditeitsuitstromen
in de valuta van een derde land, van de centrale bank van dat derde land; (c)
hun prijs kan worden bepaald aan de hand van een
formule die gemakkelijk kan worden berekend op basis van publiek beschikbare
inputs, en hangt niet af van sterke aannames, zoals typisch het geval is bij
gestructureerde of exotische producten; (d)
zij zijn aan een erkende beurs genoteerd; (e)
zij kunnen worden verhandeld op actieve markten
voor cessie- en retrocessieovereenkomsten zonder rugdekking met een groot en
uiteenlopend aantal marktdeelnemers, een hoog handelsvolume en breed- en
diepgang. De voorwaarde onder b) geldt niet voor liquide
activa die worden aangehouden om te voldoen aan liquiditeitsuitstromen in een
valuta waarin de centrale bank het vereiste inzake toelaatbare zekerheden, zeer
eng heeft omschreven. In het geval
van valuta's van derde landen is deze uitzondering van toepassing uitsluitend
indien de bevoegde autoriteiten van het derde land dezelfde uitzondering
toepassen en het derde land vergelijkbare rapportagevereisten hanteert. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met een lijst van de valuta's die aan de in lid 3, tweede
alinea, genoemde voorwaarden voldoen. De EBA legt die ontwerpen van technische normen
uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens
de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Vóór de inwerkingtreding van de in de vorige
alinea bedoelde technische normen mogen instellingen de werkwijze van lid 1
blijven toepassen wanneer de bevoegde autoriteiten die ook toepasten voor 1
januari 2013. 5.
Aandelen of rechten van deelneming in ICB's kunnen
worden behandeld als liquide activa tot een totaal bedrag van 250 miljoen EUR,
mits aan de voorwaarden van artikel 127, lid 3, is voldaan en de ICB, behalve
in derivaten om het rente- of kredietrisico te beperken, uitsluitend in liquide
activa belegt. 6.
Wanneer een liquide actief niet langer in
aanmerking komt voor lid 1, kan een instelling het toch als een liquide actief
blijven beschouwen gedurende een extra periode van 30 kalenderdagen. Artikel 405
Operationele vereisten voor het aanhouden van liquide
activa Instellingen rapporteren uitsluitend als
liquide activa de door hen aangehouden liquide activa die aan de volgende
voorwaarden voldoen: (a)
er is sprake van een passende diversificatie; (b)
niet minder dan 60 % van de door de instelling
gerapporteerde liquide activa zijn activa als bedoeld in artikel 404, lid 1,
onder a) tot en met c). Activa die
verschuldigd zijn en vervallen of opvraagbaar zijn binnen 30 kalenderdagen,
worden niet meegerekend in de 60 % tenzij er zekerheid voor gesteld is die
ook onder artikel 404, lid 1, onder a) tot en met c), valt; (c)
zij zijn rechtens en feitelijk op ieder tijdstip
gedurende de volgende 30 dagen liquideerbaar middels cessie- of
retrocessieovereenkomsten zonder rugdekking om te voldoen aan verplichtingen
die komen te vervallen. Liquide
activa als bedoeld in artikel 404, lid 1, die worden aangehouden in derde
landen waar er overdrachtsbeperkingen gelden of die in een niet-converteerbare
valuta luiden, worden alleen als liquideerbaar aangemerkt voor zover zij
overeenstemmen met uitstromen in het derde land of de valuta in kwestie; (d)
de liquide activa worden bewaakt door een
liquiditeitenbeheersfunctie; (e)
een deel van de liquide activa wordt regelmatig en
ten minste eenmaal per jaar geliquideerd middels cessie- of
retrocessieovereenkomsten zonder rugdekking met het volgende doel: i) het beproeven van de markttoegang van deze activa; ii) het beproeven van de doeltreffendheid van de processen voor de
liquidatie van activa; iii) het beproeven van de bruikbaarheid van de activa; iv) het minimaliseren van het risico van negatieve signalen gedurende een
periode van stress; (f)
aan de activa verbonden prijsrisico's mogen worden
afgedekt, maar de liquide activa zijn onderworpen aan passende interne
regelingen om ervoor te zorgen dat zij niet worden gebruikt in andere lopende
activiteiten, met inbegrip van: i) afdekkings- of andere handelsstrategieën; ii) verschaffing van kredietverbetering in gestructureerde transacties; iii) dekking van operationele kosten. (g)
de valuta waarin de liquide activa luiden, is
consistent met de distributie per valuta van liquiditeitsuitstromen na aftrek
van gemaximeerde instromen. Artikel 406
Waardering van liquide activa 1.
De te rapporteren waarde van een liquid actief is
de marktwaarde, met inachtneming van passende reductiefactoren die ten minste
rekening houden met de duur, het krediet- en liquiditeitsrisico en typische
repo-reductiefactoren in perioden van algemene marktstress. De reductiefactoren bedragen niet minder dan 15 %
voor de activa in artikel 404, lid 1, onder d). Indien de instelling het aan een actief verbonden prijsrisico afdekt,
houdt zij rekening met de kasstroom die resulteert uit de eventuele beëindiging
van de afdekking. 2.
Ten aanzien van aandelen of rechten van deelneming
in ICB's als bedoeld in artikel 404, lid 5, gelden reductiefactoren, waarbij
als volgt naar de onderliggende activa wordt "doorgekeken": (a)
0 % voor de activa in artikel 404, lid 1,
onder a); (b)
5 % voor de activa in artikel 404, lid 1,
onder b) en c); (c)
20 % voor de activa in artikel 404, lid 1,
onder d). De doorkijkbenadering wordt als volgt toegepast: (a)
wanneer de instelling op de hoogte is van de
onderliggende uitzettingen van een ICB, mag zij zich op deze onderliggende uitzettingen
baseren om ze onder te brengen onder artikel 404, lid 1, onder a) tot en met
d); (b)
wanneer de instelling niet op de hoogte is van de
onderliggende uitzettingen van een ICB, wordt aangenomen dat de ICB, binnen de
toegestane grenzen, in dalende volgorde maximaal belegt in de in artikel 404,
lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde activaklassen totdat de totale
beleggingslimiet is bereikt. 3.
Instellingen kunnen een beroep doen op de volgende
derde partijen om de reductiefactoren voor aandelen of rechten van deelneming
in ICB's te berekenen en te rapporteren overeenkomstig de in lid 2, tweede
alinea, onder a) en b), genoemde methoden: (a)
de effectenbewaarinstelling van de ICB, mits de ICB
uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring
geeft; (b)
voor andere ICB's, de beheermaatschappij van de
ICB, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 127, lid 3, onder a),
vastgestelde criteria. De deugdelijkheid van de berekeningen van de
effectenbewaarinstelling of de beheermaatschappij van de ICB dient door een
externe accountant te worden bevestigd. Artikel 407
Valuta's met beperkingen ten aanzien van de
beschikbaarheid van liquide activa 1.
De EBA beoordeelt de beschikbaarheid voor
instellingen van de in artikel 404, lid 1, onder b), bedoelde liquide activa in
de valuta's die van belang zijn voor instellingen uit de EU. 2.
Wanneer de gerechtvaardigde behoeften aan liquide
activa in het licht van het vereiste in artikel 401 groter zijn dan de
beschikbaarheid van die liquide activa in een valuta, gelden een of meer van de
volgende afwijkingen: a) in afwijking van artikel 405, onder b), mag het procentuele aandeel van
de activa als bedoeld in artikel 404, lid 1, onder a) tot en met c), in de door
de instelling gerapporteerde liquide activa lager zijn dan 60 %; b) in afwijking van artikel 405, onder g), mag de denominatie van de
liquide activa inconsistent zijn met de distributie per valuta van
liquiditeitsuitstromen na aftrek van gemaximeerde instromen; c) voor valuta's van derde landen mogen de vereiste liquide activa worden
vervangen door kredietlijnen van de centrale bank van dat derde land, die bij
overeenkomst onherroepelijk zijn toegezegd voor de volgende 30 dagen en
waarvoor een redelijke prijs geldt, los van het actueel opgenomen bedrag, mits
de bevoegde autoriteiten van het derde land op dezelfde wijze handelen en het
derde land vergelijkbare rapportagevereisten hanteert. 3.
De overeenkomstig lid 2 toegepaste afwijkingen zijn
omgekeerd evenredig met de beschikbaarheid van de desbetreffende activa. De gerechtvaardigde behoeften van instellingen
worden beoordeeld rekening houdende met hun vermogen om, middels deugdelijk
liquiditeitenbeheer, de behoefte aan die liquide activa te beperken, alsook met
dergelijke door andere marktdeelnemers aangehouden activa. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen met een lijst van de valuta's die aan de in dit artikel
gestelde voorwaarden voldoen. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. 5.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan de in lid 2 bedoelde
uitzonderingen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. 6.
De EBA adviseert de Commissie uiterlijk 31 december
2013 over de passende reductiefactoren voor activa die worden aangehouden
ingevolge de in lid 2, onder a), bedoelde afwijking. Artikel 408
Liquiditeitsuitstromen 1.
Te rapporteren liquiditeitsuitstromen worden
berekend als de som van de volgende elementen: (a)
de percentages van het actueel uitstaande bedrag
aan retaildeposito's zoals bepaald in artikel 409; (b)
de percentages van de actueel uitstaande bedragen
van andere verplichtingen die hun vervaldatum naderen, waarvan de uitbetaling
kan worden gevraagd of die een impliciete verwachting van de kredietverstrekker
inhouden dat de instelling ze in de komende 30 dagen terugbetaald zoals bepaald
in artikel 410; (c)
de in artikel 411 bedoelde extra uitstromen; (d)
het percentage van het maximale bedrag dat
gedurende de volgende 30 dagen kan worden opgenomen uit onbenutte krediet- en
liquiditeitsfaciliteiten die kwalificeren als middelhoog of middelhoog tot laag
risico volgens bijlage I, zoals bepaald in artikel 412;
(e)
de extra uitstromen die bij de beoordeling
overeenkomstig lid 2 zijn geïdentificeerd. 2.
Instellingen beoordelen regelmatig de
waarschijnlijkheid en de potentiële omvang van liquiditeitsuitstromen gedurende
de volgende 30 dagen voor zover het producten of diensten betreft die niet
onder de artikelen 410 tot en met 412 vallen en die door hen worden aangeboden
of ondersteund of door potentiële kopers worden geacht met hen te zijn
verbonden, met inbegrip van contractuele regelingen zoals andere buitenbalans-
en voorwaardelijke financieringsverplichtingen. Bij de beoordeling van deze uitstromen wordt uitgegaan van een
gecombineerd individueel en marktbreed stressscenario. Bij de beoordeling houden instellingen in het
bijzonder rekening met materiële imagoschade die kan ontstaan wanneer zij geen
liquiditeitssteun verlenen aan dergelijke producten of diensten. Instellingen rapporteren de producten en diensten
waarvoor de in de eerste alinea bedoelde waarschijnlijkheid en omvang van
materieel belang is, niet minder dan eenmaal per jaar aan de bevoegde
autoriteiten, die de toe te wijzen uitstromen bepalen. De bevoegde autoriteiten rapporteren ten minste
eenmaal per jaar aan de EBA de soorten producten of diensten waarvoor zij
uitstromen hebben bepaald op basis van de rapportage van instellingen. In hun rapportage verklaren zij tevens de
methodologie die is gebruikt om de uitstromen te bepalen. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen waarin de behandeling van de in lid 2 bedoelde producten en
diensten wordt uiteengezet alsook de producten of diensten die voor deze
doeleinden in aanmerking worden genomen, en de passende methoden om de toe te
wijzen uitstromen te bepalen, worden geïdentificeerd. De
EBA legt die ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 30 juni 2014
voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen vast te stellen
volgens de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr.
1093/2010. Artikel 409
Uitstromen op retaildeposito's 1.
Instellingen vermenigvuldigen het bedrag van de
retaildeposito's die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel
overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel
in een derde land met ten minste 5 % wanneer het deposito (a)
ofwel deel uitmaakt van een vaste relatie waarbij
opvraging zeer onwaarschijnlijk is; (b)
ofwel wordt aangehouden op een betaalrekening, met
inbegrip van rekeningen waarop periodiek lonen worden gecrediteerd. 2.
Instellingen vermenigvuldigen andere, niet in lid 1
bedoelde retaildeposito's met ten minste 10 %. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnomen ter vaststelling van de voorwaarden voor de toepassing van de
leden 1 en 2 in verband met de identificatie van retaildeposito's waarvoor de
uitstromen groter zijn dan in de leden 1 en 2 is bepaald, alsook van de
definities van deze producten en de passende uitstromen in het kader van deze
titel. In deze normen wordt rekening
gehouden met de waarschijnlijkheid van liquiditeitsuitstromen gedurende de
volgende 30 dagen ingevolge deze deposito's. Bij de beoordeling van deze uitstromen wordt uitgegaan van een
gecombineerd individueel en marktbreed stressscenario. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. 4.
Instellingen vermenigvuldigen de retaildeposito's
die zij in derde landen in ontvangst hebben genomen, met een hoger percentage
dan dat in de leden 1 en 2 indien vergelijkbare rapportagevereisten van een
derde land dat percentage vereisen. 5.
Instellingen kunnen bepaalde welomschreven
categorieën van retaildeposito's uitsluiten van de berekening van de uitstromen
voor zover zij steevast nauwgezet als volgt te werk gaan voor de volledige
categorie van die deposito's, tenzij in individueel gerechtvaardigde gevallen
van tegenspoed van de deposant: (a)
de deposant kan het deposito niet binnen de 30
dagen opvragen; (b)
voor voortijdige opvragingen binnen de 30 dagen
moet de deposant een boete wegens voortijdige opvraging betalen die materieel
hoger is dan het gederfde bedrag aan rente die hij zou verwerven voor de
resterende looptijd zonder de voortijdige opvraging. Niettegenstaande de voorgaande zin hoeft de boete niet hoger te zijn
dan de rente die is verschuldigd voor de tijd die is verstreken sinds de
vaststelling van de actuele looptijd van het deposito. Artikel 410
Uitstromen op andere verplichtingen 1.
Instellingen vermenigvuldigen de uit hun eigen
bedrijfskosten voortvloeiende verplichtingen met 0 %. 2.
Instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die
voortvloeien uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde
transacties als omschreven in artikel 188 indien deze zijn gedekt door activa
die zouden kwalificeren als liquide activa overeenkomstig artikel 404, met: a) 0 % tot de waarde van de liquide
activa overeenkomstig artikel 406; b) 100 % voor de resterende
verplichting. 3.
Instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die
voortvloeien uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde
transacties als omschreven in artikel 188 met 25 % indien deze niet
kwalificeren als liquide activa overeenkomstig artikel 404 en de kredietverstrekker
de centrale bank is of een ander publiekrechtelijk lichaam van de lidstaat waar
de instelling een vergunning heeft verkregen. 4.
Instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die
voortvloeien uit deposito's die moeten worden aangehouden: (a)
door de deposant om gebruik te kunnen maken van de
diensten van de instelling op het gebied van clearing, bewaring of
contantenbeheer; (b)
in de context van een gemeenschappelijke
taakuitvoering in het kader van een institutioneel protectiestelsel dat voldoet
aan de eisten van artikel 108, lid 7, of als een wettelijk of statutair
minimumdeposito van een ander lichaam dat deelneemt aan hetzelfde
institutionele protectiestelsel; met 5 % in het geval van punt a) voor zover
zij gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG
of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land, en anders met 25 %. Onder clearing, bewaring of contantenbeheer als
bedoeld onder a) vallen uitsluitend dergelijke diensten voor zover zij worden
verleend in de context van een vaste relatie waarop de deposant in significante
mate steunt. Deze diensten mogen niet
louter bestaan uit daarmee samenhangende bank- of prime brokeragediensten en de
instelling moet over objectief bewijs beschikken dat de cliënt deze bedragen
over een tijdhorizon van 30 dagen niet kan opvragen zonder dat haar
operationeel functioneren in het gedrang komt. 5.
Instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die
voortvloeien uit deposito's van cliënten die geen financiële cliënten zijn, met
75 % voor zover zij niet onder lid 4 vallen. 6.
Instellingen houden rekening met de over de
tijdhorizon van 30 dagen te verwachten lasten en baten uit de in bijlage II
genoemde contracten op nettobasis voor alle tegenpartijen en vermenigvuldigen
deze met 100 % in het geval van een netto te betalen bedrag. Op nettobasis betekent ook zonder
inaanmerkingneming van te ontvangen zekerheden die kwalificeren als liquide
activa uit hoofde van artikel 404. 7.
Instellingen vermenigvuldigen andere verplichtingen
die onder de leden 1 tot en met 5 vallen, met 100 %. 8.
In afwijking van lid 7 kunnen de bevoegde
autoriteiten toestemming verlenen om per geval een lager percentage toe te
passen, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: (a)
de deposant is een moeder- of dochterinstelling van
de instelling of een andere dochter van dezelfde moederinstelling dan wel
verbonden met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1,
van Richtlijn 83/349/EEG; (b)
er zijn redenen om een lagere uitstroom te
verwachten over de volgende 30 dagen, zelfs in het kader van een gecombineerd
individueel en marktbreed stressscenario; (c)
een overeenkomstige symmetrische of gematigder
instroom wordt toegepast door de deposant in afwijking van artikel 413; (d)
de instelling en de deposant zijn gevestigd in
dezelfde lidstaat tenzij artikel 18, lid 1, onder b), van toepassing is. Wanneer een dergelijke lagere uitstroom mag worden
toegepast, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van die beslissing
en de redenen daarvoor. De
voorwaarden voor dergelijke lagere uitstromen worden regelmatig geëvalueerd
door de bevoegde autoriteiten. Artikel 411
Extra uitstromen 1.
Voor zekerheden die door de instelling worden
gesteld voor in bijlage II genoemde contracten, daaronder niet begrepen activa
als bedoeld in artikel 404, lid 1, onder a) tot en met c), geldt een extra
uitstroom van 15 % van de marktwaarde in het geval van activa als bedoeld
in artikel 404, lid 1, onder d), en 20 % van de marktwaarde in het geval
van andere activa. 2.
Indien de bevoegde autoriteit de activiteiten van
een instelling op het gebied van kapitaalmarktgerelateerde transacties als
omschreven in artikel 188 of van de in bijlage II genoemde contracten aanmerkt
als materieel in verhouding tot de potentiële liquiditeitsuitstromen van de
instelling, voegt de instelling een extra uitstroom toe voor de vereiste extra
zekerheden ingevolge – overeenkomstig de contracten die de instelling is
aangegaan – een wezenlijke verslechtering van haar kredietkwaliteit zoals een
verlaging van haar externe kredietbeoordeling met drie stappen. De omvang van deze materiële verslechtering wordt
regelmatig geëvalueerd en aan de bevoegde autoriteit gemeld. 3.
De instelling voegt een extra uitstroom toe die
overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ingevolge het effect van een
ongunstig marktscenario op de activiteiten van de instelling op het gebied van
de in bijlage II genoemde contracten, indien deze activiteiten van materieel
belang zijn. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen tot vaststelling van de toepassingsvoorwaarden in verband
met het begrip materialiteit alsook van methoden voor het meten van deze extra
uitstroom. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de
in de tweede alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. 4.
De instelling voegt een extra uitstroom toe die
overeenstemt met de marktwaarde van effecten of andere activa die short zijn
verkocht en binnen de tijdhorizon van 30 dagen moeten worden geleverd, tenzij
zij eigenaar is van de te leveren effecten of deze heeft geleend op voorwaarden
waarbij zij pas na de tijdhorizon van 30 dagen moeten worden teruggegeven en de
effecten geen deel uitmaken van de liquide activa van de instelling. Artikel 412
Uitstromen uit krediet- en liquiditeitsfaciliteiten 1.
Instellingen rapporteren uitstromen uit krediet- en
liquiditeitsfaciliteiten, die worden bepaald als een percentage van het
maximale bedrag dat kan worden opgenomen. Bij de beoordeling van het maximale bedrag dat kan worden opgenomen,
kan de overeenkomstig artikel 406 bepaalde waarde van te stellen zekerheid
buiten beschouwing worden gelaten, indien de instelling de zekerheid kan
hergebruiken en indien de zekerheid de vorm heeft van liquide activa
overeenkomstig artikel 404. De te
stellen zekerheid mogen geen activa zijn die zijn uitgegeven door de tegenpartij
van de faciliteit of een met haar verbonden lichaam. Indien de instelling over de noodzakelijke informatie beschikt, wordt
het maximale bedrag dat kan worden opgenomen voor krediet- en
liquiditeitsfaciliteiten die worden verleend aan SSPE's, bepaald als het
maximale bedrag dat kan worden opgenomen gelet op de eigen verplichtingen van
een SSPE die in de loop van de volgende 30 dagen komen te vervallen. 2.
Het maximale bedrag dat kan worden opgenomen uit
onbenutte krediet- en liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 5 %
indien deze kunnen worden ingedeeld bij de categorie uitzettingen op
particulieren en kleine partijen in het kader van de standaard- of
IRB-benadering voor het kredietrisico. 3.
Het maximale bedrag dat kan worden opgenomen uit
onbenutte krediet- en liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 10 %
wanneer deze aan de volgende voorwaarden voldoen: a) zij kunnen niet worden ingedeeld onder de categorie uitzettingen op
particulieren en kleine partijen in het kader van de standaard- of
IRB-benadering voor het kredietrisico; b) zij zijn verleend aan andere dan financiële cliënten; c) zij zijn niet verleend ter vervanging van financiering van de cliënt in
gevallen waarin deze op de financiële markten niet aan zijn
financieringsbehoeften kan voldoen. 4.
Het maximale bedrag dat kan worden opgenomen uit
onbenutte krediet- en liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 100 %. Dit geldt met name voor: (a)
liquiditeitsfaciliteiten die de instelling aan
SSPE's heeft verleend; (b)
regelingen waarbij de instellingen ertoe gehouden
is activa van een SSPE te kopen of te ruilen. 5.
Instellingen die zijn opgezet en worden ondersteund
door een centrale of regionale regering van een lidstaat, kunnen de
behandelingen in de leden 2 en 3 in afwijking van lid 4 ook toepassen op
krediet- en liquiditeitsfaciliteiten die aan instellingen worden verleend met
als enig oogmerk de rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van
stimuleringsleningen die kunnen worden ingedeeld bij de in die leden genoemde
categorieën uitzettingen. Deze
stimuleringsleningen zijn uitsluitend beschikbaar voor personen die geen
financiële cliënten zijn, op een niet-concurrerende non-profitbasis ter
bevordering van publieke beleidsdoelstellingen van de centrale of regionale
regering van die lidstaat. Opnemingen
ten laste van dergelijke faciliteiten zijn slechts mogelijk na een verzoek om
een stimuleringslening en tot maximaal het gevraagde bedrag. Artikel 413
Instromen 1.
Instellingen rapporteren hun gemaximeerde
liquiditeitsinstromen. Gemaximeerde
liquiditeitsinstromen zijn de liquiditeitsinstromen die beperkt zijn tot 75 %
van de liquiditeitsuitstromen. Instellingen
kunnen liquiditeitsinstromen uit bij andere instellingen geplaatste deposito's
die in aanmerking komen voor de in artikel 108, lid 6, of artikel 108, lid 7,
beschreven behandelingen, van deze limiet uitsluiten. 2.
De liquiditeitsinstromen worden gemeten over de
volgende 30 dagen. Zij omvatten
uitsluitend contractuele instromen uit uitzettingen die nog niet zijn vervallen
en ten aanzien waarvan de bank geen reden heeft om aan te nemen dat zij binnen
de tijdhorizon van 30 dagen niet zouden worden nagekomen. De instroom wordt als geheel in aanmerking genomen, met uitzondering
van het volgende: (a)
gelden die zijn verschuldigd door andere dan financiële
cliënten, worden verminderd met 50 % van hun waarde of, indien dit cijfer
hoger is, met de contractuele verplichtingen jegens die cliënten om de
financiering te verlengen. Dit is
niet van toepassing op gelden die zijn verschuldigd ingevolge gedekte
leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in
artikel 188 die zijn gedekt door liquide activa overeenkomstig artikel 404; (b)
gelden die zijn verschuldigd ingevolge gedekte
leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in
artikel 188 en indien deze zijn gedekt door liquide activa, worden buiten
beschouwing gelaten tot de waarde zonder inaanmerkingneming van de
reductiefactoren voor de liquide activa en worden volledig meegerekend voor de
resterende verschuldigde gelden; (c)
in het geval van verschuldigde gelden die door de
instelling die deze gelden verschuldigd is, worden behandeld overeenkomstig
artikel 410, lid 4, worden onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten en
andere ontvangen vorderingen niet in aanmerking genomen. 3.
Lasten en baten die uit de in bijlage II genoemde
contracten worden verwacht over de tijdhorizon van 30 dagen, worden weergegeven
op nettobasis voor alle tegenpartijen en vermenigvuldigd met 100 % in het
geval van een netto te ontvangen bedrag. Op nettobasis betekent ook zonder inaanmerkingneming van te ontvangen
zekerheden die kwalificeren als liquide activa uit hoofde van artikel 404. 4.
De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming
verlenen om, in afwijking van lid 2, onder c), per geval een hogere instroom
toe te passen, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: (a)
er zijn redenen om een hogere instroom te
verwachten, zelfs in het kader van een individuele stresssituatie; (b)
de tegenpartij is een moeder- of dochterinstelling
van de instelling of een andere dochter van dezelfde moederinstelling dan wel
verbonden met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1,
van Richtlijn 83/349/EEG; (c)
een overeenkomstige symmetrische of gematigder
uitstroom wordt toegepast door de tegenpartij in afwijking van artikel 413; (d)
de instelling en de tegenpartij zijn gevestigd in
dezelfde lidstaat tenzij artikel 18, lid 1, onder b), van toepassing is. Wanneer een dergelijke hogere instroom mag worden
toegepast, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van die beslissing
en de redenen daarvoor. De
voorwaarden voor dergelijke hogere instromen worden regelmatig geëvalueerd door
de bevoegde autoriteiten. 5.
Instellingen rapporteren geen instromen uit
overeenkomstig artikel 404 gerapporteerde liquide activa, behalve verschuldigde
betalingen betreffende de activa die niet weerspiegeld worden in de marktwaarde
van het actief. 6.
Instellingen rapporteren geen instromen uit nieuwe
aangegane verplichtinen of uitgegeven instrumenten. 7.
Instellingen nemen liquiditeitsinstromen die zullen
worden ontvangen in derde landen waar er overdrachtsbeperkingen gelden of die
in een niet-converteerbare valuta luiden, alleen in aanmerking voor zover zij
overeenstemmen met uitstromen in het derde land of de valuta in kwestie. Titel III
Rapportage inzake stabiele financiering Artikel 414
Elementen die stabiele financiering verschaffen 1.
De volgende elementen worden afzonderlijk aan de
bevoegde autoriteiten gerapporteerd, zodat een evaluatie kan worden verricht
inzake beschikbaarheid van stabiele financiering: a) eigen vermogen; b) de volgende verplichtingen die niet zijn opgenomen onder a): i) retaildeposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van
artikel 409, lid 1; ii) retaildeposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van
artikel 409, lid 2; iii) deposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van artikel 410,
lid 4; iv) van de onder iii) bedoelde deposito's, die welke onder een
depositogarantie vallen overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG of een gelijkwaardige
depositogarantie van een derde land in de zin van artikel 409, lid 2; v) van de onder iii) bedoelde deposito's, die welke onder artikel 410, lid
3, onder b), vallen; vi) gedeponeerde bedragen die niet onder i) of iii) vallen indien zij niet
door financiële cliënten zijn gedeponeerd; vii) alle financiering verworven bij financiële cliënten; viii) afzonderlijk voor bedragen die respectievelijk onder vi) en vii)
vallen, financiering uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde
transacties als omschreven in artikel 188 –
gedekt door liquide activa als beschreven in
artikel 404; –
gedekt door andere activa; ix) verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten die in
aanmerking komen voor de behandeling van artikel 124; x) andere verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten; xi) overige verplichtingen. 2.
Waar van toepassing, worden alle elementen
ingedeeld onder de volgende vijf tijdsintervallen volgens hun vervaldatum dan
wel, indien deze eerder valt, de vroegste datum waarop zij contractueel kunnen
worden opgevraagd: (a)
binnen drie maanden; (b)
tussen drie en zes maanden; (c)
tussen zes en negen maanden; (d)
tussen negen en twaalf maanden; (e)
na twaalf maanden. Artikel 415
Elementen die stabiele financiering vereisen 1.
De volgende elementen worden afzonderlijk aan de
bevoegde autoriteiten gerapporteerd, zodat een evaluatie kan worden verricht
inzake de behoeften aan stabiele financiering: (a)
de in artikel 404 bedoelde activa, opgesplitst naar
het soort actief; (b)
effecten en geldmarktinstrumenten die niet zijn
opgenomen onder a); (c)
gewone aandelen van niet-financiële lichamen die
zijn genoteerd op een belangrijke index aan een erkende beurs; (d)
andere gewone aandelen; (e)
goud; (f)
andere edele metalen; (g)
niet-verlengbare leningen en te ontvangen posten,
afzonderlijk naargelang de leningnemers de volgende personen zijn: i) natuurlijke personen, met uitzondering van eenmanszaken en
personenvennootschappen; i bis) kleine en middelgrote
ondernemingen, waarbij het gezamenlijke deposito geplaatst door die cliënt of
groep van verbonden cliënten kleiner is dan 1 miljoen EUR; ii) landen, centrale banken en publiekrechtelijke lichamen; iii) niet onder i) en ii) bedoelde cliënten, met uitzondering van financiële
cliënten; iv) overige leningnemers. (h)
te ontvangen bedragen uit derivaten; (i)
overige activa; (j)
onbenutte kredietfaciliteiten die kwalificeren als
"middelhoog risico" of "middelhoog/laag risico" volgens
bijlage I. 2.
Waar van toepassing, worden alle elementen
ingedeeld onder de vijf in artikel 414, lid 2, beschreven tijdsintervallen. DEEL 7
HEFBOOMWERKING Artikel 416
Berekening van de hefboomwerkingsratio 1.
Instellingen berekenen hun hefboomwerkingsratio
overeenkomstig de in de leden 2 tot en met 10 uiteengezette methodologie. 2.
De hefboomwerkingsratio wordt berekend als het quotiënt
van de kapitaalwaarde van een instelling en de totale-uitzettingswaarde van een
instelling, uitgedrukt als een percentage. Instellingen berekenen de hefboomwerkingsratio als
het gewone rekenkundige gemiddelde van de maandelijkse hefboomwerkingsratio's
over een kwartaal. 3.
Voor de toepassing van lid 2 is de kapitaalwaarde
gelijk aan het tier 1-kapitaal. 4.
De totale-uitzettingswaarde is de som van de
uitzettingswaarden van alle activa en posten buiten de balanstelling die niet
zijn afgetrokken bij de vaststelling van de in lid 3 bedoelde kapitaalwaarde. Wanneer instellingen relevante lichamen waarin zij
significante beleggingen hebben, opnemen in hun consolidatie overeenkomstig het
relevante kader voor financiële verslaggeving maar niet in hun bedrijfseconomische
consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1, verminderen
zij hun totale-uitzettingswaarde met het bedrag dat wordt verkregen door
vermenigvuldiging van het onder a) gedefinieerde bedrag met de onder b)
gedefinieerde factor: (a)
de som van de uitzettingswaarden van alle activa
van de relevante lichamen die zijn opgenomen in de consolidatie overeenkomstig
het relevante kader voor financiële verslaggeving maar niet in de
bedrijfseconomische consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van
deel 1; (b)
de som van de aftrekken van tier 1-bestanddelen
zoals vermeld in artikel 33, lid 1, onder i) en in artikel 53, onder d),
gedeeld door het totale bedrag van tier 1-bestanddelen. Instellingen waarderen activa en posten buiten de
balanstelling overeenkomstig artikel 94. 5.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van
activa overeenkomstig de volgende beginselen: (a)
de uitzettingswaarde van activa, met uitzondering
van de in bijlage II genoemde posten en kredietderivaten, is de
uitzettingswaarde als omschreven in artikel 106, lid 1; (b)
materiële of financiële zekerheden, garanties of
instrumenten om het kredietrisico te verminderen, mogen niet worden gebruikt om
de uitzettingswaarde van activa te beperken; (c)
verrekening van leningen en deposito's is niet
toegestaan. 6.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van de in
bijlage II genoemde posten en kredietderivaten overeenkomstig de methode
gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde van artikel 269 dan wel
overeenkomstig de oorspronkelijke uitzettingsmethode van artikel 270. Instellingen mogen de oorspronkelijke
uitzettingsmethode gebruiken om de uitzettingswaarde van de in bijlage II
genoemde posten en kredietderivaten te bepalen, doch uitsluitend als zij deze
methode ook gebruiken om de uitzettingswaarde van deze posten te bepalen om aan
de eigenvermogensvereisten van artikel 87 te voldoen. Bij de bepaling van de uitzettingswaarde van in
bijlage II genoemde posten en kredietderivaten houden instellingen rekening met
de gevolgen van schuldvernieuwingscontracten en andere
verrekeningsovereenkomsten, met uitzondering van contractuele cross-product
verrekeningsovereenkomsten, overeenkomstig artikel 289. 7.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van
repo's, verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties
met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties overeenkomstig
artikel 215, leden 1 tot en met 3, en houden rekening met de gevolgen van
kaderverrekeningsovereenkomsten, met uitzondering van contractuele
cross-product verrekeningsovereenkomsten, overeenkomstig artikel 201. 8.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van
posten buiten de balanstelling, met uitzondering van de in bijlage II genoemde
posten, kredietderivaten, repo's, verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en
margeleningstransacties, overeenkomstig artikel 160, lid 1, behoudens de
volgende wijzigingen in de in dat artikel genoemde specifieke
kredietrisicoaanpassingen: (a)
de specifieke kredietrisicoaanpassing voor
onbenutte kredietfaciliteiten, die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder
opzegtermijn kunnen worden opgezegd, als bedoeld in bijlage I, punt 4, eerste
streepje, bedraagt 10 %; (b)
de specifieke kredietrisicoaanpassing voor alle
andere in bijlage I genoemde posten buiten de balanstelling bedraagt 100 %. 9.
Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van in
bijlage II genoemde posten en kredietderivaten die posten buiten de
balanstelling vertegenwoordigen, overeenkomstig de in lid 6 beschreven
benadering. Instellingen bepalen de uitzettingswaarde van
repo's, verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties
met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die posten buiten
de balanstelling vertegenwoordigen, overeenkomstig de in lid 7 beschreven
methode. 10.
Voor de in de leden 6, 7 en 9 bedoelde berekeningen
kunnen instellingen ervoor kiezen het in lid 5, onder b), beschreven beginsel
niet toe te passen. Artikel 417
Rapportagevereiste 1.
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten alle
vereiste informatie ter hand over de hefboomwerkingsratio en de bestanddelen
daarvan zoals bepaald in artikel 416. De bevoegde autoriteiten houden rekening met deze informatie wanneer
zij de in artikel 92 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
bedoelde toetsing door de toezichthouder verrichten. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA op haar
verzoek de van de instellingen ontvangen informatie ter hand teneinde de in
artikel 482 bedoelde evaluatie te vergemakkelijken. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter vaststelling van de inhoud en het format van de uniforme
rapportagetemplate voor het in lid 1 bedoelde rapportagevereiste, de
instructies voor het gebruik van die template alsook de rapportagefrequenties
en –data. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. DEEL 8
OPENBAARMAKING DOOR INSTELLINGEN Titel I
Algemene beginselen Artikel 418
Reikwijdte van de verplichtingen inzake openbaarmaking 1.
Behoudens het bepaalde in artikel 419 maken
instellingen de in titel II bedoelde informatie openbaar. 2.
De bevoegde autoriteiten verlenen de in het kader
van deel 3 bedoelde toestemming voor de in titel III bedoelde instrumenten en
methodologieën alleen als instellingen de daarin genoemde informatie openbaar
maken. 3.
Instellingen leggen formeel vast hoe ze willen
voldoen aan de in dit deel beschreven informatieverplichtingen; tevens leggen
zij vast op welke wijze ze de door henzelf openbaar gemaakte informatie
evalueren en ook op juistheid controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren. Instellingen leggen ook vast op welke wijze ze
nagaan of hun bekendmakingen marktdeelnemers volledig inzicht in hun
risicoprofiel verschaffen. Ingeval deze bekendmakingen marktdeelnemers geen
volledig inzicht in het risicoprofiel verschaffen, maken instellingen naast de
overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie de benodigde informatie
openbaar. Zij zijn evenwel slechts
verplicht informatie openbaar te maken die van materieel belang is en niet
wanneer deze hun eigendom of vertrouwelijk is overeenkomstig artikel 149. 4.
Instellingen moeten op verzoek hun
ratingbeslissingen tegenover kleine en middelgrote ondernemingen en andere
bedrijven die een krediet aanvragen, schriftelijk toelichten. De desbetreffende administratieve kosten moeten
in verhouding staan tot de omvang van het krediet. Artikel 419
Informatie die als niet-materieel, eigendom of
vertrouwelijk wordt beschouwd 1.
Instellingen mogen de openbaarmaking van informatie
over een of meer van de in titel II genoemde onderdelen achterwege laten als
deze niet van materieel belang wordt geacht, met uitzondering van de in artikel
424 genoemde informatie. Openbaar gemaakte informatie wordt als van
materieel belang beschouwd indien de weglating of onjuiste vermelding ervan het
oordeel of de beslissing zou kunnen wijzigen of beïnvloeden van een gebruiker
die zich voor het nemen van economische besluiten op die informatie baseert. 2.
Instellingen mogen ook de openbaarmaking van
informatie over een of meer onderdelen uit de titels II en III achterwege laten
als deze informatie overeenkomstig de tweede en derde alinea als eigendom of
vertrouwelijk wordt beschouwd, met uitzondering van de in artikel 424 genoemde
informatie. Informatie wordt als eigendom van een instelling
beschouwd indien het openbaar maken van die informatie haar concurrentiepositie
zou ondermijnen. Dit geldt tevens
voor informatie over producten of systemen die, indien zij met concurrenten zou
worden gedeeld, de waarde van de investeringen van de instelling in die
producten of systemen zou verminderen. Informatie wordt als vertrouwelijk beschouwd
indien er sprake is van verplichtingen jegens cliënten of relaties met andere
tegenpartijen op grond waarvan een instelling aan geheimhouding gebonden is. 3.
In de in lid 2 genoemde gevallen geeft de desbetreffende
instelling in haar informatie aan dat bepaalde onderdelen ontbreken en waarom
deze ontbreken; wel publiceert zij meer algemene informatie over het
desbetreffende onderdeel, tenzij deze als eigendom of vertrouwelijk moet worden
geklasseerd. Artikel 420
Frequentie van openbaarmaking Instellingen publiceren de op grond van dit
deel vereiste informatie ten minste eenmaal per jaar. De publicatie van informatie die jaarlijks
wordt verstrekt, geschiedt in samenhang met de publicatie van de jaarrekening. Instellingen beoordelen of het noodzakelijk is
sommige of alle informatie meer dan eenmaal per jaar bekend te maken in het
licht van de relevante kenmerken van hun verrichtingen, zoals de omvang van hun
transacties, het spectrum van hun activiteiten, hun aanwezigheid in
verschillende landen, hun betrokkenheid bij verschillende financiële sectoren,
en hun deelname aan internationale financiële markten en betalings-,
afwikkelings- en clearingsystemen. Bij
deze beoordeling wordt bijzondere aandacht besteed aan de mogelijke behoefte
aan een frequentere openbaarmaking van de in artikel 424 en artikel 425, onder
b) tot en met e), genoemde gegevens en van informatie over de risicopositie en
andere parameters die aan snelle verandering onderhevig zijn. Artikel 421
Wijze van openbaarmaking 1.
Instellingen kunnen zelf bepalen in welk medium en
op welke locatie zij willen voldoen aan de in dit deel vastgestelde
verplichtingen inzake openbaarmaking en hoe ze de juistheid van hun informatie
wil controleren. Voor zover mogelijk
wordt alle informatie in één medium of op één locatie verstrekt. 2.
Als dezelfde informatie door een instelling al in
het kader van boekhoudkundige, beurs- of andere verplichtingen is gepubliceerd,
kan dit deel worden beschouwd als zijnde nageleefd. Als de informatie niet in de jaarrekening wordt opgenomen, dienen
instellingen aan te geven waar deze informatie wel kan worden gevonden. Titel II
Technische criteria inzake transparantie en openbaarmaking Artikel 422
Doelstellingen en gedragslijnen op het gebied van
risicomanagement 1.
Instellingen maken hun doelstellingen op het gebied
van risicomanagement voor elke afzonderlijke risicocategorie openbaar, met
inbegrip van de in deze titel bedoelde risico's: Deze openbaarmaking omvat: a) de strategieën en procedures om deze risico's te beheren; b) de structuur en organisatie van de relevante risicomanagementfunctie,
met inbegrip van informatie over haar autoriteit en statuut, of andere passende
regelingen; c) de reikwijdte en de aard van de risicorapporterings- en risicomeetsystemen; d) de gedragslijnen inzake het afdekken en verminderen van risico's, en de
strategieën en procedures om de voortdurende effectiviteit van afdekkings- en
verminderingsinstrumenten te bewaken; e) een door het leidinggevende orgaan goedgekeurde verklaring over de
toereikendheid van de risicomanagementregeling van de instelling, waarin de
garantie wordt gegeven dat de door haar opgezette risicomanagementsystemen
passend zijn voor haar profiel en strategie; f) een bondige, door het leidinggevende orgaan goedgekeurde
risicoverklaring, waarin het algemene risicoprofiel van de instelling in het
licht van haar bedrijfsstrategie kort wordt uiteengezet. Deze verklaring omvat belangrijke ratio's en kengetallen die externe
belanghebbenden een bondig maar volledig overzicht geven van de wisselwerking
tussen het risicoprofiel van de instelling en de door het leidinggevende orgaan
vastgestelde risicotolerantie. 2.
Ten aanzien van governanceregelingen maken
instellingen de volgende informatie, met inbegrip van regelmatige, ten minste
jaarlijkse updates, openbaar: a) het aantal bestuursmandaten dat wordt gehouden door leden van het
leidinggevende orgaan; b) het aanwervingsbeleid voor de selectie van leden van het leidinggevende
orgaan en hun kennis, vaardigheden en deskundigheid; c) het beleid inzake diversiteit wat de selectie van leden van het
leidinggevende orgaan betreft, de in dat beleid vastgestelde doelstellingen en
relevante streefdoelen, en de mate waarin deze doelstellingen en streefdoelen
zijn verwezenlijkt; d) het feit of de instelling een aparte risicocommissie heeft ingesteld en
het aantal malen dat deze commissie is bijeengekomen; e) de beschrijving van de informatiestroom over risico's naar het
leidinggevende orgaan in zijn toezichtfunctie. Artikel 423
Toepassingsgebied Instellingen maken de volgende informatie
openbaar met betrekking tot het toepassingsgebied van de in deze verordening
bedoelde vereisten overeenkomstig Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau]: (a)
de naam van de instelling waarop de in deze
verordening vervatte vereisten van toepassing zijn; (b)
een overzicht van de verschillen in de
consolidatiegrondslag met het oog op de verslaglegging en het
bedrijfseconomische toezicht, met een korte beschrijving van de daarin
opgenomen entiteiten en een toelichting of zij: i) volledig geconsolideerd zijn; ii) proportioneel geconsolideerd zijn; iii) afgetrokken zijn van het eigen vermogen; iv) noch geconsolideerd, noch afgetrokken zijn; (c)
eventuele bestaande of verwachte feitelijke of
juridische belemmeringen van materieel belang die een onmiddellijke overdracht
van eigen vermogen of terugbetaling van verplichtingen tussen de
moederonderneming en haar dochterondernemingen in de weg staan; (d)
het totale bedrag waarmee het feitelijke eigen
vermogen onder de ondergrens ligt ten opzichte van alle dochterondernemingen
die niet in de consolidatie zijn opgenomen, en de naam of namen van deze
dochterondernemingen; (e)
in voorkomend geval, de omstandigheid dat gebruik
wordt gemaakt van de in de artikelen 6 en 8 vastgestelde bepalingen. Artikel 424
Eigen vermogen 1.
Instellingen maken de volgende informatie openbaar
over hun eigen vermogen: (a)
een volledig overzicht van de uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen, aanvullend-tier 1-bestanddelen, tier 2-elementen
en filters en aftrekken die worden toegepast overeenkomstig de artikelen 29 tot
en met 32, 33, 53, 63 en 74 op het eigen vermogen van de instelling en de
balans in de gecontroleerde jaarrekening van de instelling; (b)
een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van
de uit gewone aandelen bestaande tier 1- en aanvullend-tier 1-instrumenten en
tier 2-instrumenten die zijn uitgegeven door de instelling; (c)
de volledige voorwaarden voor alle uit gewone
aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten; (d)
een aparte vermelding van de aard en de bedragen
van: i) iedere prudentiële filter die is toegepast overeenkomstig de artikelen 29
tot en met 32; ii) iedere aftrek die is verricht overeenkomstig de artikelen 33, 53 en 63; iii) elementen die niet in mindering zijn gebracht overeenkomstig de
artikelen 44, 45, 53, 63 en 74; (e)
een beschrijving van alle beperkingen die zijn
toegepast op de berekening van het eigen vermogen overeenkomstig deze
verordening en de instrumenten, prudentiële filters en aftrekken waarop die
beperkingen van toepassing zijn; (f)
wanneer instellingen kapitaalratio's openbaar maken
die zijn berekend met behulp van eigenvermogensbestanddelen die op een andere
dan de in deze verordening vastgestelde basis zijn bepaald, een omstandige
beschrijving van de basis waarop die kapitaalratio's zijn berekend. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen om nadere invulling te geven aan uniforme templates voor de
onder lid 1, onder a), b), d) en e), bedoelde openbaarmaking. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen overeenkomstig de in
de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 425
Eigenvermogensvereisten Instellingen maken de volgende informatie
openbaar betreffende hun naleving van de in artikel 87 en artikel 72 van
Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] vastgestelde vereisten: (a)
een samenvatting van de benadering die de
instelling hanteert om te beoordelen of haar interne kapitaal toereikend is om
huidige en toekomstige activiteiten te ondersteunen; (b)
voor instellingen die de risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig hoofdstuk 2 van deel 3, titel II, berekenen,
8 % van de risicogewogen uitzettingsbedragen voor elk van de in
artikel 107 gespecificeerde categorieën uitzettingen; (c)
voor instellingen die de risicogewogen uitzettingsbedragen
overeenkomstig hoofdstuk 3 van deel 3, titel II, berekenen, 8 % van de
risicogewogen uitzettingsbedragen voor elk van de in artikel 142
gespecificeerde categorieën uitzettingen. Voor de categorie uitzettingen op particulieren en kleine partijen is
dit vereiste van toepassing op alle categorieën uitzettingen waarmee de
verschillende in artikel 149, leden 1 tot en met 4, bedoelde correlaties
overeenstemmen. Voor de categorie
uitzettingen in aandelen is het vereiste van toepassing op: i) alle benaderingen die in artikel 150 worden vermeld; ii) ter beurze verhandelde uitzettingen, private equity-uitzettingen in
voldoende gediversifieerde portefeuilles, en andere uitzettingen; iii) uitzettingen waarop een prudentiële overgangsregeling inzake eigenvermogensvereisten
van toepassing is; iv) uitzettingen waarop uitzonderingsbepalingen inzake
eigenvermogensvereisten van toepassing zijn; (d)
eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig
artikel 87, onder b) en c); (e)
eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig
deel 3, titel III, afdelingen 2 tot en met 4, en afzonderlijk openbaar gemaakt. De instellingen die hun risicogewogen
uitzettingsbedragen berekenen overeenkomstig artikel 148, lid 5, of artikel 150,
lid 2, maken de uitzettingen openbaar per categorie van de tabel 1 in artikel 148,
lid 5, of per risicogewicht als vermeld in artikel 150, lid 2. Artikel 426
Informatie over het tegenpartijkredietrisico Instellingen maken de volgende informatie
openbaar over hun tegenpartijkredietrisico als omschreven in titel III,
hoofdstuk 6: (a)
uiteenzetting van de gehanteerde methode om intern
kapitaal en kredietlimieten voor kredietvorderingen op tegenpartijen toe te
kennen; (b)
uiteenzetting van de gedragslijnen voor het
aantrekken van zekerheden en het vormen van kredietreserves; (c)
uiteenzetting van de gedragslijnen ten aanzien van
wrong-way riskposities; (d)
uiteenzetting van de gevolgen van het bedrag aan
zekerheden dat de instelling zou moeten verstrekken in geval van een verlaging
van haar kredietrating; (e)
positieve reële brutowaarde van contracten, uit
verrekening behaalde voordelen, verrekende actuele kredietvordering,
aangehouden zekerheden en netto kredietvordering uit hoofde van derivaten. Netto kredietvordering uit hoofde van derivaten
is de kredietvordering uit hoofde van derivatentransacties na
inaanmerkingneming van de voordelen van in rechte afdwingbare
verrekeningsovereenkomsten en zekerheidsovereenkomsten; (f)
meting van de uitzettingswaarde volgens de in de
afdelingen 3 tot en met 6 van titel III, hoofdstuk 6, uiteengezette methoden,
naargelang welke van toepassing is; (g)
de nominale waarde van afdekkingsinstrumenten in de
vorm van kredietderivaten, en de verdeling van actuele kredietvordering
uitgesplitst naar type kredietvordering; (h)
de nominale bedragen van transacties met betrekking
tot kredietderivaten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen gebruik voor
de eigen kredietportefeuille van de instelling en gebruik voor de
intermediatieactiviteiten, met inbegrip van de verdeling van de gebruikte
kredietderivaten, binnen elke productgroep verder uitgesplitst naar gekochte en
verkochte protectie; (i)
de raming van α indien de instelling van de
bevoegde autoriteiten de toestemming heeft gekregen om α te ramen. Artikel 427
Kapitaalbuffers 1.
Een instelling maakt de volgende informatie openbaar
betreffende haar naleving van het vereiste inzake een anticyclische
kapitaalbuffer als bedoeld in titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn [in te
voegen door het Publicatiebureau]: a) de geografische spreiding van haar kredietvorderingen die van belang
zijn voor de berekening van haar anticyclische kapitaalbuffer; b) de samenstelling van haar instellingsspecifieke anticyclische
kapitaalbuffer. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen die nadere invulling geven aan de in lid 1 bedoelde
verplichtingen inzake openbaarmaking. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Artikel 428
Kredietrisicoaanpassingen Instellingen maken de volgende informatie
openbaar betreffende hun blootstelling aan kredietrisico en verwateringsrisico: (a)
de definitie van de begrippen „achterstallig” en
„dubieus” voor verslagleggingsdoeleinden; (b)
een beschrijving van de toegepaste benaderingen en
methoden om aanpassingen voor het specifieke en algemene kredietrisico vast te
stellen; (c)
het totale bedrag van de uitzettingen na
compensaties en zonder rekening te houden met het effect van
kredietrisicolimitering, en het gemiddelde bedrag van de uitzettingen gedurende
de desbetreffende periode, onderverdeeld in categorieën; (d)
de geografische spreiding van de uitzettingen,
uitgesplitst naar grotere gebieden volgens materiële categorie uitzettingen, zo
nodig nader gespecificeerd; (e)
de spreiding van de uitzettingen naar bedrijfstak
of tegenpartij, uitgesplitst naar categorie, en zo nodig nader gespecificeerd; (f)
de indeling van alle uitzettingen naar resterende
looptijd, uitgesplitst naar categorie, en zo nodig nader gespecificeerd; (g)
per significante bedrijfstak of tegenpartij, het
bedrag van: i) dubieuze uitzettingen en achterstallige uitzettingen, afzonderlijk
verstrekt; ii) aanpassingen voor het specifieke en algemene kredietrisico; iii) kosten voor aanpassingen voor het specifieke en algemene kredietrisico
gedurende de rapportageperiode; (h)
het bedrag van de dubieuze uitzettingen en achterstallige
uitzettingen, afzonderlijk verstrekt, uitgesplitst naar belangrijke
geografische gebieden, zo mogelijk met inbegrip van de bedragen van de
aanpassingen voor het specifieke en algemene kredietrisico voor elk geografisch
gebied; (i)
de afstemming van wijzigingen in de aanpassingen
voor het specifieke en algemene kredietrisico voor dubieuze uitzettingen,
afzonderlijk vermeld. De informatie
omvat: i) een beschrijving van het soort aanpassingen voor het specifieke en
algemene kredietrisico; ii) de openingsbalans; iii) de bedragen die gedurende de rapportageperiode ter dekking van de
kredietrisicoaanpassingen zijn uitgetrokken; iv) de bedragen die opzij zijn gezet of teruggeboekt met het oog op
vermoedelijke verliezen op uitzettingen gedurende de rapportageperiode,
eventuele andere aanpassingen zoals onder meer die welke worden bepaald door
wisselkoersverschillen, bedrijfscombinaties, de verwerving en afstoting van
dochterondernemingen, en de overdracht tussen kredietrisicoaanpassingen; v) de eindbalans. Aanpassingen voor het specifieke kredietrisico
en ontvangsten op afgeboekte vorderingen die rechtstreeks in de winst- en
verliesrekening worden opgenomen, worden afzonderlijk openbaar gemaakt. Artikel 429
Gebruik van EKBI's Voor instellingen die de risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, berekenen,
wordt de volgende informatie openbaar gemaakt voor elk van de in artikel 107
gespecificeerde categorieën uitzettingen: (a)
de namen van de aangewezen EKBI's en
exportkredietinstellingen en de redenen die aan eventuele wijzigingen ten
grondslag liggen; (b)
de categorieën uitzettingen waarvoor elke EKBI of
exportkredietinstelling wordt gebruikt; (c)
een beschrijving van de procedure waarbij de
kredietbeoordelingen van uitgiften en uitgevende instellingen worden
overgedragen op niet in de handelsportefeuille opgenomen posten; (d)
de wijze waarop de externe rating van elke
aangewezen EKBI of exportkredietinstelling bij de in deel 3, titel II,
hoofdstuk 2, voorgeschreven kredietkwaliteitscategorieën is ondergebracht,
rekening houdende met het feit dat deze informatie niet behoeft te worden
openbaar gemaakt indien de instelling de door de EBA gepubliceerde
standaardindeling volgt; (e)
de uitzettingswaarden en de uitzettingswaarden na
kredietrisicolimitering die bij elke in deel 3, titel II, hoofdstuk 2,
voorgeschreven kredietkwaliteitscategorie zijn ondergebracht, alsook de
uitzettingswaarden die op het eigen vermogen in mindering zijn gebracht. Artikel 430
Marktrisico De instellingen die hun eigenvermogensvereisten
berekenen overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder b) en c), maken deze
vereisten afzonderlijk openbaar voor elk risico waarnaar in die bepalingen
wordt verwezen. Daarnaast wordt het
eigenvermogensvereiste voor specifiek renterisico van securitisatieposities
afzonderlijk openbaar gemaakt. Artikel 431
Operationeel risico Instellingen maken de benaderingen voor de
beoordeling van de eigenvermogensvereisten voor het operationele risico die zij
mogen toepassen, openbaar, tezamen
met een beschrijving van de in artikel 301, lid 2, bedoelde methodologie,
indien hiervan door een instelling gebruik wordt gemaakt, alsmede een
bespreking van de relevante interne en externe factoren waarmee in haar
meetbenadering rekening wordt gehouden, en in het geval van een gedeeltelijk
gebruik, de reikwijdte en het toepassingsgebied van de verschillende toegepaste
methodologieën. Artikel 432
Niet in de handelsportefeuille opgenomen posities in
aandelen Instellingen maken de volgende informatie over
niet in de handelsportefeuille opgenomen posities in aandelen openbaar: (a)
de differentiatie tussen uitzettingen op basis van
de daarmee beoogde doelen, met inbegrip van kapitaalwinst en strategische
oogmerken, en een overzicht van de toegepaste verslagleggingstechnieken en
waarderingsmethoden, met inbegrip van belangrijke aannames en praktijken die op
de waardering van invloed zijn, alsmede eventuele belangrijke veranderingen in
deze praktijken; (b)
de balanswaarde en de reële waarde van deze
uitzettingen en, bij ter beurze verhandelde aandelenposities, een vergelijking
met de marktkoers indien deze materieel van de reële waarde afwijkt; (c)
het soort, de aard en de bedragen van ter beurze
verhandelde uitzettingen, van niet ter beurze verhandelde private
equity-uitzettingen in voldoende gediversifieerde portefeuilles, en van andere
uitzettingen; (d)
de gecumuleerde gerealiseerde winsten of verliezen
uit verkopen en liquidaties in de betrokken periode; en (e)
de som van de niet-gerealiseerde winsten of
verliezen, de som van de latente herwaarderingswinsten of –verliezen en het
totaal van deze bedragen die in het oorspronkelijk eigen vermogen of in het
aanvullend eigen vermogen zijn opgenomen. Artikel 433
Renterisico in verband met posities die niet in de
handelsportefeuille zijn opgenomen Instellingen maken de volgende informatie
openbaar over het renterisico in verband met posities die niet in de
handelsportefeuille zijn opgenomen: (a)
de aard van het renterisico en de belangrijkste
aannames (met inbegrip van aannames inzake de aflossing van leningen en het
gedrag van deposito's zonder vaste looptijd), en de frequentie waarmee het
renterisico wordt gemeten; (b)
de wijzigingen in rendement, economische waarde of
andere relevante maatstaven die door het management bij opwaartse en
neerwaartse renteschokken worden gebruikt om het renterisico te meten,
uitgesplitst naar valuta. Artikel 434
Uitzetting op securitisatieposities Instellingen die risicogewogen
uitzettingsbedragen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 5, dan wel
eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 326 of artikel 327 berekenen,
maken de volgende informatie openbaar, voor hun handels- en
niet-handelsportefeuille afzonderlijk indien zulks relevant is: (a)
een uiteenzetting van de doelstellingen van de
instelling met betrekking tot haar securitisatieactiviteiten; (b)
de aard van andere risico’s, met inbegrip van het
aan gesecuritiseerde activa inherente liquiditeitsrisico; (c)
het soort risico’s in termen van de rangorde van de
onderliggende securitisatieposities en in termen van de activa die ten grondslag
liggen aan deze securitisatieposities die bij de hersecuritisatieactiviteiten
worden ingenomen en behouden; (d)
de verschillende taken van de instelling in het
securitisatieproces; (e)
een indicatie van de mate van betrokkenheid van de
instelling bij elk van de onder d) bedoelde taken; (f)
een beschrijving van de processen om veranderingen
in het krediet- en marktrisico van securitisatieposities in het oog te houden,
waarbij onder meer wordt vermeld hoe het gedrag van de onderliggende activa van
invloed is op securitisatie-uitzettingen en hoe deze processen verschillen voor
hersecuritisatie-uitzettingen; (g)
een beschrijving van het beleid van de instelling
ten aanzien van het gebruik van afdekkingsinstrumenten en ongedekte protectie
voor het limiteren van de risico’s van behouden securitisatie- en
hersecuritisatie-uitzettingen, waaronder per betrokken soort risico-uitzetting
ook de materiële tegenpartijen bij afdekkingstransacties; (h)
de benaderingen die de instelling in het kader van
haar securitisatieactiviteiten toepast met het oog op de berekening van
risicogewogen uitzettingsbedragen, met inbegrip van de soorten
securitisatieuitzettingen waarop elke benadering van toepassing is; (i)
de soorten SSPE's waarvan de instelling als sponsor
gebruikmaakt om uitzettingen op derden te securitiseren, waarbij tevens wordt
vermeld of, en zo ja in welke vorm en tot op welke hoogte, de instelling
uitzettingen op deze SSPE's heeft en afzonderlijk welke wel en niet op de
balans staan, evenals een lijst van de entiteiten die de instelling beheert of
adviseert en die beleggen in securitisatieuitzettingen die de instelling heeft
gesecuritiseerd of in SSPE's die door de instelling worden gesponsord; (j)
een samenvatting van de door de instelling
gehanteerde grondslagen voor de financiële verslaggeving met betrekking tot
haar securitisatieactiviteiten, met inbegrip van: i) de vermelding of de transacties als verkopen dan wel als financieringen
worden behandeld; ii) de inaanmerkingneming van de winsten op de verkopen; iii) de gevolgde methoden, belangrijkste aannames, inputs en de
veranderingen ten opzichte van de vorige periode voor de waardering van
securitisatieposities; iv) de behandeling van synthetische securitisaties indien hierop geen
andere grondslagen voor de financiële verslaggeving van toepassing zijn; v) hoe nog te securitiseren activa worden gewaardeerd en of zij in de
niet-handelsportefeuille dan wel de handelsportefeuille van de instelling zijn
opgenomen; vi) het beleid voor het opnemen van verplichtingen op de balans met
betrekking tot regelingen die de instelling ertoe kunnen nopen financiële steun
voor gesecuritiseerde activa te verstrekken; (k)
de namen van de EKBI’s die voor securitisaties
worden gebruikt en de soorten uitzettingen waarvoor elk van deze instellingen
wordt gebruikt; (l)
in voorkomend geval, een beschrijving van de
internebeoordelingsbenadering overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 5,
afdeling 3, waarbij onder meer melding wordt gemaakt van de structuur van de
internebeoordelingsprocedure en de relatie tussen interne beoordeling en
externe ratings, de gebruikmaking van interne beoordeling voor andere
doeleinden dan voor de vaststelling van kapitaalvereisten, de
controlemechanismen die van toepassing zijn op de internebeoordelingsprocedure,
inclusief de bespreking van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid daarvan,
en de toetsing van de internebeoordelingsprocedure; de soorten uitzettingen
waarop de internebeoordelingsprocedure wordt toegepast en de per soort
uitzetting gehanteerde stressfactoren voor het bepalen van de kredietverbeteringsniveaus; (m)
een toelichting van significante veranderingen die
zich sinds de laatste verslagperiode in enigerlei van de kwantitatieve gegevens
bedoeld in de punten n) tot en met q) hebben voorgedaan; (n)
voor de handels- en de niet-handelsportefeuille
afzonderlijk, de volgende informatie uitgesplitst naar soort uitzetting: i) het totale uitstaande bedrag van de uitzettingen die door de instelling
zijn gesecuritiseerd, onderverdeeld in traditionele en synthetische
securitisaties en securitisaties waarvoor de instelling alleen als sponsor
optreedt; ii) het totaalbedrag van de behouden of gekochte securitisatieposities die
op de balans staan, en van de securitisatieposities buiten de balans; iii) het totaalbedrag van nog te securitiseren activa; iv) voor gesecuritiseerde faciliteiten die aan de
vervroegdeaflossingsbehandeling onderworpen zijn, de totale opgenomen bedragen
die aan de deelnemingen van respectievelijk de initiator en de beleggers zijn
toegerekend, de voor de instelling geldende totale kapitaalvereisten wegens de
deelneming van de initiator, en de voor de instelling geldende totale
kapitaalvereisten wegens het aandeel van de beleggers in de opgenomen bedragen
en de niet-aangesproken kredietlijnen; v) het bedrag van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zijn
afgetrokken of waaraan een risicogewicht van 1 250 % is toegekend; vi) een samenvatting van de securitisatieactiviteiten van de lopende
periode met vermelding van het bedrag van de gesecuritiseerde uitzettingen en
het in aanmerking genomen verkoopresultaat (winst of verlies); (o)
voor de handels- en de niet-handelsportefeuille
afzonderlijk, de volgende informatie: i) het totaalbedrag van de behouden of gekochte securitisatieposities en
de daarmee samenhangende kapitaalvereisten, uitgesplitst naar securitisatie- en
hersecuritisatieposities en verder onderverdeeld in een zinvol aantal
risicogewicht- of kapitaalvereiste-bandbreedtes voor elke benadering die voor
het bepalen van kapitaalvereisten is gevolgd; ii) het totaalbedrag van de behouden of gekochte hersecuritisatieposities,
onderverdeeld in de positie vóór en na afdekking/verzekering en de uitzetting
op financiële garantiegevers, onderverdeeld volgens de
kredietwaardigheidscategorieën van de garantiegevers of de naam van de garantiegevers; (p)
voor de niet-handelsportefeuille en met betrekking
tot door de instelling gesecuritiseerde uitzettingen, het bedrag van de
dubieuze/achterstallige gesecuritiseerde uitzettingen en de door de instelling
gedurende de betrokken periode in aanmerking genomen verliezen, beide
onderverdeeld in categorieën; (q)
voor de handelsportefeuille, het totale uitstaande
bedrag van de uitzettingen die door de instelling zijn gesecuritiseerd en die
aan een kapitaalvereiste voor het marktrisico onderworpen zijn, onderverdeeld
in traditionele en synthetische securitisatie en per categorie; (r)
in voorkomend geval, of de instelling steun heeft
verleend in de zin van artikel 243, lid 1, en de gevolgen daarvan voor haar
eigen vermogen. Artikel 435
Beloningsbeleid 1.
In verband met het beloningsbeleid en de
beloningscultuur van de instelling ten aanzien van de categorieën van
medewerkers wier beroepswerkzaamheden haar risicoprofiel materieel beïnvloeden,
maken instellingen de volgende informatie openbaar: a) informatie over het besluitvormingsproces voor de vaststelling van het
beloningsbeleid, inclusief, indien van toepassing, informatie over de
samenstelling en het mandaat van een remuneratiecommissie, de externe adviseur
op wie een beroep is gedaan bij de vaststelling van het beloningsbeleid en de
rol van relevante belanghebbenden; b) informatie over het verband tussen beloning en prestaties; c) de belangrijkste kenmerken van het beloningssysteem, met inbegrip van
informatie over de voor prestatiebeoordeling en risicocorrectie gehanteerde
criteria, het uitstelbeleid en de criteria voor definitieve verwerving; d) informatie over de prestatiecriteria op basis waarvan aandelen, opties
of variabele beloningscomponenten worden toegekend; e) de belangrijkste parameters en de motivering voor elk variabel
beloningssysteem en voor eventuele andere niet-contante voordelen; f) geaggregeerde kwantitatieve informatie over de beloning, uitgesplitst
per bedrijfsonderdeel; g) geaggregeerde kwantitatieve informatie over de beloning, uitgesplitst
naar directie en medewerkers wier werkzaamheden het risicoprofiel van de
instelling materieel beïnvloeden, met opgave van de volgende gegevens: i) beloningsbedragen voor het boekjaar, uitgesplitst naar vaste en
variabele beloning, en het aantal begunstigden, ii) bedragen en vormen van variabele beloning, uitgesplitst naar contant
geld, aandelen en aan aandelen verbonden instrumenten en overige, iii) bedragen van uitstaande uitgestelde beloning, uitgesplitst naar
verworven en niet-verworven gedeelten, iv) de bedragen van uitgestelde beloning die gedurende het boekjaar zijn
toegekend, uitbetaald en verminderd vanwege aanpassingen aan de prestatie, v) nieuwe betalingen bij indiensttreding en ontslag toegekend gedurende
het boekjaar, en het aantal begunstigden, vi) de bedragen van betalingen bij ontslag toegekend gedurende het
boekjaar, het aantal begunstigden en het hoogste bedrag toegekend aan een
individu; h) het aantal personen wier beloning per boekjaar 1 miljoen EUR of meer
bedraagt, uitgesplitst naar beloningsschalen van 500 000 EUR. 2.
Met betrekking tot instellingen die significant
zijn wat betreft hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en
complexiteit van hun activiteiten, wordt de kwantitatieve informatie waarnaar
in dit artikel wordt verwezen eveneens openbaar gemaakt op het niveau van de
bestuurders in de zin van artikel 13, lid 1, van Richtlijn [in te voegen door
het Publicatiebureau]. Instellingen moeten voldoen aan de vereisten van
dit artikel op een wijze die past bij hun omvang, interne organisatie en de
aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten en onverminderd Richtlijn
95/46/EG. Artikel 436
Hefboomwerking 1.
Instellingen maken de volgende informatie openbaar
over hun hefboomwerkingsratio als omschreven in artikel 416 en over de wijze
waarop zij het risico van buitensporige hefboomwerking als omschreven in punt B
van artikel 4, lid 2, van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau]
beheren: (a)
de hefboomwerkingsratio; (b)
een opsplitsing van de totale-uitzettingswaarde; (c)
een beschrijving van de processen die worden
gebruikt om het risico van buitensporige hefboomwerking te beheren; (d)
een beschrijving van de factoren die een invloed
hadden op de hefboomwerkingsratio in de periode waarop de openbaar gemaakte
hefboomwerkingsratio betrekking heeft. 2.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen ter vaststelling van de uniforme rapportagetemplate voor de
in lid 1 bedoelde openbaarmaking alsook van de instructies voor het gebruik van
die template. De EBA legt die ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen uiterlijk op 30 juni 2014 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de
in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen
volgens de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Titel III
Te vervullen vereisten voor het gebruik van bepaalde
instrumenten of methodologieën Artikel 437
Gebruik van de IRB-benadering voor het kredietrisico Instellingen die de risicogewogen
uitzettingsbedragen volgens de IRB-benadering berekenen, maken de volgende
informatie openbaar: (a)
de toestemming van de bevoegde autoriteit voor het
gebruik van de benadering of van overgangsbepalingen; (b)
een toelichting op en overzicht van: i) de structuur van de interne-ratingsystemen en de relatie tussen interne
en externe ratings; ii) het gebruik van interne ramingen in andere gevallen dan voor de
berekening van risicogewogen uitzettingsbedragen overeenkomstig deel 3, titel
II, hoofdstuk 3; iii) de procedure inzake het beheer en de erkenning van kredietrisicolimitering; iv) de controlemechanismen die van toepassing zijn op de ratingsystemen,
inclusief een beschrijving van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid
daarvan, en de toetsing van deze systemen; (c)
een afzonderlijke beschrijving van de interne-ratingprocedure,
voor de volgende categorieën uitzettingen: i) uitzettingen op centrale overheden en centrale banken; ii) uitzettingen op instellingen; iii) uitzettingen op ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote
ondernemingen, gespecialiseerde kredietverlening en gekochte kortlopende
uitzettingen op ondernemingen; iv) uitzettingen op particulieren en kleine partijen, voor elk van de
categorieën uitzettingen waarmee de verschillende in artikel 149, leden 1 tot
en met 4, genoemde correlaties overeenkomen; v) uitzettingen in aandelen; (d)
de waarde van alle in artikel 142 gespecificeerde
categorieën uitzettingen. Uitzettingen
op centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen waarvan
de risicogewogen uitzettingsbedragen door de instellingen worden berekend op
grond van eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren, en uitzettingen ten
aanzien waarvan de instellingen geen gebruikmaken van dergelijke ramingen,
worden afzonderlijk vermeld; (e)
ten aanzien van elk van de volgende categorieën
uitzettingen: uitzettingen op centrale overheden en centrale banken,
uitzettingen op instellingen, uitzettingen op ondernemingen en
aandelenposities, en ten aanzien van een toereikend aantal debiteurenklassen
(inclusief wanbetaling) maken instellingen de volgende gegevens openbaar om tot
een zinvolle differentiatie van het kredietrisico te komen: i) de totale uitzetting (voor de categorieën uitzettingen op centrale
overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen), de som van de
uitstaande leningen en de waarde van de onbenutte kredietlijnen; voor uitzettingen in aandelen, het uitstaande
bedrag; ii) het naar uitzetting gewogen gemiddelde risicogewicht; iii) voor de instellingen die voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen gebruikmaken van eigen ramingen van omrekeningsfactoren,
het bedrag van de onbenutte kredietlijnen en de gemiddelde risicogewogen
uitzettingsbedragen voor alle categorieën uitzettingen; (f)
voor de categorie uitzettingen op particulieren en
kleine partijen en voor alle onder c), punt iv), bedoelde categorieën, hetzij
de gegevens als vermeld onder e) (in voorkomend geval op basis van pools),
hetzij een analyse van de uitzettingen (uitstaande leningen en de waarde van
onbenutte kredietlijnen) ten aanzien van een toereikend aantal EL-categorieën
om tot een zinvolle differentiatie van het kredietrisico te komen (in
voorkomend geval op basis van pools); (g)
de feitelijke aanpassingen voor het specifieke
kredietrisico in de voorgaande periode voor alle categorieën uitzettingen (voor
uitzettingen op particulieren en kleine partijen, voor alle categorieën als
bedoeld onder c), punt iv)) en in hoeverre hierbij sprake is van een verschil
met het verleden; (h)
een beschrijving van de factoren die van invloed
zijn geweest op de verlieservaring in de voorgaande periode (heeft de
instelling bijvoorbeeld met een hogere wanbetalingsgraad gekampt dan gemiddeld,
of met hogere LGD's en omrekeningsfactoren dan gemiddeld); (i)
de ramingen van de instelling, vergeleken met de
feitelijke resultaten over een langere periode. Deze gegevens bevatten ten minste informatie over verliesramingen ten
opzichte van feitelijke verliezen in alle categorieën uitzettingen (voor
uitzettingen op particulieren en kleine partijen, voor alle categorieën als
bedoeld onder c), punt iv)) en strekken zich over een voldoende lange periode
uit om een zinvolle beoordeling van de prestaties van de
interne-ratingprocedures voor alle categorieën uitzettingen mogelijk te maken
(voor uitzettingen op particulieren en kleine partijen, voor alle categorieën
als bedoeld onder c), punt iv)). In
voorkomend geval splitsen de instellingen deze informatie verder uit om de
resultaten voor PD's en, voor zover zij gebruikmaken van eigen ramingen van
LGD's en/of omrekeningsfactoren, voor LGD's en omrekeningsfactoren te
vergelijken met de ramingen die in het kader van de bovengenoemde
openbaarmaking van kwantitatieve risicobeoordelingen zijn verstrekt; (j)
voor alle in artikel 142 genoemde categorieën
uitzettingen en voor elk van de categorieën uitzettingen waarmee de
verschillende in artikel 149, leden 1 tot en met 4, genoemde correlaties
overeenkomen: i) voor de instellingen die voor de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen gebruikmaken van eigen ramingen van LGD's, de naar uitzetting
gewogen gemiddelde LGD en PD in procenten voor elke relevante geografische
locatie van kredietvorderingen; ii) voor de instellingen die geen gebruikmaken van eigen ramingen van
LGD's, de naar uitzetting gewogen gemiddelde PD in procenten voor elke relevante
geografische locatie van kredietvorderingen. Voor de toepassing van punt c) heeft de
beschrijving betrekking op de soorten uitzettingen die onder de desbetreffende
categorie vallen, de definities, methoden en gegevens voor de raming en
validatie van PD en, in voorkomend geval, LGD en omrekeningsfactoren, alsook op
de aannames die bij de afleiding van deze variabelen worden gehanteerd; verder
worden materiële afwijkingen van de definitie van wanbetaling overeenkomstig
artikel 174 vermeld, alsmede de segmenten in ruime zin waarop deze afwijkingen
van invloed zijn. Voor de toepassing van punt j) wordt met de
relevante geografische locatie van kredietvorderingen de uitzettingen bedoeld
in de lidstaten waar de instelling vergunning heeft verkregen alsook in de
lidstaten of derde landen waar een instelling activiteiten verrichten middels
een bijkantoor of dochteronderneming. Artikel 438
Toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken De instellingen die
kredietrisicolimiteringstechnieken gebruiken, maken de volgende informatie
openbaar: (a)
de gedragslijnen en procedures die zij volgen met
het oog op de verrekening van balansposten en van posten buiten de
balanstelling, alsmede een indicatie van de mate waarin zij van deze technieken
gebruikmaken; (b)
de gedragslijnen en procedures voor de waardering
en het beheer van zekerheden; (c)
een beschrijving van de voornaamste soorten door de
instelling aanvaarde zekerheden; (d)
de voornaamste soorten garantiegevers en
tegenpartijen bij kredietderivaten en hun kredietwaardigheid; (e)
informatie over concentraties van markt- of
kredietrisico in het kader van de toegepaste kredietrisicolimitering; (f)
voor instellingen die risicogewogen
uitzettingsbedragen berekenen overeenkomstig de standaardbenadering of de
IRB-benadering, doch die geen eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren
voor de categorie uitzettingen verstrekken, de totale waarde van de post voor
elke afzonderlijke categorie uitzettingen (in voorkomend geval na verrekening
van balansposten en van posten buiten de balanstelling) die — na
volatiliteitsaanpassingen — door financiële zekerheden en andere toelaatbare
zekerheden is gedekt; (g)
voor instellingen die risicogewogen
uitzettingsbedragen berekenen overeenkomstig de standaardbenadering of de
IRB-benadering, de totale waarde van de post voor elke afzonderlijke categorie
uitzettingen (in voorkomend geval na verrekening van balansposten of van posten
buiten de balanstelling) die door garanties of kredietderivaten is gedekt. Voor de categorie uitzettingen in aandelen geldt
dit vereiste voor alle benaderingen die in artikel 150 worden genoemd. Artikel 439
Gebruik van de geavanceerde meetbenaderingen voor het
operationele risico De instellingen die gebruikmaken van de in
artikelen 310 tot en met 313 bedoelde geavanceerde meetbenaderingen voor de
berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het operationele risico, geven
een beschrijving van het gebruik van verzekering en van andere mechanismen van
risico-overdracht met het oog op risicolimitering. Artikel 440
Gebruik van interne modellen voor het marktrisico Instellingen die hun kapitaalvereisten
berekenen overeenkomstig artikel 352, maken de volgende informatie openbaar: (a)
voor elke subportefeuille waarvoor dekking wordt
geboden: i) de kenmerken van de gebruikte modellen; ii) in voorkomend geval, voor de interne modellen voor additioneel
wanbetalingsrisico en migratierisico en voor correlation trading, de
gehanteerde methoden en de met behulp van een intern model gemeten risico's,
waarbij een beschrijving wordt gegeven van de benadering die de instelling
heeft gevolgd om liquiditeitshorizons te bepalen, de methoden die zijn
gehanteerd voor het verkrijgen van een beoordeling van het kapitaal die aan de
vereiste deugdelijkheidsnorm beantwoordt, en de bij de validatie van het model
gevolgde benaderingen; iii) een beschrijving van de op de subportefeuille toegepaste stresstests; iv) een beschrijving van de benadering die wordt toegepast voor
back-testing en validatie van de juistheid en consistentie van de interne
modellen en modelleringsprocessen; (b)
de reikwijdte van de door de bevoegde autoriteit
verleende toestemming; (c)
een uiteenzetting van de mate waarin en de methoden
volgens welke de in de artikelen 99 en 100 beschreven vereisten worden
nageleefd; (d)
de hoogste, laagste en gemiddelde stand van de
volgende waarden: i) de dagelijkse VaR-metingen tijdens de verslagperiode en aan het einde
van de periode; ii) de stressed VaR-metingen tijdens de verslagperiode en aan het einde van
de periode; iii) de risicocijfers voor het additionele wanbetalings- en migratierisico
en voor het specifieke risico van de correlation trading-portefeuille tijdens
de verslagperiode en aan het einde van de periode; (e)
de elementen van het eigenvermogensvereiste als
omschreven in artikel 353; (f)
de gewogen gemiddelde liquiditeitshorizon voor elke
subportefeuille waarvoor dekking wordt geboden door de interne modellen voor
additioneel wanbetalings- en migratierisico en voor correlation trading; (g)
een vergelijking tussen de dagelijkse VaR-metingen
aan het einde van de dag en de eendaagse veranderingen in de waarde van de
portefeuille aan het einde van de volgende werkdag, samen met een analyse van
elke aanzienlijke overschrijding tijdens de verslagperiode. DEEL 9
GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN Artikel 441
Gedelegeerde handelingen De Commissie wordt gemachtigd om
overeenkomstig artikel 445 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot de volgende aspecten: (a)
verduidelijking van de definities van de artikelen 4,
22, 137, 148, 188, 237, 267, 294, 371 en 400 om een eenvormige toepassing van
deze verordening te waarborgen; (b)
verduidelijking van de definities van de artikelen 4,
22, 137, 148, 188, 237, 267, 294, 371 en 400 om bij de toepassing van deze
verordening rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten; (c)
wijziging van de lijst van categorieën uitzettingen
in de artikelen 107 en 142 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de
financiële markten; (d)
het in artikel 118, onder c), artikel 142, lid 5,
onder a), artikel 148, lid 4, en artikel 158, lid 4, bedoelde bedrag om
rekening te houden met de gevolgen van inflatie; (e)
de lijst en de indeling van de posten buiten de
balanstelling in de bijlagen I en II; (f)
aanpassing van de in artikel 90, lid 1, en artikel 91,
lid 1, genoemde categorieën van beleggingsondernemingen om rekening te houden
met de ontwikkelingen op de financiële markten; (g)
verduidelijking van het vereiste van artikel 92 om
een eenvormige toepassing van deze verordening te waarborgen; (h)
verduidelijking van de vrijstellingen genoemd in
artikel 389; (i)
de verlenging met een periode van twaalf maanden
van het vereiste om een eigen vermogen aan te houden dat te allen tijde gelijk
is aan of hoger is dan het in artikel 476 genoemde bedrag, tot na de in de
leden 1 en 2 van dat artikel vastgestelde perioden; (j)
de wijziging van de kapitaalwaarde en de
totale-uitzettingswaarde van de in artikel 416, lid 2, bedoelde
hefboomwerkingsratio om tekortkomingen die op basis van de in artikel 417, lid 1,
bedoelde rapportage aan het licht zijn gekomen, recht te zetten voordat
instellingen hun hefboomwerkingsratio overeenkomstig artikel 436, lid 1, onder
a), moeten publiceren. Deze
bevoegdheidsdelegatie is onderworpen aan de in artikel 446 bedoelde procedure. De Commissie kan meer dan eens een maatregel
aannemen als bedoeld in de eerste alinea, onder i), op voorwaarde dat het
vereiste om een eigen vermogen aan te houden dat te allen tijde gelijk is aan
of hoger is dan het in artikel 476 genoemde bedrag, wordt verlengd met
opeenvolgende perioden van twaalf maanden. Dit vereiste mag evenwel niet worden verlengd na 31 december 2018. Indien het vereiste niet is verlengd vóór afloop
van de desbetreffende periode van twaalf maanden, mag de Commissie geen verdere
maatregelen uit hoofde van de eerste alinea, onder i), aannemen. Uiterlijk 30 juni 2015 brengt de EBA verslag
uit aan de Commissie of de zich ontwikkelende economische situatie en de
ontwikkelingen in de desbetreffende vereisten op het gebied van wet- en
regelgeving een verlenging van de in artikel 476 genoemde vereisten
rechtvaardigen. Artikel
442
Technische aanpassingen en correcties De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde
handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 445, teneinde technische
aanpassingen en correcties aan te brengen in de niet-wezenlijke elementen van
de volgende bepalingen om rekening te houden met ontwikkelingen op de
financiële markten, met name nieuwe financiële producten, teneinde aanpassingen
aan te brengen na de vaststelling van deze verordening naar aanleiding van
ontwikkelingen in andere EU-wetgevingshandelingen betreffende financiële
diensten en financiële verslaggeving, met inbegrip van standaarden voor
jaarrekeningen op basis van Verordening (EU) nr. 1605/2002, of teneinde
rekening te houden met de convergentie van toezichtspraktijken: a) de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico zoals vastgesteld in
de artikelen 106 tot en met 129 en de artikelen 138 tot en met 187; b) de effecten van kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 189
tot en met 236; c) de eigenvermogensvereisten voor securitisatie zoals vastgesteld in de
artikelen 238 tot en met 261; d) de eigenvermogensvereisten voor het tegenpartijkredietrisico
overeenkomstig de artikelen 267 tot en met 300; e) de eigenvermogensvereisten voor het operationele risico zoals
vastgesteld in de artikelen 304 tot en met 313; f) de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico zoals vastgesteld in de
artikelen 314 tot en met 367; g) de eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico zoals
vastgesteld in de artikelen 368 en 369; h) de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de
kredietwaardering zoals vastgesteld in de artikelen 373, 374 en 375; i) deel 2 en artikel 95 als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van
standaarden of vereisten voor jaarrekeningen die rekening houden met de
Uniewetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken. Artikel 443
Prudentiële vereisten De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde
handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 445, teneinde - gedurende
een beperkte periode - strengere prudentiële vereisten op te leggen voor alle
uitzettingen of voor uitzettingen op een of meer sectoren, regio's of
lidstaten, wanneer dit vereist is om rekening te houden met wijzigingen in de
intensiteit van micro- en macroprudentiële risico's als gevolg van
marktontwikkelingen die zich voordoen na de inwerkingtreding van deze
verordening, met name na aanbeveling of op verzoek van de ESRB, betreffende: a) een tijdelijke verhoging van het in artikel 87 vastgestelde niveau van
het eigen vermogen; b) de in de artikelen 29 tot en met 32 vastgestelde prudentiële filters; c) de in de artikelen 33, 53 en 63 beschreven aftrekken van elementen van
het eigen vermogen; d) de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico zoals vastgesteld in
de artikelen 106 tot en met 129 en de artikelen 138 tot en met 187; e) de effecten van kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 189
tot en met 236; f) de eigenvermogensvereisten voor securitisatie zoals vastgesteld in de
artikelen 238 tot en met 261; g) de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico overeenkomstig de
artikelen 268 tot en met 300; h) de eigenvermogensvereisten voor het operationele risico zoals
vastgesteld in de artikelen 304 tot en met 313; i) de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico zoals vastgesteld in de
artikelen 314 tot en met 367; j) de eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico zoals
vastgesteld in de artikelen 368 en 369; k) de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de
kredietwaardering zoals vastgesteld in de artikelen 373, 374 en 375. Deze bevoegdheidsdelegatie is onderworpen aan de
in artikel 446 bedoelde procedure. Artikel 444
Liquiditeit 1. De
Commissie wordt gemachtigd om een gedelegeerde handeling vast te stellen
overeenkomstig artikel 445 om nadere invulling te geven aan het algemene
vereiste van artikel 401. Deze nadere
invulling wordt gebaseerd op de overeenkomstig deel 6, titel II, te rapporteren
posten. In deze gedelegeerde
handeling wordt ook bepaald onder welke omstandigheden de bevoegde autoriteiten
aan instellingen specifieke in- en uitstroomniveaus dienen op te leggen om de
specifieke risico's waaraan zij zijn blootgesteld, te ondervangen. 2. De
Commissie wordt gemachtigd om de in lid 1 bedoelde posten te wijzigen of extra
posten toe te voegen alleen indien aan een van de volgende voorwaarden is
voldaan: (a)
een liquiditeitsdekkingsvereiste op basis van die
criteria, hetzij afzonderlijk hetzij cumulatief bekeken, zou materiële
schadelijke gevolgen hebben voor de activiteiten en het risicoprofiel van
Europese instellingen of voor de financiële markten of de economie; of (b)
een wijziging is aangewezen om ze in
overeenstemming te brengen met internationaal aanvaarden normen voor
liquiditeitstoezicht. Voor de toepassing van punt a) houdt de Commissie
bij de beoordeling van de gevolgen van een liquiditeitsdekkingsvereiste op
basis van die criteria rekening met de in artikel 481, leden 1 en 2, bedoelde
rapporten. 3. De
Commissie stelt de eerste in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling vast
uiterlijk 31 december 2015. Een
overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling is evenwel niet
van toepassing voor 1 januari 2015. Artikel 445
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 1.
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te
stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde
voorwaarden. 2.
De in de artikelen 441 tot en met 444 bedoelde
bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met
ingang van de in artikel 488 genoemde datum. 3.
De in de artikelen 441 tot en met 444 bedoelde
bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad
worden ingetrokken. Het besluit tot
intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de
bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin
genoemde latere datum. Het laat de
geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4.
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling
vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in
kennis. 5.
Een overeenkomstig de artikelen 441 tot en met 444
vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees
Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van
de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft
gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het
verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld dat
zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn
met twee maanden verlengd. Artikel 446
Spoedprocedure 1.
Gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit
artikel worden vastgesteld, treden onverwijld in werking en zijn van toepassing
zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling
aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik
wordt gemaakt van de spoedprocedure. 2.
Het Europees Parlement of de Raad kan
overeenkomstig de in artikel 445, lid 5, bedoelde procedure bezwaar aantekenen
tegen een gedelegeerde handeling. In
dit geval trekt de Commissie de handeling na kennisgeving van het besluit van
het Europees Parlement en de Raad om bezwaar aan te tekenen, onverwijld in. Artikel 447
Europees Comité voor het bankwezen 1. Bij de vaststelling
van uitvoeringshandelingen wordt de Commissie bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG
van de Commissie ingestelde Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van artikel 3,
lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid
wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. DEEL 10
OVERGANGSBEPALINGEN, VERSLAGEN EN EVALUATIES Titel I
Overgangsbepalingen Hoofdstuk 1
Eigenvermogensvereisten, tegen reële waarde gemeten
niet-gerealiseerde winsten en verliezen en aftrek Afdeling 1
Eigenvermogensvereisten Artikel 448
Eigenvermogensvereisten 1.
In afwijking van artikel 87, lid 1, onder a) en b),
voldoen instellingen aan de volgende eigenvermogensvereisten: (a)
te allen tijde tijdens de periode van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2013: i) een ratio van uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal die zich
beweegt binnen een bereik met als laagste waarde 3,5 % en als hoogste
waarde 4,5 %; ii) een ratio van tier 1-kapitaal die zich beweegt binnen een bereik met
als laagste waarde 4,5 % en als hoogste waarde 6%; (b)
te allen tijde tijdens de periode van 1 januari 2014
tot en met 31 december 2014: i) een ratio van uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal die zich
beweegt binnen een bereik van 4 % tot 4,5 %; ii) een ratio van tier 1-kapitaal die zich beweegt binnen een bereik van 4,5 %
tot 6 %. 2.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen de door instellingen na te leven niveaus
van de ratio van uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal en de ratio van
tier 1-kapitaal in het in lid 1, onder a) en b), genoemde bereik; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
niveaus. Afdeling 2
Tegen
reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten en verliezen Artikel 449
Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde verliezen 1.
In afwijking van artikel 32 nemen instellingen van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2017 in de berekening van hun uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen alleen het toepasselijke percentage op
van tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde verliezen, met uitsluiting
van de in artikel 30 bedoelde posten. 2.
Met het oog op lid 1 valt het toepasselijke
percentage binnen het volgende bereik: (a)
0 % tot 100 % tijdens de periode van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2013; (b)
20 % tot 100 % tijdens de periode van 1
januari 2014 tot en met 31 december 2014; (c)
40 % tot 100 % tijdens de periode van 1
januari 2015 tot en met 31 december 2015; (d)
60 % tot 100 % tijdens de periode van 1
januari 2016 tot en met 31 december 2016; en (e)
80 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2017
tot en met 31 december 2017. 3.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen het toepasselijke percentage in het in lid 2,
onder a) tot en met e), genoemde bereik; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
percentages. Artikel 450
Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten 1.
In afwijking van artikel 32 schrappen instellingen
van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 het toepasselijke percentage van
tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten niet uit hun uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen, met uitsluiting van de in artikel 30
bedoelde posten. Het resulterende
resterende bedrag wordt geschrapt uit de uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen. 2.
Met het oog op lid 1 is het toepasselijke
percentage van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 0 % en valt het
vervolgens binnen het volgende bereik: (a)
0 % tot 20 % tijdens de periode van 1 januari 2014
tot en met 31 december 2014; (b)
0 % tot 40 % tijdens de periode van 1 januari 2015
tot en met 31 december 2015; (c)
0 % tot 60 % tijdens de periode van 1 januari 2016
tot en met 31 december 2016; (d)
0 % tot 80 % tijdens de periode van 1 januari 2017
tot en met 31 december 2017. 3.
In afwijking van artikel 59 nemen instellingen het
toepasselijke percentage van het resterende bedrag dat geschrapt is uit uit
gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal overeenkomstig lid 1, op in tier 2-bestanddelen
voor zover die tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten
overeenkomstig de omzetting van Richtlijn 2006/48/EG in nationaal recht als
aanvullend eigen vermogen zouden worden opgevoerd. Het toepasselijke percentage valt binnen het volgende bereik: (a)
100 % tijdens de periode van 1 januari 2013 tot en
met 31 december 2013; (b)
80 % tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en
met 31 december 2014; (c)
60 % tijdens de periode van 1 januari 2015 tot en
met 31 december 2015; (d)
40 % tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en
met 31 december 2016; (e)
20 % tijdens de periode van 1 januari 2017 tot en
met 31 december 2017. 4.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen het toepasselijke percentage van
niet-gerealiseerde winsten in het in lid 2, onder a) tot en met d), genoemde
bereik dat niet uit uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal is geschrapt; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
percentages. Afdeling 3
Aftrek Onderafdeling 1
Aftrek
van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen Artikel 451
Aftrek van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen 1.
In afwijking van artikel 33, lid 1, geldt van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2017 het volgende: (a)
instellingen brengen op uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen het in artikel 458 genoemde percentage van de
bedragen in mindering die overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder a) tot en met
h), moeten worden afgetrokken, met uitzondering van uitgestelde
belastingvorderingen die berusten op toekomstige winstgevendheid en
voortvloeien uit verschillen in de tijd; (b)
instellingen passen de relevante bepalingen van
artikel 453 toe op de resterende bedragen van posten die overeenkomstig artikel
33, lid 1, onder a) tot en met h), moeten worden afgetrokken, met uitzondering
van uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige
winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in de tijd; (c)
instellingen brengen op uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen het in artikel 458 genoemde toepasselijke
percentage van het totale bedrag in mindering dat overeenkomstig artikel 33,
lid 1, onder c) en i), moet worden afgetrokken na toepassing van artikel 452; (d)
instellingen passen de bepalingen van artikel 453,
lid 4, dan wel artikel 453, lid 10, naargelang het geval, toe op het totale
resterende bedrag van de posten die overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder c)
en i), moeten worden afgetrokken na toepassing van artikel 452. 2.
Instellingen bepalen het gedeelte van het in lid 1,
onder d), bedoelde totale resterende bedrag dat is onderworpen aan artikel 453,
lid 4, door het onder a) genoemde bedrag te delen door het onder b) genoemde
bedrag: (a)
het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die
berusten op winstgevendheid in de toekomst en voortvloeien uit verschillen in
de tijd als bedoeld in artikel 452, lid 2, onder a); (b)
de som van de bedragen als bedoeld in artikel 452,
lid 2, onder a) en b). 3.
Instellingen bepalen het gedeelte van het in lid 1,
onder d), bedoelde totale resterende bedrag dat is onderworpen aan artikel 453,
lid 10, door het onder a) genoemde bedrag te delen door het onder b) genoemde
bedrag: (a)
het bedrag aan uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
dat de instelling direct of indirect bezit als bedoeld in artikel 452, lid 2, onder
b); (b)
de som van de bedragen als bedoeld in artikel 452,
lid 2, onder a) en b). Artikel 452
Uitzondering op aftrek van uit gewone aandelen bestaande
tier 1-bestanddelen 1.
Voor de toepassing van dit artikel omvatten de
relevante uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen de uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen van de instelling zoals berekend na
toepassing van de bepalingen van artikel 3 en van de aftrekken overeenkomstig
artikel 33, lid 1, onder a) tot en met h), j), k) en l), met uitzondering van
uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige winstgevendheid en
voortvloeien uit verschillen in de tijd. 2.
In afwijking van artikel 45, lid 1, passen
instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 geen aftrek toe voor
de onder a) en b) genoemde posten die in totaal gelijk zijn aan of minder
bedragen dan 15 % van de relevante uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen
van de instelling: (a)
uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk
zijn van winstgevendheid in de toekomst en voortvloeien uit verschillen in de
tijd en die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de
relevante uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen; (b)
wanneer een instelling een aanzienlijke deelneming
heeft in een relevant lichaam, de uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
van dat lichaam die de instelling direct of indirect bezit en die in totaal
gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de relevante uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen. 3.
In afwijking van artikel 45, lid 2, krijgen de
posten die overeenkomstig lid 2 van aftrek zijn uitgesloten, een risicogewicht
van 250 %. Op de in lid 2, onder
b), bedoelde posten zijn de voorschriften van titel IV van deel 3 in voorkomend
geval van toepassing. Artikel 453
Niet op uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal in
mindering gebrachte posten 1.
In afwijking van artikel 33, lid 1, onder a) tot en
met i), passen instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 dit
artikel toe op de resterende bedragen van posten als bedoeld in artikel 451,
lid 1, onder b) en d). 2.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag aan verliezen in het lopende boekjaar als bedoeld in
artikel 33, lid 1, onder a): (a)
materiële verliezen worden afgetrokken van tier 1-bestanddelen; (b)
niet-materiële verliezen worden niet afgetrokken. 3.
Instellingen trekken het resterende bedrag aan
immateriële activa als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder b), af van tier 1-bestanddelen. 4.
Het resterende bedrag aan uitgestelde
belastingvorderingen als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder c), wordt niet
afgetrokken en krijgt een risicogewicht van 0 %. 5.
Het resterende bedrag aan bestanddelen als bedoeld
in artikel 33, lid 1, onder d), wordt voor de helft afgetrokken van tier 1-bestanddelen
en voor de helft van tier 2-bestanddelen. 6.
Het resterende bedrag aan activa van een
vaste-uitkeringspensioenfonds als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder e), wordt
niet afgetrokken van enig bestanddeel van het eigen vermogen en wordt opgenomen
in uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen voor zover dat bedrag
overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen van artikel 57, onder a) tot
en met c bis), van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen
zou worden opgevoerd. 7.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag aan bezit van eigen uit gewone aandelen bestaande
tier 1-instrumenten als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder f): (a)
het bedrag aan direct bezit wordt afgetrokken van
tier 1-bestanddelen; (b)
het bedrag aan indirect bezit, met inbegrip van
eigen uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten die een instelling
mogelijkerwijs krachtens een bestaande of voorwaardelijke contractuele
verplichting moet kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een
risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de
vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het geval. 8.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag aan bezit van uit gewone aandelen bestaand tier 1-instrumenten
van een relevant lichaam wanneer de instelling een wederzijdse deelneming heeft
in dat lichaam als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder g): (a)
wanneer een instelling geen aanzienlijke deelneming
in dat relevante lichaam heeft, wordt het bedrag aan uit gewone aandelen
bestaande tier 1-instrumenten die zij bezit, aangemerkt alsof het onder artikel
33, lid 1, onder h), valt; (b)
wanneer een instelling een aanzienlijke deelneming
in dat relevante lichaam heeft, wordt het bedrag aan uit gewone aandelen
bestaande tier 1-instrumenten die zij bezit, aangemerkt alsof het onder artikel
33, lid 1, onder i), valt. 9.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot de resterende bedragen van posten als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder
h): (a)
de af te trekken bedragen die betrekking hebben op
direct bezit, worden voor de helft afgetrokken van tier 1-bestanddelen en voor
de helft van tier 2-bestanddelen; (b)
de bedragen die betrekking hebben op indirect
bezit, worden niet afgetrokken en zijn onderworpen aan een risicogewicht
overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de vereisten van
titel IV van deel 3, naargelang het geval. 10.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot de resterende bedragen van posten als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder
i): (a)
de af te trekken bedragen die betrekking hebben op
direct bezit, worden voor de helft afgetrokken van tier 1-bestanddelen en voor
de helft van tier 2-bestanddelen; (b)
de bedragen die betrekking hebben op indirect
bezit, worden niet afgetrokken en zijn onderworpen aan een risicogewicht
overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de vereisten van
titel IV van deel 3, naargelang het geval. Onderafdeling 2
Aftrek
van aanvullend-tier 1-bestanddelen Artikel 454
Aftrek van aanvullend-tier 1-bestanddelen In
afwijking van artikel 53 geldt van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017
het volgende: a) instellingen brengen het in artikel 458 genoemde toepasselijke
percentage van de overeenkomstig artikel 53 af te trekken bedragen in mindering
op aanvullend-tier 1-bestanddelen; b) instellingen passen de bepalingen van artikel 455 toe op de resterende
bedragen van de overeenkomstig artikel 53 af te trekken posten. Artikel 455
Niet op aanvullend tier 1-kapitaal in mindering gebrachte
posten 1.
In afwijking van artikel 53 gelden van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2017 de bepalingen van dit artikel voor de resterende
bedragen als bedoeld in artikel 454, onder b). 2.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 53, onder a): (a)
direct bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
die bestaan in aandelen, wordt van tier 1-bestanddelen afgetrokken tegen
boekwaarde; (b)
direct bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten
die niet bestaan in aandelen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een
risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de
vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het geval; (c)
indirect bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten,
met inbegrip van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die een instelling
mogelijkerwijs krachtens een bestaande of voorwaardelijke contractuele
verplichting moet kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een
risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de
vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het geval. 3.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 53, onder b): (a)
wanneer een instelling geen aanzienlijke deelneming
heeft in een relevant lichaam waarin zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt
het bedrag aan aanvullend-tier 1-instrumenten van dat lichaam die zij direct en
indirect bezit, aangemerkt alsof het onder artikel 53, onder c), valt; (b)
wanneer de instelling een aanzienlijke deelneming
heeft in een relevant lichaam waarin zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt
het bedrag aan aanvullend-tier 1-instrumenten van dat lichaam die zij direct en
indirect bezit, aangemerkt alsof het onder artikel 53, onder d), valt. 4.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 53, onder c) en
d): (a)
het bedrag aan direct bezit dat overeenkomstig
artikel 53, onder c) en d), moet worden afgetrokken, wordt voor de helft
afgetrokken van tier 1-bestanddelen en voor de helft van tier 2-bestanddelen; (b)
het bedrag aan indirect bezit dat overeenkomstig
artikel 53, onder c) en d), moet worden afgetrokken, wordt niet afgetrokken en
is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel
II van deel 3 en aan de vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het
geval. Onderafdeling 3
Aftrek
van tier 2-bestanddelen Artikel 456
Aftrek van tier 2-bestanddelen 1.
In afwijking van artikel 63 geldt van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2017 het volgende: (a)
instellingen brengen het in artikel 458 genoemde
toepasselijke percentage van de overeenkomstig artikel 63 af te trekken
bedragen in mindering op tier 2-bestanddelen; (b)
instellingen passen de bepalingen van artikel 457
toe op de resterende bedragen van de overeenkomstig artikel 63 af te trekken
posten. Artikel 457
Aftrek van tier 2-bestanddelen 1.
In afwijking van artikel 63 gelden van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2017 de bepalingen van dit artikel voor de resterende
bedragen als bedoeld in artikel 456, onder b). 2.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 63, onder a): (a)
direct bezit van eigen tier 2-instrumenten die
bestaan in aandelen, wordt van tier 2-bestanddelen afgetrokken tegen
boekwaarde; (b)
direct bezit van eigen tier 2-instrumenten die niet
bestaan in aandelen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een
risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de
vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het geval; (c)
indirect bezit van eigen tier 2-instrumenten, met
inbegrip van eigen tier 2-instrumenten die een instelling mogelijkerwijs
krachtens een bestaande of voorwaardelijke contractuele verplichting moet
kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht
overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel II van deel 3 en aan de vereisten van
titel IV van deel 3, naargelang het geval. 3.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 63, onder b): (a)
wanneer een instelling geen aanzienlijke deelneming
heeft in een relevant lichaam waarin zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt
het bedrag aan tier 2-instrumenten van dat lichaam die zij direct en indirect
bezit, aangemerkt alsof het onder artikel 63, onder c), valt; (b)
wanneer de instelling een aanzienlijke deelneming
heeft in een relevant lichaam waarin zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt
het bedrag aan tier 2-instrumenten van dat lichaam die zij direct en indirect
bezit, aangemerkt alsof het onder artikel 63, onder d), valt. 4.
Instellingen gaan als volgt te werk met betrekking
tot het resterende bedrag van de posten als bedoeld in artikel 63, onder c) en
d): (a)
het bedrag aan direct bezit dat overeenkomstig
artikel 63, onder c) en d), moet worden afgetrokken, wordt voor de helft
afgetrokken van tier 1-bestanddelen en voor de helft van tier 2-bestanddelen; (b)
het bedrag aan indirect bezit dat overeenkomstig
artikel 63, onder c) en d), moet worden afgetrokken, wordt niet afgetrokken en
is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van titel
II van deel 3 en aan de vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het
geval. Onderafdeling 4
Toepasselijke
aftrekpercentages Artikel 458
Toepasselijke aftrekpercentages ter zake van uit gewone
aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen 1.
Met het oog op artikel 451, lid 1, onder a) en c),
artikel 454, onder a), en artikel 456, onder a), valt het toepasselijke
percentage binnen het volgende bereik: a) 0 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2013 tot en met 31
december 2013; b) 20 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31
december 2014; c) 40 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2015 tot en met 31
december 2015; d) 60 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 31
december 2016; e) 80 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2017 tot en met 31
december 2017. 2.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen het toepasselijke percentage in het in lid 1
genoemde bereik voor de volgende posten: i) de in artikel 33, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde posten, met
uitzondering van uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige
winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in de tijd; ii) uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige
winstgevendheid en voortvloeien uit verschillen in de tijd, alsook de in
artikel 33, lid 1, onder a), bedoelde posten; iii) de in artikel 53, onder a) tot en met d), bedoelde posten; iv) de in artikel 63, onder a) tot en met d), bedoelde posten; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
percentages. Afdeling 4
Minderheidsbelang
en door dochterondemingen uitgegeven aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten Artikel 459
Opneming van instrumenten en posten die niet kwalificeren
als minderheidsbelang, in het geconsolideerde uit gewone aandelen bestaande
tier 1-kapitaal 1.
In afwijking van titel III van deel 2 wordt van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2017 door de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig de leden 2 en 3 bepaald of de posten die overeenkomstig de
nationale omzettingsmaatregelen van artikel 65 van Richtlijn 2006/48/EG
kwalificeren als geconsolideerde reserves die om een van de volgende redenen
niet kwalificeren als geconsolideerd uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal,
in het geconsolideerde eigen vermogen worden opgenomen: (a)
het instrument kwalificeert niet als een uit gewone
aandelen bestaand tier 1-instrument, en de daaraan gerelateerde ingehouden
winsten en agio's kwalificeren bijgevolg niet als geconsolideerde uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen; (b)
als gevolg van artikel 76, lid 2; (c)
de dochteronderneming is geen instelling of lichaam
dat uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving is onderworpen aan de
voorschriften van deze verordening en Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau]; (d)
de dochteronderneming is niet volledig opgenomen in
de consolidatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel II van deel 1. 2.
Het toepasselijke percentage van de in lid 1
bedoelde posten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen van
artikel 65 van Richtlijn 2006/48/EG als geconsolideerde reserves zouden hebben
gekwalificeerd, kwalificeren als geconsolideerd uit gewone aandelen bestaand
tier 1-kapitaal. 3.
Met het oog op lid 2 vallen de toepasselijke
percentages binnen het volgende bereik: (a)
0 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2013; (b)
0 % tot 80 % tijdens de periode van 1 januari 2014
tot en met 31 december 2014; (c)
0 % tot 60 % tijdens de periode van 1 januari 2015
tot en met 31 december 2015; (d)
0 % tot 40 % tijdens de periode van 1 januari 2016
tot en met 31 december 2016; (e)
0 % tot 20% tijdens de periode van 1 januari 2017
tot en met 31 december 2017. 4.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen het toepasselijke percentage in het in lid 3
genoemde bereik; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
percentages. Artikel 460
Opneming van minderheidsbelangen en in aanmerking komend
aanvullend tier 1- en tier 2-kapitaal in het geconsolideerde eigen vermogen 1.
In afwijking van artikel 79, onder b), artikel 80,
onder b), en artikel 82, onder b), worden van 1 januari 2013 tot en met 31
december 2017 de in die artikelen bedoelde percentages vermenigvuldig met een
toepasselijke factor. 2.
Met het oog op lid 1 valt de toepasselijke factor
binnen het volgende bereik: (a)
0 tot 1 tijdens de periode van 1 januari 2013 tot
en met 31 december 2013; (b)
0,2 tot 1 tijdens de periode van 1 januari 2014 tot
en met 31 december 2014; (c)
0,4 tot 1 tijdens de periode van 1 januari 2015 tot
en met 31 december 2015; (d)
0,6 tot 1 tijdens de periode van 1 januari 2016 tot
en met 31 december 2016; en e) 0,8 tot 1 tijdens
de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. 3.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen de waarde van de toepasselijke factor in
het in lid 2 genoemde bereik; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
factoren. Afdeling 5
Additionele
filters en aftrek Artikel 461
Additionele filters en aftrek 1.
In afwijking van de artikelen 29 tot en met 33, 53
en 63 verrichten instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017
aanpassingen om het toepasselijke percentage van filters of aftrekken die
moeten worden toegepast overeenkomstig nationale omzettingsmaatregelen van de
artikelen 57 en 66 van Richtlijn 2006/48/EG en de artikelen 13 en 16 van
Richtlijn 2006/49/EG, en die niet moeten worden toegepast overeenkomstig deel 3,
op te nemen in of af te trekken van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen,
tier 1-bestanddelen, tier 2-bestanddelen of eigenvermogenposten. 2.
Met het oog op lid 1 valt het toepasselijke
percentage binnen het volgende bereik: (a)
0 % tot 100 % tijdens de periode van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2013; (b)
0 % tot 80 % tijdens de periode van 1 januari 2014
tot en met 31 december 2014; (c)
0 % tot 60 % tijdens de periode van 1 januari 2015
tot en met 31 december 2015; (d)
0 % tot 40 % tijdens de periode van 1 januari 2016
tot en met 31 december 2016; en (e)
0 % tot 20 % tijdens de periode van 1 januari 2017
tot en met 31 december 2017. 3.
Voor iedere in lid 1 bedoelde filter of aftrek
worden door de bevoegde autoriteiten: (a)
de toepasselijke percentages in het in lid 2
genoemde bereik bepaald; (b)
de overeenkomstig punt a) bepaalde percentages
gepubliceerd. 4.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om nadere invulling te geven aan de voorwaarden volgens
welke de bevoegde autoriteiten bepalen of aanpassingen die zijn verricht in het
eigen vermogen of bestanddelen daarvan overeenkomstig nationale
omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG of Richtlijn 2006/49/EG en die
niet zijn opgenomen in deel 2, voor de toepassing van dit artikel ook moeten
worden verricht in uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen,
aanvullend-tier 1-bestanddelen, tier 1-bestanddelen, tier 2-bestanddelen en
eigen vermogen. De EBA legt die ontwerpen van technische
regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor aan de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd
de in de eerste alinea bedoelde technische regelgevingsnormen overeenkomstig de
in de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde
procedure vast te stellen. Hoofdstuk 2
Uitzonderingsbepalingen voor kapitaalinstrumenten Afdeling 1
Instrumenten
die staatssteun vormen Artikel 462
Uitzonderingsbepalingen voor staatssteuninstrumenten 1.
In afwijking van de artikelen 24 tot en met 27, 48,
49, 59 en 60 is dit artikel van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 van
toepassing op kapitaalinstrumenten wanneer aan de volgende voorwaarden is
voldaan: (a)
de instrumenten zijn uitgegeven vóór 20 juli 2011; (b)
de instrumenten vormen staatssteun; (c)
de instrumenten zijn door de Commissie op grond van
artikel 107 VWEU verenigbaar verklaard met de interne markt. 2.
Instrumenten die overeenkomstig de nationale
omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder a), van Richtlijn 2006/48/EG in
aanmerking kwamen, kwalificeren als uit gewone aandelen bestaande tier 1-instrumenten
niettegenstaande een van de volgende situaties: (a)
er is niet voldaan aan de voorwaarden van
artikel 26; (b)
de instrumenten zijn uitgegeven door een
onderneming als bedoeld in artikel 25 en er is niet voldaan aan de voorwaarden
van artikel 26 of artikel 27, naargelang het geval. 3.
Instrumenten die overeenkomstig de nationale
omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder c bis), en artikel 66, lid 1,
van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, kwalificeren als aanvullend-tier
1-instrumenten niettegenstaande niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49,
lid 1. 4.
Posten die overeenkomstig de nationale
omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder f), g), of h), en artikel 66, lid 1,
van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, kwalificeren als tier 2-instrumenten
niettegenstaande deze posten niet in artikel 59 zijn genoemd of niet is voldaan
aan de voorwaarden van artikel 60. Afdeling 2
Instrumenten
die geen staatssteun vormen Onderafdeling 1
Criteria
voor en limieten van de uitzonderingsbepalingen Artikel 463
Uitzonderingscriteria voor posten die uit hoofde van
nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG als eigen vermogen in
aanmerking kwamen 1.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
instrumenten die zijn afgegeven vóór 20 juli 2011 en niet in artikel 462, lid 1,
zijn genoemd. 2.
In afwijking van de artikelen 24 tot en met 27, 48,
49, 59 en 60 is dit artikel van toepassing van 1 januari 2013 tot en met 31
december 2021. 3.
Behoudens de in artikel 464, lid 2, bepaalde limiet
wordt kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG - en de
daaraan gerelateerde agio's – dat overeenkomstig de nationale
omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder a), van Richtlijn 2006/48/EG als
oorspronkelijk eigen vermogen kwalificeerde, in aanmerking genomen als uit
gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen, niettegenstaande dat kapitaal
niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 262 of artikel 27, naargelang het
geval. 4.
Behoudens de in artikel 464, lid 3, bepaalde limiet
worden instrumenten – en de daaraan gerelateerde agio's – die overeenkomstig de
nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder c bis), en artikel 154,
leden 8 en 9, van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen
kwalificeerden, in aanmerking genomen als aanvullend-tier 1-bestanddelen,
niettegenstaande niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49. 5.
Behoudens de in artikel 464, lid 4, bepaalde
limieten worden posten – en de daaraan gerelateerde agio's - die overeenkomstig
de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder f), g), of h), van
Richtlijn 2006/48/EG kwalificeerden, in aanmerking genomen als tier 2-bestanddelen,
niettegenstaande deze posten niet in artikel 59 zijn genoemd of niet is voldaan
aan de voorwaarden van artikel 60. Artikel 464
Limieten van de uitzonderingsbepalingen voor bestanddelen
die onder uit gewone aandelen bestaande tier 1-, aanvullend-tier 1- en
tier 2-bestanddelen vallen 1.
Van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021
wordt de mate waarin de in artikel 363 bedoelde instrumenten als eigen vermogen
in aanmerking komen, beperkt overeenkomstig dit artikel. 2.
Het bedrag van de in artikel 463, lid 3, bedoelde
posten die als uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen
kwalificeren, wordt beperkt tot het toepasselijke percentage van de som van de
onder a) en b) genoemde bedragen: (a)
het nominale bedrag van het in artikel 463, lid 3,
bedoelde kapitaal dat op 31 december 2012 was uitgegeven; (b)
de aan de onder a) bedoelde posten gerelateerde
agio's. 3.
Het bedrag van de in artikel 463, lid 4, bedoelde
posten die als aanvullend-tier 1-bestanddelen kwalificeren, wordt beperkt tot
het toepasselijke percentage vermenigvuldigd met het resultaat van de aftreksom
van het totaal van de onder a) en b) genoemde bedragen min het totaal van de
onder c) tot en met f) genoemde bedragen: (a)
het nominale bedrag van de in artikel 463, lid 4,
bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 nog altijd waren uitgegeven; (b)
de aan de onder a) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's; (c)
het bedrag aan in artikel 463, lid 4, bedoelde
instrumenten dat op 31 december 2012 de in de nationale omzettingsmaatregelen
voor artikel 66, lid 1, onder a), en artikel 66, lid 1 bis, van Richtlijn 2006/48/EG
vastgestelde limieten te boven ging; (d)
de aan de onder c) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's; (e)
het nominale bedrag aan in artikel 463, lid 4,
bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 waren uitgegeven maar niet
kwalificeren als aanvullend-tier 1-instrumenten overeenkomstig artikel 467, lid
4; (f)
de aan de onder e) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's. 4.
Het bedrag van de in artikel 463, lid 5, bedoelde
posten die als tier 2-bestanddelen kwalificeren, wordt beperkt tot het
toepasselijke percentage van het resultaat van de aftreksom van het totaal van
de onder a) tot en met d) genoemde bedragen min het totaal van de onder e) tot
en met h) genoemde bedragen: (a)
het nominale bedrag van de in artikel 463, lid 5,
bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 nog altijd waren uitgegeven; (b)
de aan de onder a) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's; (c)
het nominale bedrag van achtergestelde leningen die
op 31 december nog altijd waren uitgegeven, verminderd met het vereiste bedrag
overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 64, lid 3, onder
c), van Richtlijn 2006/48/EG; (d)
het nominale bedrag van de in artikel 463, lid 5,
bedoelde posten, met uitzondering van de instrumenten en achtergestelde
leningen als bedoeld onder a) en c) van dit lid, die op 31 december 2012 waren
uitgegeven; (e)
het nominale bedrag van de in artikel 463, lid 5,
bedoelde instrumenten en posten die op 31 december 2012 waren uitgegeven, welk
bedrag de in de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 66, lid 1, onder
a), van Richtlijn 2006/48/EG vastgestelde limieten te boven ging; (f)
de aan de onder e) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's; (g)
het nominale bedrag van de in artikel 463, lid 5,
bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 waren uitgegeven en niet
kwalificeren als tier 2-instrumenten overeenkomstig artikel 468, lid 4; (h)
de aan de onder g) bedoelde instrumenten
gerelateerde agio's. 5.
Met het oog op dit artikel vallen de in de leden 2
tot en met 4 bedoelde toepasselijke percentages binnen het volgende bereik: (a)
0 % tot 90 % tijdens de periode van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2013; (b)
0 % tot 80 % tijdens de periode van 1 januari 2014
tot en met 31 december 2014; (c)
0 % tot 70 % tijdens de periode van 1 januari 2015
tot en met 31 december 2015; (d)
0 % tot 60 % tijdens de periode van 1 januari 2016
tot en met 31 december 2016; (e)
0 % tot 50 % tijdens de periode van 1 januari 2017
tot en met 31 december 2017; (f)
0 % tot 40 % tijdens de periode van 1 januari 2018
tot en met 31 december 2018; (g)
0 % tot 30 % tijdens de periode van 1 januari 2019
tot en met 31 december 2019; (h)
0 % tot 20 % tijdens de periode van 1 januari 2020
tot en met 31 december 2020; (i)
0 % tot 10 % tijdens de periode van 1 januari 2021
tot en met 31 december 2021. 6.
De bevoegde autoriteiten: (a)
bepalen de toepasselijke percentages in het in lid 5
genoemde bereik; (b)
publiceren de overeenkomstig punt a) bepaalde
percentages. Artikel 465
Posten uitgesloten van uitzonderingsbepalingen voor uit
gewone aandelen bestaande tier 1- of aanvullend-tier 1-bestanddelen in
andere eigenvermogensbestanddelen 1.
In afwijking van de artikelen 48, 49, 59 en 60
mogen instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021 kapitaal en
de daaraan gerelateerde agio's als bedoeld in artikel 463, lid 3, die zijn
uitgesloten van uit gewone aandelen bestaande tier 1-bestanddelen omdat
zij het in artikel 464, lid 2, bedoelde toepasselijke percentage te boven gaan,
aanmerken als posten als bedoeld in artikel 463, lid 4, voor zover de opneming
van dat kapitaal en de daaraan gerelateerde agio's de in artikel 464, lid 3,
bedoelde limiet voor het toepasselijke percentage niet te boven gaat. 2.
In afwijking van de artikelen 48, 49, 59 en 60
mogen instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021 de volgende
elementen aanmerken als posten als bedoeld in artikel 463, lid 5, voor zover de
opneming ervan de in artikel 464, lid 4, bedoelde limiet voor het toepasselijke
percentage niet te boven gaat: (a)
kapitaal en de daaraan gerelateerde agio's als
bedoeld in artikel 463, lid 3, die zijn uitgesloten van uit gewone aandelen
bestaande tier 1-bestanddelen omdat zij het in artikel 464, lid 2,
bedoelde toepasselijke percentage te boven gaan; (b)
instrumenten en de daaraan gerelateerde agio's als
bedoeld in artikel 463, lid 4, die het toepasselijke percentage als bedoeld in
artikel 464, lid 3, te boven gaan. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om nadere invulling te geven aan de voorwaarden om eigenvermogensinstrumenten
als bedoeld in de leden 1 en 2 aan te merken alsof zij in de periode van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2021 onder artikel 464, leden 4 of 5,
vallen. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische
regelgevingsnormen overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 van
Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 466
Aflossing van posten die krachtens de
uitzonderingsbepalingen als tier 2-bestanddelen zijn aangemerkt De in
artikel 463, lid 5, bedoelde posten die overeenkomstig artikel 463, lid 5, of
artikel 464, lid 2, kwalificeren als tier 2-bestanddelen, zijn onderworpen
aan de bepalingen van artikel 61. Onderafdeling 2
Opneming
van instrumenten met een call en aflossingsprikkel in aanvullend-tier 1- en
tier 2-bestanddelen Artikel 467
Hybride instrumenten met een call en aflossingsprikkel 1.
In afwijking van de artikelen 48 en 49 zijn van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2021 instrumenten als bedoeld in artikel 463,
lid 4, die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57,
onder c bis), van Richtlijn 2006/48/EG kwalificeerden en waarvan de
voorwaarden een call met een aflossingsprikkel voor de instelling bevatten,
onderworpen aan de bepalingen van de leden 2 tot en met 7. 2.
De instrumenten kwalificeren als aanvullend-tier 1-instrumenten
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling kon alleen vóór 1 januari 2013 een
call met aflossingsprikkel uitoefenen; (b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend; (c)
er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49
vanaf 1 januari 2013. 3.
De instrumenten kwalificeren als aanvullend-tier 1-instrumenten
overeenkomstig artikel 463, lid 4, tussen 1 januari 2013 en hun werkelijke
vervaldag en vervolgens als aanvullend-tier 1-bestanddelen zonder limiet, op
voorwaarde dat: (a)
de instelling alleen op of na 1 januari 2013 een
call met aflossingsprikkel kon uitoefenen; (b)
de instelling de call niet heeft uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de instrumenten; (c)
er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49
vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten. 4.
De instrumenten kwalificeren niet als
aanvullend-tier 1-instrumenten en zijn niet onderworpen aan artikel 463, lid 4,
vanaf 1 januari 2013 indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling kon tussen 20 juli 2011 en 1 januari 2013
een call met aflossingsprikkel uitoefenen; (b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de instrumenten; (c)
er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 49
vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten. 5.
De instrumenten kwalificeren als aanvullend-tier 1-instrumenten
overeenkomstig artikel 463, lid 4, tussen 1 januari 2013 en hun werkelijke
vervaldag en kwalificeren vervolgens niet als aanvullend-tier 1-instrumenten,
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling kon op of na 1 januari 2013 een call
met aflossingsprikkel uitoefenen; (b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de instrumenten; (c)
er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 49
vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten. 6.
De instrumenten kwalificeren als aanvullend-tier 1-instrumenten
overeenkomstig artikel 463, lid 4, indien aan de volgende voorwaarden is
voldaan: (a)
de instelling kon alleen vóór of op 20 juli 2011
een call met aflossingsprikkel uitoefenen; (b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de instrumenten; (c)
er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 49
vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten. Artikel 468
Tier 2-bestanddelen met een aflossingsprikkel 1.
In afwijking van de artikelen 59 en 60 zijn van 1
januari 2013 tot en met 31 december 2021 posten als bedoeld in artikel 463, lid
5, die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, onder
f), g) of h), van Richtlijn 2006/48/EG kwalificeerden en waarvan de voorwaarden
een call met een aflossingsprikkel voor de instelling bevatten, onderworpen aan
de bepalingen van de leden 2 tot en met 7. 2.
De posten kwalificeren als tier 2-instrumenten
op voorwaarde dat: (a)
de instelling alleen vóór 1 januari 2013 een call
met aflossingsprikkel kon uitoefenen; (b)
de instelling de call niet heeft uitgeoefend; (c)
er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 60
vanaf 1 januari 2013. 3.
De posten kwalificeren als tier 2-instrumenten
overeenkomstig artikel 463, lid 5, tussen 1 januari 2013 en hun werkelijke vervaldag
en kwalificeren vervolgens als tier 2-bestanddelen zonder limiet, indien
aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling kon alleen op of na 1 januari 2013
een call met aflossingsprikkel uitoefenen; (b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de posten; (c)
er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 60
vanaf de werkelijke vervaldag van de posten. 4.
De posten kwalificeren niet als tier 2-bestanddelen
vanaf 1 januari 2013, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a)
de instelling kon alleen tussen 20 juli 2011 en 1
januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;
(b)
de instelling heeft de call niet uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de posten; (c)
er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 60
vanaf de werkelijke vervaldag van de posten. 5.
De posten kwalificeren als tier 2-bestanddelen
overeenkomstig artikel 463, lid 5, tussen 1 januari 2013 en hun werkelijke
vervaldag en kwalificeren vervolgens niet als tier 2-bestanddelen, indien:
(a)
de instelling op of na 1 januari 2013 een call met
aflossingsprikkel kon uitoefenen; (b)
de instelling de call niet heeft uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de posten; (c)
er niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 60
vanaf de werkelijke vervaldag van de posten. 6.
De posten kwalificeren als tier 2-bestanddelen
overeenkomstig artikel 463, lid 5, indien: (a)
de instelling alleen vóór of op 20 juli 2011 een
call met aflossingsprikkel kon uitoefenen; (b)
de instelling de call niet heeft uitgeoefend op de
werkelijke vervaldag van de posten; (c)
er niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 60
vanaf de werkelijke vervaldag van de posten. Artikel 469
Werkelijke vervaldag Voor de toepassing van de artikelen 467 en 468
wordt de werkelijke vervaldag als volgt vastgesteld: (a)
voor de in de leden 3 en 5 van die artikelen
bedoelde posten is het de datum waarop de eerste call met een aflossingsprikkel
wordt verricht op of na 1 januari 2013; (b)
voor de in lid 4 van die artikelen bedoelde posten
is het de datum waarop de eerste call met een aflossingsprikkel wordt verricht
tussen 20 juli 2011 en 1 januari 2013; (c)
voor de in lid 6 van die artikelen bedoelde posten
is het de datum waarop de eerste call met een aflossingsprikkel wordt verricht
vóór 20 juli 2011. Hoofdstuk 3
Overgangsbepalingen voor de openbaarmaking van het eigen
vermogen Artikel 470
Openbaarmaking van het eigen vermogen 1.
Dit artikel is van toepassing van 1 januari 2013
tot en met 31 december 2021. 2.
Van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015
maken instellingen openbaar in hoeverre de omvang van uit gewone aandelen
bestaand tier 1-kapitaal en tier 1-kapitaal de vereisten van artikel 448
te boven gaat. 3.
Van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017
maken instellingen de volgende extra informatie over hun eigen vermogen
openbaar: (a)
de aard en het effect van de afzonderlijke filters
en aftrekken die overeenkomstig de artikelen 449 tot en met 452, 454, 456 en 459
worden toegepast, op uit gewone aandelen bestaand tier 1-kapitaal,
aanvullend tier 1-kapitaal, tier 2-kapitaal en eigen vermogen; (b)
de omvang van minderheidsbelangen en
aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten, en daaraan gerelateerde
ingehouden winsten en agio's, uitgegeven door dochterondernemingen, die zijn
opgenomen in het geconsolideerde uit gewone aandelen bestaande tier 1-kapitaal,
aanvullend-tier 1-kapitaal, tier 2-kapitaal en eigen vermogen
overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk 1; (c)
het effect van de afzonderlijke filters en
aftrekken die overeenkomstig artikel 461 worden toegepast, op uit gewone
aandelen bestaand tier 1-kapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal,
tier 2-kapitaal en eigen vermogen; (d)
de aard en de omvang van posten die als uit gewone
aandelen bestaande tier 1-bestanddelen, tier 1-bestanddelen en
tier 2-bestanddelen kwalificeren bij toepassing van de afwijkingen van afdeling
2 van hoofdstuk 2. 4.
Van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021
maken instellingen de omvang openbaar van instrumenten die als uit gewone
aandelen bestaande tier 1-instrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten
kwalificeren bij toepassing van artikel 463. Hoofdstuk 4
Grote uitzettingen, eigenvermogensvereisten,
hefboomwerking en Bazel I-ondergrens Artikel 471
Overgangsbepalingen voor grote uitzettingen 1.
De bepalingen ten aanzien van grote uitzettingen in
de artikelen 376 tot en met 392 zijn niet van toepassing op
beleggingsondernemingen wier hoofdbedrijf uitsluitend bestaat uit het aanbieden
van beleggingsdiensten of -activiteiten in verband met de financiële
instrumenten die worden beschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10
van Richtlijn 2004/39/EG en waarop Richtlijn 93/22/EEG op 31 december 2006 niet
van toepassing was. Deze vrijstelling
is beschikbaar tot 31 december 2014 of de dag van inwerkingtreding van
enige wijzigingen overeenkomstig lid 2, waarbij de vroegste datum van
toepassing is. 2.
Uiterlijk op 31 december 2014 brengt de Commissie
op basis van openbare raadplegingen en na overleg met de bevoegde autoriteiten
verslag uit aan het Parlement en de Raad over: a) een geschikte regeling voor het bedrijfseconomisch toezicht op
beleggingsondernemingen wier hoofdbedrijf uitsluitend bestaat uit het aanbieden
van beleggingsdiensten of ‑activiteiten in verband met de derivaten of
derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen, zoals beschreven in
bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van Richtlijn 2004/39/EG; b) de wenselijkheid Richtlijn 2004/39/EG zodanig te wijzigen dat een
verdere categorie beleggingsondernemingen wordt gecreëerd wier hoofdbedrijf
uitsluitend bestaat uit het aanbieden van beleggingsdiensten of -activiteiten
in verband met de financiële instrumenten zoals beschreven in bijlage I, deel
C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van Richtlijn 2004/39/EG met betrekking tot
energieleveringen. Op
grond van dat verslag kan de Commissie voorstellen indienen om deze richtlijn
te wijzigen. Artikel 472
Eigenvermogensvereisten krachtens de IRB-benadering 1.
In afwijking van hoofdstuk 3 van deel 3 mag de
bevoegde autoriteit tot 31 december 2017 ermee instemmen dat voor bepaalde
categorieën van uitzettingen in aandelen die op 31 december 2007 door
instellingen en EU-dochterondernemingen van instellingen in die lidstaat werden
gehouden, vrijstelling van de IRB-benadering wordt verleend. De bevoegde autoriteit publiceert de categorieën
van uitzettingen in aandelen die voor deze vrijstelling in aanmerking komen
overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn [in te voegen door het
Publicatiebureau]. De vrijgestelde positie wordt gemeten als het
aantal aandelen op 31 december 2007 en alle bijkomende aandelen die
rechtstreeks het gevolg zijn van het bezit van eerstgenoemde deelnemingen, mits
deze bijkomende aandelen het proportionele eigendomsbelang in een
portefeuillemaatschappij niet verhogen. Als een acquisitie het proportionele
eigendomsbelang in een bepaalde deelneming verhoogt, geldt de vrijstelling niet
voor het deel dat uitstijgt boven het oorspronkelijke belang. Evenmin geldt de vrijstelling voor deelnemingen
waarvoor oorspronkelijk een vrijstelling gold, maar die verkocht en daarna weer
teruggekocht zijn. Uitzettingen in aandelen waarop deze bepaling van
toepassing is, zijn onderworpen aan de kapitaalvereisten zoals berekend
overeenkomstig de standaardbenadering van deel 3, titel 2, hoofdstuk II en de
vereisten van titel IV van deel 3, naargelang het geval. De bevoegde autoriteiten geven de Commissie en de
EBA kennis van de tenuitvoerlegging van dit lid. 2.
Bij de berekening van risicogewogen
uitzettingsbedragen voor de toepassing van artikel 109, lid 4, wordt tot 31 december 2015
aan uitzettingen op de centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten
luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van een lidstaat
hetzelfde risicogewicht toegekend als zou worden toegepast op dergelijke
uitzettingen luidende en gefinancierd in hun nationale munteenheid. 3.
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische
regelgevingsnormen om nadere invulling te geven aan de voorwaarden waaronder
lidstaten de in lid 1 bedoelde vrijstelling verlenen. De EBA legt die
ontwerpen van technische regelgevingsnormen uiterlijk op 1 januari 2013 voor
aan de Commissie. Aan de Commissie wordt
de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische
regelgevingsnormen overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 van
Verordening (EU) nr. 1093/2010 bedoelde procedure vast te stellen. Artikel 473
Eigenvermogensvereisten voor gedekte obligaties 1.
Tot 31 december 2014 is de in artikel 124, lid 1,
onder d) en e), vermelde limiet van 10 % voor bevoorrechte aandelen die
zijn uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Créances" of door
gelijkwaardige securitisatie-instellingen, niet van toepassing voor zover: a) de gesecuritiseerde door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed
gedekte uitzettingen geïnitieerd zijn door een lid van dezelfde geconsolideerde
groep waarvan de uitgever van de gedekte obligaties ook lid is of door een
entiteit die aangesloten is bij hetzelfde centrale orgaan waarbij ook de
uitgever van de gedekte obligaties aangesloten is, waarbij dit gedeelde
lidmaatschap of het al dan niet aangesloten zijn wordt bepaald op het tijdstip
dat de bevoorrechte aandelen worden gebruikt als zekerheid voor de gedekte
obligaties; b) een lid van dezelfde geconsolideerde groep waarvan de uitgever van de
gedekte obligaties ook lid is of een entiteit die aangesloten is bij hetzelfde
centrale orgaan waarbij ook de uitgever van de gedekte obligaties aangesloten
is, de hele eersteverliestranche behoudt die deze bevoorrechte aandelen
ondersteunt. 2.
Uiterlijk op 1 januari 2013 evalueert de Commissie
of de in lid 1 vastgestelde derogatie aan haar doel beantwoordt en – voor zover
dienstig – of het raadzaam is een dergelijke regeling ook toe te passen voor
andere categorieën gedekte obligaties. In het licht van die evaluatie kan de Commissie in voorkomend geval
gedelegeerde handelingen vaststellen overeenkomstig artikel 445 om de derogatie
een permanent karakter te geven dan wel wetgevingsvoorstellen te doen om ze uit
te breiden tot andere vormen van gedekte obligaties. 3.
Tot 31 december 2014 worden voor de toepassing van
artikel 124, lid 1, onder c), preferente niet-gedekte uitzettingen van
instellingen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening krachtens
nationale wetgeving in aanmerking kwamen voor een risicogewicht van 20 %,
aangemerkt als uitzettingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie
1. 4.
Tot 31 december 2014 worden voor de toepassing van
artikel 124, lid 3, preferente niet-gedekte uitzettingen van instellingen die
vóór de inwerkingtreding van deze verordening krachtens nationale wetgeving in
aanmerking kwamen voor een risicogewicht van 20 %, aangemerkt als
uitzettingen die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 20 %. Artikel 474
Vrijstelling voor grondstoffenhandelaren 1.
De in deze verordening vervatte bepalingen inzake
kapitaalvereisten zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen wier
hoofdbedrijf uitsluitend bestaat uit het aanbieden van beleggingsdiensten of
-activiteiten in verband met de financiële instrumenten die worden beschreven
in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van Richtlijn 2004/39/EG en
waarop Richtlijn 93/22/EEG op 31 december 2006 niet van toepassing was. Deze vrijstelling geldt tot 31 december 2014
of de dag van inwerkingtreding van enige wijzigingen volgens leden 2 en 3,
waarbij de vroegste datum van toepassing is. 2.
Uiterlijk op 31 december 2014 brengt de Commissie
op basis van openbare raadplegingen en na overleg met de bevoegde autoriteiten
verslag uit aan het Parlement en de Raad over: (a)
een geschikte regeling voor het bedrijfseconomisch
toezicht op beleggingsondernemingen wier hoofdbedrijf uitsluitend bestaat uit
het aanbieden van beleggingsdiensten of ‑activiteiten in verband met de
derivaten of derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen, zoals
beschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van Richtlijn 2004/39/EG; (b)
de wenselijkheid Richtlijn 2004/39/EG zodanig te
wijzigen dat een verdere categorie beleggingsondernemingen wordt gecreëerd wier
hoofdbedrijf uitsluitend bestaat uit het aanbieden van beleggingsdiensten of
-activiteiten in verband met de financiële instrumenten zoals beschreven in
bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van Richtlijn 2004/39/EG met
betrekking tot energieleveringen, met inbegrip van elektriciteit, steenkool,
gas en olie. 3.
Op grond van het in lid 2 bedoelde verslag kan de
Commissie voorstellen indienen om deze verordening te wijzigen. Artikel 475
Hefboomwerking 1.
In afwijking van de artikelen 416 en 417 berekenen
en rapporteren instellingen van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2021 de
hefboomwerkingsratio door beide onderstaande elementen te gebruiken als
kapitaalwaarde: (a)
tier 1-kapitaal; (b)
tier 1-kapitaal, behoudens de afwijkingen in
de hoofdstukken 2 en 3 van deze titel. 2.
In afwijking van artikel 436, lid 1, kunnen
instellingen kiezen of zij de informatie over de hefboomwerkingsratio openbaar
maken op basis van slechts een dan wel van beide definities van de
kapitaalwaarde zoals bepaald in lid 1, onder a) en b). Wanneer instellingen hun keuze van de basis voor de openbaarmaking van
de informatie over de hefboomwerkingsratio wijzigen, moet in de eerste
daaropvolgende openbaarmaking een afstemmingsoverzicht worden opgenomen met de
informatie over alle hefboomwerkingsratio's die tot de wijziging openbaar is
gemaakt. 3.
In afwijking van artikel 416, lid 2, mogen de
bevoegde autoriteiten van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017
instellingen toestaan de hefboomwerkingsratio "einde kwartaal" te
berekenen wanneer zij van mening zijn dat instellingen mogelijkerwijs niet over
gegevens van toereikende kwaliteit beschikken om een hefboomwerkingsratio te
berekenen die een rekenkundig gemiddelde is van de maandelijkse
hefboomwerkingsratio's over een kwartaal. Artikel 476
Overgangsbepalingen – Bazel I-ondergrens 1.
Tot 31 december 2015 gelden de twee onderstaande
voorwaarden voor instellingen die hun risicogewogen uitzettingsbedragen
berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3, en instellingen die
gebruikmaken van geavanceerde meetbenaderingen zoals bepaald in deel 3, titel
III, hoofdstuk 4, voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het
operationele risico: (a)
zij houden een eigen vermogen aan zoals
voorgeschreven in deel 3, titel II, hoofdstuk 1; (b)
zij hebben een tijdelijke
kapitaalratio van niet minder 6,4 %. De tijdelijke kapitaalratio is gelijk aan het eigen vermogen van de
instelling, uitgedrukt als een percentage van de naar risicograad gewogen
activa en posten buiten de balanstelling als beschreven in bijlage IV. 2.
De bevoegde autoriteiten mogen, na raadpleging van
de EBA, instellingen ontheffing verlenen voor de toepassing van lid 1, onder
b), op voorwaarde dat is voldaan aan alle vereisten voor de
interne-ratingbenadering zoals beschreven in deel 3, titel II, hoofdstuk 3,
afdeling 6, en aan de criteria om gebruik te mogen maken van de geavanceerde
meetbenadering zoals beschreven in deel 3, titel III, hoofdstuk 4. Titel II
Verslagen en evaluaties Artikel 477
Cycliciteit van kapitaalvereisten De Commissie onderzoekt op gezette tijden, in
samenwerking met de EBA, de ESRB en de lidstaten en rekening houdende met de
bijdrage van de Europese Centrale Bank, of de onderhavige verordening als
geheel in combinatie met Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] van
grote invloed is op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat
onderzoek na of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn. Uiterlijk op 31 december 2013 brengt de EBA aan
de Commissie verslag uit of en hoe de door instellingen toegepaste
methodologieën in het kader van de IRB-benadering nader op elkaar moeten worden
afgestemd, teneinde te komen tot kapitaalvereisten die beter vergelijkbaar
zijn, terwijl ook de procycliciteit wordt afgezwakt. Op basis van deze analyse en rekening houdende
met de bijdrage van de Europese Centrale Bank stelt de Commissie om de twee
jaar een verslag op dat, zo nodig vergezeld van passende voorstellen, wordt
ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Aan bijdragen van de zijde van kredietnemers en ‑gevers moet bij
de opstelling van het verslag voldoende aandacht worden besteed. Artikel 478
Eigenvermogensvereisten voor uitzettingen in gedekte
obligaties Uiterlijk op 31 december 2015 en na
raadpleging van de EBA dient de Commissie bij het Parlement en de Raad een
verslag in, dat vergezeld gaat van passende voorstelen, over de toereikendheid
van de in artikel 124 bepaalde risicogewichten en de in artikel 325, lid 5,
bepaalde eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico voor alle
instrumenten die voor deze benaderingen in aanmerking komen, alsook over de
eventuele aanscherping van de criteria in artikel 124. Artikel 479
Grote uitzettingen Uiterlijk op 31 december 2013 onderzoekt de
Commissie de toepassing van artikel 389, lid 1, onder j), en artikel 389, lid 2,
met inbegrip van de vraag of vrijstellingen in artikel 389, lid 2, naar vrij
inzicht mogen worden verleend, en brengt zij hierover een verslag uit, dat zij,
in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel, bij het Europees
Parlement en de Raad indient. Met het oog op de mogelijke afschaffing van de
nationale beoordelingsvrijheid krachtens artikel 389, lid 2, onder c), en
de mogelijke toepassing op EU-niveau moet in het onderzoek met name rekening
worden gehouden met de doeltreffendheid van het groepsrisicomanagement en moet
tevens worden gezorgd voor voldoende waarborgen voor de financiële stabiliteit
in alle lidstaten waarin een entiteit van een groep is gevestigd. Artikel 480
Toepassingsniveau 1.
Uiterlijk op 31 december 2013 onderzoekt de
Commissie de toepassing van deel 1, titel II, en artikel 108, leden 6 en 7, en
brengt zij hierover een verslag uit, dat zij, in voorkomend geval samen met een
wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad indient. 2.
Uiterlijk op 31 december 2014 brengt de Commissie
een verslag uit over de vraag of en hoe het in artikel 401 vastgestelde
liquiditeitsdekkingsvereiste moet worden toegepast op beleggingsondernemingen,
welk verslag zij, na raadpleging van de EBA, in voorkomend geval samen met een
wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad indient. Artikel 481
Liquiditeitsvereisten 1.
De EBA volgt en beoordeelt de rapportages
overeenkomstig artikel 403, lid 1, voor verschillende valuta's en
bedrijfsmodellen. De EBA brengt, na
raadpleging van de ESRB, jaarlijks en voor het eerst op 31 december 2013
verslag uit bij de Commissie over de vraag of een nadere invulling van het
algemene liquiditeitsdekkingsvereiste van artikel 401 op basis van de criteria
voor liquiditeitsrapportage in deel 6, titel II, hetzij afzonderlijk hetzij
cumulatief bekeken, materiële schadelijke gevolgen zou hebben voor de
activiteiten en het risicoprofiel van Europese instellingen of voor de
financiële markten of de economie en de bancaire kredietverlening, met een
bijzondere aandacht voor kredietverlening aan kleine en middelgrote
ondernemingen en handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het
kader van officiële exportkredietverzekeringsregelingen. De EBA evalueert in haar verslag met name of het
aangewezen is een kalibratie te verrichten voor: a) de mechanismen die de waarde van liquiditeitsinstromen beperken; b) de uitstromen overeenkomstig artikel 410, lid 5; c) de passende reductiefactoren voor de toepassing van artikel 406 voor
activa die worden aangehouden overeenkomstig de in artikel 407 vastgestelde
afwijkingen. 2.
De EBA brengt uiterlijk op 31 december 2013 verslag
uit bij de Commissie over passende uniforme definities van hoge en zeer hoge
liquiditeit en kredietkwaliteit van overdraagbare activa met het oog op artikel
404. De EBA toetst met name de
geschiktheid van de volgende criteria en de passende niveaus voor dergelijke definities: (a)
minimale handelsvolume van de activa; (b)
minimale uitstaande volume van de activa; (c)
transparante prijsinformatie en informatie na de
handel; (d)
kredietkwaliteitscategorieën als bedoeld in
onderafdeling 2 van bijlage VI; (e)
bewijs van prijsstabiliteit; (f)
gemiddeld verhandeld volume en gemiddelde
handelsomvang; (g)
maximale bied- en laatspread; (h)
resterende tijd tot vervaldag; (i)
minimale omzetratio. 3.
Uiterlijk op 31 december 2015 brengt de EBA bij de
Commissie verslag uit over de vraag of en hoe op passende wijze kan worden
gegarandeerd dat instellingen gebruikmaken van stabiele financieringsbronnen,
met inbegrip van een evaluatie van de gevolgen voor de activiteiten en het
risicoprofiel van Europese instellingen of voor de financiële markten of de
economie en de bancaire kredietverlening, met een bijzondere aandacht voor
kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen en
handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van
officiële exportkredietverzekeringsregelingen Uiterlijk op 31 december 2016 dient de Commissie
op basis van deze verslagen een verslag in bij het Europees Parlement en de
Raad, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel. Artikel 482
Hefboomwerking 1.
De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad
uiterlijk op 31 december 2016 een verslag voor over de impact en de
doeltreffendheid van de hefboomwerkingsratio. In voorkomend geval wordt bij het verslag een wetgevingsvoorstel
gevoegd over de invoering van een of meer niveaus voor de hefboomwerkingsratio
die instellingen zouden moeten aanhouden, met inbegrip van een geschikte
kalibratie voor die niveaus en passende aanpassingen aan de kapitaalwaarde en
de totale-uitzettingswaarde als omschreven in artikel 416. 2.
Voor de toepassing van lid 1 brengt de EBA
uiterlijk op 31 oktober 2016 bij de Commissie verslag uit, waarbij ten minste
de volgende vragen aan de orde zijn gesteld: (a)
garanderen de vereisten van de artikelen 75 en 85
van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau] in overeenstemming met
de artikelen 72 en 92 van Richtlijn [in te voegen door het Publicatiebureau],
die ertoe strekken het risico van buitensporige hefboomwerking aan te pakken,
dat instellingen dit risico goed beheren en, zo niet, hoe moeten zij worden
aangescherpt om dit doel te verwezenlijken? (b)
zijn er wijzigingen nodig – en zo ja welke – in de
in artikel 416 uiteengezette berekeningswijze om te garanderen dat de
hefboomwerkingsratio kan worden gebruikt als een passende indicator voor het
risico van buitensporige hefboomwerking bij een instelling? (c)
bestaat er, in de context van de berekening van de
totale-uitzettingswaarde van de hefboomwerkingsratio, een materieel verschil
tussen de volgens de oorspronkelijke uitzettingsmethode bepaalde
uitzettingswaarde van in bijlage II genoemde posten en kredietderivaten en de
waarde bepaald volgens de methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde? (d)
is het, met het oog op het bewaken van het risico
van buitensporige hefboomwerking, niet meer aangewezen om gebruik te maken van
ofwel het eigen vermogen ofwel uit gewone aandelen bestaand tier 1–kapitaal
als de kapitaalwaarde voor de hefboomwerkingsratio, en zo ja, wat is dan de
passende kalibratie van de hefboomwerkingsratio? (e)
is de omrekeningsfactor van 10 % voor
verplichtingen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd, voldoende
conservatief, rekening houdende met de data die tijdens de waarnemingsperiode
zijn verzameld? (f)
zijn de frequentie en het format waarmee de
informatie over de in artikel 436 bedoelde posten openbaar wordt gemaakt,
passend? (g)
is 3 % een passend niveau voor de
hefboomwerkingsratio op basis van tier 1-kapitaal en, zo niet, welk niveau
is dan wel passend? (h)
als de hefboomwerkingsratio verplicht wordt
ingevoerd voor instellingen, zijn er dan wijzigingen nodig in het kader voor de
hefboomwerkingsratio waarin deze verordening voorziet, en zo ja, welke? (i)
als de hefboomwerkingsratio verplicht wordt
ingevoerd voor instellingen, zou dit het risico van buitensporige
hefboomwerking bij die instellingen daadwerkelijk beperken, en zo ja, moet het
niveau van de hefboomwerkingsratio hetzelfde zijn voor alle instellingen dan
wel verschillen naargelang het soort instelling, en welke extra kalibraties
zouden er in laatstgenoemd geval vereist zijn? 3.
Het in lid 2 bedoelde verslag bestrijkt ten minste
de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2016 en onderzoekt ten minste
het volgende: (a)
de gevolgen van de verplichte invoering voor
instellingen van de overeenkomstig artikel 416 omschreven hefboomwerkingsratio
voor: i) de financiële markten in het algemeen en de markten voor repo's,
derivaten en gedekte obligaties in het bijzonder; ii) de soliditeit van de instellingen; iii) bedrijfsmodellen en balansstructuren van de instellingen; iv) de migratie van uitzettingen naar entiteiten die niet zijn onderworpen
aan prudentieel toezicht; v) financiële innovatie, met name de ontwikkeling van instrumenten waarin
de hefboomwerking besloten ligt; vi) het risicogedrag van instellingen; vii) clearing, afwikkeling en bewaring; viii) de cycliciteit van de kapitaalwaarde en de totale-uitzettingswaarde van
de hefboomwerkingsratio; ix) de bancaire kredietverlening, met een bijzondere aandacht voor
kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen en
handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van
officiële exportkredietverzekeringsregelingen; (b)
de wisselwerking tussen de hefboomwerkingsratio en
de op risico gebaseerde eigenvermogensvereisten en de liquiditeitsvereisten
zoals bepaald in deze verordening; (c)
het effect van verschillen op het gebied van verslaglegging
tussen standaarden voor jaarrekeningen uit hoofde van Verordening (EG)
nr. 106/2002, standaarden voor jaarrekeningen uit hoofde van Richtlijn 86/635/EG
en andere relevante standaarden voor jaarrekeningen op de vergelijkbaarheid van
de hefboomwerkingsratio. Artikel 483
Blootstelling aan overgedragen kredietrisico’s De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2013
aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en
effectiviteit van de bepalingen van deel 5 in het licht van de internationale
marktontwikkelingen. Artikel 484
Tegenpartijkredietrisico en oorspronkelijke
uitzettingsmethode Uiterlijk op 31 december 2016 onderzoekt de
Commissie de toepassing van artikel 270 en brengt zij hierover een verslag uit,
dat zij, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel, bij het Europees
Parlement en de Raad indient. Artikel 485
Uitzettingen op particulieren en kleine partijen Uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding
van deze verordening brengt de Commissie een verslag uit over de gevolgen van
de in deze verordening vastgestelde eigenvermogensvereisten voor de
kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen en particulieren, dat
zij, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel, bij het Europees
Parlement en de Raad indient. Te dien einde rapporteert de EBA het volgende
aan de Commissie met betrekking tot artikel 118: (a)
een vergelijking tussen de werkelijke onverwachte
kredietverliezen uit kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen
en particulieren binnen de Europese Unie over een volledig economische cyclus
en de onverwachte kredietverliezen op basis van de kredietrisicogewichten die
van toepassing zijn op kleine en middelgrote ondernemingen; (b)
een analyse waarin is onderzocht of de limiet van 1
miljoen euro de juiste toepassing van de risicoweging belemmert. Artikel 486
Definitie van in aanmerking komend kapitaal Uiterlijk op 31 december 2013 onderzoekt de
Commissie de deugdelijkheid van de definitie van in aanmerking komend kapitaal
die wordt toegepast in het kader van titel IV van deel 2 en deel 4, en brengt
zij hierover een verslag uit, dat zij, in voorkomend geval samen met een
wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad indient. DEEL 11
SLOTBEPALINGEN Artikel 487 1.
Behoudens lid 2 is deze verordening van toepassing
met ingang van 1 januari 2013. 2.
Artikel 436, lid 1, is van toepassing met ingang
van 1 januari 2015. Artikel 488 Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter Bijlage I
Indeling van posten buiten de balanstelling 1.
Volledig risico: –
Garanties met het karakter van kredietvervangingen –
Kredietderivaten –
Accepten –
Endossementen van wissels die niet de handtekening
van andere instellingen dragen –
Transacties met regres –
Onherroepelijke „stand by”-accreditieven met het
karakter van kredietvervangingen –
Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende
koop op termijn zonder rugdekking –
Deposito's in de vorm van tussenswaps
("forward forward deposits") –
Onbetaald deel van niet-volgestorte aandelen en
effecten –
Overeenkomsten betreffende cessie en retrocessie
van activa zoals gedefinieerd in artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn 86/635/EEG –
Overige posten met een volledig risico 2.
Middelgroot risico: –
Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten
(zie ook „Middelgroot/laag risico”) –
Garanties en borgtochten (met inbegrip van
inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties)
en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben –
Onherroepelijke „stand by”-accreditieven die niet
het karakter van kredietvervangingen hebben –
Niet-opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten
tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen
van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van meer
dan een jaar –
Note issuance facilities (NIF's) en revolving
underwriting facilities (RUF's) –
Overige posten met een middelgroot risico waarvan
de EBA in kennis is gesteld 3.
Middelgroot/laag risico: –
Documentaire kredieten met de onderliggende
zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties –
Niet-opgenomen kredietfaciliteiten omvattende
overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het
verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten met een oorspronkelijke
looptijd van een jaar of korter die niet te allen tijde onvoorwaardelijk zonder
opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor niet expliciet is bepaald dat
zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de
verminderde kredietwaardigheid van de debiteur –
Overige posten met een middelgroot/laag risico
waarvan de EBA in kennis is gesteld 4.
Laag risico: –
Niet-opgenomen kredietfaciliteiten omvattende
overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het
verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten die te allen tijde
onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor
expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd
op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur Aan particulieren en kleine partijen toegekende
kredietlijnen kunnen als onvoorwaardelijk opzegbaar worden beschouwd als de
instelling deze op grond van de voorwaarden, maar wel met volledige
inachtneming van hetgeen in het kader van de consumentenbeschermings- en
daarmee samenhangende wetgeving is toegestaan, mag opzeggen en –
Overige posten met een laag risico waarvan de EBA
in kennis is gesteld Bijlage II
Categorieën derivaten 1.
Rentecontracten: (a)
Renteswaps die betrekking hebben op één valuta (b)
Basisswaps (c)
Rentetermijncontracten (d)
Rentefutures (e)
Gekochte renteopties (f)
Andere contracten van gelijke aard 2.
Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen
of goud: (a)
Cross-currency renteswaps (b)
Valutatermijncontracten (c)
Valutafutures (d)
Gekochte valutaopties (e)
Andere contracten van gelijke aard (f)
Contracten die betrekking hebben op goud en van
gelijke aard zijn als de contracten onder a) tot en met e) 3.
Contracten die van gelijke aard zijn als die in
punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), die
betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices. Hiertoe behoren minimaal alle instrumenten die
nader worden genoemd in de punten 4 tot en met 7, 9 en 10 in deel C van bijlage
I bij Richtlijn 2004/39/EG en die niet in de punten 1 of 2 zijn opgenomen. Bijlage III
Posten onderworpen aan aanvullende rapportage van liquide
activa 1.
Contanten; 2.
Reserves van centrale banken, voor zover er in
tijden van stress een beroep kan worden op gedaan; 3.
Effecten, zijnde uitzettingen op of gegarandeerd
door landen, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, regionale en lagere
overheden, de Bank voor Internationale Betalingen, het Internationaal Monetair
Fonds, de Europese Commissie of multilaterale ontwikkelingsbanken, waarbij aan
alle onderstaande voorwaarden is voldaan: (a)
er is overeenkomstig afdeling 2 van titel III,
hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % aan toegekend; (b)
zij worden verhandeld op brede, diepe en actieve
markten voor retrocessieovereenkomsten of contanten, die worden gekenmerkt door
een lage mate van concentratie; (c)
zij hebben bewezen een betrouwbare bron van
liquiditeit te zijn middels retrocessieovereenkomsten of verkoop, ook onder
gespannen marktomstandigheden; (d)
zij vormen geen verplichting van een instelling of
een met haar verbonden lichaam; 4.
Andere dan de onder 3) bedoelde effecten, zijnde
vorderingen op of gegarandeerd door landen of centrale banken, uitgegeven in de
nationale valuta van dat land of die centrale bank, voor zover het aanhouden
van een dergelijke schuld overeenstemt met de liquiditeitsbehoeften naar
aanleiding van de activiteiten van de bank in die valuta; 5.
Effecten, zijnde vorderingen op of gegarandeerd
door landen, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, regionale en lagere
overheden of multilaterale ontwikkelingsbanken, waarbij aan alle onderstaande
voorwaarden is voldaan: (a)
er is overeenkomstig afdeling 2 van titel III,
hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % aan toegekend; (b)
zij worden verhandeld op brede, diepe en actieve
markten voor retrocessieovereenkomsten of contanten, die worden gekenmerkt door
een lage mate van concentratie; (c)
zij hebben bewezen een betrouwbare bron van
liquiditeit te zijn middels retrocessieovereenkomsten of verkoop, ook onder
gespannen marktomstandigheden; (d)
zij vormen geen verplichting van een instelling of
een met haar verbonden lichaam; 6.
Andere dan de onder 3) tot en met 5) bedoelde
effecten, die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 20 % of beter
overeenkomstig afdeling 2 van titel III, hoofdstuk 2, of die volgens een
interne beoordeling een gelijkwaardige kredietkwaliteit hebben, waarbij aan
alle onderstaande voorwaarden is voldaan: (a)
zij vormen geen vordering op een SSPE, een
instelling of een met haar verbonden lichaam; (b)
zij vormen obligaties als omschreven in artikel 22,
lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en komen in aanmerking voor de behandeling van
artikel 124. Bijlage IV
Naar risicograad gewogen activa en posten buiten de
balanstelling voor de tijdelijke kapitaalratio Deel 1 - Definities 1.
"Zone A" omvat alle lidstaten en alle
overige landen die volwaardig lid van de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn en de landen die bijzondere
leningsarrangementen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben
gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het IMF. Elk land dat zijn buitenlandse overheidsschuld
herschikt, wordt echter voor een periode van vijf jaar van zone A uitgesloten; 2.
"Zone B" omvat alle andere landen dan die
van zone A; 3.
"Kredietinstellingen van zone A" zijn
alle kredietinstellingen die in de lidstaten een vergunning hebben verkregen,
inclusief hun bijkantoren in derde landen, en alle kredietinstellingen waaraan
een vergunning is verleend in andere landen van zone A, inclusief hun
bijkantoren; 4.
"Kredietinstellingen van zone B" zijn
alle kredietinstellingen die een vergunning hebben verkregen buiten zone A,
inclusief hun bijkantoren in de Unie; 5.
"Niet-bancaire sector" zijn alle andere
leningnemers dan kredietinstellingen, centrale banken, centrale, regionale en
lokale overheden, de Europese Unie, de Europese Investeringsbank (EIB) en
multilaterale ontwikkelingsbanken; 6.
Multilaterale ontwikkelingsbanken als bedoeld in
artikel 112. Deel 2 - Naar risicograad gewogen activa en
posten buiten de balanstelling 7.
Aan de actiefposten worden risicograden, in de vorm
van in procenten uitgedrukte wegingsfactoren, toegekend overeenkomstig deel 3
en 4 en, in uitzonderlijke gevallen, deel 5. De balanswaarde van elk actief wordt vervolgens vermenigvuldigd met de
desbetreffende wegingsfactor om te komen tot een naar risicograad gewogen
waarde. 8.
In het geval van de in bijlage I vermelde posten
buiten de balanstelling wordt een berekening in twee fasen verricht,
overeenkomstig punt 17. 9.
In het geval van de in punt 17 bedoelde posten
buiten de balanstelling worden de potentiële kosten van vervanging van
contracten bij in gebreke blijven van de tegenpartij berekend door toepassing
van een van de twee in bijlage II genoemde methoden. Deze kosten worden vermenigvuldigd met de desbetreffende, in de punten 11-15,
vermelde wegingsfactor voor de tegenpartij, met dien verstande dat de
wegingsfactor 100 % op 50 % wordt gesteld om naar risicograad gewogen waarden
te krijgen. 10.
De som van de in de punten 8 en 9 bedoelde naar
risicograad gewogen waarden van activa en posten buiten de balanstelling is de
noemer van de solvabiliteitsratio. Deel 3 - Risicogewichten 11.
Op de hierna vermelde activacategorieën worden de
daarbij aangegeven wegingsfactoren toegepast, tenzij de bevoegde autoriteiten
het dienstig achten hogere factoren vast te stellen: 12.
Wegingsfactor 0 % (a)
kasmiddelen en gelijkwaardige posten; (b)
activa die vorderingen op centrale overheden en
centrale banken van zone A vertegenwoordigen; (c)
activa die vorderingen op de Europese Unie
vertegenwoordigen; (d)
activa die uit uitdrukkelijk door centrale
overheden en centrale banken van zone A of door de Europese Unie gegarandeerde
vorderingen vertegenwoordigen; (e)
activa die vorderingen op centrale overheden en
centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en gefinancierd in de
nationale valuta van de leningnemer; (f)
activa die vorderingen vertegenwoordigen welke
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden en centrale banken van
zone B, luidende en gefinancierd in de gemeenschappelijke nationale valuta van
de garant en de leningnemer; (g)
activa die ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn
uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A of door de
Europese Unie, door deposito's in contanten bij de leningverstrekkende
instelling of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven
door en gedeponeerd bij laatstgenoemde instelling. 13.
Wegingsfactor 20% (a)
activa die vorderingen op de EIB vertegenwoordigen; (b)
activa die vorderingen op multilaterale
ontwikkelingsbanken vertegenwoordigen; (c)
activa die vorderingen vertegenwoordigen welke
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door de EIB; (d)
activa die vorderingen vertegenwoordigen welke
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door multilaterale ontwikkelingsbanken; (e)
activa die vorderingen op regionale of lokale overheden
van zone A vertegenwoordigen, behoudens het bepaalde in deel 4; (f)
activa die vorderingen vertegenwoordigen welke
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door regionale of lokale overheden van zone A,
behoudens het bepaalde in deel 4; (g)
activa die vorderingen op kredietinstellingen van
zone A vertegenwoordigen, en die geen eigen vermogen van die instellingen zijn; (h)
activa die vorderingen op kredietinstellingen van
zone B vertegenwoordigen met een looptijd van ten hoogste een jaar, met
uitzondering van door deze instellingen uitgegeven effecten die als
bestanddelen van hun eigen vermogen zijn erkend; (i)
activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door
kredietinstellingen van zone A; (j)
activa die vorderingen met een looptijd van ten
hoogste een jaar vertegenwoordigen, welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door
kredietinstellingen van zone B; (k)
activa die ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn
uitgegeven door de EIB of door multilaterale ontwikkelingsbanken; (l)
liquide middelen in de inningsfase. 14.
Wegingsfactor 50% (a)
leningen die ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken op woningen
die worden of zullen worden bewoond of verhuurd door de leningnemers en
leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, volledig zijn
gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële
woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen
van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van residentiële
eigendommen die zullen worden bewoond of verhuurd door de leningnemer; (b)
"door hypotheek gedekte waardepapieren"
die kunnen worden gelijkgesteld aan de onder a) bedoelde leningen indien de
bevoegde autoriteiten, rekening houdend met het in elke lidstaat geldende
rechtskader, van oordeel zijn dat zij ten aanzien van het kredietrisico
gelijkwaardig zijn. Onverminderd de
soorten waardepapieren die door dit punt kunnen worden bestreken en die aan de
voorwaarden ervan voldoen, kunnen "door hypotheek gedekte
waardepapieren" mede instrumenten omvatten in de zin van deel C, punten 1
en 3, van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG. In het bijzonder moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn
aangetoond: i) dat deze waardepapieren volledig en rechtstreeks zijn gedekt door een
pool van hypotheken van gelijke aard als die welke onder a) zijn omschreven, en
die ten tijde van de uitgifte van de betrokken waardepapieren volledig
operationeel zijn; ii) dat de beleggers in door hypotheek gedekte waardepapieren hetzij
rechtstreeks, hetzij via een trustee of in hun opdracht handelend
vertegenwoordiger, een recht van aanvaardbare rang met hoge prioriteit hebben
op de onderliggende door hypotheek belichaamde actiefposten naar evenredigheid
van hun aandeel in de waardepapieren; (c)
overlopende posten: op deze activa wordt de voor de tegenpartij geldende wegingsfactor
toegepast wanneer de kredietinstelling deze overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG
kan bepalen. Wanneer de
kredietinstelling niet in staat is om de tegenpartij te bepalen, past zij een
forfaitaire wegingsfactor van 50% toe. 15.
Wegingsfactor 100% (a)
activa die vorderingen op centrale overheden en
centrale banken van zone B vertegenwoordigen, tenzij deze luiden en
gefinancierd zijn in de nationale valuta van de leningnemers; (b)
activa die vorderingen op regionale en lokale
overheden van zone B vertegenwoordigen; (c)
activa die vorderingen op kredietinstellingen van
zone B vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan een jaar; (d)
activa die vorderingen op de niet-bancaire sectoren
van zone A en zone B vertegenwoordigen; (e)
materiële activa in de zin van artikel 4 (activa),
punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG; (f)
bezit van aandelen, deelnemingen en andere
bestanddelen van het eigen vermogen van andere kredietinstellingen voor zover
niet in mindering gebracht op het eigen vermogen van de leningverstrekkende
instelling; (g)
alle andere activa, tenzij in mindering gebracht op
het eigen vermogen. 16.
De volgende behandeling is van toepassing op andere
dan de in punt 17 bedoelde posten buiten de balanstelling.
Eerst worden de posten ingedeeld in de risicocategorieën
van bijlage II. Voor posten met een
volledig risico wordt de totale waarde in aanmerking genomen; voor posten met
een middelgroot risico 50% van de waarde; voor posten met een middelgroot/laag
risico 20% van de waarde; de waarde van de posten met een laag risico wordt
vastgesteld op nul. De tweede fase
bestaat erin de aldus in aanmerking genomen waarden van de posten buiten de
balanstelling te vermenigvuldigen met de wegingsfactoren die gelden voor de
betrokken tegenpartijen, overeenkomstig de behandeling van activa zoals bepaald
in de punten 11-15 en deel 4. Bij
overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn
zonder rugdekking zijn de wegingsfactoren die welke gelden voor de betrokken
activa, en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties. Op het niet-gestorte gedeelte van de
inschrijvingen op het kapitaal van het Europees Investeringsfonds mag een
wegingsfactor van 20% worden toegepast. 17.
De methoden van bijlage II worden toegepast op de
in bijlag I vermelde posten buiten de balanstelling, behalve voor: (a)
contracten die verhandeld worden op erkende
beurzen, (b)
valutacontracten (uitgezonderd contracten
betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van 14
kalenderdagen of minder. 18.
Indien voor posten buiten de balanstelling
uitdrukkelijke garanties zijn verstrekt, worden zij gewogen als waren zij
aangegaan voor de garant in plaats van de tegenpartij. Indien het risico dat voortvloeit uit transacties buiten de
balanstelling, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig is
gegarandeerd door activa die in punt 12 g) en punt 13 k) als passend onderpand
worden aangemerkt, gelden wegingsfactoren van 0 of 20 % naar gelang van het
desbetreffende onderpand. 19.
De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50 %
toepassen op posten buiten de balanstelling die borgstellingen of
kredietgaranties met het karakter van kredietvervangingen zijn en die, ten
genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig zijn gegarandeerd
door hypotheken die voldoen aan de voorwaarden van punt 14 a), mits de garant
een direct recht op dat onderpand heeft. 20.
Indien voor activa en posten buiten de
balanstelling een lagere wegingsfactor wordt toegepast wegens het bestaan van
een uitdrukkelijke garantie of van een voor de bevoegde autoriteiten
aanvaardbaar onderpand, is die lagere wegingsfactor alleen van toepassing op
het gedeelte dat is gegarandeerd of dat volledig door het onderpand is gegarandeerd. Deel 4 - Wegingsfactor van vorderingen op
regionale of lokale overheden van de lidstaten 21.
Onverminderd de voorschriften van punt 13 kunnen de
lidstaten een wegingsfactor van 0 % vaststellen voor hun eigen regionale en
lokale overheden indien er geen verschil in risico bestaat tussen vorderingen
op laatstgenoemde overheden en vorderingen op hun centrale overheden vanwege de
bevoegdheden van de regionale en lokale overheden om inkomsten te verkrijgen en
het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke
blijven door genoemde overheden te verminderen. Een overeenkomstig deze criteria vastgestelde wegingsfactor van 0 %
geldt voor vorderingen op en posten buiten de balanstelling voor rekening van
de betrokken regionale en lokale overheden, alsmede voor vorderingen op derden
en posten buiten de balanstelling voor rekening van derden, welke gegarandeerd
zijn door die regionale en lokale overheden of die, ten genoegen van de
betrokken bevoegde autoriteiten, gegarandeerd zijn door onderpand in de vorm
van effecten die zijn uitgegeven door die regionale of lokale overheden. 22.
Indien zij wegingsfactor 0 % op grond van de in
punt 21 genoemde criteria gerechtvaardigd achten, stellen de lidstaten de EBA
daarvan in kennis. Andere lidstaten
kunnen de kredietinstellingen, onder toezicht van hun bevoegde autoriteiten,
toestaan om wegingsfactor 0 % toe te passen voor transacties met de regionale
of lokale overheden in kwestie of wanneer zij vorderingen hebben welke door die
overheden worden gegarandeerd, met inbegrip van garanties door onderpand in de
vorm van effecten. Deel 5 – Overige wegingsfactoren 23.
Onverminderd punt 21 kunnen de lidstaten een
wegingsfactor van 20 % toepassen op activa die ten genoegen van de
betrokken bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van
effecten die zijn uitgegeven door regionale of lokale overheden van zone A,
door deposito's bij andere kredietinstellingen van zone A dan de
leningverstrekkende instelling, of door certificaten van deposito of soortgelijk
papier, uitgegeven door deze kredietinstellingen. 24.
De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 10 %
toepassen op vorderingen op instellingen die zijn gespecialiseerd op het gebied
van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld in de lidstaat van
herkomst en die aan een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn
onderworpen, wanneer die activa, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van
de lidstaat van herkomst, geheel en volledig zijn gegarandeerd door een
combinatie van in de punten 12 en 13 vermelde activa die door deze autoriteiten
als een passend onderpand wordt aangemerkt. 25.
De lidstaten stellen de EBA in kennis van de
overeenkomstig de punten 23 en 24 aangenomen bepalingen en van de motivering
van deze bepalingen. Deel 6 - Administratieve organen en
niet-commerciële ondernemingen 26.
Voor de toepassing van punt 13 kunnen de bevoegde
autoriteiten onder de definitie van "regionale en lokale overheden"
ook niet-commerciële administratieve organen laten vallen die verantwoording
moeten afleggen aan regionale of lokale overheden, of overheden die, naar het
oordeel van de bevoegde autoriteiten, dezelfde verantwoordelijkheden dragen als
de regionale en lokale overheden. 27.
De bevoegde autoriteiten kunnen bovendien kerken en
godsdienstige gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn,
gelijkstellen met regionale en lokale overheden, voor zover zij belastingen
heffen op grond van een hun daartoe bij wet verleend recht. In dit geval zijn
de keuzemogelijkheden van deel 4 evenwel niet van toepassing. Bijlage
5 Concordantietabel De onderhavige verordening || Richtlijn 2006/48/EG || Richtlijn 2006/49/EG Artikel 1 || || Artikel 2 || || Artikel 3 || || Artikel 4, punt 1, punten 3-5, punt 10, punten 16-22, 24-38, 42, 47, 60, 61, 63, 66, 67, 71 en 72 || Artikel 4 || Artikel 4, punten 6, 7, 56 en 81 || || Artikel 3 Artikel 4, punten 2, 9, 11-15, 23, 40, 41, 48, 55, 57, 59, 62, 64, 65, 68, 69, 70, 73-80 en 82-86 || || Artikel 4, punt 50 || Artikel 77 || Artikel 4 || || Artikel 3, lid 1, onder m) Artikel 4 || || Artikel 3, lid 1, onder o) Artikel 4 || || Artikel 3, lid 1, onder e) Artikel 4 || Artikel 4, punt 14 || Artikel 4 || Artikel 4, punt 16 || Artikel 4 || Artikel 4, punt 4 || Artikel 3, lid 3, onder c) Artikel 4 || Artikel 4, punt 5 || Artikel 5, lid 1 || Artikel 68, lid 1 || Artikel 5, lid 2 || Artikel 68, lid 2 || Artikel 5, lid 3 || Artikel 68, lid 3 || Artikel 5, lid 4 || || Artikel 5, lid 5 || || Artikel 6, lid 1 || Artikel 69, lid 1 || Artikel 6, lid 2 || Artikel 69, lid 2 || Artikel 6, lid 3 || Artikel 69, lid 3 || Artikel 7, lid 1 || || Artikel 7, lid 2 || || Artikel 7, lid 3 || || Artikel 8, lid 1 || Artikel 70, lid 1 || Artikel 8, lid 2 || Artikel 70, lid 2 || Artikel 8, lid 3 || Artikel 70, lid 3 || Artikel 9 || Artikel 3, lid 1 || Artikel 10, lid 1 || Artikel 71, lid 1 || Artikel 10, lid 2 || Artikel 71, lid 2 || Artikel 10, lid 3 || || Artikel 10, lid 4 || || Artikel 11 || || Artikel 12, lid 1 || Artikel 72, lid 1 || Artikel 12, lid 2 || Artikel 72, lid 2 || Artikel 12, lid 3 || Artikel 72, lid 3 || Artikel 12, lid 4 || || Artikel 13, lid 1 || Artikel 73, lid 3 || Artikel 13, lid 2 || || Artikel 13, lid 3 || || Artikel 14 || || Artikel 22, lid 1 Artikel 15, lid 1 || || Artikel 23 Artikel 15, lid 2 || || Artikel 15, lid 3 || || Artikel 16, leden 1-3 || Artikel 133, lid 1 || Artikel 16, lid 4 || Artikel 133, lid 2 || Artikel 16, lid 5 || Artikel 133, lid 3 || Artikel 16, lid 6 || Artikel 134, lid 1 || Artikel 16, lid 7 || || Artikel 16, lid 8 || Artikel 134, lid 2 || Artikel 17, lid 1 || Artikel 73, lid 1 || Artikel 17, lid 2 || || Artikel 17, lid 3 || || Artikel 18, lid 1 || || Artikel 18, lid 2 || || Artikel 18, lid 3 || || Artikel 18, lid 4 || || Artikel 18, lid 5 || || Artikel 18, lid 6 || || Artikel 18, lid 7 || || Artikel 19, lid 1 || || Artikel 19, lid 2 || || Artikel 19, lid 3 || || Artikel 19, lid 4 || || Artikel 20 || Artikel 73, lid 2 || Artikel 21 || || Artikel 3, lid 1, tweede alinea Artikel 22 || || Artikel 23 || || Artikel 24 || || Artikel 25 || || Artikel 26 || || Artikel 27 || || Artikel 28 || || Artikel 29 || || Artikel 30 || || Artikel 31 || || Artikel 32 || || Artikel 33 || || Artikel 34 || || Artikel 35 || || Artikel 36 || || Artikel 37 || || Artikel 38 || || Artikel 39 || || Artikel 40 || || Artikel 41 || || Artikel 42 || || Artikel 43 || || Artikel 44 || || Artikel 45 || || Artikel 46 || || Artikel 47 || || Artikel 48 || || Artikel 49 || || Artikel 50 || || Artikel 51 || || Artikel 52 || || Artikel 53 || || Artikel 54 || || Artikel 55 || || Artikel 56 || || Artikel 57 || || Artikel 58 || || Artikel 59 || || Artikel 60 || || Artikel 61 || || Artikel 62 || || Artikel 63 || || Artikel 64 || || Artikel 65 || || Artikel 66 || || Artikel 67 || || Artikel 68 || || Artikel 69 || || Artikel 70 || || Artikel 71 || || Artikel 72 || || Artikel 73 || || Artikel 74 || || Artikel 75 || || Artikel 76 || || Artikel 77 || || Artikel 78 || || Artikel 79 || || Artikel 80 || || Artikel 81 || || Artikel 82 || || Artikel 83 || || Artikel 84, leden 1 en 2 || Artikel 120 || Artikel 84, lid 3 || || Artikel 84, lid 4 || || Artikel 85 || || Artikel 86 || || Artikel 87 || || Artikel 88, leden 1-4 || Artikel 10, leden 1-4 || Artikel 88, lid 5 || || Artikel 89 || || Artikel 18, leden 2-4 Artikel 90 || || Artikel 91 || || Artikel 92 || || Artikel 93 || || Artikel 24 Artikel 94 || Artikel 74, lid 1 || Artikel 95, lid 1 || Artikel 74, lid 2 || Artikel 95, lid 2 || || Artikel 96, lid 1 || || Artikel 96, lid 2 || || Artikel 96, lid 3 || || Artikel 97, lid 1 || || Artikel 11, lid 1 Artikel 97, lid 2 || || Artikel 11, lid 3 Artikel 97, lid 3 || || Artikel 11, lid 4 Artikel 97, lid 4 || || Bijlage VII, deel C, punt 1 Artikel 98 || || Bijlage VII, deel A, punt 1 Artikel 99, lid 1 || || Bijlage VII, deel D, punt 1 Artikel 99, lid 2 || || Bijlage VII, deel D, punt 2 Artikel 100, lid 1 || || Artikel 33, lid 1 Artikel 100, leden 2-10 || || Bijlage VII, deel B, punten 1-9 Artikel 100, leden 11-13 || || Bijlage VII, deel B, punten 11-13 Artikel 101 || || Bijlage VII, deel C, punten 1-3 Artikel 102 || Artikel 76 || Artikel 103, lid 1 || Artikel 91 || Artikel 103, lid 2 || || Artikel 104 || Artikel 94 || Artikel 105 || || Artikel 106 || Artikel 78, leden 1-3 || Artikel 107 || Artikel 79, lid 1 || Artikel 108, lid 1 || Artikel 80, lid 1 || Artikel 108, lid 2 || Artikel 80, lid 2 || Artikel 108, lid 3 || Artikel 80, lid 4 || Artikel 108, lid 4 || Artikel 80, lid 5 || Artikel 108, lid 5 || Artikel 80, lid 6 || Artikel 108, lid 6 || Artikel 80, lid 7 || Artikel 108, lid 7 || Artikel 80, lid 8 || Artikel 108, lid 8 || || Artikel 109 || Bijlage VI, deel 1, punten 1-5 || Artikel 110, lid 1 || || Artikel 110, leden 2-5 || Bijlage VI, deel 1, punten 8-11 || Artikel 111, lid 1 || || Artikel 111, lid 2 || || Artikel 111, lid 3 || || Artikel 111, lid 4 || || Artikel 111, lid 5 || Bijlage VI, deel 1, punt 15 || Artikel 111, lid 6 || Bijlage VI, deel 1, punt 17 || Artikel 112, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punten 18 en 19 || Artikel 112, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 20 || Artikel 112, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punt 21 || Artikel 113 || Bijlage VI, deel 1, punt 22 || Artikel 114, lid 1 || || Artikel 114, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punten 37 en 38 || Artikel 114, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punt 40 || Artikel 114, lid 4 || || Artikel 114, lid 5 || || Artikel 115, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 29 || Artikel 115, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 31 || Artikel 115, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punten 33-36 || Artikel 116, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 26 || Artikel 116, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 25 || Artikel 116, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punt 27 || Artikel 117 || Bijlage VI, deel 1, punten 41 en 42 || Artikel 118 || Artikel 79, leden 2 en 3, en bijlage VI, deel 1, punt 43 || Artikel 119, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 44 || Artikel 119, lid 2 || || Artikel 119, lid 3 || || Artikel 120, leden 1-3 || Bijlage VI, deel 1, punten 45-49 || Artikel 120, lid 4 || || Artikel 121, leden 1 en 2 || Bijlage VI, deel 1, punten 51-55 || Artikel 121, leden 3 en 4 || Bijlage VI, deel 1, punten 58 en 59 || Artikel 122, leden 1 en 2 || Bijlage VI, deel 1, punten 61 en 62 || Artikel 122, leden 3 en 4 || Bijlage VI, deel 1, punten 64 en 65 || Artikel 123, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punten 66 en 76 || Artikel 123, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 66 || Artikel 123, lid 3 || || Artikel 124, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 68, eerste en tweede alinea || Artikel 124, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 69 || Artikel 124, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punt 71 || Artikel 124, lid 4 || Bijlage VI, deel 1, punt 70 || Artikel 124, lid 5 || || Artikel 125 || Bijlage VI, deel 1, punt 72 || Artikel 126 || Bijlage VI, deel 1, punt 73 || Artikel 127, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 74 || Artikel 127, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 75 || Artikel 127, lid 3 || Bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78 || Artikel 127, lid 4 || Bijlage VI, deel 1, punt 79 || Artikel 127, lid 5 || Bijlage VI, deel 1, punten 80 en 81 || Artikel 128, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 86 || Artikel 128, lid 2 || || Artikel 128, lid 3 || || Artikel 129, leden 1-3 || Bijlage VI, deel 1, punten 82-84 || Artikel 129, leden 4-7 || Bijlage VI, deel 1, punten 87-90 || Artikel 130 || Artikel 81, leden 1, 2 en 4 || Artikel 131, lid 1 || Artikel 82, lid 1 || Artikel 131, lid 2 || Bijlage VI, deel 2, punten 12-16 || Artikel 131, lid 3 || Artikel 150, lid 3 || Artikel 132, lid 1 || Bijlage VI, deel 1, punt 6 || Artikel 132, lid 2 || Bijlage VI, deel 1, punt 7 || Artikel 132, lid 3 || || Artikel 133 || Bijlage VI, deel 3, punten 1-7 || Artikel 134 || Bijlage VI, deel 3, punten 8-17 || Artikel 135, lid 1 || || Artikel 135, lid 2 || || Artikel 136 || || Artikel 137, lid 1 || || Artikel 137, lid 2 || || Artikel 138, lid 1 || Artikel 84, lid 1, en bijlage VII, deel 4, punt 1 || Artikel 138, lid 1 || Artikel 84, lid 2 || Artikel 138, lid 1 || Artikel 84, lid 3 || Artikel 138, lid 1 || Artikel 84, lid 4 || Artikel 138, lid 1 || || Artikel 139 || || Artikel 140 || || Artikel 141 || || Artikel 142, lid 1 || Artikel 86, lid 9 || Artikel 142, leden 2-9 || Artikel 86, leden 1-8 || Artikel 143, lid 1 || Artikel 85, lid 1 || Artikel 143, lid 2 || Artikel 85, lid 2 || Artikel 143, lid 3 || || Artikel 143, lid 4 || Artikel 85, lid 3 || Artikel 143, lid 5 || || Artikel 143, lid 1 || || Artikel 144 || Artikel 85, leden 4 en 5 || Artikel 145, lid 1 || Artikel 89, lid 1 || Artikel 145, lid 2 || Artikel 89, lid 2 || Artikel 145, lid 3 || || Artikel 145, lid 4 || || Artikel 146 || Artikel 87, leden 1-10 || Artikel 147, leden 1 en 2 || Artikel 87, lid 11 || Artikel 147, leden 3 en 4 || Artikel 87, lid 12 || Artikel 147, lid 5 || || Artikel 148, lid 1 || Bijlage VII, deel 1, punt 3 || Artikel 148, lid 2 || || Artikel 148, leden 3-8 || Bijlage VII, deel 1, punten 4-9 || Artikel 148, lid 9 || || Artikel 149 || Bijlage VII, deel 1, punten 10-16 || Artikel 150, lid 1 || Bijlage VII, deel 1, punten 17 en 18 || Artikel 150, lid 2 || Bijlage VII, deel 1, punten 19-21 || Artikel 150, lid 3 || Bijlage VII, deel 1, punten 22-24 || Artikel 150, lid 4 || Bijlage VII, deel 1, punten 25 en 26 || Artikel 151 || || Artikel 152 || Bijlage VII, deel 1, punt 27 || Artikel 153, lid 1 || Bijlage VII, deel 1, punt 28 || Artikel 153, leden 2-5 || || Artikel 154, lid 1 || Artikel 88, lid 2 || Artikel 154, lid 2 || Artikel 88, lid 3 || Artikel 154, lid 3 || Artikel 88, lid 4 || Artikel 154, lid 4 || Artikel 88, lid 6 || Artikel 154, lid 5 || Bijlage VII, deel 1, punt 30 || Artikel 154, lid 6 || Bijlage VII, deel 1, punt 31 || Artikel 154, lid 7 || Bijlage VII, deel 1, punt 32 || Artikel 154, lid 8 || Bijlage VII, deel 1, punt 33 || Artikel 154, lid 9 || Bijlage VII, deel 1, punt 34 || Artikel 154, lid 10 || Bijlage VII, deel 1, punt 35 || Artikel 154, lid 11 || || Artikel 155 || Bijlage VII, deel 1, punt 36 || Artikel 156, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 2 || Artikel 156, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punt 3 || Artikel 156, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 4 || Artikel 156, lid 4 || Bijlage VII, deel 2, punt 5 || Artikel 156, lid 5 || Bijlage VII, deel 2, punt 6 || Artikel 156, lid 6 || Bijlage VII, deel 2, punt 7 || Artikel 156, lid 7 || Bijlage VII, deel 2, punt 7 || Artikel 157, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 8 || Artikel 157, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punt 9 || Artikel 157, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 10 || Artikel 157, lid 4 || Bijlage VII, deel 2, punt 11 || Artikel 158, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 12 || Artikel 158, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punt 13 || Artikel 158, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 14 || Artikel 158, lid 4 || Bijlage VII, deel 2, punt 15 || Artikel 158, lid 5 || Bijlage VII, deel 2, punt 16 || Artikel 159, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 17 || Artikel 159, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punt 18 || Artikel 159, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 19 || Artikel 159, lid 4 || Bijlage VII, deel 2, punt 20 || Artikel 160, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 21 || Artikel 160, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punt 22 || Artikel 160, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 23 || Artikel 160, lid 4 || || Artikel 161, lid 1 || Bijlage VII, deel 2, punt 24 || Artikel 161, lid 2 || Bijlage VII, deel 2, punten 25 en 26 || Artikel 161, lid 3 || Bijlage VII, deel 2, punt 27 || Artikel 162, lid 1 || Bijlage VII, deel 3, punt 1 || Artikel 162, lid 2 || Bijlage VII, deel 3, punt 2 || Artikel 162, lid 3 || Bijlage VII, deel 3, punt 3 || Artikel 162, lid 4 || Bijlage VII, deel 3, punt 4 || Artikel 162, lid 5 || Bijlage VII, deel 3, punt 5 || Artikel 162, lid 6 || Bijlage VII, deel 3, punt 6 || Artikel 162, lid 7 || Bijlage VII, deel 3, punt 7 || Artikel 162, lid 8 || Bijlage VII, deel 3, punt 9 || Artikel 162, lid 9 || Bijlage VII, deel 3, punt 10 || Artikel 162, lid 10 || Bijlage VII, deel 3, punt 11 || Artikel 163, lid 1 || Bijlage VII, deel 3, punt 12 || Artikel 163, lid 2 || || Artikel 164 || Bijlage VII, deel 3, punt 13 || Artikel 165, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 1 || Artikel 165, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 2 || Artikel 165, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 3 || Artikel 166, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 5 || Artikel 166, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 12 || Artikel 166, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punten 13-15 || Artikel 166, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 16 || Artikel 167, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 17 || Artikel 167, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 18 || Artikel 168, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 19-23 || Artikel 168, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 24 || Artikel 168, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 25 || Artikel 169, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 26-28 || Artikel 169, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 29 || Artikel 169, lid 3 || || Artikel 170 || Bijlage VII, deel 4, punt 30 || Artikel 171, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 31 || Artikel 171, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 32 || Artikel 171, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 33 || Artikel 171, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 34 || Artikel 171, lid 5 || Bijlage VII, deel 4, punt 35 || Artikel 172, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 36 || Artikel 172, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 37, eerste alinea || Artikel 172, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 37, tweede alinea || Artikel 172, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 38 || Artikel 172, lid 5 || Bijlage VII, deel 4, punt 39 || Artikel 173, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 40 || Artikel 173, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 41 || Artikel 173, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 42 || Artikel 174, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 44 || Artikel 174, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 45 || Artikel 174, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 46 || Artikel 174, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 47 || Artikel 174, lid 5 || || Artikel 174, lid 6 || || Artikel 175, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 43 en 49-56 || Artikel 175, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 57 || Artikel 176, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 59-66 || Artikel 176, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punten 67-72 || Artikel 176, lid 3 || || Artikel 177, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 73-81 || Artikel 177, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 82 || Artikel 177, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punten 83-86 || Artikel 178, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 87-92 || Artikel 178, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 93 || Artikel 178, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punten 94 en 95 || Artikel 178, lid 4 || || Artikel 179, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punten 98-100 || Artikel 179, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punten 101 en 102 || Artikel 179, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punten 103 en 104 || Artikel 179, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 96 || Artikel 179, lid 5 || Bijlage VII, deel 4, punt 97 || Artikel 179, lid 6 || || Artikel 180, lid 1 || || Artikel 180, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 105 || Artikel 180, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 106 || Artikel 180, lid 4 || Bijlage VII, deel 4, punt 107 || Artikel 180, lid 5 || Bijlage VII, deel 4, punt 108 || Artikel 180, lid 6 || Bijlage VII, deel 4, punt 109 || Artikel 181 || Bijlage VII, deel 4, punten 110-114 || Artikel 182 || Bijlage VII, deel 4, punt 115 || Artikel 183 || Bijlage VII, deel 4, punt 116 || Artikel 184 || Bijlage VII, deel 4, punten 117-123 || Artikel 185, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 124 || Artikel 185, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punten 125 en 126 || Artikel 185, lid 3 || Bijlage VII, deel 4, punt 127 || Artikel 185, lid 4 || || Artikel 186, lid 1 || Bijlage VII, deel 4, punt 128 || Artikel 186, lid 2 || Bijlage VII, deel 4, punt 129 || Artikel 187 || Bijlage VII, deel 4, punt 131 || Artikel 188 || Artikel 90, en Bijlage VIII, deel 1, punt 2 || Artikel 189, lid 1 || Artikel 93, lid 2 || Artikel 189, lid 2 || Artikel 93, lid 3 || Artikel 189, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 1 || Artikel 189, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punt 2 || Artikel 189, lid 5 || Bijlage VIII, deel 5, punten 1 en 2 || Artikel 189, lid 6 || || Artikel 190, lid 1 || Artikel 92, lid 1 || Artikel 190, lid 2 || Artikel 92, lid 2 || Artikel 190, lid 3 || Artikel 92, lid 3 || Artikel 190, lid 4 || Artikel 92, lid 4 || Artikel 190, lid 5 || Artikel 92, lid 5 || Artikel 190, lid 6 || Artikel 92, lid 6 || Artikel 190, lid 7 || Bijlage VIII, deel 2, punt 1 || Artikel 190, lid 8 || Bijlage VIII, deel 2, punt 2 || Artikel 190, lid 9 || || Artikel 190, lid 10 || || Artikel 191 || Bijlage VIII, deel 1, punten 3 en 4 || Artikel 192 || Bijlage VIII, deel 1, punt 5 || Artikel 193, lid 1 || Bijlage VIII, deel 1, punt 7 || Artikel 193, lid 2 || Bijlage VIII, deel 1, punt 8 || Artikel 193, lid 3 || Bijlage VIII, deel 1, punt 9 || Artikel 193, lid 4 || Bijlage VIII, deel 1, punt 10 || Artikel 193, leden 5-9 || || Artikel 194, lid 1 || Bijlage VIII, deel 1, punt 11 || Artikel 194, lid 2 || || Artikel 195, lid 1 || Bijlage VIII, deel 1, punt 12 || Artikel 195, lid 2 || Bijlage VIII, deel 1, punten 13-17 || Artikel 195, lid 3 || Bijlage VIII, deel 1, punt 20 || Artikel 195, lid 4 || Bijlage VIII, deel 1, punt 21 || Artikel 195, lid 5 || Bijlage VIII, deel 1, punt 22 || Artikel 195, leden 6-10 || || Artikel 196 || Bijlage VIII, deel 1, punten 23-25 || Artikel 197, lid 1 || Bijlage VIII, deel 1, punt 26 || Artikel 197, lid 2 || Bijlage VIII, deel 1, punt 27 || Artikel 198 || Bijlage VIII, deel 1, punt 29 || Artikel 199, lid 1 || Bijlage VIII, deel 1, punten 30 en 31 || Artikel 199, lid 2 || Bijlage VIII, deel 1, punt 32 || Artikel 200 || Bijlage VIII, deel 2, punt 3 || Artikel 201 || Bijlage VIII, deel 2 punten 4 en 5 || Artikel 202, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 6 || Artikel 202, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 6 a) || Artikel 202, lid 3 || Bijlage VIII, deel 2, punt 6 b) || Artikel 202, lid 4 || Bijlage VIII, deel 2, punt 6 c) || Artikel 202, lid 5 || Bijlage VIII, deel 2, punt 7 || Artikel 203, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 8 || Artikel 203, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 8 a) || Artikel 203, lid 3 || Bijlage VIII, deel 2, punt 8 b) || Artikel 203, lid 4 || Bijlage VIII, deel 2, punt 8 c) || Artikel 203, lid 5 || Bijlage VIII, deel 2, punt 8 d) || Artikel 204, lid 1 || || Artikel 204, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 9 a) || Artikel 204, lid 3 || Bijlage VIII, deel 2, punt 9 b) || Artikel 205 || Bijlage VIII, deel 2, punt 10 || Artikel 206 || Bijlage VIII, deel 2, punt 11 || Artikel 207, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 12 || Artikel 207, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 13 || Artikel 208, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 14 || Artikel 208, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 15 || Artikel 208, lid 3 || || Artikel 209, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 16 || Artikel 209, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 17 || Artikel 209, lid 3 || || Artikel 210, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 18 || Artikel 210, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 19 || Artikel 211, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 20 || Artikel 211, lid 2 || Bijlage VIII, deel 2, punt 21 || Artikel 212, lid 1 || Bijlage VIII, deel 2, punt 22 || Artikel 212, lid 2 || || Artikel 212, lid 3 || || Artikel 213 || Bijlage VIII, deel 3, punt 3 || Artikel 214 || Bijlage VIII, deel 3, punt 4 || Artikel 215, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 5 || Artikel 215, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punten 6-10 || Artikel 215, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 11 || Artikel 215, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punten 22 en 23 || Artikel 215, lid 5 || || Artikel 216, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punten 12-15 || Artikel 216, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 16 || Artikel 216, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 17 || Artikel 216, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punten 18 en 19 || Artikel 216, lid 5 || Bijlage VIII, deel 3, punten 20 en 21 || Artikel 216, lid 6 || Bijlage VIII, deel 3, punten 22 en 23 || Artikel 216, leden 7-9 || || Artikel 217, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 24 || Artikel 217, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 25 || Artikel 217, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 26 || Artikel 217, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punt 27 || Artikel 217, lid 5 || Bijlage VIII, deel 3, punt 28 || Artikel 217, lid 6 || Bijlage VIII, deel 3, punt 29 || Artikel 217, lid 7 || || Artikel 218, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punten 30-32 || Artikel 218, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 33 || Artikel 218, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punten 34-35 || Artikel 218, leden 4-7 || || Artikel 219, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 36 || Artikel 219, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punten 37-40 || Artikel 219, leden 3-6 || || Artikel 220, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punten 42-46 || Artikel 220, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punten 47-52 || Artikel 220, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punten 53-56 || Artikel 221 || Bijlage VIII, deel 3, punt 57 || Artikel 222, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 58 || Artikel 222, lid 2 || || Artikel 222, lid 3 || || Artikel 223, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 60 || Artikel 223, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 61 || Artikel 224, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punten 62-65 || Artikel 224, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 66 || Artikel 224, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 67 || Artikel 225, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punten 68-71 || Artikel 225, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 72 || Artikel 225, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punten 73 en 74 || Artikel 226, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 76 || Artikel 226, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 77 || Artikel 226, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 78 || Artikel 227, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 79 || Artikel 227, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 80 || Artikel 227, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 80 bis || Artikel 227, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punten 81 en 82 || Artikel 228, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 83 || Artikel 228, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 83 || Artikel 228, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 84 || Artikel 228, lid 4 || Bijlage VIII, deel 3, punt 85 || Artikel 229 || Bijlage VIII, deel 3, punt 86 || Artikel 230, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 87 || Artikel 230, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 88 || Artikel 230, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 89 || Artikel 231, lid 1 || Bijlage VIII, deel 3, punt 90 || Artikel 231, lid 2 || Bijlage VIII, deel 3, punt 91 || Artikel 231, lid 3 || Bijlage VIII, deel 3, punt 92 || Artikel 232, lid 1 || Bijlage VIII, deel 4, punt 1 || Artikel 232, lid 2 || Bijlage VIII, deel 4, punt 2 || Artikel 233, lid 1 || Bijlage VIII, deel 4, punt 3 || Artikel 233, lid 2 || Bijlage VIII, deel 4, punt 4 || Artikel 233, lid 3 || Bijlage VIII, deel 4, punt 5 || Artikel 234, lid 1 || Bijlage VIII, deel 4, punt 6 || Artikel 234, lid 2 || Bijlage VIII, deel 4, punt 7 || Artikel 234, lid 3 || Bijlage VIII, deel 4, punt 8 || Artikel 235 || Bijlage VIII, deel 6, punt 1 || Artikel 236 || Bijlage VIII, deel 6, punt 2 || Artikel 237, punten 1 tot en met 9 || Bijlage IX, deel 1, punt 1 || Artikel 237, punt 10 || Artikel 4, punt 37 || Artikel 237, punt 11 || Artikel 4, punt 38 || Artikel 237, punt 12 || Artikel 4, punt 41 || Artikel 237, punt 13 || || Artikel 237, punt 14 || || Artikel 238, lid 1 || Bijlage IX, deel 2, punt 1 || Artikel 238, lid 2 || Bijlage IX, deel 2, punt 1 bis || Artikel 238, lid 3 || Bijlage IX, deel 2, punt 1 ter || Artikel 238, lid 4 || Bijlage IX, deel 2, punt 1 quater || Artikel 238, lid 5 || Bijlage IX, deel 2, punt 1 quinquies || Artikel 238, lid 6 || || Artikel 239, lid 1 || Bijlage IX, deel 2, punt 2 || Artikel 239, lid 2 || Bijlage IX, deel 2, punt 2 bis || Artikel 239, lid 3 || Bijlage IX, deel 2, punt 2 ter || Artikel 239, lid 4 || Bijlage IX, deel 2, punt 2 quater || Artikel 239, lid 5 || Bijlage IX, deel 2, punt 2 quinquies || Artikel 239, lid 6 || || Artikel 240, lid 1 || Artikel 95, lid 1 || Artikel 240, lid 2 || Artikel 95, lid 2 || Artikel 240, lid 3 || Artikel 96, lid 2 || Artikel 240, lid 4 || Artikel 96, lid 3 || Artikel 240, lid 5 || Artikel 96, lid 4 || Artikel 240, lid 6 || || Artikel 241, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punten 2 en 3 || Artikel 241, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 5 || Artikel 241, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 5 || Artikel 242, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 60 || Artikel 242, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 61 || Artikel 242, lid 3 || || Artikel 242, lid 4 || || Artikel 243, lid 1 || Artikel 101, lid 1 || Artikel 243, lid 2 || Artikel 101, lid 2 || Artikel 243, lid 3 || || Artikel 244 || Bijlage IX, deel 2, punten 3 en 4 || Artikel 245 || Bijlage IX, deel 2, punten 5-7 || Artikel 246 || Bijlage IX, deel 4, punten 6-7 || Artikel 247 || Bijlage IX, deel 4, punt 8 || Artikel 248, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punten 9-10 || Artikel 248, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 10 (wijziging) || Artikel 249 || Bijlage IX, deel 4, punten 11-12 || Artikel 250, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 13 || Artikel 250, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 15 || Artikel 251, lid 1 || Artikel 100 || Artikel 251, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punten 17-20 || Artikel 251, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 21 || Artikel 251, lid 4 || Bijlage IX, deel 4, punten 22-23 || Artikel 251, lid 5 || Bijlage IX, deel 4, punten 24-25 || Artikel 251, lid 6 || Bijlage IX, deel 4, punten 26-29 || Artikel 251, lid 7 || Bijlage IX, deel 4, punt 30 || Artikel 251, lid 8 || Bijlage IX, deel 4, punt 32 || Artikel 251, lid 9 || Bijlage IX, deel 4, punt 33 || Artikel 252 || Bijlage IX, deel 4, punt 34 || Artikel 253 || Bijlage IX, deel 4, punten 35-36 || Artikel 254, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punten 38, 39 en 41 || Artikel 254, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 42 || Artikel 254, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 43 || Artikel 254, lid 4 || Bijlage IX, deel 4, punt 44 || Artikel 254, lid 5 || || Artikel 255 || Bijlage IX, deel 4, punt 45 || Artikel 256, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punten 46, 47 en 49 || Artikel 256, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 51 || Artikel 257, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 52 || Artikel 257, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 53 || Artikel 257, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 54 || Artikel 257, lid 4 || || Artikel 258, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punten 55, 57 || Artikel 258, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 58 || Artikel 258, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 59 || Artikel 259, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 62 || Artikel 259, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punten 63-65 || Artikel 259, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punten 66 en 67 || Artikel 259, lid 4 || || Artikel 260, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 68 || Artikel 260, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 70 || Artikel 260, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punt 71 (wijziging) || Artikel 261, lid 1 || Bijlage IX, deel 4, punt 72 || Artikel 261, lid 2 || Bijlage IX, deel 4, punt 73 || Artikel 261, lid 3 || Bijlage IX, deel 4, punten 74-75 || Artikel 261, lid 4 || Bijlage IX, deel 4, punt 76 || Artikel 262, lid 1 || Artikel 97, lid 1 || Artikel 262, lid 2 || Artikel 97, lid 2 || Artikel 262, lid 3 || Artikel 97, lid 3 || Artikel 263 || Bijlage IX, deel 3, punt 1 || Artikel 264 || Bijlage IX, deel 3, punten 2-7 || Artikel 265 || Artikel 98, lid 1, en bijlage IX, deel 3, punten 8 en 9 || Artikel 266, lid 1 || || Bijlage II, punt 5 Artikel 266, lid 2 || || Artikel 267, punt 1 || Bijlage III, deel 1, punt 2 || Artikel 267, punt 2 || Bijlage III, deel 1, punt 3 || Artikel 267, punt 3 || Bijlage III, deel 1, punt 4 || Artikel 267, punt 4 || Bijlage III, deel 1, punt 5 || Artikel 267, punt 5 || Bijlage III, deel 1, punt 6 || Artikel 267, punt 6 || Bijlage III, deel 1, punt 7 || Artikel 267, punt 7 || Bijlage III, deel 1, punt 8 || Artikel 267, punt 8 || Bijlage III, deel 1, punt 9 || Artikel 267, punt 9 || Bijlage III, deel 1, punt 10 || Artikel 267, punt 10 || Bijlage III, deel 1, punt 11 || Artikel 267, punt 11 || Bijlage III, deel 1, punt 12 || Artikel 267, punt 12 || Bijlage III, deel 1, punt 13 || Artikel 267, punt 13 || Bijlage III, deel 1, punt 14 || Artikel 267, punt 14 || Bijlage III, deel 1, punt 15 || Artikel 267, punt 15 || Bijlage III, deel 1, punt 16 || Artikel 267, punt 16 || Bijlage III, deel 1, punt 17 || Artikel 267, punt 17 || Bijlage III, deel 1, punt 18 || Artikel 267, punt 18 || Bijlage III, deel 1, punt 19 || Artikel 267, punt 19 || Bijlage III, deel 1, punt 20 || Artikel 267, punt 20 || Bijlage III, deel 1, punt 21 || Artikel 267, punt 21 || Bijlage III, deel 1, punt 22 || Artikel 267, punt 22 || Bijlage III, deel 1, punt 23 || Artikel 267, punt 23 || Bijlage III, deel 1, punt 26 || Artikel 267, punt 24 || Bijlage III, deel 1, punt 27 || Artikel 267, punt 25 || Bijlage III, deel 1, punt 28 || Artikel 267, punt 26 || Bijlage III, deel 7, a) || Artikel 267, punt 27 || Bijlage III, deel 7, a) || Artikel 267, punten 28-31 || || Artikel 268, lid 1 || Bijlage III, deel 2, punt 1 || Artikel 268, lid 2 || Bijlage III, deel 2, punt 2 || Artikel 268, lid 3 || Bijlage III, deel 2, punt 3, eerste en tweede alinea || Artikel 268, lid 4 || Bijlage III, deel 2, punt 3, derde alinea || Artikel 268, lid 5 || Bijlage III, deel 2, punt 4 || Artikel 268, lid 6 || Bijlage III, deel 2, punt 5 || Artikel 268, lid 7 || Bijlage III, deel 2, punt 7 || Artikel 268, lid 8 || Bijlage III, deel 2, punt 8 || Artikel 269, lid 1 || Bijlage III, deel 3 || Artikel 269, lid 2 || Bijlage III, deel 3 || Artikel 269, lid 3 || Bijlage III, deel 3 || Artikel 270, lid 1 || Bijlage III, deel 4 || Artikel 270, lid 2 || Bijlage III, deel 4, voetnoot 4 || Artikel 271, lid 1 || Bijlage III, deel 5, punt 1 || Artikel 271, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 2 || Artikel 272, lid 1 || Bijlage III, deel 5, punten 3-4 || Artikel 272, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 5 || Artikel 272, lid 3 || || Artikel 272, lid 4 || || Artikel 273, lid 1 || || Artikel 273, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 6 || Artikel 273, lid 3 || Bijlage III, deel 5, punt 7 || Artikel 273, lid 4 || Bijlage III, deel 5, punt 8 || Artikel 274, lid 1 || Bijlage III, deel 5, punt 11 || Artikel 274, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 12 || Artikel 275, lid 1 || || Artikel 275, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 13 || Artikel 275, lid 3 || Bijlage III, deel 5, punt 14 || Artikel 276, lid 1 || || Artikel 276, lid 2 || Bijlage III, deel 5, punt 15 || Artikel 276, lid 3 || Bijlage III, deel 5, punt 16 || Artikel 276, lid 4 || Bijlage III, deel 5, punt 17 || Artikel 276, lid 5 || Bijlage III, deel 5, punt 18 || Artikel 276, lid 6 || Bijlage III, deel 5, punt 19 || Artikel 276, lid 7 || Bijlage III, deel 5, punt 20 || Artikel 276, lid 8 || Bijlage III, deel 5, punt 21 || Artikel 277, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 1 || Artikel 277, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 2 || Artikel 277, lid 3 || Bijlage III, deel 6, punt 3 || Artikel 277, lid 4 || Bijlage III, deel 6, punt 4 || Artikel 277, lid 5 || || Artikel 277, lid 6 || || Artikel 278, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 5 || Artikel 278, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 6 || Artikel 278, lid 3 || Bijlage III, deel 6, punt 6 || Artikel 278, lid 4 || Bijlage III, deel 6, punt 7 || Artikel 278, lid 5 || Bijlage III, deel 6, punt 8 || Artikel 278, lid 6 || Bijlage III, deel 6, punt 9 || Artikel 278, lid 7 || Bijlage III, deel 6, punt 10 || Artikel 278, lid 8 || Bijlage III, deel 6, punt 11 (wijziging) || Artikel 278, lid 9 || Bijlage III, deel 6, punt 12 || Artikel 278, lid 10 || Bijlage III, deel 6, punt 13 || Artikel 278, lid 11 || Bijlage III, deel 6, punt 14 || Artikel 278, lid 12 || Bijlage III, deel 6, punt 15 || Artikel 278, lid 13 || || Artikel 279, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 16 || Artikel 279, leden 2-7 || || Artikel 280, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punten 18 en 25 || Artikel 280, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 19 || Artikel 280, lid 3 || || Artikel 280, lid 4 || Bijlage III, deel 6, punt 20 || Artikel 280, lid 5 || Bijlage III, deel 6, punt 21 || Artikel 280, lid 6 || Bijlage III, deel 6, punt 22 || Artikel 280, lid 7 || Bijlage III, deel 6, punt 23 || Artikel 280, lid 8 || Bijlage III, deel 6, punt 24 || Artikel 281, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 17 || Artikel 281, lid 2 || || Artikel 281, lid 3 || || Artikel 281, lid 4 || || Artikel 282 || Bijlage III, deel 6, punt 26 || Artikel 283, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 27 || Artikel 283, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 28 || Artikel 283, lid 3 || || Artikel 283, lid 4 || Bijlage III, deel 6, punt 29 || Artikel 283, lid 5 || Bijlage III, deel 6, punt 30 || Artikel 283, lid 6 || Bijlage III, deel 6, punt 31 || Artikel 284, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 32 || Artikel 284, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 33 || Artikel 284, leden 3-10 || || Artikel 285, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 34 || Artikel 285, lid 2 || Bijlage III, deel 6, punt 35 || Artikel 285, lid 3 || || Artikel 285, lid 4 || || Artikel 285, lid 5 || || Artikel 285, lid 6 || || Artikel 286, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 36 || Artikel 286, lid 2 || || Artikel 286, lid 3 || Bijlage III, deel 6, punt 38 || Artikel 286, lid 4 || Bijlage III, deel 6, punt 39 || Artikel 286, lid 5 || Bijlage III, deel 6, punt 40 || Artikel 286, lid 6 || Bijlage III, deel 6, punt 41 || Artikel 286, lid 7 || || Artikel 286, lid 8 || || Artikel 286, lid 9 || || Artikel 286, lid 10 || || Artikel 287, lid 1 || Bijlage III, deel 6, punt 42 || Artikel 287, leden 2-5 || || Artikel 287, lid 6 || Bijlage III, deel 6, punt 42 || Artikel 288, lid 1 || || Artikel 288, lid 2 || || Artikel 288, lid 3 || || Artikel 289 || Bijlage III, deel 7, punt a || Artikel 290, lid 1 || || Artikel 290, lid 2 || Bijlage III, deel 7, punt b, 5 || Artikel 290, lid 3 || || Artikel 291, lid 1 || Bijlage III, deel 7, punt b, iii) || Artikel 291, lid 2 || Bijlage III, deel 7, punt b, iv) || Artikel 291, lid 3 || Bijlage III, deel 7, punt b, v) || Artikel 291, lid 4 || Bijlage III, deel 7, punt b, vijfde alinea, onder c) en d) || Artikel 292, lid 1 || Bijlage III, deel 7, punt c || Artikel 292, lid 2 || Bijlage III, deel 7, punt c || Artikel 292, lid 3 || Bijlage III, deel 7, punt c || Artikel 292, lid 4 || || Artikel 293, lid 1 || || Artikel 293, lid 2 || || Bijlage II, punten 7-11 Artikel 294, lid 1 || || Artikel 295 || || Artikel 296 || || Artikel 297 || || Artikel 298 || || Artikel 299 || || Artikel 300 || || Artikel 301, lid 1 || Artikel 104, lid 6 || Artikel 301, lid 2 || Artikel 105, leden 1 en 2 || Artikel 301, lid 3 || || Artikel 302, lid 1 || Artikel 102, leden 2 en 3 || Artikel 302, lid 2 || || Artikel 303, lid 3 || Artikel 102, lid 4 || Artikel 303, lid 3 || Bijlage X, deel 4, punt 1 || Artikel 303, lid 3 || Bijlage X, deel 4, punt 2 || Artikel 303, lid 4 || || Artikel 303, lid 5 || || Artikel 304, lid 1 || Bijlage X, deel 1, punt 1 || Artikel 305, lid 2 || Bijlage X, deel 1, punten 2-4 || Artikel 305, lid 3 || Bijlage X, deel 1, punten 5-6 || Artikel 305, lid 3 || || Artikel 306, lid 1 || Artikel 104, lid 1 || Artikel 306, lid 2 || Bijlage X, deel 2, punt 1, eerste zin || Artikel 306, lid 3 || Bijlage X, deel 2, punt 1, tweede zin || Artikel 306, lid 4 || Bijlage X, deel 2, punt 2 || Artikel 307, lid 1 || Bijlage X, deel 2, punt 4 || Artikel 307, lid 2 || || Artikel 307, lid 3 || || Artikel 308, lid 1 || Bijlage X, deel 2, punten 5-7 || Artikel 308, lid 2 || Bijlage X, deel 2, punten 10 en 11 || Artikel 309 || Bijlage X, deel 2, punt 12 || Artikel 310 || Bijlage X, deel 3, punten 1-7 || Artikel 311, lid 1 || Bijlage X, deel 3, punt 1 || Artikel 311, lid 2 || Bijlage X, deel 3, punten 8-12 || Artikel 311, lid 3 || Bijlage X, deel 3, punten 13-18 || Artikel 311, lid 4 || Bijlage X, deel 3, punt 19 || Artikel 311, lid 5 || Bijlage X, deel 3, punt 20 || Artikel 311, lid 6 || Bijlage X, deel 3, punten 21-24 || Artikel 311, lid 7 || || Artikel 312, lid 1 || Bijlage X, deel 3, punt 25 || Artikel 312, lid 2 || Bijlage X, deel 3, punt 26 || Artikel 312, lid 3 || Bijlage X, deel 3, punt 27 || Artikel 312, lid 4 || Bijlage X, deel 3, punt 28 || Artikel 312, lid 5 || Bijlage X, deel 3, punt 29 || Artikel 313 || Bijlage X, deel 5 || Artikel 314, lid 1 || || Artikel 26 Artikel 314, lid 2 || || Artikel 26 Artikel 314, lid 3 || || Artikel 315 || || Artikel 316, lid 1 || || Bijlage I, punt 1 Artikel 316, lid 2 || || Bijlage I, punt 2 Artikel 316, lid 3 || || Bijlage I, punt 3 Artikel 317, lid 1 || || Bijlage I, punt 4 Artikel 317, lid 2 || || Artikel 318, lid 1 || || Bijlage I, punt 5 Artikel 318, lid 2 || || Artikel 319 || || Bijlage I, punt 7 Artikel 320, lid 1 || || Bijlage I, punt 9 Artikel 320, lid 2 || || Bijlage I, punt 10 Artikel 321, lid 1 || || Bijlage I, punt 8 Artikel 321, lid 2 || || Bijlage I, punt 8 Artikel 322 || || Bijlage I, punt 11 Artikel 323 || || Bijlage I, punt 13 Artikel 324 || || Bijlage I, punt 14 Artikel 325, lid 1 || || Bijlage I, punt 14 Artikel 325, lid 2 || || Bijlage I, punt 14 Artikel 325, lid 3 || || Bijlage I, punt 14 Artikel 325, lid 4 || || Artikel 19, lid 1 Artikel 326, lid 1 || || Bijlage I, punt 16 bis Artikel 326, lid 2 || || Bijlage I, punt 16 bis Artikel 326, lid 3 || || Bijlage I, punt 16 bis Artikel 326, lid 4 || || Bijlage I, punt 16 bis Artikel 326, lid 4 || || Bijlage I, punt 16 bis Artikel 327, lid 1 || || Bijlage I, punt 14 bis Artikel 327, lid 2 || || Bijlage I, punt 14 ter Artikel 327, lid 3 || || Bijlage I, punt 14 quater Artikel 327, lid 4 || || Bijlage I, punt 14 bis Artikel 328, lid 1 || || Bijlage I, punt 17 Artikel 328, lid 2 || || Bijlage I, punt 18 Artikel 328, lid 3 || || Bijlage I, punt 19 Artikel 328, lid 4 || || Bijlage I, punt 20 Artikel 328, lid 5 || || Bijlage I, punt 21 Artikel 328, lid 6 || || Bijlage I, punt 22 Artikel 328, lid 7 || || Bijlage I, punt 23 Artikel 328, lid 8 || || Bijlage I, punt 24 Artikel 328, lid 9 || || Bijlage I, punt 25 Artikel 329, lid 1 || || Bijlage I, punt 26 Artikel 329, lid 2 || || Bijlage I, punt 27 Artikel 329, lid 3 || || Bijlage I, punt 28 Artikel 329, lid 4 || || Bijlage I, punt 29 Artikel 329, lid 5 || || Bijlage I, punt 30 Artikel 329, lid 6 || || Bijlage I, punt 31 Artikel 329, lid 7 || || Bijlage I, punt 32 Artikel 330, lid 1 || || Bijlage I, punt 33 Artikel 330, lid 2 || || Bijlage I, punt 33 Artikel 330, lid 3 || || Artikel 331 || || Bijlage I, punt 34 Artikel 332 || || Bijlage I, punt 36 Artikel 333, lid 1 || || Artikel 333, lid 2 || || Bijlage I, punt 37 Artikel 333, lid 3 || || Bijlage I, punt 38 Artikel 334, lid 1 || || Bijlage I, punt 41 Artikel 334, lid 2 || || Bijlage I, punt 41 Artikel 335, lid 1 || || Bijlage I, punt 42 Artikel 335, lid 2 || || Artikel 335, lid 3 || || Bijlage I, punt 43 Artikel 335, lid 4 || || Bijlage I, punt 44 Artikel 335, lid 5 || || Bijlage I, punt 45 Artikel 335, lid 6 || || Bijlage I, punt 46 Artikel 336 || || Bijlage I, punt 8 Artikel 337, lid 1 || || Bijlage I, punten 48 en 49 Artikel 337, lid 2 || || Bijlage I, punt 50 Artikel 338 || || Bijlage I, punt 51 Artikel 339, lid 1 || || Bijlage I, punt 53 Artikel 339, lid 2 || || Bijlage I, punt 54 Artikel 339, lid 3 || || Bijlage I, punt 55 Artikel 339, lid 4 || || Bijlage I, punt 56 Artikel 340 || || Bijlage III, punt 1 Artikel 341, lid 1 || || Bijlage III, punten 2 en 2.4 Artikel 341, lid 2 || || Bijlage III, punt 2.2 Artikel 341, lid 3 || || Bijlage III, punt 2.1 Artikel 341, lid 4 || || Bijlage III, punt 2.2 Artikel 341, lid 5 || || Artikel 342, lid 1 || || Bijlage III, punt 2.1 Artikel 342, lid 2 || || Bijlage III, punt 2.1 Artikel 342, lid 3 || || Bijlage III, punt 2.1 Artikel 343, lid 1 || || Bijlage III, punt 3.1 Artikel 343, lid 2 || || Bijlage III, punt 3.2 Artikel 343, lid 3 || || Bijlage III, punt 3.2 Artikel 343, lid 4 || || Artikel 344 || || Artikel 345 || || Artikel 346, lid 1 || || Bijlage IV, punt 1 Artikel 346, lid 2 || || Bijlage IV, punt 2 Artikel 346, lid 3 || || Bijlage IV, punt 3 Artikel 346, lid 4 || || Bijlage IV, punt 4 Artikel 346, lid 5 || || Bijlage IV, punt 6 Artikel 347, lid 1 || || Bijlage IV, punt 8 Artikel 347, lid 2 || || Bijlage IV, punt 9 Artikel 347, lid 3 || || Bijlage IV, punt 10 Artikel 347, lid 4 || || Bijlage IV, punt 12 Artikel 348, lid 1 || || Bijlage IV, punt 13 Artikel 348, lid 2 || || Bijlage IV, punt 14 Artikel 348, lid 3 || || Bijlage IV, punt 15 Artikel 348, lid 4 || || Bijlage IV, punt 16 Artikel 348, lid 5 || || Bijlage IV, punt 17 Artikel 348, lid 6 || || Bijlage IV, punt 18 Artikel 349, lid 1 || || Bijlage IV, punt 19 Artikel 349, lid 2 || || Bijlage IV, punt 20 Artikel 350 || || Bijlage IV, punt 21 Artikel 351 || || Artikel 352, lid 1 || || Bijlage V, punt 1 Artikel 352, lid 2 || || Artikel 352, lid 3 || || Artikel 353, lid 1 || || Bijlage V, punt 10 ter Artikel 353, lid 2 || || Artikel 353, lid 3 || || Artikel 354, lid 1 || || Bijlage V, punt 10 Artikel 354, lid 2 || || Bijlage V, punt 10 bis Artikel 355, lid 1 || || Bijlage V, punt 7 Artikel 355, lid 2 || || Bijlage V, punt 8 Artikel 355, lid 3 || || Bijlage V, punt 9 Artikel 355, lid 4 || || Bijlage V, punt 10 Artikel 355, lid 5 || || Bijlage V, punt 8 Artikel 356, lid 1 || || Bijlage V, punt 11 Artikel 356, lid 2 || || Bijlage V, punt 12 Artikel 356, lid 3 || || Bijlage V, punt 12 Artikel 357, lid 1 || || Bijlage V, punt 2 Artikel 357, lid 2 || || Bijlage V, punt 2 Artikel 357, lid 3 || || Bijlage V, punt 5 Artikel 357, lid 4 || || Artikel 358, lid 1 || || Bijlage V, punt 3 Artikel 358, lid 2 || || Artikel 359, lid 1 || || Bijlage V, punt 5 Artikel 360, lid 1 || || Bijlage V, punt 5 Artikel 360, lid 2 || || Artikel 361 || || Bijlage V, punt 5 bis Artikel 362 || || Bijlage V, punt 5 ter Artikel 363, lid 1 || || Bijlage V, punt 5 quater Artikel 363, lid 2 || || Bijlage V, punt 5 quinquies Artikel 363, lid 3 || || Bijlage V, punt 5 quinquies Artikel 363, lid 4 || || Bijlage V, punt 5 quinquies Artikel 363, lid 5 || || Bijlage V, punt 5 quinquies Artikel 363, lid 6 || || Bijlage V, punt 5 quinquies Artikel 363, lid 7 || || Artikel 364, lid 1 || || Bijlage V, punt 5 bis Artikel 364, lid 2 || || Bijlage V, punt 5 sexies Artikel 365, lid 1 || || Bijlage V, punt 5 septies Artikel 365, lid 2 || || Bijlage V, punt 5 octies Artikel 365, lid 3 || || Bijlage V, punt 5 nonies Artikel 365, lid 4 || || Bijlage V, punt 5 nonies Artikel 365, lid 5 || || Bijlage V, punt 5 decies Artikel 365, lid 6 || || Bijlage V, punt 5 Artikel 366 || || Bijlage V, punt 5 undecies Artikel 367 || || Artikel 367, lid 4 || || Bijlage V, punt 5 terdecies Artikel 367, lid 5 || || Bijlage V, punt 5 terdecies Artikel 367, lid 6 || || Bijlage V, punt 5 terdecies Artikel 368 || || Bijlage II, punt 1 Artikel 369, lid 1 || || Bijlage II, punt 2 Artikel 369, lid 2 || || Bijlage II, punt 3 Artikel 369, lid 3 || || Artikel 370 || || Bijlage II, punt 4 Artikel 371 || || Artikel 372 || || Artikel 373 || || Artikel 374 || || Artikel 375 || || Artikel 376 || || Artikel 28, lid 1 Artikel 377 || || Artikel 378 || || Artikel 379, lid 1 || Artikel 106, lid 1 || Artikel 379, lid 2 || Artikel 106, lid 1 || Artikel 379, lid 3 || || Artikel 29, lid 1 Artikel 379, lid 4 || || Artikel 30, lid 1 Artikel 379, lid 5 || || Artikel 29, lid 2 Artikel 379, lid 6 || Artikel 106, lid 2 || Artikel 379, lid 7 || Artikel 106, lid 3 || Artikel 379, lid 8 || || Artikel 380 || Artikel 107 || Artikel 381 || Artikel 108 || Artikel 382 || Artikel 109 || Artikel 383, lid 1 || Artikel 110, lid 1 || Artikel 383, lid 2 || Artikel 110, lid 2 || Artikel 384, lid 1 || Artikel 111, lid 1 || Artikel 384, lid 2 || Artikel 111, lid 4 || Artikel 384, lid 3 || Artikel 30, lid 4 || Artikel 384, lid 4 || || Artikel 31 Artikel 385 || || Artikel 386, lid 1 || || Bijlage VI, punt 1 Artikel 386, lid 2 || || Bijlage VI, punt 2 Artikel 386, lid 3 || || Bijlage VI, punt 3 Artikel 387 || || Artikel 32, lid 1 Artikel 388, lid 1 || Artikel 112, lid 1 || Artikel 388, lid 2 || Artikel 112, lid 2 || Artikel 388, lid 3 || Artikel 112, lid 3 || Artikel 388, lid 4 || || Artikel 389, lid 1 || Artikel 113, lid 3 || Artikel 389, lid 2 || Artikel 113, lid 4 || Artikel 390, lid 1 || Artikel 114, lid 1 || Artikel 390, lid 2 || Artikel 114, lid 2 || Artikel 390, lid 3 || Artikel 114, lid 3 || Artikel 391, lid 1 || Artikel 115, lid 1 || Artikel 391, lid 2 || Artikel 115, lid 2 || Artikel 392, lid 1 || Artikel 117, lid 1 || Artikel 392, lid 2 || Artikel 117, lid 2 || Artikel 393 || || Artikel 394, lid 1 || Artikel 122 bis, lid 1 || Artikel 394, lid 2 || Artikel 122 bis, lid 2 || Artikel 394, lid 3 || Artikel 122 bis, lid 3 || Artikel 394, lid 4 || Artikel 122 bis, lid 4 || Artikel 395 || || Artikel 396 || || Artikel 397 || || Artikel 398 || || Artikel 399 || || Artikel 400 || || Artikel 401 || || Artikel 402 || || Artikel 403 || || Artikel 404 || || Artikel 405 || || Artikel 406 || || Artikel 407 || || Artikel 408 || || Artikel 409 || || Artikel 410 || || Artikel 411 || || Artikel 412 || || Artikel 413 || || Artikel 414 || || Artikel 415 || || Artikel 416 || || Artikel 417 || || Artikel 418, lid 1 || Artikel 145, lid 1 || Artikel 418, lid 2 || Artikel 145, lid 2 || Artikel 418, lid 3 || Artikel 145, lid 3 || Artikel 418, lid 4 || Artikel 145, lid 4 || Artikel 419, lid 1 || Bijlage XII, deel 1, punt 1, en artikel 146, lid 1 || Artikel 419, lid 2 || Artikel 146, lid 2 en bijlage XII, deel 1, punten 2 en 3 || Artikel 419, lid 3 || Artikel 146, lid 3 || Artikel 420 || Artikel 147 en bijlage XII, deel 1, punt 4 || Artikel 421, lid 1 || Artikel 148 || Artikel 421, lid 2 || || Artikel 422, lid 1 || Bijlage XII, deel 2, punt 1 || Artikel 422, lid 2 || || Artikel 423 || Bijlage XII, deel 2, punt 2 || Artikel 424 || || Artikel 425 || Bijlage XII, deel 2, punten 4 en 8 || Artikel 426 || Bijlage XII, deel 2, punt 5 || Artikel 427 || || Artikel 428 || Bijlage XII, deel 2, punt 6 || Artikel 429 || Bijlage XII, deel 2, punt 7 || Artikel 430 || Bijlage XII, deel 2, punt 9 || Artikel 431 || Bijlage XII, deel 2, punt 11 || Artikel 432 || Bijlage XII, deel 2, punt 12 || Artikel 433 || Bijlage XII, deel 2, punt 13 || Artikel 434 || Bijlage XII, deel 2, punt 14 || Artikel 435, lid 1 || Bijlage XII, deel 2, punt 15 || Artikel 435, lid 2 || || Artikel 436 || || Artikel 437 || Bijlage XII, deel 3, punt 1 || Artikel 438 || Bijlage XII, deel 3, punt 2 || Artikel 439 || Bijlage XII, deel 3, punt 3 || Artikel 440 || || Artikel 441, eerste alinea || Artikel 150, lid 1 || Artikel 41 Artikel 441, tweede alinea || || Artikel 442 || || Artikel 443 || || Artikel 444 || || Artikel 445, lid 1 || Artikel 151 bis || Artikel 445, lid 2 || Artikel 151 bis || Artikel 445, lid 3 || Artikel 151 bis || Artikel 445, lid 4 || || Artikel 445, lid 5 || || Artikel 446 || || Artikel 447 || || Artikel 448 || || Artikel 449 || || Artikel 450 || || Artikel 451 || || Artikel 452 || || Artikel 453 || || Artikel 454 || || Artikel 455 || || Artikel 456 || || Artikel 457 || || Artikel 458 || || Artikel 459 || || Artikel 460 || || Artikel 461 || || Artikel 462 || || Artikel 463 || || Artikel 464 || || Artikel 465 || || Artikel 466 || || Artikel 467 || || Artikel 468 || || Artikel 469 || || Artikel 470 || || Artikel 471 || || Artikel 472 || || Artikel 473 || || Artikel 474 || || Artikel 475 || || Artikel 476 || Artikel 152, lid 5 || Artikel 477 || || Artikel 478 || || Artikel 479 || || Artikel 480 || || Artikel 481 || || Artikel 482 || || Artikel 483 || || Artikel 484 || || Artikel 485 || || Artikel 486 || || Artikel 487 || || Artikel 488 || || Bijlage I || Bijlage II || Bijlage II || Bijlage IV || Bijlage III || || Bijlage IV, deel 1 || Artikel 152, lid 5 en artikel 1, punten 14-19 van Richtlijn 2000/12/EG || Bijlage IV, deel 2 || Artikel 152, lid 5, en artikel 42 van Richtlijn 2000/12/EG || Bijlage IV, deel 3 || Artikel 152, lid 5, en artikel 43 van Richtlijn 2000/12/EG || Bijlage IV, deel 4 || Artikel 152, lid 5, en artikel 44 van Richtlijn 2000/12/EG || Bijlage IV, deel 5 || Artikel 152, lid 5, en artikel 45 van Richtlijn 2000/12/EG || Bijlage IV, deel 6 || Artikel 152, lid 5, en artikel 46 van Richtlijn 2000/12/EG || FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR
VOORSTELLEN 1. KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Benaming van het voorstel/initiatief 1.2. Betrokken beleidsterrein(en) in de
ABM/ABB-structuur 1.3. Aard van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstelling(en) 1.5. Motivering van het voorstel/initiatief 1.6. Duur en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en) 2. BEHEERSMAATREGELEN 2.1. Regels inzake het toezicht en de verslagen 2.2. Beheers- en controlesysteem 2.3. Maatregelen ter voorkoming van fraude en
onregelmatigheden 3. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN
HET VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en) van het meerjarige financiële
kader en betrokken begrotingsonde(e)l(en) voor uitgaven 3.2. Geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.2. Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 3.2.3. Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader 3.2.5. Bijdrage van derden aan de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de
ontvangsten FINANCIEEL
MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN
1.
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.
Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende
prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
1.2.
Betrokken beleidsterrein(en) in de
ABM/ABB-structuur[1]
Interne markt - Financiële markten Interne markt - Financiële instellingen
1.3.
Aard van het voorstel/initiatief
ý Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een
voorbereidende actie[2] ¨ Het voorstel/initiatief betreft de
verlenging van een bestaande actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe
actie
1.4.
Doelstellingen
1.4.1.
De met het voorstel/initiatief beoogde strategische
meerjarendoelstelling(en) van de Commissie
In
de eerste plaats hangt dit initiatief samen met de strategische doelstelling om
de regelgeving voor en het toezicht op de financiële markten te verbeteren. Als tegenprestatie voor de nooit eerder geziene
overheidssteun aan banken moet er een solide hervorming worden doorgevoerd om
komaf te maken met de tekortkomingen in de regelgeving die tijdens de
financiële crisis aan het licht zijn gekomen. Deze hervorming van de regelgeving voor banken in de EU is in
overeenstemming met de resultaten van internationaal gecoördineerde
werkzaamheden in verband met het Bazel III-raamwerk inzake kapitaal- en
liquiditeitsvereisten voor banken en sluit aan bij een andere strategische
doelstelling, namelijk de vaststelling van wereldwijde normen in overleg en
samenwerking met de internationale partners.
1.4.2.
Specifieke doelstelling(en) en betrokken
ABM/ABB-activiteiten
Specifieke doelstelling nr. 1 (Interne markt - Financiële instellingen) De
voorschriften betreffende de kapitaalvereisten voor de banken-, verzekerings-
en pensioensector verbeteren. Specifieke doelstelling nr. 1 (Interne markt - Financiële markten) De
stabiliteit en integriteit van de financiële markten bevorderen door passend
toezicht, solide marktstructuren en een hoge mate van transparantie. Behalve
aan de twee hierboven genoemde specifieke doelstellingen die in het beheersplan
van MARKT voor 2011 zijn opgenomen, moet dit initiatief bijdragen aan de
volgende specifieke doelstellingen die in de effectbeoordelingen bij de
voorstellen zijn genoemd: -
het risicomanagement van banken versterken; -
mogelijkheden voor regelgevingsarbitrage wegnemen; -
de rechtsduidelijkheid vergroten; -
de nalevingslasten verminderen; -
zorgen voor meer gelijke concurrentievoorwaarden; -
samenwerking en convergentie op het gebied van toezicht versterken; -
de cycliciteit van de bancaire kredietverlening verminderen; Betrokken AMB/ABB-activiteit(en) Financiële markten, financiële instellingen
1.4.3.
Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)
Vermeld de gevolgen
die het voorstel/initiatief moet hebben op de begunstigden/doelgroepen. De
voorstellen moeten leiden tot een sterkere kapitaalstructuur en een beter
beheer van het liquiditeitsrisico in de EU-bankensector. Op zijn beurt moet dit ervoor zorgen dat zich in de toekomst minder
vaak systemische bankencrises voordoen. De sterkere financiële stabiliteit zou moeten gepaard gaan met netto
economische voordelen, ten belope van een jaarlijkse stijging van het bbp van
de EU in de orde van grootte van 0,3 % - 2 %. Deze voordelen zullen ten goede komen van een hele reeks stakeholders,
waaronder particulieren, kleine en middelgrote ondernemingen en grote
ondernemingen die van/aan banken krediet nemen/geven, regeringen en de
EU-burgers in het algemeen. Bij
de verwezenlijking van de beoogde resultaten zal de Europese Bankautoriteit
(EBA) een belangrijke rol spelen, omdat zij volgens de voorstellen zo'n
vijftigtal bindende technische normen over uiteenlopende beleidskwesties zal
moeten opstellen. Deze normen – die
in laatste instantie de goedkeuring van de Commissie moeten krijgen – zullen
cruciaal zijn om ervoor te zorgen dat regels van zeer technische aard overal in
de EU uniform ten uitvoer worden gelegd en dat de voorgestelde
beleidsmaatregelen naar wens functioneren. De werkzaamheden van de EBA zullen derhalve bijdragen aan de concrete
verwezenlijking van de relevante strategische en specifieke doelstellingen die
in de punten 1.4.1 en 1.4.2 zijn beschreven.
1.4.4.
Resultaat- en effectindicatoren
Vermeld de indicatoren
aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is
uitgevoerd. 1. Verwachte resultaten: -
sterkere financiële stabiliteit dankzij betere regelgeving voor en beter
toezicht op banken; -
sterkere kapitaalstructuur en beter beheer van het liquiditeitsrisico in de
EU-bankensector. Indicatoren: -
ontwikkeling van de kosten van protectie tegen wanbetaling door financiële
instellingen; -
percentage van banken dat slaagt voor de EU-stresstests; - kapitaalratio's
en kapitaalbuffers die door EU-banken worden aangehouden boven de drempel van
de kapitaalvereisten. 2. Verwacht resultaat: -
grotere doeltreffendheid van de regelgeving voor en het toezicht op EU-banken. Indicator: -
aantal bindende technische normen dat tijdig door de EBA is opgesteld.
1.5.
Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.
Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet
worden voorzien
Volgens
de twee voorstellen moet circa 60 % van de bindende technische normen die
de EBA moet opstellen, klaar zijn in 2013; om deze werkbelasting op te vangen,
moet het aantal VTE omhoog. Dit
hogere aantal VTE zal in de daaropvolgende jaren moeten worden gehandhaafd om
de reeds opgestelde normen bij te werken en de 40 % nog ontbrekende normen
op te stellen. Op de lange termijn
zullen ook extra werkzaamheden die samenhangen met de opstelling van bindende
technische normen, moeten worden verricht naar aanleiding van toekomstige
wetgevingsvoorstellen op het gebied van EU-regelgeving voor de bankensector.
1.5.2.
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU
Er
zijn verschillende belangrijke overwegingen waarom een EU- initiatief een
toegevoegde waarde heeft, waaronder: -
de behoefte aan een sterkere integratie van de interne EU-bankenmarkt; -
een oplossing vinden voor verschillende markt- en regelgevingstekortkomingen
die door de financiële crisis aan het licht zijn gebracht;
-
komaf maken met de mogelijkheden voor regelgevingsarbitrage die door de huidige
wetgeving worden geboden; en -
een consistente EU-benadering totstandbrengen voor de aanpak van diverse
problemen die onder het toepassingsgebied van het initiatief vallen, waardoor
lidstaten niet langer voor eigen benaderingen hoeven te kiezen die de interne
markt kunnen versnipperen. Het
allerbelangrijkste is evenwel dat alleen van een gemeenschappelijke benadering
op EU-niveau kan worden verwacht dat er daadwerkelijk financiële stabiliteit
wordt gecreëerd en dat buitensporige financiële procycliciteit aan banden
worden gelegd, aangezien beleidsmaatregelen die op deze cruciale
systeemaspecten zien, thans alleen op nationale behoeften gericht zijn dan wel
helemaal ontbreken.
1.5.3.
Ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het
verleden is opgedaan
Wat
bindende technische normen betreft, is 2011 het eerste jaar waarin de EBA zich
hiermee bezighoudt. De eerste reeksen
normen die betrekking hebben op het bestaande wetgevingskader, moeten derhalve
nog aan de Commissie worden voorgelegd.
1.5.4.
Samenhang en eventuele synergie met andere
relevante instrumenten
Het voorstel is coherent met Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het
Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een
Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit).
1.6.
Duur en financiële gevolgen
¨ Voorstel/initiatief met een beperkte
geldigheidsduur –
¨ Voorstel/initiatief is van kracht vanaf
[DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ –
¨ Financiële gevolgen van JJJJ tot en met JJJJ ý Voorstel/initiatief met een onbeperkte
geldigheidsduur –
Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en
met JJJJ, –
gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.
Beheersvorm(en) [3]
¨ Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie ¨ Indirect gecentraliseerd beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan: –
¨ uitvoerende agentschappen –
ý door de Unie opgerichte organen[4] –
¨ nationale publiekrechtelijke organen of
organen met een openbaredienstverleningstaak –
¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke
acties in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is
toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van
artikel 49 van het Financieel Reglement ¨ Gedeeld beheer met de lidstaten ¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen ¨ Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer
dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder
"Opmerkingen". Opmerkingen
2.
BEHEERSMAATREGELEN
2.1.
Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en
voorwaarden. Overeenkomstig artikel 81 van Verordening (EU) nr. 1093/2010
publiceert de Commissie uiterlijk op 2 januari 2014 en vervolgens om de drie
jaar een algemeen verslag over de opgedane ervaring met de werkzaamheden van de
EBA en met de in deze verordening vastgestelde procedures. In dat verslag zal onder meer een evaluatie worden verricht van de mate
van convergentie in toezichtpraktijken die de nationale toezichthouders hebben
bereikt, en worden onderzocht of de middelen waarover de EBA beschikt, berekend
zijn op de uitvoering van haar taken. Dit verslag zal
worden ingediend bij het Europees Parlement en de Raad.
2.2.
Beheers- en controlesysteem
2.2.1.
Geconstateerde risico's
Voor
de twee voorstellen zijn drie effectbeoordelingen verricht, met een afweging
van de kosten en de baten van de verschillende beleidsopties om de
geconstateerde problemen aan te pakken. Wat
de taken van de EBA betreft, bestaat er een risico dat de doeltreffendheid van
de voorgestelde regels wordt ondergraven doordat de EBA – door een tekort aan
personeel – niet in staat is de bindende technische normen op te stellen met de
vereiste hoge kwaliteit en binnen de in het Commissievoorstel vastgestelde
termijnen.
2.2.2.
Controlemiddel(en)
De
beheers- en controlesystemen van de EBA zijn beschreven in hoofdstuk III van
Verordening (EU) nr. 1093/2010. Zoals
reeds in punt 2.1 vermeld, moet de Commissie ook overeenkomstig artikel 81 van
deze verordening om de drie jaar een verslag publiceren over de opgedane
ervaring met de werkzaamheden van de EBA en met de in de verordening
vastgestelde procedures.
2.3.
Maatregelen ter voorkoming van fraude en
onregelmatigheden
Vermeld de bestaande
en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen. In artikel 66 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 is bepaald
dat, met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige
handelingen, Verordening (EG) nr. 1073/1999 zonder enige beperking op de EBA
van toepassing is. De EBA dient toe te treden tot het Interinstitutioneel Akkoord
betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF en onverwijld passende
voorzieningen te treffen die op al haar werknemers van toepassing zijn. In de financieringsbesluiten en de overeenkomsten en
tenuitvoerleggingsinstrumenten dient uitdrukkelijk te worden bepaald dat de
Rekenkamer en OLAF indien nodig controles ter plaatse mogen uitvoeren bij de
begunstigden van door de EBA toegekende financiering en bij het personeel dat
verantwoordelijk is om de financiering toe te kennen.
3.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.
Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en
betrokken begrotingsonde(e)l(en) voor uitgaven
· Bestaande begrotingsonderdelen voor uitgaven In volgorde van de rubrieken van het meerjarige
financiële kader en de begrotingsonderdelen Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort krediet || Bijdrage Nummer 1A Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid || GK/NGK ([5]) || van EVA-landen[6] || van kandidaat-lidstaten[7] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement || 12.04.02.01 EBA - Subsidiëring titels 1 en 2 (Personeels- en administratieve uitgaven) || GK || JA || NEE || NEE || NEE · Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen In volgorde van de rubrieken van het meerjarige
financiële kader en de begrotingsonderdelen. Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort krediet || Bijdrage Nummer [Omschrijving……………………………………..] || GK/ NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement || [XX.YY.YY.YY] || || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE || JA/NEE
3.2.
Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven
in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Rubriek van het meerjarige financiële kader || Nummer 1A || Concurrentiekracht ter bevordering van groei en werkgelegenheid DG: MARKT || || || Jaar 2013[8] || Jaar 2014 || Jaar 2015 || TOTAAL Beleidskredieten || || || || 12.04.02.01 || Vastleggingen || (1) || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Betalingen || (2) || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[9] || || || || Nummer begrotingsonderdeel || || (3) || || || || TOTAAL kredieten voor DG MARKT || Vastleggingen || =1+1a +3 || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Betalingen || =2+2a +3 || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Betalingen || (5) || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <1A> van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || =4+ 6 || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Betalingen || =5+ 6 || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor
meerdere rubrieken: TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || Betalingen || (5) || || || || TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarige financiële kader (Referentiebedrag) || Vastleggingen || =4+ 6 || || || || Betalingen || =5+ 6 || || || || Rubriek van het meerjarige financiële kader || 5 || "Administratieve uitgaven" in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || || || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || …invullen: zoveel jaren als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL DG: <…….> || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || || || || || || || || TOTAAL DG <….> || Kredieten || || || || || || || || TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || || || || || || || || in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || || || Jaar 2013[10] || Jaar 2014 || Jaar 2015 || TOTAAL TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870 Betalingen || 0,690 || 0,590 || 0,590 || 1,870
3.2.2.
Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen
beleidskredieten nodig –
ý Voor het voorstel/initiatief zijn
beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: De
specifieke doelstellingen van het voorstel zijn beschreven in punt 1.4.2. Het belangrijkste soort output dat de EBA met de
gevraagde middelen moet leveren, zijn bindende technische normen. Volgens de voorstellen moet de EBA ongeveer 55
dergelijke normen opstellen, waarvan 60 % klaar moet zijn in 2013. Wegens
de aard van het initiatief kan onderstaande tabel evenwel niet worden ingevuld
omdat het niet mogelijk is deze normen aan één specifieke doelstelling te
koppelen, aangezien één norm – in de regel – bijdraagt aan de verwezenlijking
van meerdere specifieke doelstellingen tegelijkertijd. Zo draagt een bindende technische norm voor de consistente toepassing
van de voorschriften betreffende de posten die in aftrek kunnen worden gebracht
op het toetsingsvermogen, bij aan i) een versterking van het risicomanagement
van banken; ii) het wegnemen van
mogelijkheden voor regelgevingsarbitrage; iii), een grotere rechtsduidelijkheid; iv) meer gelijke concurrentievoorwaarden; en v) sterkere samenwerking en convergentie op het gebied van toezicht. Vastleggingskredieten, in miljoen euro's (tot op 3
decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || …invullen: zoveel jaren als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL OUTPUTS Soort output[11] || Gem. kosten van de ouput || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Aantal ouputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1[12] || || || || || || || || || || || || || || || || Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || || || || || || || || || || || || || || || SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2 || || || || || || || || || || || || || || || || Output || || || || || || || || || || || || || || || || || || Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 || || || || || || || || || || || || || || || || TOTALE KOSTEN || || || || || || || || || || || || || || || ||
3.2.3.
Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
– niet van toepassing
3.2.3.1.
Samenvatting
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen
administratieve kredieten nodig –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn
administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: in miljoenen euro's
(tot op 3 decimalen) || Jaar N [13] || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || …invullen: zoveel jaren als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || || || || || || || || Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Buiten RUBRIEK 5[14] van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || || || || || || || || Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || || TOTAAL || || || || || || || ||
3.2.3.2.
Geraamde
personeelsbehoeften
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele
middelen nodig –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn personele
middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1
decimaal) || || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || …invullen: zoveel jaren als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) || || XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || || || || || || || || XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || || || || XX 01 05 01 (indirect onderzoek) || || || || || || || || 10 01 05 01 (direct onderzoek) || || || || || || || || Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE) [15] || || XX 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen") || || || || || || || || XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties) || || || || || || || || XX 01 04 yy [16] || - zetel[17] || || || || || || || || - delegaties || || || || || || || || XX 01 05 02 (AC, END, INT - indirect onderzoek) || || || || || || || || 10 01 05 02 (AC, END, INT – direct onderzoek) || || || || || || || || Andere begrotingsonderdelen (specificeer) || || || || || || || || TOTAAL || || || || || || || XX is het
beleidsterrein of de begrotingstitel De benodigde personele
middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer
van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel
aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure
met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen
worden toegewezen. Beschrijving van de
uit te voeren taken: Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Extern personeel ||
3.2.4.
Verenigbaarheid met het huidige meerjarige
financiële kader
–
¨ Het voorstel/initiatief is verenigbaar met
het huidige meerjarige financiële kader –
ý Het voorstel/initiatief vergt
herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarige financiële kader Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder
vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. Nieuw initiatief van de Commissie –
¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van
het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[18] Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de
betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
3.2.5.
Bijdrage van derden aan de financiering
–
Het voorstel/initiatief voorziet in
medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd: Kredieten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) || Jaar 2013 || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Totaal Medefinancieringsbron || 60 % van de totale benodigde middelen door de lidstaten via de EBA TOTAAL medegefinancierde kredieten || 1,035 || 0,885 || 0,885 || 2,805
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
ý Het voorstel/initiatief heeft geen financiële
gevolgen voor de ontvangsten. –
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder
beschreven financiële gevolgen: ¨ voor de eigen middelen ¨ voor de diverse ontvangsten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[19] Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … invullen: zoveel kolommen als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) Artikel …………. || || || || || || || || Voor de diverse
ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de)
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. Vermeld de wijze van
berekening van de gevolgen voor de ontvangsten. Bijlage bij het financieel memorandum voor
het voorstel voor een verordening betreffende prudentiële voorschriften voor
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en voor het voorstel voor een
richtlijn betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen Toegepaste methode en belangrijkste
onderliggende aannames Voor de personeelsuitgaven (titel 1) zijn de
kosten voor de door de EBA uit te voeren taken naar aanleiding van de twee
voorstellen geraamd in overeenstemming met de kostenverdeling in de aan de
Commissie voor 2012 voorgelegde ontwerpbegroting voor de EBA. De twee Commissievoorstellen omvatten
bepalingen volgens welke de EBA circa 55 nieuwe bindende technische normen moet
opstellen, die ervoor moeten zorgen dat bepalingen van zeer technische aard
overal in de EU op consistente wijze ten uitvoer worden gelegd[20]. Volgens de voorstellen moet de EBA ongeveer 60 % van de nieuwe bindende
technische normen klaar hebben in 2013. Om dit te kunnen verwezenlijken, moet het aantal medewerkers al in 2013
worden verhoogd. Wat het soort posten
betreft, zullen met name extra beleids- en juridische medewerkers en
medewerkers voor effectbeoordelingen nodig zijn om tijdig nieuwe normen te
kunnen opstellen die aan de vereiste kwaliteit voldoen.
Uitgaande van de ramingen van de
Commissiediensten en de EBA werden de volgende aannames gebruikt om in te
schatten hoeveel VTE's nodig zijn om de normen voor de twee voorstellen op te
stellen: –
Eén beleidsmedewerker stelt per jaar twee bindende
technische normen van gemiddelde complexiteit op; dit betekent dat er voor 2013 zeventien beleidsmedewerkers nodig zijn; –
Voor acht processen van normopstelling is er één
medewerker nodig die de effectbeoordelingen verricht; dit betekent dat er voor 2013 vier medewerkers nodig zijn om
effectbeoordelingen te verrichten; –
Er is één juridisch medewerker nodig om 5 bindende
technische normen op te stellen; dit
betekent dat er voor 2013 zeven juridische medewerkers nodig zijn; –
Om al deze medewerkers dagelijks te ondersteunen,
zijn er twee extra ondersteunende VTE's nodig. Voor de
opstelling van de normen die in 2013 klaar moeten zijn, zijn derhalve 30 VTE's
nodig. Volgens de EBA zullen er eind 2011
veertien deskundigen aan de opstelling van de normen werken. Vooruitlopend op de toename van de met deze
normen samenhangende werklast heeft de EBA in haar ontwerpbegroting voor 2012
die ze aan de Commissie heeft voorgelegd, al 22 extra VTE's gevraagd, van wie
er zeven specifiek voor de normopstelling zijn bedoeld[21]. In haar ontwerpbegroting voor 2012 heeft de EBA niet om de
noodzakelijke negen andere VTE's gevraagd omdat zij niet wist hoeveel normen
zij volgens de voorstellen zou moeten opstellen. Deze posten zullen voortaan evenwel worden opgenomen in de jaarlijkse
begrotingsverzoeken van de EBA. Andere aannames: −
op basis van de verdeling van de VTE's in de
ontwerpbegroting voor 2012 wordt ervan uitgegaan dat de extra negen VTE's bestaan
uit zeven tijdelijke functionarissen (79 %), één gedetacheerd nationaal
deskundige (14 %) en één arbeidscontractant (7 %); −
de gemiddelde jaarlijkse loonkosten voor de
verschillende categorieën personeel zijn gebaseerd op richtsnoeren van DG BUDG; −
de loonwegingscoëfficiënt voor Londen is
vastgesteld op 1,344; −
de opleidingskosten zijn geraamd op 1 000 euro
per VTE per jaar; −
de kosten voor dienstreizen zijn geraamd op 9 700
euro, op basis van de ontwerpbegroting voor 2012 voor dienstreizen per gemiddelde
VTE; −
de kosten voor het aanwerven van medewerkers (reis-
en verblijfkosten, medische onderzoeken, installatie- en andere vergoedingen,
verhuiskosten enz.) zijn geraamd op 27 700 euro, op basis van de
ontwerpbegroting voor 2012 voor aanwervingen per in te vullen post. Er is van uitgegaan dat de werklast naar
aanleiding waarvan een stijging van het aantal VTE's wordt gevraagd, ook in 2014
en later zal aanhouden, ten dele omdat reeds vastgestelde normen zullen moeten
worden gewijzigd en ten dele om de resterende 40 % van de normen te
ontwikkelen die in het kader van de twee wetgevingsvoorstellen en andere
toekomstige wetgevingsvoorstellen op het gebied van wet- en regelgeving voor
banken zullen moeten worden opgesteld. De wijze waarop de toename van de vereiste
middelen voor de komende drie jaar is berekend, wordt in onderstaande tabel
nader toegelicht. In deze berekening
is ermee rekening gehouden dat de EU-begroting 40 % van de kosten
financiert. In de onderstaande tabel is aangegeven hoe de
zeven posten voor tijdelijk functionaris in de personeelsformatie zouden worden
opgenomen: [1] ABM: Activity-Based Management – ABB: Activity-Based Budgeting. [2] In de zin van artikel 49,
lid 6, onder a) of b), van het Financieel Reglement. [3] Nadere gegevens over de beheersvormen
en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [4] In de zin van artikel 185
van het Financieel Reglement. [5] GK = gesplitste kredieten / NGK
= niet-gesplitste kredieten. [6] EVA: Europese Vrijhandelsassociatie. [7] Kandidaat-lidstaten en indien
van toepassing potentiële kandidaat-lidstaten uit de Westelijke Balkan. [8] Het jaar N is het jaar waarin met
de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [9] Technische en/of administratieve
bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of
acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), indirect onderzoek,
direct onderzoek. [10] Het jaar N is het jaar waarin met
de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [11] Outputs zijn de te verstrekken
producten en diensten (bijv.: aantal gefinancierde studentenuitwisselingen,
aantal km aangelegde wegen, enz.). [12] Zoals beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [13] Het jaar N is het jaar waarin met
de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. [14] Technische en/of administratieve
bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of
acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), indirect onderzoek,
direct onderzoek. [15] AC = arbeidscontractant; INT = uitzendkracht; JED = jonge deskundige in vertegenwoordiging; LA = plaatselijk functionaris; END= gedetacheerd nationaal deskundige. [16] Onder het maximum voor extern
personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen). [17] Vooral voor structuurfondsen,
Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en Europees
Visserijfonds (EVF). [18] Zie de punten 19 en 24 van het
Interinstitutioneel Akkoord. [19] Voor traditionele eigen middelen
(douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z.
na aftrek van 25% aan inningskosten. [20] Aangezien de EBA een zeer
gespecialiseerde instantie is, werd zij belast met de opstelling van bindende
technische normen als reactie op de behoefte aan de invoering van een effectief
instrument voor de vaststelling van geharmoniseerde technische
regelgevingsnormen op het gebied van EU-bankwetgeving om, mede door de invoering
van één "rulebook", te zorgen voor gelijke marktvoorwaarden en voor
adequate bescherming van depositohouders, beleggers en consumenten in de gehele
Unie. Te dien einde stelt de EBA
ontwerpen van technische regelgevingsnormen op door de EU-wetgeving
voorgeschreven gebieden op, die geen beleidskeuzen inhouden en die naderhand
door de Commissie worden goedgekeurd bij gedelegeerde handeling overeenkomstig
artikel 290 VWEU, teneinde ze bindende rechtskracht te geven. Voordat de EBA de Commissie ontwerpen van
bindende technische normen voorlegt, moet zij omstandig voorbereidend werk
verrichten; zo moet zij belanghebbende partijen over dergelijke ontwerpen
raadplegen en hen redelijkerwijs in staat stellen opmerkingen te maken over de
voorgestelde maatregelen, effectbeoordelingen
van de regelgeving verrichten, wetteksten
opstellen en andere taken uitvoeren. [21] Andere posten die de EBA in haar
ontwerpbegroting voor 2012 heeft gevraagd, hebben betrekking op de verwachte
stijging van de werklast voor de toezichts- en operationele afdelingen. Het verzoek om een groter aantal andere posten is
gebaseerd op de feitelijke aanwending van de middelen in de loop van het eerste
werkingsjaar van de EBA. Doel is de EBA in staat te stellen haar taken
doeltreffend uit te voeren wat betreft inbreuken op wet- en regelgeving,
aanwezigheid in toezichtsorganen, de consumentendimensie, de internationale
dimensie en op andere gebieden.