Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011PC0069

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het standpunt van de Raad in eerste lezing over een voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

/* COM/2011/0069 def. - COD 2008/0147 */

52011DC0069

/* COM/2011/0069 def. - COD 2011/0147 */ MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het standpunt van de Raad in eerste lezing over een voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen


[pic] | EUROPESE COMMISSIE |

Brussel, 15.2.2011

COM(2011) 69 definitief

2008/0147 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het

standpunt van de Raad in eerste lezing over een voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

2008/0147 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het

standpunt van de Raad in eerste lezing over een voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

1. ACHTERGROND

Toezending van het voorstel aan het Europees Parlement en de Raad (document COM(2008) 436 definitief – 2008/0147 COD): | 8/7/2008 |

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: | 16/12/2009 |

Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: | 11/3/2009 |

Vaststelling van het politieke akkoord van de Raad met het oog op een standpunt van de Raad in eerste lezing: | 15/10/2010 |

Vaststelling van het standpunt van de Raad | 14/2/2011 |

2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Om de concurrentieverstoringen tussen vervoersondernemingen op te heffen en om rechtvaardige mechanismen voor de toerekening van de infrastructuurkosten aan vervoersondernemers vast te stellen zijn in Richtlijn 1999/62/EG de maximumtarieven vastgesteld die lidstaten aan zware vrachtvoertuigen in rekening mogen brengen voor het gebruik van bepaalde vervoersinfrastructuur. Voor de vaststelling van die tarieven mogen de lidstaten geen rekening houden met externe kosten als luchtvervuiling en geluidhinder. De voorgestelde wijzigingen van de Commissie zullen die heffingen toestaan die, wanneer zij worden uitgevoerd, efficiënter en schoner vrachtvervoer bevorderen. Van de overige voorgestelde wijzigingen is de belangrijkste dat de lidstaten flexibeler mogen omgaan met het variëren van de toltarieven, zodat het gebruik van de wegen buiten de spitsuren wordt bevorderd en, uiteindelijk, de congestie wordt verminderd. Tot slot moeten de extra inkomsten die door de heffing in verband met externe kosten wordt gegenereerd, worden gebruikt ter financiering van projecten om het vervoer duurzaam te maken.

3. OPMERKINGEN OVER HET STANDPUNT VAN DE RAAD IN EERSTE LEZING

3.1 Algemene opmerkingen over het standpunt van de Raad in eerste lezing

De voornaamste doelstellingen van het voorstel van de Commissie zijn om de lidstaten toe te staan de meest relevante externe kosten door te berekenen in de heffing op zware vrachtvoertuigen, en om de werkingssfeer van de richtlijn tot buiten het trans-Europese netwerk uit te breiden. Deze doelstellingen zijn grotendeels tot stand gebracht in het standpunt van de Raad in eerste lezing.

3.2 Nadere opmerkingen van de Commissie over het standpunt van de Raad in eerste lezing

De voornaamste bepalingen in het standpunt van de Raad, en het standpunt van de Commissie ten aanzien van deze bepalingen, zijn als volgt:

Standpunt van de Raad | Advies van de Commissie |

Uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn tot andere dan TEN-autosnelwegen (artikel 2 en artikel 7). | Komt niet tegemoet aan het oorspronkelijke voorstel van de Commissie om de werkingssfeer uit te breiden tot alle wegen, maar betekent niettemin een aanzienlijke vooruitgang. |

De lidstaten wordt toegestaan externe kosten zoals voor luchtvervuiling en geluidhinder door te berekenen, maar niet die voor congestie (artikel 7 quater, lid 1). Zij mogen echter variatie aanbrengen in de infrastructuurheffing tijdens spitsuren bij gelijkblijvende inkomsten binnen ruimere marges dan in de bestaande richtlijn (artikel 7 septies, lid 3). | De Commissie zou er de voorkeur aan geven om congestie op te nemen als externe kostenpost, evenals luchtvervuiling en geluidhinder. Niettemin betekent de ruimere differentiatie van de infrastructuurheffing een aanvaardbare en haalbare op één na beste oplossing om de congestie te verminderen. |

Euro VI moet worden vrijgesteld van de doorberekening van externe kosten voor een periode van 4 jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn (artikel 7 quater, lid 3). | De Commissie steunt in principe het vrijstellen van minder vervuilende voertuigen van deze heffing, maar alleen voor een vaste, beperkte periode. |

De lidstaten mogen besluiten voertuigen tussen 3,5 en 12 ton van tol vrij te stellen om andere redenen dan milieu, congestie en administratieve kosten (artikel 7, lid 5). | De Commissie zou er de voorkeur aan geven deze afwijkingen uitsluitend toe te staan op grond van objectieve en duidelijk omschreven redenen. |

Stelt voor dat de middelen die door de doorberekening van externe kosten zijn gegenereerd, moeten [should] worden bestemd voor programma’s tot verduurzaming van het vervoerssysteem, maar de lidstaten behouden de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid over de besteding van die middelen (artikel 9, lid 2). | De Commissie zou er de voorkeur aan geven dat in de Engelse versie “should” wordt vervangen door “shall” (niet zozeer van toepassing op het Nederlands, eventueel zou het woord “moeten” kunnen worden geschrapt), of ten minste dat de lidstaten worden verplicht te rapporteren hoe de gegenereerde middelen worden besteed, en een duidelijker politieke intentie uitspreken om deze middelen in de vervoerssector te besteden, met name aan de trans-Europese netwerken. De Commissie zou er ook de voorkeur aan geven de formulering van de bestaande richtlijn over de aanwending van de inkomsten uit de infrastructuurheffing niet te schrappen. |

De mogelijkheid om de meeste bijlagen in de bestaande richtlijn te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen (de voormalige comitologieprocedure (regelgevend comité)) is uit het voorstel geschrapt (artikel 9 ter). | De Commissie zou er de voorkeur aan geven de mogelijkheid te behouden deze bijlagen door middel van gedelegeerde handelingen te wijzigen, met name bijlage III en de waarden voor toekomstige euro-emissienormen van de nieuwe bijlage III ter (van het voorstel van de Raad). |

Er zij op gewezen dat het standpunt van de Raad in eerste lezing de volgende amendementen uit de eerste lezing van het Europees Parlement omvat, die voor de Commissie aanvaardbaar waren: 30, 34, 36, 46, 50 en 69. Ook amendement 52 is in het standpunt van de Raad opgenomen. Andere amendementen zijn in delen van het standpunt van de Raad opgenomen, zoals amendement 58 inzake de aanpassing aan de inflatie of een gedeelte van amendement 63.

Verder heeft de Raad amendement 43 ook gedeeltelijk in zijn standpunt overgenomen. Hierdoor wordt de variatie in toegestane tolheffingen tussen spitsuren en daluren verhoogd van 100% boven het minimumtarief tot 175% boven het maximaal toelaatbare gemiddelde tarief. Deze aanpak geeft in de praktijk de mogelijkheid om soortgelijke stimulansen ter vermijding van het spitsuur in te voeren als het Parlement beoogde met zijn verzoek om een variatie van 500%, maar dan slechts boven het minimumtarief.

De volgende belangrijke amendementen van het Europees Parlement die voor de Commissie aanvaardbaar waren, zijn niet opgenomen in het standpunt van de Raad (de belangrijkste zijn vet gedrukt; getallen tussen haakjes verwijzen naar de betrokken amendementen van het Europees Parlement):

- Amendement van artikel 7 bis, lid 1, waarbij een formulering werd geschrapt op grond waarvan een lidstaat alleen jaartarieven mag hanteren voor op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen (31).

- Amendement van het voorgestelde artikel 7 ter, lid 2, op grond waarvan de lidstaten een congestieheffing mogen toepassen waarin de kosten van congestie tot uitdrukking komen en waartoe ze actieplannen moeten opstellen om de congestie te bestrijden (33).

- Formulering om ervoor te zorgen dat bestuurders, wanneer zij niet in staat zijn documenten ter staving van de euro-emissieklasse over te leggen, de daaruit voorvloeiende extra kosten terugkrijgen als zij op een later tijdstip dat bewijs wel kunnen leveren (42).

- Amendement van artikel 7 octies, lid 2, op grond waarvan de Commissie behalve het Comité ook het Parlement moet informeren of een tolheffingssysteem aan de eisen van de richtlijn voldoet (44) en wijziging van artikel 7 octies, lid 4, op grond waarvan de Commissie het Europees Parlement de besluiten moet meedelen die het in dit artikel genoemde Comité ter kennis zijn gebracht (47).

- Aanvullend subpunt bij artikel 7 octies, lid 3, op grond waarvan de lidstaten gedetailleerd moeten aangeven welke bestemming zij aan de uit de doorberekening van externe kosten gegenereerde middelen willen geven (45).

- Amendement van artikel 7 nonies, lid 5, wat betreft de formulering van het gebruik van het Galileo-systeem, met name om dit systeem als efficiënt middel voor het innen van tol te gebruiken (53).

- Andere formulering betreffende de bestemming van middelen die zijn gegenereerd uit de doorberekening van externe kosten (55) en betreffende de aanwending die de lidstaten geven aan de uit de infrastructuurheffing verkregen middelen (56).

- Amendement van artikel 9, lid 2, op grond waarvan ten minste 15% van de opbrengsten van externekostenheffing moet worden bestemd voor uitgaven van TEN-T projecten (57).

- Amendement van artikel 11, lid 2, op grond waarvan de Commissie wordt verzocht toe te zien op de geleidelijke afschaffing van tijdgerelateerde heffingssystemen (61).

- Amendement van artikel 11, lid 2, op grond waarvan de Commissie een wetgevingsvoorstel moet doen voor een verdergaande herziening van de richtlijn (tweede deel amendement 63).

De volgende amendementen van het Europees Parlement die niet aanvaardbaar waren voor de Commissie zijn niet in het standpunt van de Raad opgenomen: 9, 12, 13, 25, 26, 27, 28, 29, 32, 37, 38, 39, 40, 48, 49, 54, 59, 60, 62, 64, 65, 66, 67 en 68.

Uiteindelijk is amendement 35, waarbij een nieuw artikel 7 quater is geïntroduceerd, op grond waarvan voertuigen die aan toekomstige euro-emissienormen voldoen, worden vrijgesteld, gedeeltelijk door de Raad aanvaard. De Raad heeft echter voor EURO VI-voertuigen een langere vrijstelling toegekend en heeft ook voor EURO V-voertuigen een vrijstellingsperiode toegevoegd.

4. CONCLUSIE

De Raad heeft zijn standpunt in eerste lezing bij gekwalificeerde meerderheid vastgesteld, nadat op 15 oktober 2010 een politiek akkoord was bereikt. De Commissie steunt het standpunt van de Raad, omdat zij van oordeel is dat het tegemoet komt aan de belangrijkste doelstellingen van haar voorstel.

Top