This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011DC0323
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL AND THE COURT OF AUDITORS Synthesis of the Commission’s management achievements in 2010
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010
/* COM/2011/0323 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010 /* COM/2011/0323 final */
MEDEDELING
VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2010
1.
Inleiding
Overeenkomstig artikel 317
van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voert de Commissie
de begroting uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen
van de toegekende kredieten en met inachtneming van het beginsel van goed
financieel beheer. Met de
vaststelling van het syntheseverslag neemt de Commissie de politieke verantwoordelijkheid
op zich voor het beheer door de directeuren-generaal en diensthoofden, op basis
van de door hen in hun jaarlijkse activiteitenverslagen opgenomen
betrouwbaarheidsverklaringen en punten van voorbehoud. De Commissie inventariseert in het verslag ook de prioritaire
beleidskwesties en bepaalt hoe de geconstateerde zwakke punten moeten worden
aangepakt. De Rekenkamer heeft in
2009 voor het derde achtereenvolgende jaar zonder voorbehoud een positief
oordeel over de geconsolideerde rekeningen gegeven. De positieve ontwikkeling wat betreft het terugdringen van het
aantal fouten heeft zich doorgezet. Voor het eerst schatte de Rekenkamer het meest waarschijnlijke
foutenpercentage voor de hele begroting op 2 tot 5%. De Rekenkamer gaf ook een betere beoordeling van de kwaliteit van de
jaarlijkse activiteitenverslagen[1]. Verslag uitbrengen over de
beheersresultaten van de Commissie is meer dan het melden van
foutenpercentages. In het huidige
economische klimaat let de burger meer dan ooit op toegevoegde waarde en goede
besteding. De gedelegeerd
ordonnateurs zetten in deel I van hun jaarlijkse activiteitenverslagen uiteen
hoe zij hun financiële en personele middelen hebben ingezet om de door het
College vastgestelde beleidsdoelen op financieel verantwoorde wijze te
verwezenlijken. Zij laten daarmee de lezer zien hoe hun beleid een toegevoegde
waarde voor de samenleving in de EU heeft opgeleverd. In
haar voorstellen voor het volgende meerjarige financiële kader zal de Commissie
verbeteringen voorstellen voor met name het gedeeld beheer, waar de lidstaten
zo’n 80% van de begroting uitvoeren. Door
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de
verantwoordelijkheid van de lidstaten versterkt: zij moeten met de Commissie
samenwerken bij de uitvoering van de begroting en hun controle- en
auditverplichtingen worden benadrukt[2].
2.
Een sterkere basis voor de betrouwbaarheidsverklaring
Het College draagt de
operationele uitvoering van de begroting over aan de directeuren-generaal en de
diensthoofden, die als gedelegeerd ordonnateurs de middelen op degelijke en
efficiënte wijze moeten beheren en moeten zorgen voor adequate en doeltreffende
controlesystemen binnen hun diensten. De directeuren-generaal en de diensthoofden brengen over de vervulling
van hun taken verslag uit in de jaarlijkse activiteitenverslagen[3], die onder meer een ondertekende
betrouwbaarheidsverklaring bevatten betreffende de wettigheid en regelmatigheid
van de financiële verrichtingen. Het
gaat hierbij om een objectief onderzoek van bewijsmateriaal, om een
onafhankelijke beoordeling te geven van de doeltreffendheid van de processen
voor risicobeheersing, controle en bestuur. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het management, dat continu de
werking van de interne controlesystemen in het oog houdt, en door interne en
externe auditors. Over de resultaten
wordt verslag uitgebracht in het jaarlijkse activiteitenverslag, het
voornaamste middel waarmee de directeuren-generaal verantwoording afleggen aan
het College.
2.1.
Effect van interne reorganisaties op de
betrouwbaarheid
In 2010 is een
aantal belangrijke wijzigingen en reorganisaties doorgevoerd. Met het Verdrag van Lissabon, dat op
1 december 2009 is werking is getreden, werd de functie van hoge
vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
gecreëerd. Deze persoon is tevens vicevoorzitter van de Commissie. De hoge
vertegenwoordiger wordt bijgestaan door de Europese dienst voor extern
optreden (EDEO) [4]. De
voorbereidingen voor de oprichting van de EDEO duurden het hele jaar
2010, en de dienst ging op 1 januari 2011 van start. Een aantal bepalingen van het Financieel Reglement werd gewijzigd[5]. De
Commissie blijft de verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de
begroting, met inbegrip van de beleidskredieten die worden uitgevoerd door
hoofden van delegaties die gesubdelegeerd ordonnateurs van de Commissie zijn. Na het aantreden van de
nieuwe Commissie en de verdeling van de portefeuilles werd een aantal
directoraten-generaal geherstructureerd[6]. De nieuwe directoraten-generaal Justitie,
Binnenlandse zaken, Klimaat, Energie en Mobiliteit en vervoer werden opgericht
en enkele directoraten kwamen onder een nieuw directoraat-generaal te vallen. Overeenkomstig het Commissiebeleid om de
begrotingsautoriteit niet om nieuwe posten te vragen, werden directoraten voor
gemeenschappelijk gebruikte middelen en gemeenschappelijke diensten voor
interne audit opgezet, zodat professionele deskundigheid kon worden gebundeld
en schaalvoordelen konden worden gecreëerd. De Commissie heeft deze
veranderingen soepel doorgevoerd. De centrale diensten droegen daartoe bij door de circulaire met
instructies voor het opstellen van de jaarlijkse activiteitenverslagen aan te
passen aan de nieuwe omstandigheden[7]. De nieuwe directeuren-generaal kregen van hun
voorgangers een overdrachtnota. De
dienst Interne audit heeft enkele aspecten van deze reorganisaties onderzocht
en daarmee een bijdrage geleverd tot de verbetering van het bestuur.
2.2.
Dialoog tussen de directeuren-generaal en het
College
In elk jaarlijks
activiteitenverslag wordt uitdrukkelijk bevestigd dat de verantwoordelijke
commissaris(sen) vóór de definitieve ondertekening van de
betrouwbaarheidsverklaring is/zijn ingelicht over de belangrijkste aspecten van
dergelijke verslagen, met inbegrip van eventuele punten van voorbehoud[8]. De jaarlijkse activiteitenverslagen zijn het
belangrijkste instrument waarmee de gedelegeerd ordonnateurs verantwoording
afleggen aan het College, en een bron van bewijs voor de
betrouwbaarheidsverklaring. De
Commissie heeft het secretariaat-generaal en het directoraat-generaal Begroting
opgedragen om de directoraten-generaal en de diensten richtsnoeren te blijven
geven door middel van regelmatige herziening van de vaste instructies,
handleidingen, opleidingsmaatregelen en peer reviews. Alle directeuren-generaal en diensthoofden is verzocht om actieve
ondersteuning van alle maatregelen die de centrale diensten aanbevelen om de
kwaliteit van de jaarlijkse activiteitenverslagen te verbeteren.
2.3.
Interne audit
Het Comité follow-up audit
(APC) heeft zich geconcentreerd op de belangrijkste risico’s die uit de
controleopdrachten naar voren zijn gekomen, en gezorgd voor betere doorstroming
van informatie naar het College over auditaangelegenheden, waaronder ook
aangelegenheden op het niveau van de organisatie in haar geheel en kwalitatieve
informatie over de wijze waarop actieplannen kunnen bijdragen tot een beter
algemeen controleklimaat. Het APC
heeft de Commissie er in zijn jaarverslag en informatieve nota’s over
geïnformeerd dat vooruitgang was geboekt bij de uitvoering van de resterende
goedgekeurde auditaanbevelingen die als “kritiek” of “zeer belangrijk” waren
aangemerkt, waarop in het syntheseverslag 2009 was aangedrongen. In 2010 waren er geen “kritieke” en 26 “zeer
belangrijke” aanbevelingen waaraan zes maanden na de gestelde termijn nog geen
gevolg was gegeven. Er werden 97
“zeer belangrijke” aanbevelingen aanvaard, maar daarvoor bedroeg deze termijn
minder dan zes maanden. Aan
de hand van de door het APC verstrekte informatie heeft de Commissie nota
genomen van de vorderingen bij de uitvoering van de auditaanbevelingen. Zij
draagt de diensten op met dit werk verder te gaan. De directeuren-generaal en de diensthoofden dienen erop toe te zien dat
de nog resterende aanbevelingen de nodige aandacht krijgen. In maart 2011 heeft de dienst
Interne audit van de Commissie het jaarverslag over de in 2010 uitgevoerde
interne controles ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 86, lid 3, van het
Financieel Reglement. In mei 2011 heeft de dienst
Interne audit van de Commissie voor het eerst een algemeen advies uitgebracht. Dit advies is gebaseerd op de werkzaamheden die
de interne auditfuncties en de dienst Interne audit in de periode 2008–2010
hebben uitgevoerd in het kader van het gecoördineerde strategische auditplan. Het advies is met name gericht op het financieel
beheer. De dienst Interne audit van
de Commissie is van oordeel dat de Commissie in 2010 procedures voor bestuur,
risicobeheersing en interne controle heeft opgezet die redelijke zekerheid
kunnen verschaffen wat betreft de verwezenlijking van haar financiële
doelstellingen. Dit geldt niet voor de gebieden van het financiële beheer
waarvoor de directeuren-generaal in hun betrouwbaarheidsverklaringen een
voorbehoud hebben gemaakt, en voorts zijn de opmerkingen van toepassing over
risicobeheersing betreffende fouten in de onderliggende transacties. Dit advies heeft geen betrekking op het programma
betreffende het systeem voor wereldwijde satellietnavigatie, waarvan de audit
eind 2010 nog niet was afgerond. Het
advies houdt in het bijzonder rekening met het feit dat het management plannen
heeft opgezet die de IAS geschikt acht voor het aanpakken van de restrisico’s
die de auditors de afgelopen drie jaar hebben vastgesteld en voor het uitvoeren
van de gedane aanbevelingen, en het feit dat op de uitvoering van deze plannen
toezicht wordt gehouden door middel van verslaglegging door het management en
vervolgaudits. De
Commissie heeft nota genomen van deze verslagen, die het College uitsluitsel
geven over de prestaties van de bestuurs- en internecontrolestructuren in de
diensten en redelijke zekerheid verschaffen wat betreft het vermogen van het
College om zijn doelstellingen te bereiken.
2.4.
Verdere verbetering van de duidelijkheid en de samenhang
van de jaarlijkse activiteitenverslagen
De jaarlijkse
activiteitenverslagen vormen een belangrijke bron van bewijs voor de Europese
Rekenkamer en de kwijtingsautoriteiten. Volgens de Rekenkamer is de kwaliteit van deze verslagen de laatste
jaren toegenomen. De Rekenkamer heeft
alle directoraten-generaal en diensten van de Commissie in haar jaarverslag
over 2009 de waardering “A” of “B” gegeven[9]. De vaste instructies voor de
jaarlijkse activiteitenverslagen zijn verder verfijnd met het oog op verbetering
van de kwaliteit van het ter ondersteuning van de zekerheid verstrekte bewijs
en de leesbaarheid van de verslagen. De
centrale diensten zijn in een vroeg stadium een rol blijven spelen bij het
opstellen van de jaarlijkse activiteitenverslagen, door de hoofdzaken met de
directoraten-generaal en diensten te bespreken en de nodige adviezen te geven
om de kwaliteit van de uiteindelijke tekst te verbeteren. De (pre-)peer reviews zijn voor de verschillende diensten opnieuw een
effectief platform gebleken om als gelijken van gedachten te wisselen over de
formulering van bepaalde horizontale kwesties in hun activiteitenverslagen,
over methoden om de samenhang van de aanpak te waarborgen en over de aanpak van
geconstateerde zwakke punten. Tijdens dit proces is vastgesteld
op welke punten de presentatie kon worden verbeterd, met name de algemene
argumenten ter ondersteuning van de betrouwbaarheidsverklaring en de
omschrijving van de bijdrage van elke afzonderlijke bouwsteen. Deze punten waren onder meer: a) de te gebruiken redenering wanneer alleen een
op risico gebaseerde controlesteekproef beschikbaar is, b) de beschrijving van de gebruikte bemonsteringsmethode en c) de
gebruikte mathematische methoden om de resultaten van de controlesteekproef te
extrapoleren naar de gehele populatie. De
Commissie streeft ernaar de leesbaarheid en vergelijkbaarheid van de jaarlijkse
activiteitenverslagen voortdurend te verbeteren.
3.
Zekerheid op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen en punten
van voorbehoud van de directeuren-generaal
Na onderzoek van de
jaarlijkse activiteitenverslagen, en met name de betrouwbaarheidsverklaringen
die door iedere directeur-generaal zijn ondertekend, merkt de Commissie op dat allen
verklaarden redelijke zekerheid te hebben over het correcte gebruik van de
middelen, de inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer en het
feit dat de toegepaste controleprocedures de nodige waarborgen bieden voor de
wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Sommige directeuren-generaal vermeldden
resterende zwakke punten en maakten punten van voorbehoud, maar dit deed
geen afbreuk aan het algemene niveau van zekerheid.
Twaalf directeuren-generaal
en een directeur van een uitvoerend agentschap maakten in totaal zeventien
punten van voorbehoud in hun jaarlijks activiteitenverslag 2010. Deze omvatten vijftien van de eenentwintig[10] punten van voorbehoud uit 2009 waaraan eind
2010 nog steeds werd gewerkt, en twee nieuwe punten van voorbehoud. De meest voorkomende punten
van zorg hielden verband met de complexe subsidiabiliteitsregels voor
begunstigden van subsidies (met gevolgen voor de middelen onder
gecentraliseerd direct beheer) en de toepassing van de voorschriften voor
overheidsopdrachten (een frequente foutenoorzaak bij het cohesiebeleid). Alle directeuren-generaal en diensthoofden
stelden de belangrijkste oorzaken van hun punten van voorbehoud vast en kwamen
met maatregelen om deze aan te pakken. Na beoordeling van de
controleresultaten werden zes punten van voorbehoud uit voorgaande jaren
ingetrokken. Voor de intrekking van
een punt van voorbehoud werd de gedelegeerd ordonnateurs gevraagd welke
maatregelen waren genomen om de geconstateerde tekortkomingen aan te pakken en
moesten zij aantonen dat de maatregel doeltreffend was en dat de zwakke punten
daadwerkelijk waren verholpen. Dit
betekende in de meeste gevallen dat uit de audit moest zijn gebleken dat de
foutenpercentages waren gedaald tot een aanvaardbaar niveau of dat de systemen
waren versterkt en naar behoren functioneerden.
3.1.
Landbouw en
natuurlijke hulpbronnen
Voor landbouw en natuurlijke
hulpbronnen concludeerde de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2009, op grond
van een lichte verhoging van het foutenpercentage tot iets boven de 2%, dat er
bij dit hoofdstuk sprake was van materiële fouten. De Rekenkamer herhaalde dat meer moest worden gedaan om de
voorschriften en voorwaarden op het gebied van plattelandsontwikkeling te
vereenvoudigen. In het jaarlijkse
activiteitenverslag over 2010 maakte de directeur-generaal Landbouw en
plattelandsontwikkeling één punt van voorbehoud. Gezien het belang van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem
(GBCS) voor het beheer en de controle van de landbouwuitgaven en de ernstige
tekortkomingen bij het GBCS in Bulgarije, Portugal en Roemenië, is een punt
van voorbehoud opgenomen vanwege eventuele reputatieschade, hoewel de
financiële gevolgen van de tekortkomingen de materialiteitsdrempel niet
overschreden. Het betrokken
directoraat-generaal heeft het sinds 2007 opgevoerde punt van voorbehoud
inzake de uitgaven voor maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling
(zwaartepunt 2: verbetering van het milieu en het platteland) ingetrokken. Het directoraat-generaal Landbouw en
plattelandsontwikkeling heeft de rapportage van de lidstaten over fouten bij
maatregelen in het kader van zwaartepunt 2 onderzocht en gedetailleerde
richtsnoeren verstrekt voor die rapportage. Daardoor zijn de kwaliteit en
betrouwbaarheid van de controlestatistieken van de lidstaten en de mate van
kwantificering van de geconstateerde en gemelde fouten aanzienlijk verbeterd. Dankzij deze verbeteringen kon het
directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling het
restfoutenpercentage preciezer berekenen dan de voorgaande jaren, toen het niet
voldoende zekerheid had dat de lidstaten hun statistieken met de vereiste
nauwkeurigheid hadden opgesteld. Het
restfoutenpercentage is op basis van de cijfers van de lidstaten geraamd op
1,84% voor 2010 en is dus lager dan de materialiteitsdrempel van 2% die de
Rekenkamer hanteert. Het
restfoutenpercentage voor het gehele terrein plattelandsontwikkeling is 1,13%
(2,1% in 2009) en is dus eveneens lager dan de materialiteitsdrempel. Bovendien is het actieplan dat in het punt van
voorbehoud van de voorgaande jaren werd gepresenteerd, inmiddels afgerond. Een verdere verlaging van het foutenpercentage
kan alleen worden bereikt door het aantal controles ter plaatse te verhogen,
wat geen rendabele maatregel zou zijn. De directeur-generaal
Maritieme zaken en visserij heeft vorig jaar een punt van voorbehoud gemaakt
betreffende een aantal operationele programma’s en maatregelen in verband
met het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV). Er is een actieplan opgesteld en met succes
uitgevoerd. Het punt van voorbehoud
kon daardoor voor alle uitgaven worden ingetrokken, met uitzondering van één
programma in Duitsland, waarvoor nader onderzoek en nadere controles
noodzakelijk werden geacht. Deze worden momenteel uitgevoerd. Een aanvullende studie naar
het juridische kader en de argumenten van de lidstaten inzake de subsidiabiliteitsregels
voor betalingen die aan lidstaten zijn verricht ter compensatie van extra
kosten voor de afzet van bepaalde visserijproducten uit de ultraperifere
regio’s heeft uitgewezen dat dit punt van voorbehoud kon worden
ingetrokken. Directoraat-generaal Milieu
heeft met succes het actieplan uitgevoerd dat vorig jaar was opgezet nadat een
punt van voorbehoud was gemaakt inzake de subsidiabiliteit van door
subsidieontvangers gedeclareerde uitgaven. Het punt van voorbehoud werd daarom ingetrokken. De directeur-generaal Klimaat
heeft een voorbehoud gemaakt in verband met mogelijke reputatieschade
voor de Commissie als gevolg van een ernstig beveiligingslek in de nationale
registers van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (ETS). De Commissie herinnert eraan dat het
GBCS in Bulgarije, Roemenië en Portugal naar behoren moet worden ingevoerd. Er wordt bij de Portugese autoriteiten
aangedrongen op versterking van het actieplan. Er zal nauwlettend op worden toegezien dat het Bulgaarse plan tijdig
wordt voltooid. Roemenië heeft zijn
actieplan al voltooid. Er zal nauwlettend worden toegezien op de correcte
toepassing van de nieuwe elementen bij de afhandeling van declaraties voor
2011.
3.2.
Cohesie
Het cohesiebeleid wordt
uitgevoerd onder gedeeld beheer en het geschatte foutenpercentage ligt al jaren
aanzienlijk hoger dan bij andere beleidsgroepen. De schatting van het meest waarschijnlijke foutenpercentage door de
Rekenkamer is in 2009 aanzienlijk afgenomen. Volgens de Commissie[11] is
deze verbetering deels te danken aan de verbeterde controlebepalingen van het
cohesieregelgevingskader voor 2007–2013, alsook aan het effect van het
actieplan van de Commissie van 2008 ter versterking van haar toezichthoudende
rol bij structurele acties. De
fluctuaties van het geconstateerde foutenpercentage van het ene jaar tot het
andere worden echter ook beïnvloed door de fase van de meerjarige
uitvoeringscyclus. 2010 was het
eerste jaar dat de meeste programma’s van het huidige regelgevingskader
volledig operationeel waren en de meeste nationale autoriteiten projecten
uitvoerden en uitgaven declareerden, waardoor het inherente foutenrisico hoger
kwam te liggen. De Commissie heeft daarom bij
de herziening van het Financieel Reglement voorgesteld dat de nationale
autoriteiten een jaarlijkse beheersverklaring afgeven voor alle programma’s die
onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Dat is de beste manier om op geloofwaardige en betrouwbare wijze
zekerheid te krijgen dat de EU-begroting naar behoren wordt benut en
gecontroleerd. Toch is het cohesiebeleid
nog steeds het uitgaventerrein met het hoogste foutenpercentage in de DAS 2009
en het enige beleidsdomein waar volgens de schatting van de Rekenkamer het
waarschijnlijke foutenpercentage meer dan 5% bedraagt.
De Commissie is van oordeel dat extra inspanningen vereist
zijn om dit percentage te verlagen. De directeur-generaal
Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie had twee punten van voorbehoud: een betreffende de beheers- en controlesystemen
voor specifieke operationele programma’s in het kader van ESF 2000–2006
(Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje) en een betreffende de beheers- en
controlesystemen voor specifieke operationele programma’s in het kader van ESF
2007–2013 (België, Bulgarije, Duitsland, Ierland, Italië, Oostenrijk,
Slowakije, Spanje en het Verenigd Koninkrijk). De gekwantificeerde omvang van het eerste voorbehoud bedraagt 0,14% van
de tussentijdse betalingen voor de periode 2000–2006 en van het tweede 1,13% van de tussentijdse betalingen voor de periode
2007–2013. Beide punten van
voorbehoud werden afgegeven wegens eventuele reputatieschade, omdat de beheers-
en controlesystemen van de betrokken operationele programma’s op essentiële
punten ernstige tekortkomingen vertoonden. De directeur-generaal
Regionaal beleid had twee punten van voorbehoud: een betreffende de beheers- en controlesystemen in het kader van het
EFRO/Cohesiefonds in de periode 2000–2006 (Bulgarije, Duitsland, Hongarije,
Italië, Letland en Nederland en 9 Interreg-programma’s), en een
betreffende de beheers- en controlesystemen van het EFRO/Cohesiefonds voor de
periode 2007–2013 (Bulgarije, Duitsland, Griekenland, Italië, Letland,
Litouwen, Roemenië, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk, 13 programma’s
voor Europese territoriale samenwerking en 6 programma’s voor
IPA/grensoverschrijdende samenwerking). De voor het cohesiebeleid
gemelde geschatte omvang van het risico voor de operationele programma’s
bedraagt 0,8 tot 1,5% van de betalingen die in 2010 zijn verricht voor het
totale cohesiebeleid. Dit geschatte
gemiddelde maskeert de onderliggende grote verschillen tussen de lidstaten en
in sommige gevallen tussen operationele programma’s en regio’s in eenzelfde
lidstaat. Hoewel het risico op
onregelmatigheden voor een aantal programma’s als beheersbaar kan worden
aangemerkt als het op meerjarenbasis wordt bekeken, kan dit risico op jaarbasis
gemeten voor een aantal programma’s en lidstaten veel hoger liggen dan de
geschatte gemiddelden. De Commissie
zal haar taak als toezichthouder rigoureus blijven uitvoeren en er bij de
lidstaten op aandringen dat zij de geconstateerde onvolkomenheden van hun
beheers- en controlesystemen aanpakken. Ook zal de Commissie, telkens als dat
nodig is, betalingen onderbreken of opschorten en financiële correcties
toepassen. De Commissie zal met
gecoördineerde preventie- en correctiemaatregelen haar inspanningen met name op
deze systemen richten. De aan
risico blootgestelde bedragen zijn anders dan bij het foutenpercentage dat de
Europese Rekenkamer in haar jaarverslag heeft berekend voor de
betrouwbaarheidsverklaring. Dat er
een verschil is tussen de redelijke zekerheid die door de gedelegeerd
ordonnateurs is verschaft en de beoordeling van de controlesystemen door de
Rekenkamer, heeft een aantal oorzaken. Onder andere is er het feit dat de Commissie op een aantal
beleidsgebieden meerjarige controlestrategieën toepast en de gedelegeerd
ordonnateurs het functioneren van de controlesystemen dienovereenkomstig beoordelen,
terwijl de Rekenkamer verplicht is jaarlijks een oordeel uit te spreken. Bij de berekening van het aan risico blootgesteld
bedrag dat de diensten van de Commissie voor structurele acties in de
jaarlijkse activiteitenverslagen melden, wordt rekening gehouden met allerlei
risicobeperkende en corrigerende maatregelen die deel uitmaken van de
meerjarige beheers- en controlesystemen (waardoor correcties kunnen worden
aangebracht enkele jaren nadat de lidstaat heeft uitbetaald aan de begunstigden
en de Commissie aan de lidstaat), en bij de analyse wordt de specifieke
situatie van elk programma in aanmerking genomen. Het is daarom waarschijnlijk
dat het in de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer voorkomende
foutenpercentage hoger is, aangezien dit fouten omvat die in volgende jaren
kunnen worden gecorrigeerd, wanneer alle actoren in de controleketen hun
bijdrage hebben geleverd. Nog een
verschilfactor is het feit dat het foutenpercentage dat de Rekenkamer op
jaarbasis vermeldt, berekend wordt aan de hand van de fouten die in dat jaar
zijn geconstateerd in een steekproef van programma’s en vervolgens zijn
geëxtrapoleerd naar alle uitgaven in het kader van het cohesiebeleid. De verklaring kan zijn dat bij de meeste
programma’s en instanties nu projecten daadwerkelijk in uitvoering zijn
waarvoor uitgaven worden gedeclareerd, zodat het inherente foutenrisico wordt
verhoogd. De punten van voorbehoud die
de directeur-generaal Regionaal beleid voor de programmeringsperiode 2007–2013
heeft gemaakt, zijn breder dan in voorgaande jaren: ze hebben betrekking op
meer operationele programma’s in een groter aantal lidstaten en op grotere
geschatte risicobedragen. De punten
van voorbehoud die de directeur-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en
inclusie voor de programmeringsperiode 2007–2013 heeft gemaakt, hebben
betrekking op een kleiner aantal operationele programma’s (maar in een groter
aantal lidstaten) en op een kleiner geschat risicopercentage. In 2010 moesten de nationale
rekenkamers bovendien voor het eerst het foutenpercentage rapporteren dat zij
hadden geconstateerd bij audits van een representatieve steekproef van
verrichtingen. Op deze percentages,
wanneer deze van voldoende kwaliteit werden geacht, heeft de directeur-generaal
Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie met ingang van dit jaar zijn
schatting van de financiële impact van de punten van voorbehoud gebaseerd, en
niet meer op vooraf vastgestelde geschatte foutenpercentages[12]. Ook
in de toekomst moet zo veel mogelijk worden uitgegaan van de door de nationale
rekenkamers gemelde foutenpercentages, indien deze van voldoende kwaliteit
worden geacht. In de jaarlijkse
activiteitenverslagen wordt de aard van de geconstateerde problemen duidelijk
uiteengezet en worden solide actieplannen gepresenteerd. De volgende domeinen zijn goede voorbeelden: –
het gebruik van onderbrekings- en
opschortingsprocedures en financiële correcties (zie punt 4.2.1); –
de diensten blijven de nationale rekenkamers aanvullende
begeleiding en steun bieden, met name betreffende de dekking en de
kwaliteit van de audits en de opstelling van de jaarlijkse controleverslagen
en auditadviezen, om de meerwaarde daarvan te vergroten; –
de diensten zullen hun controle-inspanningen, maar
ook hun activiteiten op het gebied van begeleiding en bestuurlijke
capaciteitsopbouw, concentreren op de subsidiabiliteit van kosten en de
toepassing van de regels voor overheidsopdrachten, omdat op die gebieden
in 2008 en 2009 de meeste geschatte fouten zich hebben voorgedaan. De Commissie neemt initiatieven om de procedures
voor overheidsopdrachten verder te stroomlijnen (zie punt 4.4.2); –
de diensten zullen voor verrichtingen en systemen
controles ter plaatse blijven uitvoeren, en waar nodig de frequentie ervan
verhogen, op basis van risico en overeenkomstig hun controlestrategie. De
Commissie is ook bezorgd over de effectiviteit van de EU-middelen die
regio’s/lidstaten uitgeven als vergoeding voor projecten die al zijn voltooid
en uit de nationale begroting zijn betaald vóór de datum waarop de kosten
subsidiabel werden, en waarbij de regels voor de selectie van projecten niet
zijn toegepast (met terugwerkende
kracht goedgekeurde projecten). De
Commissie zal, in samenwerking met de lidstaten, de subsidiabiliteitsregels,
voorwaarden en vereisten voor de opneming van dergelijke projecten (juridische
en reguliere) in de medegefinancierde programma’s verduidelijken en in haar
maatregelenpakket voor de structuurfondsen na 2013 nieuwe regels voorstellen. De Commissie heeft bij de herziening van het Financieel
Reglement voorgesteld dat de geaccrediteerde organen jaarlijkse
beheersverklaringen afgeven voor alle programma’s die onder gedeeld beheer
worden uitgevoerd. De Commissie roept de lidstaten op om aan te tonen dat het
hun menens is meer verantwoording te dragen, en wel door de controlemaatregelen
waar nodig te versterken (met name wat de primaire controles op beheersniveau
betreft) voordat zij uitgaven certificeren voor de Commissie, en door haar
richtsnoeren voor de jaarlijkse overzichten te volgen om deze tot een
waardevolle aanvullende bron van zekerheid te maken. Hoewel de rechtsgrondslag voor de jaarlijkse overzichten nog geen
algemene betrouwbaarheidsverklaring voorschrijft, moedigt de Commissie alle
lidstaten aan het voorbeeld te volgen van de elf lidstaten die in 2010
betrouwbaarheidsverklaringen in de overzichten hebben opgenomen en andere
maatregelen te nemen om te bewijzen dat zij veel belang hechten aan een gezond
beheer van de EU-middelen. De Commissie heeft de directoraten-generaal die het
cohesiebeleid uitvoeren opgedragen om met een hoge mate van transparantie te
werk te gaan bij de beoordeling van de controlesystemen in elke lidstaat en bij
de informatieverstrekking over onderbrekingen, opschorting van betalingen en
financiële correcties, en daarvan in hun jaarlijkse activiteitenverslagen
systematisch melding te maken. De
Commissie heeft hen daarnaast ook opgedragen door te gaan met de systematische,
tijdige onderbrekings- en opschortingsprocedures wanneer bij de controles
ernstige gebreken of onregelmatigheden aan het licht komen.
3.3.
Onderzoek,
energie en vervoer
De gemeenschappelijke
auditstrategie die de directoraten-generaal voor onderzoek toepassen voor het zesde
kaderprogramma (KP6) (2007–2010) is succesvol gebleken, zowel wat de
dekking als wat de bereikte resultaten betreft. Aan het einde van de periode was het meerjarige restfoutenpercentage[13] aanzienlijk gedaald, voor sommige
directoraten-generaal tot een niveau dat zeer dicht bij het streefcijfer van 2%
lag. De terugkerende punten van
voorbehoud betreffende KP 6 werden niet ingetrokken, behalve dat van de
directeur-generaal Informatiemaatschappij en media, die besloot om een
betrouwbaarheidsverklaring zonder voorbehoud af te geven, hoewel het
restfoutenpercentage iets boven de drempel van 2% lag. De directeur-generaal legde in zijn jaarlijkse activiteitenverslag uit
waarom hij verwacht dat het meerjarige foutenniveau (d.w.z. voor heel KP6
gemeten) in de loop van 2011 onder de drempel zal komen. Het zevende kaderprogramma
voor onderzoek (KP 7) komt op stoom. Het bedrag van de voorfinancieringen zal daardoor lager komen te liggen
dan de betalingen tegen kostenstaat. Deze
laatste worden geacht een hoger inherent risico in te houden (en dus een hoger
potentieel foutenpercentage te vertonen). De steekproefsgewijze audit die tot dusver is uitgevoerd, is niet
voldoende om het restfoutenpercentage exact te berekenen en in deze fase
conclusies te trekken over de betrouwbaarheid. Naar verwachting zal de gecontroleerde steekproef voor de gedelegeerd
ordonnateurs voldoende zijn om het criterium van het restfoutenpercentage toe
te passen en te beslissen of voor dit kaderprogramma een punt van voorbehoud
moet worden gemaakt. De
voorlopige foutenpercentages (4 à 5%) die uit de tot nu toe verrichte audits
zijn gebleken, geven een indicatie dat het percentage voor de hele populatie
boven de drempel van 2% kan liggen. De bepalingen inzake
subsidiabiliteit zijn complex en uit de audits is gebleken dat verschillen in
interpretatie van deze bepalingen de grootste oorzaak zijn van de fouten die
zijn gesignaleerd in het hoofdstuk Onderzoek, energie en vervoer. In 2010 heeft een taskforce op hoog niveau
management- en organisatieproblemen in de onderzoekswereld onderzocht en
aanbevelingen gedaan voor onder andere verbetering van de governance van audits
en controles op dit terrein. Inmiddels zijn voor KP 7
verdere correctiemaatregelen getroffen; zo is een gemeenschappelijk kader
ingesteld voor de afgifte van auditcertificaten door externe auditors en een
reeks verplichte procedures vastgesteld. De op 24 januari 2011 ingevoerde vereenvoudigingsmaatregelen[14] zullen het foutenpercentage naar
verwachting bovendien nog verder terugdringen. De beslissing om begunstigden toe te staan hun wettelijke
boekhoudmethoden toe te passen bij verzoeken om terugbetaling van gemiddelde
personeelskosten, en de mogelijkheid om aan eigenaars van kleine en middelgrote
bedrijven (en andere personen die geen salaris ontvangen) forfaitaire
vergoedingen uit te betalen, zullen naar verwachting een positief effect hebben
op de foutpercentages. Ondanks de
positieve effecten van de vereenvoudigingsmaatregelen zal de situatie opnieuw
worden getoetst zodra het bedrag van de betalingen tegen kostenstaten is
gegroeid en de auditsteekproef statistisch breed genoeg is. In
haar mededeling Vereenvoudigen van de tenuitvoerlegging van de
kaderprogramma’s voor onderzoek[15]
heeft de Commissie maatregelen en opties gepresenteerd ter vereenvoudiging van
de onderzoeksfinanciering van de EU en de andere EU-instellingen verzocht om
zich in het debat te mengen en zich over de opties uit te spreken.
3.4.
Externe steun,
ontwikkeling en uitbreiding
Over het algemeen voldeed de
interne controle op het gebied van externe steun in 2010 aan de verwachtingen. Om de betrouwbaarheidsverklaring op het gebied
van externe steun beter te kunnen onderbouwen, ontwikkelt DG EuropeAid een
indicator voor de geschatte impact van restfouten, en verbindt het zich ertoe
een methode hiervoor in de loop van 2011 in te voeren. De directeur-generaal
Buitenlandse betrekkingen heeft het voorbehoud ingetrokken dat in verband met
eventuele reputatieschade was gemaakt met betrekking tot het beheer van het
gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het
stabiliteitsinstrument, nadat de methode en de capaciteit voor controles
achteraf was verbeterd. De Commissie heeft de dienst
Instrumenten voor het buitenlands beleid opgezet, die verantwoordelijk is voor
de financiële controle van de instrumenten, waaronder de begroting van het GBVB
en het stabiliteitsinstrument. Deze
dienst van de Commissie rapporteert rechtstreeks aan de vicevoorzitter/hoge
vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. De
Commissie heeft het hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands
beleid opgedragen om nauwlettend toe te zien op de verdere uitvoering van het
actieplan dat door de directeur-generaal voor Buitenlandse betrekkingen is
geïnitieerd.
3.5.
Onderwijs en
burgerschap
De directeur-generaal Communicatie
heeft het voorbehoud gehandhaafd dat in 2008 in verband met eventuele
reputatieschade werd gemaakt met betrekking tot mogelijke niet-naleving van de
toepasselijke wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten door de diensten
van de Commissie. De meeste in
het actieplan opgenomen correctiemaatregelen zijn uitgevoerd, met name op het
gebied van opleiding, voorlichting en internationale coördinatie. De directeur-generaal Communicatie heeft
aangekondigd dat dit voorbehoud zal worden ingetrokken zodra de
auteursrechtovereenkomsten in verband met de samenstelling van een dagelijks
persoverzicht door dit directoraat-generaal van kracht zijn. De directeur-generaal Onderwijs
en cultuur heeft het voorbehoud gehandhaafd dat was gemaakt in verband met het
foutenpercentage bij het gecentraliseerd direct beheer, nadat bij controles
achteraf een significant foutenpercentage bij de onderliggende verrichtingen
was vastgesteld. Dit punt van
voorbehoud is uitgebreid met een voorbehoud van de directeur van het Uitvoerend
Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur. Het foutenpercentage in het bevoegde DG bedroeg 3,4%, terwijl het
foutenpercentage voor twee van de zeven door het uitvoerend agentschap beheerde
hoofdprogramma’s – de programma’s Cultuur en Jeugd – respectievelijk 4,28% en
7,38% bedroeg. De vaakst
geconstateerde fouten betroffen het feit dat begunstigden geen bewijsstukken
kunnen overleggen of dat de kwaliteit ervan te wensen overlaat. Het directoraat-generaal en het agentschap hebben
een gecoördineerd actieplan opgezet om de informatieverstrekking aan de
begunstigden en de strategieën voor documentaire controle te verbeteren op
basis van risicobeoordeling. De directeur-generaal Binnenlandse
zaken heeft in het activiteitenverslag 2010 twee punten van voorbehoud
opgenomen, die beide betrekking hebben op mogelijke reputatieschade door
vertraging bij de tenuitvoerlegging van grootschalige IT-systemen – VIS en
SIS II. Er zijn in 2010 aanzienlijke
vorderingen gemaakt in de richting van de succesvolle invoering van deze
systemen. Het gedetailleerde actieplan
is volledig uitgevoerd, maar er is extra vertraging ontstaan door factoren als
onvoldoende voorbereiding bij sommige lidstaten en de politieke situatie in
Noord-Afrika, die gevolgen hadden voor de uitrol van het VIS. De directeur-generaal Justitie
kon het voorbehoud intrekken dat was gemaakt in verband met het financiële
risico verbonden aan het restfoutenpercentage van naar schatting 2,15% in de niet-gecontroleerde
subsidiepopulatie in het kader van begrotingsonderdeel 1804 – Grondrechten
en burgerschap. De
Commissie is tevreden over de actie die is ondernomen om mogelijke schending
van intellectuele-eigendomsrechten door haar diensten aan te pakken. De
Commissie betreurt dat de controles achteraf door het directoraat-generaal
Onderwijs en cultuur een verhoogd foutenpercentage hebben uitgewezen en dat het
punt van voorbehoud is uitgebreid tot twee door het uitvoerend agentschap
beheerde programma’s, ondanks de inspanningen die zijn geleverd om de
begunstigden beter te informeren over de vereisten. Zij verzoekt de diensten hun inspanningen op te voeren. De
Commissie erkent dat de ontwikkeling en het beheer van grootschalige
IT-systemen zoals SIS II en VIS problemen opleveren. Zij zal zich sterker inspannen om de governance te verbeteren en de
samenwerking met de belanghebbenden inzake SIS II te intensiveren. Zij zal de
politieke situatie in de lidstaten en Noord-Afrika nauwlettend volgen om
verdere vertraging bij het VIS te voorkomen.
3.6.
Economische en financiële zaken
De directeur-generaal Ondernemingen
en industrie maakte ook in 2010 een voorbehoud ten aanzien van de
betrouwbaarheid van de financiële verslaglegging door een gedelegeerde
instantie. De werkzaamheden ter
verbetering van het monitoring- en controlekader en de zwakheden bij de
aanbestedingsprocedures zijn aan de orde gekomen, zoals in 2009 aangekondigd. Bij de audit van de jaarrekeningen voor 2009 zijn
echter nog andere zwakheden van de internecontrolesystemen van de gedelegeerde
instantie aan het licht gekomen, waardoor twijfel is ontstaan over de
betrouwbaarheid van de financiële verslaglegging over 2010. Het is niet mogelijk de mogelijke impact te
kwantificeren, aangezien deze pas bekend zal zijn na de controle van de
financiële verslagen over 2010, die in 2011 zal plaatsvinden. Het
gezamenlijke beheer van EU-middelen zorgt voor bijzondere problemen. De Commissie heeft het secretariaat-generaal en
het directoraat-generaal Begroting opgedragen om samen met de verantwoordelijke
diensten de vaakst gesignaleerde problemen te onderzoeken en waar nodig
verbeteringen op het gebied van gezamenlijk beheer voor te stellen.
4.
Horizontale vraagstukken en oplossingen
4.1.
Kosteneffectiviteit van de controle
Overheidsuitgaven moeten
doeltreffend, efficiënt en op proportionele wijze worden gecontroleerd om de
burgers en hun vertegenwoordigers de nodige zekerheid te bieden. Er is echter een mate van controle waarboven
extra controles afbreuk doen aan het vereiste dat de programma’s doeltreffend
moeten zijn (als potentiële aanvragers om die reden besluiten geen EU-steun aan
te vragen) en/of het vereiste van goed financieel beheer. In 2010 heeft de Commissie
een mededeling goedgekeurd waarin voor de beleidsdomeinen Onderzoek,
energie en vervoer en Plattelandsontwikkeling wordt voorgesteld een “aanvaardbaar
foutenrisico” (AFR) te hanteren[16]. De aanleiding tot het AFR-initiatief was de
noodzaak om op algemeen aanvaardbare wijze duidelijkheid te verschaffen over de
juiste balans tussen risico en controle, rekening houdend met de meerwaarde die
investeringen door de EU op bepaalde terreinen bieden en met de noodzaak om de
kosten van de controlesystemen binnen aanvaardbare grenzen te houden. De interinstitutionele besprekingen over dit
thema zijn nog aan de gang. In de tussentijd verstrekken
de directoraten-generaal die werkzaam zijn op beleidsgebieden waarvoor de
Commissie al een voorstel heeft gepubliceerd, in hun jaarlijkse
activiteitenverslagen nadere informatie over de kosteneffectiviteit van de
controles. In deze analyses
worden de kosten van mogelijke extra controles afgewogen tegen de baten ervan,
d.w.z. de bedragen waarom het gaat bij mogelijk opgespoorde en gecorrigeerde
fouten. Deze analyse verandert niets
aan het materialiteitsniveau van 2% voor de wettigheid en regelmatigheid dat
momenteel van toepassing is, maar biedt de gedelegeerd ordonnateurs wel
waardevolle informatie over de vraag of de risico’s aanvullende controles
rechtvaardigen, rekening houdend met de beginselen van goed financieel beheer. De Commissie draagt de centrale diensten op
andere diensten bij te staan bij de verdere ontwikkeling (in hun jaarlijkse
activiteitenverslagen) van analyse en verslaglegging inzake de
kosteneffectiviteit van controles, en deze analyse uit te breiden tot andere
beleidsgebieden. De Commissie verzoekt de gedelegeerd
ordonnateurs de controlesystemen te laten aansluiten op de gesignaleerde
risico’s en de kosteneffectiviteit van de controles, overeenkomstig de nieuwe
vereisten die worden voorgesteld in het herziene Financieel Reglement[17], dat
naar verwachting in 2012 van kracht zal worden. De Commissie zal met de bevoegde autoriteiten in de lidstaten blijven
samenwerken om de controlesystemen zo doeltreffend en kosteneffectief mogelijk
te maken.
4.2.
Betere informatieverstrekking bij gedeeld beheer
over opschorting van betalingen, terugvorderingen en financiële correcties
4.2.1.
Informatie over onderbreking van
betalingsprocedures en opschorting van betalingen
De Commissie dringt er bij
haar diensten op aan de betalingsprocedures te onderbreken en
opschortingsprocedures voor te stellen wanneer dat noodzakelijk is en zodra aan
de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Met betrekking tot gedeeld
beheer heeft de Commissie de betalingsprocedures in een groeiend aantal
gevallen onderbroken of opgeschort, namelijk als er aanwijzingen waren voor significante
tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen, zoals bedoeld in de
artikelen 91 en 92 van Verordening (EG) nr. 1083/2006. De diensten die verrichtingen
uitvoeren onder gedeeld beheer hebben over alle besluiten tot
onderbreking/opschorting verslag uitgebracht in hun jaarlijkse
activiteitenverslag. De verstrekte
informatie omvat de operationele programma’s in kwestie, de betrokken
lidstaten, het soort zwakheden, de belangrijkste feiten die aan het besluit ten
grondslag lagen en de budgettaire impact van het besluit. Deze informatie is een belangrijk aspect van de te verschaffen
redelijke zekerheid. Na de invoering in 2010 van
het nieuwe onderbrekingsinstrument voor de programmeringsperiode 2007–2013
hebben de directeuren-generaal die op basis van gedeeld beheer werken, formele
besluiten tot onderbreking van betalingen genomen voor in totaal
2,6 miljard euro. Het College
heeft daarnaast zesmaal besloten tot opschorting van betaling. De
Commissie bevestigt dat de gedelegeerd ordonnateurs systematisch betalingen
zouden moeten onderbreken en het College voorstellen de procedures op te
schorten, wanneer aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan en totdat de
betrokken nationale autoriteiten de nodige correctiemaatregelen hebben genomen.
4.2.2.
Informatie van de lidstaten over door hen verrichte
financiële correcties en terugvorderingen
Het corrigeren van
onterecht betaalde bedragen is een belangrijk aspect van goed financieel
beheer. In 2010 zijn verdere
inspanningen verricht om waar nodig financiële correcties op te leggen, de
kwaliteit te verbeteren van de informatie die de lidstaten verstrekken over
financiële correcties en terugvorderingen, en de toepassing van beproefde
werkmethoden te bevorderen, om zo het mechanisme voor terugvordering op lidstaat-
en EU-niveau te verbeteren. Voor de uitgaven onder
gedeeld beheer wordt in de jaarlijkse activiteitenverslagen gedetailleerde
informatie verstrekt over financiële correcties die een lidstaat heeft
uitgevoerd en aan de Commissie heeft gemeld, en wordt een beoordeling gegeven
van de nationale controlesystemen (zie punt 4.2.4). Deze aanvullende informatie wordt verstrekt naar aanleiding van
verzoeken die door de kwijtingsrapporteur werden gedaan tijdens de besprekingen
over het kwijtingsbesluit van 2009. Bij het cohesiebeleid voeren
de lidstaten financiële correcties uit naar aanleiding van hun eigen
auditwerkzaamheden en audits die de EU verricht. Hierover wordt met één jaar vertraging verslag uitgebracht, dus in 2010
wordt bericht over de in 2009 verrichte correcties. Wat het regionaal beleid
betreft, hebben de lidstaten gemeld dat zij tot eind 2009 voor in totaal 3,6
miljard euro financiële correcties hebben uitgevoerd voor de programma’s
van 2000–2006 (waarvan 1,7 miljard euro terugvorderingen en 1,9 miljard euro
inhoudingen). Wat het
werkgelegenheidsbeleid betreft, hebben de lidstaten ten aanzien van de periode
2000–2009 gemeld dat zij voor in totaal 1,2 miljard euro financiële correcties
hebben uitgevoerd (waarvan 0,2 miljard euro terugvorderingen en 1,0 miljard
euro inhoudingen).
4.2.3.
Financiële correcties die de Commissie aan
lidstaten heeft opgedragen
Voor
de overige gemelde financiële correcties is door de Commissie
opdracht gegeven aan lidstaten. Het directoraat-generaal Regionaal beleid heeft voor in totaal 6,7
miljard euro financiële correcties gemeld die het gevolg zijn van door de EU
verrichte audits in de periode 2000–2010. Meer dan de helft van deze correcties werd verricht in de laatste drie
jaar van deze periode (3,9 miljard in 2008–2010). Het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie
heeft voor in totaal 1,5 miljard euro financiële correcties gemeld die het
gevolg zijn van door de EU verrichte audits. In het begrotingsjaar 2010 heeft het directoraat-generaal Landbouw voor
834 miljoen euro financiële correcties uitgevoerd naar aanleiding van door de
EU verrichte audits. Van de
financiële correcties die zijn overeengekomen of waartoe is beslist voor alle
programma’s in het kader van het cohesiebeleid samen, was eind 2010 al 97%
uitgevoerd (door middel van terugvorderingen of inhoudingen die de lidstaten
hebben toegepast op latere betalingsvorderingen). Sinds 2009 wordt in de
aantekeningen bij de jaarrekeningen van de Europese Unie uitgebreider
informatie opgenomen over financiële correcties waartoe de Commissie heeft
besloten en die in de loop van het jaar worden uitgevoerd, alsmede over
terugvorderingen. In de rekeningen
over 2010 zal deze informatie nog worden uitgebreid.
4.2.4.
Beoordeling van de controlesystemen van de
lidstaten
In 2010
werd voor de eerste maal in de jaarlijkse activiteitenverslagen de
beoordeling door de Commissie van de controlesystemen van elke lidstaat
aangegeven, rekening houdende met de verschillende zekerheidsniveaus per
programma in elke lidstaat. Het
aantal lidstaten waarvoor de beoordeling tot een voorbehoud leidde, was niet
voor alle beleidsgebieden hetzelfde: 12
lidstaten plus een aantal grensoverschrijdende programma’s voor het regionale
steunbeleid, 10 lidstaten voor het werkgelegenheidsbeleid, 4 lidstaten voor het
visserijbeleid en 3 lidstaten voor het landbouwbeleid. Ook wordt informatie gegeven over de wijze waarop de beoordeling van de
controlesystemen leidt tot de kwantificering die de directeuren-generaal
opstellen van het totale bedrag onder voorbehoud.
4.3.
Meer waarde toekennen aan de declaraties van de
bevoegde overheidsinstanties
In 2010 werd ten aanzien van
het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2007–2013 voor het eerst het “single
audit”-systeem volledig uitgevoerd. Zoals bij alle nieuwe systemen waren er enkele kinderziektes met
betrekking tot de betrouwbaarheid van de informatie die de rekenkamers van de
lidstaten verstrekten. De jaarlijkse
controleverslagen, uitgebracht eind 2010, hadden betrekking op de
resultaten van de audits die waren uitgevoerd tijdens de periode van juli 2009
tot en met juni 2010. Van de 460 uit
te brengen nationale auditadviezen bevatten er 14 een verklaring van
oordeelonthouding (207 in 2009), 265 waren zonder voorbehoud (108 in 2009), 175
waren met voorbehoud (93 in 2009), 5 waren negatief (2 in 2009) [18] en 1 is niet ontvangen. De Commissie heeft de ingediende auditadviezen
zorgvuldig geanalyseerd en waar nodig aangevuld met haar eigen beoordeling. Naarmate alle betrokkenen meer ervaring krijgen
met het systeem zal de betrouwbaarheid van de gemelde foutenpercentages naar
verwachting verbeteren. Meer verantwoordelijkheid
van de lidstaten voor de besteding van middelen onder gedeeld beheer is ook voorgesteld bij de driejaarlijkse herziening van het Financieel
Reglement. Daarbij werd voor alle instanties die met het beheer van EU-middelen
onder gedeeld beheer[19]
zijn belast, de verplichting ingevoerd om beheersverklaringen af te geven. Wat het landbouw- en
plattelandsontwikkelingsbeleid betreft, hebben alle 82 betaalorganen een
jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring afgegeven inzake de volledigheid, de
juistheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen, alsook een verklaring
dat er een systeem is dat redelijke zekerheid verschaft over de wettigheid en
de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Bovendien hebben de lidstaten met meer dan één betaalorgaan (met
uitzondering van Roemenië) overeenkomstig de wettelijke vereisten een jaarlijks
overzicht verstrekt. De omvang van de
in deze verklaringen en overzichten vermelde punten van voorbehoud wordt
uiteengezet in de desbetreffende jaarlijkse activiteitenverslagen; doorgaans
zijn de punten van voorbehoud niet van materiële aard. De
Commissie heeft een externe toetsing van de jaarlijkse overzichten van de
lidstaten laten verrichten, die zij recentelijk aan de andere instellingen ter
beschikking heeft gesteld. De
conclusie van de studie luidt dat het jaarlijkse overzicht in zijn huidige vorm
weinig meerwaarde biedt. De Commissie gaat door met het organiseren
van jaarlijkse ontmoetingen zoals die van de “Homologues Group”[20],
bilaterale controlecoördinatievergaderingen, jaarlijkse managementbijeenkomsten
en opleidingsactiviteiten. Om de
verantwoordingsplicht van de lidstaten overeenkomstig artikel 17 VWEU verder
aan te scherpen, heeft de Commissie in haar voorstel voor de driejaarlijkse
herziening van het Financieel Reglement het vereiste opgenomen dat de in de
lidstaten erkende verantwoordelijke organen voor alle middelen onder gedeeld
beheer jaarlijkse beheersverklaringen afgeven. Hoewel
dat geen formeel wettelijk vereiste is, geven vier lidstaten[21] ook nationale verklaringen op hoog
niveau af. De nationale verklaring is
een waardevol middel om de controle- en verantwoordingsstructuren transparanter
te maken. Het doel is niet om extra
informatie te verschaffen buiten die welke al in de bestaande verslagen is
opgenomen.
4.4.
Vereenvoudiging en verlichting van de
administratieve lasten
De complexiteit van de regels
die bepalen welke kosten voor financiering in aanmerking komen, waaronder de
regel dat alleen werkelijk gemaakte kosten worden vergoed, is vaak aanleiding
voor de door de gedelegeerd ordonnateurs gemaakte punten van voorbehoud. Al jarenlang leidt deze complexiteit tot een
voorbehoud in het hoofdstuk Onderzoek, energie en vervoer en levert zij
problemen op voor sommige uitgavencategorieën in de hoofdstukken Cohesiebeleid
en Onderwijs en burgerschap.
4.4.1.
Herziening van het Financieel Reglement en de
uitvoeringsbepalingen
De Commissie heeft de
driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement in 2010 benut om de
financiële regels aan te passen. De
aanpassing had drie doelen: vereenvoudiging
van de regels, met name voor subsidiebeheer, door het gebruik van vaste
bedragen, forfaitaire tarieven en schalen voor eenheidskosten uit te breiden; versterking van de hefboomwerking van de
EU-financiering door gebruik te maken van EU-trustfondsen,
financieringsinstrumenten en publiek-private partnerschappen, en versterking
van de verantwoordingsplicht van de Commissie en de uitvoerende partners door
de beheersmethoden te harmoniseren en de bepalingen ervan te verscherpen. Als
volgende stap kan van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om de sectorale
wetgeving in dezelfde zin te wijzigen. Er is een interdepartementale werkgroep opgericht die moet
toezien op de samenhang tussen de bepalingen van het Financieel Reglement en de
sectorale wetgeving. Het
eindresultaat moet aan drie criteria voldoen: a) vermindering van het foutenrisico, b) verlichting van de
administratieve lasten voor de begunstigden (met name kleine en middelgrote
bedrijven) en andere belanghebbenden (zoals uitvoeringsorganen en
contractanten) en c) verlaging van de operationele kosten van de controles. De
Commissie dringt er bij de andere instellingen op aan positief te reageren op
haar voorstel voor de driejaarlijkse herziening van het Financieel Reglement.
4.4.2.
Regels voor subsidies en overheidsopdrachten
Een verkeerde toepassing van
de wetgeving op het gebied van overheidsopdrachten is een van de meest
voorkomende oorzaken van fouten in het hoofdstuk Cohesie. De Commissie heeft een groenboek gepresenteerd
over de modernisering van het EU-beleid inzake overheidsopdrachten[22], met het oogmerk de besteding van geld voor
opdrachten te optimaliseren. De resultaten van de raadpleging
over het groenboek zullen samen met de resultaten van de economische evaluatie
van de effectiviteit van de huidige regels als input dienen voor de discussie
over de wijze waarop de EU-regels precies kunnen worden verbeterd. Er is een wetgevingsvoorstel aangekondigd voor
eind 2011 in het kader van de Single Market Act. Vooral bij het regionaal
beleid zijn onregelmatigheden geconstateerd als gevolg van onjuiste toepassing
van de regels voor overheidsopdrachten, alsook zwakke punten inzake de
opsporing van dergelijke onregelmatigheden door middel van beheerscontroles. Er zijn maatregelen gepland om deze foutenoorzaak
aan te pakken, met name door grondige analyse en bespreking met de betrokken
beheersautoriteiten in de betrokken lidstaten. Het is de bedoeling de overheidsinstanties aanvullende specifieke
richtsnoeren en opleiding te verstrekken om de bestuurlijke capaciteit waar
nodig te versterken.
4.5.
Een bedrijfsstrategie voor
beheersinformatiesystemen
Uit de audits die de dienst
Interne audit de afgelopen jaren heeft verricht met betrekking tot
grootschalige en bedrijfsmatige IT-systemen is gebleken dat de processen voor
strategische besluitvorming, gunning van opdrachten en projectbeheer op
IT-gebied op zowel DG- als Commissieniveau moeten worden verbeterd. Dat moet
ertoe leiden dat IT-projecten met de doelstellingen van de Commissie sporen,
beter worden gecoördineerd, waar voor hun geld bieden en succesvol en tijdig
worden uitgevoerd. In 2010 is een
interdepartementale taskforce opgericht met de opdracht de huidige IT-situatie
bij de Commissie te onderzoeken. De
bevindingen van deze taskforce zijn in een mededeling aan de Commissie formeel
goedgekeurd[23]. Om hieraan gevolg te geven is een nieuw IT-beleid
opgezet. De nieuwe ABM+IT-stuurgroep[24] moet een IT-bedrijfsstrategie voor de
Commissie voorstellen, toezicht houden op de stroomlijning en harmonisatie
van IT-projecten en doelstellingen vaststellen voor efficiëntiewinst en
IT-zekerheid en ‑beveiliging. Om de paraatheid te vergroten
en een gecoördineerde respons op cyberaanvallen tegen de Commissie mogelijk te
maken, heeft het directoraat-generaal Personele middelen en beveiliging in
samenwerking met het directoraat-generaal Informatica een responsteam voor
cyberaanvallen (CART) opgezet.
4.6.
Personeel
De Commissie ziet sinds 2008
systematisch toe op beheersing van de personeelswerving door per
directoraat-generaal en per functiegroep streefcijfers vast te stellen en door
een monitoringsysteem toe te passen, dat de geografische balans na de
uitbreiding van 2004 moet aanpassen en tot een evenwichtige verdeling over de
verschillende diensten moet leiden. De
overgangsperiode voor de aanwerving van personeel uit de EU-10 is op 31
december 2010 afgelopen. De
doelstelling voor de aanwerving van personeel uit de EU-10 was in 2008 al
gehaald, hoewel het aantal tijdelijke functionarissen nog relatief groot is. Het percentage tijdelijke functionarissen nam in
2010 gestaag af door de aanwerving van personen die met succes hebben
deelgenomen aan speciaal op kandidaten uit de EU-10 gerichte interne en open
vergelijkende onderzoeken. Naar
analogie met de EU-10 werden in 2009 aanwervingsdoelstellingen en een
monitoringsysteem vastgesteld voor de EU-2. Deze zullen tot het einde van de
overgangsperiode voor de EU-2 (2011) gehandhaafd blijven. In deze tijden van nulgroei
moeten nieuwe politieke prioriteiten worden verwezenlijkt door optimale
toewijzing van personeelsleden en interne overplaatsing. Door gerichte maatregelen op deze gebieden kon in
het jaarlijkse screeningverslag 2009 en het geactualiseerde verslag over 2010
een gestage daling worden geconstateerd van het aandeel van het
Commissiepersoneel dat in administratieve en ondersteunende functies werkzaam
is. De
Commissie blijft ernaar streven de overhead terug te dringen en de opbrengst
van bezuinigingen te gebruiken voor kernactiviteiten. Samenvatting –
De Commissie constateert dat de gedelegeerd
ordonnateurs erin zijn geslaagd om voor 25% van de vorig jaar geformuleerde
punten van voorbehoud de tekortkomingen te verbeteren. De verbeteringen houden onder meer in dat de subsidiabiliteitsregels
voor door subsidiebegunstigden gedeclareerde uitgaven beter worden nageleefd. –
Er is nog ruimte voor verbetering, vooral op
sommige gebieden die onder het gedeeld beheer vallen. De Commissie zal samenwerken met de lidstaten, die in het kader van
artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie meer
bevoegdheden hebben gekregen. Zij
verzoekt de lidstaten de beheers- en controlesystemen te verbeteren, met name
de primaire beheerscontroles, voordat zij uitgaven certificeren voor de
Commissie. De Commissie zal haar taak
als toezichthouder rigoureus blijven uitvoeren en van de lidstaten vragen dat
zij de zwakste punten van hun beheers- en controlesystemen aanpakken. Ook zal
de Commissie systematisch en tijdig, telkens als dat nodig is, betalingen
onderbreken of opschorten en financiële correcties toepassen. De Commissie roept de andere instellingen op het
voorstel te steunen dat zij in het kader van de herziening van het Financieel Reglement
heeft gedaan om voor alle middelen onder gedeeld beheer jaarlijkse
beheersverklaringen af te geven, en nodigt de lidstaten uit om deze bepalingen
nu al toe te passen, nog voordat zij formeel in werking zijn getreden. –
De Commissie is zich ervan bewust dat de
ingewikkelde regels voor subsidies tot problemen leiden. Zij heeft in het kader van de driejaarlijkse herziening van het
Financieel Reglement voorstellen ingediend om de subsidieregels te
vereenvoudigen en werkt nu aan sectorale wetgeving om deze vereenvoudigingen in
praktijk te brengen. –
De EU-regels voor overheidsopdrachten moeten worden
gemoderniseerd. De Commissie heeft
een groenboek gepresenteerd over de modernisering van het EU-beleid inzake
overheidsopdrachten[25], waarin een groot
aantal mogelijke aspecten van de komende wetgevingshervorming wordt belicht. De Commissie heeft aangekondigd dat zij eind 2011
een wetgevingsvoorstel zal indienen voor de herziening van de richtlijnen
inzake overheidsopdrachten. –
De Commissie verzoekt de overige instellingen en de
lidstaten om de besprekingen over het volgende meerjarig financieel kader te
baat te nemen voor een verbetering van de opzet van de financieringsregelingen,
met inbegrip van de betrokken uitvoerings-, beheers- en controlemechanismen,
teneinde tot doeltreffender resultaten te komen en te waarborgen dat de
controle van de EU-uitgaven efficiënt, evenredig en kosteneffectief is. –
De Commissie merkt op dat bij de meeste programma’s
en instanties in het kader van het cohesiebeleid nu projecten daadwerkelijk in
uitvoering zijn waarvoor uitgaven worden gedeclareerd. Hoewel cohesieprogramma’s van nature meerjarig zijn, werd door dit
grotere aantal verrichtingen in 2010 tevens het inherente foutenrisico
vergroot. Voor het gehele
cohesiebeleid werd in het verslagjaar een aanzienlijke stijging geconstateerd
van het foutenpercentage en de omvang van foutieve betalingen. De punten van voorbehoud die het
directoraat-generaal Regionaal beleid in 2010 heeft opgenomen, hebben
betrekking op een groter aantal operationele programma’s in meer lidstaten dan
de voorgaande jaren. De punten van
voorbehoud van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en
inclusie hadden betrekking op een kleiner aantal operationele programma’s dan
in 2009, maar in meer lidstaten (43 programma’s onder voorbehoud, behorende tot
zowel de programmeringsperiode 2000–2006 als de programmeringsperiode
2007–2013, in 10 lidstaten, tegen 59 programma’s in 7 lidstaten in 2009). Het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale
zaken en inclusie maakte in 2010 bovendien gebruik van de door de
auditinstanties van de lidstaten gemelde foutenpercentages, wanneer deze van
voldoende kwaliteit werden geacht. Deze
aanpak verklaart voor een deel de verschillen met de door de Europese
Rekenkamer gemelde foutenpercentages. –
De Commissie is verheugd over het initiatief van
Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk om vrijwillig
nationale beheersverklaringen op te stellen. De Commissie heeft in 2010 een werkdocument[26]
van haar diensten uitgebracht waarin de reikwijdte en de inhoud van de
vrijwillige nationale verklaringen in detail worden besproken. In dat document verstrekt de Commissie
overheidsinstanties tevens technische richtsnoeren om de verklaringen een
meerwaarde te geven en meer zekerheid te verschaffen over de uitvoering van
maatregelen onder gedeeld beheer. Het
document is op 23 februari 2011 gezonden aan het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie. In de
richtsnoeren wordt echter geconcludeerd dat het voorstel van de Commissie voor
jaarlijkse door de geaccrediteerde organen ondertekende beheersverklaringen
(dat zij in het kader van de herziening van het Financieel Reglement heeft
gedaan) een eerste stap is die meer praktisch nut heeft. Dit standpunt wordt bevestigd door de recente externe evaluatie van de
jaarlijkse overzichten, waarin wordt geconcludeerd dat deze overzichten in hun
huidige vorm weinig meerwaarde bieden voor het proces van de Commissie voor het
verschaffen van zekerheid. [1] PB C 303 van 9.11.2010, punten 1.27–1.31. [2] Artikel 317 van het VWEU. [3] Artikel 60 van het Financieel Reglement. [4] Het besluit tot oprichting van de EDEO werd op 22 april bij de Raad
ingediend. Daarna moesten wijzigingen
te worden aangebracht in het Financieel Reglement en het statuut van de
ambtenaren, en moest een gewijzigde begroting worden vastgesteld. [5] Verordening (EU, Euratom) nr. 1081/2010 van 24 november 2010. [6] De portefeuilles werden door de gekozen voorzitter bekendgemaakt op 27
november 2009. [7] Circulaire SEC(2002) 657 werd vervangen door SEC(2010) 1333, Section 3:
“Change of Directors General /Heads of Service/AOD and transfer/split of
activities between services” (wisseling van
directeuren-generaal/diensthoofden/gedelegeerd ordonnateurs en
overdracht/splitsing van activiteiten tussen diensten). [8] De directeur-generaal Personele middelen en beveiliging en de directeur
van het Europees Bureau voor personeelsselectie hebben dit niet vermeld in het
jaarlijkse activiteitenverslag zelf, maar in een notitie aan de centrale diensten. [9] A: de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse
activiteitenverslag geven een getrouwe beoordeling van het financieel beheer
met betrekking tot de regelmatigheid; B: de verklaring van de
directeur-generaal en het jaarlijkse activiteitenverslag geven een gedeeltelijk
getrouwe beoordeling van het financieel beheer met betrekking tot de
regelmatigheid; C: de verklaring van de directeur-generaal en het jaarlijkse
activiteitenverslag geven geen getrouwe beoordeling van het financieel beheer
met betrekking tot de regelmatigheid (PB C 303 van 9.11.2010, blz. 88). [10] Dit aantal is aangepast in verband met de oprichting van het
directoraat-generaal Mobiliteit en vervoer en het directoraat-generaal Energie. Vorig jaar werd het punt van voorbehoud van het
directoraat-generaal Vervoer en energie slechts voor één geteld in het
syntheseverslag over 2009. [11] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de
Rekenkamer: Effecten van het actieplan ter versterking van de
toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeeld beheer van
structurele acties (COM(2008) 52 van 18.2.2010). [12] Zogenoemde “forfaitaire financiële correcties”. [13] Het meerjarige restfoutenpercentage is een maat voor de reële impact
van een fout op de begroting van de EU, met inachtneming van correcties en
invorderingen, ook wanneer die in volgende jaren worden verricht. [14] C(2011) 174 final: Commission Decision of
24.1.2011 on three measures for simplifying the implementation of Decision No
1982/2006/EC of the European Parliament and of the Council and Council Decision
No 970/2006/Euratom and amending Decisions C(2007) 1509 and C(2007) 1625. [15] COM(2010) 187 van 29.4.2010. [16] COM(2010) 261 van 26.5.2010. [17] COM(2010) 815, artikel 63, lid 2. [18] In vier gevallen werd “niet van toepassing” aangegeven, omdat de
conformiteitsevaluatie nog niet was goedgekeurd. [19] Bij de uitgaven onder gedeeld beheer gaat het voornamelijk om
structuur- en landbouwuitgaven. [20] Contactgroep voor samenwerking met de auditinstanties van de lidstaten,
de Commissie en de Europese Rekenkamer. [21] Nationale verklaringen (van de regering) zijn ondertekend door de
ministers van Financiën van Nederland en Zweden, de vaste secretaris van de Treasury van het Verenigd Koninkrijk en de auditeur-generaal van Denemarken. [22] Met een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van de momenteel geldende
richtlijnen van de EU (2004/17/EG en 2004/18/EG). [23] SEC(2010) 1182 van 7.10.2010: Getting the Best from IT in the
Commission. [24] Een IT-stuurgroep voor activiteitsgestuurd management, voorgezeten door
de secretaris-generaal. [25] Groenboek betreffende de modernisering van de EU-richtlijnen voor
overheidsopdrachten (2004/17/EG en 2004/18/EG). [26] Werkdocument van de diensten van de Commissie: Adding value to
Declarations: increasing
assurance on execution in shared management (SEC(2011)
250 van 23.2.2011).