This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52010PC0470
Proposal for a COUNCIL REGULATION fixing for 2011 the fishing opportunities for certain fish stocks and groups of fish stocks applicable in the Baltic Sea
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn
/* COM/2010/0470 def. - NLE 2010/0247 */
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn /* COM/2010/0470 def. - NLE 2010/0247 */
NL Brussel, 14.9.2010 COM(2010) 470 definitief 2010/0247 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn TOELICHTING 1. Achtergrond van het voorstel 110 · Motivering en doel van het voorstel Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet het GVB zorgen voor een vanuit economisch, ecologisch en sociaal oogpunt duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen. Een belangrijk instrument in dit verband is de jaarlijkse vaststelling van de vangstmogelijkheden in de vorm van totaal toegestane vangsten (total allowable catches, TAC’s), quota en beperkingen van de visserijinspanning. Het doel van dit voorstel is het vaststellen van de voor 2011 geldende vangstmogelijkheden van de lidstaten wat betreft de in commercieel opzicht belangrijkste visbestanden in de Oostzee. · Algemene context In de mededeling van de Commissie betreffende de raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2011 (COM(2010) 241 definitief) wordt de achtergrond van het voorstel geschetst. Met het oog op de vereenvoudiging en de verduidelijking van de jaarlijkse besluiten inzake TAC's en quota worden de vangstmogelijkheden in de Oostzee sinds 2006 bij een afzonderlijke verordening vastgesteld: Verordening (EG) nr. 52/2006 van de Raad van 22 december 2005 tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften. De Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea, ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) hebben, respectievelijk in mei 2010 en in juni 2010, wetenschappelijk advies gegeven met betrekking tot de vangstmogelijkheden in de Oostzee in 2011. Het voorstel bevat twee delen die voor het beheer van de visserij in de Oostzee in 2011 van belang zijn: het eerste deel betreft de vaststelling van de TAC's en quota, en het tweede de beperking van de visserijinspanning. · Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De vangstmogelijkheden en de verdeling daarvan over de lidstaten worden jaarlijks vastgesteld. Het meest recent is dit gebeurd bij Verordening (EG) nr. 1226/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften. Eveneens relevant voor het beheer van de visserij in de Oostzee is Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98. Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 bevat de controle- en toezichtsmaatregelen voor het herstel van de betrokken kabeljauwbestanden. Bovendien bevat die verordening regels voor de vaststelling van de TAC's voor de westelijke en de oostelijke kabeljauwbestanden en de bij de visserij op die bestanden in acht te nemen beperkingen van de visserijinspanning. · Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met de doelstellingen en voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en met het beleid van de Unie inzake duurzame ontwikkeling. 2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling · Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen De geraadpleegde wetenschappelijke organisaties zijn de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV). De Unie verzoekt de ICES en het WTECV elk jaar om wetenschappelijk advies over de toestand van belangrijke visbestanden. Het verstrekte advies heeft betrekking op alle bestanden in de Oostzee waarvoor TAC's worden voorgesteld, met uitzondering van schol en haring in deelsector 31, waarover dit jaar geen advies werd gegeven omdat de beschikbare gegevens niet volstonden voor een beoordeling van de bestandstendensen. · Raadpleging van belanghebbende partijen Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2011 is de regionale adviesraad voor de Oostzee (RAR-Oostzee) in juni 2010 geraadpleegd tijdens de vergadering van zijn werkgroep voor de demersale, zalm- en pelagische visserij. De wetenschappelijke basis voor het voorstel is aangeleverd door de ICES en het WTECV. DG MARE heeft uiteengezet welke regels het op basis van de beleidsverklaring zou volgen bij de vaststelling van de TAC's en quota voor 2011. Tijdens die vergadering zijn voorlopige standpunten ingenomen. De daaruit voortvloeiende schriftelijke aanbevelingen voor alle behandelde visbestanden zijn in overweging genomen en waar mogelijk in het voorstel verwerkt voor zover deze niet indruisten tegen het bestaande beleid of konden leiden tot een verslechtering van de toestand van kwetsbare bestanden. De RAR-Oostzee steunt de toepassing van het meerjarenplan voor kabeljauw wat de vaststelling van de TAC's betreft, maar stemt niet in met de geleidelijke aanpassing van de visserijinspanning als gevolg van de toepassing van het plan. Bovendien is de RAR-Oostzee het er niet mee eens dat de TAC's in de richting van duurzame langetermijnniveaus worden aangepast wanneer de toestand van het bestand, volgens de RAR-Oostzee, stabiel is en het wetenschappelijk advies niet volstaat om verlagingen van bepaalde quota te rechtvaardigen. · Effectbeoordeling Door de uitvoering van de voorgestelde maatregelen zullen de vangstmogelijkheden, uitgedrukt in vangsthoeveelheden, voor EU-vissersvaartuigen in de Oostzee voor alle betrokken soorten afnemen met ca. 17 %. Voor een aantal haringbestanden en voor sprot is de verlaging gebaseerd op de afnemende rekrutering van de bestanden en op het feit dat de visserijsterfte boven de maximale duurzame opbrengst ligt of de voorzorgsniveaus overschrijdt. De meest significante economische impact zal komen van de verlaging van de TAC voor sprot als gevolg van het feit dat de bevissing van dit bestand boven de voorzorgsniveaus ligt. De TAC’s voor kabeljauw in de westelijke en de oostelijke Oostzee zijn overeenkomstig het meerjarenplan verhoogd. Het voorstel is niet alleen gericht op de korte termijn, maar past ook in de langeretermijnaanpak om de visserij geleidelijk tot een duurzaam niveau te reduceren. De voorgestelde benadering zal daarom op de middellange tot lange termijn resulteren in een verlaging van de visserijinspanning, maar op de lange termijn in stabiele of zelfs stijgende quota. Naar verwachting zal de aanpak op lange termijn minder gevolgen hebben voor het milieu vanwege de verlaging van visserijinspanning, het aantal vissersvaartuigen en/of de gemiddelde visserijinspanning per vaartuig en het onveranderd blijven of zelfs toenemen van de aangelande hoeveelheden. De duurzaamheid van de visserijactiviteiten zal op lange termijn toenemen. 3. Juridische elementen van het voorstel · Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en) Om de met het gemeenschappelijk visserijbeleid beoogde totstandbrenging van een biologisch, economisch en sociaal duurzame visserij te verwezenlijken, wordt in dit voorstel vastgesteld welke vangst- en inspanningsbeperkingen gelden voor de EU-visserij en voor internationale visserijactiviteiten waaraan EU-vaartuigen deelnemen. · Rechtsgrondslag Artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. · Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de EU, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. · Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Het GVB is een gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient de Raad maatregelen vast te stellen tot vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden. In de betrokken verordening van de Raad wordt bepaald hoe de vangstmogelijkheden aan de lidstaten worden toegewezen. Met inachtneming van artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 mogen de lidstaten deze mogelijkheden naar eigen goeddunken over de regio's en de marktdeelnemers verdelen. De lidstaten kunnen dus met een ruime mate aan vrijheid en conform het sociaaleconomische model van hun keuze beslissen hoe zij de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden benutten. Het voorstel heeft geen nieuwe financiële gevolgen voor de lidstaten. De Raad stelt elk jaar een verordening als de onderhavige vast, en de openbare en particuliere middelen voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening zijn dan ook reeds beschikbaar. · Keuze van instrumenten Voorgesteld(e) instrument(en): verordening. Dit is een voorstel voor visserijbeheer op basis van artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad. 4. Gevolgen voor de begroting Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. 5. Aanvullende informatie · Vereenvoudiging Het voorstel voorziet in vereenvoudiging van administratieve procedures voor overheidsinstanties (EU of nationaal), met name wat betreft de voorschriften op het gebied van inspanningsbeheer. · Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling Dit voorstel betreft een jaarlijkse verordening voor het jaar 2011 en bevat derhalve geen herzieningsclausule. · Gedetailleerde toelichting Dit voorstel behelst de vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn. De voorgestelde hoeveelheden zijn gebaseerd op wetenschappelijk advies, het overleg met de RAR-Oostzee en het kader voor de vaststelling van de TAC's en quota dat is uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende de raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2011. Gezien het voornemen van de Commissie om overeenkomstig het EU-beleid en de door de EU aangegane internationale verbintenissen een duurzaam gebruik van de visserijrijkdommen te garanderen en tegelijkertijd de vangstmogelijkheden stabiel te houden, worden de TAC's van jaar tot jaar zo min mogelijk gewijzigd voor zover dat mogelijk is in het licht van de toestand van de verschillende bestanden. De aan de lidstaten toegewezen TAC's en quota staan in bijlage I en de beperkingen van de visserijinspanning in bijlage II. In de voorgestelde TAC's en inspanningsbeperkingen voor kabeljauw is rekening gehouden met de geleidelijke benadering in het meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren. Het centrale element in dit plan is een geleidelijke verlaging van de visserijsterfte tot een op lange termijn duurzaam niveau dat zorgt voor het herstel van de bestanden en voor een grote en stabiele opbrengst. Om het herstel van de zalmbestanden in de Oostzee waar nodig te bevorderen, moeten aanvullende maatregelen voor het beheer van de mariene wateren en de binnenwateren worden vastgesteld. Er wordt een beheersplan voor zalm voorbereid. 2010/0247 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3, Gezien het voorstel van de Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) Conform artikel 43, lid 3, van het Verdrag, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden. (2) Krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [1] moet de Raad, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met name van verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), maatregelen vaststellen inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten. (3) De Raad dient de totaal toegestane vangsten (TAC's) vast te stellen per visserijtak of groep visserijtakken. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk bestand of elke visserij geniet, mede met inachtneming van de in Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijke visserijbeleid. Aan de vangstmogelijkheden moeten met het oog op een optimale en doeltreffende benutting bepaalde essentiële en functionele voorwaarden worden verbonden. (4) De TAC's dienen te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten, met dien verstande dat een gelijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd. In dit verband dient rekening te worden gehouden met de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbende partijen naar voren worden gebracht, met name tijdens de vergaderingen met het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur, en met de betrokken regionale adviesraden. (5) Voor bestanden waarvoor specifieke meerjarenplannen gelden, dienen de vangstmogelijkheden overeenkomstig de in die plannen vervatte voorschriften te worden vastgesteld. Bijgevolg moeten de vangstbeperkingen en de beperkingen van de visserijinspanning voor de kabeljauwbestanden worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren [2]. (6) De in de onderhavige verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen [3], en met name de artikelen 33 en 34 over, respectievelijk, de registratie van de vangsten en de visserijinspanning en de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. (7) Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota [4] moet worden bepaald voor welke bestanden de verschillende, in die verordening bedoelde maatregelen worden toegepast. (8) Om het inkomen van de vissers in de EU veilig te stellen, is het belangrijk dat deze visserijtakken op 1 januari 2011 met hun activiteiten van start kunnen gaan. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Toepassingsgebied en definities Artikel 1 Onderwerp Bij deze verordening wordt vastgesteld welke vangstmogelijkheden in 2011 in de Oostzee van toepassing zijn op bepaalde visbestanden en groepen visbestanden. Artikel 2 Toepassingsgebied Deze verordening is van toepassing op in de Oostzee vissende vaartuigen van de EU. Artikel 3 Definities Naast de definities in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn voor de toepassing van deze verordening de volgende definities van toepassing: a) "de zones van de ICES" (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, International Council for the Exploration of the Sea): de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2187/2005 afgebakende geografische zones; b) "de Oostzee": ICES-deelsectoren 22-32; c) “vaartuigen van de EU”: vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren en in de Unie zijn geregistreerd; d) "totaal toegestane vangsten (TAC's)": de hoeveelheid die per bestand per jaar mag worden gevangen; e) "quotum": een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land; f) "buitengaats doorgebrachte dag": elke ononderbroken periode van 24 uur of een gedeelte van die periode, waarin het vaartuig zich niet in de haven bevindt. HOOFDSTUK II Vangstmogelijkheden Artikel 4 Vangstmogelijkheden en toewijzingen De vangstmogelijkheden, de toewijzing daarvan aan de lidstaten en de aanvullende voorwaarden als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96, zijn vastgesteld in bijlage I bij de onderhavige verordening. Artikel 5 Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen 1. De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig bijlage I aan de lidstaten toegewezen onverminderd: a) het ruilen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002; b) nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009; c) het aanlanden van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96; d) het inhouden van hoeveelheden op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96; e) verminderingen of kortingen op grond van de artikelen 37, 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. 2. Tenzij anders vermeld in bijlage I bij de onderhavige verordening is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor voorzorgs-TAC's zijn vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor analytische TAC's zijn vastgesteld. Artikel 6 Voorwaarden voor de aanlanding van vangsten en bijvangsten Vis van bestanden waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangeland mits: a) die vis is gevangen met vaartuigen van een lidstaat die een quotum heeft en dat quotum nog niet is opgebruikt; of b) die vis deel uitmaakt van een quotum van de Unie dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat quotum nog niet is opgebruikt. Artikel 7 Beperkingen van de visserijinspanning 1. De beperkingen van de visserijinspanning zijn vastgesteld in bijlage II. 2. De in lid 1 bedoelde beperkingen gelden voor de ICES-deelsectoren 27 en 28.2, voor zover de Commissie niet overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1098/2007 heeft besloten deze deelsectoren uit te sluiten van de beperkingen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), en leden 3, 4 en 5, en artikel 13 van die verordening. 3. De in lid 1 bedoelde beperkingen zijn niet van toepassing op ICES-deelsector 28.1, voor zover de Commissie niet overeenkomstig artikel 29, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1098/2007 heeft besloten dat de beperkingen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), en leden 3, 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van toepassing zijn op die deelsector. HOOFDSTUK III Slotbepalingen Artikel 8 Gegevensverstrekking Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes. Artikel 9 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2011. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE I Naar soort en gebied uitgesplitste vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen in gebieden waar vangstbeperkingen gelden Onderstaande tabellen bevatten de TAC’s en quota (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) per bestand, en de daaraan verbonden voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de quota. Tenzij anders bepaald zijn de verwijzingen naar visserijzones verwijzingen naar ICES-zones. Per gebied staan de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de vissoort. In de onderstaande overzichtstabel staan naast de in deze verordening gebruikte wetenschappelijke namen de corresponderende gewone namen vermeld: Wetenschappelijke naam | Drielettercode | Gewone naam | Clupea harengus | HER | Haring | Gadus morhua | COD | Kabeljauw | Platichthys flesus | FLE | Bot | Pleuronectes platessa | PLE | Schol | Psetta maxima | TUR | Tarbot | Salmo salar | SAL | Atlantische zalm | Sprattus sprattus | SPR | Sprot | Soort: | Haring | | Gebied: | Deelsectoren 30-31 | | | | Clupea harengus | | HER/3D30.; HER/3D31. | Finland | 74 607 | (1) | Analytische TAC | Zweden | 16 393 | (2) | | EU | 91 000 | (3) | | | | | | TAC | 91 000 | | | | | | | (1) Vangsten in deelsector 31 zijn beperkt tot 2 460 ton.(2) Vangsten in deelsector 31 zijn beperkt tot 540 ton.(3) Vangsten in deelsector 31 zijn beperkt tot 3 000 ton. | | Soort: | Haring | | Gebied: | Deelsectoren 22-24 | | Clupea harengus | | HER/3B23.; HER/3C22.; HER/3D24. | | Denemarken | 2 227 | | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 8 763 | | | Finland | 1 | | | Polen | 2 067 | | | Zweden | 2 826 | | | | | | | EU | 15 884 | | | | | | | TAC | 15 884 | | | | | | | | Soort: | Haring | | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32 | | Clupea harengus | | HER/3D25.; HER/3D26.; HER/3D27.; HER/3D28.; HER/3D29.; HER/3D32. | | Denemarken | 2 016 | | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 535 | | | Estland | 10 295 | | | Finland | 20 097 | | | Letland | 2 541 | | | Litouwen | 2 675 | | | Polen | 22 831 | | | Zweden | 30 650 | | | | | | | EU | 91 640 | | | | | | | TAC | Niet relevant | | | Soort: | Haring | | Gebied: | Deelsector 28.1 | | Clupea harengus | | HER/03D.RG | | | | Estland | 15 082 | | Analytische TAC | Letland | 17 578 | | | | | | | EU | 32 660 | | | | | | | TAC | 32 660 | | | | | | | | Soort | Kabeljauw | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 25-32 | | Gadus morhua | | COD/3D25.; COD/3D26.; COD/3D27.; COD/3D28.; COD/3D29.; COD/3D30.; COD/3D31.; COD/3D32. | Denemarken | 13 544 | | Analytische TAC | Duitsland | 5 388 | | | Estland | 1 320 | | | Finland | 1 036 | | | Letland | 5 036 | | | Litouwen | 3 318 | | | Polen | 15 595 | | | Zweden | 13 721 | | | | | | | EU | 58 957 | | | | | | | TAC | Niet relevant | | | | | | | Soort: | Kabeljauw | | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 22-24 | | | Gadus morhua | | COD/3B23.; COD/3C22.; COD/3D24. | Denemarken | 8 206 | | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 4 012 | | | Estland | 182 | | | Finland | 161 | | | Letland | 679 | | | Litouwen | 440 | | | Polen | 2 196 | | | Zweden | 2 924 | | | | | | | EU | 18 800 | | | | | | | TAC | 18 800 | | | Soort: | Schol | | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 22-32 | | | Pleuronectes platessa | | PLE/3B23.; PLE/3C22.; PLE/3D24.; PLE/3D25.; PLE/3D26.; PLE/3D27.; PLE/3D28.; PLE/3D29.; PLE/3D30.; PLE/3D31.; PLE/3D32. | Denemarken | 2 179 | | Voorzorgs-TACArtikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 242 | | | Polen | 456 | | | Zweden | 164 | | | EU | 3 041 | | | | | | | TAC | 3 041 | | | | Soort: | Atlantische zalm | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 22-31 | | Salmo salar | | SAL/3B23.; SAL/3C22.; SAL/3D24.; SAL/3D25.; SAL/3D26.; SAL/3D27.; SAL/3D28.; SAL/3D29.; SAL/3D30.; SAL/3D31. | Denemarken | 51 829 | (1) | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 5 767 | (1) | | Estland | 5 267 | (1) | | Finland | 64 627 | (1) | | Letland | 32 965 | (1) | | Litouwen | 3 875 | (1) | | Polen | 15 723 | (1) | | Zweden | 70 056 | (1) | | | | | | EU | 250 109 | (1) | | | | | | TAC | Niet relevant | | __________ | | | | (1) Aantal stuks | | | | | | Soort: | Atlantische zalm | Gebied: | EU-wateren van deelsector 32 | | Salmo salar | | SAL/3D32. | | | | Estland | 1 581 | (1) | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Finland | 13 838 | (1) | | | | | | EU | 15 419 | (1) | | | | | | TAC | Niet relevant | | _________ | | | | (1) Aantal stuks | Soort: | Sprot | | Gebied: | EU-wateren van deelsectoren 22-32 | | | Sprattus sprattus | | SPR/3B23.; SPR/3C22.; SPR/3D24.; SPR/3D25.; SPR/3D26.; SPR/3D27.; SPR/3D28.; SPR/3D29.; SPR/3D30.; SPR/3D31.; SPR/3D32. | Denemarken | 26 236 | | Analytische TACArtikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. | Duitsland | 16 621 | | | Estland | 30 466 | | | Finland | 13 734 | | | Letland | 36 796 | | | Litouwen | 13 310 | | | Polen | 78 087 | | | Zweden | 50 719 | | | | | | | EU | 265 969 | | | | | | | TAC | Niet relevant | | BIJLAGE II Beperkingen van de visserijinspanning 1. De lidstaten zien erop toe dat de visserij door onder hun vlag varende vissersvaartuigen met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk vistuig met een maaswijdte van 90 mm of meer, met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten met een maaswijdte van 90 mm of meer, met geankerde beugen, beuglijnen met uitzondering van vrije beuglijnen, met handlijnen of de peur, slechts wordt toegestaan gedurende ten hoogste: a) 163 buitengaats doorgebrachte dagen in de deelsectoren 22-24, met uitzondering van de periode van 1 tot en met 30 april wanneer artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van toepassing is, en b) 160 buitengaats doorgebrachte dagen in de deelsectoren 25-28, met uitzondering van de periode van 1 juli tot en met 31 augustus wanneer artikel 8, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van toepassing is. 2. Het maximale aantal buitengaats doorgebrachte dagen per jaar gedurende welke een vaartuig zich in de in punt 1, onder a) en onder b), omschreven gebieden mag bevinden en daar met het in punt 1 bedoelde vistuig mag vissen, mag niet meer bedragen dan het maximale aantal dagen dat voor een van de twee gebieden is toegekend. [1] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [2] PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1. [3] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1. [4] PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3. --------------------------------------------------