This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52010PC0440
Recommendation for a COUNCIL DECISION amending Council Decision 2010/320/EU of 10 May 2010 addressed to Greece with a view to reinforcing and deepening the fiscal surveillance and giving notice to take measures for the deficit reduction judged necessary to remedy the situation of excessive deficit
Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen
Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen
/* COM (2010) 0440 final */
Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen /* COM (2010) 0440 final */
[pic] | EUROPESE COMMISSIE | Brussel, 19.8.2010 COM(2010) 440 definitief Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen Aanbeveling voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 126, lid 9, en artikel 136, Gezien de aanbeveling van de Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) Artikel 136, lid 1, onder a), VWEU voorziet in de mogelijkheid specifieke maatregelen ter versterking van de coördinatie en de bewaking van de begrotingsdiscipline vast te stellen voor de lidstaten die de euro als munt hebben. (2) Overeenkomstig artikel 126 VWEU dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden. Daartoe is in datzelfde artikel een buitensporigtekortprocedure vastgelegd. Het stabiliteits- en groeipact, waarvan het correctieve deel bestaat in de tenuitvoerlegging van de buitensporigtekortprocedure, verschaft een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt. (3) Op 27 april 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestond. (4) Op 10 mei 2010 heeft de Raad krachtens artikel 126, lid 9, en artikel 136, een besluit aangenomen, gericht tot Griekenland, met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om uiterlijk in 2014 maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen[1]. De Raad stelde het volgende traject voor de correctie van het tekort vast: overheidstekorten van minder dan 8% van het bbp in 2010, 7,6% van het bbp in 2011, 6,5% van het bbp in 2012, 4,9% van het bbp in 2013 en 2,6% van het bbp in 2014. (5) Volgens de prognoses die ten tijde van de aanneming door de Raad van voornoemd besluit beschikbaar waren, zou het reële bbp in 2010 met 4% en in 2011 met 2,6% krimpen, en zich nadien herstellen met groeicijfers van 1,1% in 2012 en 2,1% in 2013 en 2014. Verwacht werd dat de bbp-deflator in de periode 2010-2014 op achtereenvolgens 1,2%, -0,5%, 1,0%, 0,7% en 1,0% zou uitkomen. Gezien de economische ontwikkelingen die zich inmiddels hebben voorgedaan, worden de bovengenoemde cijfers voor de reële bbp-groei gehandhaafd als basisscenario met evenwichtige opwaartse en neerwaartse risico's, terwijl de deflator voor de eerste jaren momenteel aanzienlijk hoger wordt geraamd: achtereenvolgens 3½%, 1¼% en ½% in de periode 2010-2012. (6) Griekenland heeft goede vooruitgang geboekt bij de tenuitvoerlegging van de bij het besluit van de Raad opgelegde maatregelen. Op verscheidene terreinen zijn maatregelen getroffen voordat zulks werd verlangd. Dit was met name het geval op het gebied van pensioenhervorming, hervorming van de lokale overheidsdiensten en bekendmaking van maandelijkse gegevens over de overheidsontvangsten en -uitgaven. Op elk van deze terreinen zijn evenwel nog steeds diverse aanpassingen vereist. (7) Op 6 augustus 2010 heeft Griekenland bij de Raad en de Commissie een verslag ingediend waarin een beschrijving wordt gegeven van de beleidsmaatregelen die zijn genomen om aan het bepaalde in Besluit 2010/320/EU gevolg te geven. De Commissie heeft het verslag geëvalueerd en is tot de conclusie gekomen dat Griekenland het besluit van de Raad van 10 mei 2010 op toereikende wijze naleeft[2]. (8) In het licht van het bovenstaande lijkt het dienstig het besluit van de Raad op een aantal punten te herzien, met behoud van zowel de uiterste termijn voor de correctie van het buitensporige tekort als de respectievelijke aanpassingstrajecten voor de tekortquote en de overheidsschuld. HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD: Artikel 1 Besluit 2010/320/EU wordt als volgt gewijzigd: 1. Artikel 2, lid 2, onder a), wordt vervangen door: "a) voorbereiding van budgettaire consolidatiemaatregelen ter grootte van ten minste 3,2% van het bbp (4,3% van het bbp indien ook met overloopeffecten van in 2010 doorgevoerde maatregelen rekening wordt gehouden), op te nemen in de ontwerpbegroting voor 2011: een vermindering van het intermediaire verbruik van de overheid met ten minste 300 miljoen EUR in vergelijking met 2010 (bovenop de bezuinigingen als gevolg van de hervorming van de overheidsdiensten en van de lokale overheid als bedoeld in dit lid), een bevriezing van de indexering van de pensioenen (met de bedoeling een besparing van 100 miljoen EUR te realiseren), een tijdelijke crisisheffing op zeer winstgevende bedrijven (die in 2011, 2012 en 2013 per jaar ten minste 600 miljoen EUR aan extra inkomsten moet opleveren), het forfaitair belasten van zelfstandigen (met een opbrengst van ten minste 400 miljoen EUR in 2011 en met ten minste 100 miljoen EUR per jaar toenemende opbrengsten in 2012 en 2013), een verbreding van de btw-grondslag door bepaalde, thans vrijgestelde diensten te belasten en door op 30% van de goederen en diensten het gewone tarief in plaats van het verminderde tarief te heffen (met een opbrengst van 1 miljard EUR), een geleidelijke invoering van een groene belasting op CO2-uitstoot (met een opbrengst van ten minste 300 miljoen EUR in 2011), de tenuitvoerlegging door de regering van de wetgeving tot hervorming van de overheidsdiensten en reorganisatie van de lokale overheid (met de bedoeling de kosten te verminderen met ten minste 500 miljoen EUR in 2011 en met nog eens 500 miljoen EUR per jaar in 2012 en 2013); een vermindering van de binnenlands gefinancierde investeringen (met ten minste 500 miljoen EUR) door prioriteit te geven aan met EU-structuurfondsen gefinancierde investeringsprojecten, het stimuleren van de regularisering van inbreuken op de ruimtelijke ordening (met een opbrengst van ten minste 1 500 miljoen EUR tussen 2011 en 2013, waarvan ten minste 500 miljoen EUR in 2011), de inning van ontvangsten uit hoofde van vergunningen voor kansspelen (ten minste 500 miljoen EUR uit hoofde van toekenningen van vergunningen en 200 miljoen EUR in de vorm van jaarlijkse royalty’s), een verbreding van de grondslag van de onroerendgoedbelasting door de waarde van de onroerende goederen te actualiseren (die ten minste 400 miljoen EUR aan extra inkomsten moet opleveren), een hogere belastingheffing op loon in natura, onder meer door betalingen van autoleasecontracten te belasten (met een extra opbrengst van ten minste 150 miljoen EUR); een hogere belastingheffing op luxegoederen (met een extra opbrengst van ten minste 100 miljoen EUR), een speciale belasting op ongeoorloofde vestigingen (met een opbrengst van ten minste 800 miljoen EUR per jaar), een vervanging van slechts 20% van de op pensioen gaande werknemers in de overheidssector (centrale overheid, lokale overheden, sociale-verzekeringsinstellingen, overheidsbedrijven, overheidsagentschappen en andere overheidsinstellingen). Maatregelen die vergelijkbare budgettaire besparingen opleveren kunnen na overleg met de Commissie worden overwogen;". 2. Artikel 2, lid 2, onder b), wordt geschrapt. 3. Artikel 2, lid 2, onder f), wordt vervangen door: "f) de start van onafhankelijke evaluaties van centrale overheidsdiensten en van bestaande sociale programma's." 4. Aan artikel 2, lid 2, worden de volgende punten j) en k) toegevoegd: "j) de oprichting van een uitgebreid centraal register voor overheidsbedrijven; k) een actieplan met een tijdschema voor concrete acties die tot de oprichting van een centrale instantie voor overheidsopdrachten moeten leiden." 5. Aan artikel 2, lid 3, worden de volgende punten m) tot en met r) toegevoegd: "m) een wet die lokale overheden tot ten minste 2014 verbiedt tekorten te hebben; n) bekendmaking van tussentijdse langetermijnprognoses van pensioenuitgaven tot 2060 zoals vastgelegd in de wetgeving van juli 2010 waaronder de voornaamste pensioenregelingen vallen (IKA, met inbegrip van het pensioenstelsel voor ambtenaren, OGA en OAEE); o) een wet tot vaststelling van een bovengrens van 50 miljoen EUR voor de jaarlijkse overheidsbijdrage uit hoofde van de openbaredienstverplichting aan spoorwegexploitanten voor de periode 2011-2013 en ter invoering van het beginsel dat de Staat geen extra expliciete of impliciete steun aan spoorwegexploitanten verleent; p) een ondernemingsplan voor de Griekse spoorwegen. In het ondernemingsplan wordt gespecificeerd hoe operationele activiteiten winstgevend zullen worden gemaakt, met inbegrip van dekking van de kosten wegens waardevermindering vanaf 2011 door onder meer sluiting van verlieslijdende lijnen, verhoging van tarieven, vermindering van lonen en inkrimping van het personeelsbestand; het ondernemingsplan bevat voorts een gedetailleerde gevoeligheidsanalyse betreffende de implicatie voor de loonkosten van verschillende scenario's wat het resultaat van een collectieve overeenkomst betreft, het verschaft informatie aangaande verschillende opties met betrekking tot het personeel, en het voorziet in de herstructurering van de holding via onder meer de verkoop van grond en andere activa; q) het vragen van technische bijstand van internationale deskundigen voor diverse aspecten van de efficiëntie en effectiviteit van het gezondheidszorgstelsel en het ziekenhuizenbeheer, gericht op verbetering van de efficiëntie en vermindering van de verspilling; r) het opleggen van een betaling van 3 EUR voor standaardpoliklinische diensten in openbare ziekenhuizen." 6. Aan artikel 2, lid 4, wordt het volgende punt b) toegevoegd: "b) bekendmaking van uitgebreide langetermijnprognoses van pensioenuitgaven tot 2060 zoals vastgelegd bij de wetgevingshervorming van juli 2010. De prognoses omvatten de aanvullende stelsels en zijn gebaseerd op een uitvoerige reeks gegevens die door de nationale instantie voor actuariële zaken worden verzameld en opgesteld. De prognoses worden door het EU-Comité voor de economische politiek getoetst en gevalideerd." 7. Artikel 2, lid 5, onder b), wordt vervangen door: "b) maatregelen om gevolg te geven aan de conclusies van de eerste fase van onafhankelijke functionele evaluaties van centrale overheidsdiensten en sociale programma's;". 8. Aan artikel 2, lid 5, worden de volgende punten d), e), en f) toegevoegd: "d) een wet ter herziening van de belangrijkste parameters van het pensioenstelsel, indien de krachtens lid 3, onder n), en lid 4, onder b), vereiste langetermijnprognoses aantonen dat de verwachte toename van de pensioenuitgaven van de overheid in de periode 2009-2060 de grens van 2,5 procentpunten van het bbp zou overstijgen; e) een herziening van de werking van aanvullende openbare pensioenstelsels met het oog op de stabilisering van de uitgaven en het waarborgen van de budgettaire neutraliteit van deze stelsels; f) een herziening van de lijst van zware beroepen ter vermindering van de dekking ervan tot maximaal 10% van de arbeidskrachten; de nieuwe lijst van zware en ongezonde beroepen is met ingang van 1 juli 2011 op alle huidige en toekomstige werknemers van toepassing." 9. Aan artikel 2, lid 7, wordt het volgende punt c) toegevoegd: "c) maatregelen om gevolg te geven aan de conclusies van de tweede fase van onafhankelijke functionele evaluaties van centrale overheidsdiensten en sociale programma's;" 10. Artikel 4, lid 2, onder g), wordt vervangen door: "g) nog te betalen overheidsuitgaven, met vermelding van die uitgaven waarvoor de betalingstermijn is verstreken." Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag van de kennisgeving ervan. Artikel 3 Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek. Gedaan te Brussel, […] Voor de Raad De Voorzitter […] [1] Besluit 2010/320/EU van de Raad (PB L 145 van 11.6.2010, blz. 6). [2] Mededeling van de Commissie "Follow-up van het besluit van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen", COM(2010) definitief XXX van [19] augustus 2010.