Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010DC0091

Mededeling van de Commissie aan de Raad - Follow-up van het besluit van de Raad van 16 februari 2010 tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

/* COM/2010/0091 def. */

52010DC0091




[pic] | EUROPESE COMMISSIE |

Brussel, 9.3.2010

COM(2010) 91 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD

Follow-up van het besluit van de Raad van 16 februari 2010 tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD

Follow-up van het besluit van de Raad van 16 februari 2010 tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

1. Inleiding

In deze mededeling worden op basis van het " March 2010 Report to the implementation of the Hellenic stability and growth programme and additional measures " de beslissingen geëvalueerd die de Griekse autoriteiten tot dusver in reactie op het Raadsbesluit van 16 februari 2010 hebben genomen om de begrotingsdoelstelling voor 2010 te halen. Griekenland heeft het in artikel 4, lid 1, van het Raadsbesluit bedoelde verslag ingediend op 8 maart 2010, een week voor het verstrijken van de termijn. In het verslag komen niet alleen de begrotingsmaatregelen voor het terugdringen van het overheidstekort in 2010 aan de orde, maar ook de structurele hervormingen die in het stabiliteitsprogramma zijn opgenomen.

Met het oog op de indiening door de Griekse autoriteiten van het verslag van maart 2010 hebben de diensten van de Commissie, bijgestaan door medewerkers van de ECB en het IMF, van 22 tot en met 24 februari 2010 een technisch werkbezoek aan Athene gebracht en een ontmoeting met de Griekse autoriteiten gehad om de stand van de tenuitvoerlegging van het stabiliteitsprogramma en de reactie op het Raadsbesluit te bespreken. Op 1 maart 2010 heeft een nieuw werkbezoek onder leiding van Commissielid Rehn plaatsgevonden.

2. DE BUITENSPORIGTEKORTPROCEDURE: AANPAKKEN VAN EEN BEGROTINGSCRISIS IN GRIEKENLAND

Tal van EU-lidstaten worden thans geconfronteerd met overheidstekorten die hoger liggen dan de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp. De vaak ernstige verslechtering van zowel de tekort- als de schuldsituatie moet worden gezien tegen de achtergrond van de mondiale financiële crisis zonder weerga en de ongekende economische neergang. De huidige verslechtering van de overheidsfinanciën in Griekenland moet weliswaar ook tegen dezelfde achtergrond worden gezien, maar dat neemt niet weg dat er al vele jaren van grote en aanhoudende begrotingsonevenwichtigheden sprake is ondanks het feit dat de economie tot 2008 een krachtige ontwikkeling liet zien, hetgeen op structurele oorzaken wijst. De overheidstekorten in Griekenland weerspiegelen meer in het bijzonder een ontoereikende beheersing van de overheidsuitgaven, terwijl de ontvangstenprognoses systematisch te optimistisch zijn gebleken. Het begrotingsbeleid heeft de verergering van de externe onevenwichtigheden in de hand gewerkt en tot een voortdurende achteruitgang van het concurrentievermogen bijgedragen. Bovendien zijn ook de structurele en endemische tekortkomingen in de boekhouding van de Griekse regering schadelijk gebleken voor de tijdige en doeltreffende beheersing van de ontvangsten en uitgaven. De aanzienlijke overheidstekorten hebben tot een van de hoogste overheidsschuldquoten in de EU geleid. De Griekse schuldquote ligt thans niet alleen ver boven de 100% van het bbp, maar blijft ook een steile opwaartse tendens vertonen.

Op 3 februari 2010 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig werd geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen[1],[2]. Tegelijkertijd heeft de Commissie een voorstel voor een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU ingediend strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt[3], alsook een voorstel voor een advies van de Raad over het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van Griekenland[4]. Op 11 februari 2010 heeft de Europese Raad de Raad (Ecofin) verzocht de door de Commissie ingediende documenten aan te nemen en de Commissie opgeroepen de tenuitvoerlegging van het besluit en de aanbeveling van de Raad op de voet te volgen in samenwerking met de ECB en gebruikmakend van de deskundigheid van het IMF[5].

Op 16 februari 2010 heeft de Raad (Ecofin) de bovengenoemde aanbeveling en het bovengenoemde besluit en advies aangenomen[6]. De Raad heeft Griekenland gevraagd " zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 2012 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie " te maken en heeft tevens het in de periode 2010-2012 te volgen aanpassingstraject in de richting van de correctie van het buitensporige tekort uitgestippeld (artikel 1). Op basis van het Griekse stabiliteitsprogramma is in het Raadsbesluit een gedetailleerde lijst opgenomen van vóór 15 mei 2010 te nemen dringende begrotingsmaatregelen (artikel 2, deel A), andere vóór eind 2010 te nemen maatregelen (artikel 2, deel C) en andere vóór 2012 te nemen maatregelen (artikel 2, deel D). Krachtens het besluit diende Griekenland ook een reeks maatregelen te nemen met betrekking tot de vergaring en verwerking van gegevens (artikel 3). Aangezien bepaalde risico's die aan de in het Raadsbesluit vastgelegde maxima voor 2010 voor het tekort en de schuld waren verbonden, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, werd Griekenland tevens verzocht aanvullende maatregelen aan te kondigen teneinde te garanderen dat de begrotingsdoelstelling voor 2010 wordt gehaald. Krachtens het besluit dienden de aanvullende maatregelen hoofdzakelijk uitgavenverminderingen te behelzen, maar konden zij ook inkomstenverhogende maatregelen omvatten (artikel 2, deel B). Zowel deze aanvullende maatregelen als de tenuitvoerlegging van de begrotingsmaatregelen in 2010 dienden te worden beschreven in een verslag dat bij de Raad en de Commissie moest worden ingediend en openbaar zou worden gemaakt (artikel 4, lid 1). Overeenkomstig het Raadsbesluit (artikel 4, lid 4) kan de Commissie maatregelen aangeven die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat bij het verhelpen van het buitensporige tekort het in het besluit vastgestelde aanpassingstraject wordt gevolgd.

3. DOOR GRIEKENLAND ONDERNOMEN ACTIE IN REACTIE OP HET RAADSBESLUIT EN TOT UITVOERING VAN HET GEACTUALISEERDE STABILITEITSPROGRAMMA VAN JANUARI 2010

In de recentste actualisering van het Griekse stabiliteitsprogramma, die op 15 januari 2010 is ingediend, wordt voor 2010 gemikt op een begrotingstekort van 8,7% van het bbp, tegen een nominaal tekort van 12,7% van het bbp in 2009. Het programma bevat een gedetailleerd pakket budgettaire consolidatiemaatregelen voor 2010. Met deze maatregelen wordt hoofdzakelijk een verhoging van de overheidsontvangsten en in mindere mate een reductie van de overheidsuitgaven beoogd. De in het stabiliteitsprogramma geplande nominale begrotingsaanpassing voor 2010 is het gevolg van een verhoging van de totale ontvangstenquote met 2,6 procentpunten van het bbp en een vermindering van de totale uitgavenquote met 1,4 procentpunten van het bbp.

Op 2 februari 2010 heeft Griekenland een reeks maatregelen ter aanvulling van die in het stabiliteitsprogramma aangekondigd. De nieuwe maatregelen hebben een tekortverlagend effect ter grootte van iets minder dan ½% van het bbp. Deze reeks aanvullende maatregelen omvatten een volledige bevriezing van de salarissen in de overheidssector (resulterend in extra bezuinigingen ter grootte van 0,1% van het bbp) en verdere verhogingen van de accijnsrechten op brandstoffen (resulterend in extra inkomsten ten belope van ongeveer 0,3% van het bbp). Bij die gelegenheid hebben de Griekse autoriteiten ook duidelijk gemaakt dat de regering klaar stond om nog meer maatregelen aan te kondigen en door te voeren indien dat nodig mocht blijken[7].

Bij het Raadsbesluit van 16 februari 2010 (artikel 2, deel A) werd Griekenland verzocht vóór 15 mei 2010 " een aantal budgettaire consolidatiemaatregelen, waaronder die welke in het stabiliteitsprogramma zijn omschreven " uit te voeren. Deze maatregelen behelsden zowel verminderingen van de overheidsuitgaven als inkomstenverhogende maatregelen.

In bijlage I wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken ten aanzien van deze maatregelen[8].

4. BEOORDELING VAN DE RISICO'S VOOR DE TEKORTDOELSTELLING VOOR 2010 VÓÓR DE MEEST RECENTELIJK GENOMEN BELEIDSBESLISSINGEN

Het feit dat zich vertragingen bij de strikte tenuitvoerlegging van de in het geactualiseerde programma beschreven budgettaire consolidatiemaatregelen in 2010 kunnen voordoen, werd door de Commissie als een bron van zorg aangemerkt[9]. Voorts werd ook gesteld dat de in het programma uitgestippelde begrotingsstrategie aan neerwaartse risico's onderhevig was omdat het macro-economische basisscenario van het programma op optimistische groeiaannamen berustte[10].

De mogelijke afwijking van de tekortdoelstelling voor 2010 werd door de diensten van de Commissie op ten minste 1½% van het bbp geraamd[11]. Bij de risicobeoordeling is met de volgende punten rekening gehouden:

1. In het macro-economische basisscenario dat aan het stabiliteitsprogramma ten grondslag ligt, wordt uitgegaan van een krimp van het reële bbp met 0,3% in 2010. In 2009 is het reële bbp met 2% gekrompen en niet met 1,2% zoals in het programma was voorspeld. De slechter dan verwachte feitelijke ontwikkeling in 2009 zal automatisch een negatief effect sorteren op de reële bbp-groei in 2010, waarbij het overloopeffect aan het begin van het jaar -0,9% bedroeg. Bovendien zal de economische bedrijvigheid volgens de beschikbare voorlopende indicatoren in 2010 verder inzakken. Dat is aan een aantal factoren toe te schrijven, maar vooral aan de recentste ontwikkelingen op de financiële markten en aan het feit dat een passend restrictief begrotingsbeleid wordt gevoerd. Zelfs indien ervan uit wordt gegaan dat de slechtste driemaandelijkse cijfers voor de reële groei reeds achter de rug zijn (de sterkste krimp van de economische activiteit heeft zich in het vierde kwartaal van 2009 voorgedaan), dan nog mag worden verwacht dat het reële bbp op jaarbasis in 2010 een verdere krimp van ten minste 2¼% zal vertonen. Dat alleen al zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de overheidsrekeningen.

2. Volgens het stabiliteitsprogramma zouden de rente-uitgaven in 2010 met ¼ procentpunt van het bbp stijgen ten opzichte van 2009. Uit de beschikbare informatie over de samenstelling en de looptijd van de schuld en over de rentetarieven bij recente schuldemissies kan worden afgeleid dat de rente-uitgaven sterker zullen stijgen dan in de officiële ramingen wordt aangenomen.

3. De belastinghervorming zal in maart 2010 van start gaan. Het is een ambitieus project. Verwacht wordt dat de hervorming na het tweede kwartaal van 2010 voor extra belastingontvangsten zal beginnen te zorgen. Met name de inspanningen tot verbreding van de belastinggrondslag voor de gezins- en vennootschapsbelasting (via het opleggen van één enkele belastingschaal en de afschaffing van belastingvrijstellingen) zouden volgens de autoriteiten tot een verhoging van de belastingontvangsten met circa ½% van het bbp moeten leiden. Hoewel de Commissie het eens is met de bedoeling van deze maatregelen en meent dat deze de belastinginning kunnen verbeteren, nopen administratieve tekortkomingen en mogelijke vertragingen in de aanvangsfases van de hervorming tot voorzichtigheid bij de raming van de belastingontvangsten.

4. In de context van de hervorming van het belastingstelsel heeft de regering de aanzet gegeven tot een aantal administratieve maatregelen met het oog op zowel de intensivering van de strijd tegen het ontwijken van belastingen en sociale bijdragen, als de verbetering van de belastinginning en van de naleving van de belastingwetgeving. De regering verwacht dat de overheidsinkomsten al in 2010 met meer dan ½% van het bbp zullen toenemen als gevolg van de strijd tegen de belastingontwijking. Tevens wordt aangenomen dat de strijd tegen het ontwijken van sociale bijdragen een zelfde toename van de overheidsinkomsten zal opleveren. In het licht van de ervaring die in Griekenland en in andere EU-lidstaten is opgedaan en gezien het feit dat het langer kan duren voordat dergelijke maatregelen de verwachte vruchten afwerpen, zeker in tijden van recessie, zijn de diensten van de Commissie van oordeel dat ook al worden er op korte termijn enige meerontvangsten geboekt, deze veel geringer kunnen uitvallen dan waarop in de officiële ramingen wordt gerekend.

5. De Griekse regering heeft voor 2010 eveneens een ambitieuze doelstelling voor de benutting van EU-fondsen vastgesteld. Zij gaat er meer in het bijzonder van uit dat eind 2010 15% van de voor de periode 2007-2013 beschikbare structuurfondsen benut zullen zijn. Op grond van deze aanname wordt verwacht dat de inkomsten uit hoofde van structuurfondsen in 2010 met ruim ½% van het bbp zullen toenemen. Volgens de diensten van de Commissie is dat een nogal optimistische aanname.

5. NA HET RAADSBESLUIT VAN 16 FEBRUARI DOOR GRIEKENLAND AANGEKONDIGDE MAATREGELEN

In het Raadsbesluit van 16 februari 2010 (artikel 2, deel B) is bepaald dat "aangezien bepaalde risico's (…) zich hebben gerealiseerd", Griekenland aanvullende maatregelen diende aan te kondigen.

Op 3 maart 2010 hebben de Griekse autoriteiten – na met de diensten van de Commissie, bijgestaan door de ECB en het IMF, van gedachten te hebben gewisseld – officieel een aantal aanvullende tekortverminderende maatregelen ter grootte van 2% van het bbp (of 4,8 miljard EUR) aangekondigd die in 2010 dienen te worden doorgevoerd[12]. De op 3 maart aangekondigde aanvullende begrotingsmaatregelen zijn ambitieus; zij omvatten aanzienlijke uitgavenverminderingen, en met name bezuinigingen op de loonkosten bij de overheid, welke van essentieel belang zijn opdat de begrotingsconsolidatie permanente effecten sorteert en het concurrentievermogen wordt hersteld (bijlage II).

De aangekondigde en in het verslag gepresenteerde maatregelen vallen in twee even grote categorieën uiteen: permanente inkomstenverhogende maatregelen (1% van het bbp of 2,4 miljard EUR) en permanente uitgavenverminderingen (1% van het bbp of 2,4 miljard EUR). Voor de meeste maatregelen geldt dat zij nauwkeurig zijn beschreven en dat de verstrekte kwantitatieve informatie toereikend is. Het wetsvoorstel met alle aanvullende begrotingsmaatregelen is op de dag van de aankondiging ingediend en op 5 maart 2010 door het parlement aangenomen. Hetzelfde wetsvoorstel bevatte ook een aantal eerder aangekondigde maar nog niet aangenomen maatregelen. Sommige maatregelen, en met name die welke in verhogingen van belastingtarieven voorzien, zullen vanaf 15 maart in werking treden.

6. CONCLUSIES EN VOLGENDE STAPPEN

Concluderend kan worden gesteld dat Griekenland uitvoering aan het geven is aan het Raadsbesluit van 16 februari 2010 en aan de maatregelen die in het Griekse stabiliteitsprogramma zijn geschetst.

Afgaande op de beschikbare informatie lijken de op 3 maart 2010 door de Griekse autoriteiten aangekondigde begrotingsmaatregelen, die op 5 maart door het parlement zijn aangenomen en zijn opgenomen in het verslag dat op 8 maart bij de Commissie is ingediend, te volstaan om de begrotingsdoelstellingen voor 2010 te halen die in het Raadsbesluit van 16 februari 2010 en in het stabiliteitsprogramma zijn vastgesteld.

In artikel 4, lid 2, van het besluit is het volgende bepaald: " Griekenland dient uiterlijk 15 mei 2010 bij de Raad en de Commissie een verslag in waarin een beschrijving wordt gegeven van de beleidsmaatregelen die zijn genomen om aan het bepaalde in dit besluit gevolg te geven, en maakt dit verslag openbaar ." De inhoud van het vóór 15 mei in te dienen verslag dient in overeenstemming te zijn met artikel 4, lid 3, van het besluit en gedetailleerde informatie te bevatten, niet alleen over de in 2010 uit te voeren budgettaire consolidatiemaatregelen, met onder meer een nauwkeurig tijdschema voor de tenuitvoerlegging van alle aangekondigde maatregelen, maar ook over de te ondernemen voorbereidende stappen voor de maatregelen die in 2011 en 2012 dienen te worden getroffen. Het verslag dient tevens gegevens te bevatten over de maandelijkse uitvoering van de overheidsbegroting, de begrotingsuitvoering door de sociale zekerheid, de lokale overheid en niet op de begroting opgevoerde fondsen voor perioden korter dan een jaar, de uitgifte en terugbetaling van schuldpapier door de overheid, de werkgelegenheid in de overheidssector, nog te betalen overheidsuitgaven en de financiële situatie in overheidsbedrijven. Griekenland wordt verzocht deze verslagen daarna driemaandelijks in te dienen en openbaar te maken.

In de aanbeveling van de Raad van 16 februari overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU wordt Griekenland bovendien verzocht " in het kader van de krachtens artikel 4, lid 2, van het besluit van de Raad van 16 februari 2010 in te dienen driemaandelijkse verslagen verslag uit te brengen over de maatregelen die in reactie op deze aanbeveling zijn genomen, alsook over het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de structurele maatregelen die in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 zijn geschetst ", zoals onder meer de hervormingen ter bevordering van het concurrentievermogen van de economie op het gebied van pensioenen, gezondheidszorg, overheidsdiensten, werking van de productmarkten, arbeidsmarkt, benutting van structuurfondsen, toezicht op de financiële sector en statistieken.

De in dit verslag gemaakte beoordeling van de maatregelen die Griekenland in reactie op het Raadsbesluit van 16 februari 2010 heeft genomen, heeft hoofdzakelijk betrekking op begrotingsmaatregelen die waarborgen dat het overheidstekort in 2010 tot 8,7% van het bbp wordt teruggedrongen, maar de continue evaluatie van de Commissie zal zich gaandeweg uitbreiden tot structurele hervormingen en tot de begrotingsplannen voor 2011 en 2012.

BIJLAGE I: VÓÓR 15 MEI TE NEMEN DRINGENDE BEGROTINGSMAATREGELEN, overeenkomstig artikel 2, deel A, van het Raadsbesluit van 16 februari 2010

Maatregel | Stand van zaken en andere opmerkingen |

Uitgaven |

"a) 10 % van de in de begroting voor 2010 opgenomen begrotingskredieten (exclusief lonen en pensioenen) van de overheidsdepartementen overhevelen naar een reserve voor onvoorziene uitgaven in afwachting van een herschikking van de kredieten tussen de departementen en de identificatie van te rationaliseren uitgavenprogramma's, hetgeen tot een omvangrijke permanente uitgavenvermindering moet leiden;" | Het desbetreffende ministeriële besluit is ondertekend. Momenteel wordt een aantal administratieve maatregelen ten uitvoer gelegd om dit besluit toe te passen. Het is nog te vroeg om specifieke bezuinigingen te signaleren die uit de reserve voor onvoorziene uitgaven voortvloeien; in de plannen van het stabiliteitsprogramma is dan ook nog geen rekening gehouden met uit de reserve resulterende bezuinigingen. |

"b) verminderen van de loonkosten, met name door de nominale salarissen bij de centrale overheid, de lokale overheden, overheidsagentschappen en andere overheidsinstellingen te bevriezen en het ambtenarenbestand in te krimpen; in 2010 een personeelsstop invoeren en de vacatures in de overheidssector, met inbegrip van tijdelijke contracten, opschorten, met name door ambtenaren die op pensioen gaan, niet te vervangen;" | De Ministerraad heeft besloten de ambtenarensalarissen boven een zeker drempelbedrag te bevriezen (later is de bevriezing tot alle salarissen uitgebreid; zie verder), een personeelsstop in te voeren en in de tijdelijke arbeidsregelingen te snoeien. Voorts zijn striktere regels vastgesteld voor overuren en reiskosten. De desbetreffende wet is op 5 maart door het parlement aangenomen en met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 toegepast. Zoals in het stabiliteitsprogramma is gepland, geldt de personeelsstop echter niet voor beveiligingspersoneel, verplegend personeel en leraren. |

"c) aan ambtenaren betaalde bijzondere vergoedingen (met inbegrip van die uit niet op de begroting opgevoerde rekeningen) verlagen, hetgeen zal leiden tot een verlaging van de totale salarissen in de openbare sector, als eerste stap in de richting van een verbetering van het salarisstelsel en de stroomlijning van de salaristabel voor ambtenaren;" | De Ministerraad heeft besloten de vergoedingen (met uitzondering van gezins- en kinderbijslagen) met 10% terug te schroeven. De desbetreffende wet, waarin ook de op 3 maart aangekondigde extra verlaging met 2% is opgenomen, is op 5 maart door het parlement aangenomen en met terugwerkende kracht vanaf 1 januari toegepast. |

"d) nominale verlagingen van de socialezekerheidsoverdrachten doorvoeren, onder meer door maatregelen te treffen om de indexatie van uitkeringen en rechten te beperken;" | De bevriezing van de pensioenen en de bezuinigingen in de overheidsfinanciering van de sociale zekerheid zullen in maart 2010 van kracht worden en met terugwerkende kracht vanaf 1 januari worden toegepast. |

Ontvangsten |

"e) een progressieve belastingschaal op alle inkomstenbronnen toepassen en inkomen uit arbeid en kapitaal horizontaal uniform behandelen;" | De Ministerraad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een ingrijpende belastinghervorming; de desbetreffende wet zal naar verwachting in maart 2010 door het parlement worden aangenomen en met terugwerkende kracht vanaf 1 januari worden toegepast. De belastingen op erfenissen en legaten worden opgetrokken: krachtens een in januari 2010 door het parlement aangenomen wet wordt een progressieve belastingschaal ingevoerd. |

"f) alle in het belastingstelsel voorkomende vrijstellingen en bepalingen inzake autonome belastingbevoegdheden afschaffen, met inbegrip van die betreffende inkomsten uit hoofde van aan ambtenaren betaalde bijzondere vergoedingen;" |

"g) invoeren van een forfaitaire belastingheffing voor zelfstandigen;" |

"h) invoeren van permanente heffingen op gebouwen en verhogen van de tarieven van de onroerendgoedbelasting in vergelijking met de tarieven per 31 december 2009;" |

"i) optrekken van de accijnsrechten op tabak, alcohol en benzine in vergelijking met de tarieven per 31 december 2009;" | De desbetreffende wet is door het parlement aangenomen en in januari 2010 in werking getreden. De respectieve belastingtarieven zijn tweemaal opgetrokken, namelijk begin februari en begin maart (zie verder). |

"j) de momenteel geplande hervormingen van het belastingstelsel in detail beschrijven en tegen eind maart 2010 doorvoeren, waarbij eventuele efficiëntiewinsten worden aangewend om het tekort verder terug te dringen." | Zie de punten e) tot en met h). |

BIJLAGE II: OVERZICHTSTABEL VAN DE OP 3 MAART 2010 AANGEKONDIGDE AANVULLENDE BEGROTINGSMAATREGELEN

(mln EUR) | % v. h. bbp | Opmerkingen |

(zoals aangekondigd door Griekenland) |

Ontvangsten |

Verhoging van de btw-tarieven (van 4,5%, 9% en 19% tot respectievelijk 5%, 10% en 21%) | 1300 | 0,5% | In 2009 waren de totale btw-ontvangsten goed voor ongeveer 6,9% van het bbp (of 16,5 miljard EUR). De door Griekenland verstrekte raming lijkt realistisch, op voorwaarde dat de maatregel vanaf 15 maart ingaat. Over een heel jaar bezien zou deze maatregel een budgettair effect van ¾% van het bbp sorteren. Veranderingen in de belastinggrondslag – als gevolg van een inkrimping van de binnenlandse vraag – en belastingontwijking kunnen in lager dan verwachte meerontvangsten resulteren. |

Verhogingen van de accijnsrechten (naast die welke al door het parlement zijn aangenomen), waarvan: | 1100 | 0,5% | De Griekse autoriteiten hebben de accijnsrechten al opgetrokken, zoals in het stabiliteitsprogramma is aangegeven en op 2 februari is aangekondigd. |

i) verhoging van de accijnsrechten op benzine met 0,08 EUR (prijsverhoging met ongeveer 0,10 EUR) en op diesel met 0,03 EUR (prijsverhoging met ongeveer 0,04 EUR) | 450 | 0,2% | Als gevolg van de extra verhoging van de accijnsrechten op brandstoffen komt de uiteindelijke brandstofprijs dichter in de buurt van het EU-gemiddelde en stijgt de opbrengst van de accijnsrechten op brandstoffen met ongeveer 10%. In 2009 is een zelfde verhoging van de accijnsrechten doorgevoerd als de op 2 februari en 3 maart aangekondigde verhogingen samen, hetgeen in ongeveer 20% hogere inkomsten resulteerde. De verwachte extra ontvangsten zijn vergelijkbaar met die van de recente verhogingen van de accijnsrechten op brandstoffen in 2009 en lijken haalbaar. De gevolgen van een inkrimping van de vraag voor de belastingopbrengsten mogen echter niet worden onderschat. |

ii) verhoging van a) de accijnsrechten op sigaretten van 63% tot 65% en van b) de accijnsrechten op alcohol met 20% (verhoging met 1,20 EUR per fles en met 0,60 EUR voor ouzo en tsipouro) | 300 | 0,1% | a) De recente verhoging van 57,5% tot 63% van de accijnsrechten op tabak is afgelopen januari aan het parlement voorgelegd en zou in 2010 naar schatting 0,1% van het bbp opleveren. De op 3 maart aangekondigde extra verhoging van 63% tot 65% van de accijnsrechten op tabak (die ongeveer de helft bedraagt van de vorige) zal naar verwachting circa 0,05% van het bbp aan extra ontvangsten opleveren, hetgeen haalbaar lijkt. b) De recente verhoging van de accijnsrechten op alcohol (met 0,9 EUR per fles en met 0,45 EUR voor traditionele producten) is in januari aan het parlement voorgelegd en zal in 2010 naar schatting ongeveer 0,03% van het bbp opleveren. De op 3 maart aangekondigde extra verhoging van de accijnsrechten (met 1,2 EUR per fles en met 0,6 EUR voor traditionele producten) zal naar verwachting circa 0,05% van het bbp aan extra ontvangsten opleveren, hetgeen haalbaar lijkt. Er zij evenwel op gewezen dat van de stijgingen van de eindprijzen van tabaksproducten en alcoholische dranken aanzienlijke effecten op de vraag (en ook op de belastingontwijking) kunnen uitgaan, hetgeen in lager dan verwachte ontvangsten kan resulteren. |

iii) invoering van accijnsrechten op elektriciteit (2,5 EUR/MWh bij industrieel verbruik en 5 EUR/MWh bij gezinsverbruik – exclusief elektriciteit geproduceerd door hernieuwbare energiebronnen) en afschaffing van de vrijstelling van accijnsrechten op diesel die door de Public Power Corporation (de openbare elektriciteitsmaatschappij) wordt gebruikt | 250 | 0,1% | Verwacht wordt dat de nieuwe accijnsrechten op elektriciteit 0,1% van het bbp zullen opbrengen. Aangezien deze belasting via de elektriciteitsfacturen wordt geïnd, lijkt de uitvoering van deze maatregel geen problemen te zullen opleveren. In 2010 zou het elektriciteitsverbruik in Griekenland 67,175GWh bedragen. Het geraamde budgettaire effect lijkt realistisch. |

iv) verhoging van de accijnsrechten op luxegoederen (zoals personenauto's van meer dan 35 000 EUR, jachten enz.) | 100 | >0,1% | Bij gebrek aan informatie is tot dusver geen grondige beoordeling mogelijk, maar de verwachte extra ontvangsten lijken vrij beperkt. |

Uitgaven |

Verlagingen van de nominale ambtenarensalarissen en -pensioenen (naast de reeds aangekondigde salarisverlagingen), waarvan: | 1700 | 0,7% | De Griekse autoriteiten hebben eerder al verlagingen van amb-tenarenvergoedingen aangekondigd, wat tot een vermindering van de totale loonkosten bij de overheid heeft geleid. Diverse aanvullende maatregelen hebben tevens in een inkrimping van het totale ambtenarenbestand geresulteerd. De op 3 maart aangekondigde verlagingen gaan verder dan die welke in het programma zijn vermeld en op 2 februari zijn aangekondigd[13]. |

i) vermindering van de kerst-, paas- en zomerbonus met telkens 30% | 610 | 0,3% | De volledige afschaffing van de veertiende maand (die aan alle ambtenaren wordt uitbetaald) zou in een bezuiniging van ongeveer 1 miljard EUR resulteren. Het geraamde budgettaire effect van de door de regering aangekondigde maatregelen is realistisch. |

ii) reductie met 2% van de salarisaanvullingen (naast de reeds aangekondigde verlaging met 10%) | 130 | >0,1% | Vóór de op 3 maart aangekondigde maatregelen hadden de autoriteiten de aan ambtenaren betaalde vergoedingen reeds met 10% teruggeschroefd, hetgeen resulteerde in bezuinigingen ter grootte van ongeveer 0,3% van het bbp (of 650 miljoen EUR). Op 3 maart is een verdere verlaging van de vergoedingen met 2% aangekondigd. In totaal zouden de vergoedingen derhalve met 12% worden teruggeschroefd. Het geraamde budgettaire effect lijkt realistisch. |

iii) verlaging met 7% van de salarissen in overheidsbedrijven en reductie van de kerst-, paas- en zomerbonus met telkens 30% | 360 | 0,2% | Op zich heeft deze maatregel geen directe budgettaire gevolgen, aangezien overheidsbedrijven geen deel uitmaken van de overheid. Hij kan evenwel tot een vermindering van de overheidssubsidies aan overheidsbedrijven leiden en aldus indirect in een uitgavenreductie resulteren. |

iv) reductie van de subsidies aan het pensioenfonds van de Public Power Corporation en van de OTE (telecommunicatiemaatschappijen), hetgeen tot een vermindering van de desbetreffende begrotingstoewijzingen leidt | 150 | >0,1% | De maatregel lijkt haalbaar, al zou nadere informatie tot onderbouwing van de geraamde bezuinigingen welkom zijn. |

v) bevriezing van alle pensioenen in de openbare en particuliere sector, waardoor de aangekondigde en in de begroting opgenomen verhogingen worden ingetrokken en bezuinigingen op de begrotingstoewijzingen worden gerealiseerd | 450 | 0,2% | Volgens eerdere aankondigingen van de autoriteiten zouden de pensioenen in 2010 sterker stijgen dan de inflatie (namelijk met ongeveer 1,5 procentpunten). Op 3 maart is een bevriezing van alle pensioenen aangekondigd, hetgeen resulteert in bezuinigingen ter grootte van ongeveer 0,2% van het bbp (de omvang stemt overeen met de verhoging die aan pensioentrekkers zou worden toegekend). Het officieel geraamde budgettaire effect lijkt realistisch. |

Verlagingen van de lopende en kapitaaluitgaven in de overheidssector | 700 | 0,3% | Reeds in het stabiliteitsprogramma hebben de Griekse autoriteiten aangekondigd de operationele uitgaven en subsidies aan overheidsbedrijven te zullen terugschroeven. Eerder hadden zij voor 2010 een verhoging van de investerings- en onderwijsuitgaven aangekondigd. De op 3 maart aangekondigde bezuinigingen gaan verder dan die welke in het programma zijn vermeld en compenseren sommige van de geplande uitgavenverhogingen. |

i) reductie van het overheidsinvesteringsprogramma | 500 | 0,2% | Volgens het stabiliteitsprogramma zouden de bruto-investeringen in vaste activa in 2010 met 0,3% van het bbp (of 800 miljoen EUR) stijgen. De regering kan vrij beslissen om de daarvoor uitgetrokken begrotingskredieten met gelijk welk bedrag te verminderen. Indien passende beslissingen worden genomen, dan lijken de aangekondigde bezuinigingen haalbaar. |

ii) vermindering van de onderwijsuitgaven (100 miljoen EUR uit het overheidsinvesteringsprogramma en 100 miljoen EUR als gevolg van de annulering van de voorzieningen voor nieuwe onderwijsprogramma's) | 200 | 0,1% | Volgens het stabiliteitsprogramma zouden de onderwijsuitgaven in 2010 met ongeveer 0,2% van het bbp (of 500 miljoen EUR) stijgen. De regering kan vrij beslissen om de daarvoor uitgetrokken begrotingskredieten, met inbegrip van die voor het overheidsinvesteringsprogramma, met gelijk welk bedrag te verminderen. Indien passende beslissingen worden genomen, dan lijken de aangekondigde bezuinigingen haalbaar. |

TOTAAL | 4800 | 2,0% |

[1] COM(2010) 93 (http://ec.europa.eu/economy_finance/sgp/pdf/30_edps/104-09_commission/2010-02-03_el_126-9_commission_en.pdf). Alle BTP-documenten voor Griekenland zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/sgp/deficit/countries/index_en.htm.

[2] De ten aanzien van Griekenland lopende buitensporigtekortprocedure is ingeleid op 18 februari 2009, toen de Commissie haar goedkeuring hechtte aan een overeenkomstig artikel 104, lid 3, VEG opgesteld verslag (SEC(2009) 197), op grond waarvan het Economisch en Financieel Comité (EFC) overeenkomstig artikel 104, lid 4, VEG op 27 februari 2009 een advies heeft geformuleerd. Op 24 maart 2009 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 104, lid 5, VEG een advies uitgebracht waarin werd gesteld dat er in Griekenland van een buitensporig tekort sprake was - SEC(2009) 263. Op aanbeveling van de Commissie heeft de Raad op 27 april 2009 overeenkomstig artikel 104, lid 6, VEG besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestond - Beschikking 2009/415/EG van de Raad (PB L 135 van 30.5.2009, blz. 21). Tegelijkertijd heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG aanbevelingen tot Griekenland gericht om de buitensporigtekortsituatie uiterlijk in 2010 te verhelpen. Op 11 november 2009 heeft de Commissie een beoordeling gemaakt van de door Griekenland in reactie op de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009 ondernomen actie. Zij concludeerde daarin dat de door Griekenland ondernomen actie ontoereikend was en richtte daarom een aanbeveling voor een besluit tot de Raad. Op 2 december 2009 heeft de Raad uit hoofde van artikel 126, lid 8, VWEU een besluit in dezelfde zin genomen.

[3] COM(2010) 95.

[4] COM(2010) 94. Het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van Griekenland is bij de Raad en de Commissie ingediend en op 15 januari 2010 openbaar gemaakt.

[5] http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ec/112856.pdf.

[6] http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/10/st06/st06147.nl10.pdf, http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/10/st06/st06145.nl10.pdf en http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/10/st06/st06560.nl10.pdf.

[7] Bij dezelfde gelegenheid heeft Griekenland aangekondigd dat in de komende weken een ingrijpende hervorming van het pensioenstelsel aan het parlement zou worden voorgelegd.

[8] In het op 8 maart 2010 door Griekenland ingediende verslag is een vollediger lijst opgenomen van de maatregelen die ter uitvoering van het stabiliteitsprogramma zijn genomen.

[9] Zie de toelichtingen bij de voorstellen van de Commissie voor het besluit, de aanbeveling en het advies van de Raad van 16 februari 2010 – COM(2010) 93, 94 en 95.

[10] Uit beschikbare gegevens op kasbasis over de uitvoering van de begroting in januari 2010 door de centrale overheid blijkt dat zowel de ontvangsten als de uitgaven zich conform de doelstellingen ontwikkelen, met als meest veelbelovende teken dat de primaire uitgaven zijn gedaald. In januari zijn evenwel eenmalige ontvangsten geïnd (die voortvloeien uit de buitengewone belasting die op zeer winstgevende ondernemingen en grote eigendommen wordt geheven). Bovendien kan de daling van de kapitaaluitgaven en rentebetalingen op kasbasis ook samenhangen met een verandering in het seizoenspatroon van de uitgaven.

[11] Volgens het op 8 maart door Griekenland ingediende verslag bedroeg de afwijking van de begrotingsaanpassing vóór de op 3 maart 2010 aangekondigde maatregelen "1 à 1,5% van het bbp".

[12] De voorzitter van de Commissie verwelkomde de aankondiging van de Griekse regering om een reeks aanvullende consolidatiemaatregelen te nemen, alsook de bevestiging van haar toezegging om alle voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma noodzakelijke maatregelen te nemen. Deze mening werd ook gedeeld door de voorzitter van de Eurogroep. De ECB stelde de genomen beslissing enorm op prijs omdat zij deze passend achtte, terwijl het IMF ingenomen was met het zeer sterke begrotingspakket voor 2010 en tevens opmerkte dat de tenuitvoerlegging van het budgettaire programma een cruciale stap voorwaarts zal betekenen in een meerjarenproces.

[13] In 2008 bedroegen de loonkosten van de centrale overheid 22 871 miljoen EUR (9,6% van het bbp). In 2009 zijn deze kosten met 11½% opgelopen tot 25 492 miljoen EUR (10,6% van het bbp). Volgens de in oktober 2009 bij het Griekse parlement ingediende begroting voor 2010 zouden de loonkosten van de centrale overheid in 2010 met 2,8% stijgen tot 26 213 miljoen EUR (10,7% van het bbp). Gezien de reductie van het tijdelijke overheidspersoneel en de verlaging van de vergoedingen met 10% (stabiliteitsprogramma), de volledige bevriezing van de salarissen (2 februari), de extra verlaging van de vergoedingen met 2% (3 maart) en de vermindering van de paas-, zomer- en kerstbonus (ook "dertiende en veertiende maand" genoemd), zouden de loonkosten van de centrale overheid naar verwachting met 4,6% afnemen ten opzichte van 2009. De nominale beloning zou met 8½% dalen in vergelijking met 2009, als er tevens rekening mee wordt gehouden dat de vergoedingen, waarvoor vroeger een lagere belastingschaal gold, voortaan bij het normale inkomen zullen worden geteld en dus tegen een hoger tarief zullen worden belast.

Top