Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009PC0029

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

/* COM/2009/0029 def. - CNS 2009/0004 */

52009PC0029

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen /* COM/2009/0029 def. - CNS 2009/0004 */


NL

Brussel, 2.2.2009

COM(2009) 29 definitief

2009/0004 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Achtergrond van het voorstel |

110 | Motivering en doel van het voorstelIn dit tijdperk van globalisering moeten de lidstaten steeds vaker een beroep doen op wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, met name directe belastingen. De mobiliteit van de belastingplichtigen, het aantal grensoverschrijdende transacties en de internationalisering van de financiële instrumenten hebben een hoge vlucht genomen, waardoor het voor de lidstaten, die hun nationale soevereiniteit bij de vaststelling van de hoogte van de belastingen niet wensen op te geven, steeds moeilijker wordt om de verschuldigde belasting juist te heffen.Doordat een juiste belastingheffing almaar moeilijker wordt, functioneren de belastingstelsels niet goed en worden belastingen tweemaal geheven, hetgeen op zich al de aanzet geeft tot belastingfraude en belastingontduiking, terwijl de controlebevoegdheid een nationale zaak blijft. Een lidstaat afzonderlijk kan bijgevolg zijn eigen belastingstelsel, met name wat de directe belastingen betreft, niet meer beheren zonder inlichtingen van andere lidstaten. Teneinde de negatieve gevolgen van deze ontwikkeling tot staan te brengen, is het absoluut zaak een nieuwe administratieve samenwerking tussen de belastingdiensten van de lidstaten op te zetten. Er is behoefte aan instrumenten die voor alle lidstaten in dezelfde regels, rechten en verplichtingen voorzien en aldus onderling vertrouwen kunnen wekken. In dit verband is in recente rechtszaken gebleken dat de lidstaten, ook al functioneren de samenwerkingsmechanismen in de praktijk niet op efficiënte en bevredigende wijze, zich niet kunnen beroepen op een ontoereikende samenwerking tussen hun belastingdiensten om beperkingen van fundamentele vrijheden te rechtvaardigen.Daarom moet er een volledig nieuwe aanpak komen op basis van een volledig nieuwe tekst die de lidstaten de bevoegdheden voor een efficiënte samenwerking op internationaal niveau verleent waarmee zij de negatieve gevolgen van een almaar toenemende globalisering van de interne markt kunnen overwinnen. Op die manier overstijgt de administratieve samenwerking nationale wetten zonder deze te vervangen of nader tot elkaar te brengen. |

120 | Algemene contextDe bestaande Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies voldoet niet langer. De grote tekortkomingen van deze richtlijn zijn aan de orde gesteld in een verslag van mei 2000 van de Groep op hoog niveau fraude van de Raad (document 8668/00) en meer recent in mededelingen van de Commissie in 2004 (COM(2004) 611 definitief) en 2006 (COM(2006) 254 definitief). Zij zijn ook behandeld in het standpunt dat lidstaten hebben ingenomen in de loop van het raadplegingsproces dat aan dit voorstel voor een richtlijn van de Raad is voorafgegaan.De richtlijn evenals haar latere wijzigingen zijn geschreven in een context die niet aan de eisen van de huidige interne markt beantwoordt. In 1977 was er geen sprake van vrij verkeer en stond de integratie nog in haar kinderschoenen. Nu moeten de lidstaten hun toevlucht zoeken tot andere instrumenten dan de richtlijn in het belang van de internationale wederzijdse bijstand. Dit veroorzaakt onzekerheid en staat op gespannen voet met transparantie, gelijke behandeling, eerlijke mededinging en de goede werking van de interne markt. In de praktijk kan de bestaande richtlijn niet langer voldoen aan de eisen die thans aan de administratieve samenwerking worden gesteld.Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling vormt een eerste aanzet tot het beperken van de negatieve fiscale gevolgen van internationale beleggingen. Deze richtlijn ziet evenwel alleen op een bepaalde vorm van spaartegoeden. Toch toont zij ook aan dat de lidstaten inlichtingen op degelijke en efficiënte wijze kunnen uitwisselen als er eenvormige middelen en instrumenten zijn gecreëerd.De volledige nationale soevereiniteit over de vormen en de hoogte van de belastingen zal door een aangescherpt instrument voor administratieve samenwerking bij de heffing van belastingen worden gegarandeerd en gehandhaafd. Door het gebrek aan harmonisatie op dit gebied is een sterkere administratieve samenwerking in belastingzaken de enige manier om belastingen juist te heffen en aldus belastingfraude en belastingontduiking te voorkomen en te bestrijden. Een sterkere vorm van administratieve samenwerking in belastingzaken, die in de eerste plaats tot doel heeft de financiële belangen van de lidstaten doeltreffender te beschermen en verstoringen op de markt te voorkomen, is cruciaal voor de belangen van de lidstaten en de EU. |

130 | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebiedVan 1979 tot 1992 viel ook de btw onder het toepassingsgebied van Richtlijn 77/799/EEG. Hetzelfde geldt voor de accijnzen van 1992 tot 2004. Naar aanleiding evenwel van het verslag van mei 2000 van de Groep op hoog niveau fraude van de Raad, waarin werd geconcludeerd dat de richtlijn haar doelstellingen niet kon verwezenlijken, heeft de Commissie twee aparte ontwerpverordeningen voorgelegd die tot doel hadden de administratieve samenwerking op het gebied van de btw en de accijnzen volledig nieuw in te richten. Deze ontwerpverordeningen zijn aangenomen op 7 oktober 2003 wat de btw betreft (Verordening (EG) nr. 1798/2003) en op 16 november 2004 wat de accijnzen betreft (Verordening (EG) nr. 2073/2004). De btw en de accijnzen werden daarmee aan het toepassingsgebied van Richtlijn 77/799/EEG onttrokken.In voorliggend voorstel is een vergelijkbare aanpak gevolgd. De nieuwe aangescherpte richtlijn voorziet in een organisatiekader, gemeenschappelijke procedureregels, en gemeenschappelijke formulieren, formaten en kanalen voor inlichtingenuitwisseling. Voorts wordt een comitéprocedure ingesteld om technische aangelegenheden en de uitwisseling van inlichtingen te regelen, alsook om de middelen en instrumenten te creëren waarmee de obstakels voor een efficiënte inlichtingenuitwisseling zoveel mogelijk kunnen worden opgeheven.Terwijl het toepassingsgebied van Richtlijn 77/799/EEG tot directe belastingen en verzekeringspremies beperkt blijft, omvat voorliggend voorstel alle indirecte belastingen die nog niet in EG-wetgeving geregeld zijn, dat wil zeggen alle andere indirecte belastingen dan btw en accijnzen. Op die manier wordt voor het eerst een reeks voorschriften vastgelegd voor een aantal belastingen die tot dusver buiten het bestaande communautaire rechtskader vielen. |

141 | Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EUNiet van toepassing. |

Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling |

| Raadpleging van belanghebbende partijen |

211 | Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondentenDe raadplegingen zijn gevoerd in werkgroepen en met behulp van een vragenlijst over mogelijkheden ter verbetering van de bestaande situatie. |

212 | Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehoudenDe algemene opinie bij de lidstaten luidt dat de bestaande richtlijn in haar geheel moet worden aangescherpt. Er werd benadrukt dat de richtlijn in haar huidige vorm geen verplichtingen op een gemeenschappelijk niveau tot stand kan brengen, hetgeen de gestelde doelen zou helpen te verwezenlijken. Er werden ook duidelijke standpunten ingenomen over de inhoud van het nieuwe instrument.De Commissie heeft rekening gehouden met de standpunten van de lidstaten in bijgaand voorstel voor een richtlijn van de Raad. |

| Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

229 | Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. |

230 | EffectbeoordelingEr is voor dit voorstel geen effectbeoordeling verricht. Er is ook overwogen om de bestaande richtlijn te wijzigen. Om de hierboven beschreven redenen werd dit evenwel niet passend geacht. |

Juridische elementen van het voorstel |

305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregelDe Commissie stelt de Raad voor een nieuwe richtlijn betreffende administratieve samenwerking op het gebied van belastingen aan te nemen.Doel is een degelijk rechtsinstrument ter versterking van de administratieve samenwerking bij de heffing van belastingen te creëren, zodat de negatieve gevolgen van schadelijke belastingpraktijken worden vermeden waardoor de interne markt goed kan functioneren.Deze aanpak zal ervoor zorgen dat de samenwerking in overeenstemming wordt gebracht met de bestaande bepalingen inzake administratieve samenwerking op het gebied van de btw en de accijnzen. |

310 | RechtsgrondslagArtikelen 93 en 94 van het EG-Verdrag. |

320 | SubsidiariteitsbeginselHet subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voor zover het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen. |

| De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. |

321 | De bevoegdheid van de nationale belastingdiensten reikt traditioneel niet verder dan het nationale grondgebied. De strijd tegen belastingfraude vereist, zoals in vele Commissiedocumenten wordt bevestigd, een optreden op EU-niveau. |

323 | De administratieve samenwerking tussen voornoemde autoriteiten kan geschieden op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten. Bepalingen in die zin zijn doorgaans opgenomen in dubbelbelastingverdragen, waarvan de reikwijdte gewoonlijk beperkt is tot inkomstenbelastingen. Voor de juiste heffing van de belastingen en de aanpak van grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking moeten evenwel gemeenschappelijke maatregelen op EU-niveau worden genomen. |

| De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt. |

324 | De lidstaten hebben zelf aangegeven dat er behoefte is aan een geheel van dwingender EU-voorschriften die van toepassing zijn op alle vormen van belastingen waarvoor nog geen EU-wetgeving is vastgesteld. Als voor de administratieve samenwerking betreffende deze belastingen dezelfde voorwaarden, dezelfde methoden en dezelfde praktijken worden toegepast, zou het werk van de overheid er gemakkelijker op worden en zowel de kwantiteit van de uitgewisselde inlichtingen toenemen als de kwaliteit ervan verbeteren. De vaststelling van een nader uitgewerkte, aangescherpte richtlijn zal dit doel helpen te verwezenlijken. |

325 | De omvang van de belastingfraude, waarvan het niet-betalen van belastingen een essentieel onderdeel is, is zeer groot in de Europese Unie. Deze fraude moet met vereende krachten worden bestreden, hetgeen beter kan worden gerealiseerd met een sterker communautair instrument dat gemeenschappelijke procedureregels en bepalingen betreffende gemeenschappelijke methoden, formulieren, formaten en communicatiekanalen omvat. |

326 | De Commissie verwacht dat er meer gebruik zal worden gemaakt van de verschillende vormen van administratieve samenwerking na de vaststelling van de nieuwe richtlijn (meer verzoeken om inlichtingen, spontane uitwisselingen, automatische uitwisselingen, gelijktijdige controles, aanwezigheid van controleurs in de kantoren van een andere lidstaat, en delen van inlichtingen). |

327 | Deze materie vereist een gemeenschappelijke benadering van procedurevoorwaarden en -voorschriften, beginselen en middelen, hetgeen alleen mogelijk is met een gemeenschappelijk wetsbesluit. |

| Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. |

| EvenredigheidsbeginselHet voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. |

331 | Het voorgestelde optreden voorziet uitsluitend in gemeenschappelijke procedurevoorschriften en instrumenten ter vergemakkelijking van de dagdagelijkse administratieve samenwerking tussen de lidstaten, die derhalve volledig vrij blijven te bepalen hoe zij zich intern organiseren en welke middelen zij inzetten, welke gevallen onder de internationale administratieve samenwerking vallen, en welk gebruik er van de resultaten wordt gemaakt. |

332 | Het voorgestelde optreden zal geen extra financiële of administratieve lasten veroorzaken voor de Gemeenschap, nationale regeringen, regionale en lokale overheden, bedrijven en burgers; integendeel, het zou de personele en financiële kosten moeten rationaliseren door de internationale administratieve samenwerking op gemeenschappelijke leest te schoeien. |

| Keuze van instrumenten |

341 | Voorgesteld(e) instrument(en): richtlijn. |

342 | Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn.Dit voorstel strekt ertoe de bepalingen van de bestaande richtlijn te versterken en te moderniseren om een betere werking van de interne markt en een doeltreffender administratieve samenwerking te bewerkstelligen. Te dien einde is het nodig de voorschriften van de bestaande richtlijn te vervangen. Een richtlijn is daarvoor het passende rechtsinstrument. |

Gevolgen voor de begroting |

409 | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. |

Aanvullende informatie |

510 | Vereenvoudiging |

511 | Het voorstel voorziet in vereenvoudiging van de wetgeving en van de administratieve procedures voor overheidsinstanties (EU of nationaal) en private partijen. |

512 | De wetgeving wordt vereenvoudigd aangezien het voorgestelde besluit gemeenschappelijke maatregelen bevat die gemakkelijk te interpreteren en uit te voeren zijn. |

513 | De overheid zal gebruik kunnen maken van gemeenschappelijke middelen en instrumenten in een vooraf gedefinieerd organisatorisch kader. Deze maatregelen zullen het eenvoudiger maken om een beroep te doen op internationale administratieve samenwerking. Dankzij de uitbreiding van het toepassingsgebied van de EU-wetgeving zullen de administratieve autoriteiten niet langer een beroep hoeven te doen op verschillende onderdelen van de wetgeving, elk met hun eigen voorschriften en voorwaarden, naar gelang van het soort schuldvordering waarvoor zij om samenwerking vragen. |

514 | Private partijen ten aanzien van wie een procedure van internationale administratieve samenwerking loopt, zullen op gelijke voet worden behandeld, met vereenvoudigde procedures. |

520 | Intrekking van bestaande wetgevingDe vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van bestaande wetgeving tot gevolg. |

570 | Nadere uitleg van het voorstel per hoofdstuk en artikelHoofdstuk I heeft betrekking op algemene kwesties. Artikel 1 omschrijft het doel van de richtlijn en de wijze waarop de lidstaten met elkaar moeten samenwerken.Artikel 2 betreft het toepassingsgebied van de richtlijn, waarbij de samenwerking tussen de lidstaten wordt uitgebreid tot alle vormen van belastingen. Dit artikel knoopt aan bij het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de Raad van Europa en de Oeso. Het toepassingsgebied strekt zich uit tot indirecte belastingen die nog niet onder EU-wetgeving inzake administratieve samenwerking vallen. Met uitzondering van de btw en de accijnzen is de richtlijn dus van toepassing op alle indirecte belastingen (en ook de directe belastingen) met als doel de samenwerking doeltreffender te maken. Artikel 3 omvat definities die nog niet in de bestaande bepalingen zijn opgenomen. Artikel 4 is gebaseerd op de inrichting van taken zoals vastgesteld in de bestaande btw-verordening betreffende de administratieve samenwerking, waar nodig aangepast.De artikelen 5 en 6 van hoofdstuk II, dat aan de uitwisseling van inlichtingen is gewijd, hebben betrekking op de uitwisseling van inlichtingen op verzoek en administratieve onderzoeken. Artikel 7 regelt de termijnen voor de verstrekking van inlichtingen. De leden 5 en 6 van artikel 7 zijn geïnspireerd op het Oeso-Modelverdrag van 2002 inzake de uitwisseling van inlichtingen in fiscale aangelegenheden.Artikel 8 heeft betrekking op de automatische uitwisseling van inlichtingen. Het voorstel voorziet in de automatische uitwisseling van inlichtingen voor een aantal inkomensvormen die volgens de comitologieprocedure moeten worden vastgesteld. Voor andere inkomensvormen mogen de lidstaten aanvullende overeenkomsten sluiten.Artikel 9 heeft betrekking op de spontane uitwisseling van inlichtingen. Hoofdstuk III heeft betrekking op andere vormen van administratieve samenwerking. Afdeling I regelt de aanwezigheid van ambtenaren in de administratiekantoren van andere lidstaten en hun deelname aan administratieve procedures. Aan ambtenaren van de verzoekende lidstaat wordt toegestaan de controlebevoegdheden uit te oefenen die aan de ambtenaren van de aangezochte lidstaat zijn verleend. Artikel 11 in afdeling II (gelijktijdige controles) behoudt de formulering van het bestaande artikel 8 ter van de in 2004 aangenomen richtlijn. Artikel 12 in afdeling III (administratieve notificatie) is ook een relatief nieuwe bepaling in de bestaande richtlijn en wordt derhalve gehandhaafd. Artikel 13 in afdeling IV versterkt de terugmeldingsverplichting naar aanleiding van de wens van de lidstaten om een strengere bepaling in te voeren. Terugmelding motiveert ambtenaren in het veld om beter gebruik te maken van de verschillende vormen van inlichtingenuitwisseling. Artikel 14 in afdeling V regelt de verplichting van de lidstaten om hun ervaringen te delen. Dit artikel verleent het in artikel 24 bedoelde comité ook een raadgevende rol.Artikel 15 van hoofdstuk IV heeft betrekking op de mededeling van inlichtingen en documenten. Het voorstel bevat een ruimhartige benadering die zowel de belangen van de lidstaten als van de belastingplichtigen moet beschermen. Artikel 16 introduceert het beginsel van de onevenredige administratieve last en het uitputtingsbeginsel, en bepaalt op welke gronden de samenwerking kan worden geweigerd.Artikel 17 heeft betrekking op de grenzen die gelden ten aanzien van de verplichtingen. In het eerste lid, dat op artikel 26, lid 4, van het Oeso-Modelbelastingverdrag is gebaseerd, worden eigen belastingdoeleinden en binnenlandse belangen uitgesloten als weigeringsgrond, terwijl het tweede lid, dat op artikel 26, lid 5, van het Oeso-Modelbelastingverdrag is gebaseerd, moet voorkomen dat de beperkingen van artikel 16, leden 2 en 4, worden aangevoerd om de verstrekking van inlichtingen te weigeren uitsluitend omdat zij in het bezit zijn van een bank of een andere financiële instelling, wanneer deze inlichtingen betrekking hebben op een persoon die voor belastingdoeleinden inwoner van de verzoekende lidstaat is. Artikel 18 introduceert het beginsel van de meest begunstigde natie, op grond waarvan een lidstaat een andere lidstaat medewerking moet verlenen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij ten aanzien van een derde land toepast. Artikel 19 heeft betrekking op gemeenschappelijke formulieren en geautomatiseerde formaten voor de uitwisseling van inlichtingen. Er is al begonnen met het ontwerpen van gemeenschappelijke formulieren, die al in een proefproject worden gebruikt. Het formulier voor de automatische uitwisseling van inlichtingen zal worden gebaseerd op het formaat dat wordt gebruikt voor de automatische uitwisseling van inlichtingen krachtens artikel 9 van Richtlijn 2003/48/EG (belastingheffing van spaargelden).Artikel 20 speelt in op de wensen van de lidstaten betreffende minimumbedragen en taalgebruik. Het CCN/CSI-netwerk wordt algemeen gebruikt in de lidstaten en komt tegemoet aan het streven van de Commissie om alle belastingstelsels te laten gebruikmaken van dezelfde kanalen. Artikel 21 bevat specifieke verplichtingen inzake administratieve samenwerking in fiscale aangelegenheden binnen en tussen lidstaten. Artikel 22 van hoofdstuk V stelt de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaten vast. De lidstaten hebben de taak alle nuttige informatie over de werking van de richtlijn mee te delen.Artikel 23 van hoofdstuk VI regelt de betrekkingen met derde landen. Het voorstel voorziet in de verplichte uitwisseling van inlichtingen afkomstig van buiten de EU en houdt aldus rekening met de recente fraudezaken waarbij een EU-lidstaat en een derde land betrokken waren. Artikel 24 van hoofdstuk VII voorziet in de oprichting van een comité inzake administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen om toe te zien op de werking van de richtlijn. Dit comité kan ook als raadgevend comité optreden.Artikel 25 voert de verplichting in om de werking van de richtlijn te evalueren, meer bepaald vijf jaar na haar inwerkingtreding.Artikel 26 strekt ertoe de bestaande bepalingen in te trekken, terwijl artikel 27 op de omzetting van de richtlijn door de lidstaten ziet en artikel 28 voorschrijft dat zij met ingang van 1 januari 2010 in werking moet treden en van toepassing moet zijn. |

| |

2009/0004 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 93 en 94,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

Gezien het advies van het Europees Parlement [2],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [3],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In dit tijdperk van globalisering moeten de lidstaten steeds vaker een beroep doen op wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. De mobiliteit van de belastingplichtigen, het aantal grensoverschrijdende transacties en de internationalisering van de financiële instrumenten hebben een hoge vlucht genomen, waardoor het voor de lidstaten steeds moeilijker wordt om de verschuldigde belasting juist te heffen. Dit belemmert de goede werking van de belastingstelsels en leidt tot dubbele heffing, hetgeen op zich al de aanzet geeft tot belastingfraude en belastingontduiking, terwijl de controlebevoegdheid een nationale zaak blijft. De werking van de interne markt komt aldus in het gedrang.

(2) Een lidstaat afzonderlijk kan bijgevolg zijn eigen belastingstelsel, met name wat de directe belastingen betreft, niet meer beheren zonder inlichtingen van andere lidstaten. Teneinde de negatieve gevolgen van deze ontwikkeling tot staan te brengen, is het absoluut zaak een nieuwe administratieve samenwerking tussen de belastingdiensten van de lidstaten op te zetten. Er is behoefte aan instrumenten die voor alle lidstaten in dezelfde regels, rechten en verplichtingen voorzien en aldus onderling vertrouwen kunnen wekken.

(3) Daarom moet er een volledig nieuwe aanpak komen op basis van een nieuwe tekst die de lidstaten de bevoegdheden voor een efficiënte samenwerking op internationaal niveau verleent waarmee zij de negatieve gevolgen van een almaar toenemende globalisering van de interne markt kunnen overwinnen. Op die manier overstijgt de administratieve samenwerking nationale wetten zonder deze te vervangen of nader tot elkaar te brengen.

(4) In deze context biedt de bestaande Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies niet langer de passende middelen. De grote tekortkomingen van deze richtlijn zijn aan de orde gesteld in een verslag van mei 2000 van de Groep op hoog niveau fraude van de Raad (document 8668/00) en meer recent in mededelingen van de Commissie in 2004 (COM(2004) 611 definitief) en 2006 (COM(2006) 254 definitief).

(5) Richtlijn 77/799/EEG evenals haar latere wijzigingen zijn geschreven in een context die niet aan de huidige eisen van de interne markt beantwoordt. Richtlijn 77/799/EEG kan niet meer voldoen aan de nieuwe eisen die aan de administratieve samenwerking worden gesteld.

(6) Gelet op het aantal en het belang van de aanpassingen die moeten worden doorgevoerd, zou een wijziging van de bestaande richtlijn alleen ontoereikend zijn om de doelstellingen te verwezenlijken. Daarom moet Richtlijn 77/799/EEG worden ingetrokken en door een nieuw rechtsinstrument worden vervangen. Dat instrument moet van toepassing zijn op directe belastingen en op indirecte belastingen die nog niet onder andere communautaire wetgeving vallen. Een nieuwe richtlijn wordt in dit verband geacht het passende instrument voor een doeltreffende administratieve samenwerking te zijn.

(7) Er zijn met name duidelijker en preciezere voorschriften voor de administratieve samenwerking tussen de lidstaten nodig.

(8) De communicatie tussen de lokale of nationale bureaus die met administratieve samenwerking belast zijn, moet directer verlopen, terwijl zij nu in de regel via de centrale fiscale verbindingsbureaus plaatsvindt. Het gebrek aan directe verbindingen leidt tot inefficiency, ontoereikend gebruik van de regeling voor administratieve samenwerking en vertragingen bij het doorgeven van inlichtingen. Er dient derhalve te worden voorzien in directere verbindingen om de samenwerking efficiënter en sneller te doen verlopen.

(9) De lidstaten moeten op verzoek inlichtingen uitwisselen over specifieke gevallen; de aangezochte lidstaat moet de nodige onderzoeken verrichten om die inlichtingen te verkrijgen; daarbij moet hij de vooraf vastgestelde termijnen om een verzoek te beantwoorden, in acht nemen.

(10) De lidstaten moeten automatisch inlichtingen uitwisselen wanneer een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat de belastingwetgeving in de andere lidstaat niet is nageleefd of waarschijnlijk niet is nageleefd, wanneer het gevaar bestaat dat in de andere lidstaat ten onrechte belasting wordt geheven dan wel dat heffing achterwege blijft, wanneer belasting om een of andere reden in de andere lidstaat is of kan worden ontdoken of ontweken, en in het bijzonder in gevallen waarin zich een kunstmatige verschuiving van winsten tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen voordoet, of wanneer zulke transacties tussen in twee lidstaten gevestigde ondernemingen worden afgewikkeld via een derde land om aldus belastingvoordelen te behalen.

(11) Ook de spontane uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten moet geïntensiveerd en gestimuleerd worden.

(12) Het is belangrijk dat ambtenaren van de belastingdienst van een lidstaat aanwezig kunnen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat en daar de controlebevoegdheden kunnen uitoefenen die aan de ambtenaren van de aangezochte lidstaat zijn verleend.

(13) Twee of meer lidstaten moeten, aangezien er vaak sprake is van gemeenschappelijke of verwante belangen bij de belastingsituatie van een of meer belastingplichtige personen die in verschillende lidstaten gevestigd zijn, in onderlinge overeenstemming en op vrijwillige basis met betrekking tot zulke personen gelijktijdige controles kunnen uitvoeren wanneer zulke controles doeltreffender worden geacht dan controles door slechts één lidstaat.

(14) Gelet op de wettelijke verplichting in sommige lidstaten om een belastingplichtige kennis te geven van akten en beslissingen betreffende door hem verschuldigde belastingen, en de daaruit voortvloeiende moeilijkheden voor de belastingdiensten, met inbegrip van gevallen waarbij de belastingplichtige zich naar een andere lidstaat heeft verplaatst, is het wenselijk dat de belastingautoriteiten in zulke omstandigheden een beroep kunnen doen op de medewerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar de belastingplichtige zich heeft verplaatst.

(15) Ter bevordering van de internationale administratieve samenwerking dienen de lidstaten die om inlichtingen hebben verzocht dan wel automatisch of spontaan inlichtingen hebben verstrekt, een terugmelding te krijgen.

(16) Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie is noodzakelijk om de samenwerkingsprocedures op continue basis te bestuderen en ervaringen en beste praktijken op de gebieden in kwestie met elkaar te delen.

(17) Het is belangrijk voor de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking dat krachtens deze richtlijn verkregen inlichtingen en documenten ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt in de ontvangende lidstaat, wanneer de daar geldende wetgeving dit toestaat. Het is ook belangrijk dat de lidstaten deze inlichtingen aan derde landen kunnen doorgeven.

(18) De lidstaat die om inlichtingen wordt verzocht, kan weigeren deze door te geven wanneer hij zulke inlichtingen op wettelijke gronden niet kan verstrekken, wanneer hierdoor een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim dan wel een fabrieks- of handelswerkwijze zou worden onthuld, of wanneer dit in strijd zou zijn met de openbare orde.

(19) Lidstaten kunnen evenwel niet weigeren inlichtingen door te geven omdat zij er geen nationaal belang bij hebben of omdat de inlichtingen over een inwoner van de andere lidstaat berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, of omdat de inlichtingen betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.

(20) Er moet ook worden duidelijk gemaakt dat wanneer een lidstaat een derde land verdergaande samenwerking verleent dan die waarin deze richtlijn voorziet, hij deze verdergaande samenwerking niet kan weigeren aan de andere lidstaten.

(21) De uitwisseling van inlichtingen dient te geschieden via gestandaardiseerde formulieren, formaten en communicatiekanalen.

(22) De doeltreffendheid van de administratieve samenwerking moet worden geëvalueerd, met name op basis van statistieken.

(23) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [4].

(24) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten om de negatieve gevolgen van de toenemende globalisering op de interne markt te overwinnen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(25) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de samenwerking van de administratieve autoriteiten van de lidstaten met elkaar onderling en met de Commissie met het oog op de juiste heffing van de in artikel 2 bedoelde belastingen, alsook de voorschriften en procedures voor de uitwisseling van bepaalde inlichtingen langs elektronische weg.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle vormen van belastingen, ongeacht de wijze waarop deze worden geheven, met uitzondering van de indirecte belastingen die al onder communautaire wetgeving inzake administratieve samenwerking tussen de lidstaten vallen.

2. De richtlijn is ook van toepassing op verplichte socialezekerheidsbijdragen, te betalen aan een lidstaat of een onderdeel van een lidstaat dan wel aan een publiekrechtelijke socialezekerheidsinstelling.

3. Deze richtlijn is van toepassing op de in de leden 1 en 2 bedoelde belastingen, geheven op het grondgebied waarop het Verdrag overeenkomstig artikel 299 van toepassing is.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "bevoegde autoriteit": iedere autoriteit die door een lidstaat is aangewezen voor de toepassing van deze richtlijn, hetzij rechtstreeks hetzij bij delegatie;

2. "administratief onderzoek": alle door de lidstaten bij de uitoefening van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties ter waarborging van de juiste toepassing van de belastingwetgeving;

3. "uitwisseling van inlichtingen op verzoek": de uitwisseling van inlichtingen als reactie op een verzoek van de verzoekende lidstaat aan de aangezochte lidstaat met betrekking tot een specifiek geval;

4. "automatische uitwisseling": de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen dan wel indien en wanneer deze inlichtingen beschikbaar worden;

5. "spontane uitwisseling": de niet-systematische verstrekking van inlichtingen aan een andere lidstaat, op een willekeurig tijdstip en zonder voorafgaand verzoek;

6. "persoon":

a) een natuurlijk persoon,

b) een rechtspersoon, of

c) indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke status van rechtspersoon bezit;

d) een juridische constructie, met inbegrip van vennootschappen en trusts, waarvan het inkomen of vermogen aan onder deze richtlijn vallende belastingen is onderworpen;

7. "toegang verlenen": machtiging verlenen voor toegang tot de relevante elektronische gegevensbank, alsmede voor het verkrijgen van gegevens langs elektronische weg;

8. "langs elektronische weg": door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevensopslag, met gebruikmaking van kabels, radio, optische technologie of andere elektromagnetische middelen;

9. "CCN-netwerk": het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk (CCN) gebaseerde gemeenschappelijke platform dat de Gemeenschap ontwikkeld heeft voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.

Artikel 4

Organisatie

1. Iedere lidstaat doet de Commissie uiterlijk een maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn mededeling van een voor de toepassing van deze richtlijn bevoegde autoriteit.

De Commissie stelt alle lidstaten in kennis van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

2. Iedere lidstaat wijst één fiscaal verbindingsbureau aan dat primair verantwoordelijk is voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de onder deze richtlijn vallende administratieve samenwerking.

Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten hiervan in kennis.

3. De bevoegde autoriteit van iedere lidstaat kan fiscale verbindingsdiensten aanwijzen.

Een fiscale verbindingsdienst is ieder ander bureau dan het fiscaal verbindingsbureau dat een specifieke territoriale bevoegdheid of een gespecialiseerde operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze dienst is gemachtigd om rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen op grond van deze richtlijn.

Het fiscaal verbindingsbureau houdt een lijst van de fiscale verbindingsdiensten bij en zorgt ervoor dat deze toegankelijk is voor de fiscale verbindingsbureaus van de andere lidstaten en de Commissie.

4. De bevoegde autoriteit van iedere lidstaat kan bevoegde ambtenaren aanwijzen die gemachtigd zijn om op grond van deze richtlijn rechtstreeks deel te nemen aan administratieve samenwerking, tenzij wanneer deze richtlijn een specifieke machtiging daartoe vereist.

Het fiscaal verbindingsbureau houdt een lijst van bevoegde ambtenaren bij en zorgt ervoor dat deze toegankelijk is voor de fiscale verbindingsbureaus van de andere lidstaten en de Commissie.

5. Ambtenaren die op basis van deze richtlijn aan administratieve samenwerking deelnemen, worden in elk geval geacht over de daartoe vereiste bevoegdheid te beschikken, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen.

6. Wanneer een fiscale verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek of een antwoord op een verzoek om samenwerking verzendt of ontvangt, stelt hij het fiscaal verbindingsbureau van zijn lidstaat hiervan in kennis overeenkomstig de procedures van deze lidstaat.

7. Wanneer een fiscale verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek om samenwerking ontvangt dat een optreden buiten zijn territoriale of operationele bevoegdheid vereist, geeft hij het verzoek onverwijld door aan het fiscaal verbindingsbureau van zijn lidstaat en stelt hij de verzoekende autoriteit hiervan in kennis. In dat geval vangt de in artikel 8 bedoelde termijn aan op de dag nadat het verzoek om samenwerking aan het fiscaal verbindingsbureau is doorgezonden.

HOOFDSTUK II

UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

AFDELING I

UITWISSELING VAN INLICHTINGEN OP VERZOEK

Artikel 5

Procedure voor de uitwisseling van inlichtingen op verzoek

1. Op verzoek van het fiscaal verbindingsbureau, een fiscale verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar van een lidstaat (hierna "de verzoekende autoriteit") verstrekt het fiscaal verbindingsbureau, een fiscale verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar van de lidstaat waaraan een verzoek om samenwerking is gericht (hierna "de aangezochte autoriteit"), inlichtingen die voor de juiste heffing van de in artikel 2 bedoelde belastingen relevant kunnen zijn, met inbegrip van alle inlichtingen over een specifiek geval of specifieke gevallen.

2. De aangezochte autoriteit verstrekt de verzoekende autoriteit alle relevante inlichtingen die zij in haar bezit heeft of naar aanleiding van administratieve onderzoeken verkrijgt.

Artikel 6

Administratieve onderzoeken

1. De aangezochte autoriteit laat alle administratieve onderzoeken verrichten die noodzakelijk zijn om de in artikel 5 bedoelde inlichtingen te verkrijgen.

2. Het in artikel 5, lid 1, bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een specifiek administratief onderzoek omvatten. Indien de aangezochte autoriteit van oordeel is dat een administratief onderzoek niet nodig is, stelt zij de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de redenen waarop zij haar oordeel baseert.

3. Voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen of het verrichten van het gevraagde administratieve onderzoek gaat de aangezochte autoriteit te werk volgens dezelfde procedures als handelde zij uit eigen beweging of op verzoek van een andere autoriteit van haar eigen lidstaat.

Artikel 7

Termijnen

1. De aangezochte autoriteit verstrekt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek, de in artikel 5 bedoelde inlichtingen.

Wanneer de aangezochte autoriteit deze inlichtingen evenwel al in haar bezit heeft, verstrekt zij deze binnen een maand te rekenen vanaf die datum.

2. Voor sommige bijzondere categorieën van gevallen, waaronder complexe gevallen, kunnen de aangezochte en de verzoekende autoriteit andere dan de in lid 1 vastgestelde termijnen overeenkomen.

3. De aangezochte autoriteit geeft de verzoekende autoriteit onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst, langs elektronische weg een ontvangstbevestiging.

4. De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek in kennis van eventuele tekortkomingen in het verzoek en de behoefte aan eventuele aanvullende achtergrondinformatie.

5. Wanneer de aangezochte autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt zij de verzoekende autoriteit onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, mee waarom zij de termijn niet kan nakomen en wanneer zij denkt aan het verzoek te kunnen voldoen.

6. Wanneer de aangezochte autoriteit niet aan het verzoek om inlichtingen kan voldoen of het verzoek afwijst, deelt zij de verzoekende autoriteit onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, de redenen daarvan mee.

AFDELING II

AUTOMATISCHE UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

Artikel 8

Reikwijdte en voorwaarden

1. De bevoegde autoriteit van iedere lidstaat wisselt op automatische basis inlichtingen uit met de andere lidstaten over bijzondere categorieën van inkomen en vermogen.

2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn stelt de Commissie volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde procedure het volgende vast:

a) de inkomens- en vermogenscategorieën die onder deze uitwisseling vallen;

b) het soort uit te wisselen inlichtingen;

c) specifieke voorwaarden of beperkingen binnen de onder a) bedoelde categorieën;

d) de frequentie van de uitwisseling;

e) de praktische regelingen voor de uitwisseling van inlichtingen.

3. Behalve over de in lid 2 bedoelde inkomens- en vermogenscategorieën wisselt de bevoegde autoriteit van iedere lidstaat in de hierna genoemde gevallen op automatische basis met de bevoegde autoriteit van iedere andere betrokken lidstaat inlichtingen uit die voor de juiste heffing van de in artikel 2 bedoelde belastingen vereist zijn:

a) wanneer de belastingheffing wordt geacht plaats te vinden in de lidstaat die de inlichtingen ontvangt, en de doeltreffendheid van het controlesysteem kan worden bevorderd dankzij de inlichtingen van de verstrekkende lidstaat;

b) wanneer een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat in de andere lidstaat de belastingwetgeving niet is nageleefd of waarschijnlijk niet is nageleefd;

c) wanneer het gevaar bestaat dat in de andere lidstaat ten onrechte belasting wordt geheven dan wel dat heffing achterwege blijft;

d) wanneer belasting om een of andere reden in de andere lidstaat wordt of kan worden ontdoken of ontweken, en in het bijzonder in gevallen waarin zich een kunstmatige verschuiving van winsten tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen voordoet, of wanneer zulke transacties tussen in twee lidstaten gevestigde ondernemingen worden afgewikkeld via een derde land om aldus belastingvoordelen te behalen.

4. Wanneer de lidstaten een bilaterale of multilaterale overeenkomst sluiten met het oog op de juiste heffing van de in artikel 2 bedoelde belastingen, voorzien zij in automatische inlichtingenuitwisseling met betrekking tot bepaalde inkomens- en vermogenscategorieën. Te dien einde specificeren zij in die overeenkomsten de volgende elementen:

a) de inkomens- en vermogenscategorieën die onder deze uitwisseling vallen;

b) het soort uit te wisselen inlichtingen;

c) specifieke voorwaarden of beperkingen binnen de onder a) bedoelde categorieën;

d) de frequentie van de uitwisseling;

e) de praktische regelingen voor de uitwisseling van inlichtingen.

De lidstaten doen de Commissie de door hen gesloten overeenkomsten toekomen. De Commissie stelt deze overeenkomsten ter beschikking van de overige lidstaten.

De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 24, lid 2, een modelovereenkomst vast.

AFDELING III

SPONTANE UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

Artikel 9

Reikwijdte en voorwaarden

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen in ieder geval spontaan alle in artikel 1 bedoelde inlichtingen die hun bekend zijn, onderling uitwisselen, met name wanneer de belastingheffing wordt geacht plaats te vinden in de lidstaat die de inlichtingen ontvangt, en wanneer de doeltreffendheid van het controlesysteem kan worden bevorderd dankzij de inlichtingen van de verstrekkende lidstaat.

HOOFDSTUK III

ANDERE VORMEN VAN ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

AFDELING I

AANWEZIGHEID IN DE ADMINISTRATIEKANTOREN EN DEELNAME AAN ADMINISTRATIEVE ONDERZOEKEN

Artikel 10

Reikwijdte en voorwaarden

1. De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden

a) aanwezig kunnen zijn in de kantoren waar de administratieve autoriteiten van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit gevestigd is, hun taken vervullen;

b) aanwezig kunnen zijn bij administratieve onderzoeken op het grondgebied van de aangezochte lidstaat.

Wanneer de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren van de aangezochte autoriteit toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de verzoekende autoriteit afschriften van die bescheiden.

2. Wanneer ambtenaren van de verzoekende autoriteit aanwezig zijn bij administratieve onderzoeken overeenkomstig lid 1, kunnen zij de controlebevoegdheden uitoefenen die aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verleend, op voorwaarde dat zij deze bevoegdheden uitoefenen in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de aangezochte lidstaat.

Wanneer de te controleren persoon weigert zich aan de controlemaatregelen van de ambtenaren van de verzoekende autoriteit te onderwerpen, wordt deze weigering door de aangezochte autoriteit aangemerkt als een weigering jegens haar eigen ambtenaren.

3. Door de verzoekende lidstaat gemachtigde ambtenaren die aanwezig zijn in een andere lidstaat in overeenstemming met lid 1, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen voorleggen waarin hun identiteit en hun officiële hoedanigheid zijn vermeld.

AFDELING II

GELIJKTIJDIGE CONTROLES

Artikel 11

Gelijktijdige controles

1. Wanneer twee of meer lidstaten overeenkomen om gelijktijdig, ieder op zijn eigen grondgebied, controles te verrichten bij een of meer personen ten aanzien van wie zij gemeenschappelijke of verwante belangen hebben, teneinde de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2. De bevoegde autoriteit van iedere lidstaat stelt op onafhankelijke wijze vast welke personen zij voor een gelijktijdige controle wil voorstellen. Zij deelt de bevoegde autoriteit van de andere betrokken lidstaten mee welke dossiers zij voor een gelijktijdige controle voorstelt en motiveert haar keuze.

Zij geeft aan binnen welk tijdsbestek deze controles moeten plaatsvinden.

3. De bevoegde autoriteit van iedere betrokken lidstaat beslist of zij aan de gelijktijdige controle wenst deel te nemen. Zij doet de autoriteit van wie het voorstel voor de gelijktijdige controle uitging, een bevestiging van deelname of een met redenen omklede weigering toekomen.

4. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten wijzen elk voor zich een vertegenwoordiger aan die belast wordt met de leiding en de coördinatie van de controle.

AFDELING III

ADMINISTRATIEVE NOTIFICATIE

Artikel 12

Verzoek tot notificatie

1. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een lidstaat gaat de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, overeenkomstig de in de aangezochte lidstaat geldende voorschriften voor de notificatie van soortgelijke akten, over tot notificatie aan de geadresseerde van alle door de administratieve autoriteiten van de verzoekende lidstaat afgegeven akten en beslissingen die betrekking hebben op de toepassing op haar grondgebied van wetgeving betreffende onder deze richtlijn vallende belastingen.

2. In een verzoek tot notificatie worden de naam en het adres van de geadresseerde vermeld, evenals alle overige informatie die bijdraagt aan de identificatie van de geadresseerde, en de akte of de beslissing waarvan de geadresseerde kennis moet worden gegeven.

3. De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat aan het verzoek is gegeven en, in het bijzonder, van de datum waarop de akte of de beslissing de geadresseerde ter kennis is gebracht.

AFDELING IV

TERUGMELDING

Artikel 13

Voorwaarden

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten doen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat zij gebruik hebben gemaakt van een antwoord op een verzoek om inlichtingen of van spontaan verstrekte inlichtingen, een terugmelding naar andere lidstaten.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten doen eenmaal per jaar een terugmelding over de automatische inlichtingenuitwisseling naar de andere betrokken lidstaten. Wanneer de terugmelding betrekking heeft op inlichtingen die zijn verstrekt krachtens artikel 8, leden 1 en 2, wordt de uiterste datum voor de terugmelding bepaald volgens de procedure van artikel 23, lid 2. Wanneer de terugmelding betrekking heeft op inlichtingen die zijn verstrekt krachtens artikel 8, leden 3 en 4, wordt de uiterste datum voor de terugmelding bepaald in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken lidstaten.

3. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 24, lid 2, de praktische regeling vast.

AFDELING V

DELEN VAN BESTE PRAKTIJKEN EN ERVARINGEN

Artikel 14

Reikwijdte en voorwaarden

1. De lidstaten zien, samen met de Commissie, toe op de administratieve samenwerking uit hoofde van deze richtlijn en delen hun ervaringen met elkaar, teneinde deze samenwerking te verbeteren en in voorkomend geval voorschriften op de betrokken gebieden vast te stellen.

2. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 23, lid 3, richtsnoeren vaststellen, met name wat betreft:

a) landenprofielen ten behoeve van het delen van informatie over de nationale wetgeving die in iedere lidstaat op het gebied van de administratieve samenwerking bij de heffing van belastingen wordt toegepast;

b) risicobeheerstechnieken;

c) andere mogelijke acties die nodig worden geacht voor het delen van beste praktijken en ervaringen.

HOOFDSTUK IV

VOORWAARDEN VOOR DE ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 15

Mededeling van inlichtingen en documenten

1. Inlichtingen en documenten die overeenkomstig deze richtlijn door de verzoekende of aangezochte autoriteit zijn verkregen, mogen aan andere autoriteiten in dezelfde lidstaat worden meegedeeld, voor zover dit door de wetgeving van die lidstaat wordt toegestaan, ook als die inlichtingen voor andere dan de in lid 2 bedoelde doeleinden kunnen worden gebruikt.

2. Wanneer een bevoegde autoriteit van een lidstaat van oordeel is dat inlichtingen die zij van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat heeft verkregen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, mag zij deze inlichtingen aan laatstgenoemde bevoegde autoriteit doorgeven, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de in deze richtlijn vastgelegde voorschriften en procedures.

3. Inlichtingen, verslagen, verklaringen en overige bescheiden, of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die door de aangezochte autoriteit zijn verkregen en aan de verzoekende autoriteit zijn doorgegeven overeenkomstig deze richtlijn, mogen door de bevoegde instanties van de lidstaat van de verzoekende autoriteit als bewijs worden aangevoerd/gebruikt op dezelfde voet als soortgelijke inlichtingen, verslagen, verklaringen en overige bescheiden die door een andere autoriteit van dat land zijn verstrekt.

Artikel 16

Verplichtingen

1. De aangezochte autoriteit van een lidstaat verstrekt de in artikel 5 bedoelde inlichtingen aan een verzoekende autoriteit van een andere lidstaat op voorwaarde dat:

a) het aantal en de aard van de binnen een bepaalde periode door deze verzoekende autoriteit ingediende verzoeken om inlichtingen geen onevenredige administratieve last voor de aangezochte autoriteit betekenen,

b) de verzoekende autoriteit voor het verkrijgen van de inlichtingen eerst een beroep heeft gedaan op alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden had kunnen benutten zonder het verkrijgen van het beoogde resultaat in gevaar te brengen.

2. Deze richtlijn verplicht een lidstaat die om inlichtingen wordt verzocht, niet om onderzoeken te verrichten of inlichtingen te verstrekken, wanneer zijn nationale wetgeving hem niet toestaat voor eigen doeleinden zulke onderzoeken te verrichten of de gevraagde inlichtingen te verzamelen.

3. De bevoegde autoriteit van een aangezochte lidstaat kan weigeren inlichtingen te verstrekken indien de verzoekende lidstaat op wettelijke gronden niet in staat is soortgelijke inlichtingen te verstrekken.

4. Het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien dit zou leiden tot de onthulling van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of wanneer het inlichtingen betreft waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.

5. De aangezochte autoriteit deelt de verzoekende autoriteit de redenen voor een afwijzing van een verzoek om inlichtingen mee.

6. Originelen worden slechts verstrekt indien de geldende bepalingen van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, dat niet beletten.

Artikel 17

Grenzen

1. Wanneer door een lidstaat om inlichtingen wordt verzocht overeenkomstig deze richtlijn, wendt de andere lidstaat zijn middelen voor het verzamelen van inlichtingen aan om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen, zelfs wanneer die andere lidstaat zulke inlichtingen voor zijn eigen belastingdoeleinden niet nodig heeft. Deze verplichting geldt onverminderd de leden 2, 3 en 4 van artikel 16, die, wanneer er een beroep op wordt gedaan, in geen geval zodanig mogen worden uitgelegd dat zij een lidstaat toestaan te weigeren inlichtingen te verstrekken uitsluitend omdat hij geen nationaal belang bij die inlichtingen heeft.

2. In geen geval worden de leden 2 en 4 van artikel 16 zodanig uitgelegd dat zij een aangezochte autoriteit van een lidstaat toestaan te weigeren inlichtingen te verstrekken over een persoon die voor belastingdoeleinden inwoner is van de lidstaat van de aangezochte autoriteit, uitsluitend omdat deze inlichtingen berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, of omdat zij betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.

Artikel 18

Verdergaande samenwerking

Wanneer een lidstaat een derde land verdergaande samenwerking verleent dan die waarin deze richtlijn voorziet, kan hij deze verdergaande samenwerking niet weigeren aan de andere lidstaten.

Artikel 19

Standaardformulieren en geautomatiseerde formaten

1. Voor het indienen van verzoeken om inlichtingen of administratieve onderzoeken krachtens artikel 5 alsook het mededelen van antwoorden, ontvangstbevestigingen, verzoeken om aanvullende achtergrondinformatie dan wel het onvermogen of de weigering om aan een verzoek te voldoen overeenkomstig artikel 6, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van een standaardformulier dat door de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, wordt vastgesteld.

Bij de standaardformulieren kunnen verslagen, verklaringen en overige bescheiden, of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, worden gevoegd.

2. Voor spontane inlichtingenuitwisselingen krachtens artikel 8, verzoeken tot administratieve notificatie krachtens artikel 12 en terugmeldingen krachtens artikel 13 wordt gebruik gemaakt van het in lid 1 bedoelde standaardformulier.

3. Voor automatische inlichtingenuitwisselingen krachtens artikel 7 wordt gebruik gemaakt van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld geautomatiseerd standaardformaat dat de automatische uitwisseling van inlichtingen moet vergemakkelijken en gebaseerd is op het bestaande geautomatiseerde formaat van artikel 9 van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad [5], dat moet worden gebruikt voor alle vormen van automatische inlichtingenuitwisseling.

Artikel 20

Praktische regelingen

1. Uit hoofde van deze richtlijn verstrekte inlichtingen worden zoveel mogelijk verzonden langs elektronische weg via het gemeenschappelijk communicatienetwerk / de gemeenschappelijke systeeminterface (CCN-netwerk).

In voorkomend geval stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, praktische regelingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea.

2. De Commissie is verantwoordelijk voor alle ontwikkelingen van het CCN-netwerk die nodig zijn om de inlichtingenuitwisseling tussen de lidstaten mogelijk te maken.

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor alle ontwikkelingen van hun systemen die nodig zijn om de inlichtingenuitwisseling via het CCN-netwerk mogelijk te maken.

De lidstaten zien af van iedere eis tot terugbetaling van uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeiende kosten, behalve, in voorkomend geval, wat aan deskundigen betaalde vergoedingen betreft.

3. Door de instantie voor veiligheidsaccreditatie van de Europese Commissie gemachtigde personen hebben slechts toegang tot deze inlichtingen voor zover dat nodig is voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van het CCN-netwerk.

4. De verzoeken om samenwerking, waaronder de verzoeken tot notificatie, en de bijgevoegde documenten mogen gesteld zijn in een door de aangezochte en de verzoekende autoriteit overeengekomen taal.

Deze verzoeken gaan slechts in bijzondere gevallen, wanneer de aangezochte autoriteit daartoe een met redenen omkleed verzoek heeft gedaan, vergezeld van een vertaling in de officiële taal of één van de officiële talen van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd.

5. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 24, lid 2, een minimumbedrag voor de belastingen in kwestie vaststellen waarboven een verzoek om samenwerking, een automatische inlichtingenuitwisseling of een spontane inlichtingenuitwisseling kan worden gedaan.

Artikel 21

Specifieke verplichtingen

1. De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om:

a) een effectieve interne coördinatie tussen de in artikel 4 bedoelde autoriteiten te garanderen;

b) rechtstreekse samenwerking tussen de in artikel 4 bedoelde autoriteiten tot stand te brengen;

c) de goede werking van de bij deze richtlijn ingestelde regeling voor administratieve samenwerking te garanderen.

2. De Commissie stelt iedere lidstaat in kennis van alle inlichtingen van algemene aard in verband met de tenuitvoerlegging en de toepassing van deze richtlijn die zij ontvangt en die zij kan verstrekken.

HOOFDSTUK V

BETREKKINGEN MET DE COMMISSIE

Artikel 22

Evaluatie

1. De lidstaten en de Commissie onderzoeken en evalueren de wijze waarop de bij deze richtlijn ingestelde administratieve samenwerking functioneert.

2. De lidstaten delen de Commissie alle relevante inlichtingen mee die noodzakelijk zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking overeenkomstig deze richtlijn ter bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking.

3. De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8 bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De vorm en wijze van mededeling van die jaarlijkse beoordeling worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

4. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 24, lid 2, een lijst van statistische gegevens vast die door de lidstaten moeten worden verstrekt voor de evaluatie van deze richtlijn.

HOOFDSTUK VI

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 23

Uitwisseling van inlichtingen met derde landen

1. Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat inlichtingen ontvangt van een derde land ten behoeve van de juiste heffing van de in artikel 2 bedoelde belastingen, verstrekt zij deze inlichtingen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor wie die inlichtingen van belang kunnen zijn en in ieder geval aan alle lidstaten die daarom verzoeken, voor zover internationale overeenkomsten met dat derde land zich daar niet tegen verzetten.

De lidstaten dragen er zorg voor dat in hun toekomstige overeenkomsten met derde landen geen bepalingen zijn opgenomen die zich tegen dergelijke inlichtingenverstrekking verzetten.

2. De bevoegde autoriteiten mogen, met inachtneming van hun nationale bepalingen betreffende de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, krachtens deze richtlijn ontvangen inlichtingen doorgeven naar een derde land, op voorwaarde dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) alle bevoegde autoriteiten die de inlichtingen hebben verstrekt, hebben met die doorgifte ingestemd;

b) het betrokken derde land heeft zich ertoe verbonden de medewerking te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent het ongeoorloofde of illegale karakter van verrichtingen die kennelijk in strijd zijn met of een inbreuk vormen op de belastingwetgeving.

HOOFDSTUK VII

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité waarnaar wordt verwezen als het "Comité inzake administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen".

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Naast de uitoefening van de in lid 2 bedoelde taken onderzoekt het Comité inzake administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen elk vraagstuk betreffende de toepassing van deze richtlijn dat door zijn voorzitter, hetzij op diens eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan de orde wordt gesteld.

Artikel 25

Rapportage

Uiterlijk vijf jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn als bedoeld in artikel 27, lid 1, eerste zin, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 26

Intrekking van Richtlijn 77/799/EEG

Richtlijn 77/799/EEG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 27

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 28

Slotbepalingen

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 29

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

.

.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

[1] PB C […] van […], blz. […].

[2] PB C […] van […], blz. […].

[3] PB C […] van […], blz. […].

[4] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[5] PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38.

--------------------------------------------------

Top