This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52008DC0770
Report from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions on the implementation of the trans-european energy networks programme in the period 2002-2006 Pursuant to Article 16 of Regulation 2236/1995/EC
Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van het programma trans-europese energienetwerken in de periode 2002-2006 Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2236/1995
Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van het programma trans-europese energienetwerken in de periode 2002-2006 Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2236/1995
/* COM/2008/0770 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 13.11.2008 COM(2008) 770 definitief VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PAREMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN HET PROGRAMMA TRANS-EUROPESE ENERGIENETWERKEN IN DE PERIODE 2002-2006 Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2236/1995 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PAREMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN HET PROGRAMMA TRANS-EUROPESE ENERGIENETWERKEN IN DE PERIODE 2002-2006 Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2236/1995 1. INLEIDING De Commissie legt het "Uitvoeringsverslag trans-Europese energienetwerken (TEN-E) programma 2002-2006" voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2236/95[1] van de Raad van 18 september 1995 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken (hierna "verordening inzake de financiering van de TEN"). Dit verslag stelt de projecten van TEN-E aan de orde die medegefinancierd zijn onder de TEN-E-begroting in de periode 2002-2006 (onderzoeken en projecten). Ook is onderzoek verricht naar de concrete, tijdens de tenuitvoerlegging van prioritaire TEN-E-projecten bereikte voortgang in de onderzoeksperiode. De verslagperiode werd bepaald door de richtsnoeren voor trans-Europese energienetwerken, vastgesteld in 1996[2] (hierna "TEN-E-richtsnoeren van 1996"), die de jaren 2002 en 2003 bestrijken, de richtsnoeren voor trans-Europese energienetwerken, vastgesteld in 2003[3] (hierna "TEN-E-richtsnoeren van 2003"), die de jaren 2004 tot 2006 bestrijken, en het Financieel Reglement van TEN, vastgesteld in 1995 dat de hele periode 2002-2006 bestrijkt. De verandering in het raamwerk van wetgeving in 2003 is meegenomen in dit verslag over de tenuitvoerlegging. De belangrijkste gebeurtenis in deze periode was de toetreding van tien nieuwe lidstaten in 2004. Om het nieuwe Europese Nabuurschapsbeleid volledig te integreren, zijn op 6 september 2006 herziene richtsnoeren vastgesteld voor trans-Europese energienetwerken [4]. De Commissie achtte het belangrijk infrastructurele kwesties aan de orde te stellen in de Strategische Europese Energie-Evaluatie (SEEE), waar de Europese Raad in maart 2006 om had gevraagd. Een Mededeling over een Prioritair interconnectieplan[5], op grond van de in 2006 vastgestelde TEN-E-richtsnoeren, werd op 10 januari 2007 gepresenteerd als onderdeel van het SEEE-pakket. 2. VAN TOEPASSING ZIJNDE WETGEVING IN DE PERIODE 2002-2006 2.1.1. TEN-E-richtsnoeren De eerste richtsnoeren van de Europese Gemeenschap voor trans-Europese energienetwerken werden in 1996 vastgesteld[6]. Met deze richtsnoeren werd de lijst vastgesteld van projecten die in aanmerking zouden kunnen komen voor medefinanciering door de EG, alsmede de criteria waaraan die projecten zouden moeten voldoen. De aanvankelijke lijst van projecten van gemeenschappelijk belang, die in aanmerking komen voor communautaire financiële steun, is tweemaal gewijzigd: in 1997[7] en in 1999[8]. In 2003 werden de TEN-E-richtsnoeren[9] herzien binnen de context van een pakket voorstellen van de Commissie inzake energie-infrastructuur. Aan de herziening ging een uitgebreide Effectrapportage vooraf. Van centraal belang was de voltooiing van een selectie projecten op de prioritaire assen, die een grensoverschrijdend karakter hebben of een aanzienlijke impact hebben op grensoverschrijdende transmissiecapaciteit. De herziening van de richtsnoeren betekent derhalve een wijziging en completering van de lijst met projecten van gemeenschappelijk belang; deze waren eerder beschreven in de bijlage bij de richtsnoeren van 1996 (gewijzigd in 1997 en 1999); in de herziene lijst worden twaalf assen voor prioritaire projecten genoemd. Deze assen houden rekening met de verbindingen die nodig zijn voor het efficiënt functioneren van de interne markt en met het bereiken van een hoge mate van energievoorzieningszekerheid. De elektriciteits- en gasnetten staan ieder voor verschillende uitdagingen: i) De bestaande capaciteit van de stroomverbindingen werd als onvoldoende beschouwd, gezien de verdere toename van uitwisseling en handel. Derhalve hebben de staatshoofden en de regering in maart 2002 op de Europese Raad in Barcelona afgesproken om een indicatieve doelstelling voor lidstaten vast te stellen, volgens welke de capaciteit van stroomaansluitingen voor elk land minimaal gelijk moet zijn aan 10% van de in 2005 in een land beschikbare productiecapaciteit. ii) Met betrekking tot aardgas wordt binnen de EU in de komende 20-30 jaar een toenemende afhankelijkheid van gasinvoer verwacht wegens de uitputting van eigen bronnen. Binnen het TEN-E-beleid was een realistische doelstelling om een extra gasinvoercapaciteit van 70 miljard kubieke meter in 2013 voor te schrijven uit bronnen in Rusland, Noord-Afrika, de regio van de Kaspische Zee en het Midden-Oosten. Op dit ogenblik zijn Noorwegen, Rusland en Noord-Afrika de belangrijkste leveranciers van aardgas. In de toekomst zullen de Kaspische Zee, het Midden-Oosten en de regio van de Perzische Golf eveneens belangrijke leveranciers worden dank zij de ontwikkeling van vloeibaar aardgas (LNG) dat per schip wordt vervoerd. Deze bronnen bepalen de natuurlijke vervoerroutes en de behoefte aan LNG-terminals en hervergassingsvermogen. 2.1.2. Financieel Reglement van TEN Met betrekking tot energie werd het in 1995 aangenomen Financieel Reglement van TEN gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 788/2004[10] en nr. 807/2004[11] van 21 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad. Deze verordening bevat de voorwaarden waaronder in de TEN-E-richtsnoeren geselecteerde TEN-E-projecten in aanmerking komen voor medefinanciering. In het bijzonder omschrijft deze verordening de financieringsniveaus voor onderzoeken (maximaal 50% van de onderzoekskosten) en voor projecten (maximaal 10% van de projectkosten). Artikel 5 van de verordening inzake de financiering van de TEN, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2004, betekende een echte vooruitgang, omdat er een hogere mate van financiering voor projecten van maximaal 20% toegestaan werd voor projecten op de in de TEN-E-richtsnoeren van 2003 geselecteerde prioritaire assen. Toch bleef het afhankelijk van uitvoeringsregels die vereenvoudiging vereisten en beperkt werden door krappe begrotingsmiddelen. 3. VOORTGANG MET SPECIFIEKE PROJECTEN De voortgang van projecten van gemeenschappelijk belang, tot 2003 omschreven in de bijlage bij de TEN-E-richtsnoeren uit 1996, en vanaf 2003 in bijlage III van de TEN-E-richtsnoeren uit 2003, is gerapporteerd in het verslag over de tenuitvoerlegging van de in 2006 gepubliceerde richtsnoeren voor trans-Europese energienetwerken in de periode 2002-2004[12] en in het onderzoek "Tenuitvoerlegging van TEN-E-projecten (2004-2006), Evaluatie en analyse"[13], dat in 2006 in opdracht van het DG TREN is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen. In de periode 2002-2006 werden 57 elektriciteitsprojecten van gemeenschappelijk belang en 23 gasprojecten van gemeenschappelijk belang [14] voltooid. Van deze 80 projecten lagen er 68 op een prioritaire as, omschreven in de in 2003 aanvaarde richtsnoeren. Een samenvatting van deze resultaten staat in tabel 1. Tabel 1: Projecten van gemeenschappelijk belang, afgerond in de periode 2002-2006. Prioritaire projecten | 14 | 20 | 6 | 9 | 5 | 54 | Gas | 4 | 4 | 3 | 9 | 3 | 23 | Prioritaire projecten | 2 | 3 | 1 | 7 | 1 | 14 | TOTAAL | 19 | 25 | 9 | 18 | 9 | 80 | Prioritaire projecten | 16 | 23 | 7 | 16 | 6 | 68 | Van de 80 in de onderzoeksperiode voltooide projecten zijn er 17 medegefinancierd met middelen uit de begroting voor de TEN-E (tussen 1995 en 2006). Een gedetailleerde lijst van de afgeronde projecten van gemeenschappelijk belang in de periode 2002-2006 is te vinden in de bijlage. 4. FINANCIERING VAN DE TEN-E 4.1. Particuliere sector Eigen middelen van de Organisatie van transmissiesysteembeheerders (TSB's) vormen de voornaamste financieringsbron voor de uitgevoerde projecten. Het is moeilijk de hand te leggen op precieze of betekenisvolle cijfers voor de totale investeringen van TSB's in projecten inzake trans-Europese energienetwerken, zeker voor de projecten waarvoor geen TEN-E-financiering is aangevraagd. 4.2. Financiering door lidstaten In de meeste gevallen verlenend de lidstaten geen rechtstreekse financiering voor investeringen in trans-Europese energienetwerken omdat deze projecten meestal door TSB's worden uitgevoerd. 4.3. TEN-E-financieringsprogramma De TEN-E-financiering van trans-Europese energienetwerken vertegenwoordigt in de meeste gevallen een tamelijk beperkt aandeel in de totale kosten. De rol van TEN-E-financiering is te fungeren als katalysator en zo andere investeringsbronnen aan te boren en/of de uitvoering van het project door middel van het TEN-E-label te vergemakkelijken. Van 2002 tot 2006 heeft de Commissie 132 aanvragen ontvangen voor TEN-E-financiering; 72[15] daarvan hebben financiële bijstand genoten. Dit betrof 42 elektriciteitsprojecten en 30 gasprojecten. Bovendien hadden 3 van de 72 subsidiebeslissingen te maken met projecten (2 in de elektriciteitssector en 1 in de gassector); de andere gesubsidieerde projecten hadden betrekking op onderzoeken. In tabel 2 staan gedetailleerde gegevens over het selectieproces. Tabel 2: Gegevens over de selectieresultaten voor het toewijzen van TEN-E-financiering in de periode 2002-2006. Elektriciteit Studies Werkzaamheden | 13 10 3 | 24 14 10 | 15 13 2 | 12 10 2 | 10 10 0 | 74 57 17 | Gas Studies Werkzaamheden | 15 11 4 | 13 12 1 | 20 17 3 | 6 6 0 | 4 3 1 | 58 49 9 | Besluiten inzake de toekenning van de subsidie | 12 | 13 | 18 | 16 | 13 | 72 | Elektriciteit Studies Werkzaamheden | 6 6 0 | 7 7 0 | 10 9 1 | 10 9 1 | 9 9 0 | 42 40 2 | Gas Studies Werkzaamheden | 6 6 0 | 6 6 0 | 8 8 0 | 6 6 0 | 4 3 1 | 30 29 1 | In de periode 2002-2006 werd in het kader van de TEN-E-begroting een totale subsidie toegewezen van ongeveer 93 726 000 euro (zie tabel 3). Van dit bedrag werd 57% besteed aan de gassector en 43% aan de elektriciteitssector. 94% van dit bedrag is besteed aan de medefinanciering van studies (maximaal 50%) en 6% ervan aan de medefinanciering van werkzaamheden (maximaal 10%). In tabel 3 staan gedetailleerde gegevens over de verplichtingen van TEN-E in de periode 2002-2006. Tabel 3: Verplichtingen van TEN-E in de periode 2002-2006 (M EUR) Vastleggingen Elektriciteit Studies Werkzaamheden Gas Studies Werkzaamheden | 14,505 3,427 3,427 0 11,078 11,078 0 | 18,498 6,133 6,133 0 12,365 12,365 0 | 20,106 10,205 9,199 1,006 9,901 9,901 0 | 20,585 9,042 6,042 3,000 11,543 11,543 0 | 20,032 11,223 11,223 0 8,809 7,089 1,720 | 93,726 40,030 36,024 4,006 53,696 51,976 1,720 | In 2002 werd het gros van de ontvangen voorstellen tijdens de selectieprocedure afgewezen, omdat niet werd voldaan aan de selectiecriteria, omdat het de projecten aan maturiteit ontbrak en/of omdat de voorstellen onvolledig waren. Dientengevolge kon slechts 70% van de beschikbare begroting worden toegewezen. In 2003 bedroeg de steun van TEN-E voor geselecteerde projecten bijna 100% van de beschikbare begroting. Wegens de terugtrekking van een initiatiefnemer van een van de geselecteerde projecten kon echter slechts 86% van het beschikbare budget worden toegewezen. In 2004 bedroeg de steun van TEN-E voor geselecteerde projecten 21 484 260 euro, bijna 100% van de beschikbare begroting. Toch is ook een in 2004 geselecteerd voorstel door de aanvrager teruggetrokken en kon uiteindelijk 94% van het beschikbare budget worden toegewezen. In 2005 kon 96% van de beschikbare middelen worden toegewezen. In 2006 is een beperkt aantal voorstellen ontvangen; een ervan voldeed niet aan de subsidiecriteria. De in aanmerking komende voorstellen doorliepen alle de evaluatieprocedure; de desbetreffende TEN-E-bijstand bedroeg 20 032 000 euro. Bijgevolg kon slechts 93% van het beschikbare budget worden toegewezen. Met betrekking tot het aan prioritaire projecten bestede bedrag, omschreven in de TEN-E-richtsnoeren uit 2003 en geselecteerd voor financiering in de periode 2004-2006, werd bijna 61% van de beschikbare begroting toegewezen aan projecten op prioritaire assen, terwijl 39% werd toegekend aan projecten van gemeenschappelijk belang. De elektriciteits- en gasnetwerken ontvingen respectievelijk 47% en 53% van de middelen voor prioritaire projecten, alsmede respectievelijk 55% en 45% van het budget voor projecten van gemeenschappelijk belang. Het TEN-E-programma richt zich hoofdzakelijk op de medefinanciering van onderzoeken in een vroeg stadium van de projectontwikkeling, waardoor er meer risico is op terugtrekking of intrekking door de aspirant-initiatiefnemers van projecten. Een verhoging van de TEN-E-begroting zou het mogelijk maken de medefinanciering van projecten uit te breiden tot een latere fase in de ontwikkeling (bouwfase), met name in die gevallen waar de continuïteit van de energievoorziening op het spel staat. 4.4. Leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) Sinds de start van het initiatief voor de trans-Europese netwerken in de jaren 90 van de vorige eeuw blijven trans-Europese netwerken een belangrijke financieringsprioriteit voor de EIB. De leningen van de EIB betreffende de energie-infrastructuur omvatten projecten die opgenomen zijn in de richtsnoeren voor trans-Europese energienetwerken[16], alsmede projecten op het gebied van energie-infrastructuur die niet zijn opgenomen maar wel voldoen aan de in bijlagen I en II van de TEN-E-richtsnoeren vastgestelde criteria. In de periode 2002-2006 verstrekte de EIB voor een bedrag van 831 miljoen euro leningen aan de elektriciteitssector en 2 185 miljoen euro aan de gassector. Zo'n 36% van het totale bedrag werd toegewezen aan prioritaire projecten, bijna 50% werd toegewezen aan projecten van gemeenschappelijk belang, en ongeveer 14% aan andere TEN-projecten die niet staan genoemd in bijlage III van de TEN-E-richtsnoeren maar deel uitmaken van prioritaire assen, als omschreven in bijlagen I en II van de TEN-E-richtsnoeren (zie tabel 4). Deze leningen ondersteunden grote grensoverschrijdende projecten (elektriciteitsinterconnectoren, gaspijpleidingen), uitbreiding en/of versterking van transmissienetwerken, inclusief opslag en LNG-terminals. Tabel 4: Door de EIB verstrekte leningen voor energie-infrastructuur van trans-Europees belang in de periode 2002-2006 (M EUR) Prioritaire TEN-projecten | 0 | 0 | 0 | 125 | 0 | 125 | TEN-projecten van gemeenschappelijk belang | 50 | 140 | 0 | 330 | 0 | 520 | Andere TEN-projecten | 0 | 0 | 0 | 160 | 26 | 186 | Gas (bedragen) | 155 | 273 | 1 272 | 277 | 208 | 2 185 | Prioritaire TEN-projecten | 0 | 230 | 705 | 0 | 22 | 957 | TEN-projecten van gemeenschappelijk belang | 0 | 43 | 500 | 277 | 186 | 1 006 | Andere TEN-projecten | 155 | 0 | 67 | 0 | 0 | 222 | TOTALE BEDRAGEN | 205 | 413 | 1 272 | 892 | 234 | 3 016 | Prioritaire TEN-projecten | 0 | 230 | 705 | 125 | 22 | 1 082 | TEN-projecten van gemeenschappelijk belang | 50 | 183 | 500 | 607 | 186 | 1 526 | Andere TEN-projecten | 155 | 0 | 67 | 160 | 26 | 408 | 4.5. Cohesiebeleid De energie-infrastructuur ontvangt aanzienlijke steun via de Structuurfondsen. Een significant deel van deze steun wordt vaak gereserveerd voor de energie-infrastructuur in het algemeen, inclusief distributienetten, en niet uitsluitend aan interconnectoren. In de periode 2000-2006 bedroeg de rechtstreekse financiële steun van het Cohesiebeleid voor energie-infrastructuren (productie en levering) 293 283 755 euro onder doelstelling 1 en 26 306 822 euro onder doelstelling 2.[18] 4.6. Financieringsinfrastructuur in derde landen 4.6.1. PHARE Het onder PHARE in de landen van Midden- en Oost-Europa uitgevoerde, grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma financierde activiteiten, zoals verbetering van de infrastructuur en levering van plaatselijk benodigd water, gas en elektriciteit, en maatregelen op het gebied van energie en vervoer, gericht op de ontwikkeling van trans-Europese netwerken. 4.6.2. CARDS Eind 2001 werden een regionaal strategiedocument en landenstrategieën goedgekeurd voor Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYR) en de Federale Republiek Joegoslavië, die de periode 2002-2006 bestrijken. Een van de specifieke doelstellingen van regionale samenwerking in het kader van de regionale strategie van CARDS was "reïntegratie van de in het stabilisatie- en associatieproces deelnemende landen in de Europese infrastructuurnetwerken, met name voor vervoer, grensbeheer en energie" door ze te helpen "bij de ontwikkeling van samenhangende strategieën voor infrastructuur met een internationale dimensie op het vlak van vervoer en energie." Dit kader kan gezien worden als een voorbereidende maatregel om de toetredingslanden te integreren in de TEN-netwerken en samenhang te garanderen tussen het netwerk van de EU en dat van de aangrenzende landen. 4.6.3. ISPA Het energiebeleid behoorde niet tot de interventiegebieden van het ISPA (Comité inzake het pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid) voor kandidaat-landen uit Midden- en Oost-Europa in de periode 2000-2006. 4.6.4. TACIS In de periode 2000-2006 omvatte het TACIS-programma landen uit Oost-Europa en Centraal-Azië en uitgaven voor infrastructuurnetten, in het bijzonder pijpleidingen en energietransmissienetten[19]. 4.6.5. MEDA Het MEDA-programma omvatte Algerije, Cyprus, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Syrië, Tunesië, Turkije en de bezette gebieden in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, en kosten voor het verbeteren van economische infrastructuren, zoals de energiesector[20]. In 2005 verleende de Gemeenschap in het kader van het MEDA-programma voor de oprichting van de Euro-Arabische Mashrek-gasmarkt (EAMGM) 6 miljoen euro bijstand. De EAMGM draagt onder andere bij tot de totstandbrenging van belangrijke verbindingsinfrastructuren in de regio (Arab Gas Pipeline en andere) en stimuleert het gebruik van gas. De deelnemende landen zijn Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië. De planning is dat dit project eind 2008 afgerond is. Sinds 2007 zijn MEDA en TACIS vervangen door het nieuwe Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument. 5. BEOORDELING 5.1. Tussentijdse evaluatie In 2004 hebben onafhankelijke deskundigen voor de Commissie een tussentijdse evaluatie[21] uitgevoerd van het TEN-Energieprogramma voor de periode 2000-2006. De twee belangrijkste doelstellingen van de evaluatie halverwege waren: i) de impact te beoordelen van door het TEN-E-programma gesubsidieerde onderzoeken en projecten, en ii) praktisch advies te geven ter verbetering van het totale rendement van het programma. Uit de beoordeling kwam naar voren dat uitvoering van de projecten die al reeds in de in juni 2003 vastgestelde TEN-E-richtsnoeren waren geselecteerd, positief werd beoordeeld; de beoordeling legde de nadruk op de voornaamste thema's voor de nieuwe richtsnoeren: - de cohesie door het integreren van de energienetten van de nieuwe lidstaten; - het milieu door de verbinding van de hernieuwbare-energieproductiesites te vergemakkelijken; - de interne energiemarkt door het uitwisselingsvermogen te vergroten; - de energievoorzieningszekerheid door het vermogen te vergroten en door de bronnen en de routes te diversifiëren; - de samenwerking met de aangrenzende landen. Op grond van de in het evaluatierapport gedane aanbevelingen zijn de volgende maatregelen getroffen: - versterking van de relaties met de lidstaten teneinde hun behoeften en beleid ten aanzien van energienetwerken beter te begrijpen; - verdere concentratie van communautair subsidiegeld voor de meest belangrijke projecten (projecten van Europees belang en prioritaire projecten); - versterken van de samenwerking met andere gerelateerde instrumenten, d.w.z. Structuurfondsen, EIB enz., teneinde interne synergieën te bundelen en ten volle te profiteren van het TEN-E-netwerk als referentienetwerk. 5.2. Ex-post evaluatie Onafhankelijke deskundigen zullen in 2008 voor de Commissie een ex-post evaluatie uitvoeren van in het kader van het TEN-Energieprogramma voor de periode 2000-2006 medegefinancierde projecten overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2236/95[22] van de Raad van 18 september 1995 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken. 5.3. Controle van de subsidietoekenningen De controle van de contracten en besluiten is grotendeels gebaseerd op de verplichting van de begunstigde om verslag uit te brengen over de voortgang van de medegefinancierde onderzoeken of projecten, en enig verzoek om rectificatie van het contract of besluit op gepaste wijze te onderbouwen. 28 verzoeken om verlenging betreffende 20 van de in het tijdvak 2002-2006 opgestelde 72 toewijzingsbesluiten zijn naar de Commissie gezonden; 26 daarvan (11 elektriciteit en 15 gas) zijn geaccepteerd. De voornaamste redenen voor de vertraging waren: vertraging in de vergunningsprocedures, marktontwikkelingen die kunnen leiden tot wijzigingen in de strategie, overdracht van activiteiten naar een nieuwe begunstigde overeenkomstig Richtlijn 2003/55/EG[23] en Richtlijn 2003/54/EG[24], technische moeilijkheden en bedrijfsveranderingen. 6. BUITENLANDSE BETREKKINGEN De herzieningen van de TEN-E-richtsnoeren die in 2003 en 2006 plaatsvonden, versterkten de buitenlandse dimensie van de trans-Europese energienetwerken door de verbindingen met toetredende en aangrenzende landen uit te breiden. De herziening van 2006 kwam vooral tegemoet aan de behoefte om nieuwe lidstaten, toetredings- en kandidaat-landen volledig te integreren in die richtsnoeren, en deze richtsnoeren waar nodig verder aan te passen aan het nieuwe nabuurschapsbeleid van de Europese Unie. De TEN-E-richtsnoeren geven daarom prioriteit aan nieuwe pijpleidingen vanaf de gasvelden in Rusland, Algerije en de Kaspische Zee naar de Europese Unie, aangevuld met terminals voor vloeibaar aardgas en ondergrondse gasopslag. Ze zijn ook gericht op elektriciteitsverbindingen tussen de lidstaten rond de Middellandse Zee en de Zuid-Mediterrane landen, vooral door gelijktijdige verbinding met het systeem van de Unie voor de coördinatie van de transmissie van elektriciteit (UCTE), door de verbindingen met Zuidoost-Europa uit te breiden, bijvoorbeeld met Turkije, en door de Baltische staten beter te verbinden met de markten in Centraal-Oost-Europa en Noord-Europa. In 2001 werd een energiedialoog gestart tussen de EU en Rusland met het doel hun onderlinge betrekkingen op energiegebied te verbeteren. De voornaamste resultaten van deze dialoog zijn in diverse voortgangsrapporten gepubliceerd[25]. In 2006 zijn drie themagroepen opgericht om de volgende zaken aan te pakken: i) energierendement, ii) ontwikkeling van de energiemarkt, en iii) voorspellingen en scenario's. Binnen de groep Ontwikkeling van de energiemarkt is een subgroep opgericht voor Energie-infrastructuur, die zich bezig gaat houden met energieverbindingen tussen Rusland en de Europese Unie. Vooral wordt de tenuitvoerlegging van projecten van gemeenschappelijk belang voor Rusland en de EU onderzocht. Voorts wordt in het kader van de TEN-E-begroting voor 2004 financiële steun gegeven aan een onderzoek dat de mogelijkheid bestudeert van een synchrone verbinding tussen het UCTE-systeem en de Baltische staten en verder het Russische IPS/UPS-systeem; dit onderzoek wordt opgevolgd binnen het kader van de bovengenoemde subgroep. De Oekraïne en Moldavië hebben gezamenlijk de toetreding als volwaardig lid van de UCTE aangevraagd. Er is een speciale technische commissie binnen de UCTE opgericht om onderzoek te doen naar de maatregelen die Oekraïne en Moldavië zullen moeten nemen om te worden aangesloten op het Europese elektriciteitssysteem. 7. ANDER BELEID VAN DE UNIE MET EEN TEN-E-DIMENSIE 7.1. Leefmilieu De TEN-E-prioriteiten weerspiegelen de conclusies van de Europese Raad te Stockholm op 23 en 24 maart 2001 betreffende de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor het functioneren van de energiemarkt. Een speciale inspanning is nodig om de doelstelling te bereiken meer gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen als bijdrage tot een duurzaam ontwikkelingsbeleid. Benadrukt wordt dat de milieuwetgeving van de EU aanzienlijke invloed heeft. Met name is naleving nodig van de Vogelrichtlijn[26] en de Habitatrichtlijn[27], de Milieueffectrapportage (MER)[28], de Strategische milieubeoordelingsrichtlijn (SMB)[29] en de Kaderrichtlijn water[30]. De overheden in de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de planning en goedkeuring en moeten zorgen voor naleving van de milieuwetgeving; de uiteindelijke beslissing wordt door de plaatselijke overheid genomen. Bij het toewijzen van de TEN-E-begroting wordt speciale aandacht besteed aan de vraag of de medegefinancierde acties overeenstemmen met de communautaire milieuwetgeving. Afhankelijk van de aard van de acties die voor subsidie worden voorgedragen, werd vooral gevraagd om milieudocumenten zoals: - informatie over acties die waarschijnlijk (of niet waarschijnlijk) aanzienlijke negatieve effecten hebben op Natura 2000-terreinen (Natura 2000-certificaten); - niet-technische samenvatting van de voor de actie uitgevoerde milieueffectrapportages; - informatie over overleg met milieuambtenaren, het betrokken publiek en indien van toepassing andere lidstaten. Vooruitlopend op hun – positieve – analyse door de Diensten van de Commissie werd subsidie van TEN-E goedgekeurd. 7.2. Onderzoek en ontwikkeling De Europese Unie verleent financiële bijstand voor energieonderzoek en -ontwikkeling in het kader van verschillende subsidieprogramma's, zoals Kaderprogramma's (KP's) en het programma "Intelligente energie voor Europa". Deze programma's stimuleren ook enkele doelstellingen van trans-Europese energienetwerken zoals een betere continuïteit en meer diversificatie van de energievoorziening. In het kader van KP6 werden in de periode 2002-2006 diverse onderzoeken financieel gesteund, inclusief een TEN-E-dimensie, zoals: - IRED – Integratie van hernieuwbare energiebronnen en gedistribueerde productie naar het Europese elektriciteitsnet (KP6) - FENIX – Flexibele elektriciteitsnetwerken om de verwachte "energie-evolutie" te integreren (KP6) - ENCOURAGED – Optimalisering van de energiecorridor voor de Europese gas-, elektriciteits- en waterstofmarkt (KP6) Daarnaast ondersteunde het programma "Intelligente energie voor Europa" projecten zoals: - RESPOND – Hernieuwbare elektriciteitslevering – Interacties met conventionele stroomopwekking, netwerken en vraag - TRADEWIND – Integratie en uitwisseling van windenergie op de trans-Europese elektriciteitsmarkt 7.3. Concurrentie Bij de toewijzing van TEN-E-subsidie wordt bijzondere aandacht geschonken aan de vraag of de geselecteerde gaspijpleidingenprojecten in overeenstemming zijn met de regeling inzake toegang van derden tot het net, omschreven in de Gasrichtlijn 2003/55/EG[31], en in het bijzonder met artikel 22. Een toegangsregeling voor derden tot het net is ook van toepassing op elektriciteitsprojecten, genoemd in de Elektriciteitsrichtlijn 2003/54/EG[32]. [1] PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1. [2] Beschikking nr. 1254/96/EG van 5 juni 1996, PB L 161 van 29.6.1996, blz. 147. [3] Beschikking nr. 1229/2003/EG van 26 juni 2003, PB L 176 van 15.7.2003, blz. 11. [4] Beschikking nr. 1364/2006/EG van 6 september 2006, PB L 262 van 22.9.2006, blz. 1. [5] COM(2006) 846. [6] Beschikking nr. 1254/96/EG, PB L 161 van 29.6.1996, blz. 147. [7] Beschikking nr. 1047/97/EG, PB L 152 van 11.6.1997, blz. 12. [8] Beschikking nr. 1741/99/EG, PB L 207 van 6.8.1999, blz. 1. [9] Beschikking nr. 1229/2003/EG, PB L 176 van 15.7.2003, blz.11. [10] PB L 138 van 30.4.2004, blz. 17. [11] PB L 143 van 30.4.2004, blz. 46. [12] COM(2006) 443 en SEC(2006) 1059, werkdocument van de diensten van de Commissie van 7.8.2006. [13] Het eindrapport is beschikbaar op: http://ec.europa.eu/ten/energy/studies/index_en.htm [14] De in deze alinea en in tabel 1 beschouwde projecten van gemeenschappelijk belang zijn die welke zijn omschreven in bijlage III van de TEN-E-richtsnoeren van 2003; deze projecten vormen een wijziging van en aanvulling op de in de TEN-E-richtsnoeren van 1996 vastgestelde lijst van projecten van gemeenschappelijk belang. [15] De lijst met gesubsidieerde projecten is beschikbaar op http://ec.europa.eu/ten/energy/studies/index_en.htm [16] De in deze alinea en tabel 4 bedoelde TEN-E-richtsnoeren, zijn de richtsnoeren die in 1996 zijn gepubliceerd voor de in 2002 gesubsidieerde projecten en de in 2003 gepubliceerde richtsnoeren voor alle projecten die vanaf 2003 zijn gesubsidieerd. [17] Geen enkele van de door de EIB in 2002 gesubsidieerde projecten maakte deel uit van een prioritaire as, als omschreven in de in 2003 aangepaste TEN-E-richtsnoeren. [18] SEC(2007) 1456, Werkdocument van de Diensten van de Commissie – Bijlage bij het Verslag van de Commissie "18e Jaarverslag over de uitvoering van de Structuurfondsen" (2006). [19] Verordening (EG) nr. 99/2000 van de Raad van 29.12.1999, PB L 12 van 18.1.2000, blz. 1. [20] Verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad van 23 juli 1996, PB L 189 van 30.7.1996, blz. 1. [21] Het eindverslag van de tussentijdse evaluatie is beschikbaar op http://ec.europa.eu/ten/energy/studies/index_en.htm [22] PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1. [23] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57. [24] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. [25] De voortgangsrapporten zijn beschikbaar op http://ec.europa.eu/energy/russia/joint_progress/index_en.htm [26] Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. [27] Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992, PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. [28] Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985, PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40. [29] Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 27 juni 2001, PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30. [30] Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 oktober 2000, PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. [31] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57. [32] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37.