This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52007DC0721
Communication from the Commission to the Council, the European Parliament, the European Economic and Social Committee, the Committee of the Regions and the European Central Bank - The EU Economy: 2007 Review - Moving Europe's productivity frontier {SEC(2007) 1507}
Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio´s en de Europese Centrale Bank - De EU-economie: evaluatie over 2007 - Verlegging van Europa´s productiviteitsgrens {SEC(2007) 1507}
Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio´s en de Europese Centrale Bank - De EU-economie: evaluatie over 2007 - Verlegging van Europa´s productiviteitsgrens {SEC(2007) 1507}
/* COM/2007/0721 def. */
Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio´s en de Europese Centrale Bank - De EU-economie: evaluatie over 2007 - Verlegging van Europa´s productiviteitsgrens {SEC(2007) 1507} /* COM/2007/0721 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 21.11.2007 COM(2007) 721 definitief MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO´S EN DE EUROPESE CENTRALE BANK De EU-economie: evaluatie over 2007 Verlegging van Europa´s productiviteitsgrens {SEC(2007) 1507} MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO´S EN DE EUROPESE CENTRALE BANK De EU-economie: evaluatie over 2007Verlegging van Europa´s productiviteitsgrens In al haar diversiteit is de Europese Unie een van de meest geavanceerde en productieve economieën in de wereld. Op de mondiale ranglijst scoort de Unie hoog op output per werknemer en reëel inkomen per hoofd van de bevolking. De onlangs toegetreden lidstaten hebben nog een achterstand op de meer volwassen markteconomieën van de andere EU-leden, maar lopen deze achterstand snel in dankzij de gestage instroom van buitenlandse directe investeringen, het EU-cohesiebeleid en de invoering van solide juridische, institutionele en regelgevingsstructuren die de hoeksteen vormen van een goed werkende markteconomie. Wel bestaat er nog steeds een grote kloof tussen de levensstandaard in de Europese Unie en de geavanceerdste economie in de wereld: die van de Verenigde Staten. Na een snelle inhaalslag in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw stagneerde dit inhaalproces in de vroege jaren zeventig. Ondanks een welkome stijging van de EU-beroepsbevolking in de afgelopen jaren ligt de EU-levensstandaard gemeten in BBP per hoofd van de bevolking tegenwoordig nog steeds eenderde onder die van de VS. Dit komt door de uiteenlopende productiviteitsontwikkeling. Deze ontwikkeling loopt weliswaar van EU-lidstaat tot EU-lidstaat sterk uiteen, maar in de Europese Unie als geheel vlakt de productiviteitsgroei sinds het midden van de jaren negentig af, ongeacht of gekeken wordt naar de groei per gewerkt uur, naar de groei per werknemer of naar een inputcombinatie, zoals arbeid en kapitaal, dit terwijl deze groei in de VS juist fors is opgelopen. Zo is de groei van de arbeidsproductiviteit per uur in de EU15 teruggelopen van 2% in de periode 1981-1995 naar 1½% in de periode 1995-2000 en 1% in 2000-2005. Daarentegen is de productiviteit in de VS met een gemiddelde jaarlijkse stijging in dezelfde perioden van 1¼% naar 2% en bijna 2½% juist sterk verbeterd. Met de vaststelling van de Lissabonstrategie in maart 2000 hebben de Europese leiders de verhoging van de EU-productiviteit en een robuuste groei van de werkgelegenheid tot absolute prioriteit verheven. Dit kan worden samengevat onder het motto "op weg naar een kenniseconomie" en "meer en betere banen". Tegenwoordig is de ontwikkeling van de werkgelegenheid veelbelovend. Sinds 1995 is de werkgelegenheid in de EU15 gestegen van 60% naar 66%, terwijl de werkloosheid is gedaald van meer dan 10% naar bijna 7%, een niveau dat sinds jaren niet is vertoond. Het arbeidsmarktbeleid om de banengroei te stimuleren, heeft dus vruchten afgeworpen, maar het beleid om de productiviteit te verhogen, zoals maatregelen om investeringen in menselijk kapitaal, om hervorming van de regelgeving en om ondernemerschap en innovatie te bevorderen, heeft tot nu toe minder effect gesorteerd of heeft misschien nog meer tijd nodig om resultaat op te leveren. Een hogere productiviteit en stijgende werkgelegenheid kunnen hand in hand gaan. De verleiding is groot om de productiviteitsvertraging toe te schrijven aan het recente "banenwonder" en te zien als de prijs die voor dit wonder betaald moet worden. Er kan inderdaad sprake zijn van een "afruil" tussen meer banen en een hogere productiviteit als de hogere werkgelegenheid tot een lager kapitaalgebruik per werknemer leidt en meer laaggekwalificeerde werknemers werk vinden. Dit effect is echter al met al gering en verzinkt in het niet bij het effect van de ontwikkeling en verspreiding van nieuwe technologieën en beproefde werkmethoden, als deze tenminste snel worden ontwikkeld en verspreid, hetgeen een probleem blijft in met name de meest geavanceerde lidstaten waar de technologische grens al vrijwel is bereikt, maar traag wordt gereageerd op de nieuwste technologische ontwikkelingen. Bij goed werkende product- en arbeidsmarkten en technologische vooruitgang is een combinatie van hoge werkgelegenheid en een hoge productiviteitsgroei mogelijk. Sinds medio 2005 trekt de productiviteitsgroei in de EU aan. Gehoopt wordt dat de verbetering niet alleen van conjuncturele aard, maar deels ook van structurele aard is, met andere woorden dat zij niet alleen te danken is aan een aantrekkende economie. Het is zeker mogelijk dat eerdere hervormingen om de productiviteit te verhogen, nu eindelijk vrucht zijn gaan afwerpen. In dat geval kan de onlangs waargenomen toename van de productiviteit deels van structurele aard zijn en verband houden met een grotere efficiëntie. Volgens de 2007 EU Economy Review , die samen met deze mededeling wordt gepubliceerd, lijkt echter voorzichtigheid geboden: er is nog nauwelijks bewijs dat er sprake is van een structurele toename van de productiviteit. De Europese productiviteit kan nog fors worden verhoogd door bevordering van innovatie, van investeringen in menselijk en ICT-kapitaal en van de concurrentie en door stroomlijning van reglementering van de financiële, product- en arbeidsmarkten. Daarop is al in 2005 gewezen bij de herziening van de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid, waarbij een sterkere nadruk kwam te liggen op integrale hervormingspakketten, op de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten bij de toegezegde hervormingen en op een grotere complementariteit tussen hervormingen op nationaal en op EU-niveau. De trend sinds het midden van de jaren negentig lijkt erop te wijzen dat de EU nog niet volledig heeft geprofiteerd van de IT-revolutie en de snelle mondiale herverdeling van arbeid als gevolg van de internationale economische integratie. Uit evaluaties van de Commissie en de Raad blijkt dat overal hervormingen zijn doorgevoerd, maar dat het tempo en de reikwijdte ervan van lidstaat tot lidstaat uiteenlopen. De Europese Unie mag niet langer de kans voorbij laten gaan om de productiviteitsgroei te verhogen door structurele hervormingen. Gezien de vergrijzing en de steeds fellere mondiale concurrentie is een hogere productiviteit van essentieel belang om een duurzame economische groei op middellange tot lange termijn te waarborgen[1]. 1. BELANGRIJKSTE CONCLUSIES VAN DE EVALUATIE In de tweede helft van de jaren negentig is de productiviteitsgroei in de Europese Unie teruggelopen. Dit staat in schril contrast met de ontwikkelingen in de VS. De trend in Europa is vooral een gevolg van een forse vertraging in twee grote lidstaten in het eurogebied, namelijk Spanje en Italië. De andere grote economieën hebben minder te lijden gehad. Zo kon de industrie in Duitsland en Frankrijk zich aan de algemene dalende trend in de jaren negentig onttrekken. Sinds de eeuwwisseling is de trendmatige productiviteitsgroei in de EU niet verder teruggelopen en sinds medio 2005 neemt deze zelfs weer toe. Gezien de aantrekkende economie moet echter voorlopig ervan worden uitgegaan dat deze toename deels van conjuncturele aard is. Er zijn nog niet voldoende gegevens beschikbaar waaruit blijkt dat zij van structurele aard is. Het verschil tussen de productiviteitsgroei in de VS en die in de EU sinds 1995 is voornamelijk te wijten aan de uiteenlopende ontwikkeling van de totale factorproductiviteit (TFP) – een maatstaf voor de efficiëntie waarmee alle factorinputs, zoals arbeid, informatie- en communicatieapparatuur (ICT-kapitaal) en conventioneel kapitaal (zoals werktuigen en gebouwen) worden benut. De verschillen tussen de twee economieën in groei van het kapitaal per werknemer spelen bij de productiviteitskloof een veel minder belangrijke rol. Toch blijkt uit gedetailleerdere gegevens over de bijdrage van kapitaaldiensten dat in de VS anders dan in Europa een verschuiving waarneembaar is van conventioneel naar ICT-kapitaal, met name in de dienstensector. Aangezien ICT-kapitaal een productiviteitsverhogend effect heeft, is dit mogelijk ook een verklaring voor de groeiende productiviteitskloof tussen de twee economieën. Het TFP-groeiverschil met de VS is vrijwel geheel te wijten aan het feit dat de ontwikkelingen in een paar sectoren traag verlopen, met name vanwege de economische structuur, de relatieve omvang ervan en bepaalde regelgevingsaspecten. Volgens een gedetailleerde analyse van de verschillende sectoren gaat het met name om de groot- en detailhandel, vastgoed- en andere zakelijke diensten, de sector elektrische en optische apparaten en instrumenten (waaronder de halfgeleiderssector als voornaamste ICT-producent) en in mindere mate de financiële dienstverlening. Het lage O&O-uitgavenpeil in de Europese particuliere ICT-sector ten opzichte van de VS is vooral te wijten aan de verschillen in industriestructuur, en met name aan de kleinere hightechsector in de EU. Bij de zakelijke en financiële dienstverlening blijken regelgevingsaspecten, en met name de in- en uitstapregelgeving, een rol te spelen, terwijl de povere productiviteit van de groot- en detailhandel in de EU deels verband houdt met belemmeringen om schaalvoordelen te benutten. Daarentegen doet de EU het in de zogeheten netwerkindustrieën aanzienlijk beter dan de VS, dit mede dankzij de efficiencywinsten die behaald zijn na de deregulering in de afgelopen twee decennia. De productiviteitsvertraging in de EU is gepaard gegaan met een ongekende groei van de werkgelegenheid. Men kan zich terecht afvragen of deze twee verschijnselen met elkaar samenhangen. De stelling dat productiviteit en werkgelegenheid communicerende vaten zijn, lijkt in zekere zin te worden bevestigd in de naoorlogse geschiedenis van de economie. In de jaren zeventig en tachtig groeide de productiviteit in de EU vrij snel, maar de werkgelegenheid traag en was in de VS juist het omgekeerde het geval. In die periode leidden de sterke stijgingen van de olieprijzen en de daaruit voortvloeiende stijging van de reële loonkosten (werknemers wentelden de hogere energieprijzen via looneisen namelijk af op de werkgevers) in veel EU-landen tot een vervanging van arbeid door kapitaal, waarbij een snelle stijging van de arbeidsproductiviteit gepaard ging met een afbraak van de werkgelegenheid. De gedachte dat productiviteit en werkgelegenheid communicerende vaten zijn, is dus in zekere zin juist, maar kan ook een dwaallicht zijn. Sinds het midden van de jaren negentig blijkt in de VS namelijk het een niet ten koste te gaan van het ander en wordt op beide gebieden sterk gepresteerd. Dankzij de sterke productiviteitsstijgingen als gevolg van innovatie en betere werkmethoden, die kenmerkend zijn voor de Amerikaanse economische ontwikkeling van de afgelopen tien jaar, zijn arbeid én kapitaal productiever geworden en is daardoor de vraag naar beide toegenomen. Innovatie is daar dus zeker niet schadelijk geweest voor de werkgelegenheid en zal dat normaalgesproken ook niet zijn, tenzij arbeidsmarktinstellingen zich verzetten tegen veranderingen of bedrijven geen sterke druk vanuit de markt ondervinden om zich aan te passen. Werkgelegenheidsgroei kan samengaan met enig verlies aan productiviteit, maar het effect ervan op de algemene trend blijft beperkt. Sommige arbeidsmarkthervormingen, zoals de invoering van flexibele arbeidscontracten en werktijden en werkgelegenheidsvriendelijke loononderhandelingen, kunnen leiden tot enig productiviteitsverlies omdat het minder productieve deel van de beroepsbevolking werk vindt en het kapitaalgebruik per werknemer dan daalt. Een en ander wordt in grote lijnen bevestigd in empirisch onderzoek, maar dit effect blijkt vrij gering. In econometrisch onderzoek wordt het productiviteitsverlies bij een bepaalde werkgelegenheidswinst geraamd op 10% tot 40% en in simulaties met QUEST, het macro-econometrische model van DG ECFIN, blijkt dit uit te komen op zo´n 20%. Uit econometrische ramingen blijkt dat de werkgelegenheid dankzij beleid om het arbeidsperspectief aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren, zoals fiscale prikkels voor tijdelijk en parttimewerk, gerichte belastingverlagingen voor laaggekwalificeerde werknemers of werknemers met een laag inkomen, arbeidssubsidies, werkverschaffingsprogramma´s en arbeidsgebonden voordelen, in de periode 2001-2006 met iets meer dan 1% is gestegen in landen waar dergelijk beleid is gevoerd. Tegelijk is de productiviteit licht ongunstig beïnvloed: met ¼% tot een ½%, ofwel 25% van de werkgelegenheidswinst. Voorts kan de legalisatie van illegale werknemers in landen als Italië en Spanje haar weerslag hebben gehad op de arbeidsproductiviteit. Ook al hebben de recente werkgelegenheids- en productiviteitsontwikkelingen hun eigen oorzaak, toch kunnen ze wederzijds profiteren van een brede groei- en werkgelegenheidsstrategie. Het beste middel is beleid om een kennismaatschappij te bevorderen. Dergelijk beleid staat ook hoog op de beleidsagenda van de EU en de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid is er een concreet voorbeeld van. Zo hebben de lidstaten in hun nationale hervormingsprogramma´s een reeks beleidsmaatregelen opgenomen om de TFP-groei te verhogen. Beleid om productiviteit én werkgelegenheid te bevorderen, is onder drie noemers te brengen: i) meer kennis; ii) meer concurrentie; iii) meer flexibiliteit. i) Meer kennis vereist meer en betere investeringen in O&O en menselijk kapitaal. Het beleid is erop gericht de afstand tussen de VS en de EU op het gebied van investeringen in O&O en menselijk kapitaal te verkleinen. De VS investeren al bijna 3% van het BBP in O&O en meer dan 7% in onderwijs, tegen respectievelijk rond de 2% en 5½% in de EU. Al voor de vaststelling van de Lissabonstrategie in 2000 is geprobeerd daar iets aan te doen, zoals met het Bolognaproces dat tot doel had een Europese onderwijsruimte en geharmoniseerde academische kwalificaties tot stand te brengen. De Europese onderzoeksruimte is bedoeld om een eind te maken aan de versnippering van O&O-investeringen en om het uitstralingseffect ervan te vergroten. Voorts hebben de lidstaten zich in het kader van de Lissabonstrategie toegezegd te zorgen voor hogere O&O-uitgaven (waarbij met name het bedrijfsleven als hoofdverantwoordelijke voor de O&O-uitgavenkloof tussen de EU en de VS een extra inspanning zal moeten leveren), een hoger opleidingsniveau en beter gekwalificeerde werknemers. De publieke steun voor O&O-investeringen en onderwijs is ingegeven door de gunstige effecten ervan op welvaart en groei. QUEST-simulaties wijzen uit dat maatregelen om O&O-investeringen te bevorderen, tot een duidelijke stijging van de economische en de productiviteitsgroei kunnen leiden. Zo zou de groei van BBP en productiviteit bij een stijging van deze investeringen van 1,8% van het BBP in 2005 naar het verwachte EU-niveau van 2,6% van het BBP in 2010 (op basis van de doelen die de lidstaten zich in hun nationale hervormingsprogramma´s hebben gesteld) 0,2 procentpunt per jaar toenemen. Als rekening wordt gehouden met grensoverschrijdende effecten, zou deze toename zelfs tweemaal zo hoog kunnen uitvallen. De totale werkgelegenheid heeft volgens de simulaties nauwelijks te lijden. Wel vindt een vraagverschuiving plaats van laag- naar hooggekwalificeerde werknemers en stijgen de lonen van deze laatste groep vanwege het inelastische aanbod van hooggekwalificeerde werknemers op korte tot middellange termijn. Een doeltreffend O&O-beleid moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Anders zullen de bovengenoemde effecten mogelijk niet optreden. Substitutie, het verschijnsel waarbij de particuliere sector belastingvoordelen gebruikt om de eigen kosten te verlagen, moet bijvoorbeeld worden voorkomen. Ook is het de vraag of de overheid beter in staat is om veelbelovende O&O-projecten te selecteren dan de particuliere sector, hoewel dit probleem minder speelt als steun wordt verleend in de vorm van fiscale prikkels (en niet in de vorm van gerichte subsidies). Bij fiscale prikkels neemt echter weer het gevaar van welvaartsverlies door een verminderde efficiëntie ("dead weight losses") toe. Dan immers subsidieert de overheid O&O-investeringen die toch wel zouden zijn gedaan. Deze institutionele risico´s doen mogelijk minder ter zake als particuliere en publieke actoren opereren in een stimulerend klimaat waarin intellectuele-eigendomsrechten effectief worden beschermd, de beroepsbevolking goed opgeleid en gekwalificeerd is, de concurrentie haar werk doet en publiek en particulier onderzoek nauw met elkaar zijn vervlochten. Ook moet in de Europese Unie worden gezorgd voor effectief en kostenefficiënt onderwijs. In een aantal lidstaten lijkt het onderwijsstelsel behoorlijk inefficiënt, aangezien in andere lidstaten met aanzienlijk minder middelen dezelfde resultaten worden behaald of, met andere woorden, met dezelfde middelen betere resultaten mogelijk zijn. Dit is vooral zorgwekkend omdat menselijk kapitaal als zodanig niet alleen een belangrijke bepalende factor is voor de kwaliteit van de beroepsbevolking en voor de productiviteit, maar ook het innovatiepotentieel van een economie kan vergroten. Met name landen die de technologiegrens dicht zijn genaderd, en dat is bij veel EU-lidstaten het geval, moeten hun capaciteit opvoeren om nieuwe technologieën in te voeren, en daarom alles in het werk stellen om de kwaliteit van het onderwijs, en met name het hoger onderwijs, op peil te houden en zo mogelijk te verbeteren. ii) Concurrentie is van cruciaal belang voor zowel het productiviteitsniveau als de productiviteitsgroei. Concurrentiestrijd zet bedrijven aan tot innovatie en leidt tot een cyclus waarin concurrerende bedrijven op de markt verschijnen en minder concurrerende bedrijven van de markt verdwijnen. De zorg dat felle concurrentie bedrijven afhoudt van innovatie omdat de benodigde middelen vanwege de druk op de winstmarge moeilijk zijn vrij te maken, lijkt ongefundeerd, aangezien de meest innovatieve onderneming gewoonlijk de marktleider blijkt te zijn. De EU volgt een driesporenbeleid om de concurrentie te bevorderen, en hoewel een verhoging van de productiviteit niet het primaire doel van dit beleid is, levert het duidelijk een positieve bijdrage daaraan. Met name een volledig werkende interne markt is bevorderlijk voor de productiviteit doordat bedrijven sterker blootstaan aan buitenlandse concurrentie, schaalvergroting mogelijk wordt (ook op O&O-gebied) en een grensoverschrijdende overdracht van technologie en managementvaardigheden eenvoudiger wordt. Ook heeft, zoals al vermeld, de liberalisering en reglementering van de netwerkindustrieën zoals de telecommunicatie-, elektriciteits-, gas- en postsector en het spoorweg-, weg- en luchtvervoer, een gunstige uitwerking gehad op de productiviteit. Tot slot zijn dankzij het mededingingsbeleid als zodanig de toetredingsdrempels lager geworden en zijn de kosten van concurrentiebeperkende praktijken opgelopen. Volgens empirisch onderzoek heeft de openstelling van markten voor concurrentie inderdaad een gunstige uitwerking gehad op de productiviteit en de groei, maar ook op de werkgelegenheid. QUEST-simulaties om de gevolgen van het beleid op elk van deze terreinen - afzonderlijk en gecombineerd – door te rekenen, bevestigen de noodzaak van concurrentie in alle economische sectoren. De simulaties wijzen uit dat de hervorming van de productmarkten in de periode 1995-2003 een gunstig macro-economisch BBP-effect van bijna 1½% heeft gehad: 1% stijging van de werkgelegenheid en een ½% stijging van de arbeidsproductiviteit. Opnieuw blijkt dat beleid dat gericht is op een verhoging van de productiviteit, ook een gunstig effect kan sorteren op de werkgelegenheid, met andere woorden, het is een misvatting dat het een ten koste gaat van het ander. iii) Meer flexibiliteit is nodig om productiestructuren soepel aan te passen en te komen tot een verdere specialisatie en diversificatie in nieuwe gebieden die een comparatief voordeel opleveren. De nodige verschuiving van de technologiegrens om op mondiaal niveau concurrerend te blijven, gaat met kosten gepaard omdat de economie een structurele verandering zal ondergaan. Het aanpassingsvermogen van de economie is dan ook van cruciaal belang: niet alleen moeten klappen soepel opgevangen kunnen worden zonder dat de economie langdurig in het slop raakt, ook moet maximaal profijt kunnen worden getrokken van de technologische veranderingen. In veel lidstaten lijkt het aanpassingsvermogen evenwel beperkt, dit in tegenstelling tot de VS waar de waargenomen totale productiviteitsgroei volgens de ramingen mogelijk zelfs voor de helft te danken is aan de overheveling van middelen naar innovatieve activiteiten. Ook bieden arbeidsmarktinstellingen en –regelgeving weinig ruimte voor aanpassingen in de EU aan de technologische veranderingen. Met name kunnen te strakke regelgeving om werknemers te beschermen, en te hoge minimumlonen de arbeidsmobiliteit in de weg staan. Kortom, de productiviteitskloof tussen de VS en de EU is deels te wijten aan structurele belemmeringen voor de markttoegang en groei van bedrijven. In de afgelopen jaren hebben de EU-lidstaten maatregelen getroffen om de mobiliteit van bedrijven en arbeid te bevorderen, maar er is een groter en breder pakket maatregelen nodig. De maatregelen waren met name gericht op verlaging van de administratieve kosten voor nieuwkomers op de markt en op verbetering van de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen (het MKB) tot financiering. Daarnaast hebben de lidstaten hun faillissementswetgeving aangepast om het nemen van risico´s aan te moedigen. Wel is enige reserve geboden ten aanzien van beleid dat specifiek is gericht op bedrijven met een bepaalde omvang (meestal MKB-bedrijven), zoals kortingen op sociale premies omdat het aantal personeelsleden onder een bepaalde drempel ligt. Zulke bedrijven zouden dan immers ervan kunnen worden weerhouden om verder te groeien dan tot deze drempel, hetgeen des te schadelijker is omdat juist de productiviteit van nieuwe bedrijven sterk blijkt te verbeteren als zij doorgroeien. In totaal kan het BBP met 1% stijgen als de administratieve lasten van alle Europese bedrijven (naar schatting 3 à 4% van het BBP) met een kwart worden verlaagd. Bij opheffing van de belemmeringen voor geografische en arbeidsmobiliteit zullen middelen efficiënter worden gealloceerd en zal de potentiële groei toenemen. Zonder verschuiving naar levenslang leren zal het niet lukken om de overgang naar een kenniseconomie te maken. 2. CONCLUSIES EN VOORNAAMSTE BELEIDSIMPLICATIES Er is een andere kijk nodig. Door de globalisering en de ICT-revolutie zijn een aantal wijdverbreide opvattingen inmiddels achterhaald. Zo klopt het niet meer dat alleen grote landen en grote ondernemingen technologische voortrekkers kunnen zijn en dat de handel het voornaamste middel is voor de verspreiding van technologie. Tegenwoordig blijken namelijk ook kleine landen op gespecialiseerde gebieden een voortrekkersrol te kunnen spelen, blijken kleine startende bedrijven vaak nieuwe technologieën te ontwikkelen en in te voeren en blijkt niet de handel, maar de internationale mobiliteit van onderzoekers en financieel kapitaal het voornaamste verspreidingsbron. Intussen ontstaat brede consensus over hetgeen de productiviteitsgroei beperkt en over de maatregelen die nodig zijn om de productiviteit op te voeren. Arbeidsmarkt- en productmarktbeperkingen, gebrek aan openheid voor buitenlandse directe investeringen, markttoegangsbelemmeringen en belemmeringen om nieuwe technologieën te ontwikkelen en te verspreiden, kunnen de productiviteitsgroei langere tijd sterk in de weg staan. O&O, hoogwaardig menselijk kapitaal en een concurrentievriendelijke reglementering van productmarkten kunnen leiden tot een hogere TFP-groei. Tegelijk mogen de bredere doelstellingen en de voordelen van wetgeving en reglementering niet uit het oog worden verloren. Door reglementering kan innovatie immers zelfs meer vaart krijgen (bijv. bij milieu-innovatie of door normstelling via "toprunnerprogramma´s", waarmee hernieuwbare energie of energiebesparende producten worden gestimuleerd). Aanpak van de diepere oorzaken van de trage productiviteitsgroei blijft voor de EU een van de dringendste en meest complexe economische beleidsproblemen. Om de aanpassing aan een snel veranderend mondiaal economisch klimaat te vergemakkelijken en in te spelen op de daarmee gepaard gaande noodzaak om het concurrentievermogen te vergroten, moet een integraal, op verhoging van de productiviteitsgroei gericht beleid worden gevoerd. Tegelijk kan met dergelijk beleid het hoofd worden geboden aan de sociale, economische en budgettaire vergrijzingsproblemen van de Europese welvaartsstaten. Ook kunnen dan ongunstige ontwikkelingen van het concurrentievermogen in het eurogebied soepeler worden opgevangen. De prioriteiten van de herziene Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid behouden hun geldigheid. Tot in de volgende cyclus moet er krachtig aan worden vastgehouden. Nu eerdere hervormingen duidelijk vrucht beginnen af te werpen, is het des te belangrijker dat de nadruk ervan blijft liggen op meer O&O en innovatie, een dynamischer ondernemingsklimaat, een grotere inzetbaarheid en investeringen in mensen, energie en klimaatverandering. Op een aantal kernbeleidsgebieden kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan een hogere productiviteitsgroei in de EU. Uit deze mededeling blijkt dat dergelijk kernbeleid gericht moet zijn op: - bevordering van investeringen in O&O. Daarbij wordt met name gedacht aan particuliere investeringen op basis van marktgerichtere financieringssystemen, zoals risicokapitaalfinanciering. Fiscale prikkels kunnen een belangrijk deel van dergelijk beleid uitmaken, maar er moet wel worden gelet op het aanvullende karakter ervan en "deadweight losses" moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Er is een sterke vervlechting nodig van publiek en particulier onderzoek en tegelijk moeten intellectuele-eigendomsrechten effectiever worden beschermd; - ontwikkeling van onderzoeks- en onderwijsinstellingen van wereldklasse. Topmanagers en toponderzoekers zorgen in de economie voor veel innovatie en voor een ruime verspreiding van nieuwe technologieën. Voor meer O&O moet het aantal gekwalificeerde onderzoekers toenemen, anders leidt de hogere vraag naar hun vaardigheden alleen tot hogere loonkosten en komen andere investeringsactiviteiten in het gedrang. De initiatieven in het kader van het Bolognaproces naar geharmoniseerde academische kwalificaties en de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte moeten de dringend benodigde internationale mobiliteit van gekwalificeerde onderzoekers een impuls geven. Buiten het specifieke onderzoeksgebied kunnen initiatieven om een Europese "blue card" in te voeren (naar het voorbeeld van de Amerikaanse Green Card) de EU eveneens aantrekkelijker maken voor gekwalificeerde migranten. In een aantal landen moet iets worden gedaan aan de inefficiënte onderwijsstelsels en zijn betere resultaten nodig. De onderwijs- en opleidingsstelsels moeten meer worden aangepast aan de eisen van de kenniseconomie en –maatschappij; - totstandbrenging van een volledig werkende, open en concurrerende interne markt. Meer concurrentiestrijd, met name door liberalisatie van de dienstensector, waar de meeste ruimte lijkt te zijn voor productiviteitsgroei, is de sleutel tot meer innovatie. Flexibelere en minder belastende institutionele en regelgevingskaders, die ervoor zorgen dat bepaalde activiteiten gemakkelijker kunnen worden gestart en beëindigd, kunnen leiden tot een dynamischer en concurrerender ondernemingsklimaat. Dit is het meest nodig in de dienstensector, en met name in de detailhandel. De efficiencywinsten van de deregulering van de netwerkindustrieën in de afgelopen twee decennia kunnen hier als voorbeeld dienen. Overigens is een van de algemene doelstellingen van de groei- en werkgelegenheidsstrategie dat gezorgd wordt voor een transparant, effectief en evenredig regelgevingskader en dat onnodige administratieve lasten die een belemmering vormen voor groei en innovatie, worden weggenomen; - vergroting van de flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt via een geïntegreerde aanpak. Met modern sociaal en arbeidsmarktbeleid kunnen efficiencystreven en billijkheidsoverwegingen aan elkaar worden gekoppeld. Er moeten flexizekerheidsstrategieën worden ontwikkeld en toegepast om de werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit te bevorderen. In dit verband zijn vier elkaar versterkende elementen van belang: i) flexibele en betrouwbare contracten; ii) brede strategieën voor levenslang leren; iii) effectief, actief arbeidsmarktbeleid; iv) adequate stelsels voor inkomenssteun; - verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën. De noodzaak om het concurrentievermogen te vergroten, zorgen over de houdbaarheid van de begroting, een belastingbetaler die van de overheid meer waar voor zijn geld wil, en de noodzaak om overheidsbemoeienis met de economie opnieuw te bezien, hebben ertoe geleid dat groeibevorderende activiteiten binnen de begroting meer aandacht krijgen en de belastingmix en de allocatie van middelen binnen de publieke sector worden toegesneden op meer efficiëntie en effectiviteit. Daaronder valt ook de modernisering van het overheidsapparaat, die van essentieel belang kan zijn voor de beheersing van de uitgaven en voor de consolidatie van de begroting. Overheidsfinanciën die gezond zijn en blijven door te voorkomen dat particuliere besparingen worden verdrongen voor de financiering van overheidstekorten, zijn op zich een essentiële voorwaarde voor krachtige en duurzame kapitaalinvesteringen van de particuliere sector. Hoewel zo´n aanpak op veel punten in de afgelopen jaren al is aangekondigd in de hervormingsprogramma´s van de afzonderlijke EU-landen en deze punten in een aantal gevallen ook zijn gerealiseerd, moet de mentaliteitsverandering die nodig is voor het algehele welslagen ervan, zowel op nationaal als op Europees niveau nog doorzetten. Met een brede strategie waarin efficiëntie wordt gekoppeld aan billijkheid, zouden de burgers de vaardigheden, de steun en de prikkels moeten krijgen die zij nodig hebben om zich in een veranderende wereld te kunnen handhaven. De Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid kan een effectief middel zijn om dit overgangsproces in goede banen te leiden, een overgang die van essentieel belang is voor de verlegging van Europa´s productiviteitsgrens. [1] Zie in dit verband ook de mededeling van de Commissie "Hogere productiviteitsgroei: de belangrijkste boodschappen uit het verslag over het Europese concurrentievermogen 2007", COM(2007) 666 definitief.