Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006PC0205

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (Gecodificeerde versie)

/* COM/2006/0205 def. - COD 2006/0067 */

52006PC0205

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (Gecodificeerde versie) /* COM/2006/0205 def. - COD 2006/0067 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 12.05.2006

COM(2006) 205 definitief

2006/0067 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (gecodificeerde versie)

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. In de context van een Europa van de burgers hecht de Commissie groot belang aan het vereenvoudigen en verduidelijken van het Gemeenschapsrecht om het duidelijker en toegankelijker te maken voor de gewone burger, zodat deze nieuwe mogelijkheden krijgt en in staat wordt gesteld gebruik te maken van de specifieke rechten die hij aan het Gemeenschapsrecht kan ontlenen.

Dit doel kan niet worden verwezenlijkt zolang talloze bepalingen die meermaals en vaak ingrijpend zijn gewijzigd, gedeeltelijk in het oorspronkelijke besluit en gedeeltelijk in de latere wijzigingsbesluiten te vinden zijn. Om dan na te gaan wat de geldende regels zijn, is veel zoekwerk vereist, waarbij een groot aantal besluiten moet worden vergeleken.

Codificatie van meermaals gewijzigde regels is dan ook van essentieel belang om het Gemeenschapsrecht duidelijk en doorzichtig te maken.

2. Bij haar besluit van 1 april 1987[1] heeft de Commissie daarom haar diensten opgedragen alle wetgevingbesluiten na maximaal tien wijzigingen te codificeren , waarbij zij erop wijst dat dit een minimumregel is en dat haar diensten ter wille van de duidelijkheid en het juiste begrip van de communautaire wetgeving ernaar zouden moeten streven de teksten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, met nog kortere tussenpozen te codificeren.

3. De conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Edinburgh (december 1992) hebben dit bevestigd[2] en het belang van codificatie onderstreept, omdat daarmee rechtszekerheid wordt verschaft omtrent de vraag welke wet op een gegeven moment op een bepaald onderwerp van toepassing is.

Bij codificatie moet het normale wetgevingsproces van de Gemeenschap volledig in acht worden genomen.

Aangezien bij codificatie geen inhoudelijke wijzigingen in de betrokken wetteksten mogen worden aangebracht, zijn het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bij Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 een versnelde werkmethode voor de codificatie van wetteksten overeengekomen.

4. Dit voorstel beoogt de codificatie van Richtlijn 79/923/EG van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater[3]. De nieuwe richtlijn vervangt de verschillende besluiten die erin zijn verwerkt[4]; dit voorstel laat de inhoud van de besluiten die worden gecodificeerd onverlet en beperkt zich er derhalve toe deze samen te voegen en daarin slechts de formele wijzigingen aan te brengen die voor de codificatie zelf vereist zijn.

5. Dit voorstel voor een codificatie is opgesteld op basis van een voorafgaande consolidatie , in alle officiële talen, van Richtlijn 79/923/EG en het besluit tot wijziging daarvan, met behulp van een gegevensverwerkingssysteem van het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen. Voorzover de artikelen zijn vernummerd, is het verband tussen de oude en de nieuwe nummering weergegeven in een concordantietabel die is opgenomen in bijlage III bij de gecodificeerde richtlijn.

ê 79/923/EEG (aangepast)

2006/0067 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op Ö artikel 175, lid 1 Õ,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[5],

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s[6],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[7],

Overwegende hetgeen volgt:

ê .

1. Richtlijn 79/923/EG van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater[8] is ingrijpend gewijzigd[9]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

ê 79/923/EEG overweging 1

2. Voor de bescherming en verbetering van het milieu moeten concrete maatregelen worden genomen ter bescherming van water tegen verontreiniging, met inbegrip van schelpdierwater.

ê 79/923/EEG overweging 2

3. Het is noodzakelijk bepaalde schelpdierpopulaties te beschermen tegen de verschillende rampzalige gevolgen van het in het zeewater lozen van verontreinigende stoffen.

ê 79/923/EEG overweging 3 (aangepast)

4. Ö Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap[10] voorziet Õ in de gemeenschappelijke vaststelling van kwaliteitsdoelstellingen, waarbij de verschillende eisen waaraan een milieu moet voldoen, worden vastgelegd, met inbegrip van de definitie van de parameters voor water, waaronder schelpdierwater.

ê 79/923/EEG overweging 4 (aangepast)

5. Ongelijkheid van de in de verschillende lidstaten van toepassing zijnde bepalingen inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater kan leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden en kan dientengevolge rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de Ö interne Õ markt.

ê 79/923/EEG overweging 6

6. De lidstaten dienen, om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken, de wateren aan te wijzen waarop zij van toepassing is, en de met bepaalde parameters overeenstemmende grenswaarden vast te stellen. De aangewezen wateren dienen met deze waarden in overeenstemming te worden gebracht binnen zes jaar nadat de lidstaten deze wateren hebben aangewezen.

ê 79/923/EEG overweging 7

7. Voor de controle van de vereiste kwaliteit van schelpdierwater is een minimale bemonstering noodzakelijk en de in bijlage I vermelde parameters moeten worden gemeten. Deze bemonstering kan worden verminderd of opgeheven afhankelijk van de resultaten van de metingen.

ê 79/923/EEG overweging 8

8. De lidstaten kunnen op bepaalde natuurlijke omstandigheden geen invloed uitoefenen. In verband hiermee moet de mogelijkheid worden geschapen in bepaalde gevallen van deze richtlijn af te wijken.

ê 79/923/EEG overweging 9

9. De technische en wetenschappelijke vooruitgang kan snelle aanpassing van sommige bepalingen van bijlage I noodzakelijk maken. Ter vergemakkelijking van de uitvoering van de voor dit doel vereiste maatregelen dient een procedure te worden ingesteld die voorziet in een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie. Deze samenwerking moet plaatsvinden in het Comité voor de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, ingesteld bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn [78/659/EEG] van de Raad van [18 juli 1978] betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen[11].

ê 79/923/EEG overweging 10

10. Deze richtlijn volstaat op zich niet om de bescherming van de consumenten van schelpdierproducten te verzekeren en bijgevolg dient de Commissie zo spoedig mogelijk voorstellen in die zin voor te leggen.

ê

11. Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

ê 79/923/EEG

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van schelpdierwater en is van toepassing op de kustwateren en brakke wateren, die door de lidstaten zijn aangewezen als bescherming of verbetering behoevende teneinde geschikt te zijn voor het leven en de groei van schelpdieren (weekdieren behorende tot de plaatkieuwigen en buikpotigen) en aldus bij te dragen tot een goede kwaliteit van de schelpdierproducten die bestemd zijn voor rechtstreekse menselijke consumptie.

Artikel 2

De parameters die op de door de lidstaten aangewezen wateren van toepassing zijn, zijn opgenomen in bijlage I.

Artikel 3

1. Voor de aangewezen wateren stellen de lidstaten waarden vast voor de in bijlage I opgenomen parameters, voor zover er waarden zijn aangegeven in kolom G of in kolom I. Zij voegen zich naar de opmerkingen in die twee kolommen.

2. De lidstaten stellen geen waarden vast die minder streng zijn dan die van kolom I van bijlage I en trachten de waarden in kolom G te eerbiedigen, waarbij zij rekening houden met het in artikel 8 neergelegde beginsel.

ê 79/923/EEG (aangepast)

3. Met betrekking tot de lozingen van stoffen die behoren tot de parameters „gehalogeneerde organische stoffen” en „metalen” zijn de door de lidstaten krachtens Richtlijn Ö 2006/11/EG van het Europees Parlement en Õ de Raad[12] vastgestelde emissienormen van toepassing naast de kwaliteitsdoelstellingen en de andere uit de onderhavige richtlijn voortvloeiende verplichtingen, met name die aangaande de bemonstering.

Artikel 4

1. De lidstaten Ö die Õ voor het eerst schelpdierwater Ö hebben aangewezen Õ, kunnen tot verdere aanwijzingen overgaan.

2. De lidstaten kunnen met name wegens bij de aanwijzing niet voorziene factoren overgaan tot de herziening van de aanwijzing van bepaalde wateren, waarbij zij rekening houden met het in artikel 8 neergelegde beginsel.

ê 79/923/EEG

Artikel 5

De lidstaten stellen programma's op ten einde de verontreiniging te verminderen en er zorg voor te dragen dat de aangewezen wateren binnen zes jaar na de aanwijzing overeenkomstig artikel 4, voldoen aan de waarden die de lidstaten krachtens artikel 3 hebben vastgesteld, alsmede aan de opmerkingen in de kolommen G en I van bijlage I.

Artikel 6

1. Voor de toepassing van artikel 5 worden de aangewezen wateren geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze richtlijn, indien monsters die in deze wateren over een periode van twaalf maanden op een zelfde bemonsteringspunt zijn genomen met de minimale frequentie aangegeven in bijlage I, uitwijzen dat zij voldoen aan de door de lidstaten krachtens artikel 3 vastgestelde waarden, alsmede aan de opmerkingen in de kolommen G en I van bijlage I voor:

a) 100 % van de monsters voor de parameters „gehalogeneerde organische stoffen” en „metalen”;

b) 95 % van de monsters voor de parameters „saliniteit” en „opgeloste zuurstof”;

c) 75 % van de monsters voor de andere in bijlage I vermelde parameters.

Wanneer overeenkomstig artikel 7, lid 2, de frequentie voor monsternemingen voor andere parameters in bijlage I dan die voor gehalogeneerde organische stoffen en metalen, lager is dan de in bijlage I vermelde frequentie, moet voor alle monsters aan in de eerste alinea van dit lid bedoelde waarden en opmerkingen worden voldaan.

2. Afwijkingen van de door de lidstaten krachtens artikel 3 vastgestelde waarden of van de opmerkingen in de kolommen G en I van bijlage I zullen voor de berekening van de in lid 1 bedoelde percentages niet in aanmerking worden genomen wanneer zij het gevolg zijn van een ramp.

Artikel 7

1. De bevoegde instanties van de lidstaten nemen monsters waarvan de minimale frequentie is vastgesteld in bijlage I.

2. Indien de bevoegde instantie constateert dat de kwaliteit van de aangewezen wateren aanmerkelijk hoger is dan die welke uit de toepassing van de krachtens artikel 3 vastgestelde waarden en de opmerkingen in de kolommen G en I van bijlage I zou voortvloeien, kan de frequentie van monsterneming worden verlaagd. Wanneer er geen enkele verontreiniging of geen enkel gevaar voor achteruitgang van deze kwaliteit is, kan de betrokken bevoegde instantie besluiten dat er geen monsters behoeven te worden genomen.

3. Indien uit een monsterneming blijkt dat aan een overeenkomstig artikel 3 vastgestelde waarde of aan een opmerking in kolom I of G van bijlage I niet wordt voldaan, stelt de bevoegde instantie vast of dit een toevallig resultaat is, dan wel een natuurlijke oorzaak heeft of te wijten is aan verontreiniging, en dient zij passende maatregelen te nemen.

4. De exacte bemonsteringsplaats, de afstand tussen die plaats en het dichtstbijzijnde punt van lozing van verontreinigende stoffen, alsmede de diepte waarop de monsters dienen te worden genomen, worden door de bevoegde instantie van iedere lidstaat vastgesteld aan de hand van met name de plaatselijke milieuomstandigheden.

5. De referentie-analysemethoden voor de betrokken parameters zijn aangegeven in bijlage I. Laboratoria die andere methoden gebruiken, moeten zich ervan vergewissen dat de verkregen resultaten gelijkwaardig zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke in bijlage I zijn aangegeven.

Artikel 8

Toepassing van de krachtens deze richtlijn genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de kustwateren of brakke wateren direct of indirect toeneemt.

Artikel 9

De lidstaten kunnen ten aanzien van de aangewezen wateren te allen tijde waarden vaststellen die strenger zijn dan de in deze richtlijn opgenomen waarden. Zij kunnen ook bepalingen vaststellen met betrekking tot andere parameters dan die van deze richtlijn.

Artikel 10

Wanneer een lidstaat overweegt schelpdierwater aan te wijzen in de onmiddellijke omgeving van de grens met een andere lidstaat, plegen deze staten overleg over de vaststelling van de wateren waarop deze richtlijn van toepassing kan zijn, alsmede van de gevolgen die uit de gemeenschappelijke kwaliteitsdoelstellingen voortvloeien en die na onderling overleg door elke betrokken staat worden vastgesteld. De Commissie kan aan deze beraadslagingen deelnemen.

Artikel 11

In geval van uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden mogen de lidstaten van deze richtlijn afwijken.

Artikel 12

De nodige wijzigingen voor aanpassing aan de vooruitgang van techniek en wetenschap van de in bijlage I vermelde G-waarden van de parameters en analysemethoden worden vastgesteld door het Comité dat is ingesteld bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn [78/659/EEG], overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, van die richtlijn bedoelde procedure.

Artikel 13

1. Voor de toepassing van deze richtlijn verstrekken de lidstaten de Commissie inlichtingen betreffende:

a) het overeenkomstig artikel 4, lid 1, aangewezen water, en wel in beknopte vorm;

b) de herziening van de aanwijzing van bepaalde wateren overeenkomstig artikel 4, lid 2;

c) de bepalingen ter vaststelling van nieuwe parameters overeenkomstig artikel 9.

2. Indien een lidstaat artikel 11 toepast, stelt hij de Commissie hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de beweegredenen en de gestelde termijnen.

3. Meer in het algemeen verschaffen de lidstaten aan de Commissie op gemotiveerd verzoek harerzijds de inlichtingen die nodig zijn voor de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 14

ê 91/692/EEG art. 2, lid 1, en bijlage I, onder e) (aangepast)

Elke drie jaar Ö , en voor het eerst voor de periode van 1993 tot en met 1995, Õ lichten de lidstaten de Commissie in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in het kader van een verslag dat per sector wordt uitgebracht en dat ook de andere communautaire richtlijnen op dit gebied bestrijkt. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad[13] bedoelde procedure. Zes maanden vóór de aanvang van de verslagperiode wordt de vragenlijst of het schema aan de lidstaten toegezonden. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.

Binnen negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Gemeenschap.

ê 79/923/EEG (aangepast)

Artikel 15

De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van de tekst van belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied uitvaardigen.

ê

Artikel 16

Richtlijn 79/923/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage II, deel A, genoemde richtlijn, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

ê 79/923/EEG

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

ê 79/923/EEG

BIJLAGE I

VEREISTE KWALITEIT VAN SCHELPDIERWATER

Parameters | G | I | Referentie-analysemethodes | Minimum bemonsterings- en metingsfrequentie |

1. | pH pH-eenheid | 7 — 9 | Elektrometrie De meting wordt in situ uitgevoerd tijdens de bemonstering | Driemaandelijks |

2. | Temperatuur °C | Het temperatuurverschil dat veroorzaakt wordt door een lozing mag in het door deze lozing beïnvloede schelpdierwater niet meer dan 2 °C boven de temperatuur uitkomen die is gemeten in de niet-beïnvloede wateren | Thermometrie De meting wordt in situ uitgevoerd tijdens de bemonstering | Driemaandelijks |

.3. | Kleuring (na filtering) mg Pt/l | De kleur van het water na filtering, veroorzaakt door een lozing, mag in het door deze lozing beïnvloede schelpdierwater niet meer dan 10 mg Pt/l afwijken van de kleur die is gemeten in de niet-beïnvloede wateren | Membraanfiltratie (0,45 µm) Fotometrie met toepassing van de Pt/Co-schaal | Driemaandelijks |

4. | Gesuspendeerde stoffen mg/l | De stijging van het gehalte aan gesuspendeerde stoffen die door een lozing wordt veroorzaakt, mag in het door deze lozing beïnvloede schelpdierwater niet meer bedragen dan 30 % van het gehalte gemeten in niet-beïnvloed water | Membraanfiltratie (0,45 µm), drogen bij 105 °C en wegen Centrifugeren (minimaal 5 minuten, gemiddelde versnelling 2 800 tot 3 200 g), drogen bij 105 °C en wegen | Driemaandelijks |

5. | Saliniteit ‰ | 12 — 38 ‰ | ≤ 40 ‰ De door een lozing veroorzaakte schommeling van saliniteit mag in het door die lozing beïnvloede schelpdierwater niet meer bedragen dan 10 % van het in het niet-beïnvloede water gemeten zoutgehalte | Meting van het geleidingsvermogen | Maandelijks |

.6. | Verzadigingspercentage aan opgeloste zuurstof | ≥ 80 % | ≥ 70 % (gemiddelde waarde) Indien een afzonderlijke meting een waarde van minder dan 70 % aangeeft, worden de metingen herhaald Een afzonderlijke meting mag slechts een waarde van minder dan 60 % opleveren, indien er geen schadelijke gevolgen optreden voor de ontwikkeling van de schelpdierpopulaties | Methode van Winkler Elektrochemische methode | Maandelijks met minimaal één monster dat representatief is voor het laagste zuurstofgehalte van het water op de dag van bemonstering. Indien er evenwel een vermoeden is van aanzienlijke dagelijkse schommelingen, moeten er minimaal twee monsters per dag worden genomen |

7. | Koolwaterstoffen op oliebasis | In het schelpdierwater mogen geen koolwaterstoffen aanwezig zijn in dusdanige hoeveelheden dat zij: een zichtbare film veroorzaken op het wateroppervlak en/of een afzetting op de schelpdieren voor de schelpdieren schadelijke effecten veroorzaken | Visuele controle | Driemaandelijks |

8. | Gehalogeneerde organische stoffen | De concentratie van elke stof in het schelpdiervlees moet zodanig beperkt zijn dat zij, overeenkomstig artikel 1, bijdraagt tot een goede kwaliteit van de schelpdierproducten | De concentratie van elke stof in het schelpdierwater of in het schelpdiervlees mag een niveau niet overschrijden dat schadelijke effecten veroorzaakt op de schelpdieren en hun larven | Gaschromatografie na extractie met geschikte oplosmiddelen en zuivering | Halfjaarlijks |

9. | Metalen Zilver Arsenicum Cadmium Chroom Koper Kwik Nikkel Lood Zink mg/l | Ag As Cd Cr Cu Hg Ni Pb Zn | De concentratie van elke stof in het schelpdiervlees moet zodanig beperkt zijn dat zij, overeenkomstig artikel 1, bijdraagt tot een goede kwaliteit van de schelpdierproducten | De concentratie van elke stof in het schelpdierwater of in het schelpdiervlees mag een niveau niet overschrijden dat schadelijke effecten veroorzaakt op de schelpdieren en hun larven De synergetische effecten van deze metalen moeten in aanmerking worden genomen | Atomaire absorptie-spectrometrie, eventueel voorafgegaan door concentratie en/of extractie | Halfjaarlijks |

10. | Faecale colibacteriën per 100 ml | ≤ 300 in het schelpdiervlees en de vloeistof binnen de schelp van het schelpdier(1) | Verdunningsmethode met fermentatie in vloeibare substraten in ten minste drie buisjes in drie verdunningen. Overplanting van de positieve buisjes op een bevestigingsvoedingsbodem. Tellen volgens de techniek van het meest waarschijnlijke aantal (MWA). Incubatie bij 44 ° ± 0,5 °C | Driemaandelijks |

11. | Stoffen die de smaak van het schelpdier beïnvloeden | Concentratie lager dan die welke de smaak van het schelpdier kan wijzigen | Smaakonderzoek van de schelpdieren, wanneer de aanwezigheid van een dergelijke stof wordt vermoed |

12. | Saxitoxine (geproduceerd door dinoflagellaten) |

Afkortingen: G = Richtwaarde I = Bindende waarde (1) In afwachting van de aanneming van een richtlijn inzake de bescherming van de consumenten van schelpdierproducten is deze waarde echter bindend voor de wateren waar rechtstreeks voor menselijke consumptie bestemde schelpdieren leven. |

_____________

é

BIJLAGE II

Deel A

Ingetrokken richtlijn met de wijziging ervan(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn 79/923/EEG van de Raad (PB L 281 van 10.11.1979, blz. 47) |

Richtlijn 91/692/EEG van de Raad (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48) | uitsluitend bijlage I, onder e) |

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn | Omzettingstermijn |

79/923/EEG | 6 november 1981 |

91/692/EEG | 1 januari 1993 |

_____________

BIJLAGE III

Concordantietabel

Richtlijn 79/923/EEG | De onderhavige richtlijn |

Artikel 1 | Artikel 1 |

Artikel 2 | Artikel 2 |

Artikel 3 | Artikel 3 |

Artikel 4, leden 1 en 2 | Artikel 4, lid 1 |

Artikel 4, lid 3 | Artikel 4, lid 2 |

Artikel 5 | Artikel 5 |

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, aanhef | Artikel 6, lid 1, eerste alinea, aanhef |

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, eerste streepje | Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder a) |

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, tweede streepje | Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder b) |

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, derde streepje | Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) |

Artikel 6, lid 1, tweede alinea | Artikel 6, lid 1, tweede alinea |

Artikel 6, lid 2 | Artikel 6, lid 2 |

Artikel 7 | Artikel 7 |

Artikel 8 | Artikel 8 |

Artikel 9 | Artikel 9 |

Artikel 10 | Artikel 10 |

Artikel 11 | Artikel 11 |

Artikel 12 | Artikel 12 |

Artikel 13, eerste alinea, aanhef | Artikel 13, lid 1, aanhef |

Artikel 13, eerste alinea, eerste streepje | Artikel 13, lid 1, onder a) |

Artikel 13, eerste alinea, tweede streepje | Artikel 13, lid 1, onder b) |

Artikel 13, eerste alinea, derde streepje | Artikel 13, lid 1, onder c) |

Artikel 13, tweede alinea | Artikel 13, lid 2 |

Artikel 13, derde alinea | Artikel 13, lid 3 |

Artikel 14 | Artikel 14 |

Artikel 15, lid 1 | _______ |

Artikel 15, lid 2 | Artikel 15 |

_______ | Artikel 16 |

_______ | Artikel 17 |

Artikel 16 | Artikel 18 |

Bijlage | Bijlage I |

_______ | Bijlage II |

_______ | Bijlage III |

_____________

[1] COM(87) 868 PV.

[2] Zie bijlage 3 bij deel A van die conclusies.

[3] Uitgevoerd overeenkomstig de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Codificatie van het acquis communautaire, COM(2001) 645 def.

[4] Zie bijlage II, deel A, bij dit voorstel.

[5] PB C […] van […], blz. […].

[6] PB C […] van […], blz. […].

[7] PB C […] van […], blz. […].

[8] PB L 281 van 10.11.1979, blz. 47. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48).

[9] Zie bijlage II, deel A.

[10] PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

[11] [PB L 222 van 14.8.1978, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36)]

[12] PB L Ö 64 van 4.3.2006, blz. 52 Õ.

[13] PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48.

Top