Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006PC0108

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep (herschikte versie)

/* COM/2006/0108 def. - COD 2004/0084 */

52006PC0108

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep (herschikte versie) /* COM/2006/0108 def. - COD 2004/0084 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 13.3.2006

COM(2006) 108 definitief

2004/0084 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep (herschikte versie)

2004/0084 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep (herschikte versie)

1. CHRONOLOGISCH OVERZICHT

Indiening van het voorstel bij het Europees Parlement en de Raad (document COM(2004) 279 definitief – 2004/0084 (COD)): | 21.4.2004 |

Datum van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: | 15.12.2004 |

Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: | 6.7.2005 |

Indiening gewijzigd voorstel: | 25.8.2005 |

Vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: | 13.03.2006 |

2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Doel van het voorstel is bij te dragen tot meer rechtszekerheid en duidelijkheid rond de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen op het gebied van werkgelegenheid en beroep, door de belangrijkste bepalingen ter zake alsook een aantal punten uit de vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie in één tekst te bundelen.

Deze vereenvoudiging en stroomlijning zullen de communautaire wetgeving voor zowel juristen als het grote publiek toegankelijker en leesbaarder maken, en dragen zo in belangrijke mate bij tot betere regelgeving.

In het voorstel worden de volgende zes bestaande richtlijnen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid en beroep in één coherent instrument samengevoegd:

- Richtlijn 75/117 betreffende gelijke beloning;

- Richtlijn 76/207, gewijzigd bij Richtlijn 2002/73, betreffende gelijke behandeling ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden;

- Richtlijn 86/378, gewijzigd bij Richtlijn 96/97 betreffende gelijke behandeling in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid;

- Richtlijn 97/80 betreffende de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van geslacht.

Het voorstel is niet alleen een consolidering, maar omvat ook een aantal belangrijke verbeteringen. Deze wijzigingen beogen de communautaire wetgeving voorzichtig bij te werken en te moderniseren. Zo wordt vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie in de tekst opgenomen om een aantal belangrijke concepten van de wetgeving inzake gelijke behandeling te verduidelijken. Voorts wordt een aantal horizontale bepalingen in de recentste richtlijnen (bv. betreffende de bewijslast) uitdrukkelijk uitgebreid tot ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. In de praktijk heeft de jurisprudentie van het Hof de werkingssfeer van deze bepalingen reeds uitgebreid tot de voornaamste onderdelen van ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. In dit opzicht is het voorstel dus vooral bedoeld om de juridische situatie te verduidelijken.

3. OPMERKINGEN OVER HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Het gemeenschappelijk standpunt vormt niet alleen het huidige standpunt van de Raad maar bevat ook enkele van de door het Europees Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen. Het weerspiegelt de interinstitutionele discussies waaruit deze compromistekst is voortgekomen.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad bevat een groot aantal amendementen op het voorstel van de Commissie. De Commissie is van mening dat deze wijzigingen niets afdoen aan de doelstellingen van het voorstel.

Wat de overgrote meerderheid van de in eerste lezing door het Europees Parlement goedgekeurde amendementen betreft, valt het gemeenschappelijk standpunt van de Raad volledig samen met het gewijzigd voorstel van de Commissie. In de enkele hieronder vermelde gevallen waarin het gemeenschappelijk standpunt van het voorstel van de Commissie afwijkt, vormt de thans door de Raad voorgelegde tekst de in het interinstitutioneel overleg bereikte compromisoplossing. Deze compromistekst strookt volledig met de doelstellingen van zowel het oorspronkelijke als het gewijzigde voorstel en is daarom voor de Commissie aanvaardbaar.

1. In een aantal door het Europees Parlement geïntroduceerde en door de Commissie in haar gewijzigd voorstel overgenomen nieuwe overwegingen, namelijk overweging 11 inzake de noodzaak voor de lidstaten om beloningsverschillen en arbeidsmarktsegregatie op grond van geslacht aan te pakken, overweging 37 betreffende de ontwikkeling en analyse van naar sekse uitgesplitste statistieken, en overweging 38 betreffende de bewustmaking van loondiscriminatie heeft de Raad verduidelijkt dat deze inspanningen moeten worden voortgezet , om niet de indruk te wekken dat er op dit gebied nog niets gedaan is. De Commissie kan zich in deze wijziging en in andere geringe redactionele wijzigingen in de overwegingen 11 en 37 vinden.

2. In haar gewijzigd voorstel verwierp de Commissie de invoeging van een nieuw punt d) in lid 2 van artikel 20, dat beoogde de uitwisseling van gegevens en knowhow met Europese organisaties zoals het Europees Genderinstituut toe te voegen aan de taken van organen voor de bevordering van gelijke behandeling. Om formeel-juridische redenen achtte de Commissie een verwijzing naar een nog niet bestaand instituut ongewenst. Aan dit bezwaar werd in de nieuwe tekst tegemoetgekomen door de formulering: Europese organisaties zoals een nog op te richten Europees Genderinstituut. Hiermee kan de Commissie instemmen.

3. Wat artikel 21, lid 1, inzake de sociale dialoog betreft, heeft de Raad het amendement van het Europees Parlement, zoals geherformuleerd door de Commissie, strekkende tot verruiming van de verwijzing naar de werkplek overgenomen, maar de nieuwe formulering inzake door de sociale partners uit te voeren onderzoek op basis van de ontwikkeling en analyse van genderspecifieke gegevens niet opgenomen. De Commissie had dat onderdeel van het amendement van het Europees Parlement overgenomen, maar kan zich vinden in de redenering van de Raad dat een verwijzing naar gegevens of statistieken in dit verband het onderzoek te zeer zou beperken tot uitsluitend kwantitatieve aspecten waarvoor statistische informatie nodig is, met voorbijgaan van de kwalitatieve aspecten, die niet noodzakelijk op dergelijk materiaal gebaseerd zijn.

4. Nog steeds met betrekking tot de bepaling inzake de sociale dialoog, meer in het bijzonder artikel 21, lid 4, waarin wordt gesteld dat de door de werkgever verstrekte informatie inzake gelijke behandeling binnen de onderneming een van de manieren is om gelijke behandeling planmatig en systematisch te bevorderen, zoals bepaald in artikel 21, lid 3, onderschreef de Raad het voorstel van de Commissie om de formulering op een lijn te brengen met de andere leden door te bepalen dat de werkgevers ertoe worden aangemoedigd dergelijke inspanningen te ondernemen. Daarentegen ging hij niet akkoord met het voorstel in het gewijzigd voorstel van de Commissie om in de tweede alinea ‘dient’ te gebruiken, dat een krachtigere aansporing impliceert om de daar vermelde specifieke informatie beschikbaar te stellen, en keerde hij terug naar de formulering ‘kan’ uit het oorspronkelijke voorstel. Wel nam hij, onder voorbehoud van een duidelijkere formulering, het door de Commissie onderschreven voorstel van het Europees Parlement over om de informatie die wenselijk is nader te beschrijven. In haar geheel genomen is deze compromisoplossing voor de Commissie aanvaardbaar.

5. De Raad besloot de verplichting voor de lidstaten om een verslag voor te leggen met een beoordeling van uitzonderingen op het beginsel van gelijke behandeling op grond van het feit dat een kenmerk dat verband houdt met het geslacht een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, te verplaatsen van artikel 13 naar artikel 31, de algemene bepaling inzake verslagleggingsverplichtingen, en wel als nieuw lid 3. Hij heeft de frequentie van die verslagen gewijzigd van ‘eens per vier jaar’, zoals voorgesteld door het Europees Parlement en de Commissie in haar gewijzigd voorstel, in ‘ periodiek doch ten minste eens per acht jaar ’. Dit is aanvaardbaar aangezien dit nog altijd een vooruitgang is ten opzichte van de huidige eis van periodieke beoordeling zonder vaste termijnen.

6. Ten aanzien van de onderling samenhangende termijnen voor de omzetting van de richtlijn (artikel 33), voor de uitvoeringsverslagen door de lidstaten (artikel 31) en voor de evaluatie van de toepassing van de richtlijn door de Commissie (artikel 32) koos de Raad een compromis tussen de verschillende standpunten van de instellingen. Hij ging in principe akkoord met een korte omzettingstermijn van twee jaar zoals door het Europees Parlement en de Commissie in haar gewijzigd voorstel werd verlangd, maar voorzag in de mogelijkheid deze met een jaar te verlengen voor lidstaten met bijzondere moeilijkheden. Er werden uniforme termijnen vastgesteld voor de uitvoeringsverslagen en de evaluatie van respectievelijk vier en een half jaar en zes en een half jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn.

Voorts bracht de Raad enkele veranderingen aan die los staan van de amendementen van het Europees Parlement. Deze wijzigingen hebben een formeel en technisch karakter en tasten de inhoud van het voorstel niet aan. Zij betreffen onder andere de samenvoeging van de artikelen 19 en 20 van het oorspronkelijke voorstel in één enkele bepaling inzake de bewijslast in discriminatiegevallen (artikel 19) en de inkorting van de titels van de hoofdstukken 1, 2 en 3 van titel II en hoofdstuk 2 van titel III. Met het oog op een duidelijkere structuur veranderde de Raad titel IV van het voorstel van de Commissie in een hoofdstuk 3 van titel III met de titel ‘Algemene horizontale bepalingen’ . Ook heeft de Raad een nieuwe overweging 41 ingevoegd waarin wordt verwezen naar punt 34 van het interinstitutioneel akkoord ‘Beter wetgeven’.

4. CONCLUSIE

Om de hierboven uiteengezette redenen is de Commissie van oordeel dat het gemeenschappelijk standpunt geen afbreuk doet aan de doelstellingen en opzet van haar voorstel en dat zij het daarom kan onderschrijven, te meer daar in het gemeenschappelijk standpunt rekening wordt gehouden met de door het Europees Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen en met het gewijzigd voorstel van de Commissie. Het is het resultaat van de interinstitutionele besprekingen die ten grondslag liggen aan deze compromistekst.

5. VERKLARING VAN DE COMMISSIE

In het kader van de tijdens het interinstitutioneel overleg bereikte compromisoplossing hebben de Commissie en de Raad bij de goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt elk een verklaring afgelegd (zie bijlage I en II).

BIJLAGE I

Verklaring van de Commissie

De Commissie zet zich in voor de bevordering van het ouderschapsverlof als instrument van het allergrootste belang om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven te bewerkstelligen. Zij is vastbesloten om ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor het combineren van werk en privé-leven worden verbeterd door de juiste tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake ouderschapsverlof en de controle op de adequaatheid en doeltreffendheid daarvan.

Daarom is de Commissie voornemens de combinatie van werk en privé-leven aan te wijzen als een van haar prioritaire doelstellingen in de routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, die op 1 maart 2006 is goedgekeurd (COM(2006) 92 definitief). In dat verband zal een analyse worden uitgevoerd van alle elementen die een rol spelen bij de combinatie van werk en privé-leven, zoals ouderschapsverlof, flexibele arbeidsregelingen en opvangfaciliteiten, teneinde waar nodig met beleidsantwoorden te komen. Als onderdeel hiervan zal een gedachtewisseling met de sociale partners worden geïnitieerd.

BIJLAGE II

Verklaring van de Raad

De Raad deelt de vastbeslotenheid van het Europees Parlement om de situatie met betrekking tot de combinatie van werk en privé-leven te verbeteren teneinde gelijkheid van vrouwen en mannen in het beroepsleven te bewerkstelligen. Hij neemt dan ook met voldoening kennis van het voornemen van de Europese Commissie om de arbeidsparticipatie van vrouwen en de balans tussen werk en privé-leven centraal te stellen in haar derde jaarverslag aan de staatshoofden en regeringsleiders over gelijkheid van vrouwen en mannen, dat zij in maart 2006 aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad zal voorleggen.

In dit verband neemt de Raad nota van het belang dat het Europees Parlement hecht aan ouderschapsverlof.

Top