This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52006DC0014
Commission working document on a Community Action Plan on the Protection and Welfare of Animals 2006-2010 - Strategic basis for the proposed actions {SEC(2006) 65}
Werkdocument van de Commissie over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 - Strategische basis voor de voorgestelde acties {SEC(2006) 65}
Werkdocument van de Commissie over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 - Strategische basis voor de voorgestelde acties {SEC(2006) 65}
/* COM/2006/0014 def. */
Werkdocument van de Commissie over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 - Strategische basis voor de voorgestelde acties {SEC(2006) 65} /* COM/2006/0014 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 23.01.2006 COM(2006) 14 definitief WERKDOCUMENT VAN DE COMMISSIE over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 Strategische basis voor de voorgestelde acties {SEC(2006) 65} INHOUDSOPGAVE 1. ACTIE 1 – De huidige minimumnormen voor dierenbescherming en -welzijn verhogen 3 1.1. Achtergrond 3 1.2. Dierenwelzijn: hoeksteen van het EU-beleid 4 1.3. Sleutelrol van dierenwelzijn in het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) 6 2. ACTIE 2 – Een hoge prioriteit geven aan het stimuleren van nieuw beleidsgericht onderzoek naar dierenbescherming en –welzijn en de toepassing van het 3v-principe 7 2.1. Achtergrond 7 2.2. Een Europees centrum of laboratorium voor de bescherming en het welzijn van dieren 8 2.3. Toepassing van nieuwe praktische hulpmiddelen om dierenwelzijn te garanderen 9 2.4. Toepassing van het 3v-principe voor proefdieren 9 3. ACTIE 3 – Standaardindicatoren voor dierenwelzijn introduceren 11 3.1. Achtergrond – de geïntegreerde benadering 11 3.2. Een EU-dierenwelzijnsetiket – productiesystemen indelen naar de toegepaste welzijnsnormen 11 4. ACTIE 4 – Zorgen dat zowel personen die dieren houden of ermee omgaan als het publiek meer betrokken raken bij en beter geïnformeerd worden over de huidige normen voor dierenbescherming en –welzijn en zich ten volle bewust worden van hun eigen rol in het bevorderen daarvan 12 4.1. Achtergrond – de verschuiving van de publieke opinie 12 4.2. Wat is er al bereikt 12 4.3. Informatievoorziening aan personen die dieren houden of ermee omgaan en aan het grote publiek: de beste pleitbezorgers voor dierenwelzijn 13 5. ACTIE 5 – Nieuwe internationale initiatieven blijven opzetten en ondersteunen om bij te dragen tot een grotere bewustwording en een consensus over dierenwelzijn 14 5.1. Achtergrond 14 5.2. Samenwerking met de Werelddiergezondheidsorganisatie – OIE 15 5.3. Bevordering van dierenwelzijn in de multilaterale en bilaterale betrekkingen van de EU 15 5.4. Bewustmaking van dierenwelzijn in ontwikkelingslanden en het creëren van handelsmogelijkheden 17 1. ACTIE 1 – DE HUIDIGE MINIMUMNORMEN VOOR DIERENBESCHERMING EN -WELZIJN VERHOGEN 1.1. Achtergrond Ondanks het feit dat veel belangrijke ontwikkelingen op het gebied van dierenwelzijn van de laatste jaren dateren, heeft de maatschappij al sinds generaties erkend dat zij een verplichting heeft op het gebied van de zorg voor dieren en hebben veel landen al lang wetgeving ter bescherming van dieren en ter preventie van mishandeling. De eerste wetgeving voor dierenwelzijn op EG-niveau stamt van 1974 en had betrekking op de bescherming van dieren bij het slachten[1]. Uit de overwegingen van deze richtlijn blijkt dat dierenwelzijn en het voorkomen van onnodig lijden toen al hoog op de agenda stonden: “Overwegende dat het bovendien dienstig is op het vlak van de Gemeenschap maatregelen te nemen om in het algemeen elke vorm van wreedheid jegens dieren te voorkomen; dat met deze maatregelen in een eerste fase bij voorkeur beoogd moet worden voorwaarden te scheppen die het mogelijk maken dat de dieren bij het slachten alleen lijden indien dit in het geheel niet voorkomen kan worden”. Sindsdien heeft zich een groeiend corpus van Gemeenschapswetgeving op het gebied van de bescherming van dieren ontwikkeld. De Commissie heeft de belangrijke verantwoordelijkheid te garanderen dat nieuwe wetgeving ten aanzien van dierenwelzijnsnormen gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten, expertise en praktische ervaring. In haar rol als hoedster van de EG-Verdragen is de Commissie ook verantwoordelijk voor de juiste toepassing en handhaving van de Gemeenschapswetgeving; hierin speelt de inspectiedienst van de Commissie (Voedsel- en Veterinair Bureau – VVB) een belangrijke rol. De wetenschappelijke basis van dit beleid wordt onder andere gevormd door de werkzaamheden van een reeks opeenvolgende adviesorganen: het Wetenschappelijk Veterinair Comité[2], het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren[3], de Adviesgroep ethische implicaties van de biotechnologie (AGEIB) en meer recentelijk de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid[4]. Wat landbouwhuisdieren betreft heeft de wetgeving tot dusver vooral betrekking op minimumnormen voor hun bescherming. Voor enkele diersoorten (kalveren, varkens en legkippen) is meer gedetailleerde regelgeving vastgelegd, maar voor andere zoals vlees- en melkkoeien, schapen, kalkoenen, eenden e.d. bestaan alleen algemene eisen. Het ontbreken van specifieke normen voor dierenwelzijn voor de meeste landbouwhuisdieren is bijna niet meer te rechtvaardigen als men kijkt naar de huidige wetenschappelijke gegevens en de stappen die op dit gebied zijn genomen in internationale fora zoals de Raad van Europa[5]. Zo zijn er steeds meer aanwijzingen dat vissen gevoel hebben en dit is een onderwerp waarover de Raad van Europa zich al heeft gebogen; ook de OIE heeft welzijnsrichtlijnen voor gekweekte vis opgesteld. Het milieubeleid van de EU omvat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wetgeving die heeft aangestuurd op verbeteringen in het dierenwelzijn in de context van de harmonisatie van de interne markt. Met de invoering van artikel 175 zijn nieuwe gebieden van dierenbescherming en -welzijn in het Gemeenschapsrecht opgenomen. Het milieubeleid van de Commissie heeft bijvoorbeeld betrekking op aspecten van humane vangstmethoden, de handel in wilde dieren en planten, het houden van dieren in dierentuinen en de invoer van huiden van bepaalde zeehondenjongen. Ook het milieuactieprogramma van de EU, Milieu 2010: Onze toekomst, onze keuze voor de periode 2001-2010, richt zich onder andere op de instandhouding van natuurlijke habitats en wilde dieren en planten. Op internationaal gebied heeft de Gemeenschap bijvoorbeeld een overeenkomst over internationale humane vangstmethoden met Canada en de Russische Federatie gesloten en een vergelijkbare overeenkomst in de vorm van goedgekeurde notulen met de Verenigde Staten. Op het gebied van de bescherming van dieren die voor experimenten worden gebruikt, heeft de Commissie al in 1985 een voorstel ingediend voor een richtlijn betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt. Verder is de Gemeenschap bij Besluit 1999/575/EG van de Raad partij geworden bij Overeenkomst ETS 123 van de Raad van Europa voor de bescherming van gewervelde dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt. Hiermee bevestigt de Gemeenschap dat zij zich blijft inzetten voor alternatieven voor dierproeven en voor verbetering van het welzijn van de dieren die nog bij experimenten worden gebruikt. In de EU worden elk jaar circa 10 miljoen dieren voor onderzoek en tests gebruikt: in bijna 25% van de gevallen gaat het om wettelijke tests, waaronder veiligheidstests, tests op levensmiddelen en geneesmiddelencontrole. Het gebruik van dieren in de industrie en onderzoek is tot voor kort afgenomen, niet zozeer door het gebruik van alternatieve methoden bij wettelijk verplichte tests als wel door toepassing van nieuwe methoden voor het opsporen van agentia en onderzoeksmethoden. 1.2. Dierenwelzijn: hoeksteen van het EU-beleid Het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren, dat middels het Verdrag van Amsterdam aan het EG-Verdrag is gehecht, bepaalt dat de Gemeenschap en de lidstaten op bepaalde actiegebieden bij het formuleren en uitvoeren van het beleid in alle opzichten rekening moeten houden met de normen voor dierenwelzijn voor alle dieren. Uit diverse onderzoeken is naar voren gekomen dat de burgers van de EU steeds meer waarde hechten aan hoge normen voor dierenwelzijn, die zowel direct als indirect invloed kunnen hebben op de voedselveiligheid en -kwaliteit. Daarom moeten de regelgeving en de steunregelingen in de landbouw aan deze trends worden aangepast. De Commissie heeft erkend dat er een verband bestaat tussen voedselveiligheid en dierenwelzijn in haar witboek over voedselveiligheid en door te zorgen voor een geïntegreerde aanpak van dierengezondheid en –welzijn en voedselveiligheid langs de gehele voedselketen, met name in Verordening (EG) 882/2004[6]. Deze verordening bepaalt ook dat er cursussen moeten worden georganiseerd voor het personeel van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten om tot een geharmoniseerde aanpak van de officiële controles in de lidstaten te komen. Zulke cursussen moeten echter eerder als aanvulling dan als vervanging voor interne opleidingen van de lidstaten zelf worden gezien. De lidstaten kunnen ook beschikken over een forum voor het uitwisselen van informatie en ervaringen met de uitvoering van maatregelen om dierenwelzijn te bevorderen, hetgeen de verspreiding van goede praktijken vergemakkelijkt. Om de communicatiekosten zo laag mogelijk te houden, overlapping te voorkomen en de administratieve efficiency te verhogen, moet worden nagedacht over het gebruik van moderne technologieën en e-overheid-oplossingen voor taken die te maken hebben met de verzending en behandeling van deze informatie. Beschikking 90/424/EEG van de Raad betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied bepaalt dat de Gemeenschap een financiële bijdrage dient te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een voorlichtingsbeleid op het gebied van de dierenbescherming en zorgt voor financiering van studies voor de voor te bereiden en uit te werken wetgeving op het gebied van de dierenbescherming. Ook biedt deze beschikking mogelijkheden om de belangrijkste initiatieven die in het actieplan bij dit werkdocument worden uiteengezet, te ondersteunen. De Europese Unie heeft een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om de bescherming van dieren die voor experimentele doeleinden worden gehouden, de validatie van alternatieven voor dierproeven, de vangst van wilde dieren, het welzijn van dierentuindieren, de handel in wilde dieren en bedreigde dier- en plantensoorten. Ook bij andere vraagstukken, zoals de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten, het behoud van biologische en genetische diversiteit en ontwikkelingen op het gebied van biotechnologie, bijvoorbeeld het klonen van dieren, moet rekening worden gehouden met eventuele consequenties voor het welzijn van dieren. Binnen het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft de strategie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur van de Commissie[7] aangetoond dat het welzijn van gekweekte vissen moet worden verbeterd en dat de aanbevelingen van organisaties als de Raad van Europa, zoals het ontwikkelen van specifieke wetgeving ter bescherming van gekweekte vis, moeten worden opgevolgd. Ten aanzien van de bescherming van proefdieren werkt de Commissie momenteel aan een herziening van Richtlijn 86/609/EEG. Het doel van deze herziening is de wetgeving op het gebied van dierproeven in de EU aan te scherpen en te garanderen dat dieren die nog voor dierproeven worden gebruikt, een juiste verzorging en humane behandeling krijgen. Bij de herziening wordt met name gekeken naar de eisen voor het verkrijgen van een vergunning voor experimenten en de eisen die gelden voor personeel en inrichtingen en de inspectie van inrichtingen waar proefdieren worden gefokt, verhandeld of gebruikt, alsmede de invoering van een proces voor ethische evaluatie. De synergie tussen de verschillende directoraten-generaal van de Commissie die zich bezighouden met dierenwelzijn, zal het de Commissie gemakkelijker maken aan de eisen van het Protocol te voldoen. Er moet stelselmatiger worden gewerkt aan netwerken van competenties om te zorgen voor een goede follow-up van strategieën voor de langere termijn en om tegemoet te komen aan de toenemende roep om betere dierenbeschermingsnormen van het Europese publiek. 1.3. Sleutelrol van dierenwelzijn in het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) In de recente hervorming van het GLB zijn randvoorwaarden geïntroduceerd waaraan de begunstigden van rechtstreekse betalingen vanaf 2007 moeten voldoen, waaronder normen voor dierenwelzijn. Op overtredingen volgen sancties in de vorm van vermindering of intrekking van de betaalde subsidie, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de overtreding. Belangrijker zijn echter, wat de mogelijke positieve effecten op dierenwelzijn betreft, de nieuwe maatregelen die deel uitmaken van het beleid voor plattelandsontwikkeling. Er kan steun worden toegekend voor investeringen in landbouwbedrijven of voor de verwerking en afzet van landbouwproducten die het dierenwelzijn verbeteren. Daarnaast kan naleving van de dierenwelzijnswetgeving in agromilieumaatregelen als voorwaarde worden gesteld voor het ontvangen van steun, waarop de lidstaten toezicht kunnen uitoefenen. Verder zijn de volgende begeleidende maatregelen geïntroduceerd: - het onderdeel “Agromilieu” is aangevuld met een maatregel om veehouders te belonen als zij dierhouderijpraktijken hanteren die verder gaan dan de minimale normen; - de maatregel “Voldoen aan normen” biedt mogelijkheden voor een tegemoetkoming in de exploitatiekosten die veehouders moeten maken om zich aan te passen aan de veeleisende normen van de Gemeenschapswetgeving op het gebied van milieu, volksgezondheid, de gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn. Daarnaast kan gebruikmaking van bedrijfsadviseringsdiensten worden ondersteund, die veehouders helpen de normen toe te passen; - in het onderdeel “Voedselkwaliteit” wordt subsidie gegeven voor deelname aan voedselkwaliteitsregelingen (waaronder regelingen die gebaseerd zijn op hoge dierenwelzijnsnormen) en voor producentengroeperingen die voorlichting, promotie en reclame verzorgen met betrekking tot de ondersteunde kwaliteitsregelingen, waaronder regelingen die scherpere regels voor dierenwelzijn omvatten. Het is dan ook duidelijk dat de lidstaten en de Commissie binnen het nieuwe kader van het hervormde GLB meer mogelijkheden hebben om te beantwoorden aan de roep om duurzamere productiemethoden en betere dierenwelzijnsnormen vanuit de samenleving. In het Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw[8] heeft de Commissie bijvoorbeeld benadrukt – en dit is later door de Raad[9] onderstreept – dat de biologische landbouw een tweeledige rol in de samenleving speelt: enerzijds draagt deze bij tot de bescherming van het milieu en het dierenwelzijn en anderzijds komt zij tegemoet aan de vraag van de consument. In het actieplan heeft de Commissie deze openbare goederen expliciet benoemd door de bescherming van een hoog dierenwelzijnsniveau als een van de doelstellingen van de biologische landbouw te formuleren. Deze actie is inmiddels gerealiseerd met het voorstel voor een (nieuwe) verordening van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten. In dit voorstel is het principe vastgelegd dat in de biologische landbouw het hoogste niveau van dierenwelzijn wordt nagestreefd. 2. ACTIE 2 – EEN HOGE PRIORITEIT GEVEN AAN HET STIMULEREN VAN NIEUW BELEIDSGERICHT ONDERZOEK NAAR DIERENBESCHERMING EN –WELZIJN EN DE TOEPASSING VAN HET 3V-PRINCIPE 2.1. Achtergrond Volgens het Protocol bij het EG-Verdrag moet in door de Gemeenschap gefinancierd onderzoek specifiek rekening worden gehouden met dierenwelzijn en ethische kwesties. Het is niet alleen belangrijk dat gekeken wordt naar eventuele ethische aspecten van nieuwe technologieën, maar ook dat ontwikkelingen op het gebied van dierenwelzijn een stevige wetenschappelijke basis hebben. Dit moet het geval zijn als nieuwe biotechnologie (zoals het klonen van dieren) gevolgen voor het dierenwelzijn kan hebben, maar het is ook belangrijk bij het ontwikkelen van bepaalde moderne dierhouderijsystemen, zoals extensieve of biologische productie. Daarom moeten het beleid en de aanbevelingen op het gebied van dierenwelzijn gebaseerd zijn op de meest recente wetenschappelijke gegevens. Als er onvoldoende objectieve informatie is om een goed beleid en passende aanbevelingen te formuleren, moet dit dan ook aanleiding zijn om nieuwe onderzoeksprioriteiten vast te stellen. De Commissie heeft steun gegeven aan een aantal onderzoeksprojecten over het welzijn van landbouwhuisdieren[10], variërend van sociologische studies over consumentengedrag tot studies over het welzijn van dieren in pluimvee- en kalverhouderijen[11]. Daarnaast ondersteunt zij in het kader van het thema Voedselkwaliteit en –veiligheid momenteel een geïntegreerd project, “Integratie van het dierenwelzijn in de voedselkwaliteitsketen: van publieke bezorgdheid naar welzijnsverbetering en transparantie op het gebied van kwaliteit”[12]. Ook is steun gegeven aan een aantal projecten over de ethische, juridische en maatschappelijke aspecten van de veefokkerij en –houderij (en nieuwe voortplantingstechnieken zoals klonen). Daarnaast is onderzoek gefinancierd in het kader van het thema Veranderingen in het aardsysteem en ecosystemen met betrekking tot intelligente teststrategieën voor chemische stoffen, en van het thema Genomica en biotechnologie voor de gezondheid, strategieën voor in-vitrovoorspellingstests voor de menselijke blootstelling aan chemicaliën, alsmede specifieke projecten over toxicologie en hormoonontregelaars. Het Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling[13] is momenteel in voorbereiding en loopt naar verwachting van 2007 tot 2013. In het voorstel ligt de nadruk op het welzijn van landbouwhuisdieren in het kader van thema 2 “Voeding, landbouw en biotechnologie” van het samenwerkingsprogramma als onderdeel van de strategie voor het opbouwen van een kennisgebaseerde bio-economie. Onderzoek in de kaderprogramma’s is gericht op verbetering van het Europese concurrentievermogen en op de Europese beleidsvorming op de relevante gebieden. Beleidsondersteunend onderzoek maakt uitdrukkelijk deel uit van het kaderprogramma en er is een raadplegingsstructuur om onderzoek op het beleid van de betrokken directoraten-generaal af te stemmen. Deze raadpleging wordt gebruikt om de prioriteiten van onderzoek naar dierenwelzijn voor het zevende kaderprogramma vast te stellen. Voor vier van de negen thema’s worden 3v-activiteiten ondersteund: 1. Gezondheid, 2. Voeding, landbouw en biotechnologie, 4. Nanowetenschappen, nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën en 6. Milieu (inclusief klimaatverandering). Daarnaast zullen technologieplatforms, zoals voor de algehele gezondheid van dieren en veefokkerij en –houderij , aanvullende input leveren die relevant is voor dierenwelzijn. 2.2. Een Europees centrum of laboratorium voor de bescherming en het welzijn van dieren Nu dierenwelzijn tot een serieuze wetenschappelijke discipline is uitgegroeid, wordt gekeken naar de mogelijkheid een Europees centrum of laboratorium voor de bescherming en het welzijn van dieren op te richten. Dit centrum of laboratorium zou een aantal kerntaken kunnen uitvoeren die deel uitmaken van het actieplan. Het zou zich met name kunnen bezighouden met de standaardisering en certificering van nieuwe welzijnsindicatoren voor de uitvoering van actie 3 (Standaardindicatoren voor dierenwelzijn). Ook kan het centrum onderzoek coördineren en stimuleren om de huidige normen aan te scherpen en het initiatief nemen voor nader onderzoek naar de intrinsieke verbanden tussen diergezondheid en dierenwelzijn, en daaruit voortvloeiend de relatie met de voedselveiligheid en -kwaliteit. Dit aspect is relevant voor de discussie die nu en in de toekomst wordt gevoerd over dierenwelzijn op zowel Europees als internationaal niveau. Het centrum zou ook kunnen dienen als kenniscentrum om een actieve uitwisseling van informatie over alle aspecten van dierenwelzijn te stimuleren. Dit kan in verschillende vormen plaatsvinden, van een elementair inzicht – door middel van gericht wetenschappelijk onderzoek naar dierenwelzijn, uitwisselingsprogramma's en de bevordering van alternatieven voor dierproeven – tot een formeler platform of referentiepunt voor het uitwisselen van informatie en het inventariseren en bevorderen van goede praktijken. Het centrum zou ook kunnen meewerken aan de invoering van een Europees etiket voor dierenwelzijn (zie hoofdstuk 3.2) door een aantal geharmoniseerde, wetenschappelijk onderbouwde benchmarks voor de EU op te stellen. Verder zou het centrum betrokken kunnen worden bij de voorbereiding van sociaal-economische studies en effectbeoordelingen die van belang zijn voor de uitvoering van belangrijke nieuwe dierenwelzijnsmaatregelen. 2.3. Toepassing van nieuwe praktische hulpmiddelen om dierenwelzijn te garanderen Bij onderzoek moet men zich steeds meer gaan richten op het ontwikkelen van monitoringsystemen voor dierenwelzijnsnormen, om de officiële controles efficiënter en proactiever te maken. Met name de controle op dierenwelzijn tijdens het vervoer moet meer gericht zijn op de preventie van slechte vervoersomstandigheden dan op het opleggen van administratieve sancties als de EU-wetgeving niet wordt nageleefd, hetgeen vaak pas aan het eind van het transport wordt geconstateerd. Dit is de benadering die in de recente wetgeving is gevolgd (Verordening (EG) 1/2005). De toepassing van deze regels vraagt echter wel een grotere inspanning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Daarom moet worden gezocht naar nieuwe, meer geïntegreerde toepassingen van nieuwe technologieën (traceringssystemen, communicatiemiddelen en elektronische identificatie) om methoden te vinden om de bevoegde autoriteiten in hun taken bij te staan. 2.4. Toepassing van het 3v-principe voor proefdieren Met betrekking tot dierproeven heeft Richtlijn 86/609/EEG een stimulans gegeven om alternatieven voor dierproeven te ontwikkelen en is in 1991 het Europees Centrum voor de Validatie van Alternatieve Methoden (ECVAM) opgericht. Dit centrum levert een rechtstreekse bijdrage aan het dierenwelzijn door het 3v-principe (vervangen, vermijden en verfijnen) toe te passen en alternatieven te valideren. Dit betekent onder andere horizontale ondersteuning van beleidsuitvoering en monitoring op diverse gebieden van consumentenbescherming en veiligheidstests, bijvoorbeeld voor chemicaliën, cosmetica, biociden, levensmiddelen, biologische producten en medische hulpmiddelen. Alternatieven voor dierproeven spelen een steeds grotere rol in de toepassing van de wetgeving, hoewel de druk vanuit de samenleving en de politiek en de beschikbaarheid van alternatieven per sector sterk kunnen verschillen. Naast dierenwelzijn bieden deze alternatieven ook het mogelijke voordeel dat ze betrouwbare informatie verschaffen in de vorm van aan kwaliteitscontrole onderworpen, geavanceerde tests die sneller en goedkoper zijn dan de klassieke dierproeven. Zo wordt bijvoorbeeld geschat dat de input (aan geld en dieren) voor tests in het kader van REACH[14] tot 70% zou kunnen worden verminderd door intelligente teststrategieën te gebruiken: beschikbare en beloofde informatie, (Q)SAR’s, groepering, read-across enz. (bron: het Europees Bureau voor chemische producten en het Duitse Bondsinstituut voor Risicobeoordeling), zonder af te doen aan de wetenschappelijke kwaliteit van de gegevens. Overigens is het 3v-concept nu al een geïntegreerd onderdeel van het EU-beleid ten aanzien van dierproeven. Het einddoel is dierproeven te vervangen door diervrije methoden. Voor die proeven die nog steeds op levende dieren moeten worden uitgevoerd, is het doel het aantal dieren te verminderen en de methoden zodanig te verfijnen dat de dieren zo min mogelijk pijn of leed ondervinden. Er moet nog meer worden gedaan om te komen tot een volledige toepassing van de 3 v’s op alle gebieden waarop gebruik wordt gemaakt van dieren, om te zorgen voor samenhang tussen Richtlijn 86/609/EEG en de wetgeving die dierproeven verplicht stelt, en om na te gaan wat de mogelijkheden zijn voor wederzijdse acceptatie van gegevens en afspraken over wederzijdse erkenning als manier om het aantal proefdieren terug te dringen. De oprichting van een communautair referentielaboratorium voor de validatie van alternatieve testmethoden moet verder bijdragen tot de kwaliteit van alternatieve testmethoden en schot brengen in het validatieproces. Als onderdeel van een nieuw initiatief hebben vice-voorzitter van de Commissie Günter Verheugen en commissaris Janez Potočnik op 7 november 2005 in Brussel een conferentie over alternatieven voor dierproeven gehouden, die het startsein gaf voor een Europees partnerschap tussen de Commissie en de industrie om alternatieven voor dierproeven te bevorderen. Met dit partnerschap hebben de Europese Raad van de Chemische Nijverheid (CEFIC), de Europese Vereniging voor Gewasbescherming (ECPA), de Europese organisatie voor de bio-industrie (EuropaBio), de European Cosmetic Toiletry and Perfumery Association (Colipa), de International Association for Soaps, Detergents and Maintenance Product Industry in Europe (A.I.S.E.) en de European Federation on Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) ingestemd met de zgn. “3Rs Declaration” van Brussel. Op basis van deze verklaring wordt een taskforce van betrokken organisaties opgericht, die in het eerste kwartaal van 2006 een actieprogramma zal ontwikkelen voor concrete activiteiten op de korte, middellange en lange termijn. De bedoeling van dit actieprogramma is na te gaan welke factoren vooruitgang in de weg staan en passende oplossingen aan te dragen om alternatieve methoden te ontwikkelen, te valideren en wettelijk te regelen, zoals: ( in kaart brengen van onderzoeksactiviteiten en lopende strategieën, ( samenwerking op onderzoeksgebied om de activiteiten van de partners en andere relevante organisaties te versterken en uit te breiden, ( ontwikkeling van alternatieven, waaronder intelligente teststrategieën, ( praktische mechanismen om het validatieproces te verbeteren met behulp van de beschikbare kennis, ( praktische mechanismen om de wettelijke erkenning van alternatieve methoden te vergemakkelijken. Er zal een jaarverslag van het partnerschap over de uitvoering van het actieprogramma worden gepubliceerd voor de Raad, het Europees Parlement en andere betrokken organisaties. Het eerste jaarverslag moet in december 2006 worden uitgebracht. 3. ACTIE 3 – STANDAARDINDICATOREN VOOR DIERENWELZIJN INTRODUCEREN 3.1. Achtergrond – de geïntegreerde benadering Vandaag de dag beschouwt de Europese consument de veehouderij niet meer alleen als middel om voedsel te produceren, maar ook als relevante factor voor andere maatschappelijke kwesties, zoals voedselveiligheid en -kwaliteit, milieubescherming, duurzaamheid en een goede behandeling van dieren. De samenhang tussen dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid is ook internationaal erkend[15]. Een correcte, uniforme handhaving van de wetgeving voor dierenwelzijn is essentieel; de ontwikkeling van nauwkeurige, meetbare dierenwelzijnsindicatoren zal hiertoe bijdragen en de doelmatigheid van de controles en de toegepaste normen vergroten. Momenteel zijn er twee trends waar te nemen: er bestaan verschillende verplichte of vrijwillige regelingen die strengere normen hanteren dan de EU-wetgeving, en de markttendensen bevestigen dat in veel landen van de wereld een omzetstijging van duurzaam geproduceerde producten mogelijk is. Beide trends vormen duidelijk een stimulans om het welzijn van dieren te blijven verbeteren. Toch moeten consumenten nog beter worden geïnformeerd, zodat zij de toegevoegde waarde van betere welzijnsnormen voor het product inzien en hun aankoopkeuzen daarop afstemmen. 3.2. Een EU-dierenwelzijnsetiket – productiesystemen indelen naar de toegepaste welzijnsnormen Detailhandelaars en producenten worden zich er steeds beter van bewust dat dierenwelzijn een essentieel aspect is van het imago en de kwaliteit van het product; daarom is er behoefte aan betrouwbare systemen om de status van dierenwelzijn op het bedrijf te kunnen controleren en om afdoende garanties betreffende de productieomstandigheden te kunnen bieden. Onafhankelijke auditprogramma’s voor dierenwelzijn die door verwerkende bedrijven, detailhandelaars en multinationals worden gebruikt, worden zowel in de EU als daarbuiten steeds populairder. Verschillende lidstaten hebben al vrijwillige regelingen voor de etikettering van producten op basis van bepaalde criteria, waaronder dierenwelzijnsnormen. De EU-handelsnormen voor zowel eieren als pluimveevlees bevatten al een aantal regels voor informatie over dierenwelzijn op het etiket. Voor eieren geldt bijvoorbeeld dat consumptie-eieren sinds 1 januari 2004 moeten worden voorzien van een code die onder andere aangeeft welke pluimveehouderijmethode bij de productie van de eieren is gebruikt. Ter informatie van de consument is het verplicht een toelichting van deze code op de verpakking te geven in het geval van verpakte eieren en op een aparte mededeling in het geval van los verkochte eieren. De lidstaten zijn begonnen met voorlichtingscampagnes, deels gefinancierd door de Europese Commissie, om de consument bewust te maken van de betekenis van de code. Daarnaast bepaalt Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie: “ de vermeldingen worden duidelijk zichtbaar en goed leesbaar op de eieren en de verpakkingen aangebracht overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 10 van Verordening (EEG) nr. 1907/90 ”. In het geval van ingevoerde consumptie-eieren uit derde landen die hebben toegezegd gelijkwaardige normen als de EU te hanteren, wordt in het land van oorsprong duidelijk zichtbaar en goed leesbaar de ISO-code van het land van oorsprong op de eieren aangebracht, voorafgegaan door de vermelding: “ Non-EG-normen ”. De invoering van een EU-dierenwelzijnsetiket is een optie die op korte termijn moet worden bekeken en die de verkoop van producten die volgens strenge welzijnsnormen worden geproduceerd, zou kunnen stimuleren. Zo kunnen consumenten beter kiezen tussen producten die volgens de minimumwelzijnsnormen van de EU-wetgeving zijn geproduceerd, en producten waarbij hogere normen zijn gehanteerd (zoals vastgelegd in vrijwillige gedragscodes of nationale wetgeving die strenger is dan de EU-normen). Een duidelijk etiket waarop het welzijnsniveau is aangegeven, kan een effectief marketinginstrument zijn, zoals de identificatie die momenteel wordt gebruikt voor bepaalde landbouwproducten met specifieke regionale kenmerken. Een dergelijk classificatiesysteem moet gebaseerd zijn op gestandaardiseerde wetenschappelijke indicatoren die zowel in de EU als internationaal erkend zijn en door onderzoek onderbouwd zijn, om de marketing van deze producten te vergemakkelijken. Om tegemoet te komen aan de vraag van de consument naar objectieve en wetenschappelijk onderbouwde informatie, en gezien het grote aantal vaak concurrerende of zelfs verwarrende etiketten en normen, moet op basis van actueel onderzoek een Europese kwaliteitsnorm worden ontwikkeld. 4. ACTIE 4 – ZORGEN DAT ZOWEL PERSONEN DIE DIEREN HOUDEN OF ERMEE OMGAAN ALS HET PUBLIEK MEER BETROKKEN RAKEN BIJ EN BETER GEÏNFORMEERD WORDEN OVER DE HUIDIGE NORMEN VOOR DIERENBESCHERMING EN –WELZIJN EN ZICH TEN VOLLE BEWUST WORDEN VAN HUN EIGEN ROL IN HET BEVORDEREN DAARVAN 4.1. Achtergrond – de verschuiving van de publieke opinie De afgelopen decennia heeft er een duidelijke verschuiving plaatsgevonden in de publieke opinie over dieren en de plaats die dieren in de maatschappij innemen. Europese consumenten zijn een goed voorbeeld van deze veranderde houding: veel consumenten verkiezen steeds vaker “schone” en “groene” productiemethoden en hebben aandacht voor de voordelen die innovatieve productiesystemen, zoals vrije uitloop of biologische landbouw, opleveren voor de voedselkwaliteit en -veiligheid en de gezondheid en het welzijn van dieren. Er heeft een radicale omslag in het denken van consumenten en producenten plaatsgevonden, waarbij de aandacht niet alleen uitgaat naar preventie van mishandeling en onnodig lijden van dieren, maar meer gericht wordt op het bevorderen van hun welzijn en het vervullen van hun belangrijkste behoeften. 4.2. Wat is er al bereikt Er zijn diverse initiatieven ondernomen om te komen tot een meer geïntegreerde, op overleg gebaseerde beleidsvorming op het gebied van dierenwelzijn. Zo is opdracht gegeven voor een aantal specifieke onderzoeksprojecten en enquêtes om de houding van consumenten ten aanzien van dierenwelzijn te onderzoeken. Op het gebied van de bescherming van proefdieren zijn werkgroepen van technische experts gevormd waarin een groot aantal betrokken partijen vertegenwoordigd zijn (wetenschappers, NGO’s, de industrie, regeringsvertegenwoordigers enz.). Ook zijn specifieke overlegvergaderingen met de belanghebbenden georganiseerd om andere voorstellen van de Commissie voor te bereiden, bijvoorbeeld over de bescherming van vleeskuikens. Wat landbouwhuisdieren betreft, zal een recent opgerichte adviesgroep voor de voedselketen en de gezondheid van dieren en planten als platform dienen om de koers van het toekomstige beleid in een vroeg stadium met de betrokken partijen te bespreken. Ook zijn er openbare internetraadplegingen gehouden over aspecten van het welzijn van landbouwhuisdieren (bv. dierenvervoer) en over het toekomstige Europese beleid op het gebied van chemicaliën en dierproeven (REACH). Deze initiatieven toonden aan wat de voordelen zijn van een open dialoog met de belanghebbenden. Dergelijk overleg strookt volledig met de beginselen van het Witboek over Europese governance. Om tegemoet te komen aan de vraag van consumenten, wordt dierenwelzijn met de hervormingen van het GLB ook een geïntegreerd onderdeel van het Europese landbouwbeleid. 4.3. Informatievoorziening aan personen die dieren houden of ermee omgaan en aan het grote publiek: de beste pleitbezorgers voor dierenwelzijn De houding van de consument en de publieke opinie en de roep om strengere normen voor dierenwelzijn zijn een belangrijk aandachtspunt in de formulering van het dierenwelzijnsbeleid. De consument moet echter ook begrijpen dat toepassing van strengere dierenwelzijnsnormen extra kosten voor de producent kan betekenen, en mogelijk hogere afzetprijzen. Uit studies is gebleken dat veel consumenten bereid zijn meer te betalen voor een product dat diervriendelijk is geproduceerd[16]. Een correcte etikettering van producten en informatievoorziening aan consumenten zijn in dit verband essentiële ingrediënten. Uit een sociologische studie in Europa kwam naar voren dat gebrekkige informatie over productiemethoden op het etiket consumenten ervan weerhield op deze producten over te stappen[17]. De bezorgdheid van de consumenten en productetikettering zijn zaken die nader moeten worden onderzocht. Ook moet het publiek beter worden geïnformeerd over in de dierhouderij gebruikte productiemethoden, alternatieve methoden waarbij hogere dierenwelzijnsnormen gelden en de consequenties voor de economische levensvatbaarheid van de dierhouderijen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de concurrentiedruk waaraan Europese producenten in de steeds meer geglobaliseerde handel in landbouwproducten blootstaan. Met de hulp van de lidstaten en de belanghebbende organisaties moet de Commissie op korte termijn een duidelijke strategie bepalen om het publiek te informeren over de bescherming en het welzijn van dieren. De Commissie zal ook nagaan of een specifiek informatieplatform voor dierenwelzijn voor het stimuleren van een dialoog en het uitwisselen van ervaringen tussen de betrokken partijen op het gebied van dierenwelzijn tot stand kan worden gebracht. Voor landbouwhuisdieren bijvoorbeeld kan een dergelijk initiatief, in combinatie met een verbeterde informatievoorziening aan de consument en een duidelijkere marketing en etikettering, een opwaartse spiraal creëren: vanuit de consument ontstaat de vraag naar meer diervriendelijk geproduceerde levensmiddelen, deze vraag werkt via de toeleveringsketen door naar de primaire producent en die kan vervolgens een hogere prijs voor zijn product krijgen en zo een deel van eventuele hogere productiekosten terugverdienen. 5. ACTIE 5 – NIEUWE INTERNATIONALE INITIATIEVEN BLIJVEN OPZETTEN EN ONDERSTEUNEN OM BIJ TE DRAGEN TOT EEN GROTERE BEWUSTWORDING EN EEN CONSENSUS OVER DIERENWELZIJN 5.1. Achtergrond Momenteel bestaat er een beperkte internationale consensus over het relatieve belang van dierenwelzijn en zijn de maatregelen in de EU niet direct te vergelijken met de normen in derde landen. Bovendien moet rekening worden gehouden met afwijkende culturele factoren en tradities en spelen ethische overwegingen duidelijk een belangrijke rol in de dierhouderij. De EU heeft actief deelgenomen aan verschillende internationale fora met als doel het bewustzijn en de consensus over het belang van dierenwelzijn te vergroten. Al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw zet de Raad van Europa zich actief in voor de bescherming van dieren, binnen het kader van verschillende overeenkomsten[18]. De Europese Unie is partij (of waarnemer) bij een aantal van de overeenkomsten van de Raad van Europa die bedoeld zijn het dierenwelzijn te verbeteren, onder andere met betrekking tot dierproeven, vervoer, veehouderij en de slacht. Er lopen verschillende activiteiten van de Raad van Europa waarin de Europese Unie een actieve rol speelt. Bij de recente en toekomstige uitbreiding van de EU moet ook nauw worden gelet op de consequenties voor het dierenwelzijnsbeleid van de Unie. Hierover moet een dialoog worden gevoerd met landen zoals Bulgarije, Roemenië, Turkije en Kroatië, alsook met andere landen van de westelijke Balkan en bijvoorbeeld de landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen. Er zijn diverse instrumenten die de kandidaat-lidstaten kunnen helpen aan de EU-regelgeving te voldoen (zoals TAIEX-seminars voor technische ondersteuning en het uitwisselen van informatie, ervaringen en kennis). In de mededeling van de Commissie van 2002[19] over de wetgeving inzake dierenwelzijn en de situatie in derde landen was een centrale vraag of er concurrentieel nadeel kan ontstaan als gevolg van verschillen in de normen. Ervan uitgaande dat verstoring van de concurrentie vanwege verschillen in de toegepaste normen (al dan niet in het nadeel van de EU-producenten) de toepassing van strengere welzijnsnormen kan ondermijnen, draagt het document een aantal oplossingen aan om dit te voorkomen: marktmechanismen, internationale dialoog, bevordering van dierenwelzijnsnormen in handelsovereenkomsten, verbetering van de etiketteringsregelingen, versterking van de positie van dierenwelzijn in het EU-landbouwbeleid enz. De EU heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt in de strategische oplossingen die in de mededeling worden genoemd; deze hebben meestal concrete resultaten opgeleverd en zijn ook nu nog een bruikbare aanpak om te werken aan een internationale bewustwording van dierenwelzijn en de toepassing van strengere dierenwelzijnsnormen in de EU te stimuleren. Het is duidelijk dat er behoefte is aan een monitoringinstrument om de verplichte dierenwelzijnsnormen in de EU te vergelijken met de normen in derde landen, om eventuele markteffecten te analyseren. Het risico bestaat dat strenge normen in bepaalde landen aanleiding zijn om de activiteiten over te brengen naar landen met soepelere normen, of dat deze landen een oneerlijk concurrentievoordeel zouden hebben. 5.2. Samenwerking met de Werelddiergezondheidsorganisatie – OIE Gezien het lidmaatschap van 167 landen over de hele wereld, haar lange traditie in de ontwikkeling van normen voor de diergezondheid en de intrinsieke verbanden tussen diergezondheid en dierenwelzijn, is de OIE de aangewezen organisatie om aan een internationale consensus over dierenwelzijn te bouwen. De lidstaten van de OIE hebben haar gevraagd een uitvoerige visie en strategie ten aanzien van dierenwelzijn te formuleren en in mei 2002 is een specifieke resolutie aangenomen die de OIE opdracht geeft wetenschappelijk gefundeerde aanbevelingen en normen op het gebied van dierenwelzijn op te stellen. Enkele recente wapenfeiten zijn de organisatie van de eerste wereldconferentie over dierenwelzijn van de OIE in februari 2004, de goedkeuring van richtsnoeren voor dierenwelzijn in mei 2004 en de goedkeuring van specifieke richtsnoeren voor dierenwelzijn in mei 2005. In december 2002 heeft de Landbouwraad in een resolutie verklaard dat de OIE het aangewezen orgaan is om internationale normen en richtsnoeren voor dierenwelzijn te ontwikkelen en dat de Gemeenschap dit actief wil ondersteunen. Daarnaast heeft de OIE bij Resolutie nr. XVII van 2004 een internationaal fonds voor diergezondheid en –welzijn ingesteld, dat als doel heeft acties, wetenschappelijk onderzoek en opleidingsprogramma's uit te voeren, seminars, conferenties en workshops te organiseren, informatiedragers te produceren en ondersteuning te geven aan de strategische plannen van de OIE en activiteiten van ontwikkelingslanden op gebieden die onder het mandaat van de OIE vallen, waaronder de bevordering van dierenwelzijn. 5.3. Bevordering van dierenwelzijn in de multilaterale en bilaterale betrekkingen van de EU Op het gebied van handel en buitenlandse betrekkingen heeft de Commissie de visie van de EU op het belang van dierenwelzijn gepropageerd, onder andere door een document over dierenwelzijn en handelsverkeer in de landbouw bij de WTO in te dienen[20]. Dierenwelzijn wordt in GATT 1994 of andere WTO-overeenkomsten niet expliciet genoemd en er is nog geen uitspraak gedaan in de procedure voor geschillenbeslechting die het standpunt van de WTO over dierenwelzijn zou verduidelijken. In het door de EU ingediende document staat onder andere: “Wanneer de EG dierenwelzijnsproblemen aan de orde stelt in het kader van de WTO-onderhandelingen, dan is dat niet met de bedoeling de basis te leggen voor de invoering van een nieuw soort van niet-tarifaire handelsbelemmeringen ”. Het doel is daarentegen “ het stimuleren van strengere dierenwelzijnsnormen, het verstrekken van duidelijke informatie aan de consument en het instandhouden van het concurrentievermogen van de landbouw en de levensmiddelenindustrie in de EG ”. De mededeling benadrukt dat handelsprotectionisme moet worden vermeden maar dat er tegelijkertijd voor moet worden gewaakt dat de handel niet de inspanningen van de EU om dierenwelzijn op haar eigen grondgebied te bevorderen, ondermijnt. De Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) heeft voornamelijk betrekking op de verspreiding van dier- en plantenziekten en voedselveiligheid en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT) bevat een lijst van legitieme doelstellingen bij het nemen van maatregelen. Het lijkt echter moeilijk dierenwelzijn in de context van deze overeenkomsten te plaatsen, tenzij de samenhang tussen een gebrekkig dierenwelzijn en het daarmee geassocieerde risico voor de diergezondheidsstatus van het land van invoer duidelijk kan worden aangetoond. Ook moet de relevantie van dierenwelzijn in het kader van artikel XX van GATT worden beoordeeld. Met name als het risico bestaat dat strenge dierenwelzijnsnormen de markttoegang in gevaar brengen, moet de effectbeoordeling van desbetreffende beleidsvoorstellen een analyse bevatten van de dierenwelzijnsnormen en -praktijken in de derde landen die in dergelijke situaties het meest getroffen zullen worden. In principe is het duidelijk dat een WTO-lid op zijn eigen grondgebied mag optreden om dieren te beschermen, maar in het algemeen mag het deze dierenwelzijnsregels niet opleggen aan uitvoerende landen of landen die buiten zijn territoriale bevoegdheid vallen. In de Doha-onderhandelingen van de WTO wil de EU dierenwelzijn in het kader van de pijler interne steun aan de orde stellen. De EU-verordening inzake plattelandsontwikkeling (EG) nr. 1257/99 (gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1783/2003 in het kader van de GLB-hervorming van 2003) biedt ook de mogelijkheid van financiële compensatie voor landbouwers die hogere normen hanteren en kan vanaf 2005/2006 worden toegepast. Dergelijke compensatie voor landbouwers zou volgens de internationale handelsregels van de WTO moeten worden toegekend. In aanvulling op het initiatief van de OIE is de EU begonnen met onderhandelingen om dierenwelzijnsnormen op te nemen in bilaterale overeenkomsten tussen de EU en derde landen die dieren of dierlijke producten naar de EU exporteren (zoals Chili en Canada). De EU heeft zich er ook actief voor ingezet dat rekening wordt gehouden met dierenwelzijn in veterinaire overeenkomsten met andere derde landen waarmee de EU handelsbetrekkingen heeft. De internationale afspraken over dierenwelzijnsrichtsnoeren van de OIE zijn een ideaal uitgangspunt voor besprekingen en consensus met deze handelspartners. In het kader van de SPS-overeenkomst tussen de EU en Chili is al een specifieke werkgroep voor dierenwelzijn opgericht, die moet bijdragen tot het bereiken van onderlinge overeenstemming over de toepassing van dierenwelzijnsnormen, bewustmaking over het onderwerp en uitwisseling van wetenschappelijke expertise. Met dit doel is een aantal wetenschappelijke seminars georganiseerd en zijn nieuwe initiatieven gepland op het gebied van opleiding en de ontwikkeling van toekomstige strategieën voor veterinaire opleiding, waaronder e-learning. 5.4. Bewustmaking van dierenwelzijn in ontwikkelingslanden en het creëren van handelsmogelijkheden Kortgeleden hebben verschillende organisaties voor dierenbescherming in het kader van de dialoog met maatschappelijke organisaties van de Commissie een seminar georganiseerd over het onderwerp “Sustainable agricultural production and good animal welfare practice: trade opportunities for Developing Countries[21]” . De conclusie van dit seminar was dat extensieve en duurzame landbouwsystemen met goede dierenwelzijnsnormen in veel ontwikkelingslanden nog steeds de meest voorkomende vorm van veehouderij zijn. De Europese Unie moet initiatieven om in gesprek te gaan met landen die strenge dierenwelzijnsnormen hanteren, nader uitwerken om te komen tot goed werkende partnerschappen met regeringen en met de belanghebbende partijen. Verordening (EG) nr. 882/2004 bepaalt dat vertegenwoordigers uit ontwikkelingslanden mogen deelnemen aan cursussen die worden georganiseerd voor het personeel van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de regelgeving voor dierenwelzijn. De meeste WTO-overeenkomsten bevatten bijzondere bepalingen die een speciale en gedifferentieerde behandeling (SDT) van ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen toestaan, door waar mogelijk langere termijnen te geven om te voldoen aan de nieuwe SPS-maatregelen die impact hebben op de producten die voor hen van belang zijn. In sommige gevallen wordt deze SDT toegekend door een gespecificeerde ontheffing te geven van de termijn waarbinnen aan de verplichtingen van de overeenkomsten moet worden voldaan en door handelsgerelateerde technische hulp (TRTA) te verlenen, waarbij het doel vooral is de markttoegangsmogelijkheden voor hun export uit te breiden. De Commissie heeft aan TRTA-projecten voor ontwikkelingslanden deelgenomen, onder andere door steun te geven voor deelname van deskundigen uit ontwikkelingslanden aan bijeenkomsten van de diverse officieel door de WTO erkende internationale normenorganisaties (de OIE wordt door de WTO erkend als de aangewezen internationale organisatie voor diergezondheid en heeft recentelijk ook richtsnoeren voor dierenwelzijn opgesteld) en door technische experts uit de lidstaten naar ontwikkelingslanden uit te zenden. De Commissie staat positief tegenover dergelijke samenwerkingsinitiatieven en tegenover het organiseren van cursussen waaraan ook technische experts uit ontwikkelingslanden kunnen deelnemen. [1] Richtlijn 74/577/EEG van de Raad. [2] http://europa.eu.int/comm/food/fs/sc/oldcomm4/previous_en.html [3] http://europa.eu.int/comm/food/fs/sc/scah/index_en.html [4] http://www.efsa.eu.int/ [5] http://www.coe.int/T/E/Legal_affairs/Legal_co-operation/Biological_safety,_use_of_animals/ [6] Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. [7] COM(2002) 511 definitief. [8] Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw (COM(2004) 415 definitief). [9] Conclusies van de Raad van oktober 2004 over Mededeling (2004) 415 definitief. [10] Zie http://europa.eu.int/comm/research/agriculture/index_en.html voor al het onderzoek op landbouwgebied. [11] Zie http://europa.eu.int/comm/research/quality-of-life/animal-welfare/seminars/pdf/animal-welfare_en.pdf voor meer informatie. [12] FOOD-CT-2004-506508, “Welfare quality”, zie www.welfarequality.net. [13] http://europa.eu.int/comm/research/future/index_en.cfm [14] Registratie en beoordeling van en de vergunningverlening en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen. [15] OIE – Terrestrial Animal Health Code 2005 – Appendix 3.7.1 – Guiding principles for animal welfare. [16] http://europa.eu.int/comm/food/animal/welfare/euro_barometer25_en.pdf [17] “Consumer concerns about animal welfare and the impact on food choice”. EU FAIR-CT36-3678. Dr Spencer Henson and Dr Gemma Harper, University of Reading. [18] De Europese overeenkomsten tot bescherming van kleine huisdieren, proefdieren, landbouwhuisdieren, tijdens het vervoer en voor de slacht. [19] http://europa.eu.int/comm/food/animal/welfare/references/2002_0626_nl.pdf [20] COM(2002) 626 definitief, zie bijlage. [21] http://trade-info.cec.eu.int/civilsoc/meetdetails.cfm?meet=11116#parts