This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52005PC0144
Proposal for a Council Regulation amending Council Regulation (EC) No 2605/2000 imposing definitive anti-dumping duties on imports of certain electronic weighing scales (REWS) originating, inter alia, in the People’s Republic of China
Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China
Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China
/* COM/2005/0144 def. */
Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China /* COM/2005/0144 def. */
Brussel, 15.4.2005 COM(2005) 144 definitief Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China (door de Commissie ingediend) TOELICHTING In augustus 2004 kondigde de Commissie bij Verordening (EG) nr. 1408/2004 aan dat een herzieningsonderzoek in verband met een nieuwe exporteur zou worden geopend van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China. Bij die verordening werd ook het recht ingetrokken op het product uitgevoerd door Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd. en Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd. (de “aanvrager”), de twee verbonden Chinese ondernemingen die om opening van het herzieningsonderzoek verzochten, en werden de door deze ondernemingen uitgevoerde producten onderworpen aan registratie. Volgens de bevindingen van het huidige onderzoek voldoet de aanvrager niet aan de criteria voor behandeling als marktgericht bedrijf, maar komt hij wel in aanmerking voor individuele behandeling. Voor de aanvrager dient een individueel recht van 52,6% te gelden. Er wordt derhalve voorgesteld dat de Raad zijn goedkeuring hecht aan bijgaand voorstel voor een verordening, zodat deze uiterlijk op 3 mei 2005 in het Publicatieblad van de Europese Unie kan verschijnen. Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] (hierna “basisverordening” genoemd), en met name artikel 11, lid 4, Gelet op het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend, Overwegende hetgeen volgt: A. THANS GELDENDE MAATREGELEN Momenteel gelden voor de invoer in de Gemeenschap van elektronische weegschalen uit de Volksrepubliek China definitieve antidumpingrechten, die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2605/2000 van de Raad[2]. Bij diezelfde verordening zijn ook antidumpingrechten ingesteld op elektronische weegschalen uit Taiwan en de Republiek Korea. B. HUIDIG ONDERZOEK 1. Verzoek om een herzieningsonderzoek Nadat op de elektronische weegschalen uit de Volksrepubliek China definitieve antidumpingrechten waren ingesteld, ontving de Commissie van twee verbonden ondernemingen in China, Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd. en Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd. (de “aanvrager”) een verzoek op grond van artikel 11, lid 4, van de basisverordening om ten aanzien van Verordening (EG) nr. 2605/2000 een herzieningsonderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur in te stellen. De aanvrager voerde aan dat hij niet was verbonden met de producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China waarvoor de antidumpingmaatregelen ten aanzien van elektronische weegschalen gelden. Voorts zou hij tijdens het oorspronkelijke onderzoektijdvak (de periode van 1 september tot en met 31 augustus 1999) geen elektronische weegschalen naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd, maar daarmee pas na afloop van die periode zijn begonnen. 2. Instelling van een herzieningsonderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur De Commissie onderzocht het door de aanvrager ingediende bewijsmateriaal en achtte dit voldoende om een herzieningsonderzoek te openen overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening. Na overleg in het Raadgevend Comité en na de bedrijfstak van de Gemeenschap de gelegenheid te hebben gegeven tot opmerkingen, opende de Commissie bij Verordening (EG) nr. 1408/2004[3] een herziening van Verordening (EG) nr. 2605/2000 met betrekking tot de aanvrager, en begon zij met het onderzoek. De verordening van de Commissie waarbij de herzieningsprocedure werd ingeleid, trok het antidumpingrecht van 30,7% in dat bij Verordening (EG) nr. 2605/2000 was ingesteld op de invoer van door de aanvrager geproduceerde elektronische weegschalen. Tegelijkertijd werd de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 5, opgedragen passende maatregelen te nemen om die invoer te registreren. 3. Betrokken product Het product waarop deze herziening betrekking heeft, is hetzelfde als bij het onderzoek dat leidde tot de instelling van de momenteel geldende maatregelen (het “oorspronkelijke onderzoek”), namelijk elektronische weegschalen voor de kleinhandel met een weegvermogen van niet meer dan 30 kg en een numerieke aanduiding van het gewicht, de eenheidsprijs en het te betalen bedrag (met of zonder inrichting om deze drie vermeldingen af te drukken), doorgaans aangegeven onder GN-code 8423 81 50 (Taric-code 8423 81 50 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China. 4. Betrokkenen De Commissie heeft de aanvrager en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer van de opening van het herzieningsonderzoek in kennis gesteld. Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te verzoeken te worden gehoord. De Commissie stuurde de aanvrager ook een aanvraagformulier voor behandeling als marktgericht bedrijf en een vragenlijst, en ontving antwoord binnen de daarvoor gestelde termijnen. De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping en schade en voor de afhandeling van de aanvraag om behandeling als marktgericht bedrijf nodig had en stelde bij de aanvrager een controleonderzoek in. 5. Onderzoektijdvak Het onderzoek naar dumping had betrekking op de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004 (het “onderzoektijdvak”). C. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK 1. Nieuwe exporteur Uit het onderzoek bleek dat de aanvrager het betrokken product tijdens het oorspronkelijke onderzoektijdvak niet exporteerde en pas na afloop daarvan met de uitvoer naar de Gemeenschap was begonnen. Bovendien kon de aanvrager aantonen dat hij niet was verbonden met de producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China waarvoor de antidumpingmaatregelen ten aanzien van elektronische weegschalen gelden. Er wordt derhalve bevestigd dat de aanvrager moet worden beschouwd als een nieuwe exporteur als bedoeld in artikel 11, lid 4, van de basisverordening. 2. Status van marktgericht bedrijf Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer uit de Volksrepubliek China bepaald volgens de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten/exporteurs waarvan is aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Deze criteria kunnen als volgt worden samengevat: zakelijke besluiten en kosten worden vastgesteld in reactie op signalen van de markt, zonder staatsinmenging van betekenis; bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen (IAS) en die alle terreinen bestrijkt; er zijn geen verstoringen van betekenis die voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie; de betrokken bedrijven zijn onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die rechtszekerheid en stabiliteit verschaffen; omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers. De aanvrager heeft verzocht om de status van marktgericht bedrijf op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening. De Gemeenschap onderzoekt doorgaans of een groep verbonden bedrijven als geheel aan de voorwaarden voor behandeling als marktgerichte ondernemingen voldoet. Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd en Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd werd daarom verzocht een aanvraagformulier voor de status van marktgericht bedrijf in te vullen. Beide ondernemingen retourneerden het ingevulde formulier binnen de daarvoor gestelde termijn. De Commissie heeft alle in de aanvraagformulieren opgegeven gegevens verzameld en geverifieerd en heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld bij de betrokken bedrijven. Vastgesteld werd dat de status van marktgericht bedrijf niet aan de aanvrager moest worden toegekend, omdat deze niet voldeed aan de eerste twee van de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening opgesomde criteria. Wat het eerste criterium betreft: volgens de statuten van een van de twee Chinese verbonden producenten kan zijn partner, een staatsbedrijf dat geen kapitaal in de onderneming bezit en werd opgevoerd alsof het slechts als verhuurder optrad, compensatie verlangen indien de onderneming zijn productie-, verkoop- en winstdoelen niet bereikt. Bovendien is toestemming van de plaatselijke autoriteiten vereist voor de erkenning van gebouwen als vaste activa en om te kunnen beginnen met het afschrijven van de grondgebruiksrechten. Voorts heeft een van de Chinese producenten nooit huur betaald voor het grondgebruik en genoot deze bankgaranties die door een derde kosteloos werden verstrekt. Gezien deze omstandigheden en het feit dat de onderneming niet kon aantonen dat haar zakelijke besluiten worden vastgesteld in reactie op signalen van de markt en zonder staatsinmenging van betekenis, werd geconcludeerd dat aan dit criterium niet is voldaan. Wat het tweede criterium betreft: de aanvrager bleek niet te voldoen aan bepaalde internationale boekhoudnormen (IAS). Voor IAS 1 voldoet de aanvrager niet aan drie grondbeginselen van boekhouding: het toerekeningsbeginsel, voorzichtigheid en dat de economische realiteit boven de juridische vorm gaat. De aanvrager voldeed ook niet aan IAS 2 inzake inventarisatie, gebouwen werden niet geboekt en gedeprecieerd volgens IAS 16 en de grondgebruiksrechten werden niet afgeschreven overeenkomstig IAS 38. Tot slot waren er schendingen van IAS 21 inzake de gevolgen van wisselkoersschommelingen en IAS 36 inzake de waardevermindering van activa. Het feit dat de accountantsverslagen zwegen over de meeste schendingen van de IAS wijst erop dat de accountantscontrole niet volgens de IAS werd uitgevoerd. Er moet tevens op worden gewezen dat in het accountantsverslag over het boekjaar 2001 van een van de twee verbonden producenten in de Volksrepubliek China de problemen met betrekking tot de inventaris reeds waren opgemerkt, terwijl in de accountantsverslagen over de boekjaren 2002 en 2003 werd aangetekend dat het bedrijf het beleid inzake de waardevermindering van activa niet had gevolgd. Er was derhalve sprake van terugkerende problemen, die de accountant jaar na jaar opnieuw tevergeefs aan de orde stelde. Hieruit blijkt eens te meer dat de rekeningen van de aanvrager niet betrouwbaar zijn. De aanvrager en de bedrijfstak van de Gemeenschap werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over bovengenoemde conclusies. Na overleg in het Raadgevend Comité werd de aanvrager medegedeeld dat hem niet de status van marktgericht bedrijf kon worden verleend. De bedrijfstak van de Gemeenschap diende geen opmerkingen in. De aanvrager voerde aan dat er geen sprake was van staatsinmenging, dat de kosten de marktwaarden weerspiegelden en dat de bovengenoemde IAS in zijn geval niet van toepassing waren. Een van de twee verbonden producenten in China voerde met name aan dat het bestaan van een aanspraak op compensatie met betrekking tot de prestaties van een onderneming een normale zaak is in het kader van een joint-ventureovereenkomst onder markteconomische voorwaarden. De andere producent meende dat het normaal is dat een bedrijf tijdens de opbouwfase van een project een tijdlang geen huur betaalt. Tot slot meende deze producent dat de depreciatie van gebouwen en de afschrijving van de grondgebruiksrechten geen voor dit bedrijf specifieke kwesties zijn en dat de Chinese autoriteiten in dit verband geen voordeel genoten. Deze argumenten moesten worden afgewezen. Ten eerste, hoewel het loutere bestaan van een joint venture zoals in het geval van dit onderzoek niet op staatsinmenging wijst, bevatten de statuten mechanismen die staatsinmenging mogelijk maken. Met name is het recht van de Chinese partner (dat wil zeggen de plaatselijke autoriteiten) om compensatie te vragen niet beperkt tot het geval dat de huur niet is betaald. De rechten van de Chinese partner omvatten derhalve meer dan alleen die van een verhuurder. Ten tweede was aan de staat huur verschuldigd voor de eerste bedrijfsjaren. Een vrijstelling van een dergelijke betalingsverplichting had in het contract moeten worden opgenomen. Het feit dat de aanvrager toegaf dat de depreciatie van de gebouwen en de afschrijving van de grondgebruiksrechten niet door de bedrijven zelf werden bepaald, versterkt ten slotte de conclusie dat het voor de staat in aanzienlijke mate mogelijk is zich te mengen in de zakelijke besluiten van de aanvrager. Het voornaamste argument van de aanvrager ad criterium 2 was dat de IAS niet zijn overgenomen door de boekhoudsector in de Volksrepubliek China. De aanvrager gaf toe dat de IAS niet werden gevolgd, maar meende dat de door de Commissie genoemde IAS tijdens het onderzoektijdvak niet van toepassing waren. De Commissie stelde echter vast dat alle in overweging 17 genoemde IAS tijdens het onderzoektijdvak van kracht waren. In zijn commentaar op de definitieve mededeling aan de betrokkenen voerde de aanvrager aan dat het besluit om niet de status van marktgericht bedrijf toe te kennen aan de twee verbonden producenten in China niet was genomen binnen drie maanden na de opening van het onderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. Volgens de aanvrager was dit van invloed op het besluit van de Commissie om de door enkele verbonden ondernemingen en de producent in het referentieland verstrekte informatie niet te verifiëren, wat nadelige gevolgen had voor het resultaat van het onderzoek. Wat de termijn van drie maanden betreft: het niet-naleven daarvan heeft geen kennelijke juridische gevolgen. De verzoeken om de status van marktgericht bedrijf waren onvolledig, waardoor aanzienlijke verduidelijkingen en aanvullende gegevens moesten worden opgevraagd, wat het onderzoek vertraagde. De twee verbonden Chinese exporteurs kregen op hun verzoek verlenging van de termijn voor het indienen van deze verduidelijkingen en aanvullende gegevens. Bovendien konden zij het controleteam begin oktober 2004 niet ontvangen, waardoor de controlebezoeken pas in de tweede helft van die maand konden plaatsvinden. Hierdoor liep de behandeling van de verzoeken verdere vertraging op. De conclusie luidde derhalve dat een geldig besluit naar aanleiding van de verzoeken om de status van marktgericht bedrijf ook na drie maanden kon plaatsvinden. De Commissie controleerde alle informatie die zij nodig achtte gedurende het onderzoek ter plaatse bij de aanvrager en aanvaardde alle informatie die de verbonden ondernemingen verstrekten met het oog op de berekening van de exportprijs. Het feit dat bij die verbonden ondernemingen geen onderzoek ter plaatse werd verricht, had derhalve voor de aanvrager geen nadelige gevolgen. De bevindingen inzake de producent in het referentieland zijn opgenomen in de overwegingen 29 tot en met 41. Gezien bovenstaande bevindingen werd geconcludeerd dat de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening niet waren vervuld en dat de aanvrager niet de status van marktgericht bedrijf kon worden verleend. 3. Individuele behandeling De aanvrager verzocht ook om individuele behandeling voor het geval dat de status van marktgericht bedrijf niet zou worden toegekend. Uit de ingediende informatie bleek dat de twee verbonden Chinese ondernemingen voldeden aan alle voorwaarden voor individuele behandeling, opgenomen in artikel 9, lid 5, van de basisverordening. Derhalve werd aan de aanvrager individuele behandeling toegekend. 4. Dumping Normale waarde a) Referentieland Overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening wordt voor landen zonder markteconomie en voor landen met een overgangseconomie, indien een behandeling als marktgerichte onderneming niet is toegekend, de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de geconstrueerde waarde in een referentieland. In de verordening waarbij dit herzieningsonderzoek wordt ingeleid, gaf de Commissie haar voornemen te kennen Indonesië als referentieland te kiezen voor het vaststellen van de normale waarde voor de Volksrepubliek China en werden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hierover op- of aanmerkingen te maken. Indonesië werd ook in het oorspronkelijk onderzoek reeds als referentieland gebruikt. Geen van de belanghebbenden maakte bezwaar tegen deze keuze. De Indonesische producent die aan het oorspronkelijke onderzoek medewerking had verleend, werkte ook aan deze herziening mede en vulde de vragenlijst van de Commissie in. Voor de keuze van het meest geschikte referentieland werd gemaakt, werden ook vragenlijsten gezonden aan producenten in de Republiek Korea, Taiwan en Japan, maar die producenten verleenden geen medewerking. Gezien het bovenstaande, en met name het feit dat Indonesië ook bij het oorspronkelijke onderzoek als referentieland diende en er geen aanwijzingen zijn dat de geschiktheid van Indonesië als referentieland is gewijzigd, wordt geconcludeerd dat Indonesië een geschikt referentieland is als bedoeld in artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Het feit dat bij de Indonesische producent tijdens het herzieningsonderzoek geen controlebezoek ter plaatse werd uitgevoerd, terwijl dat wel het geval was bij het oorspronkelijke onderzoek, werd door de aanvrager als een discriminerende verandering van methode beschouwd. Bovendien achtte de aanvrager het discriminerend dat niet-geverifieerde feiten werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde voor een producent/exporteur in een niet-markteconomie, terwijl dat niet gebeurt bij herzieningsprocedures ten behoeve van een nieuwe exporteur voor producenten/exporteurs in landen met een markteconomie. De aanvrager voerde op basis van informatie in het niet-vertrouwelijke dossier aan dat het door de Indonesische producent verstrekte antwoord op de vragenlijst kennelijk ontoereikend was en dat er slechts voldoende informatie was voor een ruwe berekening van de geconstrueerde normale waarde. Overeenkomstig artikel 16, van de basisverordening zijn controlebezoeken niet verplicht. Het niet-uitvoeren van een controlebezoek kan derhalve niet als discriminerend worden beschouwd. Bovendien wil het uitblijven van een controlebezoek bij de Indonesische producent tijdens het herzieningsonderzoek niet zeggen dat de verstrekte informatie niet zorgvuldig is geanalyseerd. De door de Indonesische producent verstrekte informatie was in overeenstemming met de gegevens die hij bij het oorspronkelijke onderzoek had verstrekt en die ter plaatse waren geverifieerd, en met de bewijsstukken die in het antwoord op de vragenlijst waren verstrekt. Deze informatie was voldoende voor een gedetailleerde berekening van de geconstrueerde normale waarde, zoals hierna uiteengezet. Het feit dat de aanvrager in het niet-vertrouwelijke dossier niet alle door de Indonesische producent verstrekte vertrouwelijke details kon aanwijzen, maakt die informatie nog niet ongeschikt voor de berekening van de normale waarde. Tot slot heeft de aanvrager niet aangevoerd dat het niet-vertrouwelijke dossier niet voldoende gedetailleerd was om een redelijk begrip van de als vertrouwelijk verstrekte informatie mogelijk te maken. Gezien het bovenstaande moesten de opmerkingen van de aanvrager inzake controlebezoeken en ontoereikende informatie worden afgewezen. b) Vaststelling van de normale waarde Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor de twee verbonden Chinese producenten/exporteurs vastgesteld aan de hand van de gegevens van de producent in het referentieland. Hoewel de productie en de exportverkoop van deze producent aanzienlijk waren, werd de verkoop aan onafhankelijke afnemers op de Indonesische markt niet voldoende geacht. De normale waarde moest daarom op basis van de geconstrueerde waarde worden vastgesteld voor producttypen die vergelijkbaar waren met de producttypen die de aanvrager naar de Gemeenschap uitvoert, dat wil zeggen op basis van de kosten van de productie van de in Indonesië vervaardigde elektronische weegschalen, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten, alsmede een redelijke winstmarge. De gebruikte verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten waren die van de Indonesische producent en die van een verbonden onderneming die betrokken was bij de binnenlandse verkoop. Omdat de Indonesische producent onvoldoende verkocht aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt, moest voor de berekening van de winstmarge informatie uit het oorspronkelijke onderzoek worden gebruikt. Besloten werd gebruik te maken van de winstmarge die bij het oorspronkelijke onderzoek was gebruikt voor het construeren van de normale waarde voor de invoer van elektronische weegschalen uit Taiwan. Deze marge werd redelijk geacht omdat er geen andere gegevens waren voor de winstgevendheid van het in Indonesië verkochte soortgelijke product. Opgemerkt moet worden dat de elektronische weegschalen die de Taiwanese producenten/exporteurs op de binnenlandse markt van Taiwan verkochten, niet-geavanceerde elektronische weegschalen waren, zoals ook het geval is voor de apparaten die de producent in het referentieland vervaardigde. De aanvrager voerde aan dat overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening voor het vaststellen van de normale waarde dezelfde werkwijze had moeten zijn gevolgd als bij het oorspronkelijke onderzoek, namelijk de verkoopprijzen. Hij voerde ook aan dat er geen aanwijzingen zijn dat in het oorspronkelijke onderzoek rekening was gehouden met de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten van de verbonden onderneming, aangezien dat punt in de oorspronkelijke verordening niet aan de orde komt. Kennelijk zou dus van de in het oorspronkelijke onderzoek gebruikte methode zijn afgeweken ten nadele van de aanvrager. Voorts beweerde de aanvrager dat het ongebruikelijk was om te kiezen voor de winstgevendheid in het onderzoektijdvak van een andere markt dan die van het referentieland. Wat deze argumenten betreft: zoals in overweging 37 aangegeven werd gebruik gemaakt van de geconstrueerde normale waarde, uitgaande van de winst op de binnenlandse verkoop gedurende het oorspronkelijke onderzoek in Taiwan, omdat de binnenlandse verkoop op de Indonesische markt gedurende het onderzoektijdvak onvoldoende werd geacht voor het vaststellen van de normale waarde op basis van de verkoopprijzen. Dat was niet het geval bij het oorspronkelijke onderzoek, zodat in dat geval de verkoopprijzen en niet de geconstrueerde waarde werden gebruikt. Dit is de reden waarom de oorspronkelijke verordening geen gegevens bevatte over de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten. Bovendien, als gebruik zou zijn gemaakt van de prijzen van de geringe verkoop van elektronische weegschalen op de Indonesische markt, zou de zo vastgestelde normale waarde hoger zijn geweest. Hetzelfde zou zijn gebeurd als bij het construeren van de normale waarde gebruik zou zijn gemaakt van de winstmarge op de geringe verkoop in Indonesië. Het is derhalve niet juist om te stellen dat de werkwijze is veranderd ten nadele van de aanvrager. Exportprijs De twee verbonden Chinese producenten/exporteurs verkochten hun elektronische weegschalen via verbonden ondernemingen (handelaars) gevestigd in Samoa en Taiwan. De exportprijs werd vastgesteld op basis van de wederverkoopprijs die betaald was of te betalen was door de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap. Vergelijking De vergelijking van de normale waarde met de exportprijs vond plaats in het stadium af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken, werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen ten aanzien van factoren die de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen aantoonbaar beïnvloedden. In dit verband werden waar nodig correcties uitgevoerd voor fysieke kenmerken, vervoerskosten, behandelingskosten en commissies. De normale waarde werd aangepast door het uitsluiten van de waarde van een eventuele afdrukinterface. Omdat sommige modellen die door de twee verbonden Chinese producenten/exporteurs via de met hen verbonden verkoopmaatschappijen naar de Gemeenschap werden verkocht, zijn voorzien van een displaystandaard, werd de normale waarde gecorrigeerd voor de waarde van de standaard. Aangezien de met de Chinese producenten/exporteurs verbonden handelaars functies vervullen die vergelijkbaar zijn met die van een agent die op commissiebasis werkt, werd een correctie voor commissies uitgevoerd overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening. De hoogte van de commissie werd berekend op basis van rechtstreeks bewijs van het bestaan van die functies. Bij de berekening van de commissie werd rekening gehouden met de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten die de verbonden handelaars maakten bij de verkoop van het door de twee verbonden Chinese producenten vervaardigde product. De aanvrager voerde aan dat het in het referentieland verkochte model betere specificaties had, waardoor de vergelijkbaarheid van de prijzen werd beïnvloed. De aanvrager verstrekte geen enkel voorbeeld van de beweerde betere specificaties en hun vermeende invloed op de vergelijkbaarheid van de prijzen, en dit argument kon dan ook niet worden aanvaard. Volgens de aanvrager had bepaalde informatie die na het antwoord op de vragenlijst was verstrekt, moeten worden gebruikt voor het berekenen van de aanpassing van de exportprijs voor vervoers- en behandelingskosten. Dit argument werd aanvaard, en de exportprijs werd naar boven aangepast. Volgens de aanvrager moest de normale waarde worden aangepast voor kosten na verkoop, garanties en kredietkosten. Hij voerde ook aan dat de kosten die voortvloeien uit de overeenkomst tussen een van de met de Indonesische producent verbonden ondernemingen en een distributeur in Indonesië zouden moeten worden afgetrokken van de normale waarde. Deze argumenten moesten worden afgewezen, omdat de kosten die de aanvrager noemt niet waren verwerkt in de fabricagekosten of de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten die waren gebruikt voor het construeren van de normale waarde. Er is derhalve geen reden om dergelijke kosten van de normale waarde af te trekken. Volgens de aanvrager laat artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening niet toe dat een commissie wordt afgetrokken van de exportprijs van de verbonden ondernemingen, omdat geen daadwerkelijke commissie is betaald. Wanneer een dergelijke aanpassing van de exportprijs wordt verricht, moet in ieder geval ook de normale waarde op soortgelijke wijze worden aangepast, omdat de met de Indonesische producent verbonden onderneming dezelfde functies verricht als de met de aanvrager verbonden ondernemingen. De aanvrager voerde ten aanzien van de verkoop via Taiwan ook aan dat bij de berekening van de aanpassing rekening was gehouden met kosten betreffende productie en beheer. De toe te passen verdeelsleutel had moeten worden gebaseerd op het aantal werknemers dat bij het Taiwanese bedrijf werkzaam was op het gebied van distributie en verkoop van elektronische weegschalen, in plaats van op het totale aantal werknemers op het gebied van distributie en verkoop. Artikel 2, lid 10, onder i), vereist niet dat een commissie in de vorm van een toeslag op de prijs daadwerkelijk is betaald, met name wanneer de handelaar verbonden is met de producent/exporteur, indien de functies van de handelaar vergelijkbaar zijn met die van een agent die op commissiebasis werkt. Een aanpassing voor commissies moet ook worden toegepast indien de partijen niet optreden als opdrachtgever en agent, maar hetzelfde economische resultaat behalen door als koper en verkoper op te treden. De met de aanvrager verbonden ondernemingen factureerden alle exportverkopen aan onafhankelijke afnemers en bepaalden de verkoopprijzen, terwijl de afnemers hun orders bij de met de aanvrager verbonden ondernemingen plaatsten. Dit gold niet voor een onderneming die verbonden was met de Indonesische producent, wier verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten werden gebruikt voor het construeren van de normale waarde. De verkoop op de Indonesische markt werd verricht door een andere verbonden onderneming, waarvan (zoals aangegeven in overweging 51) de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten niet werden gebruikt voor het construeren van de normale waarde. Er diende derhalve geen correctie te worden toegepast op de normale waarde, en de argumenten van de aanvrager konden niet worden aanvaard. Wat de berekening van de correctie voor commissie betreft, wordt benadrukt dat de aanvrager, ondanks een specifiek verzoek daartoe, niet voldoende gegevens heeft verstrekt om een andere toerekening van de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten mogelijk te maken. Het verzoek van de aanvrager inzake de berekening van de correctie voor commissies moest daarom worden afgewezen. Dumpingmarge Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per producttype vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs van elk overeenkomstig type van het betrokken product. Uit deze vergelijking bleek dat er sprake was van dumping. Zoals de vaste praktijk is bij de Gemeenschap werd voor de twee verbonden producenten/exporteurs één dumpingmarge berekend. De dumpingmarge, uitgedrukt als percentage van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedroeg voor de verbonden ondernemingen Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd en Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd 52,6%. D. WIJZIGING VAN DE HERZIENE MAATREGELEN Gezien de uitkomst van het onderzoek moet ten aanzien van de aanvrager een definitief antidumpingrecht worden geheven ter hoogte van de vastgestelde dumpingmarge. Deze dumpingmarge is lager dan de schademarge die bij het oorspronkelijke onderzoek voor de gehele Volksrepubliek China werd vastgesteld. Het gewijzigde antidumpingrecht dat van toepassing is op de invoer van elektronische weegschalen van Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd en Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd, bedraagt 52,6%. E. HEFFING VAN HET ANTIDUMPINGRECHT MET TERUGWERKENDE KRACHT Gezien bovenstaande bevindingen dient het op de aanvrager van toepassing zijnde antidumpingrecht met terugwerkende kracht te worden geheven op de invoer van het betrokken product die is geregistreerd overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1408/2004 van de Commissie. F. MEDEDELING Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan werd overwogen definitieve antidumpingrechten in te stellen op de invoer van elektronische weegschalen vervaardigd door de aanvrager en deze antidumpingrechten met terugwerkende kracht te heffen op geregistreerde invoer. De ontvangen opmerkingen werden overwogen en waar van toepassing in aanmerking genomen. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening is deze herziening niet van invloed op de verstrijkingsdatum van de bij Verordening (EG) nr. 2605/2000 ingestelde maatregelen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 De tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2605/2000 wordt gewijzigd door toevoeging van het volgende: Land | Onderneming | Recht | Aanvullende Taric-code | Volksrepubliek China | Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd No. 3217 Hong Mei Road, Shanghai 201103, Volksrepubliek China | 52,6% | A561 | Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd No. 1688 Huateng Road, Huaxin Town, Qingpu District, Shanghai, Volksrepubliek China | 52,6% | A561 | Het hierbij ingestelde recht wordt tevens met terugwerkende kracht geheven op de invoer van het betrokken product die is geregistreerd overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1408/2004 van de Commissie. De douaneautoriteiten wordt opgedragen te stoppen met de registratie van de invoer van het betrokken product uit de Volksrepubliek China, vervaardigd door Shanghai Adeptech Precision Co., Ltd en Shanghai Excell M&E Enterprise Co., Ltd. Tenzij anders bepaald, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, […] Voor de Raad De voorzitter […]
[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).
[2] PB L 301 van 30.11.2000, blz. 42.
[3] PB L 256 van 3.8.2004, blz. 8.