Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004PC0532

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten met behulp van vallen

/* COM/2004/0532 def. - COD 2004/0183 */

52004PC0532

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten met behulp van vallen /* COM/2004/0532 def. - COD 2004/0183 */


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten met behulp van vallen

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

TENUITVOERLEGGING VAN DE UIT DE OVEREENKOMST VOORTVLOEIENDE VERBINTENISSEN EN VERPLICHTINGEN

1. Inleiding

In 1998 heeft de Gemeenschap besloten twee internationale overeenkomsten te sluiten teneinde op internationaal niveau normen voor de humane vangst van dieren met behulp van vallen vast te stellen.

De eerste overeenkomst (hierna "de Overeenkomst" te noemen) werd gesloten met Canada en de Russische Federatie en werd bij Besluit 98/142/EG van de Raad van 26 januari 1998 [1] goedgekeurd.

[1] Besluit 98/142/EG van de Raad van 26 januari 1998 betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, Canada en de Russische Federatie betreffende internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen, en een proces-verbaal van overeenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap betreffende de ondertekening van deze overeenkomst (PB L 42 van 14.2.1998, blz. 40).

De tweede overeenkomst betreft de Verenigde Staten van Amerika en neemt de vorm aan van goedgekeurde notulen. Deze overeenkomst werd goedgekeurd bij Besluit 98/487/EG van de Raad van 13 juli 1998 [2].

[2] Besluit 98/487/EG van de Raad van 13 juli 1998 betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst in de vorm van goedgekeurde notulen tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake normen voor humane vangmethoden met behulp van vallen (PB L 219 van 7.8.1998, blz. 24).

Thans moeten de verbintenissen en verplichtingen die uit deze overeenkomsten voortvloeien, door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.

Omwille van de duidelijkheid wordt hierna uitsluitend verwezen naar de Overeenkomst, aangezien deze de meest gedetailleerde bepalingen bevat. De Overeenkomst met de USA is inhoudelijk echter vergelijkbaar met die welke met de Russische Federatie en Canada werd gesloten.

De Overeenkomst werd ingegeven door de wens om overeenstemming te bereiken over internationale normen voor humane vangst, alsook om handelsgeschillen met de belangrijkste internationale exporteurs van pelzen te vermijden.

De Overeenkomst wordt sedert juni 1999 op voorlopige basis toegepast door de Gemeenschap en Canada, in afwachting van de inwerkingtreding ervan, waarvoor de bekrachtiging door de Russische Federatie is vereist.

2. De Overeenkomst

De Overeenkomst betreffende internationale normen voor de humane vangst met behulp van vallen omvat 17 artikelen en 4 bijlagen. De doelstellingen van de Overeenkomst zijn de vaststelling van normen voor humane vangmethoden, de verbetering van de communicatie en de samenwerking tussen de partijen met het oog op de toepassing en ontwikkeling van die normen, en de bevordering van de handel in pelzen en vallen tussen de partijen. De normen voor humane vangst met behulp van vallen hebben ten doel de in vallen gevangen dieren een voldoende welzijnsniveau te garanderen en dit welzijn verder te verbeteren.

In samenhang met het onderhavige voorstel kan met betrekking tot de Overeenkomst het volgende worden opgemerkt.

Uit hoofde van de Overeenkomst zijn de partijen verplicht om binnen de overeengekomen termijnen het gebruik van alle levendvallen en letale vallen die niet aan de normen voor humane vangst voldoen, voor de 19 [3] in bijlage I van de Overeenkomst genoemde diersoorten [4] te verbieden.

[3] In de loop van de onderhandelingen is het aantal in deel 2 van bijlage I van de Overeenkomst opgenomen diersoorten op verzoek van de andere partijen, die een groter aantal Europese soorten opgenomen wensten te zien, uitgebreid van 13 tot 19 soorten.

[4] Canis latrans, coyote Martes americana, Amerikaanse marter Felis rufus, rode lynx Martes pennanti, vismarter Ondatra zibethicus, muskusrat Procyon lotor, wasbeer Martes zibellina, sabelmarter Mustela erminea, hermelijn Lynx lynx, Europese lynx (E) Lynx canadensis, Canadese lynx (NA) Meles meles, Europese das (E) Taxidea taxus, zilverdas (NA) Canis lupus, Wolf Nyctereutes procyonoides, wasbeerhond Castor fiber, Europese bever (E) Castor canadensis, Canadese bever (NA) Lutra lutra, Europese otter (E) Lutra canadensis, Noord-Amerikaanse otter (NA) Martes martes, boommarter

De gebruikte vangmethoden moeten bijgevolg worden beproefd in het licht van de vastgestelde normen, teneinde de gevangen dieren een voldoende welzijnsniveau te garanderen Daarom moet in passende procedures voor de certificering van de beproefde vallen worden voorzien. De Overeenkomst is van toepassing op alle mechanische toestellen voor het doden dan wel levend vangen van dieren (vallen) die gebruikt worden voor de vangst van de 19 in de lijst genoemde, terrestrische of semi-aquatische wilde zoogdiersoorten, ongeacht of de vangst plaatsvindt met het oog op wildbeheer met inbegrip van de bestrijding van plaagorganismen, het verkrijgen van pelzen, huiden of vlees of de vangst van deze zoogdieren ten behoeve van natuurbehoud.

De belangrijkste verplichtingen voor de partijen zijn vervat in artikel 7 van de Overeenkomst. Dat artikel schrijft voor dat de partijen passende procedures instellen voor de certificering van vallen overeenkomstig de normen en dat de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat de vangmethoden die op hun grondgebied worden toegepast, in overeenstemming zijn met de normen. Het overeengekomen tijdschema in bijlage I vermeldt de termijnen waarbinnen aan die verplichtingen moet zijn voldaan. Dienovereenkomstig moeten de partijen ervoor zorgen dat de vangmethoden met behulp van levendvallen worden beproefd teneinde hun conformiteit met de normen voor humane vangmethoden aan te tonen, en dat zij binnen drie à vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden gecertificeerd, afhankelijk van de prioriteiten ten aanzien van de proeven en de beschikbaarheid van beproevingsinstallaties. Voor vangmethoden met behulp van letale vallen is de termijn vastgesteld op vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Het gebruik van niet-gecertificeerde vallen moet binnen drie jaar na het verstrijken van bovengenoemde termijnen worden verboden.

De partijen bij de Overeenkomst dienen onderzoek over de verdere ontwikkeling van de normen te bevorderen en bijlage I bij de Overeenkomst opnieuw te bezien en te actualiseren. De Overeenkomst verplicht de partijen ertoe, de wetenschappelijke kennis die nodig is voor de beoordeling van het welzijn van de gevangen dieren (bijvoorbeeld door onderzoek van specifieke parameters) te verbeteren. Derhalve moeten de onderscheiden partijen werk maken van nader onderzoek met betrekking tot de volgende soorten: Ondatra zibethicus (muskusrat) - Europese Gemeenschap, Procyon lotor - Canada, Martes zibellina - Russische Federatie. De Commissie is deze verplichting nagekomen door de opdracht te geven tot het uitvoeren van een studie over muskusratten. Het eindrapport werd in juni 2003 overgelegd en bevat gegevens ten behoeve van de beoordeling van de gedragingen en fysiologische parameters (bijvoorbeeld hartfrequentie) van gevangen muskusratten.

De vier bijlagen bij de Overeenkomst bevatten de normen voor de humane vangst van dieren met behulp van vallen, de lijst van de betrokken diersoorten, het tijdschema voor de uitvoering, richtsnoeren voor de beproeving van vallen en voor onderzoek inzake de continue ontwikkeling van de vangmethoden, onderzoekprogramma's gericht op de verfijning van de normen, bepalingen betreffende een scheidsrechterlijke instantie en de verklaringen van de partijen.

De "verklaring van de Europese Gemeenschap" bevestigt dat de Gemeenschap "geen maatregelen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad zal treffen gedurende de tijd die redelijkerwijs nodig is voor de bekrachtiging van de Overeenkomst door de andere partijen en, na de bekrachtiging, zolang deze Overeenkomst van kracht blijft en conform de bepalingen ervan wordt toegepast."

Ten behoeve van de Commissie is een studie [5] uitgevoerd over de manier waarop de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen thans reeds in de lidstaten via bestaande wetgeving worden nagekomen. Uit de verzamelde informatie komt naar voren dat wanneer in de lidstaten dieren met behulp van vallen worden gevangen, dit meestal geschiedt in het kader van de bestrijding van plaagorganismen of omdat zij teelten vernielen, eigendommen beschadigen, ziekten verspreiden, een bedreiging vormen voor het wild of overstromingen veroorzaken. In 4 lidstaten worden bepaalde soorten occasioneel ook gevangen om hun vacht. In het algemeen hebben de lidstaten hun wetgeving nog niet aangepast ter uitvoering van de Overeenkomst. De bestaande nationale wetgeving verschilt van lidstaat tot lidstaat in samenhang met de op nationaal en/of regionaal niveau beoefende vangst met behulp van vallen. Een harmonisering van de wetgeving is derhalve noodzakelijk, wil de Gemeenschap in staat zijn haar internationale verplichtingen krachtens de Overeenkomst na te leven.

[5] 'Evaluation of the situation in the Member States as a technical support for the preparation of the implementation of the Agreement', opgesteld door FACE (Federation of Associations for Hunting and Conservation of the EU) in 1999-2000.

Er heeft overleg plaatsgevonden met de belanghebbende partijen, deskundigen en NGO's. Met hun adviezen betreffende ondereer de beproeving van de vangmethoden met behulp van vallen en de certificeringsprocedure is in dit voorstel rekening gehouden. Het werd evenwel niet opportuun geacht, in te gaan op verzoeken tot instelling van een centrale communautaire beproevingsinstallatie of communautaire financiering van de beproeving van vallen.

3. Verband tussen de bestaande wetgeving en de ontwerp-richtlijn

In de Gemeenschap is elk gebruik van wildklemmen verboden bij Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen [6]. Dit verbod is opgenomen in artikel 2.

[6] Verordening (EEG) nr. 3254/99 van de Raad, PB L 308 van 9.11.1991, blz. 21.

Bovendien verbiedt artikel 3, lid 1, van die verordening de invoer in de Gemeenschap van de pelzen van 13 met name genoemde in het wild levende diersoorten alsook van de daarvan vervaardigde producten. De invoer daarvan is evenwel toegestaan uit derde landen die middels wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen het gebruik van de wildklem verbieden, alsook uit derde landen die met betrekking tot de 13 genoemde diersoorten de naleving van de internationaal overeengekomen normen voor humane vangst opleggen.

De Overeenkomst staat (met name bij artikel 5) de Gemeenschap toe, dit algemene verbod te handhaven. Dientengevolge zal ook na de aanneming van de nieuwe richtlijn het gebruik van alle wildklemmen, ook die welke in overeenstemming zouden zijn met de normen voor humane vangst, in de Gemeenschap verboden blijven.

In de praktijk zal de nieuwe richtlijn bijgevolg alleen van toepassing zijn op andere vallen dan de wildklem die de producenten als "humaan" aangemerkt willen zien. Bovendien zal voor andere diersoorten dan de 19 in de bijlagen van de Overeenkomst genoemde soorten het gebruik van andere vallen dan de wildklem die niet voldoen aan de normen voor humane vangst, mogelijk blijven indien zij in overeenstemming zijn met de rest van de communautaire wetgeving.

Het voorstel geeft uitvoering aan het milieugerelateerde gedeelte van de Overeenkomst en blijft qua inhoud en werkingssfeer beperkt tot wat noodzakelijk is om te garanderen dat de Europese Gemeenschap haar internationale verplichtingen nakomt door ervoor te zorgen dat de overeengekomen normen voor humane vangst met behulp van vallen worden nageleefd.

Het voorstel heeft niet de bedoeling, alle technische voorschriften in samenhang met het in de handel brengen van vallen te harmoniseren. Het beoogt alleen een verbod op het gebruik van "inhumane" vallen voor het vangen van dieren van de genoemde soorten.

De handelsaspecten van de Overeenkomst betreffende de bevordering van de internationale handel in bontwerk vervaardigd van pelzen afkomstig van met behulp van vallen gevangen dieren die behoren tot de onder de Overeenkomst vallen soorten, zal worden geregeld door een wijziging van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 3254/91 waarbij het aantal daarin opgenomen wilde diersoorten wordt uitgebreid van 13 tot 19.

4. De ontwerp-richtlijn

Rechtsgrond en overwegingen

Voorgesteld wordt, de Overeenkomst door middel van een richtlijn ten uitvoer te leggen. Deze aanpak is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Zij biedt de nodige soepelheid om met verschillende omstandigheden rekening te houden en een vlottere aanpassing van de bestaande nationale en regionale bepalingen in de lidstaten mogelijk te maken. Bovendien zijn de meeste verplichtingen waarin de Overeenkomst voorziet, op een soepele manier geformuleerd en beter geschikt om in een richtlijn dan in een verordening te worden verwerkt.

Artikel 175 werd als rechtsgrond voor dit voorstel gekozen omdat het de bedoeling is dat de richtlijn een essentiële bijdrage levert tot de bescherming en instandhouding van wilde diersoorten door het bieden van een voldoende mate van bescherming van het welzijn van in vallen gevangen dieren. Het onderhavige voorstel beoogt de tenuitvoerlegging in de Gemeenschap van internationaal overeengekomen normen voor humane vangst met behulp van vallen, teneinde het dierenwelzijn en de bescherming van de betrokken soorten te verhogen, te bevorderen en te verbeteren door de in vallen gevangen dieren onnodig lijden en onnodige pijn te besparen.

Deze richtlijn heeft niet de bedoeling de lidstaten de macht te ontnemen om in de toekomst stringentere maatregelen inzake jacht en vangst met behulp van vallen te handhaven en/of in te voeren. Lidstaten zouden bijvoorbeeld kunnen beslissen om de normen voor humane vangst met behulp van vallen van toepassing te maken op andere diersoorten dan de 19 genoemde.

Artikel 175 is bijgevolg de passende rechtsgrond, aangezien dit de lidstaten de mogelijkheid biedt, op basis van artikel 176 strengere regels aan te nemen op voorwaarde dat die regels verenigbaar zijn met het Verdrag en met name met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen.

Dispositief

Artikel 1 van het voorstel betreft het voorwerp en de werkingssfeer van de richtlijn. Volgens dit artikel behelst de richtlijn de vaststelling van normen voor de humane vangst met behulp van vallen, eisen inzake de vangmethoden, technische voorschriften betreffende de beproeving van de vangmethoden en de certificering van vallen voor de vangst van bepaalde in het wild levende diersoorten, en is zij van toepassing op vallen die gebruikt worden voor de vangst van de in bijlage I genoemde in het wild levende zoogdieren met het oog op wildbeheer, de bestrijding van plaagorganismen en de vangst van zoogdieren ten behoeve van natuurbehoud en voor het verkrijgen van bont, huiden of vlees.

Artikel 2 van het voorstel omschrijft de in het dispositief gebruikte begrippen.

Artikel 3 van het voorstel schrijft voor dat de lidstaten de voor de uitvoering van de richtlijn bevoegde autoriteiten aanwijzen.

Artikel 4 van het voorstel bevat de algemene gebruiksvoorwaarden met betrekking tot vallen. Met ingang van 1 januari 2009 mogen alleen gecertificeerde vallen worden gebruikt voor de vangst van de 19 genoemde diersoorten. Voorts wordt als beginsel gesteld dat het gebruik van in derde landen gecertificeerde vallen in de Gemeenschap is toegestaan.

Artikel 5 legt de lidstaten de verplichting op, ervoor te zorgen dat met ingang van 1 januari 2012 geen vangmethoden meer worden gebruikt die niet in overeenstemming zijn met de normen voor humane vangst met behulp van vallen. In de leden 2 en 3 worden de criteria voor humane vangmethoden met gebruikmaking van levendvallen en letale vallen gespecificeerd.

In artikel 6 worden de afwijkingen van de algemene voorschriften van artikel 4, lid 1, en artikel 5 gegroepeerd. Zo kunnen er per geval afwijkingen worden toegestaan voor specifieke doeleinden, bijvoorbeeld in het belang van de volksgezondheid en de veiligheid; ter bescherming van openbare en particuliere eigendommen; ten behoeve van ondezoek, educatie, aanvulling van de wildstand, herintroductie, fok en de bescherming van fauna en flora, alsook om het gebruik van traditionele houten vallen toe te staan dat essentieel is voor de instandhouding van het cultureel erfgoed van inheemse gemeenschappen. Voorts kan het gebruik van een type val op tijdelijke basis worden toegestaan in afwachting van de resultaten van onderzoek naar een vervangend type. Ten slotte kunnen de lidstaten individuele personen toelaten om vallen te bouwen en te gebruiken die in overeenstemming zijn met een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd ontwerp. Met deze door individuele personen gebouwde vallen worden simpele, zelfgemaakte vallen voor particulier gebruik bedoeld. Aangezien in dat geval om redenen van praktische aard niet het certificeringssysteem en alle voor industriële fabrikanten geldende beproevingsvoorschriften kunnen worden toegepast, dient - indien een lidstaat het gebruik van dergelijke vallen wil toestaan - de bevoegde autoriteit het algemene ontwerp van dergelijke vallen goed te keuren en in het kader van haar handhavingssysteem de passende bepalingen terzake vast te stellen. In dit stadium is het niet mogelijk, het passende ontwerp voor alle zelfgemaakte vallen te specificeren. De bevoegde autoriteit dient deze vallen echter te toetsen aan de vastgestelde normen voor humane vangst, zonder dat daarbij formeel alle beproevings- en certificeringsprocedures hoeven te worden doorlopen.

Artikel 7 van het voorstel behandelt de certificering van vallen nadat de vallen en de vangmethoden zijn beproefd op hun conformiteit met de normen voor humane vangst. Dit houdt in dat de lidstaten erop toezien dat uitsluitend vallen en vangmethoden worden gecertificeerd die werden beproefd en waarvan de conformiteit met de normen voor humane vangst is aangetoond. Het is de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, voor deze vallen een passend standaard-certificeringsdocument af te geven dat de specifieke voorwaarden en restricties ten aanzien van het gebruik van de betrokken vallen vermeldt.

Aangezien het gebruik van een standaard-certificeringsdocument zal bijdragen tot een betere harmonisering van de certificeringsprocedures en de wederzijdse erkenning zal vergemakkelijken, zal krachtens artikel 14 een standaard-certificeringsdocument worden opgesteld.

Artikel 8 van het voorstel bepaalt dat de lidstaten erop moeten toezien dat de vallenzetters competent zijn en over de vereiste kennis beschikken of een opleiding krijgen.

Artikel 9 van het voorstel handelt over de fabrikanten; het bepaalt dat de lidstaten van de fabrikanten moeten verlangen dat zij gecertificeerde vallen als zodanig identificeren en dat zij aanwijzingen verstrekken voor de juiste manier van opzetten, het veilig gebruik en het onderhoud daarvan.

Artikel 10 van het voorstel verlangt van de lidstaten dat zij onderzoek in samenhang met de verbetering en uitbreiding van de normen voor humane vangst met behulp van vallen bevorderen en stimuleren teneinde het welzijn van de gevangen dieren te verbeteren. Dit doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de Commissie om eveneens dit soort onderzoek aan te moedigen.

Artikel 11 bevat een standaardbepaling betreffende sancties.

Artikel 12 van het voorstel schrijft voor dat informatie wordt uitgewisseld tussen de Commissie en de lidstaten. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat het nodige wordt gedaan om het publiek te informeren over de uit deze richtlijn voortvloeiende maatregelen.

In artikel 13 van het voorstel wordt gesteld dat de Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18 van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer [7] ingestelde comité, dat als regelgevend comité optreedt. Het heeft als taak assistentie te verlenen bij de uitvoering van de richtlijn en technische aanpassingen van de bijlagen van de richtlijn uit te werken. Voorgesteld wordt om de in de bijlagen opgenomen wetenschappelijke en technische informatie met betrekking tot de normen en de beproeving door het comité te laten bezien. Het comité wordt ook geacht adviezen uit te brengen over certificering en onderzoek ter verbetering van de normen. Het zal ook de vergaderingen van het Gemeenschappelijk Beheerscomité van de Overeenkomst helpen voorbereiden.

[7] PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

Artikel 14 van het voorstel behandelt de uitvoeringsmaatregelen en wijzigingen. De Commissie dient overeenkomstig de comitéprocedure voorwaarden en criteria vast te stellen voor kennisgevingen, voor de mededeling van informatie en voor het opstellen van een standaard-certificeringsdocument. Voorts is bepaald dat de Commissie indien nodig de bijlagen bij de richtlijn wijzigt overeenkomstig de comitéprocedure.

Artikel 15 van het voorstel bepaalt dat de lidstaten strengere bepalingen mogen handhaven en toepassen.

Artikel 16 van het voorstel bevat de bepalingen met betrekking tot de omzetting. De omzettingstermijn wordt vastgesteld op 31 december 2005.

Artikel 17 van het voorstel bevat de bepaling betreffende de inwerkingtreding.

Artikel 18 van het voorstel bevat de standaardformule betreffende de adressaten.

De vier bijlagen bij het voorstel bevatten respectievelijk de lijst van de betrokken diersoorten (bijlage I), de normen voor humane vangst met behulp van vallen (bijlage II), technische bepalingen betreffende de beproeving van vangmethoden (bijlage III) en nadere bijzonderheden betreffende onderzoek (bijlage IV).

5. Gevolgen

Wat het effectbeoordelingsproces betreft, heeft de Commissie in november 2002 bij de vaststelling van haar wetgevings- en werkprogramma voor 2003 besloten, het onderhavige voorstel niet op te nemen in de lijst van voorstellen die aan een uitgebreide effectbeoordeling moeten worden onderworpen. Overigens valt op te merken dat de effectbeoordeling meestal wordt gebruikt als een instrument om de kwaliteit en de samenhang van het beleidsontwikkelingsproces te verbeteren. In dit geval heeft de Raad de Overeenkomst echter reeds gesloten en het voorgestelde beleid aanvaard. In het licht van deze overwegingen is geen specifieke effectbeoordeling uitgevoerd.

Deze richtlijn heeft geen financiële gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. Wel zijn er economische effecten verbonden aan de eisen van de Overeenkomst inzake beproeving en certificering van vallen. Ook de kosten van de vervanging van niet-gecertificeerde vallen kan een belangrijk element zijn. De kosten zijn intrinsiek moeilijk te voorspellen omdat zij ook afhankelijk zijn van de doelsoort. Een proef met vallen voor het vangen van een algemene soort is bijvoorbeeld minder tijdrovend, en dus goedkoper, dan een dergelijke proef met een soort die de neiging heeft de vallen te ontwijken. Een ruwe raming leert dat de beproeving van een vangmethode op haar conformiteit met de normen voor één diersoort 30.000 à 100.000 euro kost, afhankelijk van het valtype en de kenmerken van de betrokken diersoort.

Gezien deze relatief bescheiden kosten wordt voorgesteld de toewijzing van de kosten aan de lidstaten over te laten. Voor die toewijzing beschikken de lidstaten over een reeks mogelijkheden, ieder met hun eigen voor- en nadelen. De kosten kunnen worden gedragen door de fabrikanten van vallen, door de lidstaten en door de gebruikers van vallen. Indien van de fabrikanten wordt verlangd dat zij de kosten dragen, zal dit er waarschijnlijk toe leiden dat slechts een beperkt scala vallen ter beproeving wordt aangeboden, namelijk alleen vallen die op grote schaal worden gebruikt, zodat de fabrikanten vrij zeker zijn dat zij de kosten van de beproeving zullen terugverdienen. Die vallen kunnen echter minder humaan zijn dan andere, nieuwe types vallen. Een en ander kan ertoe leiden dat voor bepaalde diersoorten geen gecertificeerde vallen beschikbaar zijn en dat verdere verbeteringen in de richting van humanere vallen niet kunnen worden gegarandeerd. Indien geen vallen kunnen worden gebruikt, bestaat het gevaar dat andere middelen zoals vergiftiging worden toegepast voor de bestrijding van plaagorganismen, waardoor de dieren meer lijden wordt toegebracht en er negatieve gevolgen kunnen zijn voor het milieu. Andere mogelijke gevolgen van het niet-gebruik van vallen zijn een verlies aan biodiversiteit en schade door overstromingen (bestrijding van muskusratten). Het voorstel biedt voldoende soepelheid wat betreft de beproeving van vangmethoden en de certificering van vallen om dit soort mogelijke negatieve effecten te vermijden. Wel kan het noodzakelijk blijken om de financieringsmechanismen te herzien in het licht van de ervaring die met de uitvoering van de richtlijn wordt opgedaan.

2004/0183 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten met behulp van vallen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [8],

[8] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [9],

[9] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [10],

[10] PB C [...] van [...], blz. [...].

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [11],

[11] PB C [...] van [...], blz. [...].

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In 1998 zijn door de Gemeenschap twee overeenkomsten over internationale normen voor de humane vangst van dieren met behulp van vallen goedgekeurd bij Besluit 98/142/EG van de Raad van 26 januari 1998 betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, Canada en de Russische Federatie betreffende internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen en een proces-verbaal van overeenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap betreffende de ondertekening van deze overeenkomst [12] en Besluit 98/487/EG van de Raad van 13 juli 1998 betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst in de vorm van goedgekeurde notulen tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake normen voor humane vangmethoden met behulp van vallen [13]. De uit deze overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen en verplichtingen moeten derhalve worden nagekomen.

[12] PB L 42 van 14.2.1998, blz. 40.

[13] PB L 219 van 7.8.1998, blz. 24.

(2) Deze overeenkomsten beogen niet alleen te garanderen dat de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen worden nageleefd wat de technische kenmerken van deze vallen betreft, maar ook dat de methoden die voor de vangst van de negentien betrokken soorten worden gebruikt, met deze normen voor humane vangst met behulp van vallen in overeenstemming zijn. Bovendien schrijven de normen voor humane vangst voor dat de vallenzetters een specifieke opleiding krijgen.

(3) Aangezien humane vallen selectief en doeltreffend moeten zijn en conform met de relevante eisen ten aanzien van de menselijke veiligheid, zal de toepassing van deze internationaal overeengekomen normen voor humane vangst een positief effect hebben op het welzijn van de gevangen dieren en zo bijdragen tot de bescherming van wilde diersoorten op het grondgebied van de Gemeenschap en daarbuiten. Door de wilde dieren die in vallen worden gevangen ten behoeve van het wildbeheer en in het kader van de vangst van deze zoogdieren voor natuurbehouddoeleinden, een voldoende welzijnsniveau te garanderen, wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid. Zodoende draagt de Gemeenschap in het bijzonder bij tot de voorzichtige, duurzame en rationele benutting van de natuurlijke rijkdommen en bevordert zij internationale maatregelen om wereldwijde milieuproblemen het hoofd te bieden.

(4) De daadwerkelijke toepassing van humane vangmethoden impliceert dat de vallen niet alleen moeten worden gecertificeerd als zijnde conform met de normen voor humane vangst, maar ook dat zij overeenkomstig die normen moeten worden gebruikt door vallenzetters die gekwalificeerd zijn om met vallen te werken.

(5) De certificering van vallen moet gebaseerd zijn op voorafgaande beproeving. Beproeving en certificering hoeven niet door dezelfde instantie of in dezelfde staat te gebeuren, zolang beide activiteiten maar plaatsvinden in overeenstemming met de eisen van deze richtlijn. Gecertificeerde vallen moeten gemakkelijk herkenbaar zijn, en informatie over het gebruik ervan overeenstemming met de normen voor humane vangst moet beschikbaar worden gemaakt. Anderzijds dient het gebruik van niet-gecertificeerde vallen, behalve in gevallen waarin dat in het algemeen belang uitdrukkelijk wordt toegestaan, onmogelijk te worden gemaakt na afloop van een voldoende lange periode voor beproeving en certificering.

(6) Onderzoek ter verbetering van de normen voor humane vangst met behulp van vallen moet worden aangemoedigd en bevorderd.

(7) Deze richtlijn laat strengere communautaire wetgeving, en met name Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen [14], onverlet. Elk gebruik van de wildklem blijft in de Gemeenschap dus verboden.

[14] Verordening (EEG) nr. 3254/99 van de Raad, PB L 308 van 9.11.1991, blz. 21.

(8) Deze richtlijn laat ook de artikelen 12 en 15 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [15] onverlet.

[15] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad, PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1.

(9) In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is het voor het bereiken van de basisdoelstelling van deze richtlijn noodzakelijk en passend, regels vast te stellen ter uitvoering van de verplichtingen die op de Gemeenschap rusten krachtens de overeenkomsten over internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen als omschreven in de Besluiten 98/142/EG en 98/487/EG. Deze richtlijn gaat overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag niet verder dan wat nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.

(10) De maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [16],

[16] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en werkingssfeer

1. Deze richtlijn stelt normen voor de humane vangst met behulp van vallen, eisen ten aanzien van de vangmethoden en technische voorschriften voor de beproeving van vangmethoden en de certificering van vallen voor het vangen van bepaalde in het wild levende diersoorten vast.

2. Deze richtlijn heeft betrekking op vallen die gebruikt worden voor het vangen van de in bijlage I genoemde in het wild levende zoogdieren ten behoeve van wildbeheer, bestrijding van plaagorganismen, de vangst van zoogdieren voor natuurbehouds doeleinden en het verkrijgen van bont, huiden of vlees.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. 'vallen': mechanische vangtuigen, ontworpen voor het doden of levend insluiten van dieren van de in bijlage I genoemde soorten;

2. 'vangmethoden': de vallen en de manier waarop deze worden gebruikt, bijvoorbeeld: doelsoort(en), plaatsing, lokmiddelen, lokaas en natuurlijke milieuomstandigheden;

3. 'vangmethoden met gebruikmaking van levendvallen': vallen die zijn ontworpen en worden opgezet om het gevangen dier niet te doden maar het op zodanige wijze in zijn bewegingsmogelijkheden te beperken dat een mens het direct kan aangrijpen;

4. 'letale vangmethoden': vallen die zijn ontworpen en worden opgezet om het gevangen dier te doden;

5. 'vallenzetter': een persoon van de bevoegde autoriteit van een lidstaat de toestemming heeft verkregen om vallen te gebruiken voor het vangen van de in bijlage I genoemde diersoorten.

Artikel 3

Bevoegde autoriteiten

1. Elke lidstaat wijst een of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze richtlijn.

2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2005 in kennis van de namen en adressen van de bevoegde autoriteiten. De Commissie stelt de andere lidstaten hiervan in kennis en maakt een lijst van de bevoegde autoriteiten bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dezelfde procedure wordt gevolgd in het geval van eventuele wijzigingen van de lijst van bevoegde autoriteiten.

Artikel 4

Gebruik van vallen

1. Met ingang van 1 januari 2009 zien de lidstaten erop toe dat de vallen die worden gebruikt, conform zijn met de in bijlage II opgenomen normen voor humane vangst en door de bevoegde autoriteiten als zodanig zijn gecertificeerd.

2. De lidstaten mogen op hun grondgebied het gebruik toestaan van vallen die in een derde land in overeenstemming met de normen voor humane vangst zijn gecertificeerd. De lidstaten maken de redenen voor een eventuele weigering om zulks te doen, bekend en stellen het derde land van certificering en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 5

Vangmethoden

1. Met ingang van 1 januari 2012 zien de lidstaten erop toe dat alleen vangmethoden worden gebruikt die in overeenstemming zijn met de in bijlage II vervatte normen voor humane vangst.

2. Een vangmethode met gebruikmaking van levendvallen wordt als humaan aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de gegevens voor één en dezelfde doelsoort hebben betrekking op ten minste 20 specimens; en

(b) ten minste 80 % van de onder (a) bedoelde dieren vertoont géén van de in punt 2.2 van bijlage II genoemde indicatorverschijnselen.

3. Een letale vangmethode wordt als humaan aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de gegevens voor één en dezelfde doelsoort hebben betrekking op ten minste 12 specimens; en

(b) ten minste 80 % van de onder (a) bedoelde dieren wordt bewusteloos en gevoelloos binnen de in punt 3.2 van bijlage II vastgestelde tijdslimiet en blijft in deze toestand tot de dood optreedt.

Artikel 6

Afwijkingen

1. Op voorwaarde dat zij niet op zodanige wijze worden toegepast dat het doel van deze richtlijn daardoor wordt ondermijnd, mogen de bevoegde autoriteiten per geval afwijkingen van de voorschriften van artikel 4, lid 1, en artikel 5 toestaan om de volgende redenen:

(a) in het belang van de volksgezondheid en de veiligheid;

(b) ter bescherming van openbare en particuliere eigendommen;

(c) ter fine van onderzoek, educatie, aanvulling van de wildstand, herintroductie, fok of de bescherming van fauna en flora;

(d) voor het gebruik van traditionele houten vallen die essentieel zijn voor de instandhouding van het cultureel erfgoed van inheemse gemeenschappen;

(e) voor het tijdelijk gebruik van een specifieke val voor specifieke soorten of in specifieke milieuomstandigheden gedurende een door de bevoegde autoriteiten vast te stellen redelijke termijn, gedurende welke onderzoek plaatsvindt teneinde in vervangende vallen te voorzien;

(f) teneinde aan individuele personen per geval toelating te verlenen om vallen te bouwen en te gebruiken die in overeenstemming zijn met een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd ontwerp.

2. Overeenkomstig lid 1 toegestane afwijkingen gaan vergezeld van een schriftelijke motivering en van eventuele terzake toepasselijke voorwaarden.

3. De bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van alle toegestane afwijkingen en van de desbetreffende schriftelijke motiveringen en voorwaarden.

Artikel 7

Certificering

1. Wanneer vallen en de bijbehorende vangmethoden zijn beproefd en de conformiteit daarvan met de normen voor humane vangst is aangetoond, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten deze vallen certificeren.

2. De lidstaten zien erop toe dat een standaard-certificeringsdocument wordt afgegeven voor alle vallen waarvan het gebruik overeenkomstig artikel 4, lid 1, is toegestaan.

3. Onverminderd nationale verbodsbepalingen ten aanzien van het gebruik van vallen worden standaard-certificeringsdocumenten die overeenkomstig deze richtlijn door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zijn afgegeven, als geldige certificaten erkend in de andere lidstaten.

4. De bevoegde autoriteit vermeldt op het standaard-certificeringsdocument indien passend de eventuele specifieke voorwaarden en restricties die gelden ten aanzien van het gebruik van de val.

5. Alvorens zij een val certificeert, controleert de bevoegde autoriteit of de instantie of organisatie die de beproeving heeft uitgevoerd, de technische voorschriften inzake de beproeving van vangmethoden van bijlage III heeft toegepast en aan de bevoegde autoriteit een verslag heeft overgelegd in overeenstemming met punt 1.6 van die bijlage.

Artikel 8

Vallenzetters

De lidstaten zien erop toe dat de vallenzetters een specifieke opleiding krijgen of over een gelijkwaardige praktijkervaring, competentie en kennis beschikken waardoor zij gekwalificeerd zijn om vallen te gebruiken overeenkomstig de normen voor humane vangst.

Artikel 9

Fabrikanten

De lidstaten verlangen van de fabrikanten dat zij gecertificeerde vallen als zodanig identificeren en aanwijzingen verstrekken voor de juiste manier van opzetten, het veilige gebruik en het onderhoud daarvan.

Artikel 10

Onderzoek

De lidstaten bevorderen en stimuleren onderzoek dat bijdraagt tot de verbetering van de normen voor humane vangst en van het welzijn van in vallen gevangen dieren, overeenkomstig het bepaalde in bijlage IV.

Artikel 11

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle maatregelen om te bereiken dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten melden deze bepalingen bij de Commissie uiterlijk op de in artikel 16, lid 1, vastgestelde datum en zij doen onverwijld melding van elke daaropvolgende wijziging ervan.

Artikel 12

Mededeling van informatie

1. De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar de informatie die nodig is voor de uitvoering van deze richtlijn.

2. De lidstaten zien erop toe dat de nodige stappen worden ondernomen om het publiek bewust te maken van de uit hoofde van deze richtlijn genomen maatregelen.

Artikel 13

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 338/97 [17] ingestelde comité, hierna "het comité" te noemen.

[17] PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van de bepalingen van artikel 8.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 14

Uitvoeringsmaatregelen en wijzigingen

1. De Commissie stelt, overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure, uniforme voorwaarden en criteria vast voor:

(a) de in artikel 4, lid 2, en artikel 6, lid 1, bedoelde kennisgevingen;

(b) de mededeling van informatie als bedoeld in artikel 12;

(c) het opstellen van een standaard-certificeringsdocument met het oog op het bepaalde in artikel 7.

De Commissie neemt, indien nodig, overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure aanvullende uitvoeringsmaatregelen aan.

2. Als de bijlagen bij de Overeenkomst en de goedgekeurde notulen bedoeld in de Besluiten 98/142/EG en 98/487/EG worden gewijzigd, wijzigt de Commissie volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure de bijlagen van deze richtlijn dienovereenkomstig.

Artikel 15

Verhouding tot het nationaal recht

De lidstaten mogen ter bescherming van de dieren en diersoorten van bijlage I strengere bepalingen handhaven of invoeren dan die welke bij deze richtlijn zijn vastgesteld. Zij brengen deze maatregelen ter kennis van de Commissie.

Artikel 16

Omzetting

1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2005 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mee, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2006.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE I

LIJST VAN DIERSOORTEN

De normen voor humane vangst met behulp van vallen zijn van toepassing op de hieronder genoemde diersoorten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

E = Europees

NA = Noord-Amerikaans

BIJLAGE II

1. DE NORMEN VOOR HUMANE VANGST MET BEHULP VAN VALLEN

1.1. Doelstellingen

De normen hebben ten doel de in vallen gevangen dieren een voldoende welzijnsniveau te garanderen en dit welzijn verder te verbeteren.

Onverminderd het feit dat de vangmethoden dienen te voldoen aan de eisen van deze richtlijn, moet aandacht worden besteed aan de verdere verbetering van het ontwerp en de wijze van gebruik van de vallen, met name:

(a) om het welzijn van de in levendvallen gevangen dieren te verbeteren gedurende de tijd dat zij gevangen zitten;

(b) om een snel bewustzijnsverlies en een snel optreden van gevoelloosheid te veroorzaken bij in letale vallen gevangen dieren; en

(c) om het vangen van andere dieren dan de doelspecimens zoveel mogelijk te beperken.

1.2. Principe

Bij de beoordeling of een vangmethode als dan niet humaan is, dient het welzijn van het gevangen dier te worden geëvalueerd.

1.3. Algemene overwegingen

Als maatstaf voor het welzijn van dieren kunnen indicatoren worden gebruikt van het gemak of de moeite waarmee zij weerstand bieden aan omgevingsstress en de mate waarin zij er al dan niet in slagen die weerstand te bieden. Aangezien dieren op verschillende manieren weerstand trachten te bieden aan omgevingsstress, dient bij de beoordeling van hun welzijn een reeks parameters te worden gebruikt.

De indicatoren van het welzijn van dieren in vallen hebben onder meer betrekking op fysiologie, letsels en gedrag. Aangezien sommige van deze indicatoren voor een aantal soorten niet zijn onderzocht, is nader wetenschappelijk onderzoek nodig om in het kader van de normen passende drempelwaarden vast te stellen.

Hoewel welzijn een rekbaar begrip is, wordt de term "humaan" uitsluitend gebruikt voor vangmethoden waarbij het welzijn van de betrokken dieren op een voldoende niveau wordt gehandhaafd, hoewel wordt erkend dat zich in het geval van letale vallen in bepaalde situaties een korte periode van verminderd welzijn kan voordoen.

De krachtens de normen vastgestelde drempelwaarden voor de certificering van vallen omvatten:

(a) voor levendvallen: het niveau van de indicatoren waaronder het welzijn van de gevangen dieren als ontoereikend wordt beschouwd; en

(b) voor letale vallen: de tijd die nodig is voor het bereiken van een toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid en de handhaving van deze toestand tot het dier sterft.

2. EISEN INZAKE DE VANGST MET BEHULP VAN LEVENDVALLEN

2.1. Parameters

Bij de beoordeling of een vangmethode met behulp van levendvallen al dan niet in overeenstemming is met de normen, dient het welzijn van het gevangen dier te worden geëvalueerd.

De parameters dienen de in punt 2.2 van deze bijlage II genoemde gedrags- en trauma-indicatoren te omvatten.

Voor elke parameter moet de respons worden gekwantificeerd.

2.2. Indicatoren

De erkende gedragsindicatoren van ontoereikend welzijn bij gevangen wilde dieren zijn:

(a) op het eigen lichaam gericht bijtgedrag dat resulteert in ernstige verwondingen (zelfverminking);

(b) meer dan normale bewegingloosheid en apathie.

De volgende letseltypes zijn erkende indicatoren van ontoereikend welzijn van gevangen wilde dieren:

(a) breuken;

(b) ontwrichtingen proximaal ten opzichte van de hand- of voetwortel;

(c) doorsnijding van pezen of gewrichtsbanden;

(d) ernstige beenvliesabrasie;

(e) ernstige externe bloedingen; bloedingen in de lichaamsholten;

(f) ernstige degeneratie van skeletale spieren;

(g) bloedeloosheid (ischemie) van een lidmaat;

(h) breuk van een blijvende tand waardoor de tandpulp bloot komt te liggen;

(i) oogletsels met inbegrip van scheuren in het hoornvlies;

(j) ruggenmergletsels;

(k) ernstige letsels aan inwendige organen;

(l) degeneratie van de hartspier;

(m) amputatie;

(n) dood.

3. EISEN INZAKE DE VANGST MET BEHULP VAN LETALE VALLEN

3.1. Parameters

Er moet worden bepaald na hoeveel tijd de dodingstechniek resulteert in bewustzijnsverlies en het optreden van gevoelloosheid; voorts moet worden gecontroleerd of deze toestand aanhoudt tot de dood (d.w.z. tot het optreden van de onomkeerbare hartstilstand).

Om de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid te controleren, wordt gebruik gemaakt van de cornea- en de ooglidreflex of van enig ander alternatief criterium waarvan de bruikbaarheid wetenschappelijk is aangetoond.

Ingeval nadere tests noodzakelijk zijn om te bepalen of de vangmethode in overeenstemming is met de normen, kunnen aanvullende metingen worden uitgevoerd van het elektro-encefalogram (EEG), de "Visual Evoked Response" (VER) en de "Sound Evoked Response" (SER).

3.2. Indicatoren en tijdslimieten

Tijdslimiet voor het verdwijnen van de cornea- en de ooglidreflex // Diersoort

45 seconden // Mustela erminea

120 seconden // Martes americana, Martes zibellina, Martes martes

300 seconden * // Alle andere in bijlage I van deze richtlijn genoemde diersoorten

* deze tijdslimiet zal opnieuw worden bezien om voor elke soort afzonderlijk de vastgestelde tijdslimiet aan te passen teneinde de tijdslimiet van 300 seconden tot 180 seconden te verlagen, en een tijdschema voor de uitvoering vast te stellen.

BIJLAGE III

1. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE BEPROEVING VAN VANGMETHODEN

Om de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van het onderzoek van de vangmethoden met het oog op de vaststelling van de conformiteit van die methoden met de eisen van de normen te garanderen, dienen bij dat onderzoek de algemene beginselen van goede experimentele praktijken te worden toegepast.

Indien in het kader van de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) beproevingsprocedures worden vastgesteld die relevant zijn voor de manier waarop de conformiteit van de vangmethoden met bepaalde of met alle eisen van de normen wordt beoordeeld, worden de ISO-procedures dienovereenkomstig toegepast.

1.1. Algemene voorschriften

De beproeving moet geschieden in overeenstemming met uitvoerige onderzoekprotocollen.

De beproeving van de vallen moet een evaluatie van het functioneren van het valmechanisme omvatten.

In het bijzonder is een beproeving van de vallen in het vrije veld vereist ter beoordeling van de selectiviteit. Met dezelfde proef kunnen gegevens worden verzameld over de vangefficiëntie en de veiligheid voor de gebruiker.

Levendvallen moeten worden beproefd in een omheind gebied, met name ter beoordeling van de fysiologische en gedragsparameters. Letale vallen moeten worden beproefd in een omheind gebied, met name bij het onderzoek naar het bewustzijnsverlies.

In het geval van proeven in het vrije veld moeten de vallen dagelijks worden gecontroleerd.

De doeltreffendheid waarmee een letale val een gevangen doelspecimen van het bewustzijn en van het leven berooft, moet worden beproefd op dieren die bij bewustzijn zijn en zich vrij kunnen bewegen. De metingen worden uitgevoerd in het laboratorium of in een omheind gebied en in het vrije veld. Onderzocht moet worden of de val de doelspecimens op vitale plaatsen kan treffen.

De volgorde van de testprocedures kan worden gewijzigd met het oog op een zo doeltreffend mogelijke evaluatie van de te onderzoeken vallen.

De vallen mogen de vallenzetter in normale gebruiksomstandigheden niet aan buitensporige risico's blootstellen.

In voorkomend geval kan bij de beproeving van de vallen een bredere scala van metingen worden uitgevoerd. De beproeving in het vrije veld kan eveneens onderzoek omvatten naar de effecten van de opgezette vallen op zowel de doelsoort als andere soorten.

1.2. Onderzoeksituatie

De val moet worden opgezet en gebruikt overeenkomstig de meest deskundige aanwijzingen van de fabrikant of van derden.

Bij beproeving in een omheind gebied moet een locatie worden gebruikt die de dieren van de doelsoort een geschikt milieu biedt waar zij vrijelijk kunnen bewegen, zich kunnen verschuilen en de meeste normale gedragingen aan de dag kunnen leggen. Het dient mogelijk te zijn de vallen zo op te stellen dat de gevangen dieren kunnen worden geobserveerd. In voorkomend geval moet de val zo worden opgezet dat van het hele verloop van de vangst een video- en geluidsopname kan worden gemaakt.

Voor de beproeving in het vrije veld moeten locaties worden geselecteerd die representatief zijn voor de locaties waar de vallen in de praktijk zullen worden gebruikt. Aangezien onderzoek naar de selectiviteit van de val en naar eventuele ongunstige effecten van de val op andere soorten dan de doelsoort belangrijke redenen zijn voor de beproeving in het vrije veld, kan het nodig zijn voor het uitvoeren van veldexperimenten locaties te selecteren in verschillende habitats, waar de kans op het aantreffen van diverse niet-doelsoorten voldoende groot is. Er moeten foto's worden gemaakt van elke val, de manier waarop zij is opgezet en de algemene omgeving. Er moet zorg voor worden gedragen dat het identificatienummer van de val te zien is op een foto die gemaakt is vóór, en op een andere die gemaakt is na iedere gedocumenteerde vangst.

1.3. Personeel

Het bij de beproeving betrokken personeel moet over de passende kwalificaties en opleiding beschikken.

Onder het bij de beproevingen betrokken personeel moet ten minste één persoon zijn die ervaren is in het gebruik van de vallen en die in staat is de bij de beproeving gebruikte dieren te vangen, en ten minste één persoon die ervaring heeft van de diverse methoden ter beoordeling van het welzijn van dieren in levendvallen en de diverse methoden ter beoordeling van de staat van bewusteloosheid van dieren in letale vallen. Zo dienen bijvoorbeeld de beoordeling van de gedragingen der dieren als reactie op het vangen en de beoordeling van de valschuwheid in ieder geval te worden uitgevoerd door een ervaren persoon die vertrouwd is met de interpretatie van dat soort gegevens.

1.4. Bij de beproeving van vallen te gebruiken dieren

De dieren die worden gebruikt bij proeven in een omheind gebied dienen in goede gezondheid te verkeren en representatief te zijn voor de dieren die in het wild zullen worden gevangen. De dieren die worden gebruikt, mogen niet eerder met het type val dat wordt uitgetest in aanraking zijn gekomen.

Vóór de proef moeten de dieren in passende omstandigheden worden gehuisvest en moeten hun voldoende voedsel en water worden verstrekt. De dieren mogen niet op zodanige wijze worden gehuisvest dat hun welzijn daardoor reeds negatief wordt beïnvloed.

De dieren moeten aan het omheinde proefgebied worden gewend alvorens een begin wordt gemaakt met de beproeving.

1.5. Waarnemingen

Gedrag

De gedragswaarnemingen moeten worden uitgevoerd door een persoon met ervaring, met name op het stuk van de ethologie van de betrokken soort.

Valschuwheid kan worden geëvalueerd door een dier in een gemakkelijk herkenbare situatie in de val te laten lopen, het dier vervolgens in een vergelijkbare situatie aan de val bloot te stellen en het gedrag ervan te observeren.

Er moet zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen reacties op incidentele prikkels en reacties op de val of de vangsituatie.

Fysiologie

Een aantal dieren moet vóór de proef met telemetrische recorders (voor het meten van de hartslag, de ademhaling enz.) worden uitgerust. Tussen het aanbrengen van de recorder en het uitvoeren van de vangproef moet voldoende tijd verlopen om het dier te laten bekomen van eventuele door het aanbrengen van de recorder veroorzaakte stress.

Alle voorzorgen moeten in acht worden genomen om foutieve of vertekende waarnemingen en metingen, met name als gevolg van menselijke interventie, zoveel mogelijk uit te sluiten.

Wanneer biologische monsters (bloed, urine, speeksel enz.) worden genomen, moet dit geschieden op goed gekozen tijdstippen ten opzichte van het moment van de vangst, rekening houdend met de tijdafhankelijkheid van de te evalueren parameter. Voorts kunnen de volgende types gegevens worden verzameld: aan diverse activiteiten gerelateerde gegevens betreffende een controlegroep dieren die elders in goede omstandigheden wordt gehouden; beginwaarden gemeten bij de proefspecimens vóór de vangst; enkele referentiegegevens verkregen na extreme prikkeling (bijvoorbeeld na toediening van adrenocorticotroop hormoon).

Alle biologische monsters moeten, overeenkomstig de stand van de wetenschappelijke kennis, op een zo goed mogelijke wijze worden genomen en opgeslagen teneinde een goede bewaring tot op het moment van de analyse te garanderen.

De gebruikte analysemethoden moeten zijn gevalideerd.

In het geval van letale vallen moet, wanneer neurologisch onderzoek van de reflexen (pijn, oogreflexen, enz.) wordt uitgevoerd in combinatie met EEG- en/of VER- of SER-metingen, dit onderzoek worden uitgevoerd door een deskundige zodat relevante gegevens over de bewustzijnstoestand van het dier of de doeltreffendheid van de dodingstechniek worden verkregen.

Als de dieren niet binnen de in het testprotocol vermelde tijd bewusteloos en gevoelloos zijn geworden, moeten zij op humane wijze worden afgemaakt.

Letsels en pathologische verschijnselen

Ieder proefdier moet zorgvuldig op alle soorten letsels worden onderzocht. Eventuele breuken dienen met behulp van radiografisch onderzoek te worden opgespoord.

Voorts dient een gedetailleerd pathologisch onderzoek van de dode dieren te worden uitgevoerd. Het post mortem onderzoek dient te worden verricht door een ervaren dierenarts overeenkomstig de algemeen aanvaarde veterinaire onderzoekpraktijk.

De organen en/of lichaamsdelen die letsels vertonen, moeten macroscopisch en in voorkomend geval histologisch worden onderzocht.

1.6. Rapportage

Het onderzoekrapport moet alle relevante informatie bevatten over proefopzet, materiaal en methoden en resultaten, en met name:

(a) de technische beschrijving van het ontwerp van de val, met inbegrip van het materiaal waaruit zij is vervaardigd;

(b) de gebruiksaanwijzingen van de fabrikant;

(c) een beschrijving van de proefsituatie;

(d) de weersomstandigheden, en met name de temperatuur en de dikte van de sneeuwlaag;

(e) het bij de beproeving betrokken personeel;

(f) het aantal proefdieren en het aantal beproefde vallen;

(g) het totale aantal gevangen exemplaren van de doelsoort en van niet-doelsoorten, uitgesplitst per soort, alsmede hun relatieve abundantie ("zeldzaam", "algemeen" of "zeer talrijk") in het betrokken gebied;

(h) de selectiviteit;

(i) eventuele aanwijzingen dat de val werd geactiveerd en een dier heeft verwond dat niet werd gevangen;

(j) gedragswaarnemingen;

(k) de cijfers met betrekking tot alle gemeten fysiologische parameters en de toegepaste methoden;

(l) de beschrijving van de letsels, met inbegrip van het resultaat van het post mortem onderzoek;

(m) de tijd die nodig is voor het bereiken van een toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid; en

(n) statistische analyses.

BIJLAGE IV

1. ONDERZOEK

Wanneer vangsystemen worden beproefd, moeten zij worden geëvalueerd aan de hand van een passende reeks indicatoren van het welzijn van de gevangen dieren. Aangezien dergelijke indicatoren, en met name aanvullende fysiologische en gedragsparameters, voor diverse diersoorten nog niet zijn ontwikkeld c.q. nog niet worden gebruikt, moet de opneming daarvan in de normen voor de betrokken soorten worden gevalideerd via wetenschappelijk onderzoek ter bepaling van het basale niveau, de variabiliteit van de respons en andere relevante criteria.

Doelstellingen

Het onderzoek dat overeenkomstig artikel 11 wordt bevorderd en aangemoedigd, dient er in het bijzonder op gericht te zijn de basislijn- en referentiegegevens te verzamelen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van drempelwaarden voor bijkomende parameters, dan wel de relevantie te beoordelen van andere welzijnsindicatoren, met inbegrip van een aantal fysiologische en gedrags indicatoren, die momenteel niet in de specificaties van punt 2.3 van de normen zijn opgenomen.

In het bijzonder te onderzoeken parameters

De te onderzoeken parameters omvatten met name:

(a) gedragingen die een reactie zijn op het vangen, met inbegrip van geluiden, extreme paniek, de tijd die verloopt eer een uit een val losgelaten dier zich weer normaal gaat gedragen, en valschuwheid. Bij het valschuwheids onderzoek moet worden geëvalueerd in welke mate de dieren de vangsituatie waarin zij eerder zijn terechtgekomen, vermijden c.q. de betrokken vallen proberen te ontwijken; en

(b) fysiologische criteria zoals hartritme en aritmie alsmede biochemische parameters (bepalingen op bloed, urine of speeksel) die bruikbaar zijn bij de betrokken soort, met inbegrip van de glucocorticoïdspiegel, de prolactinespiegel, de kreatinekinaseactiviteit, de lactaatdehydrogenasespiegel (zo mogelijk iso-enzym 5) en de bèta-endorfinespiegel (voorzover de tests bestaan).

De omvang van de fysiologische respons wordt bepaald aan de hand van het basale niveau, het extreme niveau en het veranderingspatroon in de tijd van elke parameter.

Onder "basaal niveau" wordt verstaan de waarde die een fysiologische variabele (hoeveelheid, concentratie of index) aanneemt wanneer het individu door geen enkele externe factor wordt gestoord. Voor fysiologische grootheden die in de loop van enkele seconden of minuten variëren, moet het basale niveau worden gerelateerd aan een specifieke activiteit zoals liggen, staan, lopen of rennen en springen. Onder "extreem niveau" wordt verstaan een niveau dat het maximum- of minimumniveau voor de betrokken dieren benadert. De hieronder vermelde fysiologische reacties zijn vermoedelijk eigen aan alle zoogdieren, maar voor iedere onderzochte soort dienen het basale niveau, het extreme niveau en het veranderingspatroon in de tijd precies te worden bepaald.

De aspecten van de fysiologische respons die wijzen op ontoereikend welzijn, zijn of het gemeten niveau sterk van het normale niveau verschilt en of deze afwijking van de normale toestand lang aanhoudt.

Ingeval nadere tests noodzakelijk zijn om te bepalen of de vangmethode in overeenstemming is met de normen, kunnen aanvullende metingen worden uitgevoerd van het elektro-encefalogram (EEG), de "Visual Evoked Response" (VER) en de "Sound Evoked Response" (SER).

Top