This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52004PC0351
Communication from the Commission to the European Parliament pursuant to the second subparagraph of Article 251(2) of the EC Treaty concerning the common position of the Council on the adoption of a European Parliament and Council Directive amending Council Directives 72/166/EEC, 84/5/EEC, 88/357/EEC, 90/232/EEC and Directive 2000/26/EC of the European Parliament and of the Council on insurance against civil liability in respect of the use of motor vehicles (Fifth Motor Insurance Directive)
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering)
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering)
/* COM/2004/0351 def. - COD 2002/0124 */
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering) /* COM/2004/0351 def. - COD 2002/0124 */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering) 2002/0124 (COD) MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering) 1. ACHTERGROND - Op 7 juni 2002 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een richtlijn houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [1]. Het voorstel werd op dezelfde datum bij de Raad en het Europees Parlement ingediend. [1] COM (2002) 244 def.- 2002/0124(COD), PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 387-392. - Tijdens zijn plenaire vergadering van 26/27 februari 2003 [2] heeft het Economisch en Sociaal Comité een gunstig advies uitgebracht over het voorstel, waarbij het op enkele punten een voorbehoud maakte. [2] PB C 95 van 23.4.2003, blz. 45-47. - Het Europees Parlement heeft tijdens zijn plenaire zitting van 22 oktober 2003 een wetgevingsresolutie [3] aangenomen waarin zijn standpunt over het voorstel van de Commissie is vervat. [3] PE A5-0346/03/fin. Rapporteur W. Rothley. - Op 26 april 2004 heeft de Raad het gemeenschappelijk standpunt [4] vastgesteld dat het onderwerp van deze mededeling vormt. [4] PB........... 2. DOEL VAN HET VOORSTEL Het voorstel beoogt de bestaande richtlijnen motorrijtuigenverzekering te herzien met het doel: (1) de in het kader van de verplichte verzekering geboden bescherming van slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen te actualiseren en te verbeteren; (2) leemten aan te vullen en sommige bepalingen van de richtlijnen te verduidelijken, waarbij een grotere convergentie tot stand wordt gebracht ten aanzien van de interpretatie en de toepassing ervan door de lidstaten; (3) een oplossing te bieden voor problemen die zich dikwijls voordoen ten einde een doeltreffender interne markt voor motorrijtuigenverzekering tot stand te brengen. 3. COMMENTAAR OP HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 3.1. Algemene overwegingen 3.1.1. In het door de Raad bij gekwalificeerde meerderheid vastgestelde gemeenschappelijk standpunt worden de kernelementen van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (hierna "het voorstel") overgenomen. Wel bevat het enige verbeteringen ten aanzien van bepaalde aspecten. Ten eerste bevat het, volledig dan wel qua strekking, alle amendementen van het Parlement die tijdens de plenaire zitting door de Commissie zijn aanvaard. Ten tweede komt het op enkele belangrijke punten tegemoet aan de bezwaren die in andere amendementen van het Parlement naar voren worden gebracht, en bevat het oplossingen die zo niet naar de letter, dan toch naar de geest met deze amendementen overeenstemmen. Ten slotte wordt in het gemeenschappelijk standpunt aandacht besteed aan bepaalde technische vraagstukken die niet door het Parlement aan de orde zijn gesteld. 3.1.2. De voornaamste wijzigingen die door het gemeenschappelijk standpunt in het voorstel worden aangebracht worden in het onderstaande besproken. Zij zijn in twee categorieën onderverdeeld: wijzigingen waarin de amendementen van het Parlement zijn opgenomen en andere, door de Raad aangebrachte wijzigingen. 3.2. In het gemeenschappelijk standpunt verwerkte amendementen van het Parlement 3.2.1. In het gemeenschappelijk standpunt wordt volledig of naar de strekking rekening gehouden met de amendementen die het Parlement in eerste lezing heeft goedgekeurd en die door de Commissie zijn aanvaard. Deze amendementen zijn: * De amendementen 5 en 20 (schaderegelaar): Het gemeenschappelijk standpunt (overweging 22 en artikel 4) geeft de inhoud van beide amendementen van het Parlement weer. Deze beogen te voorkomen dat, wanneer de verplichting van de verzekeringsonderneming om in elke lidstaat een schaderegelaar aan te wijzen wordt uitgebreid tot alle ongevallen met motorrijtuigen - zoals in het voorstel is voorzien - dit tot overlapping leidt met het huidige systeem van groene-kaartbureaus voor de afwikkeling van ongevallen, en de werking van dit systeem belemmert. * Amendementen 7 en 21 (samenhang tussen de Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering en Verordening nr. 44/2001 van de Raad): Het gemeenschappelijk standpunt, waarin deze amendementen zijn verwerkt, wijzigt artikel 5 van het voorstel en brengt een wijziging aan in artikel 4, lid 8, van de Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering. Naast de verwijzing naar het "Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken", is deze bepaling uitgebreid met de vermelding van Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000. Deze verordening, die het Verdrag van Brussel met betrekking tot alle lidstaten (behalve Denemarken) vervangt, werd na de Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering goedgekeurd en wordt daarom niet in die richtlijn genoemd. Daarom is thans een verwijzing naar beide wetsinstrumenten, zowel verdrag als verordening, noodzakelijk. * Amendement 14 (Lichamelijk letsel, veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig): Het gemeenschappelijk standpunt (artikel 2) wijzigt het voorstel waarbij het de strekking van dit amendement in aanmerking neemt. Het gemeenschappelijk standpunt bepaalt dat de voorwaarden waaronder lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, moeten worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten; het verduidelijkt, zoals door het Parlement wordt aanbevolen, dat de lidstaten in dit verband rekening kunnen houden met de vraag of het letsel "in het ziekenhuis moest worden behandeld". * Amendement 18 (Verklaring inzake schadeclaims): Overeenkomstig dit amendement wordt in artikel 4 van het gemeenschappelijk standpunt bepaald dat de verklaring inzake het schadeverloop te allen tijde door de verzekeringsonderneming moet worden verstrekt indien de polishouder hierom verzoekt. 3.2.2. Verder bevat het gemeenschappelijk standpunt andere wijzigingen waarmee tegemoet wordt gekomen aan de in de overige amendementen van het Parlement gemaakte opmerkingen. Deze oplossingen stemmen niet volledig overeen met de amendementen, maar gaan wel in dezelfde richting: * Amendementen 25, 27 en 28 (minimumdekkingsbedragen): Het gemeenschappelijk standpunt (artikel 2) houdt in aanzienlijke mate rekening met het verzoek van het Parlement om de minimumbedragen van de verzekeringsdekking te verhogen. Het minimumbedrag voor lichamelijk letsel wordt verhoogd tot 5 miljoen EUR per ongeval overeenkomstig het verzoek van het Parlement; daarentegen is het minimumbedrag voor materiële schade vastgesteld op 1 miljoen EUR per ongeval in plaats van 2 miljoen EUR zoals aanbevolen. Verder wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden om een minimumbedrag van 1 miljoen EUR per slachtoffer vast te stellen. Het verzoek van het Parlement om een overgangsperiode van vijf jaar in te voeren, is in het gemeenschappelijk standpunt overgenomen. * Amendementen 11 en 26 (Afwijking van de verzekeringsplicht voor bepaalde bijzondere voertuigen): De Eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering staat de lidstaten toe bepaalde typen voertuigen van verplichte verzekering uit te sluiten. Het was de bedoeling deze uitzondering in het voorstel achterwege te laten omdat de lidstaten sinds "Schengen" niet meer het recht hebben om van dergelijke voertuigen bij binnenkomst op hun grondgebied te eisen dat zij in het bezit zijn van een geldige groene kaart of een grensverzekeringsovereenkomst om potentiële slachtoffers overeenkomstig de richtlijn schadeloos te stellen. Het gemeenschappelijk standpunt [artikel 1, lid 3, onder b), en artikel 5, lid 2] handhaaft deze afwijking echter op grond van de amendementen 11 en 26 van het Parlement, maar voert een mechanisme in om de schadevergoeding te waarborgen voor eventuele slachtoffers van ongevallen die door deze voertuigen zijn veroorzaakt, hetzij in de lidstaat waar zij gestald zijn, hetzij in een andere lidstaat. Deze uitzondering kan na vijf jaar worden herzien, afhankelijk van de ervaring die met de toepassing ervan wordt opgedaan. Tenslotte schrapt het gemeenschappelijk standpunt, gezien deze wijziging, artikel 5, lid 1, onder a), punt 2(ii) van de vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering, maar blijft artikel 5, lid 1, onder a), punt 5(ii) van deze richtlijn gehandhaafd. Kortom, het gemeenschappelijk standpunt neemt de strekking van het verzoek van het Parlement terzake over en ondersteunt tegelijkertijd het streven van het voorstel om eventuele slachtoffers van ongevallen die door deze voertuigen worden veroorzaakt, volledige bescherming te bieden. 3.3. Andere door de Raad in het gemeenschappelijk standpunt aangebrachte wijzigingen Ook de volgende wijzigingen zijn in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen zonder door het Parlement te zijn voorgesteld: * Schadeloosstelling van slachtoffers van ongevallen, veroorzaakt door voertuigen die van verplichte verzekering zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 4, onder a) van de Eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering: het gemeenschappelijk standpunt [artikel 1, lid 3, onder a)] waarborgt dat slachtoffers van ongevallen welke zijn veroorzaakt door voertuigen die overeenkomstig artikel 4, onder a) van de Eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering zijn vrijgesteld van de verzekeringsplicht in de lidstaat waar zij gewoonlijk zijn gestald, naar behoren schadeloos worden gesteld door de autoriteiten of organen die door de lidstaat zijn aangewezen. De Eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering voorzag alleen in schadevergoeding voor slachtoffers van ongevallen die door dergelijke voertuigen in het buitenland werden veroorzaakt, maar niet voor slachtoffers van ongevallen in de lidstaat van registratie. Verder bepaalt het gemeenschappelijk standpunt dat de Commissie de categorieën voertuigen moet publiceren die onder deze uitzondering vallen, alsook de autoriteiten of organen moet bekendmaken die met de schadeloosstelling zijn belast. Deze wijzigingen versterken de bescherming van de slachtoffers. * Territoriaal toepassingsgebied van de richtlijn motorrijtuigenverzekering: Om het territoriale toepassingsgebied van de richtlijn motorrijtuigenverzekering overeenkomstig artikel 299 van het Verdrag te verduidelijken, schrapt het gemeenschappelijk standpunt [artikel 1, lid 4] de verwijzingen naar "het niet-Europese grondgebied" van de lidstaten in artikel 6 en artikel 7, lid 1 van Richtlijn 72/166/EEG. * Voetgangers en fietsers: Het gemeenschappelijk standpunt [artikel 4, lid 2] neemt het voorstel niet volledig over wat de bescherming van voetgangers en fietsers betreft. De nieuwe formulering van deze bepaling benadrukt evenwel dat de verplichte verzekering van het betrokken motorvoertuig het lichamelijk letsel en de materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers moet dekken voor zover zij recht hebben op een vergoeding uit hoofde van de nationale wettelijke-aansprakelijkheidswetgeving. Deze bepaling sluit aan bij een ontwerp-amendement dat in de Commissie juridische zaken van het EP is besproken, maar dat uiteindelijk niet werd opgenomen. 4. CONCLUSIES De Commissie is van oordeel dat het gemeenschappelijk standpunt de kernelementen bevat van haar voorstel en van de amendementen van het Europees Parlement die zij heeft aanvaard. De Commissie kan dit gemeenschappelijk standpunt dan ook aan het Europees Parlement aanbevelen.