This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52004PC0178(02)
Proposal for a Council Recommendation to facilitate the admission of third-country nationals to carry out scientific research in the European Community
Voorstel voor een aanbeveling van de Raad tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen voor wetenschappelijk onderzoek in de Gemeenschap
Voorstel voor een aanbeveling van de Raad tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen voor wetenschappelijk onderzoek in de Gemeenschap
/* COM/2004/0178 def. - CNS 2004/0062 */
Voorstel voor een aanbeveling van de Raad tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen voor wetenschappelijk onderzoek in de Gemeenschap /* COM/2004/0178 def. - CNS 2004/0062 */
Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen voor wetenschappelijk onderzoek in de Gemeenschap (door de Commissie ingediend) TOELICHTING Waarom op de omzetting van de richtlijn moet worden vooruitgelopen door middel van de in de aanbeveling vervatte maatregelen, is reeds verklaard in de mededeling. Het voorstel voor een aanbeveling bestrijkt vier gebieden waarop de lidstaten wordt verzocht geleidelijk maatregelen te treffen tot vergemakkelijking van de toelating van onderzoekers uit derde landen. Deze gebieden zijn de toelating met het oog op onderzoek, het verstrekken van verblijfstitels, de gezinshereniging en de operationele samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie. Voor elk van deze gebieden zijn concrete maatregelen vastgesteld, die ter goedkeuring aan de Raad worden voorgelegd met het oog op hun toepassing door de lidstaten. Het is de bedoeling dat een eerste reeks maatregelen wordt getroffen binnen een jaar na de goedkeuring van de aanbeveling door de Raad. De rechtsgrond van het voorstel is gebaseerd op de doelstelling van de vier hierboven opgesomde gebieden, die onder artikel 63 van het EG-Verdrag vallen. Evenals bij de richtlijn, neemt Denemarken, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken, niet deel aan de goedkeuring van het voorstel voor een aanbeveling, en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken. Krachtens de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland is de aanbeveling evenmin van toepassing in deze twee lidstaten, tenzij zij anders besluiten overeenkomstig de bepalingen van het protocol. Gelet op het dringende karakter en het belang van deze maatregelen in verband met de doelstellingen van de Europese Raad van Lissabon, kunnen zij vanwege hun omvang en gevolgen beter worden verwezenlijkt op communautair niveau. TOELICHTING PER MAATREGEL 1. Toelating met het oog op onderzoek De eerste reeks maatregelen uit de aanbeveling betreft de toegang tot onderzoeksbanen op de arbeidsmarkt. Beoogd wordt onderdanen van derde landen snel, gemakkelijk en voor onbepaalde tijd toegang te verlenen tot onderzoeksbanen. a) De eerste maatregel heeft betrekking op werkvergunningen. Aangezien is erkend dat de Europese Unie gebrek heeft aan onderzoekers en dat haar behoeften op dat gebied de komende jaren zullen toenemen in verband met de in de mededeling vermelde doelstellingen van de Europese Raad, hoeft de arbeidsmarkt niet meer te worden getest voordat het een onderdaan van een derde land wordt toegestaan een onderzoeksbaan te bekleden. Door de afschaffing van de werkvergunningen zal de procedure voor de toelating van onderzoekers op het grondgebied kunnen worden ingekort. Vóór de volledige afschaffing die in de richtlijn wordt beoogd, wordt de lidstaten verzocht te kiezen tussen de vrijstelling van vergunning of de toekenning van rechtswege, naargelang welke formule het beste strookt met de wijze waarop de voor werkgelegenheids- en immigratiebeleid bevoegde overheidsdiensten hun samenwerking organiseren. b) Om dezelfde redenen dienen onderzoekers uit derde landen niet te worden onderworpen aan een quotaregeling. In de aanbeveling wordt geen uitspraak gedaan over het gebruik van quota door de lidstaten, maar wel voorgesteld dat de toegang van onderdanen van derde landen die solliciteren voor onderzoeksbanen, niet beperkt wordt door quota, indien die bestaan. c) Eveneens om dezelfde redenen dient de toegang tot onderzoeksbanen niet te worden gekoppeld aan een maximumduur; aan onderzoekers verstrekte verblijfstitels kunnen wel een beperkte duur hebben, indien zij onbeperkt kunnen worden verlengd. In dit verband wordt in de aanbeveling voorzien in een afwijking voor maatregelen tot bestrijding van de braindrain, indien een lidstaat de toegang tot een onderzoeksbaan koppelt aan de terugkeer naar het land van herkomst om er de verworven kennis te ontwikkelen. 2. Verblijfstitel De tweede reeks maatregelen betreft de duur en de verstrekking van verblijfstitels. a) Om ervoor te zorgen dat de Europese Unie onderzoekers uit derde landen kan aantrekken, moet de procedure voor het verstrekken van verblijfstitels eenvoudig en snel zijn. In de aanbeveling wordt de lidstaten dus aanbevolen zich ten doel te stellen verblijfstitels binnen maximaal dertig dagen te verstrekken. b) De tweede maatregel met betrekking tot de verblijfstitel is de tegenhanger van de maatregel in verband met de toelating tot de arbeidsmarkt. Beoogd wordt alle beperkingen in de tijd op te heffen en ervoor te zorgen dat verblijfstitels van onderzoekers in beginsel in alle gevallen kunnen worden verlengd. Zoals voor de werkvergunningen, laat de aanbeveling afwijkingen van dit principe toe in het kader van de strijd tegen de braindrain. c) Met de derde maatregel wordt beoogd de overgang naar de omzetting en de toepassing van de richtlijn te vergemakkelijken. Aangezien in de richtlijn een belangrijke rol wordt toegekend aan de onderzoeksinstelling in de procedure voor het verstrekken van verblijfstitels, wordt de lidstaten voorgesteld onverwijld over te stappen op deze werkwijze. Deze overgang zal in belangrijke mate bijdragen tot het ontstaan van een vertrouwensrelatie tussen de onderzoeksinstellingen en de bevoegde immigratie-instanties van de lidstaten, die van essentieel belang zal zijn bij de toepassing van de richtlijn. De geleidelijk toenemende betrokkenheid zou, afhankelijk van de keuze van de lidstaten, betrekking kunnen hebben op de bevestiging van de hoedanigheid van onderzoeker, de beoordeling van het onderzoeksproject (in het bijzonder wat de financiering betreft), de controle van de middelen van de onderzoeker tijdens zijn verblijf, het indienen van de aanvraag van een verblijfstitel ten behoeve van de onderzoeker, enz. 3. Gezinshereniging Dit is een belangrijk punt voor onderzoekers uit derde landen die overwegen zich in Europa te vestigen. Wanneer het moeilijk is om hun gezin te laten overkomen of gezinsleden geen werk kunnen vinden, wordt de mobiliteit van onderzoekers aanzienlijk belemmerd, wat ertoe kan leiden dat zij een andere bestemming kiezen. Het is dus van cruciaal belang om de toegang en het verblijf van gezinsleden van onderzoekers die de Europese Unie tot haar grondgebied toelaat, te vergemakkelijken. Daar de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging pas op 22 september 2003 formeel is goedgekeurd, leek het niet wenselijk om opnieuw regels vast te stellen op dit gebied. Daarom moet deze kwestie worden behandeld in het kader van de aanbeveling, waarbij de lidstaten wordt voorgesteld verscheidene maatregelen te nemen die gunstiger zijn dan de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging. a) De lidstaten die geen gezinshereniging zouden toestaan wanneer deze facultatief is, wordt gevraagd gezinsleden toe te laten wanneer de gezinshereniger onderzoeker is. b) Voorgesteld wordt een aanvraag tot gezinshereniging niet af te wijzen omdat deze wordt ingediend wanneer de gezinsleden zich reeds legaal op het grondgebied bevinden. In de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging wordt de mogelijkheid geboden deze aanvragen goed te keuren en in de aanbeveling wordt deze mogelijkheid meer in het algemeen aan onderzoekers geboden. De pogingen om de toelating van onderzoekers te begunstigen, in het kader waarvan met name wordt voorgesteld hun toe te staan ter plaatse toelatingsaanvragen in te dienen, zouden immers in het gedrang kunnen komen door het afwijzen van ter plaatse ingediende aanvragen voor gezinshereniging, wat in dergelijke gevallen ongerijmd zou zijn. c) De vraag of de gezinsleden van een onderzoeker kunnen werken, is uiteraard een doorslaggevend element in de beslissing van een onderzoeker om zich al dan niet in Europa te vestigen. Met het oog op een samenhangend beleid wordt derhalve voorgesteld gezinsleden de gunstigste behandeling te geven die wordt toegestaan aan onderdanen uit derde landen. d) Deze maatregel heeft betrekking op de duur van de procedure voor het afgeven van verblijfstitels aan gezinsleden. Evenals voor de onderzoeker zelf, wordt in de aanbeveling de lidstaten voorgesteld voor gezinshereniging een kortere termijn te hanteren dan in hun nationale recht is bepaald voor gezinshereniging volgens het gemene recht, en in ieder geval dan het maximum van negen maanden dat is bepaald in de richtlijn. e) Met het oog op snelheid en mondiaal concurrentievermogen wordt de lidstaten in de aanbeveling verzocht geen wachttijd in te stellen voor de aanvragen van onderzoekers. 4. Operationele samenwerking Dit laatste, horizontale deel van de aanbeveling omvat een reeks begeleidende administratieve maatregelen die bedoeld zijn om de toepassing van de aanbeveling en uiteindelijk van de richtlijn te vergemakkelijken. a) De lidstaten wordt verzocht de Commissie mede te delen welke maatregelen zij hebben genomen om de toegang en het verblijf van onderzoekers te vergemakkelijken. b) Om meer inzicht te krijgen in de migratiebewegingen van de betrokken personen, worden de lidstaten aangemoedigd statistieken op te stellen over de verblijfstitels die zij aan onderzoekers en hun gezinsleden verstrekken en deze mede te delen aan de Commissie. c) tot f) Teneinde de toelating van onderzoekers te vergemakkelijken en nauwkeurig vast te stellen welke obstakels er in de praktijk zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden, wordt in de punten c), d) en e) verzocht in de bevoegde ministeries (immigratie en onderzoek) en in de ambassades contactpersonen voor de toelating van onderdanen uit derde landen aan te wijzen, om onderdanen van derde landen die solliciteren naar een onderzoeksbaan in de Europese Unie zo goed mogelijk te kunnen informeren. Deze bijzondere taken kunnen worden toevertrouwd aan een personeelslid dat reeds werkzaam is bij de betrokken organisatie. In punt f) wordt de onderzoeksinstellingen, vanwege de rol die zij op termijn krachtens de richtlijn zullen vervullen in de toelatingsprocedure, eveneens verzocht een contactpersoon aan te stellen om inlichtingen te geven aan onderzoekers uit derde landen en de samenwerking met de bevoegde immigratie-instanties van de lidstaten te bevorderen. g) Tot slot wordt het gebruik van netwerken op het niveau van de lidstaten aangemoedigd. Dit zou veel gemakkelijker moeten zijn geworden door de inspanningen die reeds zijn gedaan, zoals het instellen van een Europese website betreffende de mobiliteit van onderzoekers, en de toekomstige oprichting van een centraal mobiliteitsnetwerk dat 33 landen bestrijkt en begin 2004 operationeel zou moeten zijn. 2004/0062 (CNS) Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen voor wetenschappelijk onderzoek in de Gemeenschap DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, Gezien het voorstel van de Commissie [1], [1] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Parlement [2], [2] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [3], [3] PB C [...] van [...], blz. [...]. overwegende hetgeen volgt: (1) Om het Europees onderzoeksbeleid te versterken en meer structuur te geven achtte de Commissie het in januari 2000 noodzakelijk [4] de Europese onderzoekruimte in te stellen als uitgangspunt van de toekomstige maatregelen van de Gemeenschap op dit gebied. [4] COM(2000) 6 van 18 januari 2000. (2) De Europese Raad van Lissabon heeft ingestemd met de Europese onderzoekruimte en de Gemeenschap ten doel gesteld vóór 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden. (3) Door de mondialisering van de economie moeten onderzoekers mobieler worden. Het zesde kaderprogramma voor onderzoek van de Europese Gemeenschap komt hieraan tegemoet door de communautaire programma's meer open te stellen voor onderzoekers uit derde landen. (4) De Gemeenschap heeft naar schatting 700 000 onderzoekers nodig om de doelstelling van de Europese Raad van Barcelona om 3% van het BBP te investeren in onderzoek, te verwezenlijken. Deze doelstelling moet worden verwezenlijkt door middel van een aantal samenhangende maatregelen, zoals het aantrekkelijker maken van wetenschappelijke loopbanen voor jongeren, het vergroten van de opleidings- en mobiliteitsmogelijkheden in de onderzoeksector, het verbeteren van de loopbaanperspectieven voor onderzoekers in de Gemeenschap en het toegankelijker maken van de Gemeenschap voor onderdanen van derde landen die in aanmerking komen om te worden toegelaten met het oog op onderzoek. (5) In afwachting van de goedkeuring van een richtlijn die moet bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen door middel van een procedure voor de toelating van onderdanen uit derde landen met het oog op onderzoek, moet de lidstaten door middel van deze aanbeveling worden gevraagd nu al de toelating te vergemakkelijken. (6) Daar de Gemeenschap te weinig onderzoekers heeft en hun toelating moet vergemakkelijken, zou de toegang tot onderzoeksbanen op de arbeidsmarkt moeten worden versoepeld, met name door de betrokkenen vrij te stellen van een werkvergunning. (7) Om met de rest van de wereld te kunnen concurreren en onderzoekers te kunnen aantrekken, zouden de lidstaten hun procedures voor het verstrekken en verlengen van visa en verblijfstitels voor onderzoekers moeten versoepelen en versnellen. (8) De tenuitvoerlegging van deze aanbeveling mag de braindrain uit opkomende economieën en ontwikkelingslanden niet aanwakkeren. Met het oog op de ontwikkeling van een totaalbeleid op het gebied van migratie dienen in het kader van het partnerschap met de landen van herkomst begeleidende maatregelen te worden genomen om zowel de integratie van onderzoekers in hun land van herkomst als de mobiliteit van onderzoekers te bevorderen. (9) Aangezien de voorwaarden met betrekking tot gezinshereniging een doorslaggevende factor vormen bij de keuze van onderzoekers voor de Gemeenschap, dienen de lidstaten gunstiger regelingen te handhaven of te treffen dan die van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging [5]. [5] PB L 251 van 3.10.2003, blz.12. (10) De uitwisseling van gegevens en goede praktijken moet worden aangemoedigd om de procedures voor de toelating van onderzoekers te verbeteren. In deze aanbeveling wordt tevens gesteld dat contacten tussen bevoegde overheidsdiensten en netwerken tot verbeteringen kunnen leiden. (11) In deze aanbeveling worden de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, in acht genomen. (12) Denemarken neemt krachtens de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken, niet deel aan de goedkeuring van deze aanbeveling, die dus niet van toepassing is op Denemarken, BEVEELT DE LIDSTATEN AAN: 1) wat betreft de toelating met het oog op onderzoek: a) de toelating van onderzoekers tot de Gemeenschap te bevorderen door hen vrij te stellen van een werkvergunning of ervoor te zorgen dat deze vergunning hun van rechtswege wordt toegekend; b) de toegang van onderdanen van derde landen voor onderzoeksbanen niet te beperken door middel van quota; c) onderdanen van derde landen te waarborgen dat zij voor onbepaalde tijd als onderzoeker kunnen werken, behalve in uitzonderingsgevallen die verband houden met de behoeften van het land van herkomst van de onderzoekers; 2) wat betreft de verblijfstitels: a) een maximumtermijn van 30 dagen vast te stellen voor het verstrekken van verblijfstitels die zijn aangevraagd door onderdanen van derde landen met het oog op onderzoek; b) onderdanen van derde landen die als onderzoeker werken, waarborgen dat zij hun verblijfstitel onbeperkt kunnen verlengen, behalve in uitzonderingsgevallen die verband houden met de behoeften van het land van herkomst van de onderzoekers; c) geleidelijk de onderzoeksinstellingen te betrekken bij de procedure voor toelating van onderzoekers; 3) wat betreft de gezinshereniging: a) zich positief op te stellen tegenover de toelating van de gezinsleden van een onderzoeker uit een derde land, wanneer deze toelating niet verplicht is; b) onderzoekers van derde landen en hun gezinsleden de mogelijkheid toe te kennen om een verzoek tot gezinshereniging in te dienen wanneer de gezinsleden zich reeds legaal op het grondgebied bevinden; c) de gezinsleden van een onderzoeker uit een derde land het recht te geven op de gunstigste regeling voor de toegang tot de arbeidsmarkt die in het kader van de gezinshereniging wordt toegestaan aan onderdanen van derde landen; d) voor het antwoord op het verzoek tot toelating van een gezinslid van een onderzoeker uit een derde land een kortere termijn vast te stellen dan is bepaald in het nationale recht en in ieder geval dan de negen maanden die zijn bepaald in artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2003/86; e) geen wachttijd op te leggen aan gezinsleden van onderzoekers uit derde landen; 4) wat betreft de operationele samenwerking: a) de Commissie te informeren over de maatregelen die zij hebben genomen om de toegang van onderzoekers uit derde landen te versoepelen; b) statistieken op te stellen over het aantal verblijfstitels dat wordt toegekend aan onderzoekers uit derde landen en hun gezinsleden; c) binnen hun voor immigratie bevoegde ministerie en eventueel binnen de lagere overheden een contactpersoon aan te wijzen voor de toelating van onderzoekers uit derde landen; d) binnen hun voor onderzoek bevoegde ministerie een contactpersoon aan te wijzen voor de toelating van onderzoekers uit derde landen; e) binnen hun ambassades een contactpersoon aan te wijzen voor de toelating van onderzoekers uit derde landen; f) erop aan te dringen dat onderzoeksinstellingen een contactpersoon aanwijzen voor de toelating van onderzoekers uit derde landen; g) ervoor te zorgen dat degenen die in hun overheidsdiensten en onderzoeksinstellingen optreden als contactpersoon voor de toelating van onderzoekers, samenwerken in een netwerk op nationaal niveau. Gedaan te Brussel, op [...] Voor de Raad De voorzitter [...]