This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52004PC0135
Proposal for a Council Decision amending Council Decision 1998/20/EC authorising the Kingdom of the Netherlands to apply a measure derogating from Article 21 of the Sixth Council Directive (77/388/EEC) of 17 May 1977 on the harmonisation of the laws of the Member States relating to turnover taxes
Voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 1998/20/EG van de Raad waarbij het Koninkrijk Nederland wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting
Voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 1998/20/EG van de Raad waarbij het Koninkrijk Nederland wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting
/* COM/2004/0135 def. */
Voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 1998/20/EG van de Raad waarbij het Koninkrijk Nederland wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting /* COM/2004/0135 def. */
Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot wijziging van Beschikking 1998/20/EG van de Raad waarbij het Koninkrijk Nederland wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. Overeenkomstig artikel 27 van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag [1] kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. [1] PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/7/EG (PB L 27 van 30.1.2004, blz. 44). 2. In de regel worden dergelijke machtigingen op tijdelijke basis verleend om na enkele jaren te kunnen evalueren of de bijzondere maatregelen passend en effectief zijn. 3. Bij Beschikking 1998/20/EG [2] van de Raad werd het Koninkrijk Nederland gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn. Deze beschikking (die op 31 december 1999 afliep) werd bij Beschikking 2000/435/EG [3] van de Raad tot 31 december 2003 verlengd. Nederland werd bij deze beschikking met name gemachtigd in de confectie-industrie een regeling toe te passen waarbij de verplichting tot afdracht van BTW van de onderaanemer naar het confectiebedrijf (de aannemer) werd verlegd. [2] PB L 8 van 14.1.1998, blz. 16. [3] PB L 172 van 12.7.2000, blz. 24. 4. Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal op 26 november 2003, heeft het Koninkrijk Nederland verzocht om machtiging tot verlenging van deze maatregel, omdat hij uiterst doeltreffend is gebleken bij de bestrijding van de BTW-fraude in de betrokken sector. 5. De gevraagde maatregel moet in de eerste plaats worden beschouwd als een maatregel ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude in de confectie-industrie, zoals het niet afdragen van in rekening gebrachte BTW door onderaannemers die vervolgens niet meer op te sporen zijn. Tegelijkertijd vereenvoudigt hij het werk van de belastingautoriteiten, die zeer vaak slechts met grote moeite de verschuldigde BTW bij de onderaannemers in de betrokken sector kunnen innen. 6. De maatregel staat in verhouding tot de beoogde doelstellingen, omdat hij niet zou gelden voor alle belastbare handelingen in de betrokken sector, maar slechts voor welomschreven handelingen die een omvangrijk probleem van belastingfraude vormen. 7. De maatregel heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen uit de BTW van de Europese Gemeenschappen en is evenmin van invloed op het in het stadium van het eindverbruik verschuldigde belastingbedrag. 8. In haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement - Strategie ter verbetering van de werking van het BTW-stelsel in het kader van de interne markt [4] van 7 juni 2000 stelde de Commissie zich tot doel het grote aantal derogaties die momenteel van kracht zijn, te rationaliseren. [4] COM(2000) 348 def. 9. De Commissie erkent dat deze derogatie, in afwachting van wijzigingen met een permanenter karakter, misbruik van het BTW-stelsel sterk tegengaat. Zij erkent ook dat er geen verandering is gekomen in de situatie in Nederland die van invloed is op deze specifieke sector en de toepassing van de bijzondere maatregelen rechtvaardigde. In het licht van de rationalisering van de derogaties uit hoofde van artikel 27 waaraan zij momenteel werkt, meent de Commissie dat het verzoek van het Koninkrijk Nederland om verlenging van de bij Beschikking 1998/20/EG verleende machtiging tot 31 december 2006 moet worden ingewilligd. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot wijziging van Beschikking 1998/20/EG van de Raad waarbij het Koninkrijk Nederland wordt gemachtigd tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 21 van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag [5], met name op artikel 27, [5] PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/7/EG (PB L 27 van 30.1.2004, blz. 44). Gezien het voorstel van de Commissie [6], [6] PB C [...] van [...], blz. [...]. Overwegende hetgeen volgt: (1) Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de zesde BTW-richtlijn kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van die richtlijn afwijkende maatregelen te treffen of te verlengen, teneinde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. (2) Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 26 november 2003, heeft de Nederlandse regering verzocht om verlenging van Beschikking 1998/20/EG [7] waarbij zij werd gemachtigd bijzondere belastingmaatregelen toe te passen op de confectie-industrie. [7] PB L 8 van 14.1.1998, blz. 16. (3) De overige lidstaten werden op 14 januari 2004 van het verzoek van Nederland in kennis gesteld. (4) Bij Beschikking 1998/20/EG werd het Koninkrijk Nederland gemachtigd in de confectie-industrie een regeling toe te passen waarbij de verplichting tot afdracht van BTW van de onderaanemer naar het confectiebedrijf (de aannemer) werd verlegd. (5) Deze regeling vormt een doeltreffende maatregel ter voorkoming van fraude in een sector waarin de inning van de BTW wordt gehinderd door het feit dat de activiteiten van onderaannemers moeilijk in kaart te brengen en te controleren zijn. (6) Op 7 juni 2000 heeft de Commissie een strategie ter verbetering van de werking van het BTW-stelsel op de korte termijn gepresenteerd, waarin zij zich tot doel stelde het grote aantal derogaties dat thans van kracht is, te rationaliseren. In sommige gevallen zou deze rationalisering er overigens in kunnen bestaan dat bepaalde bijzonder effectieve derogaties tot alle lidstaten worden uitgebreid. In haar mededeling van 20 oktober 2003 herhaalt de Commissie de mogelijkheid van dit compromis. (7) De gevraagde maatregel moet in de eerste plaats worden beschouwd als een maatregel ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude in de confectie-industrie. (8) Aan het Koninkrijk Nederland dient een verlenging van de huidige derogatiemaatregel te worden toegestaan tot 31 december 2006. (9) De derogatie heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen uit de BTW van de Europese Gemeenschappen en is evenmin van invloed op het in het stadium van het eindverbruik in rekening gebrachte belastingbedrag. HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 In artikel 1 van Beschikking 1998/20/EG wordt de datum 31 december 2003 vervangen door de datum 31 december 2006. Artikel 2 Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Nederland. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter