Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004DC0288

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Eerste voortgangsverslag voor richtlijn 1999/5/EC (de R&TTE-richtlijn)

/* COM/2004/0288 def. */

52004DC0288

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Eerste voortgangsverslag voor richtlijn 1999/5/EC (de R&TTE-richtlijn) /* COM/2004/0288 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT - EERSTE VOORTGANGSVERSLAG VOOR RICHTLIJN 1999/5/EC (DE R&TTE-RICHTLIJN)

Samenvatting

Achtergrond

1. Richtlijn 1999/5/EG (hierna de "R&TTE-richtlijn") bevat nieuwe regels voor de interne markt voor radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur. Daarbij werden Richtlijn 98/13/EG en meer dan duizend nationale goedkeuringsverordeningen vervangen.

2. De richtlijn bestrijkt de meeste apparatuur die gebruik maakt van het radiospectrum en alle apparatuur die aangesloten is op openbare telecommunicatienetwerken (een markt van ongeveer EUR 80 miljard in de EU). Het gaat bijvoorbeeld om gsm- en umts-toestellen, antennes voor gsm-netwerken, gewone telefoons en modems voor datatransmissie. De technische eisen werden vereenvoudigd en de fabrikanten kregen gemakkelijker toegang tot de markt omdat ze nu de conformiteit van hun producten zelf kunnen beoordelen.

Commentaar

3. De richtlijn wordt thans toegepast in de EER, de meeste kandidaat-lidstaten en Zwitserland. In het algemeen zijn de ervaringen met de vereenvoudigde regelingen positief. De richtlijn heeft bijgedragen tot een interne markt voor radio- en eindapparatuur met vrij lage drempels voor de markttoegang. De radiointerferentie is niet toegenomen en de telecommunicatienetwerken hebben geen schade geleden. De administratieve bepalingen van de richtlijn worden evenwel onvoldoende nageleefd. Het is daarom de vraag of deze bepalingen wel evenredig zijn en of ze op doeltreffende wijze aan de sector zijn medegedeeld.

4. De kwesties die het meest door de industrie aan de orde zijn gesteld betreffen:

(a) de informatie voor de gebruiker (merktekens, etikettering en gebruiksaanwijzing);

(b) de administratieve rompslomp en een ontoereikende harmonisering bij de aanmelding van radioapparatuur die gebruik maakt van het niet-geharmoniseerde spectrum;

(c) het ontbreken van gepubliceerde radiointerface-verordeningen;

(d) geen harmonisatie van het spectrumgebruik en moeilijkheden bij het vinden van informatie ter zake.

5. Het bij de richtlijn opgerichte permanente comité (TCAM) heeft pragmatische oplossingen gevonden voor uiteenlopende interpretaties van de basistekst, maar de richtlijn mist bepalingen om dergelijke interpretaties wettelijk bindend te verklaren. Het TCAM heeft een Administratieve Coöperatiegroep (ADCO) in het leven geroepen, die zich bezig moet houden met markttoezicht en andere aangelegenheden die van direct belang voor de lidstaten zijn. Het TCAM zelf houdt zich steeds vaker bezig met de gelijkwaardigheid van interfaceregelingen, d.w.z. regelingen voor het nationale spectrumgebruik op EU-niveau en problemen in verband met de toegang tot en de harmonisatie van het spectrum. Dergelijke kwesties werden aanvankelijk medegedeeld aan het Electronic Communications Committee (ECC) van de CEPT. Nu de spectrumbeschikking, waarbij een passend kader voor de harmonisatie van de spectrumtoewijzing in de Europese Unie werd opgezet teneinde aan de eisen van het communautaire beleid te voldoen, is goedgekeurd, kan de Commissie de technische maatregelen vaststellen om dergelijke eisen ten uitvoer te brengen.

6. De R&TTE-richtlijn was goedgekeurd om belemmeringen voor de interne markt voor goederen uit de weg te ruimen. Toch wordt de markt voor radioapparatuur nog steeds gehinderd door fragmentering van het radiofrequentiespectrum en moeilijkheden bij het verlenen van toegang tot geharmoniseerde frequenties voor nieuwe apparatuur en diensten. Ondanks de inspanningen van de lidstaten in het kader van de CEPT, en met enkele opvallende uitzonderingen zoals de banden voor cellulaire telefoondiensten, is het moeilijk gebleken het gebruik van het radiofrequentiespectrum in Europa echt te harmoniseren en tijdig een passend spectrum beschikbaar te hebben voor nieuwe technologieën. Dit had tot gevolg dat de Europese industrie niet kon profiteren van een snelle marktontwikkeling en aanzienlijke schaalvoordelen.

7. De regels voor het verlenen van toegang tot het spectrum en de besluitvormingsprocessen voor nieuwe toewijzingen zijn in de EU nog niet geharmoniseerd, zodat de besluitvorming onvoorspelbaar is en lang duurt. De drempels zijn vooral voor kleinere ondernemingen te hoog, waardoor de innovatie wordt gesmoord. De Commissie stelt vast dat op belangrijke nieuwe gebieden geharmoniseerde besluiten in de EU later komen dan in andere belangrijke economieën. In het kader van het spectrumbeleid moeten de Commissie en de lidstaten bespreken hoe de besluitvorming op het gebied van het spectrumbeheer kan worden gestroomlijnd en versneld. Dit overleg zou ook moeten gaan over de mogelijkheid om het spectrum in de EU open te stellen voor experimenteel gebruik ter ondersteuning van studies naar de spectrumcompatibiliteit, die tot nu toe voornamelijk theoretisch worden uitgevoerd.

8. Bij dergelijke besprekingen moeten ook de voorwaarden aan de orde komen, waaronder het gebruik van het spectrum moet worden geregeld door het expliciet verlenen van vergunningen aan bepaalde gebruikers en/of apparaten en door een sterke segmentatie van het spectrum. Een andere mogelijkheid, namelijk een algemeen spectrum zonder vergunningen ("vrije banen") met regels voor gezamenlijk gebruik (neergelegd in geharmoniseerde normen). zodat de apparaten het spectrum kunnen delen zonder elkaar in het vaarwater te zitten, heeft bewezen innovatie op het gebied van apparaten met een klein zendbereik te stimuleren. Ook flexibeler, minder op de technologie toegesneden voorwaarden voor individuele "exclusieve" vergunningen maken het voor de marktdeelnemers gemakkelijker te innoveren. Verder bieden nieuwe technologische ontwikkelingen (intelligente apparaten, softwareradio, ultrabreedband) regelgevers de mogelijkheid flexibeler te zijn en meer op de technologie te vertrouwen om een efficiënt en interferentievrij gebruik van het spectrum te waarborgen. Voor de EU is het belangrijk een gemeenschappelijk, liberaal beleid met duidelijke regels te hebben, zodat deze technologieën zich kunnen ontwikkelen en er duidelijke regels (en geharmoniseerde normen) komen voor de constructie van dergelijke producten.

9. In sommige lidstaten hebben de verantwoordelijken voor de etherfrequenties soms moeilijkheden bij de uitvoering van de bepalingen die voortvloeien uit de basisconcepten van de richtlijn. Ook zijn zij niet altijd volledig overtuigd van de rol van de aangemelde instanties bij de harmonisatie van de technische voorwaarden voor apparatuur en is er soms een tendens om beslissingen over de markttoegang voor bepaalde technologieën nog steeds te beschouwen als een voorrecht van de nationale verantwoordelijken voor de etherfrequenties. Dit is in strijd met de bepalingen van de richtlijn en met de beginselen van de WTO en het Verdrag.

10. De Europese normalisatie-instellingen en met name de ETSI hebben de uitdaging aangenomen geharmoniseerde normen voor deze richtlijn op te stellen. Ter ondersteuning van de uitvoering van de richtlijn is in het PB een lijst opgenomen die 95% van de apparatuur die zich op de markt bevindt, bestrijkt.

11. In het kader van artikel 3, lid 3, onder e), zijn aanvullende beschikkingen van de Commissie de goedgekeurd; deze eisen dat bepaalde soorten apparatuur "geschikt is voor bepaalde voorzieningen die de toegang tot alarmdiensten moeten waarborgen". Van de andere bepalingen van artikel 3, lid 3, is tot dusverre geen gebruik gemaakt. De alarmdiensten waarop de desbetreffende beschikkingen doelen, zijn wellicht niet de diensten die oorspronkelijk in de richtlijn waren beoogd. Zij hebben betrekking op reddingsdiensten, zoals lawinebakens en bepaalde noodfrequenties van scheepsradio's. In sommige gevallen zijn er parallelle sectorspecifieke regelingen voor andere vormen van gebruik van dezelfde of soortgelijke apparatuur, zodat moet worden nagegaan of deze in de richtlijn moeten worden geregeld.

12. Er is een eenvoudig classificatiesysteem voor apparatuur ingevoerd. Apparatuur van categorie 1 heeft geen speciaal merkteken en mag zonder vergunning overal in de Gemeenschap worden gebruikt. Op apparatuur van categorie 2 staat een waarschuwing dat nationale beperkingen in verband met het gebruik van het radiospectrum erop van toepassing zijn. Besloten werd af te zien van het creëren van een speciale categorie voor apparatuur die technisch is geharmoniseerd, maar waarvoor een gebruiksvergunning nodig is; dergelijke apparatuur blijft in categorie 2. Een studie naar frequentiebanden die in de EU effectief zijn geharmoniseerd, toonde dat de harmonisatie achter bleef bij de verwachtingen. De uitbreiding zal niet van invloed zijn op de apparatuur van categorie 1.

13. Ondanks de zeer beperkte rol is het aantal aangemelde instanties (voor de overeenstemmingsbeoordeling) sinds de inwerkingtreding van de richtlijn toegenomen. Dit is een gevolg van de geringere deskundigheid die verlangd wordt, enerzijds, en van markt gerelateerde factoren - het belang dat (bv. buiten de EU) aan het optreden van een aangemelde instantie wordt gehecht -, anderzijds. De procedure van bijlage IV (technische constructiedossiers), waarvoor de aangemelde instantie een advies moet geven, wordt op vrijwillige basis op ruimere schaal gebruikt dan verwacht. De aangemelde instanties hebben de R&TTE Compliance Association opgericht om de uitwisseling van informatie over de praktische toepassing van de richtlijn en de relatie met het TCAM te vergemakkelijken. De samenwerking tussen de aangemelde instanties en de nationale verantwoordelijken voor de etherfrequenties moet worden verbeterd.

14. Van de verwachte toename van het aantal kennisgevingen van niet-conforme apparatuur, nu radioapparatuur minder vaak wordt gecontroleerd voordat deze in de handel wordt gebracht, is in de praktijk nog niets te merken. Deels kan dit te wijten zijn aan het feit dat de meeste lidstaten nog bezig zijn strategieën voor markttoezicht te ontwikkelen. Hoewel administratieve voorschriften vaak niet blijken te worden nageleefd, leidt dit niet tot een toename van de interferentie. Veel nationale maatregelen worden op EU-niveau of voor de andere lidstaten niet zichtbaar. Daardoor kan men zich afvragen of het huidige systeem van markttoezicht wel doeltreffend is, terwijl bovendien wordt aangetoond dat de officiële vrijwaringsprocedures uiterst complex en tijdrovend zijn. Daarom lijkt een herziening van de bepalingen over de behandeling van niet-conforme apparatuur noodzakelijk.

15. De mogelijk schadelijke gevolgen van blootstelling aan elektromagnetische velden worden door de essentiële eisen van de richtlijn bestreken. De Commissie heeft opdracht gegeven de ontwikkeling van geharmoniseerde normen te baseren op de blootstellingslimieten in Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad. Voor gsm's zijn dergelijke normen beschikbaar, maar voor de basisstations zijn ze nog niet volledig. Deze kwestie blijft het publiek bezighouden. De richtlijn staat de lidstaten toe regelingen in te voeren die de inbedrijfstelling van basisstations om gezondheidsredenen beperken. In sommige lidstaten loopt de uitbreiding van de mobiele netwerken aanzienlijke vertraging op door plaatselijke wetgeving en de ruimtelijke-ordeningprocedures voor de masten. De harmonisatie van de gezondheidsbeschermingsnormen moet dergelijke problemen in de toekomst voorkomen. Tal van overwegingen die ten grondslag liggen aan beslissingen over de locatie van de basisstations zijn evenwel wetenschappelijk slecht gefundeerd en leiden niet tot een beperking van de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden.

16. De EU heeft met bepaalde derde landen overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning (OWE) met een bijlage voor R&TTE-apparatuur gesloten. Hoewel deze de bevoegdheid van de overeenstemmingsbeoordelingsinstanties erkennen, worden de afzonderlijke nationale of regionale procedures voor het in de handel brengen en/of in bedrijf stellen gehandhaafd. Met de overeenkomsten wordt niet beoogd in derde landen een even grote mate van deregulering als in de EU te bereiken, maar de uitvoering ervan vergt wel aanzienlijke middelen van de Commissie en de lidstaten. Weliswaar is de samenwerking met de regelgevers in deze landen door de overeenkomsten verbeterd, maar het beleid om de drempels voor de markttoegang in derde landen te verlagen moet worden herzien. In de OWE met Zwitserland worden de procedures voor de toegang tot de Zwitserse markt in overeenstemming gebracht met die voor de EER. Van de toetredende landen wordt verwacht dat ze de richtlijn op het moment van de toetreding volledig hebben omgezet.

17. Deze richtlijn bestrijkt interferentie door radioapparatuur en eindapparatuur en de EMC-richtlijn interferentie door andere apparatuur. Beide richtlijnen hebben hetzelfde doel en apparaten vallen afhankelijk van hun specifieke toepassing onder de ene of onder de andere richtlijn. Dit geldt met name voor bepaalde breedbandapparatuur. Apparaten kunnen als deel van het netwerk of als eindapparatuur worden beschouwd, afhankelijk van het punt waar volgens de exploitant zijn netwerk ophoudt of van een besluit van een nationale reguleringsinstantie.

Conclusies

Het beleid op grond van de richtlijn moet worden voortgezet. Om haar werking te optimaliseren wordt een aantal maatregelen voorgesteld.

18. Wat de richtlijn zelf betreft, is een beperkte herziening van een aantal bepalingen zinvol:

* Er moeten mogelijkheden worden gecreëerd om uitvoeringsvoorschriften en interpretaties van de richtlijn via een comitologieprocedure wettelijk bindend te maken.

* Nagegaan moet worden of voor doeleinden in verband met reddingsdiensten gebruik moet worden gemaakt van beschikkingen op grond van artikel 3, lid 3, of dat hiervoor sectorspecifieke verordeningen nodig zijn.

* De grenzen van het toepassingsgebied moeten worden besproken: dekking van luchtvaartinstrumenten, radioapparatuur die niet wordt gebruikt voor radiocommunicatie.

* De bepalingen over de behandeling van niet-conforme producten moeten worden herzien, zodat een effectief markttoezicht wordt gewaarborgd; hierbij moet waar mogelijk worden vermeden dat adviezen van de Commissie nodig zijn.

* De eisen ten aanzien van gebruikersinformatie en merktekens in verband met deze en andere nieuwe-aanpakrichtlijnen (met name de laagspannings- en de EMC-richtlijn) moeten worden gerationaliseerd, zodat de verplichtingen evenredig zijn aan de doelstelling. Ook moet worden nagegaan hoe relevante informatie in voorkomend geval toegankelijk kan worden gemaakt voor alle gebruikers, en met name voor personen met een handicap.

* De bepalingen die exploitanten ertoe verplichten de kenmerken van hun netwerken bekend te maken, moeten worden herzien; overwogen dient te worden of kleinere exploitanten voor sommige bepalingen geen vrijstelling kunnen krijgen.

* Nagegaan moet worden of eindapparatuur die geen radioapparatuur is, uit de richtlijn moet worden verwijderd, zodat deze alleen onder de EMC- of laagspanningsrichtlijn valt. Daarbij moet rekening worden gehouden met het bestaan van domimante marktdeelnemers, de mogelijke herinvoering van nationale regelingen en de samenvoeging van apparatuur met netwerkdiensten en de behoefte van fabrikanten aan stabiliteit.

* Nagegaan moet worden hoe kan worden gezorgd voor een coherent rechtskader voor het vermijden van schadelijke interferentie van radioapparatuur en dergelijke.

* Er moet worden gezorgd voor samenhang van de richtlijn en haar bepalingen en terminologie met het regelgevingskader voor elektronische communicatie.

* Nagegaan moet worden of artikel 3, lid 3, onder f), ook kan worden toegepast op de toegangsvereisten voor bepaalde soorten eindapparatuur. Dit is vooral van belang voor noodapparatuur, waarvoor de toegankelijkheid gegarandeerd moet zijn. Er moet overleg met de lidstaten worden gevoerd om te verduidelijken waar ten aanzien van kwesties in verband met de toegankelijkheid de grens tussen apparatuur en netwerken ligt en om gezamenlijk actie te ondernemen om op Europees vlak geharmoniseerde oplossingen te stimuleren.

19. Ten aanzien van het beheer van de richtlijn wordt een aantal maatregelen voorgesteld:

* De samenwerking tussen de aangemelde instanties (R&TTE Compliance Association) en de nationale spectrumbeheerders moet worden verbeterd teneinde ervoor te zorgen dat de richtsnoeren voor innovatieve producten niet omstreden zijn.

* De Commissie moet nagaan of de technische bepalingen in plaatselijke ruimtelijke-ordeningregelingen voor basisstations verenigbaar zijn met de richtlijn.

20. Ten aanzien van de harmonisatie en het beheer van het spectrum:

* Er moet meer apparatuur van categorie 2 (waarvoor nationale beperkingen gelden) worden overgebracht naar categorie 1 (gebruik overal in de Gemeenschap). De spectrumbeschikking [1] moet worden gebruikt voor een verdergaande harmonisatie van het spectrum, met name voor consumentenartikelen en apparaten met een klein zendbereik.

[1] De activiteiten in het kader van de radiospectrumbeschikking (676/2002/EG) die sinds de goedkeuring ervan in maart 2002 hebben plaatsgevonden, moeten in de loop van het eerste kwartaal van 2004 aan het Europees Parlement worden gepresenteerd. Hiertoe behoort ook een nadere analyse van de relatie tussen de spectrumbeschikking en de R&TTE-richtlijn.

* In het kader van de radiospectrumbeschikking moet overleg met de lidstaten worden gevoerd over stroomlijning van het besluitvormingsproces voor de toewijzing van frequenties voor nieuwe toepassingen, waaronder het scheppen van mogelijkheden voor experimenten in de EU, zodat er een liberaler klimaat ontstaat waarin het concurrentievermogen van de EU-industrie wordt gestimuleerd.

* In dat verband moet er ook over worden gesproken of verlaging van de toegangsdrempels voor het spectrum beleidsvoordelen oplevert en of nieuwe technologische ontwikkelingen de mogelijkheid bieden de noodzaak van individuele vergunningen en een rigide segmentering van het spectrum te verminderen.

21. Ten aanzien van de internationale handel:

* Gezien het huidige dereguleringsniveau en de aanzienlijke middelen die voor het beheer van de OWE's nodig zijn is de echte toegevoegde waarde van dergelijke overeenkomsten voor de fabrikanten en voor de certificeringsbelangen in de EU twijfelachtig. De Commissie studeert op effectievere manieren om de problemen van de EU-fabrikanten in verband met de markttoegang aan te pakken.

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT EERSTE VOORTGANGSVERSLAG VOOR RICHTLIJN 1999/5/EC (DE R&TTE-RICHTLIJN)

(Voor de EER relevante tekst)

1. Inleiding

De markt voor telecommunicatie- en radioapparatuur had in 2000 een waarde van ongeveer EUR 80 miljard. Na jaren van groei volgde een periode van stagnatie, met name op het gebied van de telecommunicatie-apparatuur, aangezien veel diep in de schulden stekende exploitanten hun investeringen tot een minimum beperkten. De Europese industrie is op bepaalde gebieden, en met name op dat van de mobiele communicatie, concurrerend, maar of dat zo blijft, hangt onder meer af van een innovatievriendelijk regelgevingsklimaat en een goed werkende interne markt.

Richtlijn 1999/5/EG (de R&TTE-richtlijn) vergemakkelijkt de totstandkoming van een open, concurrerende markt in de Gemeenschap door een regelgevend kader te creëren voor het in de handel brengen, het vrije verkeer en de ingebruikneming van radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur. De richtlijn bestrijkt allerlei apparatuur, waaronder garagedeuropeners, mobiele en normale telefoons, modems voor datacommunicatie en antennes voor mobiele netwerken. De vorige regeling (98/13/EG), die voornamelijk was gebaseerd op verplichte normen, kon geenm gelijke tred houden met de veranderingen in de technologie en de marktontwikkelingen. Bovendien viel nog steeds een groot deel van de markt voor radioapparatuur onder meer dan duizend nationale regelingen.

De huidige richtlijn trad op 7 april 1999 in werking en de overgangsbepalingen liepen af op 8 april 2001. De lidstaten moesten de bepalingen van de richtlijn uiterlijk op 8 april 2000 omzetten en toepassen.

De richtlijn heeft betrekking op kwesties in verband met de spectrumharmonisatie voor zover er een gemeenschappelijke basis voor een optreden tegen schadelijke interferentie is. De richtlijn bevat evenwel geen mechanisme ter bestrijding van het fundamentele probleem, namelijk de fragmentering van de spectrumtoewijzing, die gevolgen heeft voor de algemene doelstelling de interne markt voor radioapparatuur te steunen.

Dit verslag is opgesteld ingevolge artikel 17 van de richtlijn, waarbij de Commissie de taak krijgt de werking van deze richtlijn te controleren en daarover regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad, met name wat betreft:

- de vooruitgang bij de opstelling van de betrokken normen;

- problemen bij de uitvoering van de richtlijn;

- de werkzaamheden van het TCAM;

- de vooruitgang bij de totstandkoming van een open en concurrerende markt voor apparatuur;

- de ontwikkeling van het regelgevingskader voor het in de handel brengen en het in gebruik nemen van apparatuur om:

* op Gemeenschapsniveau een samenhangend systeem voor alle apparatuur te waarborgen;

* de convergentie van de sectoren audiovisuele, telecommunicatie- en informatietechnologie mogelijk te maken;

* de harmonisatie van regelgeving op internationaal niveau mogelijk te maken;

- het onderzoek of nog voor alle betrokken categorieën apparatuur essentiële eisen noodzakelijk zijn;

- het onderzoek of de procedures in bijlage IV (vragen van een advies van een aangemelde instantie over een technisch constructiedossier) toereikend zijn om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de essentiële eisen voor de door die bijlage bestreken apparatuur;

- voorstellen voor verdere maatregelen om het doel van de richtlijn ten volle te verwezenlijken.

Deel 2 van het verslag geeft een feitenverslag over de werking van de richtlijn sinds de goedkeuring, waarna in deel 3 wordt nagegaan in hoeverre de doelstellingen van de richtlijn doeltreffend zijn verwezenlijkt. Deel 4 betreft de internationale aspecten, waarna ten slotte in deel 5 een aantal aanbevelingen binnen en buiten de context van de richtlijn wordt gedaan om te komen tot een volledige tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de richtlijn.

2. Verslag over de werking van de richtlijn

2.1. Stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging

De richtlijn wordt nu toegepast in de gehele EER, Zwitserland en de meeste nieuwe lidstaten. Slechts weinig lidstaten hadden de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen vóór de deadline van 7 april 2000 goedgekeurd. Sommige landen vonden het noodzakelijk overgangsmaatregelen vast te stellen en de richtlijn niet direct in volle omvang in nationaal recht om te zetten.

Uit een onderzoek van de nationale omzettingsmaatregelen door de Commissie zijn geen grote afwijkingen van de basistekst gebleken. Dit is grotendeels te danken aan de door de Commissie in het leven geroepen stuurgroep en ad-hocgroepen, met een ruime vertegenwoordiging van de nationale overheden, de nationale reguleringsinstanties, het bedrijfsleven en deskundigen. Deze hielpen bij de interpretatie van dubbelzinnigheden en maakten al voor de eerste vergadering van het TCAM een studie van de belangrijkste gebieden waarvoor beslissingen moesten worden genomen (essentiële eisen, apparatuurcategorieën, bekendmaking van de interfaces en toezicht).

Informatie over de nationale omzettingsmaatregelen is te vinden op de Europa-website [2]. De primaire instrumenten lijken in alle lidstaten bevredigend te werken, maar de secundaire maatregelen, die leiden tot de bekendmaking van de interfaceregelingen (artikel 4, lid 1) en de specificaties voor netwerkinterfaces (artikel 4, lid 2), lijken nog niet volledig doeltreffend te zijn.

[2] http://europa.eu.int/comm/enterprise/ rtte

2.2. Functionering van het TCAM

Het Permanent comité (Comité voor overeenstemmingsbeoordeling en markttoezicht inzake telecommunicatie (TCAM)) is in de eerste vier jaar van zijn bestaan veertien maal bijeengekomen. Het comité heeft vertegenwoordigers uit de nieuwe lidstaten, fabrikanten, netwerkexploitanten, normalisatie-instellingen en aangemelde instanties uitgenodigd als waarnemer aan de vergaderingen deel te nemen, maar vergadert zonodig in beslotenheid.

Als adviesorgaan heeft het comité zich geconcentreerd op het vinden van pragmatische oplossingen voor dubbelzinnigheden en het interpreteren van de basistekst van de richtlijn. De vruchten van zijn werkzaamheden zijn openbaar gemaakt op de Europa-website. Veel problemen konden worden opgelost met behulp van algemeen aanvaarde interpretaties. Er is evenwel nog steeds geen geharmoniseerde implementatie voor bepaalde secundaire aspecten van de richtlijn (bv. de soorten apparaten die bij de spectruminstanties moeten worden aangemeld, de omvang van de informatie die moet worden verstrekt, de lijst van parameters in nationale regelingen voor radio-interfaces). Dit compliceert de toepassing van de richtlijn en veroorzaakt onzekerheid bij de fabrikanten. Dit kan worden vermeden door de invoering van mechanismen in de richtlijn die het mogelijk maken dat dergelijke interpretaties juridisch bindend worden.

Als regelgevend orgaan heeft het comité ingestemd met een eenvoudige classificatie van de apparatuur in het kader van artikel 4, lid 1, en heeft het een aantal voorstellen voor essentiële eisen in het kader van artikel 3, lid 3, van richtlijn onderzocht.

Het is nodig dat in het officiële comité beleidsvragen aan bod blijven komen nadat de voorbereidende besprekingen in daartoe opgerichte subgroepen hebben plaatsgevonden. Tijdelijke ad-hocgroepen hebben advies gegeven over de definities van de radio-interface en de indeling van de apparatuur. Een meer permanente subgroep, de Administratieve samenwerkingsgroep (ADCO) behandelt aangelegenheden die van direct belang zijn voor de nationale instanties, zoals het toezicht en de kennisgevingen van niet-geharmoniseerd gebruik van het spectrum.

Nu de eerste operationele kwesties zijn behandeld, richt het TCAM de aandacht steeds meer op problemen in verband met de markttoegang als gevolg van het gebrek aan harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum. Dit biedt de mogelijkheid om de bepalingen van de richtlijn toe te passen voor de vaststelling van gebieden waarop in de Gemeenschap spectrumfragmentatie bestaat en harmonisatie nuttig zou zijn voor de interne markt. In dit verband is het belangrijk een effectieve samenwerking te ontwikkelen met het Comité radiospectrum en de nationale regelgevers ter zake.

2.3. Geharmoniseerde normen

De normalisatie-instellingen, en met name de ETSI, hebben de uitdaging aangenomen een reeks geharmoniseerde normen ter ondersteuning van de richtlijn te ontwikkelen. Een lijst van titels en referentienummers van relevante geharmoniseerde normen is bekendgemaakt in het Publicatieblad en wordt ongeveer om de drie maand bijgewerkt. [3]

[3] http://europa.eu.int/comm/enterprise/rtte/ harstand.htm, normen die zijn gepubliceerd in het kader van de laagspanningsrichtlijn (73/23/EEG, http://europa.eu.int/comm/enterprise/ electr_equipment/lv/index.htm) en de EMC-richtlijn (89/336/EEG, http://europa.eu.int/comm/enterprise/ electr_equipment/emc/index.htm) kunnen ook worden gebruikt om de overeenstemming met de relevante essentiële eisen van de R&TTE-richtlijn aan te tonen.

Er is geen bewijs dat het ontbreken van geharmoniseerde normen een obstakel is voor de werking van de richtlijn. Hier moet wellicht een uitzondering worden gemaakt voor de normen voor RF-blootstelling, die nodig zijn in het kader van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad [4]. In het algemeen zou enige aandacht voor rationalisering en vermindering van het aantal normen nuttig zijn.

[4] Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz, PB L 199 van 30.7.1999.

De Commissie stelt vast dat sommige nationale regelgevers zich zorgen maken over verlaging van de toegangsdrempels voor het spectrum door een groter deel van het spectrum te bestemmen voor vergunningsvrije toepassingen of toepassingen met vrijstelling. Soms spreken zij hun bezorgdheid uit over een wijdverspreid "misbruik" van deze aanpak en een bijgevolg onbeheersbare situatie. Er lijkt een trend te zijn gedetailleerde voorschriften voor bepaalde toepassingen in ISM-banden (bv. de 2,4-GHz-band) vast te stellen. In het algemeen tonen deze banden evenwel aan dat lage toegangsdrempels voor het spectrum de innovatie bevorderen. Een effectievere toepassing van de richtlijn en met name van artikel 3, lid 2, is mogelijk door via geharmoniseerde normen billijker en duidelijker regels voor het gezamenlijk gebruik van het spectrum vast te stellen. Dit maakt deel uit van een ruimere discussie over het verlagen van de toegangsdrempels, die in deel 3 van dit verslag aan de orde komen.

Bij de gepubliceerde geharmoniseerde normen zijn formeel geen onvolkomenheden vastgesteld (artikel 5 van de richtlijn). Wat er aan tekortkomingen werd gevonden, kon direct op normaliseringsniveau worden afgehandeld, zodat er nooit een formele vrijwaringsprocedure nodig was. De Commissie heeft dan ook geen richtsnoeren voor de interpretatie of overeenstemmingsvoorwaarden, overeenkomstig artikel 5, lid 3, gepubliceerd. En ook zijn er om die reden geen bekendmakingen van het schrappen van geharmoniseerde normen geweest.

2.4. Beschikkingen van de Commissie

2.4.1. Aanvullende eisen aan producten

De Commissie heeft het TCAM geraadpleegd over een aantal voorstellen om ingevolge artikel 3, lid 3, bijzondere essentiële eisen in te voeren. De eisen werden goedgekeurd en er werden beschikkingen van de Commissie [5] gepubliceerd voor lawinebakens, radioapparatuur voor schepen voor bepaalde binnenwateren, apparatuur voor deelname aan het wereldw?de maritieme nood- en veiligheidssysteem (Global Maritime Distress and Safety System (GMDSS)) en apparatuur voor het automatische identificatiesysteem van schepen (AIS). In alle gevallen wordt in de beschikking artikel 3, lid 3, punt e), aangehaald, namelijk dat de apparatuur "geschikt is voor bepaalde voorzieningen die de toegang tot alarmdiensten moeten waarborgen". Al deze apparatuur heeft betrekking op bijzondere reddingsdiensten en zijn daarom van ondergeschikt belang voor de oorspronkelijke doelstelling van de richtlijn. Verder is er overleg gaande over de mogelijkheid om met behulp van de richtlijn (art. 3, lid 3, punt d)) het frauduleuze gebruik van gestolen gsm's te bestrijden.

[5] Een volledige lijst van de in het kader van de richtlijn genomen beschikkingen wordt bijgehouden op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/rtte/ decision/present.htm

Andere voorstellen voor essentiële eisen in het kader van artikel 3, lid 3, bleken controversiëler te zijn. Er is bijvoorbeeld gedacht aan het verlenen van noodtoegang vanaf eindapparatuur bij een stroomstoring en de gevoeligheid van veiligheidssystemen voor vals alarm. Na overleg in het TCAM is de Commissie tot de conclusie gekomen dat dergelijke eisen niet gerechtvaardigd zijn en innovatie in de weg kunnen staan. De marktkrachten maken in deze gevallen een geïnformeerde keuze mogelijk.

Er zijn ook ad-hocgroepen opgezet om met name na te denken over artikel 3, lid 3, punt f): "voorzieningen die het gebruik ervan door gebruikers met een handicap vergemakkelijken". De groep heeft gesproken over een aanzienlijk aantal problemen in verband met de toegang tot telecommunicatieapparatuur voor mensen met een handicap. Enkele van de vraagstukken lagen op de grens met netwerkkwesties. De conclusie luidde:

- er is behoefte aan een verplichte eis dat hulpapparaat in heel Europa interoperabel is;

- toegankelijkheid moet een vereiste zijn voor noodterminals en openbare terminals.

In artikel 3, lid 3, worden geen eisen gesteld aan telecommunicatie-eindapparatuur

(d.w.z. niet-radioapparatuur). Wanneer er ook geen eisen uit hoofde van artikel 18, lid 3,

(zie hieronder) zijn, betekent dit dat alle essentiële eisen voor dergelijke apparatuur in artikel 3, lid 1, te vinden zijn. Daarom volstaan de ingevolge de laagspannings- en de EMC-richtlijn geharmoniseerde normen.

Ingevolge artikel 18, lid 3, stemde de Commissie in met een verzoek van Frankrijk om aanvullende technische eisen ter bescherming van bepaalde kenmerken van de nationale spraaktelefoniedienst. Er werd een beschikking van de Commissie terzake gepubliceerd. Deze is thans van weinig praktisch belang en liep officieel af op 7 oktober 2002. Andere lidstaten maakten geen gebruik van deze mogelijkheid.

2.4.2. Classificatie van apparatuur

De toekenning van merktekens aan apparatuurcategorieën overeenkomstig artikel 4, lid 1, bleek een omvangrijke, langdurige taak te zijn. Een ad-hocgroep heeft de kwestie bestudeerd en een zeer eenvoudige classificatie van radioapparatuur in twee categorieën aanbevolen, die werd neergelegd in Beschikking 2000/299/EG van de Commissie [6]. Apparatuur van categorie 1 krijgt geen speciaal merkteken en kan overal in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in gebruik worden genomen. Apparatuur van categorie 2 krijgt een waarschuwingsteken dat betekent dat er bijzondere nationale beperkingen van toepassing zijn. Onderzoek toonde aan dat de nieuwe lidstaten hun frequentiespectrum in overeenstemming hebben gebracht met de huidige definities van categorie 1. De Commissie is verder voornemens rechtszekerheid te verschaffen voor de huidige categorie-1-lijst en deze lijst uit te breiden door harmonisatietechnische uitvoeringsmaatregelen goed te keuren via beschikkingen van de Commissie die zijn gebaseerd op de spectrumbeschikking.

[6] Beschikking 2000/299/EG van de Commissie van 6 april 2000 houdende vaststelling van de eerste indeling van radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de overeenkomstige merktekens, PB L 97 van 19.4.2000.

Tot nu toe blijkt de aandacht voor merktekens vooral gericht te zijn geweest op verschillen, en niet op manieren om de categorie 1 uit te breiden. Een voorstel voor een uitsplitsing van categorie 1 voor apparatuur die weliswaar technisch geharmoniseerd is, maar waarvoor in de lidstaten administratieve regelingen zoals individuele licentierechten bestaan, kreeg onvoldoende steun. Wel werd overeengekomen de indicatieve lijst van categorie-2-apparatuur op de Europa-website te voorzien van een toelichting om aan te geven of aanmelding van dergelijke apparatuur volgens artikel 6, lid 4, vereist is. Omdat de categorieën niet op elkaar zijn afgestemd en de apparatuur moet worden aangemeld, zijn er enige moeilijkheden ontstaan, waarnaar verder moet worden gekeken. Het gevaar bestaat evenwel dat een te ingewikkelde classificatie een belemmering zal vormen voor een open, concurrerende markt en voor consumenten en fabrikanten onbegrijpelijk wordt.

2.5. Activiteiten van de aangemelde instanties

De richtlijn heeft de rol van de aangemelde instanties aanmerkelijk beperkt. De overeenstemmingsbeoordelingsprocedure op basis van volledige kwaliteitsborging (module H van de globale aanpak) is overgenomen uit de vorige regeling. Verder zijn er geen expliciete test- of certificeringsactiviteiten. De aangemelde instanties kan om advies worden gevraagd over geschikte testreeksen voor radioproducten of over een technisch constructiedossier.

Hoewel fabrikanten er zelf voor kunnen kiezen een aangemelde instantie in te schakelen, zijn zij dit niet verplicht voor eindapparatuur die niet tevens radioapparatuur is of voor radioapparatuur waarvoor een geharmoniseerde norm bestaat die naar geschikte testreeksen verwijst [7]. Toch worden de aangemelde instanties op vrijwillige basis ingeschakeld met behulp van de procedure van de bijlage IV (technisch constructiedossier). Dit lijkt erop te wijzen dat er ook zonder regeling een taak voor de aangemelde instantie is weggelegd en roept vragen op over de noodzaak om de vrijwillige adviezen of zelfs de verplichte inschakeling hoe dan ook te handhaven. Wel moet worden bestudeerd of de wijze waarop adviezen worden gegeven, voldoende is geharmoniseerd. Er is een gebrek aan transparantie ten aanzien van de wijze waarop de aangemelde instanties worden benoemd en de procedures die zij voor het uitbrengen van het adviezen toepassen. Aangezien er nu voor de meeste producten geharmoniseerde normen zijn, kunnen de aangemelde instanties zich meer richten op innovatieve radioproducten. Samenwerking tussen de aangemelde instanties en de nationale spectrumbeheerders moet garanderen dat hun richtsnoeren niet omstreden zijn.

[7] Omdat er geen geharmoniseerde normen bestaan voor akoestische schok en gezondheidsrisico's als gevolg van elektromagnetische velden, ontspon zich een discussie of in verband met deze eisen de aangemelde instantie moest worden ingeschakeld. Juridisch is dit zo, maar de wetgever heeft dit nooit zo bedoeld.

Voor de meeste producten zijn geharmoniseerde normen beschikbaar, zodat het wellicht verrassend is dat het aantal aangemelde instanties sinds de inwerkingtreding van de richtlijn aanzienlijk is toegenomen. In veel gevallen probeerden organisaties die voordien onder de EMC-richtlijn als bevoegde instantie waren benoemd, ook een benoeming onder de R&TTE-richtlijn te verkrijgen. De verklaring voor deze toename lijkt tweeledig te zijn.

Om te beginnen is de aard van de taken van de aangemelde instanties eenvoudiger, zodat meer instanties in staat zijn deze uit te voeren. Er zijn geen investeringen in testapparatuur of dure faciliteiten noodzakelijk. De benoeming als aangemelde instantie is daarom een marginale toevoeging voor een organisatie die al actief is op het gebied van het testen en certificeren van radio- en telecommunicatieapparatuur, of dit nu op vrijwillige basis gebeurt of in verband met andere richtlijnen.

Bovendien speelt hier de marktwerking. Een benoeming als aangemelde instantie wordt in een zeer concurrerende markt als voordeel gezien. De fabrikanten versterken deze visie. Wanneer een fabrikant een derde bij de overeenstemmingsbeoordeling van zijn producten wil betrekken, kiest hij er waarschijnlijk een die ook als aangemelde instantie kan optreden, zelfs als dit in een specifiek geval niet vereist is. Hierdoor komt er een heilzame relatie tot stand die het beroep op een aangemelde instantie bevordert, ook al bestaat daarvoor geen wettelijke plicht. Een soortgelijk, maar extremer gedragspatroon is ook waargenomen bij de laagspanningsrichtlijn, waar geen overeenstemmingsbeoordeling door een aangemelde instanties voorafgaat aan het in de hendel brengen vanr een product, maar waar de marktkrachten toch waarde toekennen aan zo'n benoeming.

Van buiten de Gemeenschap speelt bij dit tweede punt nog iets anders mee. De officieel gedocumenteerde adviezen van de aangemelde instanties lijken vaak op de vroegere typegoedkeuringscertificaten en hebben in derde landen erkenning gevonden als vervanging voor dergelijke certificaten.

Als reactie op document Certif. 94/6 [8] hebben de aangemelde instanties de R&TTE Compliance Association opgericht, die een contactpersoon in het TCAM heeft. Het belangrijkste doel van deze vereniging is te zorgen voor coherentie tussen de adviezen van de aangemelde instanties. Zij vraagt fabrikanten, testlaboratoria en overeenstemmingsbeoordelingsinstanties in derde landen deel te nemen, maar de aangemelde instanties behouden de mogelijkheid om, indien dit nodig mocht zijn, in besloten kring binnen de Commissie te werken. De vereniging financiert zichzelf volledig en komt tweemaal per jaar bijeen. Zij heeft voor haar leden een aantal richtsnoeren gepubliceerd, die gratis van de website van de vereniging [9] kunnen worden gedownload.

[8] Kader voor coördinatie en samenwerking tussen aangemelde instanties, lidstaten en de Europese Commissie krachtens de op de nieuwe en de globale aanpak gebaseerde harmonisatierichtlijnen van de Gemeenschap.

[9] http:// www.rtteca.com

2.6. Markttoezicht

Nu de typegoedkeuringsprogramma's minder belangrijk worden, wordt een doeltreffend markttoezicht een belangrijk element van de richtlijn. De lidstaten hebben specifieke verantwoordelijkheden bij de behandeling van niet-conforme producten en zij moeten de voor dit toezicht verantwoordelijke instanties bij de Commissie aanmelden. De toewijzing van specifieke taken aan bepaalde instanties en de operationele uitwerking zijn evenwel nationale aangelegenheden.

In sommige lidstaten blijkt de financiering van het markttoezicht moeilijkheden op te leveren omdat het niet mogelijk is de kosten ervan op de fabrikanten af te wentelen. In andere lidstaten is dit mogelijk wanneer de producten niet-conform blijken te zijn.

Tegen deze achtergrond is er een buitengewoon grote behoefte aan samenwerking tussen de overheidsdiensten om optimale praktijken over de behandeling van niet-conforme producten uit te wisselen. Het TCAM heeft de Administratieve Coöperatiegroep voor de R&TTE-richtlijn (ADCO) speciaal hiervoor in het leven geroepen, ook al richtte de groep zich aanvankelijk op andere zaken. Tot op zekere hoogte staat de ADCO op een lijn met de CEPT/ECC-werkgroep RR11, die gewerkt heeft aan een rapport over de handhavingsaspecten van het markttoezicht. Het werkgebied van RR11 is ruimer dan het markttoezicht in het kader van de richtlijn, want het bevat bijvoorbeeld ook mechanismen om na te gaan of aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. ADCO en RR11 werken steeds vaker samen, onlangs nog bij een campagne in verband met het niet voldoen aan de administratieve eisen.

Uit de resultaten van een enquête die ter ondersteuning van het werk aan het rapport van RR11 werd gehouden, blijkt dat het toezicht in de lidstaten in de praktijk sterk uiteenloopt. Sommige lidstaten werken op basis van klachten, terwijl andere gestructureerde programma's hebben voor aselecte en routinematige toezichtactiviteiten. Doorgaans wordt de omvang van deze activiteiten beperkt door de beschikbare financiële middelen. Een effectieve samenwerking tussen de verschillende instanties met het oog op een doeltreffend en uniform toezicht in de EU is nog niet volledig tot stand gekomen. Weliswaar bestaan er elektronische middelen om informatie uit te wisselen, maar deze lijken nog niet volledig aan hun doel te beantwoorden.

Gezien de omvang van de wijzigingen die de richtlijn heeft gebracht, en met name de vermindering van de controle van radioapparatuur voordat dit in de handel komt, had men mogen verwachten dat er veel vrijwaringskennisgevingen zouden zijn. Dit is echter nog niet het geval. Op 1 juni 2003 waren er twintig van dergelijke maatregelen aangemeld door slechts drie landen, waarvan er een uitsluitend betrekking had op overeenstemming met de

EMC-bepalingen. Verwacht wordt evenwel dat het aantal kennisgevingen zich uiteindelijk zal stabiliseren op een aantal dat vergelijkbaar is met dat voor de EMC-Richtlijn, d.w.z. 100-200 per jaar. De campagne om de fabrikanten bewust te maken van de administratieve eisen liet zien dat dezen hun verplichtingen in verband met de richtlijn vaak onvoldoende kennen, wellicht omdat deze te ingewikkeld is.

De ervaringen die met de kennisgeving van vrijwaringsmaatregelen zijn opgedaan, tonen duidelijk aan dat de officiële procedure van artikel 9 te omslachtig is en de tijd voor het geven van een officieel advies te lang (in de regel tussen 6 en 12 maanden). De bepalingen van de richtlijn zijn niet realistisch. De Commissie moet namelijk een advies geven over alle maatregelen die bij haar worden aangemeld. Wanneer de producten zich als gevolg van de nationale actie niet meer in de Gemeenschap in de handel bevinden en de fabrikant geen bezwaar maakt, is de toegevoegde waarde van zo'n advies twijfelachtig. Verder moet dit advies, na overleg met het permanent comité, binnen twee maanden na de kennisgeving worden gegeven. Wanneer de lidstaten, zoals gebeurt, zes tot twaalf maanden de tijd nemen om nationale maatregelen aan te melden, betekent dit dat wanneer de Commissie haar advies geeft, het product zich al een of twee jaar niet meer in de handel bevindt.

Het is dan ook tijd voor een grondige herziening van het doel en de inhoud van de procedures van de richtlijn, waarmee een doeltreffend markttoezicht en een efficiënte behandeling van niet-conforme producten wordt beoogd. Dit geldt niet specifiek voor deze richtlijn. De Raad verlangt in zijn resolutie over de nieuwe aanpak om een horizontale herziening van dergelijke bepalingen.

2.7. Elektromagnetische velden

Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad geeft het kader voor beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden (0 Hz - 300 GHz). Voorafgaande daaraan hadden CEN, CENELEC en ETSI een mandaat gekregen normen te ontwikkelen voor de gevolgen van de meest gebruikte frequentiebereiken, en met name die voor mobiele telefonie.

De bezorgdheid van de bevolking over elektromagnetische velden blijkt ook uit de vele parlementaire vragen over dit onderwerp (30 schriftelijke vragen [10] in de periode tot augustus 2003). In het algemeen zijn er meer vragen gesteld over basisstations (meestal masten genoemd) dan over de telefoons zelf, waarschijnlijk omdat de masten meer in het oog vallen.

[10] http://www.europa.eu.int/comm/enterprise/ rtte/questions.htm

Artikel 3, lid 1, onder a), van de R&TTE-richtlijn noemt de volgende essentiële eis: "de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van de gebruiker of van anderen, met inbegrip van de doelstellingen met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften van Richtlijn 73/23/EEG [11], echter zonder toepassing van de spanningsgrens [12]". De essentiële eis biedt bescherming tegen alle apparatuur die onder de R&TTE-richtlijn valt, dus ook tegen op batterijen werkende radioapparatuur als gsm's, die zelf niet onder Richtlijn 73/23/EEG vallen.

[11] Richtlijn 73/23/EG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, PB L 77 van 26.3.1973, blz. 29.

[12] "Spanning" betekent hier de voedingsspanning van apparatuur.

Onder de oorspronkelijke mandaten werden maar weinig vorderingen geboekt. In 2000 werden ze aangepast en werd verwezen naar de aanbeveling van de Raad en de R&TTE-richtlijn. Het dringende karakter van geharmoniseerde normen voor met name gsm's werd benadrukt. Medio 2001 waren ze klaar. Andere, voor apparaten met een klein zendbereik en anti-diefstalpoortjes, werden later goedgekeurd.

De normen voor de basisstations zullen betrekking hebben op de apparatuur, de installatie en het meten van de straling ter plaatse, zodat ze de gevolgen van de blootstelling door gsm-masten volledig dekken. In het kader van de R&TTE-richtlijn bieden deze normen apparatuur het vermoeden van overeenstemming met de essentiële eisen "bij behoorlijke installatie en onderhoud en bij gebruik overeenkomstig haar bestemming". Aangezien de masten vaak allerlei apparatuur bevatten, die aan meer dan een netwerkexploitant kan toebehoren, is duidelijk dat bij de ingebruikneming van ieder apparaat rekening moet worden gehouden met het gecombineerde effect van alle apparatuur. Zolang de CENELEC-normen ter zake nog niet beschikbaar zijn, staat het de lidstaten vrij nationale normen [13] te hanteren om de essentiële eisen van de richtlijn te interpreteren. Verder staat artikel 7, lid 2, het de lidstaten toe de ingebruikneming van basisstations en andere radioapparatuur te beperken om redenen die verband houden met de volksgezondheid. De Commissie wijst erop dat de technische aspecten van dergelijke regelingen moeten worden aangemeld in het kader van Richtlijn 98/34/EG. De regelingen mogen er niet op gericht zijn strengere limieten op te leggen dan de richtlijn beoogt. Vaak gaat het om voorschriften op het gebied van de ruimtelijke ordening op plaatselijk of regionaal niveau en is het niet duidelijk of ze moeten worden aangemeld. Doorgaans verplichten ze tot het gezamenlijk gebruik van een mast om zo het aantal masten tot het minimum te beperken, tot minimale afstanden van de masten tot de bevolking of verbieden ze de oprichting van masten in de buurt van scholen en ziekenhuizen. Ze zijn vooral bedoeld om gevolg te geven aan de onrust onder de bevolking over vermeende gezondheidsrisico's door de masten. Op enkele uitzonderingen na ligt de blootstelling door de basisstations in de praktijk ver (een factor 100-100 000) onder de door de Raad aanbevolen limieten, die geacht worden veel bescherming tegen schadelijke gevolgen te bieden. Overigens mag niet uit het oog worden verloren dat de plaatsing van masten op grote afstand van de bevolking tot een hoger blootstellingsniveau leidt omdat het voor de communicatie vereiste vermogen met de afstand toeneemt en dus juist in strijd is met de doelstelling het blootstellingsniveau te verlagen.

[13] Zie bijvoorbeeld het Verslag over de tenuitvoerlegging van de Aanbeveling van de Raad betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz, op http://europa.eu.int/comm/health/ph/ programmes/pollution/implement_rep_en.pdf

Het Directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming heeft eind 2001 onderzocht of de lopende normaliseringswerkzaamheden op het gebied van elektromagnetische velden in het kader van de aanbeveling van de Raad kunnen worden verricht. Het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu van dit DG heeft op 30 oktober in Brussel een advies over de mogelijke gevolgen van elektromagnetische velden, radiofrequentievelden en microgolfstraling voor de menselijke gezondheid (Opinion on Possible effects of Electromagnetic Fields (EMF), Radio Frequency Fields (RF) and Microwave Radiation on human health) gepubliceerd. De conclusie luidde dat de nieuwe informatie die de laatste jaren beschikbaar was gekomen, een herziening van de blootstellingslimieten uit de aanbeveling van de Raad niet rechtvaardigde en dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs was om een alternatief voor te stellen. In 2004 zal de aanbeveling opnieuw worden bestudeerd.

2.8. Stoorzenders (jammers)

Nu mobiele diensten, en met name de gsm, steeds meer ingang vindt, is het nodig aandacht te besteden aan de sociale problemen in verband met onbehoorlijk gebruik (irritante beltonen en gesprekken) en aan veiligheidsproblemen (bv. in gevangenissen of ziekenhuizen). Hoewel men er in het algemeen op rekent dat dergelijke problemen op vrijwillige basis kunnen worden opgelost (verbodsborden, sociale controle, verbod van gsm's), hebben enkele belanghebbende partijen de wens geuit de problemen aan te pakken door de communicatie technisch te verhinderen. Deze ontwikkeling heeft tot grote bezorgdheid geleid bij het permanent comité en andere regelgevende instanties. Hierdoor zouden de verkoop en het ongecontroleerde gebruik van dergelijke gsm-jammers worden gelegaliseerd. Dit zou ertoe kunnen leiden dat er veel gaten in de gsm-dekking ontstaan, wat gepaard gaat met een vermindering van de kwaliteit van de dienstverlening en van de toegang tot nooddiensten, terwijl ook een deel van de dekking wegvalt, die de exploitanten via vergunningen hebben verworven.

Voorlopig (november 2003) blijven deze apparaten illegaal, aangezien geen enkele lidstaat een concrete regeling van de gebruiksvoorwaarden heeft ingevoerd. Overheidsinstanties moeten een geïnformeerd debat aangaan met de organisaties die het gsm-verkeer op sommige plaatsen willen verbieden. Er moeten oplossingen worden gevonden die dit doel effectief bereiken zonder dat de algemene beschikbaarheid van mobiele communicatie wordt ondermijnd.

3. Beoordeling van de doeltreffendheid van de richtijn

3.1. Algemeen

Met de richtlijn zijn positieve ervaringen opgedaane. De interne markt voor radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur is aanzienlijk verbeterd nu uiteenlopende nationale administratieve procedures zijn verdwenen, terwijl in toenemende mate wordt vertrouwd op geharmoniseerde normen in plaats van op nationale typegoedkeuringen. Dankzij de vereenvoudiging van de procedures is het administratieve werk voor fabrikanten, overheidsinstanties en cerificeringsinstellingen verminderd. De consolidatie van de certificeringsindustrie in de EU als gevolg daarvan heeft tot enig banenverlies geleid, maar niet in significante mate als men het vergelijkt met andere belangrijke economische factoren die van invloed waren op de telecommunicatie-industrie.

3.2. Conformiteit van radioapparatuur

Er is geen toename van schadelijke radio-interferentie vastgesteld. De eerste resultaten van het toezicht op de naleving van de voorschriften lieten op sommige punten een technische non-conformiteit zien, maar er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van een toename ten opzichte van eerdere regelingen. Eind 2002 is in een aantal lidstaten een speciale campagne inzake markttoezicht van start gegaan; deze was gericht op administratieve niet-naleving (onjuiste merktekens, verschafte informatie enz.) Er bleek weliswaar vaak sprake te zijn van administratieve niet-naleving, maar dit niet lijkt samen te gaan met technische non-conformiteit en een toename van de interferentie of tot problemen voor de consument. Hierdoor is het de vraag of deze maatregelen wel evenredig zijn. Sommige fabrikanten lijken ten onrechte te denken dat er geen advies van een aangemelde instantie nodig is wanneer er geen geharmoniseerde normen voor de gezondheids- en veiligheidseisen bestaan.

3.3. Geen gevolgen voor de netwerkintegriteit

De integriteit van de openbare telecommunicatienetwerken liept geen gevaar, zodat het niet nodig was eisen aan de interoperabiliteit van eindapparatuur te stellen. Er zijn aanwijzingen dat enkele netwerkexploitanten vroegere eisen in verband met de conformiteitsbeoordeling in hun aanbestedingsspecificaties opnemen of de grenzen van het netwerk zo vaststellen dat bepaalde apparatuur tot het netwerk blijft behoren. Met name in de mobiele sector dienen zich ontwikkelingen bij het bundelen van apparatuur met (vooral multimedia-)diensten aan die het gevaar in zich bergen dat de keus voor de consument wordt beperkt.

3.4. Door de belanghebbenden aan de orde gestelde problemen

Bij een in het TCAM gehouden enquête bleken de lidstaten en andere belanghebbenden bepaalde problemen te hebben vastgesteld. In de meeste gevallen ging het hierbij niet om de gebruikersinformatie (merktekens, etikettering en gebruiksaanwijzing: artikel 6, lid 3, van de richtlijn), aanmelding van radioapparatuur die gebruik maakt van een niet-geharmoniseerd spectrum (artikel 6, lid 4; sommige lidstaten zien dit als een overbodige eis) en aanmelding van interfaces (artikel 4). Er werden tal van commentaren op diverse aspecten van de conformiteitsbeoordelingsprocedures gegeven, zonder dat een bepaald aspect eruit sprong.

Wat artikel 4, lid 1, betreft, werd door de overheidsinstanties vaak gewezen op hun zorgen met betrekking tot een mogelijke overlapping met soortgelijke verplichtingen tot het aanmelden van technische regelingen uit hoofde van Richtlijn 98/34/EG. Ten aanzien van artikel 4, lid 2, maakte de veel kleinere vertegenwoordiging van de fabrikanten zich zorgen over de onthulling van vertrouwelijke informatie, de vereiste inhoud daarvan en de commerciële schade die zij hierdoor kunnen oplopen. Gezien deze laatste punten en ook omdat niet alle lidstaten ervoor hebben gezorgd dat alle netwerkinterfaces werden gepubliceerd, lijkt de publicatie van informatie over netwerkinterfaces door de exploitanten van openbare telecommunicatienetwerken voor kleine exploitanten onevenredig te zijn. Nagegaan moet worden of deze eis niet alleen voor exploitanten met een belangrijke marktpositie moet gelden. De fabrikanten wensen dat deze informatie gemakkelijk beschikbaar is, bij voorkeur op het internet.

Er werden enkele taalkundige afwijkingen in de tekst van de richtlijn in de officiële talen vastgesteld; deze werden gecorrigeerd.

De kwesties van de gebruikersinformatie (die sommigen onevenredig achten) en de conformiteitsbeoordeling zijn van horizontale aard, zodat ze het best bij de algehele herziening van de nieuweaanpakrichtlijnen kunnen worden behandeld. Voor andere apparatuur dan radioapparatuur zijn er verder geen problemen.

Voor radioapparatuur kwamen uit de TCAM-enquête enkele kwesties van praktisch belang naar voren, die afbreuk doen aan de voordelen van de richtlijn. Meestal gaat het hierbij om secundaire maatregelen in nationale uitvoeringsbepalingen en aangelegenheden buiten het eigenlijke toepassingsgebied van de richtlijn, zoals de nationale spectrumplanning en daarmee verband houdende beperkingen.

3.5. Verschillen tussen de doelstellingen en bepalingen van de richtlijn en de nationale radioregelingen

Bij de door de ETSI ontwikkelde normen wordt rekening gehouden met compatibiliteitsstudies, terwijl een verklaring van intentie tussen de ETSI en de CEPT/ECC waarborgt dat ook elementen uit radioregelingen in aanmerking worden genomen. Toch hebben regelgevers vaak moeite met de rol van de normalisatie en geharmoniseerde normen als element van het radioregelgevingsklimaat. Er is een aantal interfaceregels bij de Commissie aangemeld volgens de procedure van Richtlijn 98/34/EG; daarin werden zaken geregeld die onder de richtlijn vallen en waarover de Commissie opmerkingen moest maken of een gedetailleerd advies moest uitbrengen. In een aantal gevallen werden bij dergelijke regelingen gebruiksvoorwaarden ingevoerd die in strijd waren met de eisen in de geharmoniseerde normen. Sommige regelgevers lijken onvoldoende vertrouwen te hebben in de normaliseringsinfrastructuur, waardoor ze ertoe neigen de besluitvorming over de toegang tot de markt voor specifieke technologieën als hun voorrecht te blijven zien. Hierdoor ontstaat spanning met de doelstellingen van de richtlijn, die transparante regels voor het gebruik van het spectrum en een innovatievriendelijk klimaat beoogt.

De regels voor het verkrijgen van toegang tot het spectrum en het besluitvormingsproces voor nieuwe toewijzingen zijn in de EU nooit geharmoniseerd geweest. Om voor nieuwe technologieën toegang tot het spectrum te krijgen zijn naast "lobbywerk" ook studies naar de technische compatibiliteit en veel tijd nodig, terwijl soms ook nog eens gebruiks- of toegangsgelden moeten worden betaald. Deze belemmeringen zijn vooral belastend voor kleine en middelgrote ondernemingen en verstikken de innovatie. De Commissie constateert dat op mogelijk belangrijke nieuwe technologische gebieden de ontwikkeling van geharmoniseerde besluiten om toegang tot het radiospectrum te verlenen in Europa achterloopt bij andere grote economieën. Het gevaar bestaat dat een star regelgevingskader de EU minder aantrekkelijk voor innovatieve producten maakt dan de VS, waar de regelgevingsprocedure transparanter en meer geïntegreerd is en de markt meer pressie uitoefent om nieuwe technologieën te legaliseren. De Commissie heeft een raadgevende Beleidsgroep Radiospectrum [14] opgericht, die wellicht het passende kader biedt voor een beleidsdiscussie over de stroomlijning en versnelling van het besluitvormingsproces. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de mogelijkheden van een experimenteel gebruik binnen de EU ter ondersteuning van compatibiliteitsstudies, die nu grotendeels theoretisch worden uitgevoerd, en de ontwikkeling van transparantere procedures voor de vaststelling van geharmoniseerde EU-besluiten over de toegang van het spectrum.

[14] http://europa.eu.int/information_society/ topics/ecomm/doc/shortcuts/radiospectrum/word /radio_spectrum_policy_group_decision/en.doc

Belangrijk bij dergelijke besprekingen is de vraag onder welke omstandigheden het spectrumgebruik moet worden geregeld door expliciete vergunningen voor gebruikers en/of apparaten en een vergaande segmentering van het spectrum door een op de technologie-toegesneden regeling van het spectrumgebruik in de lidstaten. Uit de ervaringen met de ISM-banden blijkt dat innovatie kan worden gestimuleerd door de beschikbaarstelling van een algemeen spectrum zonder vergunningen ("vrije banen") met regels voor gezamenlijk gebruik (de "verkeersregels", neergelegd in geharmoniseerde normen), zodat de apparaten zonder conflicten het spectrum kunnen delen. Dit geldt zeker voor apparaten met een klein zendbereik, die een steeds groter aandeel in de radioapparatuurmarkt hebben. Tevens moet worden nagedacht over de mogelijkheid om voor het gebruik van vergunningsplichtige spectrumbanden meer gebruik te maken van flexibeler, minder op de technologie toegesneden voorwaarden. Nieuwe technologische ontwikkelingen (cognitieve apparaten, softwareradio, ultrabreedband) bieden regelgevers de mogelijkheid flexibeler te zijn en meer op de technologie te vertrouwen om te zorgen voor een efficiënt en interferentievrij gebruik van het spectrum. Voor de EU is het belangrijk een gemeenschappelijk, liberaal beleid te hebben, zodat deze technologieën zich kunnen ontwikkelen en er duidelijke regels (en geharmoniseerde normen) komen voor de constructie van dergelijke producten.

3.6. Problemen bij het verkrijgen van informatie over het spectrum

Het is voor een fabrikant niet gemakkelijk informatie over het gebruik van het spectrum te krijgen. Pas in 2003 werd de opmaak van de aanmelding van apparatuur die gebruik maakt van het niet-geharmoniseerde spectrum in overeenstemming met artikel 6, lid 4, geharmoniseerd. Men wil bij dergelijke aangelegenheden liever niet de beginselen van de interne markt toepassen. Er zijn al veel spectrumplannen gepubliceerd, maar deze bieden geen informatie die van wezenlijk belang is voor het ontwerpen en in de handel brengen van apparatuur, zoals de vergunningsvoorwaarden. Bovendien zijn de technische vergunningsvoorwaarden niet geharmoniseerd. Dit heeft ertoe geleid dat fabrikanten de lidstaten "uittesten" met kennisgevingen van hun voornemen apparatuur op de markt te brengen om zo informatie over het spectrum en rechtszekerheid te verkrijgen. Hoewel de kennisgevingsprocedure dus dient als methode om fabrikanten informatie te geven, blijkt hieruit dat pogingen om op Europees niveau informatie over de regels voor het gebruik van het spectrum beschikbaar te stellen (met name via het EFIS-project [15]) tot dusverre onvoldoende waren.

[15] http://www.efis.dk/search/ general

Er is alleen een beperkte lijst van geharmoniseerde frequentiebanden vastgesteld, waarvoor apparatuur niet hoeft te worden aangemeld. De vooruitgang wordt belemmerd door een uiteenlopende detaillering van de regels voor het spectrumgebruik, ook al is de frequentieband zelf geharmoniseerd. Er is behoefte aan een mechanisme om iedere aangemelde regeling te vergelijken met de regelingen van andere lidstaten, terwijl specifieke spectrumharmonisatiemaatregelen van de CEPT via de radiospectrumbeschikking [16] in de hele EU effectief verplicht moeten worden. Ingevolge deze beschikking is het noodzakelijk informatie over de voorwaarden van het spectrumgebruik in de EU te verstrekken, en een constructieve synergie tussen de informatiebehoeften van deze twee wetsteksten zal zijn vruchten afwerpen.

[16] Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking), PB L 108 van 24.4.2002.

In ieder geval maakt een betrekkelijk gebrek aan informatie het moeilijk voor fabrikanten alle voorwaarden vast te stellen waaraan moet worden voldaan voordat een product in een bepaalde lidstaat kan worden gebruikt.

3.7. Moet men eindapparatuur in het kader van deze richtlijn blijven reguleren?

Omdat artikel 3, lid 3, geen essentiële eisen bevat voor telecommunicatie-eindapparatuur die geen radioapparatuur is, en het niet meer mogelijk is ingevolge artikel 18, lid 3, speciale eisen aan dergelijke apparatuur te stellen, staan er voor deze eindapparatuur alleen nog essentiële eisen in artikel 3, lid 1. Dit artikel verwijst direct naar de beschermingsvoorschriften in de Richtlijnen 73/23/EEG en 89/336/EEG. Derhalve rijst de vraag of telecommunicatie-eindapparatuur niet uit deze richtlijn kan worden overgebracht naar de algemene concurrentiewetgeving en de horizontale laagspannings- en EMC-richtlijnen (ervan uitgaande dat de laagspanningslimiet bij de herziening van de desbetreffende richtlijn wordt geschrapt). Hierbij moet er wel rekening mee worden gehouden dat er op dit terrein nog dominante marktdeelnemers zijn en dat de administratieve bepalingen van deze richtlijnen afwijken van die van de R&TTE-richtlijn. Er zal aandacht moeten worden besteed aan het vermijden van de herinvoering van nationale regelingen voor eindapparatuur, de behoefte van de industrie aan stabiliteit en aan het bundelen van apparatuur met netwerkdiensten, bijvoorbeeld door de bestaande verplichtingen in verband met de publicatie van netwerk-interfaces in het kader van dienstenregelingen te handhaven. Hier staan de verdere liberalisering van deze apparatuurcategorie en het opheffen van de ambiguïteit van apparatuur die zowel eindapparatuur als component van een openbaar telecommunicatienetwerk is [17], tegenover.

[17] Infrastructuurapparatuur (m.u.v. radioapparatuur) die in telecommunicatienetwerken wordt gebruikt, valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn en mag niet op andere wijze worden gereguleerd dan via de laagspanningsrichtlijn (73/23/EEG) en de EMC-richtlijn (89/336/EEG). Er is echter één lidstaat die een nationale goedkeuringsregeling voor dergelijke apparatuur toestaat. Dit fragmenteert met name de markt voor xDSL-modems voor breedbandtoegang.

Een ander punt van overweging voorafgaande aan het schrappen van telecommunicatie-eindapparatuur uit de R&TTE-richtlijn is of de toegankelijkheid die via de toepassing van artikel 3, lid 3, onder f), kon worden gestimuleerd, ook kan worden gewaarborgd wanneer andere richtlijnen worden gebruikt.

3.8. De grenzen van de richtlijn

De toepassing van de richtlijn op luchtvaartapparatuur moet worden heroverwogen. De uitzonderingen van bijlage I zijn dubbelzinnig en worden van lidstaat tot lidstaat anders geïnterpreteerd. De Commissie heeft de Raad voorgesteld deze apparatuur in afzonderlijke richtlijnen te behandelen.

De beperking van de richtlijn tot "radiocommunicatie"-apparatuur heeft vragen opgeworpen over de toepassing op stoorzenders, radars en radardetectors. Ook al wordt de toepassing van de richtlijn op dergelijke apparatuur verduidelijkt, toch zou een omschrijving van het toepassingsgebied als "apparatuur waarmee radiogolven kunnen worden uitgezonden en/of ontvangen" de werking van de richtlijn vergemakkelijken.

3.9. Herziening van de bepalingen over niet-conformiteit

Een goede werking van de richtlijn hangt af van een efficiënt, doeltreffend markttoezicht dat in alle lidstaten op dezelfde wijze wordt toegepast. Dit moet nog volledig tot ontwikkeling worden gebracht, en er moet een duidelijk beeld van het markttoezicht en zijn resultaten komen. Niet-handhaving van de toezichtaspecten van de richtlijn bergt het gevaar in zich dat het nalevingsniveau steeds lager wordt, vooral voor radioproducten. Bij de algehele herziening van de nieuweaanpakrichtlijnen zal hier in zijn algemeenheid naar worden gekeken, maar nu al zijn de mechanismen ter ondersteuning van de dagelijkse samenwerking ontoereikend.

3.10. Relatie en overlapping met andere richtlijnen

Om historische redenen wordt in de regelgeving met betrekking tot interferentie een onderscheid gemaakt tussen interferentie die wordt veroorzaakt door specifieke radiozendapparatuur (deze valt nu onder de richtlijn, en vroeger onder nationale goedkeuringsregels) en interferentie door apparaten waarbij het zenden een neveneffect is (deze vallen onder de EMC-richtlijn). Het hoofddoel van beide richtlijnen is het vermijden van interferentie door radio- en telecommunicatiediensten. De vraag rijst of de uiteenlopende bepalingen in beide richtlijnen wel gerechtvaardigd zijn. De huidige situatie is ongunstig voor de ontwikkeling van de markt voor apparaten met een gering zendvermogen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om medische apparatuur, en met name inductief gekoppelde apparaten, van 175 kHz. Het TCAM heeft de CEPT/ECC in april 2001 verzocht deze kwestie op de agenda te plaatsen en een algemene oplossing voor dergelijke apparaten te zoeken. Er werden vorderingen geboekt toen in juli 2002 wijzigingen werden opgenomen in Aanbeveling 70-03 van de ECC. Op het moment van opstelling van dit verslag wordt deze aanbeveling in sommige lidstaten nog steeds niet ten uitvoer gelegd, zodat moet worden gedacht aan een oplossing op grond van de bepalingen van de radiospectrumbeschikking.

Sommige lidstaten zijn begonnen met de invoering van nationale regelingen inzake interferentie door kabels voor telecommunicatienetwerken waarbij gebruik wordt gemaakt van Power Line Communication (PLC), xDSL, coaxkabel of lokaalnetwerktechnologieën (LAN), die thans buiten het kader van de R&TTE- of de EMC-richtlijnen vallen. Na overleg is overeengekomen dat het hierbij gaat om EMC-verschijnselen die al onder andere richtlijnen vallen. Het vaststellen van goede geharmoniseerde normen onder die richtlijnen bleek een moeilijke, ja zelfs netelige aangelegenheid te zijn. De Commissie zet het overleg over deze kwestie met de lidstaten in alle geschikte instanties voort [18].

[18] Het verslag van een onlangs gehouden workshop ter zake is te vinden op: http://europa.eu.int/comm/enterprise/ electr_equipment/emc/plcworkshop.htm

De gevolgen van het regelgevend kader voor elektronische communicatiediensten op deze richtlijn zijn nog niet duidelijk. Dat kader gaat verder dan het traditionele toepassingsgebied van de openbare telecommunicatie, die nog steeds de basis vormt voor de R&TTE-richtlijn. Afschaffing van de term openbaar telecommunicatienetwerk en de niet-geharmoniseerde behandeling van nieuwe technologieën door de lidstaten worden door de industrie als mogelijke problemen genoemd. Bij de volgende herziening van het regelgevend kader voor de elektronische communicatie in 2006 zouden deze aan de orde kunnen komen.

De eisen in het kader van deze richtlijn en die in het kader van de richtlijn over elektromagnetische compatibiliteit van apparatuur die bestemd is voor gebruik in motorvoertuigen (95/54/EEG) overlappen elkaar. De Commissie is voornemens deze kwesties bij een herziening van die richtlijn aan de orde te stellen.

4. Internationale aspecten

Artikel 16 van de richtlijn betreft problemen bij het in de handel brengen van apparatuur in derde landen. Bij de belemmeringen gaat het zowel over de overeenstemmingsbeoordeling als over administratieve en tarifaire hinderpalen. Er is allerlei beleid uitgevoerd om de drempels voor de markttoegang voor de EU-industrie te verlagen.

Protocollen inzake overeenstemmingsbeoordeling en de aanvaarding van industrieproducten bij de Europaovereenkomsten (PECA's) beogen de markten van de kandidaat-lidstaten al voor de toetreding te integreren. Ingevolge de PECA's moeten de kandidaat-lidstaten hun wetgeving afstemmen op die van de Gemeenschap. Ook al kwam de R&TTE in de onderhandelingen over de PECA's in een aantal gevallen aan de orde, toch is het onderwerp maar in een overeenkomst opgenomen (Malta).

Er is een speciale overeenkomst inzake wederzijdse erkenning (OWE) op basis van de R&TTE-richtlijn gesloten met Zwitserland, waarbij de regeling van dit land geïntegreerd werd in de EU-regelingen.

Verder zijn er OWE's gesloten met Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland en de VS. Ze hebben allemaal een bijlage over de telecommunicatiesector, op grond waarvan bepaalde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures van het derde land door aangewezen organisaties (overeenstemmingsbeoordelingsinstanties, OBI's) in de EU kunnen worden toegepast en vice versa. Voor de EU gaat het hierbij om de procedures van de R&TTE-richtlijn en voor de derde landen om de respectieve nationale procedure.

De EU is er in het kader van deze overeenkomsten in geslaagd erkenning te verkrijgen voor een aantal OBI's, zodat deze gemakkelijker toegang tot de markten van deze derde landen kunnen krijgen. De OWE-aanpak blijkt evenwel ernstige beperkingen te hebben. In de OWE's ligt de nadruk op de verschillen in technische regelingen en zijn er maar weinig mogelijkheden deze te harmoniseren, ook al is er sprake van technische compatibiliteit. Bij deze aanpak, waarbij de verschillen blijven bestaan, moeten zowel de Commissie als de lidstaten veel middelen inzetten.

Het probleem wordt nog vergroot door het verschil tussen de volledig geïntegreerde aanpak van veiligheid, EMC en radioconformiteit in het kader van de R&TTE-richtlijn en de afzonderlijke regelingen voor alle of diverse aspecten ervan in de wetgeving van derde landen. Dit betekent dat op telecommunicatieproducten die vanuit Europa naar een derde land gaan, meerdere sectorale bijlagen van de OWE (naast telecommunicatie doorgaans veiligheid en EMC) moeten worden toegepast. Een bijzonder geval zijn de VS, waar de besprekingen met de Occupational Health and Safety Agency (OSHA) over de uitvoering van de bijlage over veiligheid, die ook voor telecommunicatieapparatuur vereist is, zijn opgeschort. De grote inspanningen om de telecommunicatie-overeenkomsten in de praktijk te brengen konden voor de uitvoer van de EU naar de VS dus nog niet met succes worden bekroond.

De aanpak van de R&TTE-richtlijn is daarentegen geïntegreerd en duidelijk. Door de deregulering op sommige andere markten (Australië, Nieuw-Zeeland) zijn de drempels voor de markttoegang aanzienlijk verlaagd, zodat het de vraag is in hoeverre het zinvol is verder te werken aan de OWE's. Anderzijds kunnen in feite vrijwillige technische eisen en certificeringsprogramma's als de VCCI in Japan belemmeringen opwerpen die buiten het kader van een OWE vallen.

Om dergelijke redenen hebben de overeenkomsten nog geen aantoonbare directe toegevoegde waarde voor de fabrikanten en de certificeringsbelangen in de EU. Een indirect effect van de OWE's is dat ze harmonisatie stimuleren door de uitwisseling van goede praktijken en een beter begrip van de problemen als gevolg van de verschillen tussen de rechtssystemen. Er zijn er al diverse vereenvoudigd, deels als gevolg van dergelijke contacten. Helaas heeft een gebrek aan middelen bij de Commissie en de regelgevers in de EU eraan in de weg gestaan verder te gaan met de OWE-dossiers.

Afgezien van de OWE's heeft de Wereldhandelsorganisatie in het kader van de Overeenkomst inzake informatietechnologie (ITA) een werkprogramma voor niet-tarifaire maatregelen opgesteld. Deze omvat niet alleen de overeenstemmingsbeoordeling en andere technische maatregelen, maar ook zaken als douaneprocedures, invoervergunningen, overheidsaanbestedingen enz. Wat de technische maatregelen betreft, is er een diepgaande studie van EMC-vraagstukken uitgevoerd, waarin werd aangetoond dat belemmeringen van de markttoegang veel vaker betrekking hebben op overeenstemmingsbeoordelingsprocedures dan op uiteenlopende technische normen.

Bij de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties bestaat een werkgroep voor het beleid op het gebied van technische harmonisatie en normalisatie. Hier kan informatie worden uitgewisseld over de uitvoering van allerlei beleid op het gebied van regelgeving en normalisatie. Ook doet de werkgroep aanbevelingen voor de harmonisering van het beleid. Er zijn initiatieven ontplooid om het door de werkgroep voorgestelde mondiale model voor de overeenstemmingsbeoordeling, waarmee de nieuwe aanpak [19] compatibel is, op een reeks R&TTE producten toe te passen.

[19] http://www.unece.org/trade/tips/docs/ wp6_01/model-17r4e.doc

De OESO heeft een studie uitgevoerd, getiteld: "Standards-Related Barriers and Trade Liberalisation: Telecommunications Sector" [20]. Hieruit komt naar voren dat de regelgeving kan worden vereenvoudigd door op grotere schaal internationale normen te gebruiken, de eisen aan de interoperabiliteit af te schaffen, vooral voor radio-interfaces, en wat de overeenstemmingsbeoordeling betreft te vertrouwen op de verklaring van de leverancier ter zake.

[20] http://www.olis.oecd.org/olis/2001doc.nsf/ LinkTo/td-tc-wp(2001)11-final

De strategieën ter verlaging van de belemmeringen voor de EU-industrie moeten worden herzien. De huidige aandacht voor OWE's lijkt niet doeltreffend.

5. Conclusies

De richtlijn heeft zijn oorspronkelijke doelstellingen bereikt. De invoering van een interne markt voor radio- en telecommunicatieapparatuur, die de innovatie en het concurrentievermogen zou bevorderen, ondervindt evenwel nog steeds hinder van zaken die buiten haar bereik liggen. Verdere vooruitgang bij het bereiken van deze doelstellingen is afhankelijk van de harmonisatie en vereenvoudiging van de regels voor toegang tot het spectrum voor nieuwe toepassingen en voor het gebruik van het radiospectrum.

De aard van de moeilijkheden waarmee men bij de uitvoering van deze richtlijn te kampen kreeg, rechtvaardigt nog geen beleidswijziging. Gezien de waargenomen onvolkomenheden en de opgedane ervaring is een beperkte herziening van de richtlijn nodig:

* Het moet mogelijk worden om uitvoeringsvoorschriften en interpretaties van de richtlijn door middel van een comitologieprocedure wettelijk bindend te maken.

* Nagegaan moet worden of het huidige gebruik van beschikkingen op grond van artikel 3, lid 3, voor reddingsdoeleinden en andere doeleinden van openbaar belang niet moet worden vervangen door sectorspecifieke regelingen.

* De toepassing op luchtvaartapparatuur moet worden verduidelijkt, terwijl moet worden bestudeerd of radioapparatuur die niet bestemd is voor radiocommunicatie wel moet worden opgenomen.

* De bepalingen over de behandeling van niet-conforme producten moet worden verbeterd. Er moet voor worden gezorgd dat deze bepalingen een doeltreffend markttoezicht garanderen, dat het gebruik van de middelen wordt geoptimaliseerd en dat er alleen een formeel advies van de Commissie wordt verlangd wanneer het niet-conform zijn van een product wordt aangevochten.

* De vereisten inzake gebruikersinformatie, merktekens en andere administratieve bepalingen in het kader van deze richtlijn en de andere nieuwe-aanpakrichtlijnen (met name de laagspanningsrichtlijn en de EMC-richtlijn) moeten worden heroverwogen en aangepast. De verplichtingen ter zake moeten evenredig zijn aan het doel. Nagegaan moet worden hoe relevante informatie in voorkomend geval toegankelijk kan worden gemaakt voor alle gebruikers, en met name voor personen met een functiebeperking.

* Nagegaan moet worden of sommige bepalingen die exploitanten verplichten de kenmerken van hun netwerk bekend te maken, niet kan worden opgeheven voor kleine exploitanten.

* Nagegaan moet worden of eindapparatuur die geen radioapparatuur is niet uit de richtlijn kan worden gehaald, zodat deze alleen nog onder de EMC- en de laagspanningsrichtlijn valt. Daarbij moet rekening worden gehouden met dominante marktdeelnemers, de mogelijk herinvoering van nationale regelingen en de bundeling van apparatuur met netwerkdiensten en de behoefte van de fabrikanten aan stabiliteit.

* Nagegaan moet worden hoe kan worden gezorgd voor een samenhangende regeling inzake interferentie van het radiofrequentiespectrum door radioproducten- en andere producten.

* De bepalingen en de terminologie van de richtlijn moeten in overeenstemming worden gebracht met het nieuwe regelgevingskader voor elektronische communicatie.

Nagegaan moet worden of artikel 3, lid 3, onder f), ook toegepast kan worden op de toegankelijkheidsvereisten voor bepaalde categorieën eindapparatuur. Dit is vooral van belang voor alarmapparatuur, waarvan de toegankelijkheid gewaarborgd moet zijn. Er moet dan ook overleg met de lidstaten worden gevoerd om duidelijkheid te krijgen over de grens tussen apparatuur en netwerken voor kwesties die verband houden met de toegankelijkheid en om gezamenlijk acties te ondernemen om op Europees niveau geharmoniseerde oplossingen te stimuleren. Binnen het kader van de huidige richtlijn wordt een aantal maatregelen voorgesteld om de toepassing ervan te verbeteren:

* De samenwerking tussen de aangemelde instanties (R&TTE Compliance Association) en de nationale regelgevers op spectrumgebied moet worden verbeterd om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren voor innovatieve producten niet worden betwist.

* De Commissie moet bestuderen of de technische bepalingen in plaatselijke ruimtelijke-ordeningregelingen voor basisstations verenigbaar zijn met de richtlijn.

Om het doel, de invoering van een interne markt voor radio en telecommunicatieapparatuur die innovatie bevordert en het concurrentievermogen stimuleert, te bereiken worden verder nog de volgende maatregelen voorgesteld:

* Er moet meer apparatuur worden overgebracht van categorie 2 (waarvoor nationale beperkingen gelden) naar categorie 1 (gebruik overal in de Gemeenschap). De spectrumbeschikking moet worden gebruikt om te komen tot een meer geharmoniseerd spectrum, met name voor consumentenartikelen en apparaten met een klein zendbereik, waar de voordelen van de interne markt voor fabrikanten en consumenten aanzienlijk is.

* In het kader van de radiospectrumbeschikking moet overleg met de lidstaten worden gevoerd over stroomlijning van het besluitvormingsproces voor de toewijzing van frequenties voor nieuwe toepassingen, waaronder het scheppen van mogelijkheden voor experimenten in de EU, zodat er een liberaler klimaat ontstaat waarin het concurrentievermogen van de EU-industrie en de maatschappelijke voordelen in de EU worden gestimuleerd.

* In dat verband moet er ook met de lidstaten over worden gesproken of het verlagen van toegangsdrempels voor het spectrum beleidsvoordelen oplevert en of nieuwe technologische ontwikkelingen de mogelijkheid bieden de noodzaak van individuele vergunningen en een rigide segmentering van het spectrum te verminderen.

Wat de internationale aspecten betreft, moet de werkelijke toegevoegde waarde van de huidige OWE's worden bestudeerd. De Commissie moet zoeken naar doeltreffender wegen om de problemen in verband met de markttoegang voor de EU-industrie aan te pakken.

Top