This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52004DC0254
Green paper - Maintenance obligations
Groenboek - Onderhoudsverplichtingen
Groenboek - Onderhoudsverplichtingen
/* COM/2004/0254 def. */
Groenboek - Onderhoudsverplichtingen /* COM/2004/0254 def. */
GROENBOEK - Onderhoudsverplichtingen (door de Commissie ingediend) 1. Doel van het Groenboek Dit Groenboek heeft als doel een breed overleg op gang te brengen tussen de personen die belang hebben bij de juridische en praktische problemen die zich voordoen in zaken over onderhoudsverplichtingen met een internationaal karakter. Dit document is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie, op de bijdragen die zijn geleverd door deskundigen in lidstaten van de Europese Unie, en op gegevens die zijn verzameld in het kader van de werkzaamheden die dienaangaande zijn uitgevoerd door de Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht. Het document hoopt een beeld te geven van de verschillende aspecten van deze zaak, waarvoor een wijziging van de communautaire regelgeving noodzakelijk lijkt, en voor zaken die de grenzen van de Europese Unie overschrijden, nieuwe verdragsregels, en tevens een aanzet te geven voor verder beraad. Een overzicht van de meningen en opmerkingen van alle belanghebbende partijen in deze zaak zou aanleiding moeten geven tot overleg over de doelstellingen, zowel op communautair niveau als in het kader van de werkzaamheden waarmee door de Conferentie van Den Haag een begin is gemaakt. 2. Modaliteiten voor overleg De Commissie verzoekt alle belanghebbenden haar hun antwoorden op de vragen in het Groenboek te doen toekomen. De volledige lijst met vragen is te vinden aan het einde van dit document. Deze lijst is natuurlijk niet uitputtend en alle opmerkingen over aanvullende punten kunnen eveneens worden ingestuurd. De antwoorden en opmerkingen moeten vóór 30 september 2004 worden verzonden. Het zou echter, in het licht van de onderhandelingen die in de loop van de maand juni 2004 plaatsvinden in het kader van de Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht, bijzonder nuttig zijn als de antwoorden en opmerkingen zo spoedig mogelijk aan de Commissie worden toegezonden, bij voorkeur vóór 15 mei 2004, en wel naar het volgende adres: Europese Commissie Directoraat-generaal Justitie en binnenlandse zaken Eenheid JAI.C.1 (LX46 0/26) B - 1049 Brussel Fax: + 32 (0) 2 299 64 57 E-mail: jai.coop.jud.civil@cec.eu.int Belanghebbenden worden verzocht hun bijdrage in één enkel exemplaar en via één enkel communicatiemedium te versturen: per post, e-mail of fax. Uitdrukkelijk wordt verzocht te vermelden indien bezwaar bestaat tegen verspreiding van de antwoorden en opmerkingen op de internetsite van de Commissie. De Commissie is ook voornemens een openbare hoorzitting over dit onderwerp te organiseren. 3. INLEIDING 3.1. Algemeen kader 3.1.1. Geplande werkzaamheden op communautair niveau De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de Raad verzocht op basis van voorstellen van de Commissie speciale gemeenschappelijke procedureregelingen vast te stellen voor een vereenvoudigde, versnelde grensoverschrijdende beslechting van geschillen over met name alimentatievorderingen. Aanbevolen wordt met name intermediaire maatregelen af te schaffen die nog altijd moeten worden genomen om een in een andere lidstaat gewezen beslissing in de aangezochte staat te kunnen erkennen en ten uitvoer leggen. Het Programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, of "Programma voor wederzijdse erkenning", verwijst naar de conclusies van de Europese Raad van Tampere en beveelt aan ervoor te zorgen dat schuldeisers met een alimentatievordering niet meer verplicht zijn de exequaturprocedure te volgen. Het programma benadrukt bovendien dat de kwestie van alimentatievorderingen van directe betekenis is voor het dagelijkse leven van de burgers en dat de garantie dat alimentatievorderingen doeltreffend kunnen worden geïnd van wezenlijk belang is voor het welzijn van tal van personen in Europa. Ook wordt gewezen op het feit dat schuldeisers met een alimentatievordering reeds gebruik konden maken van de bepalingen van het Verdrag van Brussel van 1968, tegenwoordig vervangen door Verordening (EG) van de Raad nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Deze verordening bevat namelijk in artikel 5, lid 2, de volgende bepaling: "Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: (...) ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen." De schuldeiser met een alimentatievordering heeft dus de keuze zich te richten tot ofwel de bevoegde rechtbank van de lidstaat waar de schuldenaar woonachtig is, ofwel de rechtbank van de lidstaat waar de schuldenaar zelf woonachtig is of zijn gewone verblijfplaats heeft. Als de schuldenaar de zaak aanhangig maakt, heeft hij slechts één enkele mogelijkheid, namelijk een procedure in te leiden bij de bevoegde rechtbank van de lidstaat waar zijn tegenpartij woonachtig is. De kwestie van onderhoudsverplichtingen maakt dus deel uit van de gebieden die al gedeeltelijk vallen onder de bestaande communautaire instrumenten waarvoor het "Programma voor wederzijdse erkenning" de goedkeuring van een reeks maatregelen voorziet, met name uitvoerbaarheid bij voorraad en conservatoire maatregelen. Het "Programma voor wederzijdse erkenning" geeft bovendien in het algemeen aan dat het 'soms (...) nodig en zelfs onontkoombaar [zal] zijn dat in Europees verband een aantal procedurenormen wordt vastgesteld, als gemeenschappelijke minimumgaranties" en zelfs dat "gewerkt [zal] moeten worden in de richting van een zekere harmonisatie van de procedures". Het programma beoogt bovendien de invoering van begeleidende maatregelen voor wederzijdse erkenning voor "het zoeken naar een grotere doeltreffendheid van de executie in de aangezochte staat van justitiële beslissingen die in een andere lidstaat zijn gegeven", vooral voor "een nauwkeuriger bepaling van de vermogensbestanddelen van een schuldenaar op het grondgebied van de lidstaten" of waardoor de wederzijdse erkenning in een gunstige context komt te staan, namelijk "die van een betere samenwerking tussen de justitiële autoriteiten van de lidstaten" en tot slot met betrekking tot "de harmonisatie van de collisieregels". Om de gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit programma heeft de Commissie opdracht gegeven tot een onderzoek naar de inning van alimentatievorderingen in de lidstaten van de Europese Unie [1]. [1] Dit onderzoek kan worden geraadpleegd op de website van directoraat-generaal Justitie en binnenlandse zaken: http://europa.eu.int/comm/justice_home/ doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm Volgens het samenvattend verslag dat dit onderzoek afsluit is "er bij de inning van alimentatie-uitkeringen in de lidstaten sprake van massale geschillen vanwege de brozer geworden gezinsbanden" en "een communautair probleem dat voortvloeit uit het vrije verkeer van de Europese burgers". Desondanks blijkt uit de statistieken over de samenwerking tussen lidstaten niet het werkelijke aantal zaken waarvoor interventie van de lidstaten noodzakelijk zou kunnen zijn. Zoals het onderzoeksverslag aangeeft "brengt een gedetailleerde analyse van de Franse cijfers bepaalde verrassingen aan het licht. Vorig jaar heeft Frankrijk elf aanvragen uit Duitsland ontvangen en er vijf verstuurd. Er zijn vier dossiers uit het Verenigd Koninkrijk ontvangen en zes verstuurd. De Duitse en Engelse verslagen bevatten cijfers van dezelfde orde van grootte. Enige verbazing over het geringe aantal behandelde gevallen is hier op zijn plaats. Gezien het grote aantal inwoners van deze drie lidstaten, hun geografische nabijheid en de nauwe onderlinge banden, kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat er duizenden, of zelfs tienduizenden potentiële gevallen bestaan". Er zijn geen Europese statistische gegevens beschikbaar over het aantal gevallen betreffende alimentatievorderingen die grensoverschrijdende inning vergen, maar sommige cijfers kunnen een interessant beeld geven. Volgens de communautaire statistieken woonden er in 1999 ongeveer zes miljoen ingezetenen van een lidstaat van de Unie op het grondgebied van een andere lidstaat. We kunnen vaststellen dat in een groot aantal landen van de Unie het aantal echtscheidingen per 1000 inwoners bijna gelijk is aan de helft van het aantal huwelijken voor hetzelfde inwoneraantal. Volgens het onderzoeksverslag met betrekking tot Italië zijn er in 2000 155 621 aanvragen voor echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij de Italiaanse rechtbanken ingediend. Italië kent voor datzelfde jaar een scheidingspercentage van 0,7 per 1000 inwoners, dat wil zeggen een vierde van het aantal scheidingen in tien van de vijftien lidstaten van de Europese Unie. Het Spaanse verslag geeft aan dat 80% van de beslissingen over echtscheiding en scheiding van tafel en bed alimentatie-uitkeringen toekent, maar dat deze in meer dan 50% van de gevallen onbetaald blijven. Tot slot geeft het verslag over Zweden, een land dat 8,8 miljoen inwoners telt, aan dat in 2001 ongeveer 21 000 van de alimentatieplichtigen die bij het fonds voor de sociale verzekering staan ingeschreven in het buitenland woonachtig waren. Het totaal aan alimentatie-uitkeringen die door deze alimentatieplichtigen zijn betaald bedroeg ongeveer 7 miljoen euro. Al deze cijfers samen geven een idee van het belang, in meer dan één opzicht, van de kwestie van de inning van alimentatievorderingen binnen de Europese justitiële ruimte. Het aantal betrokken personen is namelijk zeer groot, de problemen die sommigen ondervinden kunnen zeer schadelijk zijn op zowel materieel als psychologisch vlak, de bedragen die de diverse staten moeten uitkeren om de nood van sommige alimentatieplichtigen te lenigen zijn aanzienlijk. De grensoverschrijdende inning van alimentatievorderingen vergt natuurlijk niet in alle gevallen samenwerking tussen de lidstaten, ofwel omdat de alimentatieplichtigen uit eigener beweging overgaan tot executie, ofwel omdat de gerechtigden afzonderlijk hun toevlucht nemen tot de methoden van gedwongen executie waarover zij beschikken. Toch zien waarschijnlijk veel gerechtigden af van hun rechten, door onkunde over de samenwerkingsmechanismen waarvan zij kunnen profiteren, omdat geen enkele hulp in hun specifieke geval is voorzien, bijvoorbeeld in geval van volwassenen van wie de alimentatieplichtige zich in een land bevindt dat alleen samenwerking verleent ten gunste van kinderen, of omdat ze na jaren van vruchteloze pogingen ontmoedigd zijn. Het onderzoeksverslag brengt namelijk aan het licht dat grensoverschrijdende inning van alimentatie-uitkeringen binnen de Europese justitiële ruimte stuit op allerlei soorten problemen, die zich zelfs nog vóór de uitspraak van de beslissing waarbij de alimentatie wordt toegekend voordoen, vanwege de gebrekkige samenwerking tussen de lidstaten of in de fase van de feitelijke executie. Alleen afschaffing van het exequatur is dus niet voldoende om alle obstakels voor de inning van de alimentatievorderingen binnen de Europese justitiële ruimte uit de weg te ruimen, zodat er andere maatregelen moeten worden genomen. 3.1.2. Door de Conferentie van Den Haag ondernomen werkzaamheden De Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht [2] is eveneens van start gegaan met nieuwe werkzaamheden op het gebied van onderhoudsverplichtingen ter modernisering van de momenteel bestaande verdragen; dit zijn, behalve een aantal regionale overeenkomsten, vijf internationale verdragen. [2] Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht. Permanent bureau: 6, Scheveningseweg 2517. Den Haag, Nederland. Website: http:// www.hcch.net Het betreft: - Het Verdrag van Den Haag van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is (geratificeerd door Duitsland, Oostenrijk, België, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en Portugal); - Het Verdrag van Den Haag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen (geratificeerd door Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland en Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zweden); - Het Verdrag van Den Haag van 2 oktober 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (geratificeerd door Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en Portugal). Dit verdrag komt, in de betrekkingen tussen de deelnemende landen, in de plaats van het Verdrag van Den Haag van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is. - Het Verdrag van Den Haag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen (geratificeerd door Duitsland, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk en Zweden). Dit verdrag komt, in de betrekkingen tussen de deelnemende landen, in de plaats van het Verdrag van Den Haag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen. En bovendien: - Het Verdrag van New York van 20 juni 1956 inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, gesloten in het kader van de UNO [3] (geratificeerd door alle lidstaten van de Europese Unie). [3] Bovendien zij eraan herinnerd dat een verdrag over de vereenvoudiging van de procedures inzake de inning van alimentatievorderingen in 1990 door de lidstaten is goedgekeurd maar nooit van kracht is geworden. De Conferentie van Den Haag had in 1995 een eerste speciale commissie bijeengeroepen. Tijdens haar bijeenkomst werd er een aantal aanbevelingen gedaan aan de landen die partij waren bij de verdragen. Vier jaar later moest een nieuwe speciale commissie echter helaas constateren dat er maar weinig verbeteringen waren aangebracht in de werking van de regelgeving van de Verdragen van Den Haag en New York. De commissie stelde daarom voor een nieuw instrument op te stellen "dat volledig moest zijn en gebaseerd diende te zijn op de beste aspecten van de bestaande verdragen". In navolging van de conclusies van de werkzaamheden van die tweede vergadering heeft de speciale commissie Algemene Zaken en Beleid van de 19e diplomatieke zitting van de Conferentie van Den Haag van april 2002, in aansluiting op de conclusies van de vorige vergadering van 2000, besloten de opstelling van een nieuw algemeen verdrag over onderhoudsverplichtingen met voorrang op de agenda van haar werkzaamheden te plaatsen. Een eerste speciale commissie gewijd aan de uitwisseling van meningen tussen de delegaties van de lidstaten van de Conferentie is in mei 2003 bijeengekomen, en een tweede vergadering zal in 2004 plaatsvinden. 3.2. Verband tussen de communautaire instrumenten en de Verdragen van Den Haag De aanvang van de werkzaamheden binnen de Conferentie van Den Haag tegelijk met de werkzaamheden op communautair niveau leidt noodzakelijkerwijs tot aansluitingsproblemen. Volgens de Commissie moet deze aansluiting zich beslist richten op het zoeken naar mogelijke synergieën tussen de beide overlegniveaus. De Gemeenschap moet een coherente strategie in het kader van de onderhandelingen in Den Haag kunnen vaststellen om een positieve bijdrage te leveren aan de verbetering van de internationale samenwerking op het gebied van de inning van alimentatievorderingen. Daarom heeft de Commissie in april 2003 de Raad een aanbeveling voor een besluit voorgelegd om toestemming te krijgen om namens de Europese Gemeenschap onderhandelingen te openen met het oog op de goedkeuring van een verdrag over onderhoudsverplichtingen in het kader van de Conferentie van Den Haag. De Commissie betreurt dat de Raad tot op heden nog niet heeft besloten de Commissie deze toestemming te verlenen en dat de Gemeenschap derhalve ontbreekt aan de onderhandelingstafel. Bovendien waren sommige lidstaten van mening dat de in het kader van de Conferentie van Den Haag lopende werkzaamheden voorrang moesten hebben ten opzichte van die welke op communautair niveau zullen worden verricht. Volgens deze landen verdient het de voorkeur te wachten op de uitkomst van de besprekingen in Den Haag alvorens wordt verdergegaan met de tenuitvoerlegging van de conclusies van Tampere en het Programma voor wederzijdse erkenning. Een dergelijke visie kan niet door de Commissie worden gedeeld. De Conferentie van Den Haag is in het verleden een belangrijk instrument geweest ter versterking van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie. Door het ontbreken van door de Verdragen aan de Gemeenschap toegekende bevoegdheden op het gebied van justitiële samenwerking zijn de lidstaten gedwongen hun toevlucht te nemen tot verdragsinstrumenten, of het nu gaat om tussen de lidstaten onderling gesloten verdragen, zoals het Verdrag van Brussel van 1968 of het Verdrag van Rome van 1980, of om verdragen die zijn gesloten in het kader van diverse internationale organisaties waarbij de Conferentie van Den Haag een belangrijke rol heeft gespeeld. Met de goedkeuring van het Verdrag van Amsterdam hebben de lidstaten echter besloten rechtstreekse bevoegdheid te verlenen aan de Gemeenschap om instrumenten vast te stellen en stappen te ondernemen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken. Zo vindt sinds het Verdrag van Amsterdam de opbouw van de Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken niet meer plaats via onderhandeling en ratificatie van internationale verdragen maar via de goedkeuring van verordeningen, richtlijnen en besluiten. De Conferentie van Den Haag heeft zo een van haar functies verloren die zij gedurende meerdere tientallen jaren moest vervullen: de rol van forum waarbinnen de lidstaten een grotere integratie onderling nastreefden. Het is overigens interessant op te merken dat artikel 65 van het Verdrag van Amsterdam uitdrukkelijk twee specifieke gebieden noemt die voorheen werden geregeld door de Verdragen van Den Haag die door vrijwel alle lidstaten zijn geratificeerd, te weten de betekening en kennisgeving van stukken en bewijsverkrijging, gebieden waarop sindsdien twee communautaire verordeningen zijn goedgekeurd. De Conferentie van Den Haag heeft echter niet haar belang voor de Europese Gemeenschap verloren. Deze internationale organisatie, die overigens de laatste jaren veel nieuwe leden in haar midden heeft mogen opnemen, is voor de Europese Gemeenschap een internationaal forum voor de ontwikkeling van een samenwerkingsbeleid met derde landen op het gebied van de burgerlijke rechtspraak. Het is eigenlijk daarom dat de Gemeenschap heeft besloten een aanvraag in te dienen voor haar toetreding tot deze internationale organisatie en dat hierover momenteel door de Europese Commissie onderhandelingen worden gevoerd. Bovendien is de ervaring van de Conferentie van Den Haag op het gebied van internationaal privaatrecht en de geboden ruimte voor uitwisseling en discussie voor een zeer groot aantal landen een inspiratiebron van onschatbare waarde voor de werkzaamheden die binnen de Europese Gemeenschap moeten worden ontwikkeld. Dit is overigens bijzonder duidelijk in het speciale geval van onderhoudsverplichtingen, waarvoor de Commissie verheugd is te kunnen putten uit de voorbereidende documenten van de Conferentie van Den Haag en de discussies die in mei 2003 hebben plaatsgevonden en waaraan zij als waarneemster heeft deelgenomen. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat op bepaalde gebieden resultaten uit de beraadslagingen in Den Haag kunnen voortkomen die de vaststelling van een communautair instrument minder noodzakelijk maken - dat zou kunnen gelden voor de collisieregels indien bevredigende oplossingen worden gevonden en onder voorbehoud dat de Gemeenschap kan toetreden tot het verdrag -, maken het verschil in mate van integratie tussen de lidstaten ten opzichte van derde landen en de omvang van de nagestreefde doelstellingen het vinden van speciale communautaire oplossingen noodzakelijk. De samenwerking tussen de lidstaten, die niet alleen beschikken over een coherenter en completer systeem van regels voor directe bevoegdheid en erkenning van vonnissen, maar ook over een operationeel Europees justitieel netwerk, kan beslist veel nauwer zijn dan met derde landen. Maar hoewel de ambities en ook de mogelijkheden bepaald nog uiteenlopen, kan en moet gebruik worden gemaakt van uitstekende synergieën waar het gaat om werkzaamheden die enerzijds op communautair niveau en anderzijds op internationaal niveau worden uitgevoerd. Daarom heeft de Commissie besloten om met de publicatie van dit Groenboek een algemene discussie op beide overlegniveaus in gang te zetten. 4. TOEPASSINGSGEBIED VAN TOEKOMSTIGE INSTRUMENTEN Het toepassingsgebied van een instrument kan moeilijk worden bepaald als de inhoud ervan nog niet is vastgesteld. Volledig verschillende regels over de toepasselijke wet, de toekenning van rechtshulp of samenwerking bijvoorbeeld kunnen namelijk worden vastgesteld afhankelijk van de grootte van het toepassingsgebied van het instrument. Bepaalde kwesties die zich voordoen kunnen echter nu al worden genoemd. Het betreft de definitie van onderhoudsverplichtingen en de aard van de vorderingen waarop de toekomstige instrumenten van toepassing moeten zijn, de soort beslissingen of stukken en de personen die ze betreffen. 4.1. Begrip onderhoudsverplichtingen Wat het begrip onderhoudsverplichtingen betreft, wordt verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat, onder toepassing van het Verdrag van Brussel van 1968, er een brede betekenis aan heeft toegekend. In het arrest L. de Cavel tegen J. de Cavel [4] heeft het Hof namelijk de "voorlopige overbruggingstoelage" na echtscheiding volgens het Franse recht gelijkgesteld met een onderhoudsverplichting, met het motief dat de toelage wordt vastgesteld "naar gelang van de wederzijdse bestaansmiddelen en behoeften". En in de zaak A. Van den Boogaard tegen. P. Laumen [5] heeft het Hof geoordeeld dat een "in een echtscheidingsprocedure gegeven beslissing waarin betaling van een eenmalig bedrag alsmede eigendomsoverdracht van bepaalde goederen van een echtgenoot aan zijn ex-echtgenote wordt gelast, moet worden geacht betrekking te hebben op onderhoudsverplichtingen (...) wanneer zij tot doel heeft het onderhoud van die ex-echtgenote te verzekeren". Het Hof heeft echter geen uitspraak hoeven doen over onderhoudsverplichtingen van erfrechtelijke aard. Om bepaalde onduidelijkheden te vermijden kan het daarom noodzakelijk zijn de onderhoudsverplichtingen die vallen binnen het toepassingsgebied van een toekomstig Europees instrument duidelijk te omschrijven. [4] Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 maart 1980. Zaak 120/79. [5] Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 27 februari 1997. Zaak C-220/95. Ook de Verdragen van Den Haag en New York geven geen definitie van het begrip onderhoudsverplichtingen. Evenwel zij opgemerkt dat een bijzondere bepaling in artikel 8 van het Verdrag van 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, alle onduidelijkheid over de toepassing van dit verdrag op onderhoudsverplichtingen tussen gescheiden echtgenoten wegneemt [6]. [6] Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht. Voorbereidend document nr. 1 van september 1995. Notitie over de werking van de Verdragen van Den Haag inzake onderhoudsverplichtingen en van het Verdrag van New York inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, blz. 22, waarin wordt aangegeven dat de invoering van een speciale regel noodzakelijk leek vanwege het onzekere karakter van de uitkering aan de ex-echtgenoot, waarbij het volgens sommige rechtsstelsels gaat om een alimentatie-uitkering en volgens andere om een vergoeding. 4.2. Achterstallige betalingen De kwestie van achterstallige betalingen, dat wil zeggen van de inning van alimentatie die door de rechter is toegekend maar niet betaald, doet zich in een bepaald aantal gevallen voor. Problemen kunnen zich met name voordoen indien de wet van het land waar de beslissing moet worden uitgevoerd bepaalt dat een beslissing tot veroordeling tot betaling van alimentatie pas kan worden uitgevoerd na ontvangst van het exequatur, voor de komende termijnen, of als de wet uitsluitend de inning van achterstallige betalingen voor een beperkte periode toestaat. 4.2.1. Communautair ontwerp Inzake de erkenning en tenuitvoerlegging in een lidstaat van de Europese Unie van een beslissing die is gegeven in een andere lidstaat, verandert de afschaffing van het exequatur de huidige situatie niet waarin het effect van deze beslissing in de aangezochte staat hetzelfde is als in het land van herkomst. De procedures voor de tenuitvoerlegging worden echter door de wet van de aangezochte staat geregeld en de mogelijkheid om een oude beslissing uit te voeren en dus achterstallige betalingen te innen kan zich voordoen in landen waar de regels inzake verjaring worden beschouwd als procedureregels. 4.2.2. Ontwerp-verdrag van Den Haag Tijdens de vergadering van de speciale commissie van mei 2003 is de kwestie van achterstallige betalingen aan de orde gesteld en hebben sommige delegaties opgemerkt dat er zich problemen voordoen wanneer de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd in het buitenland, vanwege de grote verschillen die tussen de verschillende rechtsstelsels bestaan en het ontbreken van duidelijke regels in 'common law'-stelsels. Artikel 11 van het Verdrag van Den Haag van 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen bepaalt: "Wanneer de beslissing de uitkering van onderhoud door middel van periodieke betalingen beveelt, wordt de tenuitvoerlegging toegestaan zowel voor de reeds verschuldigde als voor de nog verschuldigde betalingen" en dit kan in het toekomstige verdrag worden opgenomen. Wereldwijd doet zich nog een probleem voor door het standpunt van landen die erkenning en tenuitvoerlegging van bepaalde buitenlandse beslissingen weigeren omdat zij van mening zijn dat de rechter die de beslissing heeft gegeven niet bevoegd was en die daarom een nieuwe procedure ten principale op hun grondgebied inleiden. Indien de nieuwe beslissing geen veroordeling tot betaling van achterstallige betalingen gelast, kan een gedeelte van de bedragen die onder toepassing van de eerste beslissing aan de schuldeiser zijn verschuldigd niet van de schuldenaar worden geëist. 4.3. Personen op wie de toekomstige instrumenten van toepassing dienen te zijn Wat de Europese Unie betreft, blijkt uit een onderzoek van de interne rechtsregels van de verschillende lidstaten dat de aard van de banden die tot onderhoudsverplichtingen tussen twee personen kunnen leiden per lidstaat kunnen verschillen omdat het uitsluitend ouders en hun kinderen of echtgenoten en ex-echtgenoten betreft, maar soms ook een ruimere familiekring, naasten en "geregistreerde partners" en zelfs ongehuwd samenwonenden. Bovendien gebeurt de tenuitvoerlegging van de inning van alimentatie soms door overheidsinstellingen, die handelen in naam van de schuldeiser, in zijn rechten worden gesteld of de inning van sociale uitkeringen vorderen die hem worden betaald om hem in staat te stellen in zijn behoeften te voorzien door het uitblijven van een alimentatieregeling door de schuldenaar. Maar bepaalde landen weigeren hun medewerking te verlenen voor de inning van bedragen die door buitenlandse instanties worden geëist. De hulp die door overheidsinstellingen wordt verleend aan schuldeisers met een alimentatievordering, ongeacht de vorm waarin dit gebeurt, vloeit voort uit een solidariteitsbeleid op nationaal niveau. Het gaat in ieder geval om hoge kosten en de bedragen die worden uitgekeerd aan schuldeisers met een alimentatievordering mogen uiteindelijk niet ten laste van de staat blijven vallen wanneer de schuldenaar over de middelen beschikt om zijn schulden te voldoen. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in een arrest van 14 november 2002 (gemeente Steenbergen/Luc Baten) [7] artikel 1, eerste alinea, van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus uitgelegd dat "het begrip "burgerlijke zaak" ook betrekking heeft op een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd, voorzover de grondslag en de modaliteiten van instellen van deze vordering worden beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht". Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat, aangezien het om een geding gaat dat niet onder de sociale zekerheid valt, het wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van het Executieverdrag. Het Hof was daarentegen van mening dat "wanneer de verhaalsvordering gebaseerd is op bepalingen waarmee de wetgever het overheidsorgaan een eigen recht heeft verleend, niet kan worden aangenomen dat deze vordering onder het begrip "burgerlijke zaak" valt". [7] Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 november 2002. Zaak C-271/00. Deze kwestie wordt ook onderzocht in het kader van de werkzaamheden van de Conferentie van Den Haag. Voor de twee meest recente verdragen van Den Haag is een breed toepassingsgebied vastgesteld, aangezien zij van toepassing zijn op "beslissingen over onderhoudsverplichtingen voortvloeiende uit bloed- of aanverwantschap of huwelijk, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind". Het Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen voegt toe dat het toepasselijk is op "beslissingen gegeven door de rechterlijke of administratieve autoriteiten van een Verdragsluitende Staat tussen: 1. een onderhoudsgerechtigde en een onderhoudsplichtige; of 2. een onderhoudsplichtige en een openbare instelling die de terugbetaling vordert van de aan een onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkering." De beide verdragen voorzien in ieder geval in mogelijkheden van voorbehoud wat betreft de toepassing ervan op onderhoudsverplichtingen, met name tussen bloedverwanten of tussen aanverwanten. Verschillende landen maken gebruik van dit voorbehoud door deze verdragen te ratificeren, en met name bepaalde lidstaten van de Europese Unie. De kwestie heeft tot nogal wat discussie geleid tijdens de vergadering van de eerste speciale commissie over het opstellen van een ontwerp-verdrag door de Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht in mei 2003, vanwege de zwaarte van de verplichtingen tot samenwerking die voor de landen een uitgebreid toepassingsgebied zouden kunnen betekenen. Deze kwestie kan ook aan de orde komen binnen de Europese Gemeenschap. Sommige lidstaten lijken namelijk afkerig van het idee om bijstand te verlenen aan volwassenen of overheidsinstellingen met het oog op de tenuitvoerlegging van beslissingen die in het buitenland ten hunner gunste zijn gegeven. Vraag 1 Moeten de toekomstige instrumenten: a. - het begrip onderhoudsverplichtingen definiëren? Zo ja, hoe? b. - van toepassing zijn op de inning van achterstallige betalingen? c. - van toepassing zijn op overheidsinstellingen, met name met betrekking tot samenwerking? d. - van toepassing zijn op alle personen die volgens de verschillende rechtsstelsels aanspraak kunnen maken op alimentatie? Moeten er voor het toekomstige communautaire instrument en het toekomstige verdrag van Den Haag verschillende oplossingen worden gekozen ? Welke? 5. REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT 5.1. Rechtstreekse bevoegdheid 5.1.1. Communautaire regels Zoals hierboven al is aangehaald, is Verordening (EG) nr. 44/2001 van toepassing op onderhoudsverplichtingen en artikel 5, lid 2, van deze verordening bevat, naast de algemene regel voor bevoegdheid, de speciale regels voor bevoegdheid. Tijdens de werkzaamheden ter voorbereiding van het voorstel voor Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 december 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 [8], rees de vraag in hoeverre het noodzakelijk was in Verordening (EG) nr. 44/2001 een bepaling op te nemen volgens welke handelingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid vallen onder het begrip handelingen betreffende de situatie van personen, zodat de tot uitspraak bevoegde autoriteiten eveneens kunnen beslissen over bijgevoegde verzoeken om alimentatie. [8] PB L 338 van 23 december 2003. De mogelijkheid deze twee soorten handelingen samen te voegen, betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid enerzijds en onderhoudsverplichtingen anderzijds, kan namelijk heel nuttig blijken. De beslissingen ter bepaling van de verblijfplaats van een kind bij een van de ouders voorzien in de meeste gevallen in betaling van alimentatie door de andere ouder, en de meest simpele oplossing bestaat er natuurlijk uit de bevoegdheid om uitspraak te doen over beide kwesties toe te kennen aan de autoriteiten van hetzelfde land. De besprekingen hebben uiteindelijk tot de conclusie geleid dat kwesties inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid reeds onder artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 44/2001 vallen. Om onduidelijkheden te voorkomen wordt in de elfde considerans van Verordening (EG) nr. 2201/2003 aangegeven: "Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door Verordening (EG) nr. 44/2001 worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 44/2001." De meeste zaken met betrekking tot de rechtstreekse bevoegdheid van de autoriteiten die uitspraak moeten doen over verzoeken tot vaststelling of wijziging van alimentatievorderingen worden dientengevolge op communautair niveau opgelost. 5.1.2. Ontwerp-verdrag van Den Haag De hierboven aangehaalde regels zijn natuurlijk niet van toepassing op de betrekkingen tussen de lidstaten van de Europese Unie en derde landen. Geen enkele bepaling inzake de directe bevoegdheid van de rechter van de lidstaat van herkomst, dat wil zeggen om het land te kunnen aanwijzen waarvan de autoriteiten bevoegd zijn uitspraak te doen over een verzoek tot vaststelling van onderhoudsverplichtingen wanneer een zaak een internationaal karakter heeft, komt voor in de verschillende internationale verdragen die van toepassing zijn in bepaalde lidstaten van de Europese Unie, en de vraag doet zich voor of het noodzakelijk is dergelijke regels op te nemen in het toekomstige instrument van Den Haag. Over het algemeen is er nog steeds sprake van onzekerheid op juridisch gebied door het ontbreken van regels voor directe bevoegdheid die bindend zijn voor landen die partij zijn bij een internationaal instrument, omdat erkenning en tenuitvoerlegging in het buitenland geweigerd kunnen worden met als reden dat de rechtbank die de beslissing heeft gegeven niet bevoegd was. Bovendien kan het gebeuren dat de bij het geschil betrokken partijen ervoor kiezen zich te richten tot de autoriteiten van verschillende landen om een beslissing te verkrijgen. Er doet zich dientengevolge een probleem voor wanneer de erkenning en tenuitvoerlegging in het buitenland worden gevraagd en beide partijen de toepassing van verschillende beslissingen eisen. De vaststelling van regels inzake directe bevoegdheid, waardoor deze problemen worden vermeden, vergemakkelijkt daarentegen de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. Overigens valt te constateren dat door het ontbreken, op dit moment, van uniforme regels die bindend zijn voor de lidstaten van de Conferentie van Den Haag, zich twee soorten problemen voordoen. 5.1.2.1. Oorspronkelijke verzoeken Wat betreft de oorspronkelijke verzoeken, dat wil zeggen de verzoeken waarmee een persoon de zaak aanhangig maakt bij de bevoegde autoriteit zodat deze zijn alimentatievordering jegens een andere persoon vaststelt, past een zeer grote meerderheid van de lidstaten van de Conferentie van Den Haag gelijksoortige bevoegdheidsregels toe (bevoegdheid van de rechtbank of een andere autoriteit van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar of van de schuldeiser). Het betreft bijvoorbeeld, behalve de lidstaten van de Europese Unie, de landen van Zuid-Amerika. Andere landen erkennen daarentegen de bevoegdheid van de autoriteiten van het land of de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser met een alimentatievordering niet. In de Verenigde Staten zijn de rechtbanken van de woon- of verblijfplaats van de schuldeiser bijvoorbeeld van mening dat, omdat in de Amerikaanse grondwet het beginsel van 'due process' is opgenomen, zij niet bevoegd kunnen zijn als de band met de schuldenaar niet voldoende is. Wanneer de gewoonlijke verblijfplaats van een schuldeiser met een alimentatievordering in de Verenigde Staten is, in tegenstelling tot de schuldenaar die geen enkele band met dit land heeft, verzoeken de Amerikaanse autoriteiten de autoriteiten van het land van de woon- of verblijfplaats van deze schuldeiser een procedure in te leiden om zijn onderhoudsverplichting vast te stellen, of zelfs de verwantschap van het kind vast te stellen waarvoor alimentatie wordt gevraagd. Aangezien het Verdrag van New York van 1956, waar in artikel 6 wordt bepaald dat "de bemiddelende instelling namens de schuldeiser alle maatregelen neemt om de inning van alimentatie te verzekeren. Deze instelling sluit met name compromissen en als het nodig is spant zij een zaak aan om alimentatie te verkrijgen (...)", niet van toepassing is op hun verhoudingen met de Verenigde Staten [9], die het verdrag niet hebben geratificeerd, zijn bepaalde landen van mening dat zij niet gehouden zijn de samenwerking te verlenen waarom wordt gevraagd. [9] De Verenigde Staten hebben echter samenwerkingsovereenkomsten gesloten met een aantal landen. Hieruit volgt voor bepaalde Amerikaanse justitiabelen, die te arm zijn om de kosten van vertegenwoordiging bij een rechtbank in het buitenland te betalen, dat het onmogelijk is om een beslissing te verkrijgen waarbij hun alimentatievordering wordt vastgesteld. 5.1.2.2. Verzoeken om wijziging In de verschillende lidstaten van de Conferentie van Den Haag zijn verschillende regels voor bevoegdheid van toepassing wat betreft verzoeken om wijziging van de oorspronkelijke beslissing tot vaststelling van de onderhoudsverplichtingen. Bekend is dat Verordening (EG) nr. 44/2001 de schuldeiser toestaat te kiezen voor het bevoegde gerecht van zijn woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats, of voor het gerecht van de woonplaats van de schuldenaar, terwijl laatstgenoemde zich alleen kan richten tot het gerecht van de woonplaats van de schuldeiser. De verordening staat een door de partijen aangewezen bevoegd gerecht toe. Het inter-Amerikaanse Verdrag van Montevideo van 15 juli 1989 inzake onderhoudsverplichtingen maakt een onderscheid naar gelang van verzoeken die betrekking hebben op een verhoging van de toelage, die in de praktijk wordt aangevraagd door de schuldeiser, die een keuze heeft, of die betrekking hebben op een verlaging of opschorting van de toelage, waar gewoonlijk om wordt verzocht door de schuldenaar, waarvoor alleen de rechter die uitspraak heeft gedaan over het oorspronkelijk verzoek bevoegd is. Een door de partijen aangewezen bevoegd gerecht wordt evenwel toegestaan. Bepaalde landen handhaven de bevoegdheid van het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over het oorspronkelijk verzoek, onder voorbehoud dat een van de partijen nog in zijn rechtsgebied verblijft op het moment van het verzoek om wijziging. Dientengevolge kunnen problemen ontstaan vanwege de verschillen die bestaan tussen de toepasselijke regels volgens de verschillende stelsels bij wijziging van de woon- of verblijfplaats van de partijen. Het gevolg kan zijn dat hetzij concurrerende beslissingen worden gegeven wanneer verschillende gerechten zichzelf bevoegd verklaren, hetzij dat het voor de partijen daarentegen onmogelijk is een beslissing te verkrijgen omdat geen enkel gerecht zichzelf bevoegd acht. Sommige landen van de Commonwealth kennen tot slot een stelsel volgens welk iedere beslissing, of deze nu betrekking heeft op het oorspronkelijk verzoek of op verzoeken om wijziging, in twee fases wordt gegeven, waarvan de eerste zich afspeelt in het land waar de schuldeiser verblijft, en de tweede in het land van de schuldenaar. Dit stelsel is ook ingevoerd in het kader van overeenkomsten tussen enkele andere landen die niet behoren tot de Commonwealth. Een dergelijk stelsel kan natuurlijk pas functioneren als de landen waar de schuldeiser en de schuldenaar verblijven dezelfde regels toepassen. Als het land van de verblijfplaats van de schuldenaar dit stelsel niet kent, blijft de eerste fase van het besluitvormingsproces zonder gevolg en kan er geen vonnis worden gewezen voor tenuitvoerlegging. Bepaalde landen zijn van mening dat enkele van deze problemen opgelost zouden kunnen worden door samenwerkingsregels. Andere landen hebben in hun antwoorden op de vragenlijst die door de Conferentie van Den Haag of tijdens de bijeenkomst van de speciale commissie in mei 2003 is opgesteld, de wens te kennen gegeven dat in het toekomstige verdrag regels voor directe bevoegdheid opgenomen moeten worden. Wat de Amerikaanse gerechten betreft, dient te worden opgemerkt dat de gevallen waarin zij weigeren uitspraak te doen over verzoeken van schuldeisers die in hun rechtsgebied verblijven, ongetwijfeld weinig talrijk zijn, aangezien in een recente wet een vrij uitgebreide lijst van gevallen is opgenomen waarin zij zichzelf bevoegd kunnen verklaren op het gebied van onderhoudsverplichtingen, ook al verblijft de schuldenaar in het buitenland. Er lijken dus verschillende oplossingen denkbaar: regels voor directe bevoegdheid niet opnemen in het toekomstige verdrag, alleen bepalingen met betrekking tot wijzigingsbeslissingen opnemen, proberen algemeen aanvaardbare regels op te stellen zonder het beginsel van de bevoegdheid van het gerecht van de verblijfplaats van de schuldeiser op losse schroeven te zetten, regels vaststellen die zijn gebaseerd op Verordening (EG) nr. 44/2001 of op het inter-Amerikaanse Verdrag van Montevideo, een mogelijkheid voorzien van algemeen voorbehoud of slechts van toepassing in bepaalde gevallen, of daarentegen optionele regels voor directe bevoegdheid opnemen in het toekomstige verdrag. Vraag 2 Moet het toekomstige verdrag van Den Haag: a. - een volledige reeks regels inzake directe bevoegdheid bevatten? Zo ja, welke regels moeten worden vastgesteld? b. - regels inzake directe bevoegdheid bevatten die alleen gelden voor verzoeken tot wijziging van een eerder gegeven beslissing? Zo ja, welke regels moeten worden vastgesteld? 5.2. Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen Zoals hierboven is aangegeven, voorziet het programma met maatregelen over de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen over burgerlijke en handelszaken uitdrukkelijk, wat betreft beslissingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen, in de afschaffing van het exequatur, dat wil zeggen van de procedure die bij het gerecht van een land dient te worden ingeleid om aldaar de door een gerecht van een ander land gegeven beslissingen te laten erkennen en uitvoerbaar te laten verklaren op zijn grondgebied. In het kader van de werkzaamheden van de Conferentie van Den Haag wordt eveneens gezocht naar middelen die de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen kunnen vergemakkelijken. De vraag doet zich op andere wijze voor binnen de communautaire ruimte, waar gerechtelijke beslissingen al verscheidene jaren relatief gemakkelijk circuleren, en nog meer sinds Verordening (EG) nr. 44/2001 van kracht is geworden, en tussen de lidstaten van de Conferentie van Den Haag, die niet allemaal gebonden zijn door verdragsregels, die soms zeer verschillende juridische stelsels en ontwikkelingsniveaus kennen en die over de hele wereld te vinden zijn. Maar in beide gevallen lijkt het noodzakelijk middelen te zoeken waarmee beslissingen zo snel mogelijk kunnen worden erkend en uitgevoerd. Gewezen moet namelijk worden op het spoedeisend karakter van de verordening inzake alimentatievorderingen en op het feit dat, onder voorbehoud dat de schuldenaar de mogelijkheid heeft beroep aan te tekenen, waardoor hij zijn rechten kan laten gelden in geval van betwisting, in eerste instantie met de belangen van de schuldeiser rekening moet worden gehouden. 5.2.1. Communautair ontwerp 5.2.1.1. Afschaffing van het exequatur Een Europees instrument dat het exequatur afschaft, zou gebaseerd kunnen zijn op Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad, of op het voorstel voor een verordening tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen. Deze twee teksten bepalen dat de beslissingen die door de gerechten van een lidstaat in hun toepassingsgebied worden gegeven in de andere lidstaten worden erkend, enerzijds zonder dat een verklaring nodig is waardoor de uitvoerbaarheid wordt erkend en anderzijds zonder dat het mogelijk is zich te verzetten tegen de erkenning. In het licht van de afschaffing van het exequatur van beslissingen betreffende onderhoudsverplichtingen dient men zich af te vragen of er op dit moment inhoudelijke problemen bestaan die zich daartegen zouden kunnen verzetten. Verordeningen (EG) nr. 1347/2000 en (EG) nr. 44/2001 van de Raad, die regels bevatten met betrekking tot de exequaturprocedure, bepalen dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, met name wanneer hij van mening is dat ze kennelijk strijdig zijn met de openbare orde van de aangezochte staat of dat de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen. Wat het eerste punt betreft, wordt in het aan de Europese Commissie ter hand gestelde onderzoeksverslag vermeld dat, ofschoon kan worden gewezen op "verschillende potentiële conflicten, het begrip internationale openbare orde zich eerder als een niet werkelijk probleem voordoet dan als een werkelijk obstakel. Uit de nationale verslagen blijkt dat dit begrip wordt toegepast in een uiterst klein aantal beslissingen". Voor bepaalde landen zouden enkele problemen kunnen blijven bestaan, zoals de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen waarbij een alimentatievordering wordt toegekend aan personen die zijn verbonden door nieuwe, recentelijk ingevoerde vormen van huwelijk of partnerschap. Het aan de Europese Commissie ter hand gestelde onderzoeksverslag handelt over de rechten van de verdediging, en vermeldt het ontbreken van de betekening van beslissingen die in sommige landen door bemiddelende instanties worden gegeven. Evenzo zouden titels worden opgesteld door de overheidsinstanties van bepaalde landen zonder dat de schuldenaar dit weet. Elders zou de betekening van stukken betreffende de procedure worden uitgevoerd door een curator terwijl de schuldenaar onvindbaar is, een procedure die door sommige aangezochte staten als onaanvaardbaar zou worden beschouwd. Men moet zich afvragen of er werkelijk problemen bestaan op dit gebied en zo ja, welke oplossingen ervoor gevonden zouden kunnen worden. In dit opzicht moet eraan worden herinnerd dat het programma voor wederzijdse erkenning zo nodig voorziet in de vaststelling van minimumgaranties voor procedures, en met name als de afschaffing van het exequatur wordt overwogen, waardoor strikte naleving van een rechtvaardig proces wordt verzekerd. Met deze eis wordt bijvoorbeeld rekening gehouden in Verordening (EG) 2201/2003, waar wordt bepaald dat de beslissingen inzake omgangsrecht worden erkend en uitgevoerd in de lidstaten zonder exequatur, onder voorbehoud dat alle betrokken partijen, en met name het kind, zijn gehoord in het kader van de procedure. Vraag 3 Kan de afschaffing van het exequatur in het communautaire kader worden bemoeilijkt om redenen: a. van openbare orde? b. van schending van de rechten van de verdediging? Zo ja, hoe moeten deze problemen worden opgelost? Moeten er bepaalde procedurele garanties worden vastgesteld of versterkt? 5.2.1.2. Voorlopige tenuitvoerlegging De wetgeving van bepaalde lidstaten bepaalt dat de beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen van rechtswege vergezeld gaan van een voorlopige tenuitvoerlegging; volgens andere rechtsstelsels is het doen van een uitspraak dienaangaande gewoonweg de bevoegdheid van de rechter; bepaalde stelsels kennen deze mogelijkheid niet. Als voorlopige tenuitvoerlegging niet bekend is, is het soms mogelijk voor de schuldeiser een voorlopige beslissing te verkrijgen die van toepassing is vanaf het begin van de procedure tot op het moment dat de beslissing ten principale een definitief karakter heeft gekregen. In het algemeen zou het voorwerp van een beslissing voor de toekenning van alimentatie, die beoogt dat de schuldeiser kan voorzien in de noodzakelijke dagelijkse behoeften, de veralgemenisering van de mogelijkheid voor de rechter een uitspraak te doen over de voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigen, en dientengevolge zou de beslissing meteen na de uitspraak kunnen worden uitgevoerd. De mogelijkheid om door een voorlopige beslissing betaling van een toelage te gelasten tijdens de procedure en totdat het vonnis ten principale definitief is, lijkt nog doeltreffender omdat de schuldeiser hiermee meteen vanaf het begin van de procedure een toelage kan krijgen tot aan het verstrijken van de termijnen of het uitoefenen van beroep, maar dit lijkt de inning van alimentatie in het buitenland niet echt te vergemakkelijken, aangezien hiervoor tenuitvoerlegging van twee opeenvolgende beslissingen nodig zou zijn. Wanneer de inning van alimentatievorderingen in het buitenland moet worden uitgevoerd, maakt het bestaan van termijnen voor de uitvoering van de gerechtelijke samenwerking het over het algemeen noodzakelijker middelen te zoeken om de gehele procedure te bespoedigen. De voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissing verzekert ten minste de schuldeiser ervan dat deze meteen na de uitspraak kan worden toegezonden aan de autoriteit van het land waar de schuldenaar verblijft met het oog op de tenuitvoerlegging van uitvoeringsmaatregelen. Het is natuurlijk om verschillende redenen moeilijk te voorzien dat de voorlopige tenuitvoerlegging slechts van toepassing is op beslissingen die in het buitenland kunnen worden uitgevoerd. Op het moment dat de beslissingen worden uitgesproken kan het namelijk zo zijn dat de situatie geen international karakter heeft. Maar niets zou de toepassing rechtvaardigen van minder gunstige oplossingen voor de schuldeisers vanwege het feit dat de schuldenaar zich in het buitenland bevindt. Dientengevolge zou kunnen worden overwogen de voorlopige tenuitvoerlegging algemeen te maken voor in de lidstaten gegeven beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen. Deze oplossing wordt trouwens aanbevolen door het onderzoek naar de verbetering van de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen dat de Europese Commissie heeft laten uitvoeren [10]. [10] Het onderzoek kan worden geraadpleegd op de website van directoraat-generaal Justitie en binnenlandse zaken: http://europa.eu.int/comm/justice_home/ doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm Artikel 41 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad, heeft betrekking op het omgangsrecht en bevat bepalingen volgens welke "Ook indien het nationale recht niet bepaalt dat een beslissing waarbij een omgangsrecht is toegekend van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, het gerecht dat de beslissing heeft gegeven de beslissing bij voorraad uitvoerbaar [kan] verklaren". Artikel 42 van de verordening, dat betrekking heeft op beslissingen inzake de terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind, bevat gelijksoortige bepalingen. Deze bepalingen zouden natuurlijk als model kunnen dienen voor een toekomstig Europees instrument inzake onderhoudsverplichtingen. Een eenvoudige, aan de rechter verleende bevoegdheid om de tenuitvoerlegging uit te spreken zou echter onvoldoende kunnen blijken, gezien de belangen die in het geding zijn, en men zou eerder moeten overwegen de beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen van rechtswege vergezeld te doen gaan van voorlopige tenuitvoerlegging. Vraag 4 Stuit het beginsel dat beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen van rechtswege voorlopig uitvoerbaar zijn op bijzondere problemen? 5.2.1.3. Procedure voor de feitelijke tenuitvoerlegging In bepaalde landen kunnen de middelen voor tenuitvoerlegging van een vonnis ter veroordeling tot betaling van alimentatie door een ministeriële ambtenaar worden uitgevoerd zodra het vonnis uitvoerbaar wordt; in andere landen wordt de tenuitvoerlegging, als het vonnis is gewezen en uitvoerbaar is geworden, uitgevoerd door ambtenaren van de rechtbank onder gezag van een rechter die hiervoor toestemming moet geven middels een beslissing waartegen eventueel in beroep kan worden gegaan. Deze procedure is eveneens van toepassing op buitenlandse vonnissen die het exequatur hebben verkregen. De noodzaak een speciale gerechtelijke procedure in te leiden voor de tenuitvoerlegging, evenals de manieren waarop de verweerder in beroep kan gaan, zouden waarschijnlijk de tenuitvoerlegging van het vonnis aanzienlijk vertragen, niet alleen omdat de tenuitvoerlegging kan worden opgeschort tijdens de procedure, maar meer in het algemeen vanwege de lange duur van gerechtelijke procedures in bepaalde lidstaten. Het lijkt erop dat de aanbevelingen van de Raad van Tampere die de Commissie verzoekt de "intermediaire maatregelen die nog altijd moeten worden genomen om een beslissing of een vonnis in de aangezochte staat te kunnen erkennen en ten uitvoer te leggen (...) bv. [voor] alimentatievorderingen" [11] verder te verminderen en die de Raad verzoekt " (...) speciale gemeenschappelijke procedureregelingen voor een vereenvoudigde, versnelde grensoverschrijdende beslechting van geschillen inzake (...) alimentatievorderingen" [12] vast te stellen, slecht zouden passen bij de traagheid die in bepaalde gevallen inherent is aan dergelijke procedures voor toestemming om een vonnis ten uitvoer te leggen op een gebied waar toegang tot snelle uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk is. [11] Europese Raad van Tampere. Conclusies van het voorzitterschap, nr. 34. [12] Europese Raad van Tampere. Conclusies van het voorzitterschap, nr. 30. Men kan zich allereerst afvragen of het niet mogelijk is de procedure voor de uitvoeringsrechter lichter te maken door deze sneller te maken. Het zou misschien mogelijk zijn bepaalde formaliteiten te vereenvoudigen of termijnen vast te stellen. Men zou bovendien kunnen overwegen, zonder de mogelijkheden af te schaffen voor de schuldenaar om zich te verzetten tegen inbeslagname van zijn goederen als hij zijn gehele schuld heeft betaald, of als hij vrijwillig periodieke alimentatie betaalt die hem ten laste is gelegd, dat bijvoorbeeld geen enkel beroep in principe de tenuitvoerlegging nog kan opschorten. De opschorting van de tenuitvoerlegging, die natuurlijk in bepaalde gevallen gerechtvaardigd kan worden, zou dan slechts kunnen worden toegestaan op uitdrukkelijk verzoek en als uitzondering. Vraag 5 Kan met betrekking tot de fase van tenuitvoerlegging van vonnissen worden overwogen: a. de procedures voor de tenuitvoerlegging van bestaande vonnissen in sommige lidstaten te vereenvoudigen? Termijnen vast te stellen? b. dat de tenuitvoerlegging alleen kan worden opgeschort in uitzonderlijke gevallen? 5.2.2. Uitvoeringsmaatregelen Het hierboven genoemde onderzoek met betrekking tot de verbetering van de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen suggereert dat het territorialiteitsbeginsel van uitvoeringsmaatregelen ruimte laat voor een algemeen beginsel en in zekere mate voor de wederzijdse erkenning van uitvoeringsmaatregelen. In het onderzoek worden verschillende verbeteringen aanbevolen waarvan sommige van nut zouden kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van de inning van alimentatievorderingen. Met name wordt de invoering vermeld van een "Europese verklaring van activa" van de schuldenaar, naar het voorbeeld van de maatregel die in bepaalde lidstaten van de Europese Unie bestaat en met behulp waarvan de schuldeiser de tegenpartij vragen kan stellen over zijn goederen. Het onderzoek vermeldt eveneens een "Europese beslissing voor bankbeslag" die is gegeven op basis van een uitvoerbaar vonnis dat in het buitenland ten uitvoer kan worden gelegd. Dergelijke vernieuwingen, in het bijzonder de eerste, zouden zeer nuttig zijn voor de inning van alimentatievorderingen. Maar op dit bijzondere gebied zou eveneens kunnen worden overwogen dat een beslissing inzake beslag op het salaris die is gegeven in een lidstaat van de Europese Unie in de andere lidstaten uitvoerbaar is, zonder dat het nodig is een nieuwe procedure in te leiden. Een dergelijke vernieuwing zou niet noodzakelijkerwijs nuttig zijn voor de inning van vorderingen in de landen die de tenuitvoerlegging van uitvoeringsmaatregelen toevertrouwen aan gerechtsdeurwaarders, maar in de andere landen zou het een tijdwinst betekenen omdat niet meer aan een rechter of een andere autoriteit gevraagd hoeft te worden een beslissing te geven om over te gaan tot beslag op het salaris van de schuldenaar. Vraag 6 Kan worden overwogen dat een in een lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissing waarbij beslaglegging op het salaris van een alimentatieplichtige wordt gelast, zonder verdere procedure in alle lidstaten wordt erkend en ten uitvoer gelegd? Welke andere bijzondere maatregelen zouden nuttig kunnen zijn? 5.2.3. Ontwerp-verdrag van Den Haag Overeenkomstig de door de commissie Algemene Zaken van de Conferentie van Den Haag in 2000 en 2002 vastgestelde richtsnoeren zou het ontwerp-verdrag in principe regels moeten bevatten voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende onderhoudsverplichtingen, welke regels zijn gebaseerd op die van de twee verdragen die in het kader van deze internationale organisatie in 1958 en 1973 zijn vastgesteld. In hun antwoorden op de vragenlijst die hun door de Conferentie was toegezonden, beveelt de grote meerderheid van de lidstaten aan dergelijke regels in het toekomstige verdrag op te nemen, maar dit brengt verschillende netelige kwesties met zich mee. 5.2.3.1. Modaliteiten voor erkenning en tenuitvoerlegging Het permanent bureau van de Conferentie van Den Haag heeft gepleit voor afschaffing van het exequatur, zoals bepaald in artikelen 41 en 42 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad, waarbij het bureau tegelijkertijd kijkt naar de voorwaarden waaronder het door de verordening voorziene certificaat zou kunnen worden opgesteld dat wordt afgegeven door het land van herkomst en dat bij de beslissing is gevoegd. Dit voorstel heeft zeer uiteenlopende reacties opgeroepen. Sommige delegaties stemmen in met de afschaffing van het exequatur onder voorbehoud van handhaving van een mogelijkheid tot beroep voor de schuldenaar, na betekening van de beslissing door de autoriteiten van de aangezochte staat of in de fase van de tenuitvoerlegging, volgens het proces dat bepaalde stelsels kennen als 'common law', of volgens de vereenvoudigde exequaturprocedure als voorzien door Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad. Andere delegaties hebben aangevoerd dat er van afschaffing van het exequatur geen sprake kon zijn bij gebrek aan harmonisatie van de collisieregels, of dat een dergelijke sprong vooruit onmogelijk leek op wereldniveau gezien de bestaande verschillen tussen interne wetgevingen. Talrijke delegaties hebben echter aangegeven belangstelling te hebben voor snelle procedures. Vraag 7 Moet in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag een vereenvoudigde exequaturprocedure worden overwogen die vergelijkbaar is met die in Verordening (EG) nr. 44/2001? Welke andere oplossingen zijn mogelijk ter vereenvoudiging en bespoediging van de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen? 5.2.3.2. Indirecte bevoegdheid, voorwaarde voor de erkenning en tenuitvoerlegging De verdragen van Den Haag over de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevatten regels betreffende indirecte bevoegdheid die een voorwaarde zijn voor toepassing ervan. Beide verdragen nemen de bevoegdheid in aanmerking van het gerecht van de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldenaar of van de schuldeiser, evenals die van het gerecht waaraan de schuldenaar zich uitdrukkelijk heeft onderworpen. Het verdrag van 1973 neemt bovendien de bevoegdheid in aanmerking van het rechtsgebied van de gemeenschappelijke nationaliteit van de schuldeiser en de schuldenaar, alsmede die van de autoriteiten van het verdragsluitende land die uitspraak hebben gedaan over het alimentatieverzoek bij een rechtsvordering wegens echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk. De criteria voor de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldenaar of onderwerping door de schuldenaar aan de bevoegdheid van gerecht waar de schuldeiser de zaak aanhangig heeft gemaakt zijn geen onderwerp van discussie, dus ze lijken algemeen geaccepteerd of ten minste zouden dat kunnen zijn in het kader van een internationale overeenkomst. Het criterium van de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser roept daarentegen problemen op in de verslagen van de Verenigde Staten enerzijds en bij alle andere lidstaten van de Conferentie van Den Haag anderzijds. De Conferentie van Den Haag stelt voor dat een "op de feiten gebaseerde benadering" moet worden gekozen volgens welke "ieder land in feite zijn eigen criteria kan toepassen. Anders gezegd, een beslissing die is gegeven in het land van herkomst zal worden erkend en ten uitvoer gelegd indien de tenuitvoerlegging van de bevoegdheid onder dezelfde omstandigheden in de aangezochte staat mogelijk zou zijn geweest. Krachtens dit beginsel zouden de gerechtelijke regels inzake bevoegdheid waarop het gerecht van de verzoekende staat zijn vonnis heeft gebaseerd niet van belang zijn. De kernvraag is of, ongeacht de door de rechtbank van de verzoekende staat opgegeven reden, de omstandigheden van deze zaak deze bevoegdheid zouden bevestigen op grond van de regels van de aangezochte staat. In dat geval zou het vonnis erkend moeten worden." [13] [13] Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht, voorbereidend document nr. 3 "Naar een nieuw wereldwijd instrument inzake de internationale inning van alimentatie voor kinderen en andere gezinsleden". Verslag opgesteld door William Duncan, 76, die een stuk van George G. Spector citeert getiteld "Towards an accomodation of divergent jurisdictional standards for the determination of maintenance obligations in private international law". De wijze van beoordeling van de indirecte bevoegdheid "die gebaseerd is op feiten" roept een praktisch probleem op omdat het veronderstelt dat tijdens de behandeling van het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat in het bezit is van voldoende informatie over de redenen waarop de bevoegdheid van de rechter ten principale is gebaseerd om een vergelijking te kunnen maken met de bevoegdheidsregels van zijn eigen recht. Hiervoor zou het nodig zijn dat de rechter van het land van herkomst op het moment waarop hij uitspraak doet de criteria voor bevoegdheid kent die de rechter van het land die aangezocht gaat worden, aanhoudt en dat hij in zijn beslissing aangeeft welke van deze criteria inderdaad in het onderhavige geval aanwezig waren. De moeilijkheid ligt in het feit dat op het moment dat de beslissingen worden gegeven de situatie niet noodzakelijkerwijs een internationaal karakter heeft. Het verslag van het permanent bureau stelt voor de informatie die het gerecht waar het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging aanhangig is gemaakt nodig heeft om uitspraak te doen over de indirecte bevoegdheid van de rechter van het land van herkomst, wordt verstrekt door de autoriteiten van de verzoekende staat uit hoofde van de samenwerkingsmaatregelen. De vraag houdt vanzelfsprekend verband met de taken die kunnen worden toevertrouwd aan de autoriteiten van de verdragsluitende landen die worden belast met de samenwerking. Maar dan moeten zij natuurlijk nog de middelen hebben om de nodige informatie te verzamelen. Het permanent bureau van de Conferentie van Den Haag stelt voor de volgende bepalingen aan te nemen: "1. Een beslissing op het gebied van alimentatie die is gegeven door een gerechtelijke of overheidsinstantie in een verdragsluitend land (land van herkomst) dient in alle verdragsluitende landen te worden erkend en ten uitvoer gelegd indien: a. (...) b. (...) c. De omstandigheden van de zaak deze bevoegdheid mutatis mutandis zouden hebben toevertrouwd krachtens de regels van de aangezochte staat, of d. De schuldeiser (gewoonlijk) verbleef in het land van herkomst toen de procedure werd ingeleid. 2. Een verdragsluitend land waarvan de gerechtelijke of overheidsinstanties hun bevoegdheid op het gebied van alimentatie niet uitsluitend kunnen baseren op de verblijfplaats van de schuldeiser een voorbehoud kan uitspreken betreffende lid 1, onder d)." [14] [14] Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht, voorbereidend document nr. 3 " Naar een nieuw wereldwijd instrument inzake de internationale inning van alimentatie voor kinderen en andere gezinsleden". Verslag opgesteld door William Duncan, 87. De landen die een in lid 2 genoemd voorbehoud zouden maken zouden een nieuwe procedure moeten inleiden om dit probleem te ondervangen. Er zij echter gewezen op het feit dat een dergelijke oplossing leidt tot het naast elkaar bestaan van twee verschillende beslissingen die gevolgen hebben op het grondgebied van verschillende landen, met alle problemen die daaruit kunnen voortvloeien ingeval de schuldenaar van verblijfplaats verandert. Hierdoor kan bovendien de inning van een deel van de achterstallige betalingen onmogelijk worden. Vraag 8 Kan de "op feiten gebaseerde" benadering in de praktijk worden toegepast? Moet een andere oplossing worden gekozen? Zo ja, welke? Tijdens de besprekingen van de speciale commissie in mei 2003 in Den Haag zijn drie andere criteria voor indirecte bevoegdheid onderzocht, die van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen, van echtscheiding of van kwesties die verband houden met de ouderlijke verantwoordelijkheid. De mogelijkheid van autonomie van partijen op dit gebied is eveneens overwogen. Geen enkele delegatie wilde dat het criterium van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen zou worden aangehouden. De indirecte bevoegdheid van het gerecht waar een rechtsvordering aanhangig is gemaakt, leek daarentegen geen problemen op te leveren. Deze oplossing zou trouwens volledig verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving. Wat de autonomie van partijen betreft, vonden sommige deskundigen het gevaarlijk dit de vrije loop te laten op een gebied waar de aanwezige krachten zeer onevenwichtig kunnen blijken, en derhalve in te stemmen met de indirecte bevoegdheid van het gerecht waar de schuldenaar en de schuldeiser in onderlinge overeenstemming de zaak aanhangig hebben gemaakt. Vraag 9 Moet inzake indirecte bevoegdheid het volgende worden aanvaard: a. de oplossing van artikel 8 van het Verdrag van Den Haag van 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen? b. het gerecht dat door de schuldenaar en de schuldeiser in onderlinge overeenstemming werd gekozen? Moet de keuzevrijheid van de partijen worden beperkt? 5.2.3.3. Gronden voor het weigeren van erkenning De Verdragen van Den Haag van 1958 en 1973 bepalen dat de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing kan worden geweigerd indien ze klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde van de aangezochte staat of indien de beslissing onverenigbaar is met een eerder in de aangezochte staat gegeven beslissing. Het verdrag van 1973 voegt bij deze twee gronden nog andere toe, namelijk die van bedrog of arglist in de procedure en die van een geschil tussen dezelfde partijen en betreffende hetzelfde onderwerp dat aanhangig is voor de autoriteiten van het land. Tijdens de bijeenkomst van de speciale commissie in mei 2003 hebben verschillende delegaties zich uitgesproken ten gunste van de beperking van de gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging tot, met name, schending van de rechten van de verdediging, het tegenwerken van de openbare orde, conflicterende beslissingen en litispendentie. De kwestie van conflicterende beslissingen doet zich echter met name voor op het gebied van onderhoudsverplichtingen zodra verschillende opeenvolgende beslissingen volledig volgens de regels kunnen worden gegeven, afhankelijk van de ontwikkeling van de respectieve situaties van partijen. Er dient natuurlijk voorrang te worden gegeven aan de erkenning en tenuitvoerlegging van de meest recente beslissing, onder voorbehoud, met name, dat deze is gegeven door een op dit gebied bevoegde autoriteit. Als deze laatste kwestie niet wordt geregeld door de opneming in het verdrag van een regel over directe bevoegdheid, zou dit moeten gebeuren door een regel over indirecte bevoegdheid. De landen zijn het bovendien over het geheel genomen eens geworden over de verwerping van het beginsel van onderzoek van de juistheid van beslissingen door de aangezochte staat. Het lijkt echter dat de autoriteiten van bepaalde lidstaten van de Europese Unie, die worden verzocht een beslissing in eerste aanleg te laten erkennen en uitvoeren door hun autoriteiten, of deze nu is gegeven in een lidstaat van de Europese Unie of in een derde land, een nieuwe procedure inleiden om de alimentatievordering vast te stellen, terwijl de oorspronkelijke beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging, met als reden dat deze beslissing niet kan worden uitgevoerd wegens insolventie van de schuldenaar of wijziging van de respectieve situaties van partijen. Deze praktijk komt niet overeen met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 44/2001 of de verdragen van Den Haag, waarin onderzoek van de juistheid van buitenlandse beslissingen in eerste aanleg in de fase van het exequatur wordt verboden, noch met de bepalingen van het Verdrag van New York van 1956 waarin het inleiden van een nieuwe procedure slechts wordt toegestaan binnen de grenzen van de volmachten die de schuldeiser heeft gegeven. Vraag 10 In de fase van het exequatur: a. welke gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging moeten in het toekomstige verdrag worden opgenomen? b. hoe moet in het geval van conflicterende beslissingen worden bepaald welke beslissing ten uitvoer moet worden gelegd? c. moet het onderzoek van de in het land van herkomst gegeven beslissingen strikt verboden zijn, of moet worden voorzien in afwijkingen, en zo ja, in welke gevallen en met welk doel? 5.3. Toepasselijke wet Noch Verordening (EG) nr. 44/2001, noch een ander communautair instrument bevat collisieregels betreffende onderhoudsverplichtingen. Artikel 1, 2, onder b), van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het enige op de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijnde instrument van burgerlijk recht dat collisieregels bevat, sluit namelijk van zijn toepassingsgebied uit "rechten en verplichtingen uit familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen, uit bloedverwantschap, huwelijk en aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens onwettige kinderen". Aangezien de Verdragen van Den Haag van 1956 en 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen slechts zijn geratificeerd door een deel van de lidstaten van de Europese Unie, zijn de collisieregels op dit moment dus niet geharmoniseerd binnen de Europese justitiële ruimte. Tijdens de in Den Haag lopende werkzaamheden zal deze kwestie ook worden behandeld, aangezien de speciale commissie Algemene Zaken van mei 2000 had besloten een uitputtend verdrag op te stellen ter verbetering van de bestaande verdragen, en met name de twee verdragen inzake de door de Conferentie aangenomen wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Op communautair en mondiaal niveau lijken dezelfde vragen te spelen. Men moet zich echter afvragen of, gezien het specifieke karakter van beide overlegniveaus, verschillende antwoorden moeten worden gegeven in het kader van het communautair ontwerp en het toekomstige verdrag van Den Haag. 5.3.1. Constatering Er bestaan grote verschillen tussen de interne wetgevingen van de landen, inclusief de lidstaten van de Europese Unie, op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Zo varieert per land de leeftijd waarop een kind geen aanspraak meer kan maken op een alimentatievordering jegens zijn ouders. Bepaalde wetgevingen houden geen leeftijdscriterium aan, maar richten zich op de situatie van het kind en op zijn eventuele vermogen om zelfstandig in zijn eigen levensbehoeften te voorzien. Bepaalde rechten bepalen dat een van de gescheiden echtgenoten in principe, ten minste in bepaalde gevallen, in aanmerking komt voor een alimentatievordering jegens de ex-echtgenoot. Andere kennen daarentegen het tegenovergestelde principe. Sommige wetgevingen erkennen het bestaan van onderhoudsverplichtingen tussen verschillende familieleden, of zelfs tussen verwanten zonder dat ze familie zijn, andere beperken de rechten op alimentatie tot de kinderen of de echtgenoten. De regels voor rechtsbevoegdheid van de verschillende gerechtelijke stelsels bieden in het algemeen aan partijen een keuze uit de gerechten van verschillende landen, met name het land waar de schuldeiser of de verweerder woont of verblijft. De interne wetgeving van talrijke lidstaten van de Conferentie van Den Haag erkent bovendien de bevoegdheid van het rechtsgebied van de nationaliteit of van de "woonplaats" in de Angelsaksische betekenis van het woord. Zoals bekend biedt de Europese wetgeving verschillende mogelijkheden voor pleiters door de combinatie van Verordeningen (EG) nr. 44/2001 en (EG) nr. 1347/2000. Gelet op de juridische zekerheid wordt het zoeken naar harmonisatie van de collisieregels die van toepassing zijn op situaties met een element van vreemdelingenschap, dientengevolge zowel op communautair niveau als in het kader van de Conferentie van Den Haag voor internationaal privaatrecht gerechtvaardigd. Wij constateren echter dat de twee binnen de Conferentie van Den Haag goedgekeurde verdragen inzake de wet die van toepassing is op alimentatieverplichtingen slechts door een beperkt aantal landen zijn geratificeerd, met name door lidstaten van de Europese Unie. Bovendien blijft het oudste verdrag, dat vervangen zou moeten worden door het meest recente, van toepassing op de betrekkingen tussen bepaalde landen die het volgende niet hebben geratificeerd. Deze situatie is natuurlijk op meer dan één punt onbevredigend. Het bestaan van twee verdragen die verschillende landen binden is schadelijk voor de voorzienbaarheid van oplossingen en vormt een probleem voor degenen die ze moeten uitvoeren. Het ontbreken van verdragregels tussen bepaalde andere landen vergroot deze problemen. De speciale commissies die in 1995 en 1999 zijn bijeengekomen, hebben bovendien bepaalde problemen aan het licht gebracht die voortvloeien uit de inhoud van de verdragen. Zo worden verschillen in jurisprudentie geconstateerd die voortvloeien uit het ontbreken van een regel die de wet aanwijst die van toepassing is op het vaststellen van bloedverwantschap, doordat bepaalde gerechten op deze kwestie de wet toepassen die is aangewezen door hun collisieregels, en andere de wet die de onderhoudsverplichting regelt. In het algemeen doet de vraag zich voor welke de toepasselijke wet is bij het verkrijgen van aanspraak op alimentatie. Artikel 8 van het verdrag van 1973 bepaalt dat "de op de echtscheiding van toepassing zijnde wet van de Verdragsluitende Staat, waar de echtscheiding is uitgesproken of erkend, (...) de onderhoudsverplichtingen [beheerst] tussen de gescheiden echtgenoten en de herziening van beslissingen betreffende deze verplichtingen". Deze regel, die het voordeel heeft de continuïteit te verzekeren van de behandeling van een situatie ten aanzien van dezelfde wet en dientengevolge de juridische zekerheid garandeert, is echter verworpen in een besluit van 21 februari 1997 door de Hoge Raad der Nederlanden die van mening was dat de regel niet onverenigbaar was met de mogelijkheid voor partijen de toepasselijke wet te kiezen. Tot slot heeft de kwestie van de wet die van toepassing is op verjaring aanleiding gegeven tot problemen in de fase van het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging, of van de uitvoering in het buitenland van middelen voor gedwongen tenuitvoerlegging. Bepaalde rechten beschouwen namelijk verjaring als een hoofdzaak, die wordt geregeld door collisieregels, en andere als een procedureregel, waarop de lex fori van toepassing is. Tijdens de werkzaamheden van de speciale commissie in mei 1999 in Den Haag hebben talrijke delegaties die landen met een Romaans-Germaanse juridische traditie vertegenwoordigen zich uitgesproken ten gunste van de opneming in het nieuwe verdrag van collisieregels die zijn gebaseerd op regels in het verdrag van 1973. Er zijn namelijk verschillende argumenten aangevoerd en in het bijzonder de noodzaak de huidige verdragsregels te uniformeren, ze te moderniseren en aan te passen zodat ze aanvaardbaar worden voor alle lidstaten van de Conferentie. De vertegenwoordigers van de landen met een "common law" hebben daarentegen gewezen op problemen voor de rechter en bijkomende kosten voor partijen die voortvloeien uit de toepassing van een buitenlandse wet. Er zijn diverse oplossingen overwogen en met name de opneming in het toekomstige verdrag van een volledige reeks collisieregels, of slechts enkele regels die de bestaande verdragen aanvullen, de weglating van collisieregels of de vaststelling van een eenvoudig protocol inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen de landen die door dergelijke regels gebonden zouden willen zijn. Het zoeken naar geharmoniseerde oplossingen zou natuurlijk in een breder kader veel ingewikkelder kunnen blijken dan alleen tussen de lidstaten van de Europese Unie. Vraag 11 Moet in het toekomstige communautaire instrument of het toekomstige verdrag van Den Haag het volgende worden opgenomen: a. een volledige reeks collisieregels? b. collisieregels die specifieke problemen regelen? 5.3.2. Kwesties waarop de collisieregels betrekking kunnen hebben 5.3.2.1. Belangrijkste kwestie Het Verdrag van Den Haag van 1973, het meest recente en meest complete, bevat een getrapt systeem dat de onderhoudsverplichtingen laat regelen door de wet van de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser met een alimentatievordering, of subsidiair, indien de schuldeiser via deze wet niet in aanmerking kan komen voor alimentatie, door de nationale gemeenschappelijke wet van de schuldenaar en de schuldeiser, en tot slot, indien de schuldeiser middels deze tweede wet niet in het gelijk wordt gesteld, door de lex fori. Het Verdrag van Montevideo voorziet een ander systeem, aangezien in artikel 6 wordt vermeld: "De onderhoudsverplichtingen alsmede de hoedanigheden van schuldeiser en schuldenaar worden geregeld door de wetgeving die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit het meest gunstig is voor de belangen van de schuldeiser, te weten: a) de wetgeving van het land van de woon- of verblijfplaats van de schuldeiser; a) de wetgeving van het land van de woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats van de schuldenaar." Het recht van bepaalde landen voorziet eveneens een getrapte benadering, of een systeem dat lijkt op dat van het Verdrag van Montevideo. In andere landen regelt de wet van de nationaliteit van de schuldeiser de kwestie van het recht op alimentatie. Tijdens de bijeenkomst van de speciale commissie in Den Haag in mei 2003 werd opgemerkt dat, indien men de bevoegdheid van het rechtsgebied van de schuldeiser zou erkennen alsmede de toepassing van de wet van de woon- of verblijfplaats van de schuldeiser, de lex fori van toepassing zou zijn, een oplossing die een overeenstemming tussen de systemen voor burgerlijk recht en "common law" mogelijk zou maken. Het systematisch gebruik van de interne wet van het rechtsgebied is eveneens overwogen, met als reden dat in de fase van het oorspronkelijk verzoek de schuldeiser het gerecht kiest en dat hij dientengevolge de wet mag kiezen die voor hem het meest gunstig is. Een dergelijke oplossing lijkt echter "forum shopping" te stimuleren. Sommigen hebben bovendien opgemerkt dat landen met islamitisch recht het toekomstige verdrag bijvoorbeeld zouden kunnen willen ratificeren en dat voor hen ongetwijfeld de beste oplossing zou zijn de lex fori toe te passen, inclusief de eigen regels voor internationaal privaatrecht. Vraag 12 Welke algemene collisieregels inzake onderhoudsverplichtingen moeten op internationaal of communautair niveau worden vastgesteld? Wat onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten betreft, dient te worden onderzocht of de oplossing in artikel 8 van het Verdrag van Den Haag van 1973 moet worden gehandhaafd. Deze regel werd op het moment van vaststelling door sommigen sterk bekritiseerd, maar lijkt in de praktijk geen grote problemen te hebben opgeleverd. Tijdens de werkzaamheden binnen de Conferentie van Den Haag is overwogen ruimte te laten voor de autonomie van de wil, door zich te baseren op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, om partijen de mogelijkheid te bieden een andere wet dan die welke is toegepast op hun echtscheiding aan te wijzen voor het regelen van hun onderhoudsverplichtingen. Hoewel een dergelijke oplossing geschikt lijkt, dient te worden onderzocht of de keuze van partijen volledig vrij moet zijn, of dat hiervoor richtsnoeren moeten worden opgesteld, met name om te voorkomen dat een van de partijen de andere de toepassing van een wet opdringt die voor hem bijzonder ongunstig zou zijn. Aangezien het gaat om echtscheidingen die zijn uitgesproken door een bevoegde rechtbank onder toepassing van Verordening (EG) nr. 1347/2000, zouden in de toekomst regels over de toepasselijke wet kunnen worden vastgesteld door een communautair instrument en zal de kwestie van onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten worden bekeken. Vraag 13 Welke bijzondere collisieregel inzake onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten of ex-echtgenoten moet in het toekomstige verdrag van Den Haag worden opgenomen? Vraag 14 Moeten de partijen het toepasselijke recht mogen kiezen, en zo ja, moet deze keuze aan voorwaarden worden onderworpen? 5.3.2.2. Gebied van de toepasselijke wet Het Verdrag van Den Haag van 1973 en het Verdrag van Montevideo van 1989 bepalen dat de bevoegde wet de hoedanigheden bepaalt van de schuldeiser en de schuldenaar, de benoeming van personen die een rechtsvordering wegens alimentatie kunnen beginnen, evenals de termijnen om deze procedure aan te spannen. Het Verdrag van Montevideo voegt eraan toe dat de bevoegde wet de andere voorwaarden regelt die nodig zijn voor het uitoefenen van het recht op alimentatie, evenals het bedrag van de vordering en de termijnen en voorwaarden voor betaling ervan. Het Verdrag van Den Haag bepaalt dat de wet die van toepassing is op de onderhoudsverplichting eveneens de grenzen van de verplichting van de schuldenaar bepaalt wanneer een openbaar lichaam terugbetaling vraagt van de aan de schuldeiser verstrekte uitkering. De collisieregels van bepaalde lidstaten van de Conferentie van Den Haag laten daarentegen door de wet van de woonplaats van de schuldeiser de kwestie regelen van het recht op alimentatie en door de wet van de woonplaats van de schuldenaar de voorwaarden voor het vaststellen van de alimentatievordering en met name van het bedrag hiervan. In sommige landen wordt de alimentatie vastgesteld door het toepassen van soms nogal ingewikkelde tabellen. In andere wordt de alimentatie daarentegen vastgesteld aan de hand van de behoeften van de schuldeiser en het inkomen van de schuldenaar, een beginsel dat is overgenomen door het Verdrag van Den Haag van 1973. De kwestie van de modaliteiten voor het vaststellen van de onderhoudsverplichtingen is met name van belang wanneer de schuldeiser en de schuldenaar in landen wonen waar de levensstandaard zeer verschillend is. Het grootste probleem lijkt zich voor te doen in het geval waarin de schuldeiser in een land woont met een hoge levensstandaard, terwijl de schuldenaar in het land waar hij woont een salaris ontvangt dat onvoldoende is om de alimentatie te betalen. Artikel 11 van het Verdrag van Den Haag van 1973 bepaalt in dit opzicht: "Evenwel dient, zelfs indien de van toepassing zijnde wet anders bepaalt, bij de bepaling van het bedrag van de uitkering tot onderhoud rekening te worden gehouden met de behoeften van de onderhoudsgerechtigde en de middelen van de onderhoudsplichtige". De tenuitvoerlegging van een dergelijke regel veronderstelt natuurlijk dat de autoriteit die het bedrag van de alimentatie vaststelt, beschikt over de nodige informatie, waarvoor de hulp van buitenlandse autoriteiten nodig zou kunnen zijn. Maar het lijkt moeilijk om in een internationaal kader verder te gaan dan dit. Daarentegen zou een bepaalde benadering kunnen worden overwogen van de regels voor het vaststellen van het bedrag van de alimentatie tussen de lidstaten van de Europese Unie. Bovendien lijkt het erop dat talrijke rechten een indexeringssysteem kennen waarmee de vastgestelde toelage kan worden aangepast aan de schommelingen van de kosten voor levensonderhoud. De modaliteiten voor het berekenen van deze aanpassingen zijn natuurlijk van land tot land verschillend en moeilijk te begrijpen, of bij gebrek aan een overeenkomstige referentietabel zelfs helemaal niet toepasbaar in een ander land. Het lijkt moeilijk op internationaal niveau tot harmonisatie te komen wat betreft de modaliteiten voor de indexering van beslissingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen. Men zou zich echter kunnen voorstellen dat dit binnen de communautaire ruimte kan worden gerealiseerd. Vraag 15 Welke kwesties moeten onder de collisieregeling vallen? Vraag 16 Hoe moet met name op communautair niveau de kwestie van de vaststelling van het bedrag van de onderhoudsverplichtingen worden geregeld? Vraag 17 Hoe moet met name op communautair niveau het probleem van de indexering van alimentatievorderingen worden geregeld? 5.3.2.3. Bijzondere kwesties 5.3.2.4. Vaststelling van de "familiebetrekkingen" Noch de Verdragen van Den Haag noch het Verdrag van Montevideo bevatten bepalingen met betrekking tot de wet die op deze kwestie van toepassing is. Het Verdrag van Den Haag van 1973, dat van toepassing is "op onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind" bepaalt zelfs dat "de krachtens toepassing van het Verdrag gegeven beslissingen (...) niet het bestaan van een der in het eerste artikel genoemde betrekkingen [raken]". De toepassing van verschillende collisieregels door de gerechten van verschillende landen kan er natuurlijk toe leiden dat voor eenzelfde kind wordt vastgesteld dat het afstamt van twee vaders, of dat de autoriteiten van een land een huwelijk in aanmerking nemen dat in een ander land als niet bestaand zal worden beschouwd. Wat verwantschap betreft, kan de vraag zich op verschillende wijze voordoen naargelang de landen uiteenlopende gevolgen geven aan beslissingen, naarmate ze zijn gewezen na rechtsvorderingen die beogen de verwantschap vast te stellen of na rechtsvorderingen inzake alimentatie in het kader waarvan de verwantschap bij wege van tussenvordering wordt onderzocht. De speciale commissie die in 1995 in Den Haag is bijeengekomen om de tenuitvoerlegging te onderzoeken van verdragen inzake onderhoudsverplichtingen, had de toepassing van de wet die de onderhoudsverplichting regelt aanbevolen op de "prealabele vraag" over verwantschap, maar deze commissie lijkt geen invloed te hebben gehad op de jurisprudentie van de landen die de aangewezen wet toepassen door de regels van hun internationale privaatrecht dat de situatie van personen regelt. Tijdens de werkzaamheden van de speciale commissie in mei 2003 spraken enkelen zich uit vóór het vaststellen van een regel die de "prealabele vraag" laat regelen door een wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen; anderen waren van mening dat het in ieder geval raadzaam was te voorkomen dat de beslissing die wordt gegeven over het vaderschap bij wege van tussenvordering niet erga omnes tegenwerpbaar is. 5.3.2.4.1 'Conflit mobile' We hebben gezien dat als de schuldeiser of de schuldenaar van woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats verandert er problemen ontstaan betreffende de bevoegdheid om uitspraak te doen over de verzoeken om wijziging van eerder gegeven beslissingen. Er doet zich eveneens de vraag voor welke wet van toepassing is op deze nieuwe verzoeken. Het Verdrag van Den Haag van 1973, volgens welke in principe de interne wet van de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser met een alimentatievordering van toepassing is, bepaalt: "in geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsplichtige wordt de interne wet van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering is ingetreden". Een dergelijke oplossing kan voordelen hebben, aangezien hiermee de situatie van de schuldeiser kan worden aangepast aan zijn nieuwe omgeving. Deze oplossing zou eveneens een stimulans kunnen zijn voor de schuldeiser om van verblijfplaats te veranderen om een wijziging van zijn vordering te verkrijgen. De belangrijkste collisieregel die zal worden vastgesteld zal natuurlijk van invloed zijn op dit punt. 5.3.2.4.2 Tussen partijen getroffen overeenkomsten Sommige landen geven de voorkeur aan overeenkomsten tussen partijen, terwijl andere dit verbieden. Men kan zich derhalve afvragen welke wet daarop qua vorm en inhoud van toepassing is. Bij gebrek aan nauwkeurige indicaties op dit punt kan men zich afvragen of deze overeenkomsten worden geregeld door de verdragen van Den Haag. In ieder geval blijft de vraag in zijn geheel bestaan voor de landen die geen partij zijn bij deze verdragen. 5.3.2.4.3 Verjaring Verjaring valt volgens de gerechtelijke stelsels onder het procedurerecht of het bodemrecht. Volgens de oplossing die is vastgesteld door het Verdrag van Den Haag van 1973 en het Verdrag van Montevideo is verjaring van de rechtsvordering wegens alimentatie een bodemkwestie en valt dientengevolge onder de wet die van toepassing is op de onderhoudsverplichting. De verjaring van de rechtsvordering wegens exequatur of de rechtsvordering wegens invordering wordt daarentegen niet uitdrukkelijk beoogd door deze instrumenten, en het onderzoek van de jurisprudentie brengt verschillende interpretaties van de procedurele of substantiële aard ervan aan het licht. Het feit dat de onderhoudsverplichtingen tussen twee partijen gedurende vele jaren kunnen voortduren en dat de noodzaak van het exequatur of het gebruik van middelen voor gedwongen tenuitvoerlegging in het buitenland zich pas lange tijd na de uitspraak van de beslissing kunnen voordoen, vormt een bijzonder probleem. Tijdens de besprekingen van de speciale commissie in Den Haag in mei 2003 hebben talrijke delegaties aangegeven dat ze zouden willen dat de verschillende aspecten van dit probleem aan de orde zouden komen, indien nodig door het vaststellen van materiële regels. Vraag 18 Moeten bijzondere collisieregels worden vastgesteld inzake: a. - de familiebetrekkingen waaruit onderhoudsverplichtingen kunnen ontstaan? b. - de kwestie van het 'conflit mobile'? c. - overeenkomsten betreffende onderhoudsverplichtingen? d. - verjaring van rechtsvorderingen wegens alimentatie, exequatur of gedwongen tenuitvoerlegging? Moeten er voor het toekomstige communautaire instrument en het toekomstige verdrag van Den Haag verschillende oplossingen worden gekozen? 6. SAMENWERKING Een groot deel van de werkzaamheden van de speciale commissie in Den Haag in mei 2003 werd besteed aan samenwerking en zou volgens sommige opties het belangrijkste deel van de inhoud van het toekomstige verdrag kunnen zijn. Hoewel te betwijfelen valt of door het instellen van dergelijke regels de geconstateerde juridische problemen kunnen worden ondervangen, moet daarentegen worden toegegeven dat het opstellen van rechtsregels niet voldoende is om een snelle en doeltreffende inning van onderhoudsvorderingen mogelijk te maken wanneer de schuldenaar en de schuldeiser niet in hetzelfde land woonachtig zijn. De problemen die op internationaal of alleen communautair niveau moeten worden opgelost, zijn natuurlijk vergelijkbaar, maar binnen de communautaire ruimte kunnen ongetwijfeld oplossingen worden gevonden die vollediger en doeltreffender zijn, ook op dit gebied. 6.1. Met samenwerking belaste autoriteiten 6.1.1. Aanstelling van de autoriteiten Het systeem van talloze verdrags- of communautaire instrumenten volgens welke de centrale autoriteiten belast zijn met de samenwerking, heeft zichzelf bewezen en lijkt te moeten worden voortgezet. Hoewel het echter nuttig lijkt één enkele onderhandelingspartner te hebben - of eventueel een onderhandelingspartner in elk van de autonome delen van de niet gecentraliseerde landen - die belast is met de betrekkingen met de andere landen over bepaalde belangrijke zaken, lijken in veel gevallen rechtstreekse contacten tussen de regionale of lokale autoriteiten verkieslijk De overdracht van documenten tussen de successieve tussenpersonen is namelijk een bron van vertraging en verlies van informatie. Bij bestudering van het functioneren van de samenwerking inzake onderhoudsverplichtingen in de lidstaten van de Europese Unie blijkt uit een onderzoek dat is verricht door de Europese Commissie, dat een groot aantal centrale autoriteiten die zijn aangesteld onder toepassing van het Verdrag van New York of andere overeenkomsten, slechts een kleine rol spelen in de behandeling van dossiers en soms zelfs uitsluitend een schakel vormen in de overdracht aan lokale autoriteiten. Het is niet zeker dat deze organisatie sterk kan worden vereenvoudigd in het kader van de werking van een internationaal instrument. Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft, zou het dienstig zijn een versnelde decentralisatie te overwegen, dat wil zeggen het aanstellen van lokale autoriteiten die rechtstreeks in contact kunnen treden met hun ambtgenoten in andere lidstaten. De aanstelling van deze autoriteiten zou voor een aantal lidstaten de gelegenheid zijn om onderzoek te doen naar de doelmatigheid van de samenwerkingsstructuur die is opgesteld onder toepassing van de huidige instrumenten. Uit de verslagen inzake het onderzoek van de Europese Commissie over de inning van onderhoudsvorderingen blijkt namelijk dat er sprake is van vertragingen en slecht functioneren waaraan ongetwijfeld gedeeltelijk een einde zou kunnen worden gemaakt door hervormingen van de structuren. Vraag 19 Is het aangewezen binnen de Europese Unie "gedecentraliseerde" autoriteiten aan te duiden die belast zijn met bepaalde samenwerkingstaken? Hoe kan de situatie op internationaal niveau worden verbeterd? 6.1.2. Taken van de aangestelde autoriteiten 6.1.2.1. Overdracht van dossiers In een internationaal kader zou men tenminste een "semi-direct" systeem kunnen overwegen zoals het systeem dat is vastgelegd in het Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken. Niets lijkt namelijk het feit te rechtvaardigen dat verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging uit het buitenland door een centrale autoriteit moeten worden ontvangen, die deze rechtstreeks overdraagt aan een regionale of lokale autoriteit, onder voorbehoud echter dat deze dossiers onmiddellijk in behandeling kunnen worden genomen. Dit veronderstelt enerzijds dat de gedecentraliseerde autoriteiten van de aangezochte staat voor de autoriteiten van de verzoekende staat herkenbaar zijn en anderzijds dat de dossiers volledig zijn en geen tussenkomst van de centrale autoriteit vergen. Wat de identificatie van gedecentraliseerde autoriteiten betreft, hoeven de landen natuurlijk alleen maar de nodige informatie door te geven aan het permanent bureau van de Conferentie van Den Haag dat belast zou zijn met de verspreiding ervan, zoals het geval is voor de toepassing van andere verdragen. De inhoud van de dossiers zou dan worden gecontroleerd door de centrale autoriteit van de verzoekende staat aan wie het semi-direct systeem toestemming zou geven deze rol op zich te nemen, vóór verzending van de verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging. Binnen de Europese justitiële ruimte zou de rol van de centrale autoriteiten nog verder beperkt kunnen worden, op voorwaarde dat de controle van de inhoud van de dossiers door de verzoekende autoriteiten wordt verricht, en de directe communicatie tussen lokale autoriteiten wordt bevorderd. Het instandhouden van een centrale autoriteit die is belast met de controle op het functioneren van de samenwerking en van algemene taken, zoals vastgelegd in bepaalde communautaire verordeningen, lijkt evenwel noodzakelijk. Vraag 20 Welke systeem moet worden opgezet voor de overdracht van dossiers tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat? Kan in het communautair kader de rechtstreekse overdracht van dossiers tussen lokale autoriteiten die bevoegd zijn voor de behandeling ervan worden overwogen? 6.1.2.2. Het inleiden van procedures 6.1.2.2.1 Procedures voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen Uitgaande van het beginsel dat de procedures voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen binnen de Gemeenschap moeten worden afgeschaft, moet deze kwestie nog slechts worden onderzocht tijdens de lopende werkzaamheden in het kader van de Conferentie van Den Haag. Volgens het systeem dat door verschillende landen is ingevoerd onder toepassing van het Verdrag van New York van 1956, handelen de aangezochte centrale autoriteiten zelf of via een lokale dienst, of vertrouwen het inleiden van de procedure aan een advocaat toe. Hoewel de wijze van organisatie van de beginselen niet van belang is, zijn deze twee systemen over het algemeen niet even doeltreffend. De rechtsvordering via overheidsdiensten is vaak sneller dan via advocaten. Aangezien de advocaat in de meeste gevallen namelijk moet worden toegewezen als rechtshulp, is een eerste procedure hiervoor noodzakelijk. De constatering van problemen bij de inning op internationaal niveau van alimentatievorderingen vergt nadere bestudering van de doeltreffendheid van de bestaande maatregelen en, als de knelpunten zijn gevonden, het vinden van een oplossing daarvoor. Vraag 21 Hoe kan de samenwerking inzake erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden verbeterd? 6.1.2.2.2Bodemprocedures In het kader van internationale betrekkingen, en zoals hierboven al is aangegeven, eisen bepaalde landen, die de bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats of de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser niet erkennen, van het land van de woonplaats of de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldenaar de inleiding van een procedure voor het vaststellen van de alimentatievordering, of zelfs voor het vaststellen van de verwantschap van het betalingsgerechtigde kind, hetgeen sommige aangezochte landen weigeren. Deze situatie doet zich echter niet voor binnen de communautaire ruimte, aangezien Verordening (EG) nr. 44/2001 bevoegdheid toekent aan de autoriteiten in de woonplaats of de gewoonlijke verblijfplaats van de schuldeiser. Wat de vaststelling van de verwantschap van een kind betreft, hebben verschillende delegaties er tijdens de speciale commissie in Den Haag in mei 2003 op gewezen dat een dergelijke procedure complex en kostbaar is aangezien expertisemaatregelen genomen moeten worden en de procedure niet kan worden ingeleid door een centrale autoriteit namens een schuldeiser die in het buitenland verblijft. Sommige landen lijken ook bang te zijn dat ze worden overspoeld met verzoeken, vooral over alle kwesties inzake de ouderlijke macht. Wat beschikkingen ten principale betreft, kan men zich ook afvragen of de met de samenwerking belaste autoriteiten hulp moeten verlenen aan schuldenaars die een wijziging van een voorgaande beslissing wensen. Deze kwestie doet zich niet alleen voor in het kader van de werkzaamheden inzake de opstelling van het toekomstige verdrag van Den Haag, maar ook van een toekomstig communautair instrument, zodra de schuldenaar, onder toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001, geen andere keuze heeft dan de zaak voor het gerecht te brengen in het land waar de schuldeiser woont of gewoonlijk verblijft. Sommigen wijzen erop dat zowel de schuldenaar als de schuldeiser financiële problemen kunnen ondervinden, zodat zij zich de kosten van een procedure in het buitenland niet kunnen veroorloven. Anderen menen dat het enige doel dat moet worden nagestreefd de inning van alimentatievorderingen is en dat geen samenwerking op andere gebieden moet worden verleend. Bovendien zij opgemerkt dat volgens verschillende instrumenten, met name Richtlijn (EG) nr. 2002/8 van de Raad van 27 januari 2003, de mogelijkheid bestaat rechtshulp voor dit soort zaken toe te wijzen. Vraag 22 Moet in het toekomstige verdrag van Den Haag worden bepaald dat de autoriteiten van de verdragsluitende staat waar de schuldenaar zijn woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats heeft, bodemprocedures moeten inleiden met het oog op de vaststelling van de alimentatievordering of zelfs van de verwantschap van het alimentatiegerechtigde kind, wanneer de bevoegdheidsregels die moeten worden toegepast door de gerechten van het land waar de schuldeiser zijn woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats heeft deze gerechten niet toestaan een uitspraak te doen? Vraag 23 Moet deze samenwerking overeenkomstig het toekomstige verdrag van Den Haag ook worden verleend ten gunste van de alimentatieplichtige? Moet dat ook overeenkomstig het toekomstige communautaire instrument ook het geval zijn? 6.1.2.3. Overdracht van informatie Voor de behandeling van dossiers met betrekking tot onderhoudsverplichtingen kunnen inlichtingen uit het buitenland nodig zijn over bijvoorbeeld de woonplaats van een schuldenaar, over de samenstelling van zijn vermogen en inkomen, over gegevens die mogelijk zijn verzameld in het kader van expertises, met name voor het vaststellen van de verwantschap van een kind, of over het toepasselijk recht in een ander land. Het adres van de schuldenaar dient namelijk bekend te zijn tijdens het eerste proces voor de vaststelling van de alimentatievordering om het contradictoir karakter van de procedure te waarborgen. Kennis van de samenstelling van het vermogen en van het inkomen maakt het de autoriteit die is belast met de uitspraak over de alimentatievordering, mogelijk met kennis van zake het bedrag vast te stellen. Deze gegevens zijn niet altijd bekend aan de schuldeiser, die problemen kan ondervinden bij de inleiding van een rechtsvordering of het doen slagen ervan indien hij niet de noodzakelijke hulp ontvangt om deze gegevens te verkrijgen. In de momenteel van toepassing zijnde internationale en regionale instrumenten wordt niet bepaald dat een autoriteit kan worden aangezocht om het adres van een schuldenaar die zich op zijn grondgebied bevindt te zoeken voor een procedure in een ander land. Wat verkrijgen van inlichtingen over de samenstelling van het vermogen van een schuldenaar betreft, kunnen de rechtbanken zich afhankelijk van het geval baseren op het Verdrag van New York van 1956 inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, het Verdrag van Den Haag van 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, of Verordening (EG) nr. 1206/2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. Deze drie instrumenten bepalen vooral het rechtsmiddel voor het systeem van verzoeken die door de gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende staat worden gericht tot die van de aangezochte staat, en alleen de communautaire verordening legt aan de rechtsgebieden termijnen op voor de tenuitvoerlegging van het verzoek dat tot hen wordt gericht. Het bedoelde rechtsmiddel lijkt weinig geschikt voor de behandeling van verzoeken om inlichtingen over het vermogen van bijvoorbeeld schuldenaars, maar eerder voor verzoeken om expertise voor de vaststelling van verwantschap. Artikel 3 van het Europees Verdrag van 1990 tussen de lidstaten van de Europese Unie inzake de vereenvoudiging van procedures met betrekking tot de inning van alimentatievorderingen, dat nooit van kracht is geworden, bepaalde: "Bij ontvangst van een verzoek [om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing] neemt de centrale autoriteit van de aangezochte staat, of laat dat doen, onverwijld alle gewenste en nuttige maatregelen om: 1) de schuldenaar of zijn vermogen op te sporen; 2) zonodig van openbare bestuurslichamen of instellingen de nodige inlichtingen over de schuldenaar te verkrijgen." Wat het adres van de schuldenaar of zijn vermogen betreft, kende deze bepaling de centrale autoriteiten echter slechts een onderzoeksrol toe in de fase van het exequaturverzoek. Sommige landen beschikken over bevolkingsregisters waarin heel snel een persoon die op het grondgebied verblijft kan worden opgespoord. Andere landen gebruiken andere vormen van registratie voor onder meer sociale, fiscale en bancaire doeleinden. Deze bepalingen zouden het mogelijk moeten maken essentiële inlichtingen te verzamelen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van dossiers over onderhoudsverplichtingen. Deze verschillende vormen van registratie zijn echter niet altijd toegankelijk voor bestuurslichamen of gerechten vanwege de steeds strenger wordende beginselen van vertrouwelijkheid van persoonlijke gegevens, maar soms ook van materiële middelen. Het lijkt nuttig zich te baseren op de bepalingen van het Europees Verdrag van 1990, vooral in het kader van de opstelling van een toekomstig communautair instrument, door de centrale autoriteiten diverse, door dit instrument vastgestelde taken toe te vertrouwen en ervoor te zorgen dat deze taken ook worden uitgevoerd in de fase van de eerste aanvraag voor vaststelling van een alimentatievordering. Ook zou kunnen worden overwogen om de centrale autoriteiten andere taken toe te vertrouwen die niet door dit verdrag worden voorzien. Op communautair niveau zou het nuttig zijn de middelen die noodzakelijk zijn voor het verzamelen van inlichtingen ter beschikking van de centrale autoriteiten te stellen. Wat het interne recht van landen betreft, staat de in het kader van de Raad van Europa vastgestelde Europese Overeenkomst van 7 juni 1968 nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht gerechtelijke autoriteiten in de verdragsluitende staten toe informatie in te winnen via centrale autoriteiten in het geval van een procedure die al is ingeleid. Het lijkt echter dat deze overeenkomst, die is geratificeerd door een groot aantal lidstaten van de Europese Unie, zelden wordt toegepast. Binnen de communautaire ruimte kan de overdracht van informatie over nationaal recht in burgerlijke en handelszaken door het Europees Justitieel Netwerk gebeuren [15]. [15] Europees Justitieel Netwerk voor burgerlijke en handelszaken: Op internationaal niveau kan de overdracht van informatie over het nationaal rechtstelsel ook worden toevertrouwd aan de centrale autoriteiten. Vraag 24 Moeten de met samenwerking inzake onderhoudsverplichtingen belaste centrale autoriteiten ook worden belast met de uitwisseling van informatie, het opsporen van de schuldenaars en het verkrijgen van informatie over hun vermogen? Moeten zij worden belast met de overdracht van andere informatie, met name over hun nationaal recht? Vraag 25 Moeten de centrale autoriteiten worden belast met de aanstelling van deskundigen opdat de rechter tot wie het verzoek om vaststelling van de alimentatievordering van een kind is gericht, uitspraak kan doen over de verwantschap van dat kind? Vraag 26 Moeten aan de centrale autoriteiten andere taken worden toevertrouwd? Vraag 27 Op welke gebieden kunnen regels voor nauwere samenwerking op communautair niveau worden overwogen? 6.2. Betaling van de kosten Hoewel men het over het algemeen eens is over het beginsel van de kosteloosheid van de taken die door de centrale autoriteiten worden vervuld in het kader van internationale wederzijdse hulp, die op een paar uitzonderingen na zijn overgenomen door de internationale instrumenten die de regels van samenwerking bepalen, lopen de meningen uiteen over de betaling van de kosten die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de exequaturprocedures en de tenuitvoerlegging zelf. Deze verdeeldheid kan met name worden verklaard door de verschillende modaliteiten van de behandeling van verzoeken om samenwerking die worden ingediend onder toepassing van de bestaande verdragen. In sommige landen is de behandeling van buitenlandse dossiers van de fase van exequatur tot de feitelijke tenuitvoerlegging in handen van de gerechtelijke of bestuurlijke autoriteiten zelf. In andere landen daarentegen draagt de aangezochte centrale autoriteit het verzoek over aan onafhankelijke uitvoerders van de rechtsbedeling, en de procedure waarvoor betaald moet worden moet in principe worden betaald door de schuldeiser. Tussen deze beide uitersten ligt een hele reeks tussenoplossingen die landen hanteren op grond van hun eigen interne organisatie. Afgezien van de kostenloosheid voor de schuldeiser betekent de directe behandeling van de verzoeken door gerechtelijke en bestuurlijke autoriteiten van een aangezocht land meestal een grote tijdwinst, op voorwaarde natuurlijk dat deze autoriteiten niet een te grote werklast hebben. Maar deze kosteloze samenwerking wordt meestal alleen toegewezen voor alimentatievorderingen van kinderen, en volwassen schuldeisers met een alimentatievordering ontvangen vaak geen enkele hulp van de autoriteiten in landen die een dergelijk systeem kennen. In landen die de behandeling van dossiers toevertrouwen aan onafhankelijke uitvoerders van de rechtsbedeling kunnen schuldeisers eventueel in aanmerking komen voor rechtshulp voorzover dat mogelijk is volgens de toepasselijke internationale overeenkomsten of het interne recht van het land in kwestie, hetgeen het geval moet zijn bij de betrekkingen tussen lidstaten van de Europese Unie onder toepassing van de regels tot omzetting van Richtlijn (EG) nr. 2002/8 van 27 januari 2003 van de Raad. Deze diverse regels bepalen over het algemeen ook de toekenning van rechtshulp op basis van het inkomen. Dit systeem kan gunstig zijn omdat volwassenen dan net als kinderen eventueel in aanmerking kunnen komen voor bijstand. Het kan echter ook nadelig zijn en vooral grote achterstand veroorzaken in de behandeling van dossiers door vertraging bij de beoordeling van verzoeken om rechtshulp, maar ook vanwege de noodzaak het verzoek ieder jaar opnieuw in te dienen, of omdat alle inkomsten van het gezin in aanmerking moeten worden genomen, ook als het verzoek om rechtshulp wordt gedaan voor een minderjarig kind. Indien men zowel in het toekomstige verdrag van Den Haag als in het komend Europees instrument wil voorkomen dat de onderhandelingen niet leiden tot een oplossing die de kleinst gemene deler vertegenwoordigt, moeten verbeteringen worden geaccepteerd in de werking van het grootste deel van de bepalingen die op dit moment gelden. Men moet namelijk niet vergeten dat het voor een schuldeiser die in het buitenland verblijft onmogelijk is zelf zijn rechten te doen gelden ten overstaan van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat, terwijl hij volgens het recht van verschillende landen dat zou kunnen doen ten overstaan van de plaatselijke autoriteiten. Meer rechten toekennen voor de toegang tot rechtshulp voor schuldeisers die in het buitenland verblijven mag niet worden beschouwd als een ongelijkheid ten opzichte van schuldeisers die ter plaatse verblijven. De meest ambitieuze oplossing zou natuurlijk zijn van alle landen te eisen dat de kosten voor alle schuldeisers met een alimentatievordering gratis zouden zijn. Maar waarschijnlijk moet toch overeenstemming over de aard van de te vergoeden kosten worden gevonden, aangezien uit de besprekingen van de speciale commissie van Den Haag in mei 2003 bijvoorbeeld naar voren is gekomen dat veel landen zouden weigeren de kosten van expertise voor de verzoeken om vaststelling van het vaderschap te betalen. Op dit punt moet de vrees die werd geuit zonder meer worden gerelativeerd, aangezien de technische kosten geleidelijk aanzienlijk kunnen dalen. Een andere oplossing zou kunnen leiden tot het aanbrengen van onderscheid, bijvoorbeeld afhankelijk van de vraag of de schuldenaar een kind is, een echtgenoot of een andere persoon. Het in Den Haag aangehaalde beginsel volgens welk de landen die door eenzelfde instrument zijn gebonden gelijke diensten moeten leveren, ongeacht de middelen die nodig zijn om dit te doen, moet in ieder geval worden aangehouden. De samenwerkingsmodaliteiten die sommige landen aanwenden kunnen trouwens worden herzien om de kosten te beperken, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de rechtshulp. Vraag 28 Moet worden bepaald dat alle alimentatiegerechtigden in aanmerking kunnen komen voor de kosteloze tenuitvoerlegging door de centrale autoriteiten van de aangezochte staat van de maatregelen die nodig zijn voor de erkenning en tenuitvoerlegging van ten hunner gunste gegeven beslissingen? Kunnen op communautair niveau en in een internationaal kader verschillende oplossingen worden overwogen? Vraag 29 Kan in sommige landen de invoering van samenwerkingsprocedures worden overwogen die goedkoper zijn dan de huidige? Moeten of kunnen deze bijzondere samenwerkingsprocedures worden beperkt tot bepaalde schuldeisers? Moet het toekomstige communautaire instrument gunstiger voorwaarden bevatten dan die welke overeenkomstig het toekomstige verdrag van Den Haag van toepassing zouden zijn in een internationaal kader? 7. PRAKTISCHE VRAGEN Zoals ook de in Den Haag gehouden vergaderingen over onderhoudsverplichtingen bij verschillende gelegenheden hebben laten zien, blijkt uit het aan de Europese Commissie ter hand gestelde onderzoeksverslag dat de centrale autoriteiten regelmatig worden geconfronteerd met praktische problemen die de behandeling van de dossiers die hun worden voorgelegd bemoeilijken en soms onmogelijk maken. Voor deze problemen, die zich herhaaldelijk voordoen, moeten oplossingen worden gevonden. 7.1. Vertalingen Vertaalproblemen doen zich voor bij de communicatie tussen centrale autoriteiten, maar vooral waar het gaat om documenten die bij het dossier voor het verzoek om rechtshulp moeten worden gevoegd. 7.1.1. Formulieren Voor de communicatie tussen centrale autoriteiten is een tweetalig formulier opgesteld in het kader van de Conferentie van Den Haag, dat met de noodzakelijke aanpassingen kan worden overgenomen met het oog op het toekomstige verdrag. Voor de communicatie tussen de autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie zouden speciale formulieren moeten worden opgesteld, aangezien de talen die kunnen worden gebruikt talrijker worden en de aard van de over te dragen informatie verband houdt met de inhoud van de instrumenten. In bepaalde gevallen kan het gebruik van formulieren echter niet voldoende zijn en moeten regels worden opgesteld over het gebruik van talen voor communicatie tussen zowel de landen die partij zijn bij het toekomstige verdrag van Den Haag als tussen lidstaten van de Europese Unie. 7.1.2. Dossierstukken War de inhoud van de dossiers betreft, komen in het aan de Europese Commissie ter hand gestelde onderzoeksverslag met name problemen naar voren die voortvloeien uit de slechte kwaliteit van bepaalde vertalingen van belangrijke stukken. Sommigen beklagen zich bovendien over de hoge kosten van de vertalingen, die de centrale autoriteiten voor hun rekening nemen. Er zijn al verschillende oplossingen overwogen, met name in het kader van de in Den Haag verrichte werkzaamheden, en dan vooral de vertaling van alleen het gedeelte dat betrekking heeft op de onderhoudsverplichtingen van vonnissen over verscheidene hoofdeisen, of de vertaling uitsluitend op uitdrukkelijk verzoek van de gerechtelijke autoriteiten tot wie het exequaturverzoek is gericht. Geen van de voorstellen is aanvaard, en verscheidene deskundigen wezen erop dat alle stukken die aan hun gerechten worden voorgelegd in de landstaal moeten worden vertaald. Wat het toekomstige communautaire instrument betreft, kunnen mogelijkerwijs oplossingen worden overgenomen uit, met name, Verordening (EG) nr. 2201/2003 waar het gaat om beslissingen over het omgangsrecht of de terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind. Artikel 46 van deze verordening bepaalt namelijk dat een beslissing over het omgangsrecht die is gegeven door een bevoegd gerecht van een lidstaat wordt erkend en uitvoerbaar is in een andere lidstaat indien met betrekking tot die beslissing in de lidstaat van herkomst een certificaat is afgegeven middels een speciaal formulier. Van dit formulier wordt alleen artikel 10 vertaald, dat betrekking heeft op de modaliteiten van de uitoefening van het omgangsrecht. De andere vermeldingen op het formulier hoeven niet te worden vertaald. Artikel 47 over de terugkeer van het kind bevat vergelijkbare bepalingen. Het toekomstige communautaire instrument zou ook kunnen bepalen dat met betrekking tot beslissingen die in de aangezochte lidstaat moeten worden uitgevoerd door de autoriteit van de lidstaat van herkomst een certificaat moet worden afgegeven. Het certificaat dient informatie te bevatten waarmee partijen kunnen worden geïdentificeerd en neemt de gegevens van de beslissing over die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging ervan: het totale te incasseren bedrag of de maandelijkse bedragen, de eventuele indexering, enz. Vraag 30 Welke taal dient te worden gebruikt in de betrekkingen tussen autoriteiten van landen die partij zijn bij het toekomstige verdrag van Den Haag en tussen autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie? Vraag 31 Hoe moet in het toekomstige verdrag van Den Haag de kwestie worden geregeld van de vertalingen van documenten die bij het verzoek om wederzijdse rechtshulp zijn gevoegd? Vraag 32 Moet een toekomstig communautair instrument gebaseerd zijn op de betrokken oplossingen in Verordening nr.... ? 7.2. Te overleggen stukken Sommige centrale autoriteiten klagen over de problemen die zich voordoen in hun betrekkingen met collega's in sommige landen die altijd onvolledige dossiers overdragen, of daarentegen steeds meer stukken vragen, bijvoorbeeld in het kader van verzoeken om rechtshulp. Deze problemen lijken meerdere oorzaken te hebben: de gebrekkige controle door de centrale autoriteiten van de inhoud van de dossiers die zij overdragen, de onmogelijkheid om van de schuldeiser alle benodigde stukken te verkrijgen, gebrek aan informatie over de eisen van de autoriteiten van de aangezochte staat, onbegrip over het nut van overgedragen stukken, enz. Wat de problemen door onbegrip betreft, moet het mogelijk zijn een wederzijds inlichtingensysteem te overwegen in het kader van de tenuitvoerlegging van het toekomstige verdrag van Den Haag. Op communautair niveau kan informatie worden verkregen door tussenkomst van de centrale autoriteiten of de lokale autoriteiten die zijn belast met een dossier, maar ook via contactpunten van het Europees Justitieel Netwerk en zelfs op de website van het netwerk voor algemene informatie. Tijdens de vergadering van de speciale commissie van mei 2003 in Den Haag hebben verscheidene delegaties voorgesteld om bepaalde documenten te vervangen door verklaringen die worden opgesteld door de centrale autoriteiten. Deze oplossing lijkt op die in artikelen 41 en 42 van Verordening (EG) nr. 2201/2003, zoals hierboven beschreven. De elektronische overdracht van bepaalde stukken kwam ook ter sprake. Sommige deskundigen gaven echter aan dat originelen of gewaarmerkte conforme afschriften van bepaalde documenten noodzakelijk zijn voor de juistheid van de procedures. Men zou evenwel kunnen overwegen sommige stukken te vervangen door gewaarmerkte certificaten op formulieren, waardoor vertaling onnodig wordt: bijvoorbeeld akten van de burgerlijke stand of documenten ter vaststelling van het bedrag van de inkomsten van de schuldeisers of de schuldenaars. Het kan evenwel zijn dat sommige oplossingen die volledig aanvaardbaar zijn voor de betrekkingen tussen lidstaten van de Europese Unie, lastiger toe te passen zijn op betrekkingen op mondiaal niveau. Vraag 33 Hoe moet de informatie-uitwisseling tussen de centrale autoriteiten worden geregeld? Vraag 34 Kunnen oplossingen zoals het opstellen door de centrale autoriteiten van certificaten ter vervanging van de originele stukken worden overwogen in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag, of alleen in het toekomstige communautaire instrument? Vraag 35 Kan de elektronische overdracht van dossiers of van bepaalde stukken worden overwogen in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag, of alleen in het toekomstige communautaire instrument? 7.3. Termijnen Tijdens de in Den Haag in mei 2003 gevoerde besprekingen door de speciale commissie gaven verscheidene delegaties de wens te kennen dat er voor de behandeling van dossiers termijnen moeten worden gesteld voor landen die partij zijn bij het toekomstige verdrag. In het onderzoeksverslag van de Europese Commissie zijn uiterst verontrustende voorbeelden te vinden van de termijnen van behandeling van verzoeken om rechtshulp, omdat wordt aangegeven dat in sommige landen geen enkele procedure leidt tot een eerste betaling van alimentatie binnen een termijn van minder dan één, twee, of zelfs drie jaar, en de procedures soms pas met succes werden afgerond na een nog veel langere termijn. Natuurlijk kan een procedure geen gunstige oplossing binnen korte termijn voor de schuldeiser bieden als het adres van de schuldenaar niet bekend is, hij tijdelijk onvermogend is of de onroerende goederen moeten worden verkocht. Gezien de belangen die op het spel staan lijkt het echter niet acceptabel dat een procedure zonder bijzondere problemen niet binnen een redelijke termijn kan worden afgehandeld. Allereerst dient men zich af te vragen of moet worden doorgegaan met minnelijke schikkingen jegens de schuldenaar alvorens een procedure wordt ingeleid, zoals momenteel het geval is in sommige landen onder toepassing van het Verdrag van New York, waarvan artikel 6 bepaalt dat de bemiddelende autoriteit "tot een vergelijk komt en als dat nodig mocht zijn (...) een rechtszaak voor alimentatie aanspant en toeziet op tenuitvoerlegging van alle vonnissen". Op zijn minst zou overwogen kunnen worden om termijnen vast te stellen voor deze aanpak. Ook kan worden overwogen om termijnen vast te stellen voor de verschillende stappen van de bevoegde autoriteiten, waardoor ze tot enige spoed worden aangezet. Een dergelijke oplossing roept echter altijd netelige vragen op, omdat verschillende fases moeten worden doorlopen voor de inning van de alimentatie, en dan met name van gerechtelijke procedures, die lastig binnen vaste termijnen kunnen worden gehouden. In sommige communautaire verordeningen zijn echter termijnen vastgesteld. Zo worden in Verordening (EG) nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, termijnen vastgesteld voor de aangezochte instanties om de verzoekende instanties op de hoogte te stellen van de vorderingen van het werk. Verordening (EG) nr. 1206/2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken stelt ook termijnen vast voor inlichtingen van verzoekende gerechten door aangezochte gerechten, maar ook een termijn waarbinnen het verzoek om bewijsverkrijging moet worden uitgevoerd. Tot slot bepaalt Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, dat het gerecht in beginsel uiterlijk zes weken beslist nadat een verzoek om terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind aanhangig is gemaakt. Vraag 36 Moeten er termijnen worden vastgesteld in het toekomstige verdrag van Den Haag, in het toekomstige communautaire instrument? 8. Sociale hulpverlening Een groot aantal lidstaten van de Europese Unie hebben voorzieningen in het leven geroepen voor sociale hulpverlening voor schuldeisers met een alimentatievordering. Sommige van deze voorzieningen zijn bestemd voor alle personen in moeilijkheden zonder onderscheid. Andere zijn juist bedoeld ter compensatie van de uitblijvende betaling van alimentatievorderingen. Zo ontvangen in Italië personen in moeilijkheden, en met name minderjarige schuldeisers met een alimentatievordering, een uitkering. In België ontvangen behoeftige personen een bijstandsuitkering. De omstandigheden van personen die voor deze hulpverlening in aanmerking kunnen komen worden onderzocht en de familie kan eventueel worden verplicht om bij te dragen aan hun onderhoud. In Oostenrijk keert een federaal fonds voorschotten uit voor alimentatie voor kinderen. In Portugal keert een "Garantiefonds voor alimentatie aan minderjarigen" bedragen uit van maximaal 319 euro per maand aan minderjarigen die de alimentatie waar ze recht op hebben niet ontvangen. In Luxemburg vervult een "nationaal solidariteitsfonds" deze rol voor echtgenoten en afstammelingen. Deze instanties zijn meestal in de rechten gesteld van de schuldeiser en kunnen zich derhalve tegen de schuldenaar keren om hem te gelasten de bedragen terug te betalen die in zijn plaats zijn uitgekeerd. Deze systemen, die zich in de plaats stellen van de schuldenaar om alle of een deel van de bedragen uit te betalen die aan de schuldeiser zijn verschuldigd, zijn zeker doeltreffend, enerzijds omdat ze de schuldeiser niet verplichten zijn behoeftigheid te bewijzen en anderzijds omdat ze de vervolging van de schuldenaar op zich nemen. Dergelijke voorzieningen kunnen zeker niet verplicht worden gesteld in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag. Een communautair instrument zou echter de verplichting van de lidstaten van de Europese Unie kunnen voorschrijven om dergelijke mechanismen in te stellen. Vraag 37 Moet in de lidstaten van de Europese Unie worden voorgeschreven dat een overheidsinstelling de alimentatie moet betalen wanneer de schuldenaar in gebreke blijft? 9. Lijst met vragen Vraag 1 Moeten de toekomstige instrumenten: a. - het begrip onderhoudsverplichtingen definiëren? Zo ja, hoe? b. - van toepassing zijn op de inning van achterstallige betalingen? c. - van toepassing zijn op overheidsinstellingen, met name met betrekking tot samenwerking? d. - van toepassing zijn op alle personen die volgens de verschillende rechtsstelsels aanspraak kunnen maken op alimentatie? Moeten er verschillende oplossingen worden gekozen voor het toekomstige communautaire instrument en het toekomstige verdrag van Den Haag? Welke? Vraag 2 Moet het toekomstige verdrag van Den Haag: a. - een volledige reeks regels inzake directe bevoegdheid bevatten? Zo ja, welke regels moeten worden vastgesteld? b. - regels inzake directe bevoegdheid bevatten die alleen gelden voor verzoeken tot wijziging van een eerder gegeven beslissing? Zo ja, welke regels moeten worden vastgesteld? Vraag 3 Kan de afschaffing van het exequatur in het communautaire kader worden bemoeilijkt om redenen: a. van openbare orde? b. van schending van de rechten van de verdediging? Vraag 4 Stuit het beginsel dat beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen van rechtswege voorlopig uitvoerbaar zijn op bijzondere problemen? Vraag 5 Kan met betrekking tot de fase van tenuitvoerlegging van vonnissen worden overwogen: a. de procedures voor de tenuitvoerlegging van bestaande vonnissen in sommige lidstaten te vereenvoudigen? Termijnen vast te stellen? b. dat de tenuitvoerlegging alleen kan worden opgeschort in uitzonderlijke gevallen? Vraag 6 Kan worden overwogen dat een in een lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissing waarbij beslaglegging op het salaris van een alimentatieplichtige wordt gelast, zonder verdere procedure in alle lidstaten wordt erkend en ten uitvoer gelegd? Welke andere bijzondere maatregelen zouden nuttig kunnen zijn? Vraag 7 Moet in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag een vereenvoudigde exequaturprocedure worden overwogen die vergelijkbaar is met die in Verordening (EG) nr. 44/2001? Vraag 8 Kan de "op feiten gebaseerde" benadering in de praktijk worden toegepast? Moet een andere oplossing worden gekozen? Zo ja, welke? Vraag 9 Moet inzake indirecte bevoegdheid het volgende worden aanvaard: a. de oplossing van artikel 8 van het Verdrag van Den Haag van 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen? b. het gerecht dat door de schuldenaar en de schuldeiser in onderlinge overeenstemming werd gekozen? Moet de keuzevrijheid van de partijen worden beperkt? Vraag 10 In de fase van het exequatur: a. welke gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging moeten in het toekomstige verdrag worden opgenomen? b. hoe moet in het geval van conflicterende beslissingen worden bepaald welke beslissing ten uitvoer moet worden gelegd? c. moet het onderzoek van de in het land van herkomst gegeven beslissingen strikt verboden zijn, of moet worden voorzien in afwijkingen, en zo ja, in welke gevallen en met welk doel? Vraag 11 Moet in het toekomstige communautaire instrument of het toekomstige verdrag van Den Haag het volgende worden opgenomen: a. een volledige reeks collisieregels? b. collisieregels die specifieke problemen regelen? Vraag 12 Welke algemene collisieregels inzake onderhoudsverplichtingen moeten op internationaal of communautair niveau worden vastgesteld? Vraag 13 Welke bijzondere collisieregel inzake onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten of ex-echtgenoten moet in het toekomstige verdrag van Den Haag worden opgenomen? Vraag 14 Moeten de partijen het toepasselijke recht kunnen kiezen, en zo ja, moet deze keuze aan voorwaarden worden onderworpen? Vraag 15 Welke kwesties moeten onder de collisieregeling vallen? Vraag 16 Hoe moet met name op communautair niveau de kwestie van de vaststelling van het bedrag van de onderhoudsverplichtingen worden geregeld? Vraag 17 Hoe moet met name op communautair niveau het probleem van de indexering van alimentatievorderingen worden geregeld? Vraag 18 Moeten bijzondere collisieregels worden vastgesteld inzake: a. - de familiebetrekkingen waaruit onderhoudsverplichtingen kunnen ontstaan? b. - de kwestie van het 'conflit mobile'? c. - overeenkomsten betreffende onderhoudsverplichtingen? d. - verjaring van rechtsvorderingen wegens alimentatie, exequatur of gedwongen tenuitvoerlegging? Moeten er voor het toekomstige communautaire instrument en het toekomstige verdrag van Den Haag verschillende oplossingen worden gekozen? Vraag 19 Is het aangewezen binnen de Europese Unie "gedecentraliseerde" autoriteiten aan te duiden die belast zijn met bepaalde samenwerkingstaken? Hoe kan de situatie op internationaal niveau worden verbeterd? Vraag 20 Welke systeem moet worden opgezet voor de overdracht van dossiers tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat? Kan in het communautair kader de rechtstreekse overdracht van dossiers tussen lokale autoriteiten die bevoegd zijn voor de behandeling ervan, worden overwogen? Vraag 21 Hoe kan de samenwerking inzake erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden verbeterd? Vraag 22 Moet in het toekomstige verdrag van Den Haag worden bepaald dat de autoriteiten van de verdragsluitende staat waar de schuldenaar zijn woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats heeft, bodemprocedures moeten inleiden met het oog op de vaststelling van de alimentatievordering of zelfs van de verwantschap van het alimentatiegerechtigde kind, wanneer de bevoegdheidsregels die moeten worden toegepast door de gerechten van het land waar de schuldeiser zijn woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats heeft deze gerechten niet toestaan een uitspraak te doen? Vraag 23 Moet deze samenwerking overeenkomstig het toekomstige verdrag van Den Haag ook worden verleend ten gunste van de alimentatieplichtige? Moet dat ook overeenkomstig het toekomstige communautaire instrument ook het geval zijn? Vraag 24 Moeten de met samenwerking inzake onderhoudsverplichtingen belaste centrale autoriteiten ook worden belast met de uitwisseling van informatie, het opsporen van de schuldenaars en het verkrijgen van informatie over hun vermogen? Vraag 25 Moeten de centrale autoriteiten worden belast met de aanstelling van deskundigen opdat de rechter tot wie het verzoek om vaststelling van de alimentatievordering van een kind is gericht, uitspraak kan doen over de verwantschap van dat kind? Vraag 26 Moeten aan de centrale autoriteiten andere taken worden toevertrouwd? Vraag 27 Moet op internationaal en communautair niveau de toepassing van verschillende regels worden overwogen? Op welke gebieden kunnen regels voor nauwere samenwerking op communautair niveau worden overwogen? Vraag 28 Moet worden bepaald dat alle alimentatiegerechtigden in aanmerking kunnen komen voor de kosteloze tenuitvoerlegging door de centrale autoriteiten van de aangezochte staat van de maatregelen die nodig zijn voor de erkenning en tenuitvoerlegging van ten hunner gunste gegeven beslissingen? Kunnen op communautair niveau en in een internationaal kader verschillende oplossingen worden overwogen? Vraag 29 Kan in sommige landen de invoering van samenwerkingsprocedures worden overwogen die goedkoper zijn dan de huidige? Moeten of kunnen deze bijzondere samenwerkingsprocedures worden beperkt tot bepaalde schuldeisers? Moet het toekomstige communautaire instrument gunstiger voorwaarden bevatten dan die welke overeenkomstig het toekomstige verdrag van Den Haag van toepassing zouden zijn in een internationaal kader? Vraag 30 Welke taal dient te worden gebruikt in de betrekkingen tussen autoriteiten van landen die partij zijn bij het toekomstige verdrag van Den Haag en tussen autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie? Vraag 31 Hoe moet in het toekomstige verdrag van Den Haag de kwestie worden geregeld van de vertalingen van documenten die bij het verzoek om wederzijdse rechtshulp zijn gevoegd? Vraag 32 Moet een toekomstig communautair instrument gebaseerd zijn op de betrokken oplossingen in Verordening nr.... ? Vraag 33 Hoe moet de informatie-uitwisseling tussen de centrale autoriteiten worden geregeld? Vraag 34 Kunnen oplossingen zoals het opstellen door de centrale autoriteiten van certificaten ter vervanging van de originele stukken worden overwogen in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag, of alleen in het toekomstige communautaire instrument? Vraag 35 Kan de elektronische overdracht van dossiers of van bepaalde stukken worden overwogen in het kader van het toekomstige verdrag van Den Haag, of alleen in het toekomstige communautaire instrument? Vraag 36 Moeten er termijnen worden vastgesteld in het toekomstige verdrag van Den Haag, in het toekomstige communautaire instrument? Vraag 37 Moet in de lidstaten van de Europese Unie worden voorgeschreven dat een overheidsinstelling de alimentatie moet betalen wanneer de schuldenaar in gebreke blijft?