This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52004AG0010
Common Position (EC) No 10/2004 of 18 December 2003 adopted by the Council, acting in accordance with the procedure referred to in Article 251 of the Treaty establishing the European Community, with a view to adopting a directive of the European Parliament and of the Council on the minimum health and safety requirements regarding the exposure of workers to the risks arising from physical agents (electromagnetic fields) (18th individual directive within the meaning of Article 16(1) of Directive 89/391/EEC)
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2004 van 18 december 2003, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2004 van 18 december 2003, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
PB C 66E van 16.3.2004, pp. 1–13
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2004 van 18 december 2003, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
Publicatieblad Nr. C 066 E van 16/03/2004 blz. 0001 - 0013
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 10/2004 vastgesteld door de Raad op 18 december 2003 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (2004/C 66 E/01) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 137, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie(1), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats, Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2), Na raadpleging van het Comité van de Regio's, Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3), Overwegende hetgeen volgt: (1) Ingevolge het Verdrag kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, teneinde een betere bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers te waarborgen. Administratieve, financiële en juridische verplichtingen die de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen moeten in die richtlijnen vermeden worden. (2) In de mededeling van de Commissie over haar actieprogramma tot uitvoering van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers worden minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia in het vooruitzicht gesteld. In september 1990 heeft het Europees Parlement een resolutie over dat actieprogramma(4) aangenomen, waarin de Commissie in het bijzonder wordt verzocht voor met lawaai, trillingen en andere fysische agentia op de arbeidsplaats verbonden risico's een specifieke richtlijn op te stellen. (3) Als eerste stap hebben het Europees Parlement en de Raad op 25 juni 2002 Richtlijn 2002/44/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (zestiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)(5) aangenomen. Vervolgens hebben het Europees Parlement en de Raad op 6 februari 2003 Richtlijn 2003/10/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (zeventiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)(6) aangenomen. (4) Het wordt nu noodzakelijk geacht maatregelen in te voeren ter bescherming van werknemers tegen de risico's die verbonden zijn aan elektromagnetische velden door de effecten daarvan op de gezondheid en de veiligheid van werknemers. De effecten op de lange termijn, waaronder mogelijke kankerverwekkende gevolgen tengevolge van de blootstelling aan tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden waarvoor geen sluitend wetenschappelijk bewijs bestaat dat er een causaal verband bestaat, komen in deze richtlijn echter niet aan de orde. Met deze maatregelen wordt niet alleen beoogd de gezondheid en de veiligheid van elke werknemer afzonderlijk te waarborgen, maar ook om alle werknemers van de Gemeenschap een als minimum te beschouwen basisbescherming te bieden, waarmee eventuele concurrentievervalsing wordt vermeden. (5) Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast en laat de lidstaten daarmee de keuze gunstiger bepalingen voor de bescherming van werknemers te handhaven of aan te nemen, met name waar het de vaststelling betreft van lagere waarden voor de actiewaarden of de grenswaarden voor blootstelling aan elektromagnetische velden; de uitvoering van deze richtlijn mag niet dienen als rechtvaardiging voor enigerlei achteruitgang ten opzichte van de in de lidstaten reeds bestaande situatie. (6) Een systeem ter bescherming tegen elektromagnetische velden moet beperkt blijven tot een omschrijving, zonder overbodige details, van de te bereiken doeleinden, de in acht te nemen beginselen en de te gebruiken basisgrootheden, teneinde de lidstaten in staat te stellen de minimumvoorschriften op equivalente wijze toe te passen. (7) De blootstelling aan elektromagnetische velden kan doeltreffender worden verminderd door reeds bij het ontwerpen van werkplekken voor preventie te zorgen en arbeidsmiddelen, -procédés en -methoden zodanig te kiezen dat risico's bij voorrang aan de bron worden bestreden. Maatregelen met betrekking tot arbeidsmiddelen en -methoden leveren derhalve een bijdrage aan de bescherming van de betrokken werknemers. (8) Het is van belang dat werkgevers zich aanpassen aan de technische vooruitgang en de wetenschappelijke kennis inzake risico's in verband met blootstelling aan elektromagnetische velden teneinde de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te verbeteren. (9) De onderhavige richtlijn is een bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(7). Richtlijn 89/391/EEG is derhalve onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen in deze richtlijn onverkort van toepassing op het gebied van de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden. (10) Deze richtlijn vormt een concrete bijdrage tot de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt. (11) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EEG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(8). (12) Inachtneming van de grenswaarden voor blootstelling en de actiewaarden dient een hoog beschermingsniveau ten aanzien van de bewezen gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische straling te bieden, maar storingen van of effecten op het functioneren van medische hulpmiddelen, zoals metalen prothesen, pacemakers en defibrillators, cochlea-implantaten en andere implantaten, kunnen daardoor niet zonder meer worden vermeden; met name storingen met pacemakers kunnen optreden bij niveaus onder de actiewaarden en hiervoor moeten passende voorzorgen en beschermende maatregelen worden genomen, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: AFDELING I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Doel en toepassingsgebied 1. Bij deze richtlijn, die de 18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG is, worden minimumvoorschriften vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen risico's voor hun gezondheid en veiligheid die zich voordoen of kunnen voordoen door blootstelling aan elektromagnetische velden (0 Hz-300 GHz) tijdens het werk. 2. Deze richtlijn heeft betrekking op de risico's voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers door bekende negatieve effecten op korte termijn, veroorzaakt door het circuleren van geïnduceerde stroom in het menselijk lichaam en door energieabsorptie, alsmede door contactstroom. 3. Deze richtlijn betreft niet de veronderstelde effecten op lange termijn. 4. Deze richtlijn betreft niet de risico's die verbonden zijn aan het contact met stroomvoerende geleiders. 5. Richtlijn 89/391/EEG is onverkort van toepassing op het gehele gebied, bedoeld in lid 1, onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen van deze richtlijn. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze richtlijn gelden onderstaande definities: a) "elektromagnetische velden": statische magnetische en tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden met frequenties tot 300 GHz; b) "grenswaarden voor blootstelling": grenzen aan de blootstelling aan elektromagnetische velden, die direct gebaseerd zijn op bewezen gezondheidseffecten en biologische gegevens. Inachtneming van deze grenzen waarborgt dat aan elektromagnetische velden blootgestelde werknemers worden beschermd tegen alle bekende negatieve gevolgen voor de gezondheid; c) "actiewaarden": de grootte van rechtstreeks meetbare parameters, uitgedrukt als elektrische veldsterkte (E), magnetische veldsterkte (H), magnetische fluxdichtheid (B) en vermogensdichtheid (S), bij het bereiken waarvan een of meer van de gespecificeerde metingen van deze richtlijn moeten worden uitgevoerd. Naleving van deze waarden waarborgt dat de toepasselijke grenswaarden voor blootstelling niet worden overschreden. Artikel 3 Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling 1. De grenswaarden voor blootstelling zijn vermeld in de bijlage, tabel 1. 2. De actiewaarden zijn vermeld in de bijlage, tabel 2. Voor de beoordeling, de meting en/of de berekening van de blootstelling van een werknemer aan elektromagnetische velden mogen de lidstaten gebruik maken van andere wetenschappelijke normen of richtsnoeren totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend. De lidstaten kunnen andere wetenschappelijke normen of richtsnoeren gebruiken. AFDELING II VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER Artikel 4 Bepaling van de blootstelling en beoordeling van de risico's 1. Bij de uitvoering van de voorschriften van artikel 6, lid 3, en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG beoordeelt en, indien nodig, meet en berekent de werkgever de niveaus van de elektromagnetische velden waaraan de werknemers zijn blootgesteld. Beoordeling, meting en berekening kunnen geschieden overeenkomstig de in artikel 3 bedoelde wetenschappelijke normen en richtsnoeren totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend en, in voorkomend geval, met inachtneming van de door de producent van de arbeidsmiddelen opgegeven emissieniveaus, wanneer die arbeidsmiddelen onder de desbetreffende communautaire richtlijnen vallen. 2. Indien de in artikel 3 bedoelde actiewaarden overschreden zijn, bepaalt en, zo nodig, berekent de werkgever op basis van de beoordeling van de niveaus van de elektromagnetische velden overeenkomstig lid 1 of de grenswaarden voor blootstelling overschreden worden. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde beoordeling, meting en/of berekening behoeven niet te gebeuren voor een voor het publiek toegankelijke arbeidsplaats mits reeds een evaluatie is verricht overeenkomstig Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van OHz-300 GHz(9), en met inachtneming van de daarin bepaalde restricties voor werknemers en met uitsluiting van veiligheidsrisico's. 4. De in lid 1 en lid 2 bedoelde beoordeling, meting en/of berekening worden op deskundige wijze gepland en met passende frequentie uitgevoerd door deskundige bevoegde diensten of personen, met name rekening houdend met het bepaalde in artikel 7 van Richtlijn 89/391/EEG inzake de vereiste deskundigen (diensten of personen). De gegevens die door middel van de beoordeling, meting en/of berekening van het niveau van blootstelling zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard om latere raadpleging mogelijk te maken. 5. Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 89/391/EEG besteedt de werkgever bij de risicobeoordeling met name aandacht aan: a) het niveau, het frequentiespectrum, de duur en de aard van de blootstelling; b) de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde grenswaarden voor blootstelling en actiewaarden; c) de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die een bijzonder risico lopen; d) indirecte effecten zoals i) interferentie met medische elektronische apparatuur en hulpmiddelen (inclusief pacemakers en andere implantaten); ii) het risico van rondvliegend ferromagnetisch materiaal in een statisch magnetisch veld met een magnetische fluxdichtheid van meer dan 3 mT; iii) de activering van elektrische ontstekingsmiddelen (detonatoren); iv) branden en explosies ingevolge de ontbranding van ontvlambaar materiaal door vonken tengevolge van inductievelden, contactstroom of vonkontladingen; e) het bestaan van vervangende arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de niveaus van blootstelling aan elektromagnetische velden te verminderen; f) via het gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voorzover dat mogelijk is; g) blootstelling aan verscheidene bronnen; h) gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie. 6. De werkgever is in het bezit van een risicobeoordeling, overeenkomstig artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 89/391/EEG, en vermeldt welke maatregelen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de onderhavige richtlijn moeten worden getroffen. De risicobeoordeling wordt op een geschikte drager vastgelegd, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk; de werkgever kan daarbij argumenten aandragen om aan te tonen dat de aard en de omvang van de aan elektromagnetische velden verbonden risico's een meer uitvoerige beoordeling overbodig maken. De risicobeoordeling wordt regelmatig bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij achterhaald is, of wanneer uit de resultaten van het medisch toezicht blijkt dat aanpassing nodig is. Artikel 5 Maatregelen ter voorkoming of vermindering van risico's 1. De risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden worden geëlimineerd of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de mogelijkheid om maatregelen te nemen om het risico aan de bron te beheersen. De verkleining van risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden geschiedt met inachtneming van de in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 89/391/EEG vermelde algemene preventieprincipes. 2. Tenzij uit de in artikel 4, lid 2, bedoelde beoordeling blijkt dat de grenswaarden voor blootstelling niet zijn overschreden en dat veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten gaat de werkgever, bij overschrijding van de in artikel 3 bedoelde actiewaarden, op basis van de in artikel 4 bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een actieplan dat technische en/of organisatorische maatregelen omvat om blootstelling die de grenswaarden voor blootstelling overschrijdt, te voorkomen, met inachtneming van met name: a) alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan elektromagnetische velden; b) de keuze van arbeidsmiddelen die minder elektromagnetische velden uitzenden, rekening houdend met het te verrichten werk; c) technische maatregelen om de emissie van elektromagnetische velden te beperken, waar nodig ook door het gebruik van blokkering, afscherming of soortgelijke mechanismen ter bescherming van de gezondheid; d) passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de werkplek en de systemen op de arbeidsplaats; e) het ontwerp en de indeling van de werkplek en de arbeidsplaats; f) beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling; g) de beschikbaarheid van passende persoonlijke beschermingsmiddelen. 3. Op basis van de risicobeoordeling bedoeld in artikel 4 worden werkplekken waar werknemers zouden kunnen worden blootgesteld aan elektromagnetische velden die de actiewaarden overschrijden, overeenkomstig Richtlijn 92/58/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften voor de veiligheids- en/of gezondheidssignalering op het werk (negende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)(10) aangegeven door middel van passende signaleringen, tenzij uit de in artikel 4, lid 2, bedoelde beoordeling blijkt dat de grenswaarden voor blootstelling niet zijn overschreden en dat veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. De betrokken zones worden afgebakend en de toegang ertoe wordt beperkt indien dit technisch mogelijk is en indien het risico bestaat dat de grenswaarden voor blootstelling worden overschreden. 4. Werknemers worden in geen geval blootgesteld aan elektromagnetische velden boven de grenswaarden voor blootstelling. Worden de grenswaarden voor blootstelling overschreden ondanks de maatregelen die de werkgever uit hoofde van deze richtlijn heeft genomen, dan neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarden. Hij gaat na waarom de grenswaarden zijn overschreden en past de beschermings- en preventiemaatregelen dienovereenkomstig aan om te voorkomen dat overschrijding opnieuw plaatsvindt. 5. Overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 89/391/EEG stemt de werkgever de in dit artikel bedoelde maatregelen af op de vereisten voor werknemers die een bijzonder risico lopen. Artikel 6 Voorlichting en opleiding van de werknemers Onverminderd de artikelen 10 en 12 van Richtlijn 89/391/EEG zorgt de werkgever ervoor dat werknemers die aan risico's in verband met elektromagnetische velden op het werk worden blootgesteld, en/of hun vertegenwoordigers, alle noodzakelijke voorlichting en opleiding ontvangen in verband met het resultaat van de in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bedoelde risicobeoordeling, in het bijzonder betreffende: a) maatregelen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn genomen; b) de waarden en concepten van de grenswaarden voor blootstelling en actiewaarden en de gerelateerde potentiële gevaren; c) de resultaten van de overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn verrichte beoordeling, meting en/of berekening van de mate van blootstelling aan elektromagnetische velden; d) de reden waarom en de wijze waarop symptomen van gezondheidsschade opgespoord en gemeld dienen te worden; e) de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht; f) veilige werkmethoden om de risico's van blootstelling tot een minimum te beperken. Artikel 7 Raadpleging en deelneming van de werknemers Bij de behandeling van de onderwerpen die onder deze richtlijn vallen, wordt overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG voorzien in raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers. AFDELING III DIVERSE BEPALINGEN Artikel 8 Gezondheidstoezicht Overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 89/391/EEG wordt voorzien in een passend gezondheidstoezicht op werknemers wier gezondheid of veiligheid nadelige effecten zou kunnen ondervinden, in het bijzonder op werknemers die een specifiek risico lopen. Artikel 9 Technische wijzigingen 1. Wijzigingen van de grenswaarden voor blootstelling en de actiewaarden van de bijlage worden door het Europees Parlement en de Raad gewijzigd volgens de procedure van artikel 137, lid 2, van het Verdrag. 2. Zuiver technische wijzigingen van de bijlage in verband met a) de vaststelling van richtlijnen op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie met betrekking tot het ontwerp, de bouw, de vervaardiging of de constructie van arbeidsmiddelen en/of werkplekken; of b) de technische vooruitgang, wijzigingen in de meest toepasselijke geharmoniseerde Europese normen of specificaties, en nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van elektromagnetische velden worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 10, lid 2. Artikel 10 Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG bedoelde comité. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. 3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast. AFDELING IV SLOTBEPALINGEN Artikel 11 Verslagen De lidstaten brengen om de vijf jaar aan de Commissie verslag uit over de praktische toepassing van deze richtlijn, met vermelding van de standpunten van de sociale partners. De Commissie stelt het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats in kennis van de inhoud van deze verslagen, alsmede van haar evaluatie van de ontwikkelingen terzake en van de maatregelen die in het licht van de nieuwe wetenschappelijke kennis gerechtvaardigd kunnen zijn. Artikel 12 Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(11) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen of reeds hebben vastgesteld. Artikel 13 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel 14 Adressaten Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te ... Voor het Europees Parlement De voorzitter Voor de Raad De voorzitter (1) PB C 77 van 18.3.1993, blz. 12 en PB C 230 van 19.8.1994, blz. 3. (2) PB C 249 van 13.9.1993, blz. 28. (3) Advies van het Europees Parlement van 20 april 1994 (PB C 128 van 9.5.1994, blz. 146), bevestigd op 16 september 1999 (PB C 54 van 25.2.2000, blz. 75), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 december 2003) en standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet verschenen in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van ... (4) PB C 260 van 15.10.1990, blz. 167. (5) PB L 177 van 6.7.2002, blz. 13. (6) PB L 42 van 15.2.2003, blz. 38. (7) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1). (8) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (9) PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59. (10) PB L 245 van 26.8.1992, blz. 23. (11) 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn. BIJLAGE GRENSWAARDEN VOOR BLOOTSTELLING EN ACTIEWAARDEN VOOR ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN De volgende fysische grootheden worden gebruikt als beschrijving van de blootstelling aan elektromagnetische velden: De contactstroom (IC) tussen een persoon en een voorwerp wordt uitgedrukt in ampère (A). Een geleidend voorwerp in een elektrisch veld kan door dat veld worden geladen. De stroomdichtheid (J) is de stroom die in een geleidend lichaam, zoals het menselijk lichaam of een deel daarvan, door een eenheidsdoorsnede loopt welke loodrecht op de stroomrichting staat; zij wordt uitgedrukt in ampère per vierkante meter (A/m2). De elektrische veldsterkte is een vectorgrootheid (E), die overeenkomt met de kracht die op een geladen deeltje, ongeacht de beweging daarvan in de ruimte, wordt uitgeoefend. Zij wordt uitgedrukt in volt per meter (V/m). De magnetische veldsterkte is een vectorgrootheid (H) die, samen met de magnetische fluxdichtheid, een magnetisch veld beschrijft op elk punt in de ruimte. Zij wordt uitgedrukt in ampère per meter (A/m). De magnetische fluxdichtheid is een vectorgrootheid (B), die een op bewegende ladingen inwerkende kracht veroorzaakt; zij wordt uitgedrukt in tesla (T). In de lege ruimte en in biologische materialen kunnen de magnetische fluxdichtheid en de magnetische veldsterkte in elkaar worden omgerekend met de equivalentie 1 A/m = 4π 10-7 T. De vermogensdichtheid (S) is de passende grootheid voor gebruik bij zeer hoge frequenties, wanneer de doordringdiepte in het lichaam gering is. Zij is de loodrecht op een oppervlak vallende energiestroom, gedeeld door de grootte van het oppervlak; zij wordt uitgedrukt in watt per vierkante meter (W/m2). De specifieke energieabsorptie (SA) is de energie die wordt geabsorbeerd per massaeenheid biologisch weefsel, uitgedrukt in joule per kilogram (J/kg). In deze richtlijn wordt deze grootheid gebruikt voor het beperken van de niet-thermische effecten van gepulseerde microgolfstraling. Het specifieke energieabsorptietempo (SAR) gemiddeld over het gehele lichaam of over lichaamsdelen, is het tempo waarin de energie per massaeenheid lichaamsweefsel wordt geabsorbeerd; het wordt uitgedrukt in watt per kilogram (W/kg). Het lichaams-SAR is een algemeen aanvaarde maatstaf voor het relateren van schadelijke thermische effecten door de blootstelling aan radiofrequentie (RF). Naast het gemiddelde lichaams-SAR zijn lokale SAR-waarden noodzakelijk voor het evalueren en beperken van te grote energieconcentraties in kleine delen van het lichaam als gevolg van bijzondere blootstellingsomstandigheden. Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn: geaarde personen die aan RF in het lage MHz-gebied worden blootgesteld en personen die aan het nabije veld van een antenne worden blootgesteld. Van deze grootheden kunnen de magnetische fluxdichtheid, de contactstroom, de elektrische en magnetische veldsterkte en de vermogensdichtheid direct worden gemeten. A. GRENSWAARDEN VOOR BLOOTSTELLING Afhankelijk van de frequentie worden de volgende fysische grootheden gebruikt om de grenswaarden voor blootstelling aan elektromagnetische velden te specificeren: - Er worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor de stroomdichtheid voor tijdsafhankelijke velden tot 1 Hz, teneinde gevolgen voor het cardiovasculaire systeem en het centrale zenuwstelsel te voorkomen. - Tussen 1 Hz en 10 MHz worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor de stroomdichtheid om gevolgen voor functies van het zenuwstelsel te voorkomen. - Tussen 100 kHz en 10 GHz worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor het SAR om thermische belasting van het gehele lichaam en excessieve plaatselijke verwarming van weefsels te voorkomen. In het gebied van 100 kHz tot 10 MHz worden grenswaarden voor blootstelling voor zowel de stroomdichtheid als het SAR gegeven. - Tussen 10 GHz en 300 GHz wordt een grenswaarde voor blootstelling voor de vermogensdichtheid gegeven om bovenmatige verwarming van weefsel aan of bij het lichaamsoppervlak te voorkomen. Tabel 1 Grenswaarden voor blootstelling (artikel 3, lid 1) (aan alle voorwaarden moet worden voldaan) >RUIMTE VOOR DE TABEL> Opmerkingen: 1. f is de frequentie in hertz. 2. De grenswaarden voor blootstelling voor de stroomdichtheid zijn bedoeld om te beschermen tegen acute blootstellingseffecten op weefsel van het centraal zenuwstelsel in hoofd en romp. De grenswaarden voor blootstelling in het frequentiegebied 1 Hz tot 10 MHz zijn gebaseerd op vastgestelde schadelijke effecten op het centrale zenuwstelsel. Dergelijke acute effecten treden in wezen onmiddellijk op en er zijn geen wetenschappelijke redenen om de grenswaarden voor blootstellingen van korte duur te wijzigen. Aangezien de grenswaarden voor blootstelling betrekking hebben op schadelijke effecten op het centrale zenuwstelsel, kunnen evenwel hogere stroomdichtheden in ander lichaamsweefsel dan het centrale zenuwstelsel onder dezelfde blootstellingsomstandigheden worden toegestaan. 3. Vanwege de elektrische inhomogeniteit van het lichaam dienen de waarden van de stroomdichtheid te worden berekend als gemiddelden over een doorsnee van 1 cm2 loodrecht op de stroomrichting. 4. Voor frequenties tot 100 kHz kunnen de piekwaarden voor de stroomdichtheid worden verkregen door de rms-waarden met (2)1/2 te vermenigvuldigen. 5. Voor frequenties tot 100 kHz en voor gepulseerde magnetische velden kan de maximale stroomdichtheid als gevolg van de pulsen worden berekend uit de stijg-/valtijden en de maximale veranderingssnelheid van de magnetische fluxdichtheid. De inductiestroomdichtheid kan dan worden vergeleken met de bijbehorende grenswaarde voor blootstelling. Voor pulsen met een duur van tpdient de equivalente frequentie die in de grenswaarden moet worden toegepast, te worden berekend als f=1/(2 tp). 6. Alle SAR-waarden moeten worden berekend als gemiddelden over een periode van zes minuten. 7. De plaatselijke SAR-middelingsmassa is 10 g aangrenzend weefsel; het aldus verkregen maximale SAR dient de waarde te zijn die voor de raming van de blootstelling wordt gebruikt. Met deze 10 g weefsel wordt een massa van 10 g aangrenzend weefsel met vrijwel homogene elektrische eigenschappen bedoeld. Hierbij valt op te merken dat een massa aangrenzend weefsel te gebruiken is in de computerdosimetrie, maar moeilijkheden kan opleveren bij directe fysieke metingen. Er kan een eenvoudige geometrische vorm zoals een kubusvormige weefselmassa worden gebruikt, op voorwaarde dat de berekende dosimetrische hoeveelheden waarden hebben die ten opzichte van de blootstellingrichtsnoeren aan de veilige kant zijn. 8. Voor gepulseerde blootstellingen in het frequentiegebied van 0,3-10 GHz en voor plaatselijke blootstelling van het hoofd, ter vermijding en beperking van effecten op het gehoor die veroorzaakt worden door thermo-elastische uitzetting, wordt een aanvullende grenswaarde aanbevolen. De SA mag niet meer dan 10 mJ/kg gemiddeld over 10 g weefsel bedragen. 9. Vermogensdichtheden moeten worden gemiddeld over 20 cm2 van het blootgestelde oppervlak en over een willekeurige periode van 68/f 1,05 min (f in GHz), ter compensatie van de geleidelijk kortere penetratiediepte naarmate de frequentie stijgt. Ruimtelijke maximale vermogensdichtheden, herleid tot een gemiddelde over 1 cm2, mogen niet meer bedragen dan 20 maal de waarde van 50 W/m2. 10. Met betrekking tot gepulseerde of transiënte elektromagnetische velden, of in het algemeen gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie moeten passende beoordelings-, metings- en/of berekeningsmethoden worden toegepast, die het mogelijk maken de kenmerken van de golfvormen en de aard van de biologische wisselwerking te analyseren, met inachtneming van de geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie. B. ACTIEWAARDEN De in tabel 2 bedoelde actiewaarden worden verkregen volgens de methode die de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) gebruikt in zijn richtsnoeren betreffende de beperking van de blootstelling aan niet-ioniserende straling (ICNIRP 7/99). Tabel 2 Actiewaarden (artikel 3, lid 2) (ongestoorde middelbare waarden) >RUIMTE VOOR DE TABEL> Opmerkingen: 1. f is de frequentie die wordt aangewend in de onderverdelingen van de kolom frequentiegebied. 2. Voor frequenties tussen 100 kHz en 10 GHz moeten Seq, E2, H2, B2 en IL2 berekend worden als gemiddelden over een periode van zes minuten. 3. Voor frequenties boven 10 GHz moeten Seq, E2, H2 en B2 berekend worden als gemiddelden over een periode van 68/f1,05minuten (f in GHz). 4. Voor frequenties tot 100 kHz kunnen de piekactiewaarden voor de veldsterktes worden verkregen door de rms-waarde met (2)1/2 te vermenigvuldigen. Voor pulsen met een duur van tp dient de equivalente frequentie die met betrekking tot de actiewaarden moet worden toegepast, te worden berekend als f = 1/(2 tp). Voor frequenties tussen 100 kHz en 10 MHz worden de piekactiewaarden voor de veldsterktes berekend door de desbetreffende rms-waarden te vermenigvuldigen met 10a, waarin a = (0,665 log (f/105) + 0,176), f in Hz. Voor frequenties tussen 10 MHz en 300 GHz worden de piekactiewaarden berekend door de desbetreffende rms-waarden te vermenigvuldigen met 32 wat de veldsterktes betreft en met 1000 wat de equivalente vermogensdichtheid van de vlakke golf betreft. 5. Met betrekking tot gepulseerde of transiënte elektromagnetische velden, of in het algemeen met betrekking tot gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie moeten passende beoordelings-, metings- en/of berekeningsmethoden worden toegepast, die het mogelijk maken de kenmerken van de golfvormen en de aard van de biologische wisselwerking te analyseren, met inachtneming van de geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie. 6. Wat de piekwaarden van gepulseerde gemoduleerde elektromagnetische velden betreft, wordt tevens voorgesteld om voor draaggolven van meer dan 10 MHz de Seq als gemiddeld over de pulsbreedte niet meer te laten bedragen dan 1000 maal de Seq-actiewaarden of de veldsterktes niet groter te laten zijn dan 32 maal de actiewaarden voor de draaggolven. MOTIVERING VAN DE RAAD I. INLEIDING Op 8 februari 1993 heeft de Commissie op basis van artikel 118 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij de Raad een voorstel ingediend voor een richtlijn betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia. Het voorstel was bedoeld als aanvulling op Richtlijn 89/391/EEG, en bevatte nadere regels betreffende de wijze waarop een aantal bepalingen van die richtlijn in het specifieke geval van blootstelling aan fysische agentia moest worden toegepast. Het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité hebben hun adviezen respectievelijk uitgebracht op 20 april en 30 juni 1993. Op 8 juli 1994 heeft de Commissie een gewijzigd voorstel ingediend. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam was de rechtsgrondslag niet langer het voormalige artikel 118 bis, maar artikel 137, lid 2; dit artikel voorziet in medebeslissing met het Europees Parlement en raadpleging van het Comité van de regio's. Het Comité van de regio's heeft in een brief d.d. 13 januari 2000 laten weten dat het geen advies zou uitbrengen over het richtlijnvoorstel. Het belangrijkste kenmerk van het voorstel was dat vier soorten fysische agentia (lawaai, mechanische trillingen, optische straling en elektromagnetische velden) in één instrument werden ondergebracht; voor elk van deze agentia zou een afzonderlijke bijlage worden opgesteld. Aangezien de vier fysische agentia naar hun karakter sterk van elkaar verschillen, is in 1999 besloten bij de verdere werkzaamheden uit te gaan van afzonderlijke richtlijnen; inmiddels zijn reeds specifieke richtlijnen betreffende trillingen en lawaai aangenomen. De Raad heeft vervolgens besloten zijn werkzaamheden in derde instantie te concentreren op elektromagnetische velden. De Raad heeft op 18 december 2003 een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag. II. DOEL Na de opsplitsing van het oorspronkelijke voorstel heeft het richtlijnvoorstel als doel bij te dragen tot de verbetering van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden. III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 1. ALGEMEEN Volgens artikel 137, lid 1, van het Verdrag "wordt het optreden van de lidstaten (...) door de Gemeenschap ondersteund en aangevuld" wanneer het gaat om "de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;" enz. In artikel 137, lid 2, van het Verdrag staat dat "de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften (kan) vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften". Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 137, lid 2, van het Verdrag op het betrokken gebied, aangezien het voorziet in de invoering van minimumvoorschriften ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden. Daarnaast is het gemeenschappelijk standpunt in overeenstemming met de door de Commissie geformuleerde en door het Parlement gesteunde doelstellingen, hoewel de structuur ten gevolge van de opsplitsing van het oorspronkelijke voorstel is gewijzigd. In het gemeenschappelijk standpunt zijn verscheidene van de amendementen verwerkt die het resultaat vormen van de eerste lezing van het Commissievoorstel door het Parlement. 2. OPZET EN BELANGRIJKSTE ELEMENTEN 2.1. Algemene opzet De algemene opzet van het gemeenschappelijk standpunt, bijvoorbeeld waar het gaat om de invoering van grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling, de artikelen betreffende voorlichting en opleiding van de werknemers, raadpleging en deelneming van de werknemers en de diverse bepalingen sluit nauw aan op de bepalingen van de richtlijnen betreffende trillingen en lawaai. Ook wordt de algemene opzet van het gewijzigde Commissievoorstel gevolgd. Luidens artikel 1 heeft het gemeenschappelijk standpunt betrekking op risico's voor de gezondheid en veiligheid waaraan werknemers blootgesteld zijn ten gevolge van bekende effecten op het menselijk lichaam op de korte termijn, terwijl mogelijke effecten op de lange termijn expliciet ervan worden uitgesloten. 2.2. De grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling Het gemeenschappelijk standpunt is gebaseerd op de invoering van grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling als omschreven in artikel 2 en vervat in de tabellen in de bijlage overeenkomstig artikel 3. Deze waarden zijn tot op grote hoogte gebaseerd op de aanbevelingen van de Internationale Commissie voor bescherming tegen niet-ioniserende straling (ICNIRP). Tabel 1 van de bijlage bevat de grenswaarden voor blootstelling die voor 7 verschillende frequentiegebieden zijn vastgesteld teneinde negatieve gevolgen voor verschillende lichaamsdelen of -functies van de mens, zoals voor het cardiovasculaire systeem en het centrale zenuwstelsel, thermische belasting van het gehele lichaam en excessieve plaatselijke verwarming van weefsels te voorkomen. De grenswaarden voor blootstelling zijn niet van toepassing op statische magnetische velden, aangezien er voorshands onvoldoende wetenschappelijk bewijs is voor eventuele nadelige gevolgen van blootstelling aan statische magnetische velden voor de gezondheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat er geen blootstellinggrenswaarden zijn voor het gebruik van apparatuur voor magnetische resonantie in de medische sector. De Raad heeft niettemin een verklaring voor de notulen aangenomen waarin de Commissie wordt verzocht de ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend te volgen teneinde in een latere fase in de richtlijn grenswaarden op te nemen voor de blootstelling aan statische magnetische velden wanneer dit door wetenschappelijk onderzoek mogelijk is gemaakt. Tabel 2 van de bijlage bevat de actiewaarden die zijn vastgesteld voor 13 verschillende frequentiegebieden. Deze actiewaarden zijn vastgesteld op basis van de grenswaarden voor blootstelling, volgens de aanpak die door de ICNIRP gevolgd is in haar richtsnoeren betreffende de beperking van de blootstelling aan niet-ioniserende straling (ICNIRP 7/99). Anders dan de grenswaarden voor blootstelling zijn de actiewaarden ook van toepassing op statische magnetische velden, teneinde risico's zoals dat van rondvliegend ferromagnetisch materiaal in een statistisch magnetisch veld te voorkomen. 2.3. Maatregelen bij overschrijding van de waarden Het gemeenschappelijk standpunt is bedoeld om de risico's als gevolg van blootstelling aan elektromagnetische velden weg te werken of tot een minimum te beperken. Bij overschrijding van de actiewaarden dient de werkgever derhalve een actieplan op te stellen en uit te voeren dat technische en/of organisatorische maatregelen omvat om grenswaardenoverschrijdende blootstelling te voorkomen. Deze verplichting geldt niet wanneer de werkgever kan aantonen dat de grenswaarden voor de blootstelling niet zijn overschreden en dat risico's voor de veiligheid kunnen worden uitgesloten. In artikel 5, lid 2, waarin deze verplichting is geformuleerd, wordt ondermeer gewag gemaakt van alternatieve werkmethoden, de keuze van arbeidsmiddelen, technische beperkingsmaatregelen en het ontwerp en de indeling van de werkplaats als onderdelen van een dergelijk actieplan. Voorts is de werkgever bij overschrijding van de actiewaarden verplicht de betrokken zones op te sporen, aan te geven door middel van passende signaleringen en de toegang ertoe te beperken (artikel 5, lid 3). Voortbouwend op het concept van grenswaarden voor de blootstelling wordt in artikel 5, lid 4, duidelijk bepaald dat werknemers niet mogen worden blootgesteld aan elektromagnetische velden boven de grenswaarden voor blootstelling. Worden de grenswaarden voor blootstelling toch overschreden, dan dient de werkgever onmiddellijk maatregelen te nemen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarden; hij dient na te gaan waarom de grenswaarden zijn overschreden en de beschermings- en preventiemaatregelen aan te passen om herhaling te voorkomen. 2.4. Bepaling van de blootstelling en beoordeling van de risico's Een ander essentieel onderdeel van het gemeenschappelijk standpunt zijn de voorschriften betreffende de bepaling van de blootstelling en de beoordeling van de risico's in artikel 4. De vereiste beoordeling, meting en berekening worden verricht aan de hand van normen die zijn vastgesteld door het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec). Zolang er nog geen geharmoniseerde Europese normen van het Cenelec voorhanden zijn, mogen de lidstaten gebruik maken van andere wetenschappelijke normen of richtsnoeren (artikel 4, lid 1). Om doublures te voorkomen behoeven de beoordeling, meting en/of berekening niet te gebeuren voor een voor het publiek toegankelijke arbeidsplaats, mits reeds een evaluatie is verricht overeenkomstig de bepalingen van Aanbeveling 1999/519/EG betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden (artikel 4, lid 3). Belangrijke aspecten van de risicobeoordeling waaraan de werkgever bijzondere aandacht dient te besteden, zijn onder andere werknemers die een bijzonder risico lopen en blootstelling aan verscheidene bronnen. 2.5. Belangrijkste verschillen ten opzichte van het gewijzigde Commissievoorstel De belangrijkste verschillen tussen het gemeenschappelijk standpunt en het gewijzigde Commissievoorstel zijn de volgende: - de nieuwe structuur die is ontstaan doordat elektromagnetische velden in een afzonderlijke richtlijn worden behandeld; - de nieuwe structuur en de nieuwe definitie van de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling, met inbegrip van de schrapping van de drempel; - de tabellen en bepalingen in de bijlage, die nauw aansluiten bij de aanbevelingen van de ICNIRP; - de omstandigheden waarin de werkgever verplicht is een actieplan met preventiemaatregelen op te zetten en uit te voeren; - de verwijzing naar de geharmoniseerde, door de Cenelec vastgestelde, Europese normen voor de beoordeling, de meting en de berekening in het kader van de risicobeoordeling; - de mogelijkheid af te zien van een evaluatie van de blootstelling in bepaalde gevallen waarin reeds een evaluatie verricht is overeenkomstig Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad; - de bepalingen betreffende het gezondheidstoezicht, ten aanzien waarvan in het gemeenschappelijk standpunt verwezen wordt naar de artikelen 14 en 15 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG en met name werknemers genoemd worden die een bijzonder risico lopen. De Raad achtte verderstrekkende verplichtingen niet nodig aangezien eventuele langetermijngevolgen niet onder het gemeenschappelijk standpunt vallen; - de schrapping van de bepaling dat bepaalde werkzaamheden geacht moeten worden verhoogd risico op te leveren en bij de verantwoordelijke autoriteit moeten worden gemeld; - de schrapping van specifieke vereisten betreffende de voorlichting van werknemers. 3. DE AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT IN EERSTE LEZING Aangezien het gemeenschappelijk standpunt uitsluitend betrekking heeft op elektromagnetische velden, valt een aantal van de amendementen van het Europees Parlement buiten dit verband. Voor de aanneming van het gemeenschappelijk standpunt hoefden derhalve alleen de volgende amendementen te worden besproken: 1, 4-21, 25, 37-40. 3.1. Door de Raad overgenomen amendementen van het Europees Parlement De amendementen 1, 5, 9, 14, 25, 37 en 38 zijn in hun geheel overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt, zo niet letterlijk dan toch naar de geest. Voorts is amendement 4 ten dele verwerkt in artikel 2, sub b). Liever dan de tekst van amendement 4 over te nemen heeft de Raad echter gespecificeerd dat inachtneming van de grenswaarden voor blootstelling waarborgt dat werknemers worden beschermd tegen alle bekende negatieve gevolgen voor de gezondheid. Amendement 7 is naar de geest aanvaard bij de definitie van de actiewaarden in artikel 2, sub c). Amendement 10 is naar de geest ten dele verwerkt in artikel 5, lid 5, hoewel de Raad het niet juist achtte te verwijzen naar preventieve maatregelen voor werknemers die een bijzonder risico lopen als een uitsluitend doel. Amendement 12 is naar de geest verwerkt in artikel 5, lid 1, waar in het gemeenschappelijk standpunt nu verwezen wordt naar het elimineren of tot een minimum beperken van de blootstelling. Amendement 13 is gedeeltelijk overgenomen in artikel 5, lid 4. De Raad zag geen noodzaak om specifiek naar collectieve maatregelen te verwijzen, aangezien de werkgever rekening dient te houden met alle mogelijke preventiemaatregelen wanneer hij maatregelen neemt om de blootstelling te beperken tot onder de grenswaarden voor blootstelling. Amendement 17 is naar de geest verwerkt in artikel 4, lid 5, onder d), welk punt een lijst bevat van een aantal mogelijke indirecte effecten van blootstelling aan de elektromagnetische velden. 3.2. Door de Raad niet overgenomen amendementen van het Europees Parlement De Raad achtte het niet gewenst de amendementen 6, 8, 11, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 39 en 40 in zijn gemeenschappelijk standpunt over te nemen, en wel om de volgende redenen: - er is geen behoefte aan een drempel zoals voorzien in het gewijzigde Commissievoorstel en in amendement 6, omdat met de inachtneming van de grenswaarden voor blootstelling reeds gewaarborgd is dat er geen negatieve effecten voor de gezondheid zullen zijn. - amendement 8 is niet overgenomen omdat er geen behoefte is aan een afzonderlijke definitie van "beoordeling" naast de beoordelingsbepalingen in artikel 4. - amendement 11 is niet overgenomen omdat volgens artikel 4 niet het blootstellingsniveau moet worden beoordeeld, aangezien dit immers kan worden gemeten, maar het risico voor de gezondheid van de werknemer. - de amendementen 15 en 16, betreffende het toezicht op de gezondheid, zijn niet overgenomen omdat de Raad de voorkeur gaf aan een algemene verwijzing naar de artikelen 14 en 15 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG boven gedetailleerde bepalingen in deze richtlijn. Aanvullende bepalingen betreffende het toezicht op de gezondheid werden hier niet op hun plaats geacht omdat deze richtlijn, anders dan de richtlijnen betreffende lawaai en trillingen, geen betrekking heeft op eventuele effecten op de langere termijn. - de amendementen 18, 19 en 20 werden overbodig geacht aangezien het gemeenschappelijk standpunt geen speciale bepaling bevat betreffende afwijkingen of vrijstellingen. - de Raad achtte de standaardbepaling in artikel 10 betreffende een comité dat de Commissie moet bijstaan hier op haar plaats, en heeft derhalve amendement 21 niet overgenomen. - de amendementen 39 en 40 zijn niet overgenomen aangezien de bijlage is aangepast aan de aanbevelingen van de ICNIRP. IV. CONCLUSIE De Raad is van mening dat het gemeenschappelijk standpunt in zijn geheel beantwoordt aan de fundamentele doelstellingen van het gewijzigde Commissievoorstel. Ook meent de Raad rekening te hebben gehouden met een aantal van de voornaamste doelstellingen die het Europees Parlement in de door hem voorgestelde amendementen heeft geformuleerd.