Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52002PC0664

Voorstel voor een richtlijn van het europees Parlement en de Raad inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

/* COM/2002/0664 def. - COD 2002/0014 */

52002PC0664

Voorstel voor een richtlijn van het europees Parlement en de Raad inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2002/0664 def. - COD 2002/0014 */


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

Op 14.1.2002 heeft de Commissie haar voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap (COM(2002)8 def.- 2002/0014(COD)) bij de Raad en het Europees Parlement ingediend.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 17.7.2002 een gunstig advies uitgebracht.

Het Comité van de Regio's heeft besloten geen advies uit te brengen.

Op 3.9.2002 heeft het Europees Parlement in eerste lezing zijn advies uitgebracht, dat negentien amendementen op het voorstel van de Commissie bevatte.

Van de 19 amendementen van het Europees Parlement heeft de Commissie er 13 aanvaard: 6 in hun geheel (nrs. 1, 4, 5, 13, 16, 22), 6 met kleine wijzigingen in de formulering (nrs. 2, 9, 11, 18, 20, 21) en één gedeeltelijk, waarbij zij heeft voorgesteld een andere formulering te gebruiken die meer recht deed aan de bedoeling van dit amendement (nr. 12).

1. Wijzigingen in overwegingen

In de wijzigingen in overweging 3 wordt nadrukkelijk gesteld dat aan derde landen niets gevraagd wordt dat de Gemeenschap niet zelf al doet (amendement 1).

De wijzigingen in overweging 4 benadrukken dat toezicht op de naleving van de veiligheidsnormen noodzakelijk is voor alle vliegtuigen. De door het Europees Parlement vastgestelde formulering van dit amendement is licht gewijzigd (amendement 2).

De wijzigingen in overweging 5 benadrukken dat de doeltreffendheid van platforminspecties wordt gegarandeerd door de toepassing van uniforme methoden (amendement 4).

De wijzigingen in overweging 6 benadrukken dat deze communautaire maatregel niet gericht is op derde landen als zodanig, maar op toestellen uit derde landen die niet voldoen aan de internationaal overeengekomen veiligheidsnormen (amendement 5).

Een nieuwe overweging maakt ook melding van de mogelijkheid steekproefsgewijze controles uit te voeren. Een dergelijke procedure wordt in de praktijk reeds toegepast door verschillende lidstaten (amendement 9).

In die nieuwe overweging wordt ook voorgesteld luchtvaartuigen of luchtvaartmaatschappijen waarbij reeds vaker tekortkomingen zijn vastgesteld met een hogere frequentie te inspecteren. Een dergelijke procedure wordt in de praktijk reeds toegepast door verschillende lidstaten (amendement 9).

Met de wijzigingen in overweging 13 (nu 15) wordt beoogd ervoor te zorgen dat optimaal gebruik wordt gemaakt van bestaande voor de veiligheid relevante gegevens. De door het Europees Parlement vastgestelde formulering van dit amendement is licht gewijzigd (amendement 11).

In een nieuwe overweging 16 wordt benadrukt dat bij deze richtlijn en de totstandbrenging van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart terdege rekening zal worden gehouden met bestaande procedures en kennis (amendement 12). Dit amendement is inhoudelijk goedgekeurd, maar is anders geformuleerd.

2. Amendementen op Artikel 1 en Artikel 5

In het oorspronkelijke voorstel konden platforminspecties alleen worden uitgevoerd indien het vermoeden bestond dat een vliegtuig niet voldeed aan de internationale veiligheidsnormen. De gewijzigde tekst van artikel 1 en artikel 5 maakt het mogelijk ook steekproefsgewijze controles uit te voeren, mits dit op niet-discriminerende basis gebeurt (amendement 13 resp. 16).

3. Amendementen op Artikel 7

Om te voorkomen dat gepubliceerde documenten verkeerd worden geïnterpreteerd, met schadelijke gevolgen voor de reputatie van de betrokken partijen, is aan dit artikel een zin toegevoegd die ervoor moet zorgen dat technische informatie op begrijpelijke wijze wordt gepresenteerd (amendement 20).

Ook is een nieuwe zin toegevoegd met een bepaling die ervoor moet zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd over het gevolg dat door de autoriteiten aan klachten wordt gegeven (amendement 18).

4. Amendementen op Artikel 9(4)

Aan dit lid is een zinsdeel toegevoegd om de mogelijke maatregelen ter verbetering van de veiligheid in de landen van herkomst nader te preciseren. Dit amendement van het Europees Parlement was in overeenstemming met de visie die door de Commissie werd ontvouwd in haar mededeling getiteld "Een bijdrage van de Europese Gemeenschap tot een verbetering van de veiligheid van de luchtvaart in de wereld" [1]. De door het Europees Parlement vastgestelde formulering van dit amendement is licht gewijzigd (amendement 21).

[1] COM(2001) 390 def. van 16.7.2001.

5. Amendement op Artikel 13

Dit betreft slechts een redactionele verbetering (amendement 22).

Krachtens artikel 250, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wijzigt de Commissie haar voorstel als volgt.

2002/0014 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 80, lid 2,

Gelet op het voorstel van de Commissie [2],

[2] PB C 103, 30.4.2002, blz. 351.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [3],

[3] PB C ..., ..., blz. ...

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [4],

[4] PB C ..., ..., blz. ...

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [5],

[5] PB C ..., ..., blz. ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 1996 [6] wordt erop gewezen dat de Gemeenschap een actievere houding dient aan te nemen en een strategie dient te ontwikkelen om de veiligheid van vliegtuigpassagiers en de omwonenden van luchthavens te verhogen.

[6] Resolutie B4-0150/96, PB C 65 van 4.3.1996, blz. 172.

(2) De Commissie heeft een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement gepubliceerd, getiteld "Vaststelling van een communautair beleid tot verbetering van de veiligheid in de luchtvaart" [7].

[7] Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, Rapport aan het Europees Parlement en de Raad van de bij besluit van de Raad op 11 maart 1996 opgerichte werkgroep op hoog niveau, getiteld "Vaststelling van een communautair beleid tot verbetering van de veiligheid in de luchtvaart". SEC(96) 1083 def., 12.6.1996.

(3) In deze mededeling is duidelijk aangegeven dat de veiligheid daadwerkelijk kan worden verbeterd door ervoor te zorgen dat luchtvaartuigen, zoals binnen de Gemeenschap reeds het geval is, volledig beantwoorden aan de internationale veiligheidsnormen in de bijlagen bij het op 7 december 1944 te Chicago getekende Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.

(4) Het is van belang dat alle toestellen aan passende inspecties kunnen worden onderworpen. De ervaring heeft echter uitgewezen dat derde landen de internationale veiligheidsnormen niet altijd doorvoeren en handhaven; derhalve moet ter verhoging van de veiligheid van het vervoer in de Gemeenschap op luchthavens in de Gemeenschap worden toegezien op de naleving van de internationale normen.(5) De voorschriften en procedures voor platforminspecties, met inbegrip van de oplegging van een vliegverbod, dienen geharmoniseerd te worden, teneinde middels uniforme methoden te zorgen voor een gelijke doelmatigheid op alle luchthavens, waardoor tevens het selectief gebruik van bepaalde luchthavens van bestemming door vliegtuigen van derde landen om een passende controle te ontwijken wordt verminderd.

(6) Een geharmoniseerde aanpak, die tot een doeltreffende handhaving van de internationale normen door de lidstaten zal leiden, voorkomt concurrentievervalsing en zal kunnen steunen op een krachtige gemeenschappelijke houding tegenover toestellen uit derde landen die niet voldoen aan de internationale veiligheidsnormen.

(7) De in elke lidstaat verzamelde informatie moet ter beschikking van de overige lidstaten en de Commissie worden gesteld, teneinde het toezicht op de naleving van de internationale veiligheidsnormen door vliegtuigen van derde landen zo doeltreffend mogelijk te maken.

(8) Om bovengenoemde redenen is het noodzakelijk dat er op communautair niveau een procedure voor beoordeling van buitenlandse luchtvaartuigen komt, met bijbehorende mechanismen van samenwerking tussen de lidstaten, zodat informatie kan worden uitgewisseld en geanalyseerd, en conclusies kunnen worden getrokken.

(9) Op de luchthavens van de Gemeenschap landende luchtvaartuigen dienen te allen tijde aan een inspectie te worden onderworpen, wanneer de verdenking bestaat dat zij niet aan de internationale veiligheidsnormen voldoen.

(10) Ook luchtvaartuigen waarbij geen specifieke verdenking bestaat, kunnen steekproefsgewijs aan platforminspecties worden onderworpen, indien dit op niet-discriminerende manier gebeurt.

(11) Luchtvaartuigen waarbij in het verleden reeds vaker tekortkomingen zijn vastgesteld, of luchtvaartuigen van luchtvaartmaatschappijen waarvan de luchtvaartuigen reeds vaker zijn opgevallen, kunnen met een hogere frequentie aan dergelijke inspecties worden onderworpen.

(12) Informatie met betrekking tot veiligheid is gevoelig, zodat verzameling ervan alleen mogelijk is, als ervoor wordt gezorgd dat zij op passende wijze wordt gebruikt en als vertrouwelijk wordt behandeld, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan het recht van de burgers van de Unie geïnformeerd te worden over wat er voor hun veiligheid wordt gedaan, alsmede over de ernstigste gevallen waarbij de veiligheid in de lucht in gevaar kwam.

(13) Aan vliegtuigen die corrigerende maatregelen behoeven moet, indien de geconstateerde gebreken een duidelijk gevaar voor de veiligheid opleveren, net zolang een vliegverbod worden opgelegd, totdat zij weer aan de internationale veiligheidsnormen voldoen.

(14) Het is mogelijk dat de luchthaven van inspectie niet over voldoende faciliteiten beschikt, zodat de bevoegde autoriteit genoodzaakt is het luchtvaartuig door te laten vliegen naar een geschikte luchthaven, mits aan de voorwaarden voor een veilige vlucht wordt voldaan.

(15) De Commissie moet maatregelen ter verhoging van de veiligheid in bepaalde gevaarlijke situaties, alsook maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 ontwerpen; te dien einde moet een Comité worden opgericht en moet een procedure voor nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie in dat Comité worden ingevoerd. De Commissie moet dit Comité ook in het bezit stellen van in het kader van andere communautaire maatregelen verzamelde gegevens en informatie over buitengewone voorvallen, die relevant zijn voor de opsporing van gebreken die een gevaar voor de veiligheid vormen.

(16) Rekening dient te worden gehouden met de samenwerking en informatie-uitwisseling in het kader van de JAA (Gezamenlijke Luchtvaartautoriteiten) en de ECAC (Europese Burgerluchtvaartconferentie) en er moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de bestaande deskundigheid inzake SAFA-procedures (veiligheidsevaluatie van buitenlandse vliegtuigen); met name moet het beheer van deze activiteit later worden overgedragen aan het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA).

(17) Aangezien voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn maatregelen van algemene strekking in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende bevoegdheden [8] noodzakelijk zijn, dienen deze te worden aangenomen via de in artikel 5 van dat besluit bedoelde regelgevingsprocedure.

[8] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Doelstelling

Het doel van deze richtlijn is de veiligheid in de luchtvaart te helpen verhogen door ervoor te zorgen dat:

- informatie wordt verzameld en verspreid, om over voldoende bewijsmateriaal te kunnen beschikken bij besluiten tot maatregelen die nodig zijn om de veiligheid van de passagiers en de bevolking op de grond te garanderen;

- luchtvaartuigen uit derde landen, de exploitatie daarvan en de bemanningen geïnspecteerd worden, met name wanneer de gegronde verdenking bestaat dat de internationale veiligheidsnormen niet worden nageleefd, en dat deze luchtvaartuigen een vliegverbod opgelegd krijgen, indien zulks noodzakelijk is om onmiddellijke veiligheid te verzekeren;

- passende maatregelen worden getroffen en uitgevoerd om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Onverminderd artikel 12 is deze richtlijn van toepassing op luchtvaartuigen uit derde landen die op luchthavens in de lidstaten landen.

Staatsluchtvaartuigen als gedefinieerd in het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, hierna "Verdrag van Chicago" te noemen, en luchtvaartuigen met een maximum startgewicht van minder dan 5.700 kg die niet gebruikt worden voor commercieel luchtverkeer, zijn uitgezonderd van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

Deze richtlijn beperkt echter niet het recht van de lidstaten om, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, inspecties uit te voeren op, een vliegverbod, een exploitatieverbod , of voorwaarden op te leggen aan luchtvaartuigen die op hun luchthavens landen.

Artikel 3 Definities

In deze richtlijn, wordt verstaan onder:

"Vliegverbod", een formeel verbod voor een luchtvaartuig om de luchthaven te verlaten, en de nodige maatregelen om het aan de grond te houden,

"Internationale veiligheidsnormen", de op het ogenblik van de inspectie geldende veiligheidsnormen van het Verdrag van Chicago en de bijlagen daarvan,

"Platforminspectie", het onderzoek van luchtvaartuigen uit derde landen overeenkomstig de bepalingen van bijlage II.

"Luchtvaartuigen uit derde landen", luchtvaartuigen die niet onder toezicht van een bevoegde autoriteit van een lidstaat worden gebruikt of geëxploiteerd .

Artikel 4 Inwinning van informatie

De lidstaten stellen een mechanisme in voor inwinning van de informatie die zij van nut achten voor realisering van de in artikel 1 vermelde doelstelling. Deze informatie omvat onder meer :

a) belangrijke informatie met betrekking tot de veiligheid, die met name verkregen kan worden uit:

- rapporten van piloten,

- rapporten van onderhoudsorganisaties,

- rapporten over incidenten,

- andere organisaties die niet afhankelijk zijn van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten,

- klachten;

b) informatie over de na een platforminspectie genomen maatregelen, zoals:

- oplegging van een vliegverbod,

- ontzegging van de toegang tot het land aan een luchtvaartuig of exploitant,

- het eisen van corrigerende maatregelen ,

- contact opnemen met de bevoegde autoriteit van het land waar de exploitant gevestigd is;

c) nadere informatie met betrekking tot de exploitant, zoals:

- uitvoering van corrigerende maatregelen,

- het herhaald voorkomen van onregelmatigheden.

Deze informatie komt te staan in een standaardrapport dat de in het modelformulier van bijlage I vermelde punten bevat.

Artikel 5 Platforminspectie

1. Iedere lidstaat treft de nodige voorzieningen om luchtvaartuigen uit derde landen, die ervan verdacht worden niet aan de internationale veiligheidsnormen te voldoen, aan platforminspecties te kunnen onderwerpen, wanneer zij op één van hun voor internationaal luchtverkeer openstaande luchthavens landen. Bij de toepassing van dergelijke procedures, dient de bevoegde autoriteit speciale aandacht te besteden aan een luchtvaartuig, :

- wanneer dat tekenen van slecht onderhoud of zichtbare schade of gebreken vertoont;

- wanneer gemeld is dat dit sinds het binnenvliegen in het luchtruim van een lidstaat, abnormaal vlieggedrag vertoont, waardoor ernstige bezorgdheid voor de veiligheid werd gewekt;

- wanneer de bij een vorige platforminspectie aan het licht getreden gebreken bij de lidstaat de stellige indruk hebben gewekt dat het luchtvaartuig niet voldoet aan de internationale normen, en dat de defecten niet zijn hersteld;

- wanneer er bewijzen zijn dat de bevoegde autoriteiten van het land van registratie geen behoorlijk toezicht op de veiligheid uitoefenen, of

- wanneer de krachtens artikel 4 ingewonnen informatie reden geeft tot ongerustheid ten aanzien van de exploitant, of wanneer bij een vorige platforminspectie van een door dezelfde exploitant gebruikt luchtvaartuig gebreken aan het licht zijn getreden.

2. Daarnaast kunnen ook wanneer er geen directe verdenking bestaat steekproefsgewijze platforminspecties worden uitgevoerd. Dit dient evenwel op niet-discriminerende wijze te gebeuren.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat passende platforminspecties en andere controlemaatregelen waartoe in het kader van artikel 9, lid 3, wordt besloten, worden uitgevoerd.

4. De platforminspectie wordt uitgevoerd volgens de in bijlage II beschreven procedure, met behulp van een inspectierapportformulier, dat tenminste de punten bevat van het aan bijlage II gehechte formulier. Na voltooiing van de platforminspectie dient de inhoud van het platforminspectierapport aan de gezagvoerder te worden medegedeeld, en indien er gebreken aan het licht zijn getreden, dient het rapport aan de exploitant van het luchtvaartuig en aan de betrokken bevoegde autoriteit te worden toegezonden.

5. Bij de uitvoering van een platforminspectie uit hoofde van deze richtlijn dient de bevoegde autoriteit al het mogelijke te doen om te voorkomen dat het geïnspecteerde luchtvaartuig onredelijke vertraging oploopt.

Artikel 6 Uitwisseling van informatie

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen onderling informatie uit.

2. Alle standaardrapporten als bedoeld in artikel 4 en de platforminspectierapporten als bedoeld in artikel 5, lid 4, worden desgevraagd onverwijld ter beschikking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie gesteld.

3. Wanneer uit een standaardrapport blijkt dat er potentieel gevaar voor de veiligheid bestaat, of indien uit een platforminspectierapport blijkt dat een luchtvaartuig niet aan de internationale veiligheidsnormen beantwoordt en een potentieel gevaar voor de veiligheid vormt, wordt het desbetreffende rapport onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie toegezonden.

Artikel 7 Bescherming en verspreiding van informatie

1. De overeenkomstig artikel 6 uitgewisselde informatie wordt uitsluitend gebruikt voor de doeleinden van deze richtlijn, en is uitsluitend toegankelijk voor de deelnemende bevoegde autoriteiten en de Commissie.

2. Iedere lidstaat publiceert ieder half jaar voor het publiek toegankelijke informatie betreffende:

- het aantal luchtvaartuigen dat de afgelopen zes maanden een vliegverbod heeft gekregen, waarbij met name vermeld worden het type luchtvaartuig, de naam en het land van vestiging van de exploitant, het land van registratie, de reden van het vliegverbod, de datum waarop en de luchthaven waar het vliegverbod werd opgelegd, alsmede alle ingevolge het vliegverbod genomen corrigerende maatregelen die zijn gemeld,

- het type luchtvaartuig, het land van registratie, en de naam en het land van vestiging van exploitanten waarvan luchtvaartuigen de afgelopen 24 maanden meer dan eens zijn vastgehouden, de reden van het vliegverbod, en de luchthaven waar en de datum waarop het vliegverbod werd opgelegd, alsmede alle ingevolge het vliegverbod genomen corrigerende maatregelen die zijn gemeld,

- de lijst van voor internationaal vliegverkeer openstaande luchthavens, het aantal platforminspecties dat is verricht, en het aantal vliegbewegingen van luchtvaartuigen uit derde landen op elke op de lijst voorkomende luchthaven,

- het aantal platforminspecties dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, lid 3, is medegedeeld.

- samenvattende overzichten van klachten betreffende de veiligheid van vliegtuigen en van de aan deze klachten gegeven gevolgen.

De publicatie van de redenen voor vliegverboden moet eenvoudig, begrijpelijk en voor slechts één uitleg vatbaar zijn.

3. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 11, lid 2, besluiten bijkomende informatie te verstrekken aan partijen die deze informatie goed zouden kunnen gebruiken om de veiligheid in de lucht te verhogen.

4. De vertrouwelijkheid van de informatie die met name door de bemanningen van aan platforminspecties onderworpen luchtvaartuigen vrijwillig is verstrekt, wordt verzekerd door middel van grondige anonimisering van de bronnen van deze informatie.

Artikel 8 Vliegverbod voor luchtvaartuigen

1. Wanneer niet-naleving van internationale veiligheidsnormen duidelijk de veiligheid in gevaar brengt, houdt de bevoegde autoriteit die de platforminspectie uitvoert het luchtvaartuig aan de grond, totdat het gevaar is weggenomen.

2. Wanneer een luchtvaartuig een vliegverbod wordt opgelegd, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de inspectie is uitgevoerd de bevoegde autoriteiten van de betrokken exploitant en van de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven daarvan onmiddellijk in kennis.

3. Indien het gevaar zodanig is dat het luchtvaartuig wel veilig kan vliegen zonder betalende passagiers of vracht, bepaalt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de inspectie is uitgevoerd, in overleg met de Staat die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het betrokken luchtvaartuig, onder welke voorwaarden het luchtvaartuig zonder betalende passagiers of vracht veilig mag doorvliegen naar een luchthaven waar de gebreken kunnen worden hersteld, en informeert zij de staten waar dit luchtvaartuig overheen zal vliegen.

Artikel 9 Maatregelen ter verhoging van de veiligheid en uitvoeringsmaatregelen

1. De lidstaten delen de overige lidstaten en de Commissie mede welke operationele maatregelen zij hebben getroffen en welke middelen zij hebben uitgetrokken voor de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6.

2. Op grond van de krachtens lid 1 ingewonnen informatie mag de Commissie, volgens de procedure van artikel 11, lid 2, alle nodige maatregelen treffen om de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 te bevorderen, zoals:

- de lijst van in te winnen inlichtingen vaststellen;

- de inhoud van en procedures voor platforminspecties specificeren;

- het formaat voor de opslag en verspreiding van informatie vastleggen;

- de instanties oprichten of ondersteunen die de hulpmiddelen voor de inzameling en uitwisseling van informatie moeten beheren of gebruiken.

3. Op grond van de krachtens de artikelen 4, 5 en 6 ingewonnen informatie, en overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 2, kan een besluit worden genomen met betrekking tot passende platforminspecties en andere controlemaatregelen, met name ten aanzien van een bepaalde exploitant of exploitanten uit een bepaald derde land, totdat de bevoegde autoriteit van dat derde land de nodige corrigerende maatregelen heeft genomen.

4. De Commissie kan alle passende maatregelen nemen voor samenwerking met en het verlenen van assistentie aan derde landen om hun capaciteit voor toezicht op de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren, met inbegrip van assistentie om de plaatselijke veiligheidsvoorzieningen en -personeel aan in de Gemeenschap geldende normen te laten voldoen.

Artikel 10 Oplegging van een verbod of voorwaarden

Indien een lidstaat een bepaalde exploitant of exploitanten uit een bepaald derde land verbiedt om vanuit zijn luchthavens te vliegen of dit slechts onder bepaalde voorwaarden toestaat, totdat de bevoegde autoriteit van dat derde land de nodige corrigerende maatregelen heeft genomen :

a) stelt die lidstaat de Commissie in kennis van de genomen maatregelen;

b) kan de Commissie, in overleg met het Comité van artikel 11, lid 1, bepalen welke implicaties het geconstateerde gevaar voor de veiligheid heeft voor de gehele Gemeenschap;

c) kan de Commissie volgens de procedure van artikel 11, lid 2, de maatregelen nemen die zij nodig acht; zij kan onder meer de onder a) bedoelde maatregelen uitbreiden tot de gehele Gemeenschap.

Artikel 11 Besluitvormingsprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart [9].

[9] PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn is drie maanden.

4. Voorts kan het Comité door de Commissie worden geraadpleegd over elke andere met de toepassing van deze richtlijn verband houdende aangelegenheid, onder andere het bepalen van de implicaties die het geconstateerde gevaar voor de veiligheid heeft voor de gehele Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 10.

Artikel 12 Uitvoering

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn daaraan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 13 Verslag

Uiterlijk op ...... ( [10] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van de richtlijn, en meer bepaald van artikel 10, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen in de Europese Gemeenschap en in internationale fora. Dit verslag kan vergezeld gaan van voorstellen voor herziening van deze richtlijn.

[10] ) twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

BIJLAGE I

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Nationale luchtvaartautoriteit (Naam)

(Staat)

SAFA

Standaardrapport

1NR: _._._._._._._._-._._-._._._._

2Bron

3Datum._._._._._._ 4 Plaats: ..._._._._

5 (niet gebruikt)

6Exploitant: _._._ 7AOC nummer: _._._._._._._._._._._._._._

8Staat: _._

9Route: van _._._._ 10Vluchtnummer: _._._._._._._._._

11Route: naar _._._._ 12Vluchtnummer: _._._._._._._._._

13Gecharterd door exploitant*: _._._ 14Staat van de chartermaatschappij: _._

* (indien van toepassing)

15Type luchtvaartuig: _._._ 16Kenteken _._._._._._._._._._._

17Fabricagenummer _._._._._._._._._._._

18Stuurhutpersoneel: Staat van registratie: _._

19Opmerkingen:

.

.

.

.

.

.

.

20Genomen maatregelen:

.

.

.

.

.

.

.

21 (niet gebruikt)

22Naam nationale coördinator

23Handtekening

BIJLAGE II

I. De platforminspectie moet, afhankelijk van de beschikbare tijd, alle of een aantal van onderstaande punten omvatten:

1. Controle van de aanwezigheid en geldigheid van de voor internationale vluchten vereiste bescheiden zoals: bewijs van inschrijving, journaal, bewijs van luchtwaardigheid, bewijs van bevoegdheid van elk bemanningslid, vergunning voor de radio-installatie, lijst van passagiers en lading, enz.

2. Controleren of de samenstelling en de kwalificaties van het stuurhutpersoneel voldoen aan de voorschriften van bijlage 1 en bijlage 6 bij het Verdrag van Chicago (ICAO-bijlagen).

3. Controle van de operationele bescheiden (vluchtinformatie, navigatieplan, technisch journaal) en van de voorbereiding van de vlucht, die moet uitwijzen dat de vlucht overeenkomstig de voorschriften van ICAO-bijlage 6 is voorbereid.

4. Controle van de aanwezigheid en toestand van de volgens ICAO-bijlage 6 voor internationale navigatie vereiste zaken:

- bewijs luchtvaartexploitant (AOC)

- geluidshinder-en emissiecertificaat

- procedurehandboek (inclusief MEL [11]) en vluchthandboek.

[11] Minimum uitrustingslijst.

- veiligheidsapparatuur

- cabineveiligheidsapparatuur

- voor de betreffende vlucht benodigde apparatuur, met inbegrip van radiocommunicatie- en radionavigatieapparatuur

- Vluchtrecorders.

5. Controleren of met de staat waarin luchtvaartuig en uitrusting verkeren (met inbegrip van beschadigingen en reparaties) nog steeds aan de normen van ICAO-bijlage 8 wordt voldaan.

II. Na de platforminspectie moet een platforminspectierapport worden opgesteld, dat onderstaande algemene gegevens moet bevatten, alsmede een lijst van gecontroleerde punten, met voor elk punt vermelding van de eventueel geconstateerde gebreken, en eventuele verdere opmerkingen.

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Nationale luchtvaartautoriteit (Naam)

(Staat)

SAFA

Platforminspectierapport

1NR: _._._._._._._._-_._-._._._._

2Bron: RI

3Datum: _._._._._._._ 4Plaats: _._._._

5Plaatselijke tijd: _._:_._

6Exploitant: _._._ 7AOC nummer: _._._._._._._._._._._._._._

8Staat: _._

9Route: van _._._._ 10Vluchtnummer: _._._._._._._._._

11Route: naar _._._._ 12Vluchtnummer: _._._._._._._._._

13Gecharterd door exploitant* _._._ 14Staat van de chartermaatschappij: _._

* (indien van toepassing)

15Type luchtvaartuig _._._._ 16Kenteken _._._._._._._._._._._

17Fabricagenummer _._._._._._._._._._._

18Stuurhutpersoneel: Staat van registratie: _._

19Opmerkingen:

Code / Standaard / Opmerking

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

_._._ _ .

20Genomen maatregelen:

.

.

.

21Namen inspecteurs

Dit rapport geeft een indruk van de toestand zoals die bij deze gelegenheid werd aangetroffen. Hieruit mag niet worden geconcludeerd dat het luchtvaartuig geschikt is voor de voorgenomen vlucht.

22Naam nationale coördinator

23Handtekening

Nationale luchtvaartautoriteit (Naam)

(Staat)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. TITEL VAN DE MAATREGEL

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap.

2. BEGROTINGSLIJNEN

B2.702 Veiligheid vervoer en A-7031 Comités die moeten worden geraadpleegd

3. RECHTSGRONDSLAG

Artikel 80, lid 2 van het Verdrag

4. OMSCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

4.1 Algemeen doel

Bijdragen tot verhoging van de veiligheid in de luchtvaart door beoordeling van de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruik maken van luchthavens in de Gemeenschap.

4.2 Looptijd en wijze van vernieuwing of verlenging

Onbepaald

5. INDELING VAN UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

5.1 Niet-verplichte uitgaven

5.2 Gesplitste kredieten

6. aard van uitgaven en ontvangsten

Bijdrage in het kader van een gezamenlijke financiering met andere bronnen in de openbare sector.

7. FINANCIËLE GEVOLGEN

7.1 Wijze van berekening van de totale kosten van de maatregel (verband tussen eenheidskosten en totale kosten)

De kosten van het totale programma voor de komende vijf jaar zijn berekend volgens de normen die gelden voor nationale burgerluchtvaartautoriteiten in Europa. Deze normen worden momenteel gehanteerd bij de opstelling van de begrotingen van andere internationale organisaties zoals ECAC en JAA (Europese burgerluchtvaartconferentie en Joint Aviation Authorities). Dit is omdat de werkzaamheden in het kader van deze richtlijn zullen worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met deze twee organisaties.

De normen zijn als volgt: -personeel 400 euro per man/dag, dagvergoeding: 200 euro; -gemiddelde reiskosten: 1.000 euro per reis.

De lopende kosten van het totale programma worden geschat op 728.950 euro per jaar. Voorgesteld wordt de deelname van de Commissie te beperken tot ongeveer 12%, of wel 85.000 euro.

7.2 Kostenspecificatie

Gemiddeld jaarlijks bedrag van 85.000 euro, dat jaarlijks zal worden hernieuwd

7.3 Beleidsuitgaven voor studies, deskundigen enz. die in deel B van de begroting worden opgenomen

Zie hieronder

7.4 Tijdschema voor de vastleggings- en betalingskredieten

Gemiddeld jaarlijks bedrag van 85.000 euro, dat jaarlijks zal worden hernieuwd

8. BEPALINGEN OM BEDROG TEGEN TE GAAN

Controle op basis van verificaties door de bevoegde diensten van de Commissie, en indien nodig, controle ter plaatse.

9. GEGEVENS VOOR DE KOSTEN-BATENANALYSE

9.1 Specifieke en gekwantificeerde doelstellingen; doelgroepen

- De doelstelling is bij te dragen tot een verhoogde veiligheid in de luchtvaart door ervoor te zorgen dat luchtvaartmaatschappijen uit derde landen aan de internationale veiligheidsnormen voldoen. Om dit doel te bereiken zullen vliegtuigen uit derde landen die van luchthavens in de Gemeenschap gebruik maken worden geïnspecteerd, wordt informatie over deze vliegtuigen verzameld en verspreid, en moeten er maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de vliegtuigen in orde worden gebracht

- De subsidie wordt gegeven aan de internationale organisatie (JAA), die het gehele programma namens de afzonderlijke staten zal organiseren en coördineren.

- Aangezien de algemene doelstelling is de veiligheid te verhogen door ervoor te zorgen dat de luchtvaartmaatschappijen zich aan de internationale veiligheidsnormen houden, zijn de belangrijkste doelgroepen de Europese vliegtuigpassagiers en de omwonenden van luchthavens.

9.2 Motivering van de maatregel

Iedere lidstaat zal zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering de inspecties op zijn luchthavens, maar een gecoördineerd programma voor opslag en verspreiding van gegevens en de levering van inspecteurs als tijdelijke versterking is de efficiëntste manier om tot een gelijke toepassing van het programma in de gehele Gemeenschap te komen. Aldus wordt voorkomen dat maatschappijen uit derde landen bepaalde luchthavens of lidstaten zullen gaan opzoeken om de inspecties te omzeilen.

9.3 Het volgen en evalueren van de maatregel

De Commissie zal in het kader van een speciale stuurgroep nauwlettend toezicht houden op het beheer van het programma.

10. Huishoudelijke kredieten (deel A van afdeling III van de begroting)

De feitelijke beschikbaarstelling van de benodigde huishoudelijke kredieten is afhankelijk van het jaarlijkse besluit van de Commissie over de toewijzing van kredieten, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal personeelsleden en de aanvullende bedragen die door de begrotingsautoriteit worden toegestaan.

10.1 Gevolgen voor het aantal personeelsleden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.2 Algehele financiële gevolgen van de personeelsinzet

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen moeten de totale kosten weergeven van extra posten voor de totale duur van de operatie, indien deze van tevoren vaststaat, of voor 12 maanden, indien de totale duur onbepaald is.

10.3 Toename van andere huishoudelijke uitgaven ten gevolge van de maatregel

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De in bovenstaande tabel onder post A-7 (verplichte comités) vermelde uitgaven worden gefinancierd uit de totale begrotingsruimte voor DG TRANS.

Top