This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52002PC0230
Proposal for a Council and Commission Decision concluding the Agreement between the European Communities and the Government of Japan concerning cooperation on anticompetitive activities
Voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten
Voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten
/* COM/2002/0230 def. - CNS 2002/0106 */
Voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten /* COM/2002/0230 def. - CNS 2002/0106 */
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten (door de Commissie ingediend) TOELICHTING I. INLEIDING De geleidelijke verlaging en in sommige gevallen de afschaffing van tarifaire en niet-tarifaire handelsbarrières sinds de jaren zestig hebben tezamen met andere liberalisatiemaatregelen, zoals die betreffende het kapitaalverkeer, tot een enorme expansie van de internationale handel geleid. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de toepassing van de mededingingsregels. Ondernemingen buiten de Gemeenschap gedragen zich in toenemende mate in strijd met de vrije concurrentie op een zodanige wijze dat de Europese markten daarvan de nadelige effecten ondervinden. In het algemeen kan worden gesteld dat concurrentieverstorende praktijken binnen de Gemeenschap vaak verband houden met gelijkaardige praktijken op andere markten, terwijl concurrentieverstorende praktijken op andere markten gevolgen hebben binnen de gemeenschappelijke markt. Wat structurele wijzigingen betreft, heeft ook een fusie waarbij de in de concentratieverordening [1] vastgestelde drempels worden overschreden, vaak gevolgen buiten de gemeenschappelijke markt. Meer en meer kunnen praktijken in andere landen repercussies binnen de Gemeenschap hebben, en het is soms moeilijk daartegen op te treden op grond van de communautaire regels. [1] PB L 395 van 30.12.1989, blz. 1 (gerectificeerd in PB L 257 van 21.9.1990, blz. 13), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997, PB L 180 van 9.7.1997, blz. 1. In het Gemeenschapsrecht is een van de criteria voor de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag dat het betrokken concurrentieverstorend gedrag "de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt". In zijn "houtslijp"-arrest (arrest van 27 september 1988 in de gevoegde zaken 89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125-129/85, hlström en e.a./Commissie, Jurispr. 1988, blz. 5193) heeft het Hof van Justitie aanvaard dat de communautaire mededingingsregels van toepassing kunnen zijn op buiten de Gemeenschap gevestigde ondernemingen, wanneer het gewraakte gedrag binnen de Gemeenschap plaatsvindt. Voorts heeft het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest in de zaak Gencor (arrest van 25 maart 1999 in zaak T-102/96, Gencor/Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-753) verklaard dat de toepassing van de communautaire regels inzake concentratiecontrole op fusies tussen ondernemingen die buiten de Europese Unie gevestigd zijn, "volkenrechtelijk gerechtvaardigd [is], wanneer voorzienbaar is, dat [de] voorgenomen concentratie onmiddellijke en wezenlijke gevolgen in de Gemeenschap zal hebben." Deze benadering maakt het echter niet mogelijk doeltreffend op te treden en sancties te treffen tegen alle concurrentiebeperkende gedragingen die hun oorsprong hebben in derde landen. Bovendien hebben de problemen waarmee ondernemingen die op internationaal niveau werkzaam zijn (multinationals), worden geconfronteerd, vaak een mondiale dimensie en kan het gebeuren dat de door hen gesloten overeenkomsten door verschillende mededingingsautoriteiten worden onderzocht. Conflicten tussen het optreden van de verschillende mededingingsautoriteiten zijn bijgevolg zeer waarschijnlijk en een minimale mate van communicatie tussen deze autoriteiten bij de toepassing van hun regels is nuttig. Om vat te kunnen krijgen op dergelijke situaties met een toenemend internationaal karakter, moeten samenwerkingsregelingen tussen de mededingingsautoriteiten worden getroffen (en zijn zulke regelingen getroffen) die zorgen voor een betere coördinatie wanneer eenzelfde zaak door een aantal van deze autoriteiten wordt behandeld, en die het mogelijk maken op te treden tegen gedragingen die hun oorsprong in het ene land en repercussies in een ander land hebben. Dankzij een dergelijke benadering kunnen de problemen die rijzen op doeltreffende wijze worden opgelost en worden tegelijkertijd de conflicten vermeden die uit een op extraterritorialiteit gebaseerde, eenzijdige reactie kunnen voortvloeien. De Commissie is om deze reden van oordeel dat samenwerkingsovereenkomsten tussen de mededingingsautoriteiten moeten worden gesloten. II. DE OVEREENKOMSTEN MET DE VERENIGDE STATEN EN CANADA In 1991 [2] en 1998 [3] hebben de Europese Gemeenschappen samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de regering van de Verenigde Staten. In 1999 [4] werd een soortgelijke overeenkomst gesloten met de regering van Canada. Deze overeenkomsten hebben tot doel de samenwerking tussen de mededingingsautoriteiten te verbeteren door de uitwisseling van informatie aan te moedigen en de dialoog tussen deze autoriteiten te bevorderen, in overeenstemming met een aanbeveling van de OESO betreffende samenwerking in mededingingsaangelegenheden. [2] Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de toepassing van hun mededingingsregels, PB L 95 van 27.4.1995, blz. 47, zoals gerectificeerd in PB L 131 van 15.6.1995, blz. 38. [3] Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de toepassing van de beginselen van positieve internationale courtoisie bij de handhaving van hun mededingingsrecht, PB L 173 van 18.6.1998, blz. 28. [4] Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Canada betreffende de toepassing van hun mededingingsrecht, PB L 175 van 10.7.1999, blz. 50. Deze overeenkomsten gaan echter verder dan de OESO-aanbeveling, bijvoorbeeld doordat er een aantal aan de rechtspraak van de Verenigde Staten ontleende beginselen in zijn opgenomen om excessen bij de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Verenigde Staten zoveel mogelijk te vermijden (negatieve internationale courtoisie), en doordat het concept van de positieve internationale courtoisie erin wordt ontwikkeld, hetgeen inhoudt dat een partij die wordt geschaad door concurrentieverstorend gedrag dat geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de andere partij plaatsvindt, die andere partij kan verzoeken daartegen op te treden. III. DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN DE REGERING VAN JAPAN BETREFFENDE SAMENWERKING TER BESTRIJDING VAN CONCURRENTIEVERSTORENDE ACTIVITEITEN De redenen voor het sluiten van de samenwerkingsovereenkomsten met de Verenigde Staten en Canada gelden evenzeer voor het sluiten van soortgelijke overeenkomsten met andere derde landen. Het is belangrijk dat met onze voornaamste handelspartners samenwerkingsregelingen tot stand komen. Japan is een partner die hiervoor bij uitstek in aanmerking komt, omdat het over een goed uitgebouwd mededingingsrecht en een mededingingsautoriteit met de nodige ervaring beschikt. Bovendien opereren in Japan gevestigde ondernemingen op de Europese markt en zou het voor Europese ondernemingen die in een uitbreiding van hun activiteiten op de Japanse markt geïnteresseerd zijn, een voordeel betekenen dat een toekomstige overeenkomst de Europese Commissie de mogelijkheid biedt de Japanse mededingingsautoriteit te verzoeken haar nationale mededingingsregels toe te passen om een einde te maken aan particuliere concurrentieverstorende praktijken die buitenlandse ondernemingen de toegang tot de Japanse markt belemmeren. Er zij op gewezen dat Japan (in oktober 1999) met de Verenigde Staten een bilaterale overeenkomst inzake samenwerking op mededingingsgebied heeft gesloten die veel gelijkenis vertoont met de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de Verenigde Staten van 1991 en die tussen de Europese Gemeenschappen en Canada van 1999. Deze teksten vormen een solide grondslag voor onderhandelingen over een bilaterale overeenkomst inzake samenwerking op mededingingsgebied tussen de Europese Gemeenschappen en Japan. Overeenkomstig de door de Raad op 8 juni 2000 aangenomen onderhandelingsrichtsnoeren hebben de Commissie en de regering van Japan een ontwerp van de voorgenomen samenwerkingsovereenkomst opgesteld; deze overeenkomst moet nu worden gesloten en ondertekend volgens de in de Europese Gemeenschappen en in Japan geldende procedures. Een ontwerp van overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten is aan het voorstel voor het besluit van de Raad en de Commissie gehecht. IV. RECHTSGRONDSLAG In zoverre de voorgenomen overeenkomst betrekking heeft op de mededingingsregels van het EG-verdrag, wordt de rechtsgrondslag voor de sluiting van de overeenkomst door de Raad gevormd door artikel 83 en artikel 308 van het EG-verdrag in samenhang met artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG-verdrag. Het Europees Parlement dient te worden geraadpleegd vooraleer de Raad de overeenkomst kan sluiten. In zoverre de overeenkomst betrekking heeft op EGKS-producten, vormen de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag de rechtsgrondslag voor de sluiting van de voorgenomen overeenkomst door de Commissie. V. BESCHRIJVING VAN DE BEPALINGEN VAN DE ONTWERP-OVEREENKOMST Artikel I - Doel en definities Volgens artikel I, lid 1, zijn de doelstellingen van de voorgenomen overeenkomst de volgende: - een stelsel van samenwerking en coördinatie tussen de Europese Gemeenschappen enerzijds en de Japanse mededingingsautoriteit anderzijds tot stand te brengen; - de doeltreffendheid van de handhaving van het mededingingsrecht aan beide zijden te bevorderen; en - de kans op tegenstrijdige of elkaar overlappende beslissingen te verminderen. In artikel I, lid 2, worden de volgende in de overeenkomst gebruikte termen gedefinieerd: - "concurrentieverstorende activiteiten"; - "bevoegde autoriteit van een lidstaat" (dit in verband met artikel IX, lid 6); - "mededingingsautoriteit(en)"; - "mededingingsrecht"; en - "handhavend optreden". Er zij op gewezen dat marktonderzoeken, studies en enquêtes buiten deze term vallen, indien - en zolang - ze geen verband houden met een vermoedelijke inbreuk op de mededingingsregels. Wat de Gemeenschap betreft, vallen binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst: de artikelen 81, 82 en 85 van het EG-Verdrag, Verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en de op grond van deze bepalingen vastgestelde uitvoeringsverordeningen. Toekomstige wijzigingen van deze bepalingen vallen eveneens onder toepassing van de overeenkomst. Artikel II - Kennisgevingen Artikel II, lid 1, bepaalt dat kennisgeving moet worden gedaan aan de partij waarvan "gewichtige belangen" worden geraakt. In artikel II, lid 2, worden een aantal gevallen beschreven waarin in beginsel wordt aangenomen dat "gewichtige belangen" van een partij worden geraakt. Artikel II, lid 3, bepaalt met betrekking tot concentratiezaken welke feiten de noodzaak van een kennisgeving doen ontstaan en op welk tijdstip de kennisgeving moet geschieden. Artikel II, lid 4, bepaalt met betrekking tot andere zaken dan concentratiezaken welke feiten de noodzaak van een kennisgeving doen ontstaan en op welk tijdstip de kennisgeving moet geschieden. Het uitgangspunt is dat de kennisgeving zo vroeg in de loop van de procedure moet geschieden dat de partij welke die kennisgeving ontvangt, daarop kan reageren en de partij die de zaak behandelt, met het standpunt van de andere partij rekening kan houden. Artikel II, lid 5, bepaalt dat een kennisgeving voldoende gedetailleerd moet zijn om de partij welke die kennisgeving ontvangt, in staat te stellen voorshands te beoordelen wat de gevolgen van het handhavend optreden van de andere partij voor haar gewichtige belangen zijn. Artikel III - Bijstand en informatie Artikel III, lid 1, bepaalt dat de partijen overeenkomen elkaar bijstand te verlenen, telkens wanneer dit op grond van hun wetgeving en met inachtneming van hun gewichtige belangen mogelijk is. Artikel III, lid 2, bepaalt dat, wanneer dit wettelijk mogelijk is en het in het belang van een partij is, deze partij de andere partij: - zal inlichten over elk handhavend optreden van haar dat betrekking heeft op inbreuken die de mededinging op het grondgebied van de andere partij raken; - informatie zal verstrekken die de andere partij kan helpen tot een handhavend optreden over te gaan; en - alle beschikbare informatie zal verstrekken die relevant is voor het handhavend optreden van de andere partij. Artikel IV - Coördinatie van handhavend optreden Artikel IV, lid 1, betreft het geval waarin beide partijen tot een handhavend optreden overgaan, en de noodzaak om te overwegen dit optreden te coördineren. Dit zal zich voordoen, wanneer concurrentieverstorend gedrag op de markt van de ene partij verband houdt met identiek gedrag op de markt van de andere partij. Onder dergelijke omstandigheden kan het voor de mededingingsautoriteiten van de twee partijen nuttig zijn hun optreden, met inbegrip van het onderzoek dat zij voeren, te coördineren en elkaar bijstand te verlenen, vanzelfsprekend voorzover dit met de wetgeving en de gewichtige belangen van elke partij verenigbaar is. In artikel IV, lid 2, worden de factoren opgesomd die in aanmerking moeten worden genomen om te beslissen of in een specifieke zaak coördinatie dient te worden overwogen. Artikel IV, lid 3, bepaalt dat elke mededingingsautoriteit de door de andere partij met haar handhavend optreden nagestreefde doelstellingen nauwgezet in acht moet nemen. Artikel IV, lid 4, bepaalt dat een partij - op verzoek - kan trachten van een persoon die vertrouwelijke informatie heeft verstrekt, te verkrijgen dat hij van geheimhouding daarvan afziet, zodat die informatie aan de andere partij kan worden meegedeeld. Volgens artikel IV, lid 5, kan elke partij de andere partij te allen tijde in kennis stellen van haar voornemen de coördinatie te beperken of te beëindigen en haar handhavend optreden op onafhankelijke wijze voort te zetten. Artikel V - Samenwerking met betrekking tot concurrentieverstorende activiteiten op het grondgebied van een partij die de belangen van de andere partij schaden Artikel V, lid 1, staat ook bekend als de "positieve courtoisie"-clausule, die een partij waarvan de belangen worden geschaad door activiteiten die op het grondgebied van de andere partij plaatsvinden, de mogelijkheid biedt dit onder de aandacht van de andere partij te brengen. Het kan immers voorkomen dat deze laatste partij niet van het probleem op de hoogte was of het niet als prioritair beschouwde. De aangezochte partij kan, zodra zij zich van de situatie bewust is en weet dat daardoor gewichtige belangen van de andere partij worden geraakt, naar eigen goeddunken passende maatregelen tot handhaving van haar mededingingsregels treffen. Artikel V, lid 2, bepaalt wat het "positieve courtoisie"-verzoek inhoudt. Artikel V, lid 3, bepaalt dat de partij die een "positieve courtoisie"-verzoek ontvangt, verplicht is dit zorgvuldig te onderzoeken en de verzoekende partij zo spoedig als praktisch mogelijk is van haar beslissing in kennis te stellen. Indien de aangezochte partij beslist tot een handhavend optreden over te gaan, moet haar mededingingsautoriteit de verzoekende partij van belangrijke ontwikkelingen tijdens en het resultaat van dit optreden op de hoogte houden. Artikel V, lid 4, bepaalt dat het volledig ter discretie van de mededingingsautoriteit van de aangezochte partij staat of zij met betrekking tot de in het verzoek beschreven concurrentieverstorende activiteiten al dan niet tot een handhavend optreden overgaat, en dat niets in artikel V eraan in de weg staat dat de verzoekende partij haar verzoek intrekt. Artikel VI - Voorkoming van geschillen Artikel VI, lid 1, staat ook bekend als de "negatieve" of "traditionele courtoisie"-clausule. Het bepaalt dat elke partij in alle stadia van haar handhavend optreden de gewichtige belangen van de andere partij nauwgezet in acht moet nemen. Volgens artikel VI, lid 2, moet, zodra een zaak voor toepassing van het beginsel van de traditionele courtoisie in aanmerking komt, elke partij zich inspannen om de andere partij tijdig van belangrijke ontwikkelingen tijdens haar handhavend optreden in kennis te stellen. In artikel VI, lid 3, worden een aantal factoren opgesomd die elke partij in aanmerking moet nemen, telkens wanneer haar handhavend optreden gewichtige belangen van de andere partij kan schaden. Het begrip "gewichtige belangen" moeten worden opgevat in overeenstemming met het doel van de overeenkomst, namelijk de totstandbrenging van doeltreffende samenwerking op mededingingsgebied. De genoemde belangen moeten bijgevolg uit het oogpunt van dat doel gewichtig zijn. Artikel VII - Overleg Artikel VII, lid 1, is een algemene bepaling die elke partij de mogelijkheid biedt langs diplomatieke weg om overleg te verzoeken. Artikel VII, lid 2, beschrijft hoe dit overleg verloopt. Artikel VIII - Jaarlijkse bijeenkomsten Artikel VIII, lid 1, voorziet in de mogelijkheid van gedachtewisselingen en contacten tussen de twee partijen, indien deze noodzakelijk zijn voor de toepassing van de overeenkomst. Artikel VIII, lid 2, bepaalt dat de mededingingsautoriteiten van de twee partijen jaarlijks bijeenkomen ter bespreking van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang in verband met de samenwerking bij en de coördinatie van hun handhavend optreden. Deze discussies kunnen betrekking hebben op: - hun handhavend optreden en de desbetreffende prioriteiten; - overwogen beleidswijzigingen; - andere aangelegenheden. Artikel IX - Uitwisseling, gebruik en bescherming van vertrouwelijke informatie Artikel IX, lid 1, bepaalt dat geen van beide partijen verplicht is de andere partij informatie te verstrekken, indien dit haar wettelijk verboden of onverenigbaar met haar belangen is. Artikel IX, lid 2, onder a), bepaalt dat uitgewisselde informatie uitsluitend voor de doeleinden van de overeenkomst mag worden gebruikt. Artikel IX, lid 2, onder b), bepaalt dat, wanneer in vertrouwen informatie tussen de partijen of hun mededingingsautoriteiten wordt uitgewisseld, de vertrouwelijkheid van die informatie moet worden bewaard. Artikel IX, lid 3, bepaalt dat van informatie die op grond van de overeenkomst wordt uitgewisseld, gebruik moet worden gemaakt met inachtneming van de voorwaarden, gesteld door de partij welke die informatie verstrekt. Artikel IX, lid 4, bepaalt dat een partij die informatie verstrekt, die informatie kan beperken, indien zij niet de zekerheid heeft dat de andere partij in staat is alle noodzakelijke waarborgen en de vereiste bescherming te bieden. Artikel IX, lid 5, voorziet in een aantal uitzonderingen op bovenstaande regel betreffende de absolute bescherming van op grond van de overeenkomst uitgewisselde informatie. Er geldt een uitzondering, wanneer: - a) de partij die van de informatie gebruikmaakt, voorafgaandelijk de toestemming heeft verkregen van de partij die de informatie verstrekt; - b) onder bepaalde voorwaarden, wanneer de partij die de informatie ontvangt, wettelijk verplicht is toegang tot die informatie te verlenen. In dit geval i) mogen de mededingingsautoriteiten van de partijen geen stappen ondernemen die een wettelijke verplichting kunnen doen ontstaan om op grond van de overeenkomst verstrekte informatie ter beschikking van derden te stellen, zonder de voorafgaande toestemming van de partij waarvan die informatie afkomstig is; ii) moet de partij die de informatie ontvangt, indien mogelijk, voorafgaandelijk kennisgeving doen aan de partij die de informatie verstrekt, op verzoek met haar in overleg treden en haar gewichtige belangen nauwgezet in acht nemen; en iii) moet de partij die de informatie ontvangt, alle krachtens haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen beschikbare maatregelen treffen om de vertrouwelijkheid van die informatie te bewaren ten aanzien van verzoeken van derden of andere autoriteiten om bekendmaking van die informatie. Artikel IX, lid 6, zorgt ervoor dat elke lidstaat van de Europese Gemeenschap voor welke een handhavend optreden van de Japanse mededingingsautoriteit van belang is, van alle op grond van de overeenkomst ontvangen kennisgevingen op de hoogte wordt gehouden. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten van de Europese Gemeenschap zullen ook worden ingelicht over elk geval van samenwerking bij en coördinatie van een handhavend optreden. Hierbij moet een verzoek van de Japanse mededingingsautoriteit om geen vertrouwelijke informatie bekend te maken, worden geëerbiedigd. Artikel X - Vigerende wetgeving Artikel X, lid 1, bepaalt dat geen van beide partijen verplicht is op te treden op een wijze die onverenigbaar is met haar vigerende wetgeving, noch wanneer, gezien haar middelen en prioriteiten, een dergelijk optreden niet mogelijk is. Artikel X, lid 2, bepaalt dat tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen meer gedetailleerde regelingen kunnen worden getroffen die voor de toepassing van de overeenkomst noodzakelijk zijn. Artikel X, lid 3, biedt de partijen de mogelijkheid elkaar om bijstand te verzoeken en elkaar bijstand te verlenen op grond van andere bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen. Artikel X, lid 4, bepaalt dat niets in de overeenkomst afbreuk doet aan het beleid of de rechtspositie van de partijen met betrekking tot bevoegdheidsaangelegenheden. Artikel X, lid 5, bepaalt dat de overeenkomst uit andere internationale overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen onverlet laat. Artikel XI - Mededelingen langs diplomatieke weg Volgens artikel XI kunnen mededelingen uit hoofde van de overeenkomst door de mededingingsautoriteiten van de partijen rechtstreeks tot elkaar worden gericht, met uitzondering van kennisgevingen op grond van artikel I, lid 2, onder b), en artikel II en verzoeken op grond van artikel V, lid 1, van de overeenkomst, die - onverwijld - schriftelijk langs diplomatieke weg moeten worden bevestigd. Artikel XII - Inwerkingtreding en beëindiging Artikel XII, lid 1, bepaalt dat de overeenkomst dertig dagen na de ondertekening ervan in werking treedt. Deze periode zal worden gebruikt om bekendheid aan de overeenkomst te geven en de zakenwereld van het bestaan ervan op de hoogte te brengen, alsook om de mechanismen in te voeren die voor de veilige uitwisseling van kennisgevingen noodzakelijk zijn. Volgens artikel XII, lid 2, kan elke partij met een opzeggingstermijn van zestig dagen de overeenkomst beëindigen. Artikel XII, lid 3, voorziet in een herbeoordeling van de overeenkomst uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding ervan. Taalregeling De overeenkomst zal in het Spaans, het Deens, het Duits, het Grieks, het Engels, het Frans, het Italiaans, het Nederlands, het Portugees, het Fins, het Zweeds en het Japans worden aangenomen. VI. CONCLUSIE Als conclusie stelt de Commissie voor dat de Raad na raadpleging van het Europees Parlement de tekst van de ontwerp-overeenkomst goedkeurt en het voorgestelde besluit van de Raad en de Commissie aanneemt. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 83 en artikel 308 in samenhang met artikel 300, lid 3, eerste alinea, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, inzonderheid op de artikelen 65 en 66, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement, Overwegende dat, nu de problemen op het gebied van de mededinging steeds duidelijker een internationale dimensie gaan vertonen, de internationale samenwerking op dit gebied dient te worden verbeterd; Overwegende dat een correcte en doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht voor de goede werking van de markten en voor het internationale handelsverkeer van belang is; Overwegende dat nadere uitwerking van de beginselen van positieve courtoisie in het internationale recht en tenuitvoerlegging van deze beginselen bij de handhaving van de mededingingsvoorschriften van de Europese Gemeenschappen en Japan de doeltreffendheid bij de toepassing daarvan waarschijnlijk zullen verbeteren; Overwegende dat de Commissie te dien einde met Japan onderhandelingen heeft gevoerd en overeenstemming heeft bereikt over een overeenkomst betreffende de toepassing van het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschappen en van Japan; Overwegende dat gebruik dient te worden gemaakt van artikel 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, omdat de tekst van de overeenkomst onder meer betrekking heeft op fusies en overnames, die onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen vallen [5], welke verordening in hoofdzaak op artikel 308 berust; [5] PB L 395 van 30.12.1989, blz. 1 (gerectificeerd in PB L 257 van 21.9.1990, blz. 13), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997, PB L 180 van 9.7.1997, blz. 1. Overwegende dat de overeenkomst dient te worden goedgekeurd, BESLUITEN: Artikel 1 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten wordt namens de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal goedgekeurd. De tekst van de overeenkomst, gesteld in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Japanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, is aan dit besluit gehecht. Artikel 2 De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Europese Gemeenschap te ondertekenen. De voorzitter van de Commissie wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal te ondertekenen. Gedaan te Brussel, Voor de Raad Voor de Commissie De Voorzitter De Voorzitter BIJLAGE Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten De Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna "de Europese Gemeenschappen" te noemen) enerzijds en de Regering van Japan anderzijds (hierna "de partijen" te noemen): Erkennende dat de economieën in de wereld, ook die van de Europese Gemeenschappen en Japan, in toenemende mate met elkaar verbonden raken, Ervan overtuigd dat een correcte en doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschappen en Japan voor de goede werking van hun respectieve markten en voor hun onderling handelsverkeer van belang is, Ervan overtuigd dat een correcte en doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschappen en Japan zou worden bevorderd door onderlinge samenwerking en in voorkomend geval door onderlinge coördinatie bij de toepassing van dit recht, Zich ervan bewust dat er tussen de partijen af en toe geschillen kunnen rijzen over de toepassing van het mededingingsrecht van respectievelijk de Europese Gemeenschappen en Japan; Vastbesloten bij de toepassing van het mededingingsrecht van respectievelijk de Europese Gemeenschappen en Japan (hierna "het mededingingsrecht van elke partij" te noemen) zorgvuldig om te gaan met de gewichtige belangen van de andere partij; en Gelet op de aanbeveling van de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling betreffende de samenwerking tussen de lidstaten inzake concurrentiebeperkende handelspraktijken die het internationale handelsverkeer beïnvloeden, zoals herzien op 27 en 28 juli 1995, alsmede de aanbeveling van de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling betreffende doeltreffende maatregelen tegen "hard core"-kartels, aangenomen op 25 maart 1998; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Deze overeenkomst heeft tot doel bij te dragen tot een doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht van elke partij, door het bevorderen van de samenwerking en coördinatie tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen, en geschillen tussen de partijen in verband met de toepassing van het mededingingsrecht van elke partij zoveel mogelijk te voorkomen. 2. In deze overeenkomst (a) wordt onder "concurrentieverstorende activiteiten" verstaan: elke gedraging of verrichting die overeenkomstig het mededingingsrecht van Japan of van de Europese Gemeenschappen tot sancties of andere herstelmaatregelen aanleiding kan geven. (b) wordt onder "bevoegde autoriteit van een lidstaat" verstaan: voor elke lidstaat die in artikel 299, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is genoemd, één autoriteit die bevoegd is voor de toepassing van het mededingingsrecht. Na de ondertekening van deze overeenkomst brengt de Commissie van de Europese Gemeenschappen een lijst van die autoriteiten ter kennis van de Japanse regering. Telkens wanneer dat nodig is, zal de Commissie aan de Japanse regering een bijgewerkte lijst bezorgen. Gegevens die overeenkomstig artikel IX, lid 6, zijn verstrekt, worden aan een bevoegde autoriteit van een lidstaat niet medegedeeld, zolang deze niet is opgenomen op de door de Commissie aan de Japanse regering bezorgde lijst. (c) wordt onder "mededingingsautoriteit" of "mededingingsautoriteiten" verstaan: (i) wat de Europese Gemeenschappen betreft, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, in zoverre zij krachtens het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschappen bevoegd is; en (ii) wat Japan betreft, de Commissie voor eerlijke handelspraktijken; (d) wordt onder "mededingingsrecht" verstaan: (i) wat de Europese Gemeenschappen betreft, de artikelen 81, 82 en 85 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, de artikelen 65 en 66 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de bepalingen tot uitvoering van de genoemde Verdragen, met inbegrip van Beschikking nr. 24/54 van de Hoge Autoriteit, alsmede alle bepalingen tot wijziging van voornoemde bepalingen; en (ii) wat Japan betreft, de Wet inzake het verbod op particuliere monopolies en de handhaving van de eerlijke handelspraktijken (wet nr. 54 van 1947) (hierna "de antimonopoliewet" te noemen) en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, alsmede alle bepalingen tot wijziging van voornoemde bepalingen; (e) wordt onder "handhavend optreden" verstaan: elke toepassing van het mededingingsrecht bij wege van een onderzoek of procedure, gevoerd door de mededingingsautoriteit van een partij. Onderzoeken, studies of enquêtes die ten doel hebben de algemene economische situatie of de algemene voorwaarden in bepaalde bedrijfstakken te bestuderen, vallen hierbuiten. Dergelijke onderzoeken, studies of enquêtes mogen niet op zodanige wijze opgezet zijn dat er tegelijk een onderzoek wordt ingesteld naar een vermeende inbreuk op het mededingingsrecht; (f) wordt onder "het grondgebied van een partij", "het grondgebied van de partij" en "het grondgebied van de andere partij" verstaan: naar gelang van het geval, het grondgebied van Japan of het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn; (g) wordt onder "de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een partij", "de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partij" en "de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de andere partij" verstaan: naar gelang van het geval, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Japan of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Europese Gemeenschappen. Artikel II 1. De mededingingsautoriteit van elke partij stelt de mededingingsautoriteit van de andere partij in kennis van elk handhavend optreden dat volgens de kennisgevende mededingingsautoriteit de gewichtige belangen van de andere partij kan raken. 2. Als een handhavend optreden dat de gewichtige belangen van de andere partij kan raken, wordt onder meer beschouwd elk handhavend optreden dat: (a) van belang is voor een handhavend optreden van de andere partij; (b) gericht is tegen een onderdaan of onderdanen van de andere partij (in het geval van de Europese Gemeenschappen een onderdaan of onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen), of tegen een onderneming of ondernemingen die overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen is (zijn) opgericht of gevestigd op het grondgebied van de andere partij; (c) betrekking heeft op concurrentieverstorende activiteiten, niet zijnde fusies of verwervingen, die voor een niet-verwaarloosbaar deel op het grondgebied van de andere partij plaatsvinden; (d) betrekking heeft op een fusie of verwerving, indien (i) ten minste één bij de verrichting betrokken onderneming, of (ii) een onderneming die zeggenschap over ten minste één bij de verrichting betrokken onderneming heeft, een onderneming, opgericht op het grondgebied van de andere partij overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, is; (e) betrekking heeft op gedragingen die door de kennisgevende mededingingsautoriteit beschouwd worden als door de andere partij verlangd, aangemoedigd of goedgekeurd; of (f) gepaard gaat met de oplegging, of met een verzoek om oplegging, van sancties of andere herstelmaatregelen door een mededingingsautoriteit, ten gevolge waarvan bepaalde gedragingen op het grondgebied van de andere partij vereist of verboden zouden zijn. 3. Wanneer kennisgeving overeenkomstig lid 1 vereist is met betrekking tot fusies of verwervingen, dient die kennisgeving uiterlijk te geschieden: (a) in het geval van de Europese Gemeenschappen, (i) op het tijdstip waarop overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad het besluit tot inleiding van een procedure met betrekking tot de concentratie wordt genomen; en (ii) op het tijdstip waarop een mededeling van punten van bezwaar wordt uitgebracht; (b) in het geval van Japan, (i) op het tijdstip waarop de Japanse mededingingsautoriteit overeenkomstig de antimonopoliewet een verzoek om overlegging van bescheiden, verslagen of andere gegevens betreffende de voorgenomen transactie uitbrengt; en (ii) op het tijdstip waarop een aanbeveling of het besluit tot het houden van een hoorzitting wordt uitgevaardigd. 4. Wanneer kennisgeving overeenkomstig lid 1 vereist is met betrekking tot andere aangelegenheden dan fusies of verwervingen, dient die kennisgeving zo lang vóór elk van de hierna vermelde gebeurtenissen plaats te vinden als uit praktisch oogpunt haalbaar is: (a) in het geval van de Europese Gemeenschappen, (i) het uitbrengen van een mededeling van punten van bezwaar; en (ii) het geven van een beschikking of het treffen van een schikking; (b) in het geval van Japan, (i) het instellen van een strafvervolging; (ii) de indiening van een klacht, met verzoek om dringende behandeling; (iii) de uitvaardiging van een Aanbeveling of van het Besluit tot het houden van een hoorzitting; en (iv) de afgifte van een bevel tot betaling van een toeslag, wanneer vooraf geen aanbeveling ten aanzien van de betaler is uitgevaardigd. 5. Een kennisgeving moet voldoende gedetailleerd zijn om de geadresseerde partij in staat te stellen voorshands te beoordelen wat de gevolgen van het handhavend optreden voor haar eigen gewichtige belangen zijn. Artikel III 1. De mededingingsautoriteit van elke partij verleent die van de andere partij bijstand bij haar handhavend optreden, voorzover zulks met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de bijstandverlenende partij en met de gewichtige belangen van deze partij verenigbaar is, een en ander binnen redelijke grenzen wat de beschikbare middelen betreft. 2. De mededingingsautoriteit van elke partij dient, voorzover zulks met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van deze partij en met haar gewichtige belangen verenigbaar is: (a) de mededingingsautoriteit van de andere partij in kennis te stellen van haar handhavend optreden ten aanzien van concurrentieverstorende activiteiten waarvan de kennisgevende mededingingsautoriteit vermoedt dat zij tevens de mededinging op het grondgebied van de andere partij zouden kunnen schaden; (b) aan de mededingingsautoriteit van de andere partij alle significante informatie over concurrentieverstorende activiteiten te verstrekken waarover zij beschikt of die haar ter kennis wordt gebracht, en die naar het oordeel van de informatieverstrekkende mededingingsautoriteit van belang kan zijn voor een handhavend optreden van de mededingingsautoriteit van de andere partij, of die aanleiding kan geven tot een dergelijk optreden; en (c) aan de mededingingsautoriteit van de andere partij, op dier verzoek en in overeenstemming met het bepaalde in deze overeenkomst, informatie te verstrekken waarover zij beschikt en die van belang is voor een handhavend optreden van de mededingingsautoriteit van de andere partij. Artikel IV 1. Wanneer de mededingingsautoriteiten van beide partijen handhavend optreden met betrekking tot onderling verband houdende aangelegenheden, gaan zij na of het wenselijk is hun optreden te coördineren. 2. Bij de beoordeling of in een bepaald geval een coördinatie van handhavend optreden wenselijk is, nemen de mededingingsautoriteiten van de partijen onder meer in aanmerking: (a) hoe een dergelijke coördinatie hun kansen beïnvloedt om de met hun handhavend optreden beoogde doelstellingen te bereiken; (b) in hoeverre de mededingingsautoriteiten van de partijen in staat zijn de voor het handhavend optreden noodzakelijke informatie te verkrijgen; (c) in hoeverre de mededingingsautoriteit van elke partij in verband met de betrokken concurrentieverstorende activiteiten doeltreffende herstelmaatregelen kan nemen; (d) of een meer efficiënt gebruik van middelen kan worden gemaakt; (e) of de kosten, te dragen door de personen ten aanzien van wie handhavend wordt opgetreden, kunnen worden verminderd; en (f) hoe gecoördineerde herstelmaatregelen mogelijk voordeel kunnen opleveren voor de partijen en de personen die het voorwerp vormen van het handhavend optreden. 3. Bij elk gecoördineerd handhavend optreden streeft de mededingingsautoriteit van elke partij ernaar bij haar handhavend optreden oog te hebben voor de doelstellingen van het handhavend optreden van de mededingingsautoriteit van de andere partij. 4. Wanneer de mededingingsautoriteiten van beide partijen handhavend optreden met betrekking tot onderling verband houdende aangelegenheden, overweegt de mededingingsautoriteit van elke partij, op verzoek van de mededingingsautoriteit van de andere partij en mits dit in overeenstemming is met de gewichtige belangen van de aangezochte partij, om bij personen die in verband met dit handhavend optreden vertrouwelijke informatie hebben verstrekt, na te vragen of zij ermee instemmen dat deze informatie wordt doorgegeven aan de mededingingsautoriteit van de andere partij. 5. Mits op correcte wijze kennisgeving wordt gedaan aan de mededingingsautoriteit van de andere partij, kan de mededingingsautoriteit van elke partij te allen tijde de coördinatie van het handhavend optreden beperken of beëindigen en haar handhavend optreden op onafhankelijke wijze voortzetten. Artikel V 1. Indien de mededingingsautoriteit van een partij van oordeel is dat haar gewichtige belangen worden geschaad door concurrentieverstorende activiteiten die op het grondgebied van de andere partij plaatsvinden, kan die mededingingsautoriteit, gelet op het belang van het vermijden van jurisdictieconflicten en gelet op het feit dat de mededingingsautoriteit van de andere partij mogelijk in staat is om doeltreffender op te treden tegen dergelijke concurrentieverstorende activiteiten, verzoeken dat de mededingingsautoriteit van de andere partij op gepaste wijze handhavend optreedt. 2. De verzoekende mededingingsautoriteit moet zo nauwkeurig mogelijk aangeven om welke concurrentieverstorende activiteiten het gaat en op welke wijze deze de gewichtige belangen van de partij van de verzoekende mededingingsautoriteit raken, en moet zich bereid verklaren om, voorzover dit binnen haar mogelijkheden ligt, alle nadere informatie te verstrekken en elke andere vorm van medewerking te verlenen. 3. De aangezochte mededingingsautoriteit weegt zorgvuldig af of zij met betrekking tot de in het verzoek beschreven concurrentieverstorende activiteiten tot een handhavend optreden overgaat respectievelijk reeds bestaande handhavingsmaatregelen uitbreidt. De aangezochte mededingingsautoriteit deelt haar beslissing zo spoedig als uit praktisch oogpunt haalbaar is, aan de verzoekende mededingingsautoriteit mee. Wanneer tot een handhavend optreden wordt overgegaan, houdt de aangezochte mededingingsautoriteit de verzoekende mededingingsautoriteit op de hoogte van het resultaat van dit optreden en, voorzover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen. 4. Dit artikel beperkt op generlei wijze de vrijheid van de mededingingsautoriteit van de aangezochte partij om overeenkomstig haar mededingingsrecht en haar handhavingsbeleid te beslissen of zij met betrekking tot de in het verzoek beschreven concurrentieverstorende activiteiten al dan niet handhavend optreedt, en belet evenmin de mededingingsautoriteit van de verzoekende partij om haar verzoek in te trekken. Artikel VI 1. De mededingingsautoriteit van elke partij neemt in alle stadia van haar handhavend optreden, en onder meer met betrekking tot de beslissing om over te gaan tot een handhavend optreden, de omvang van dat handhavend optreden en de aard van de in elke zaak te treffen sancties of herstelmaatregelen, de gewichtige belangen van de andere partij nauwgezet in acht. 2. Wanneer een van beide partijen de andere partij ter kennis brengt dat bepaalde handhavingsmaatregelen van laatstgenoemde partij invloed kunnen hebben op gewichtige belangen van eerstgenoemde partij, tracht laatstgenoemde partij tijdig kennis te geven van significante ontwikkelingen in het desbetreffende handhavend optreden. 3. Wanneer een van beide partijen van oordeel is dat een handhavend optreden van de ene partij gewichtige belangen van de andere partij kan schaden, dienen de partijen rekening te houden met de volgende factoren, naast eventuele andere factoren die onder de gegeven omstandigheden van belang kunnen zijn bij het streven naar een verzoening van tegenstrijdige belangen: (a) de mate waarin gedragingen of transacties op het grondgebied van de ene partij dan wel op het grondgebied van de andere partij voor de betrokken concurrentieverstorende activiteiten van betekenis zijn; (b) de mate waarin de concurrentieverstorende activiteiten gevolgen voor gewichtige belangen van de ene dan wel de andere partij kunnen hebben; (c) het al dan niet voorhanden zijn van aanwijzingen dat bij degenen die bij de concurrentieverstorende activiteiten betrokken zijn, het opzet aanwezig is om consumenten, producenten of concurrenten op het grondgebied van de handhavend optredende partij te beïnvloeden; (d) de mate waarin de concurrentieverstorende activiteiten de mededinging op de markt van Japan respectievelijk van de Europese Gemeenschappen wezenlijk beperken; (e) de mate waarin het handhavend optreden van een partij strijdig dan wel verenigbaar is met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van deze andere partij, of met het beleid of de gewichtige belangen van de andere partij; (f) of door beide partijen tegenstrijdige verplichtingen aan particulieren - natuurlijke personen of rechtspersonen - worden opgelegd; (g) de plaats waar de relevante activa zich bevinden of waar de partijen bij de transactie gevestigd zijn; (h) de mate waarin door middel van het handhavend optreden van de partij doeltreffende sancties of andere herstelmaatregelen kunnen worden getroffen tegen de concurrentieverstorende activiteiten; en (i) de mate waarin het handhavend optreden van de andere partij ten aanzien van dezelfde personen - natuurlijke dan wel rechtspersonen - zou worden beïnvloed. Artikel VII 1. De partijen kunnen, indien nodig, langs diplomatieke weg overleg plegen over elke aangelegenheid die met deze overeenkomst verband houdt. 2. Een verzoek om overleg op grond van dit artikel wordt langs diplomatieke weg verzonden. Artikel VIII 1. De mededingingsautoriteiten van de partijen plegen op verzoek van de mededingingsautoriteit van een van de partijen met elkaar overleg over alle aangelegenheden die bij de toepassing van deze overeenkomst aan de orde komen. 2. De mededingingsautoriteiten van de partijen komen minstens eenmaal per jaar bijeen om: (a) informatie uit te wisselen over de inspanningen die zij op het gebied van de handhaving leveren en over hun prioriteiten in verband met het mededingingsrecht van elke partij; (b) informatie uit te wisselen over economische sectoren die van gemeenschappelijk belang zijn; (c) voorgenomen wijzigingen in hun beleid te bespreken; en (d) andere aangelegenheden van wederzijds belang in verband met de toepassing van het mededingingsrecht van elke partij te bespreken. Artikel IX 1. Onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst is geen der partijen gehouden de andere partij in kennis te stellen van informatie, wanneer zulks krachtens de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partij die de informatie in haar bezit heeft, verboden is of met haar gewichtige belangen onverenigbaar zou zijn. 2. (a) Informatie die niet voor eenieder toegankelijk is, welke op grond van deze overeenkomst door de ene partij aan de andere partij ter kennis wordt gebracht, mag door de ontvangende partij uitsluitend gebruikt worden voor het in artikel I, lid 1, beschreven doel. (b) Wanneer een partij op grond van deze overeenkomst informatie in vertrouwen doorgeeft, dient de ontvangende partij, in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, deze vertrouwelijkheid te eerbiedigen. 3. Een partij kan verlangen dat informatie die op grond van deze overeenkomst wordt medegedeeld, onderworpen blijft aan de voorwaarden die zij kan stellen. De ontvangende partij mag de desbetreffende informatie zonder de voorafgaande instemming van de andere partij niet gebruiken op een wijze die strijdig is met die voorwaarden. 4. Elke partij kan de informatie die zij aan de andere partij mededeelt beperken, indien de andere partij niet de door haar verlangde garantie kan geven met betrekking tot de in acht te nemen vertrouwelijkheid, de gestelde voorwaarden of de beperking van de doeleinden waarvoor de informatie zal worden gebruikt. 5. Dit artikel staat niet aan het gebruik of de bekendmaking van informatie die niet voor eenieder toegankelijk is, door de ontvangende partij in de weg, mits: (a) de partij die de informatie heeft verstrekt, vooraf haar instemming heeft betuigd met dat gebruik of die bekendmaking; of (b) uit de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partij die de informatie ontvangt, de verplichting voortvloeit om deze te gebruiken of bekend te maken. In een dergelijk geval behoort de ontvangende partij (i) zonder de voorafgaande instemming van de partij die de informatie verstrekt, geen enkele handeling te verrichten die een wettelijke verplichting kan doen ontstaan om de op grond van deze overeenkomst in vertrouwen verstrekte informatie kenbaar te maken aan een derde of aan andere autoriteiten; (ii) indien mogelijk vooraf aan de partij die de informatie verstrekt, kennis te geven van elk eventueel gebruik of elke eventuele bekendmaking en, desgevraagd, overleg te plegen met de andere partij en terdege rekening te houden met haar gewichtige belangen; en (iii) tenzij anders overeengekomen is met de partij die de informatie verstrekt, van alle middelen die op grond van de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen beschikbaar zijn, gebruik te maken om de vertrouwelijkheid van de informatie te beschermen tegen verzoeken van derden of andere autoriteiten om bekendmaking van de betrokken informatie. 6. De mededingingsautoriteit van de Europese Gemeenschappen: (a) doet, na de Japanse mededingingsautoriteit hiervan op de hoogte te hebben gebracht, aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten waarvan gewichtige belangen geraakt worden, mededeling van de kennisgevingen die haar door de Japanse mededingingsautoriteit zijn toegezonden; (b) stelt, na overleg met de Japanse mededingingsautoriteit, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten in kennis van elke eventuele samenwerking en coördinatie inzake handhavend optreden; en (c) ziet erop toe dat informatie die niet voor eenieder toegankelijk is en die overeenkomstig onder (a) en (b) aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten wordt medegedeeld, niet wordt gebruikt voor enig ander doel dan het in artikel I, lid 1, genoemde doel en dat dergelijke informatie niet wordt bekendgemaakt. Artikel X 1. Deze overeenkomst wordt door de partijen ten uitvoer gelegd met inachtneming van de respective wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in Japan en in de Europese Gemeenschappen gelden, en binnen de grenzen van de middelen waarover hun respectieve mededingingsautoriteiten beschikken. 2. Tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen kunnen nadere afspraken over de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst worden gemaakt. 3. Deze overeenkomst verhindert de partijen op generlei wijze om elkaar bijstand te vragen of te verlenen op grond van andere bilaterale of multilaterale overeenkomsten of akkoorden tussen de partijen. 4. Deze overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het beleid of de juridische positie van een van de partijen met betrekking tot welk jurisdictiegeschil ook. 5. Deze overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voor een van de partijen voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten of uit de wetgeving van een van Japan en de Europese Gemeenschappen. Artikel XI Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, kunnen mededelingen als bedoeld in deze overeenkomst rechtstreeks plaatsvinden tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen. Kennisgevingen als bedoeld in artikel I, lid 2, onder (b), en artikel II, en verzoeken als bedoeld in artikel V, lid 1, dienen evenwel schriftelijk te worden bevestigd langs diplomatieke weg. Deze bevestiging dient zo spoedig als uit praktisch oogpunt haalbaar is na de betrokken mededeling tussen de mededingingsautoriteiten van de partijen te geschieden. Artikel XII 1. Deze overeenkomst treedt op de dertigste dag na de datum van haar ondertekening in werking. 2. Deze overeenkomst is van kracht tot en met de zestigste dag volgende op de dag waarop een der partijen aan de andere partij schriftelijk langs diplomatieke weg kennisgeving doet dat zij de overeenkomst wenst te beëindigen. 3. De partijen beoordelen uiterlijk vijf jaar na haar inwerkingtreding de werking van deze overeenkomst. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, naar behoren hiertoe gemachtigd, hun handtekening onder deze overeenkomst hebben gesteld. GEDAAN te .............., in tweevoud, de ................., in de Deense, Duitse, Engelse, Finse, Franse, Griekse, Italiaanse, Japanse, Nederlandse, Portugese, Spaanse en Zweedse taal. In geval van afwijking tussen taalversies hebben de Engelse en de Japanse tekst voorrang boven de tekst in de andere talen. Voor de Europese Gemeenschap: Voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal: Voor de regering van Japan: GOEDGEKEURDE NOTULEN De ondergetekenden wensen akte te doen nemen van het volgende akkoord dat zij tijdens de onderhandelingen over de heden ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten (hierna "de overeenkomst" te noemen) hebben bereikt: Beide partijen bevestigen dat zij het erover eens zijn dat: (1) de regering van Japan uit hoofde van de overeenkomst niet is gehouden tot mededeling aan de Europese Gemeenschappen van "zakengeheimen van ondernemingen" die onder toepassing van artikel 39 van de Wet inzake het verbod op particuliere monopolies en de handhaving van de eerlijke handelspraktijken (wet nr. 54 van 1947) vallen, met uitzondering van die welke met de instemming van de betrokken ondernemingen worden meegedeeld op grond van het bepaalde in artikel IV, lid 4, van de overeenkomst; en (2) de Europese Gemeenschappen uit hoofde van de overeenkomst niet zijn gehouden tot mededeling aan de regering van Japan van vertrouwelijke informatie die onder toepassing van artikel 20 van Verordening nr. 17/62 valt, met uitzondering van informatie die wordt meegedeeld op grond van het bepaalde in artikel IV, lid 4, van de overeenkomst. Voor de Europese Gemeenschap: Voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal: Voor de regering van Japan: