This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52002DC0502
Report from the Commission to the Council, the European Parliament and the Economic and Social Committee on the public lending right in the European Union
Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over het openbare uitleenrecht in de Europese Unie
Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over het openbare uitleenrecht in de Europese Unie
/* COM/2002/0502 def. */
Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over het openbare uitleenrecht in de Europese Unie /* COM/2002/0502 def. */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ OVER HET OPENBARE-UITLEENRECHT IN DE EUROPESE UNIE INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding: Doel van de Mededeling 2. Wettelijke situatie betreffende het openbare uitleenrecht vóór de goedkeuring van de richtlijn 3. Richtlijn 92/100/EEG van de Raad 3.1. Het groenboek van 1988 over het auteursrecht 3.2. De behoefte aan harmonisatie van het OUR 3.3. Het begrip OUR in de richtlijn 3.4. De uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten 4. Situatie in de lidstaten 4.1. De OUR regeling in de lidstaten 4.2. Werking van het OUR 5. CONCLUSIE 5.1. OUR en aspecten van de interne markt 5.2. Vooruitzichten VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ OVER HET OPENBARE-UITLEENRECHT IN DE EUROPESE UNIE 1. Inleiding: Doel van de Mededeling Op 19 november 1992 keurde de Raad Richtlijn 92/100/EEG over het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten [1] goed. De richtlijn moest uiterlijk op 1 juli 1994 zijn omgezet. In artikel 5, lid 4, van de richtlijn werd bepaald dat de Commissie vóór 1 juli 1997 een verslag over de openbare uitlening in de Gemeenschap moest opstellen. Aangezien enkele lidstaten de richtlijn pas onlangs hebben omgezet, kon deze termijn niet worden gehaald. Het begrip openbare uitlening is diep geworteld in de nationale culturele tradities van de lidstaten. Er zijn aanzienlijke verschillen in de wijze waarop openbare uitlening in de lidstaten werkt. Dientengevolge hadden de bepalingen van de richtlijn terzake slechts een beperkte harmonisatie tot gevolg. Daarom werd een verslag over de werking van het openbare uitleenrecht van de Commissie verlangd, dat zij moest voorleggen aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité. [1] Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, PB L 346 van 27 november 1992, blz.61 ("de richtlijn") Het feit dat artikel 5 de verplichting tot verslaglegging uitdrukkelijk noemt, benadrukt het bijzondere belang van ontwikkelingen op het gebied van het openbare uitleenrecht (OUR). Het doel van dit verslag is om in overeenstemming met artikel 5, lid 4, van de richtlijn de stand van zaken ten aanzien van openbare uitlening in de Gemeenschap te beoordelen en de omzetting van de desbetreffende bepalingen in deze richtlijn door de lidstaten en de bereikte mate van harmonisatie te evalueren en hieruit conclusies te trekken voor de behandeling van het OUR in de Europese Unie. 2. Wettelijke situatie betreffende het openbare uitleenrecht vóór de goedkeuring van de richtlijn De oorsprong van het OUR ligt in het begin van de twintigste eeuw en houdt nauw verband met de opkomst van openbare bibliotheken. Particuliere bibliotheken, die boeken uitleenden tegen betaling of een lidmaatschapsgeld, namen in belang af naarmate er openbare bibliotheken verschenen waarvoor niet behoefde te worden betaald. Na de Tweede Wereldoorlog bleef er slechts een onbeduidend aantal particuliere bibliotheken over. Dankzij de omvangrijke steun van de overheid voor de openbare bibliotheken werden deze groter en beter, waardoor steeds meer werken werden uitgeleend. De auteurs gingen daarom vragen om een beloning voor dit toegenomen gebruik van hun werken. De wetgevers reageerden hier evenwel niet onmiddellijk op, maar introduceerden geleidelijk het OUR in de vorm van een uitsluitend recht of een recht op beloning van de auteurs. Het OUR werd het eerst ingevoerd in de Scandinavische landen (Denemarken (1946), Zweden (1955), Finland (1961)), gevolgd door Nederland (1971), Duitsland (1972) en het Verenigd Koninkrijk (1979/1982). Alleen in Duitsland werd het OUR in de auteurswet opgenomen, terwijl het in de andere lidstaten in aparte wetgeving werd opgenomen. De bepalingen in deze landen weken in verschillende opzichten van elkaar af (rechthebbenden, media en aard van de betrokken bibliotheken). In België maakte het OUR deel uit van het distributierecht, terwijl in Griekenland, Frankrijk en Luxemburg de auteurs in theorie een exclusief OUR genoten op basis van het "droit de destination". In Spanje bestond wel een exclusief distributierecht, maar dit werd in de praktijk klaarblijkelijk niet uitgeoefend. In Portugal kon de wet op verschillende manieren worden geïnterpreteerd: geen OUR of een uitsluitend recht dat deel uitmaakte van een ruim distributierecht. In Ierland en Italië bestond noch een uitsluitend OUR noch een recht op een beloning voor openbare uitlening. 3. Richtlijn 92/100/EEG van de Raad 3.1. Het groenboek van 1988 over het auteursrecht [2] [2] Groenboek over het auteursrecht en de uitdaging der technologie; problemen op het gebied van het auteursrecht die een onmiddellijke aanpak behoeven, COM (88) 172 def., 7 juni 1988 Het groenboek van 1988 over het auteursrecht was het eerste document van de Commissie waarin de behoefte aan een harmonisatie op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten in een theoretisch kader aan de orde werd gesteld. Het telde zeven hoofdstukken en bevatte een beschrijving en een analyse van de gebieden waarop volgens de Commissie actie moest worden ondernomen. Hoofdstuk 4 was gewijd aan het distributierecht, uitputting en het verhuurrecht, terwijl hoofdstuk 2 over piraterij ging. In deze twee hoofdstukken vindt de richtlijn haar oorsprong. In het groenboek wordt echter niet gesproken over acties die op het gebied van niet-commerciële uitlening nodig zouden zijn. 3.2. De behoefte aan harmonisatie van het OUR In het kader van de follow-up van het groenboek van 1988 heeft de Commissie diverse hoorzittingen met de belanghebbenden georganiseerd over de onderwerpen die in dit document aan de orde komen. Tijdens een van deze hoorzittingen, in september 1989, die gewijd was aan distributierecht, uitputting en verhuurrecht, sprak een overweldigende meerderheid zich uit voor een harmonisatie van zowel het verhuur- als het uitleenrecht. Een richtlijn inzake de harmonisatie van het verhuurrecht alleen zou onvolledig zijn als de niet-commerciële uitlening buiten beschouwing bleef. Vanuit economisch oogpunt is het openbare uitleenrecht immers een aanvulling op het verhuurrecht. In sommige gevallen kan openbare uitlening zelfs in de plaats komen van verhuur. Daarom werd het noodzakelijk geacht een OUR in de ontwerp-richtlijn op te nemen en zo te zorgen voor een goede werking van de interne markt op dit gebied. Op grond van het groenboek en in het licht van bovengenoemde hoorzitting en andere tijdens de raadpleging ontvangen informatie heeft de Commissie het voorstel voor een richtlijn van de Raad goedgekeurd [3]. Hierin werd een harmonisatie voor zowel het verhuurrecht als het openbare uitleenrecht voorgesteld. In haar argumentatie voor de noodzaak van harmonisatie van het openbare uitleenrecht legde de Commissie onder meer de nadruk op de juridische en economische band tussen verhuren en openbaar uitlenen. Er werd op gewezen dat zonder een gezamenlijke behandeling van het verhuur- en het uitleenrecht de gestage toename van openbaar uitlening in de muziek- en filmsector een sterk negatief effect op het verhuurbedrijf zou hebben en het verhuurrecht zo zou uithollen. [3] Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde, met het auteursrecht verwante rechten, PB C 53 van 28 februari 1991, blz. 35 Zowel de Raad als het Europees Parlement stemde hiermee in en beide gaven hun steun aan het beginsel van een harmonisatie van het OUR. 3.3. Het begrip OUR in de richtlijn Het OUR wordt in de richtlijn omschreven als een uitsluitend recht om openbare uitlening, al dan niet tegen betaling, te verbieden of toe te staan. In artikel 1, lid 1, zegt de richtlijn dat de lidstaten moeten zorgen voor "een recht (...) om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 2, lid 1, toe te staan of te verbieden". Volgens artikel 2 komt het uitleenrecht toe aan auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten. Verhuur- en uitleenrechten met betrekking tot bouwwerken en werken van toegepaste kunst vallen niet onder de richtlijn (artikel 2, lid 3). Artikel 1, lid 3, definieert uitlening als: "het voor gebruik ter beschikking stellen voor beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen". Met instellingen moet in de eerste plaats gedacht worden aan bibliotheken. Afhankelijk van de definitie van het begrip "publiek" onder nationaal recht, kunnen ook universiteitsbibliotheken en bibliotheken van onderwijsinstellingen hieronder vallen. Zelfs als dat het geval is, zal het echter bij deze laatste twee categorieën van bibliotheken, althans in Lid Staten met een bestaande infrastructuur van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, slechts om een relatief klein deel van het totaal aantal voor het publiek toegankelijke instellingen gaan, aangezien deze slechts open zijn voor een relatief beperkt en speciaal deel van het algemene publiek. Hoewel de richtlijn de verplichting bevat een uitsluitend OUR in te voeren of te handhaven, zijn in Artikel 5 ook bepaalde afwijkingen en beperkingen van dit recht toegestaan. Artikel 5 is een compromis tussen de behoeften van de interne markt enerzijds en de uiteenlopende tradities in de lidstaten anderzijds. Toepassingsgebied van artikel 5 Artikel 5 betreft een niet-verplichte afwijking van het uitsluitende uitleenrecht bij openbare uitlening. Onder bepaalde omstandigheden mogen de lidstaten het uitsluitende recht vervangen door een recht op een vergoeding, terwijl het ook mogelijk is helemaal geen vergoeding te geven. Bovendien geeft het artikel de lidstaten veel speelruimte bij de uitoefening van het OUR. Artikel 5, lid 1 Volgens artikel 5, lid 1, mogen de lidstaten van het in artikel 1, lid 1 en lid 3, bedoelde uitsluitende uitleenrecht afwijken, mits tenminste de auteurs een vergoeding krijgen. Ingevolge de tweede zin van artikel 5, lid 1, kunnen de lidstaten de hoogte van de vergoeding vrij vaststellen "met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten". Deze zinsnede werd ingevoegd naar aanleiding van een voorstel van een lidstaat om bij wijze van bevordering van culturele activiteiten een nieuw bibliotheeksysteem in te voeren. Aangezien het expliciet is voorzien dat Lid Staten "vrij zijn de vergoeding vast te stellen [4]", is het effect van artikel 5, lid 1, in de praktijk beperkt. [4] Cf. Artikel 5, lid 1, tweede zin Artikel 5, lid 2 Weliswaar mogen de lidstaten volgens artikel 5, lid 2, fonogrammen, films en computerprogramma's van het uitsluitende uitleenrecht uitsluiten, maar het herhaalt de gedachte van artikel 5, lid 1, wanneer het stelt: "wanneer de lidstaten het in artikel 1 bedoelde uitsluitende uitleenrecht betreffende fonogrammen, films en computerprogramma's niet toepassen, voeren zij ten minste voor de auteurs een vergoeding in". Omdat artikel 5, lid 2, een afwijking is, moet deze bepaling naar het oordeel van de Commissie in enge zin worden uitgelegd: het uitsluitende uitleenrecht geldt als regel, maar wanneer een lidstaat geen uitsluitend uitleenrecht kent, moeten ten minste de auteurs een recht op vergoeding krijgen. Artikel 5, lid 2, bevestigt dat dit beginsel met betrekking tot de vergoeding van auteurs even belangrijk is voor de werken of anderszins beschermde zaken die in deze bepaling worden genoemd. Artikel 5, lid 3 Krachtens artikel 5, lid 3, kunnen lidstaten "bepaalde categorieën instellingen" van betaling van de vergoeding vrijstellen. Zulke categorieën kunnen betrekking hebben op traditionele openbare bibliotheken, maar ook bibliotheken van universiteiten en onderwijsinstellingen. Deze laatste twee categorieën zijn echter van marginaal betekenis in vergelijking met de traditionele openbare bibliotheken, die voor het algemeen publiek toegankelijk zijn, althans in Lid Staten met een bestaande infrastructuur van voor het publiek toegankelijke bibliotheken. Wanneer een Lidstaat op basis van artikel 5, lid 3, alle openbare bibliotheken uitsluit van de verplichting tot betaling van de vergoeding bedoeld in artikel 5, lid 1, en artikel 5, lid 2, zal het daarom de meerderheid van de instellingen uitsluiten van het openbare uitleenrecht. Met als gevolg, dat het OUR zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 3, een doeltreffend effect zou ontberen. Deze situatie zou in tegenspraak zijn met de bedoeling van de Gemeenschapswetgever te voorzien in een OUR. Overigens moeten de lidstaten bij de invoering of handhaving van een vergoedingsschema voor openbare uitlening artikel 12 (ex artikel 6) van het EG-Verdrag in acht nemen en mogen ze communautaire rechthebbenden niet op basis van hun nationaliteit discrimineren. Dit wordt bevestigd door overweging 18 van de richtlijn. 3.4. De uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten Samenvattend kan worden gezegd dat artikel 1 het uitsluitende openbare uitleenrecht van auteurs met betrekking tot hun werken en van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten met betrekking tot hun anderszins beschermde zaken, harmoniseert. Hoewel artikel 5 de lidstaten veel ruimte voor afwijkingen van het uitsluitende uitleenrecht biedt, moeten zij wel zorgen voor een vergoeding voor auteurs. De lidstaten mogen het bedrag van de vergoeding vaststellen, maar moeten daarbij rekening houden met de doeleinden die aan de richtlijn en aan de auteursrechtelijke bescherming in het algemeen ten grondslag liggen. De lidstaten mogen bepaalde, maar niet alle, instellingen in de zin van artikel 5, lid 3, van het betalen van een vergoeding vrijstellen. 4. Situatie in de lidstaten De volgende beschrijving is gebaseerd op de beschikbare informatie en op samenwerking met de lidstaten overeenkomstig artikel 5, lid 4, van de richtlijn. Ingevolge artikel 15 van de richtlijn waren de lidstaten verplicht de richtlijn vóór 1 juli 1994 in nationaal recht om te zetten. Veel lidstaten hebben pas na deze datum aan deze verplichting voldaan. In hoofdzaak heeft de implementatie van het OUR door de lidstaten ertoe geleid dat er op nationaal niveau belangrijke verschillen in het openbare uitleenrecht zijn blijven bestaan. 4.1. De OUR-regeling in de lidstaten In sommige lidstaten bestaat voor allerlei werken een uitsluitend uitleenrecht, terwijl andere lidstaten in plaats daarvan een recht op vergoeding kennen. Er wordt op ruime schaal gebruik gemaakt van de in artikel 5, lid 3, bedoelde afwijking van het OUR voor bepaalde categorieën instellingen. Griekenland [5], Frankrijk [6], Ierland [7], Italië [8], Portugal [9], Spanje [10] en het Verenigd Koninkrijk [11] kennen, tenminste bepaalde categorieën rechthebbenden, een uitsluitend uitleenrecht toe. [5] De richtlijn werd geïmplementeerd in een geheel nieuwe auteurswet, nr. 2121/1993 van 4 maart 1993 (Publicatieblad A, nr. 25) [6] Wet nr. 92-597 van 1 juli 1992, Publicatieblad 153 van 3 juli 1992 [7] S.I. nr. 404, Wet inzake auteursrechten en naburige rechten van 1 januari 2001 [8] Wet nr. 685 van 16 november 1994 (Gazetta Ufficiale, Serie Generale, nr. 293 van 16 december 1994) tot wijziging van wet nr. 633 van 22 april 1941 inzake de bescherming van auteursrechten en naburige rechten [9] Wet nr. 332/97 van 27 november 1997 (Diario da Republica, I Serie A nr. 275 van 27 november 1997, blz. 6393), tot wijziging van de auteurswet nr. 63 van 14 maart 1985 [10] Wet nr. 43 van 30 december 1994 (BOE nr. 313 van 31 december 1994), die later is opgenomen in de Spaanse wet inzake intellectuele eigendom [11] Wet inzake auteursrechten en naburige rechten van 26 november 1996 tot wijziging van de wet inzake auteursrechten, modellen en octrooien. Daarnaast geldt de wet inzake openbare uitleenrechten van 1979. In Griekenland kent de auteurswet een uitsluitend OUR toe aan auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten, alsmede, na de dood van een auteur, zijn tekstbezorger. In Frankrijk is het geharmoniseerde OUR niet specifiek geïmplementeerd. De bestaande Franse wetgeving zou auteurs, uitvoerende kunstenaars en producenten van fono- en videogrammen al uitsluitende uitleenrechten verlenen. Het ministerie van Cultuur heeft onlangs aangekondigd voornemens te zijn binnenkort een wetsontwerp inzake de implementatie van de richtlijn in te dienen. Het ziet ernaar uit dat in dit ontwerp wordt voorgesteld auteurs van boeken en uitgevers een vergoeding toe te kennen voor het uitlenen van beschermde werken. In Italië, dat vóór de richtlijn geen OUR kende, is een uitsluitend uitleenrecht (als onderdeel van het distributierecht, maar zonder uitputting na de eerste verkoop) ingevoerd voor auteurs en uitvoerende kunstenaars. Bij films en fono- en videogrammen is het uitsluitende recht 18 maanden na de eerste distributie uitgeput. Ierland heeft de richtlijn nog maar onlangs omgezet, in de Copyright and Related Rights Act 2000. Deze wet verleent een uitsluitend distributierecht. Dit recht omvat de openbare uitlening van kopieën van een werk of anderszins beschermde zaken. De Portugese auteurswet bevat een exclusief distributierecht voor auteurs, uitvoerende kunstenaars en producenten van fono- en videogrammen, dat expliciet ook het OUR bestrijkt. Ook na de distributie blijft het OUR van toepassing. In Spanje wordt een uitsluitend openbaar uitleenrecht toegekend aan auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten. Het Verenigd Koninkrijk verleent auteurs, filmproducenten, producenten van fonogrammen en uitvoerende kunstenaars een uitsluitend OUR. Auteurs hebben recht op een vergoeding wanneer hun boeken door openbare bibliotheken worden uitgeleend. Er is geen sprake van inbreuk op een auteursrecht wanneer exemplaren van hun werk worden uitgeleend door onderwijsinstellingen of wanneer een boek door een openbare bibliotheek wordt uitgeleend en dit boek binnen het OUR-programma valt. In Oostenrijk [12], Denemarken [13], Finland [14], Duitsland [15], Luxemburg [16], Nederland [17] en Zweden [18] wordt in plaats van een uitsluitend recht, of na de uitputting ervan, een recht op vergoeding voor de openbare uitlening van beschermde werken toegekend. [12] Wet van 28 juni 1993 (BGB1 nr. 1993/93), tot wijziging van de auteurswet (BGB1. nr. 1936/111) [13] Wet nr. 706 van 29 september 1998; OUR-wet nr. 21 van 11 januari 2000 en het uitvoeringsbesluit over de OUR-vergoeding van 29 maart 2000 [14] Wet nr. 446/1995 tot wijziging van de auteurswet (nr. 404 van 8 juli 1961) en wet nr. 967/1997 van 31 oktober 1997 [15] Wet van 23 juni 1995 (BGB1. I, blz. 842) tot wijziging van de auteurswet van 9 september 1965 (BGB1.I, blz. 1273) [16] Wet van 18 april 2001 (Mémorial A nr. 50 van 30 april 2001, blz. 1042) [17] Wet van 21 december 1995 (Stb. 1995, 653) tot wijziging van de auteurswet van 1912 en van de wet op de naburige rechten [18] Wet 1997:309 van 13 juni 1997 In Oostenrijk maakt het OUR deel uit van het distributierecht. Auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, filmproducenten en omroeporganisaties krijgen een recht op een billijke vergoeding voor openbare uitlening na uitputting van het distributierecht (d.w.z. na de eerste distributie waarvoor vergunning is verleend). In Denemarken maakt het OUR deel uit van het exclusieve distributierecht van auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten. Het uitsluitende OUR is uitgeput na de eerste distributie van het product in kwestie waarvoor vergunning is verleend. Het OUR is niet van toepassing op cinematografische werken en computerprogramma's in digitale vorm. Auteurs, vertalers, illustratoren en uitvoerende kunstenaars hebben een recht op vergoeding wanneer hun werken of andere zaken door openbare bibliotheken worden uitgeleend. Het Finse OUR-programma is gebaseerd op de wet van 1961 inzake vergoedingen en subsidies voor auteurs en vertalers. Het OUR valt onder het uitsluitende distributierecht; uitputting is mogelijk behalve voor de openbare uitlening van cinematografische werken of computerprogramma's. Alleen producenten hiervan hebben nog een uitsluitend OUR na de distributie van hun werken. Scheppers van andere werken hebben in beginsel recht op een vergoeding voor openbare uitlening. Ook in Duitsland is het uitsluitende OUR uitgeput na de eerste distributie met vergunning, terwijl auteurs bij uitlening in speciale gevallen een recht op vergoeding hebben. Tot de betrokken uitleeninstellingen behoren openbare bibliotheken, openbare collecties van audiovisuele en audioregistraties en andere originele werken of kopieën. De Luxemburgse wetgeving had een uitsluitend OUR toegekend aan auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten, dat evenwel uitgeput raakte na de eerste openbare distributie met vergunning. Een in 2001 goedgekeurde wet verleent alleen een recht op vergoeding aan auteurs en uitvoerende kunstenaars. In een decreet zal de omzetting van de richtlijn worden aangevuld. Daarin wordt zowel het bedrag van de vergoeding als een lijst van de instellingen met OUR-vrijstelling opgenomen. In Nederland is het uitsluitende OUR uitgeput na de eerste verspreiding waarvoor vergunning is verleend; volgens de Nederlandse wet hebben auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en filmproducenten recht op een vergoeding. In Zweden is in 1999 een nieuwe OUR-regeling van start gegaan. Er wordt een vergoeding toegekend voor de openbare uitlening van boeken, fonogrammen en gedrukte muziek in openbare en schoolbibliotheken. De helft van het bedrag voor de uitlening van fonogrammen wordt betaald aan de auteurs en de rest aan de uitvoerende kunstenaars. In België [19] is gekozen voor een gecombineerde oplossing. Het OUR van de auteurswet, dat voordien al bestond, blijft van toepassing voor auteurs en uitvoerende kunstenaars, alsmede voor producenten van fonogrammen en filmproducenten. Dezen hebben een recht op vergoeding voor de openbare uitlening van kopieën van hun werken. Ingevolge de Belgische wet is openbare uitlening van audiovisuele werken en geluidsopnamen tegen vergoeding pas zes maanden na de eerste publicatie van de werken mogelijk. Bepaalde categorieën instellingen zijn van het betalen van vergoedingen voor hun uitleenactiviteiten vrijgesteld. Nadere bijzonderheden over de vergoeding en de uitzonderingen hierop zijn neergelegd in een koninklijk besluit, dat evenwel nog niet in werking is getreden. [19] "Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten" van 30 juni 1994, nr. SC 9586, Staatsblad van 27 juli 1994, blz. 19297; voor computerprogramma's is de richtlijn omgezet in de Wet tot omzetting van de richtlijn betreffende computerprogramma's (Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, nr. 19315) 4.2. Werking van het OUR Betaling Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, lijkt het OUR niet juist toegepast te worden. In bepaalde lidstaten blijkt in het geheel geen vergoeding aan de rechthebbenden te worden betaald. Naar verluidt is dit het geval in België, Frankrijk, Griekenland en Luxemburg, maar wellicht ook elders. In andere landen lijken er redenen te zijn aan te nemen dat er sprake kan zijn van directe of indirecte discriminatie: de vergoeding wordt alleen toegekend aan nationale auteurs of aan auteurs die op een bepaald grondgebied wonen (Zweden) of voor boeken die in de nationale taal zijn gepubliceerd (Denemarken en Finland). De kring van rechthebbenden in het kader van het OUR loopt van lidstaat tot lidstaat uiteen. Sommige Lid-Staten verlenen een uitsluitend recht ten minste aan auteurs. In landen waar in de praktijk een recht op vergoeding bestaat, is doorgaans de staat, als eigenaar van de bibliotheken, voor de betaling verantwoordelijk (Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk). In Oostenrijk en Duitsland hebben de Bondsregering en de deelstaten de betalingsverplichting van de openbare bibliotheken overgenomen. In Nederland zijn bibliotheken daarentegen verplicht de vergoeding zelf te betalen. In landen die een uitsluitend uitleenrecht kennen, zijn het ook de bibliotheken, als gebruikers van het auteursrecht, die de contractueel vereiste vergoeding moeten betalen. Van OUR vrijgestelde uitleeninstellingen De meeste landen maken gebruik van de mogelijkheid het OUR niet van toepassing te verklaren op bepaalde uitleeninstellingen. In Ierland, Italië en Nederland zijn bepaalde bibliotheken vrijgesteld. In Ierland wordt geen inbreuk op een uitsluitend OUR gemaakt wanneer onderwijsinstellingen en openbare instellingen zonder vergoeding werken uitlenen. In Italië zijn staatsbibliotheken en -discotheken vrijgesteld. En in Nederland zijn bibliotheken van betaling van vergoedingen vrijgesteld voor het uitlenen aan visueel gehandicapten, terwijl ook onderwijs- en onderzoekinstellingen een vrijstelling genieten. Ook het Verenigd Koninkrijk geeft bepaalde openbare bibliotheken en onderwijsinstellingen vrijstelling. In Spanje en Portugal geldt een ruime vrijstelling voor musea, archieven, bibliotheken, mediatheken, discotheken en videotheken die toebehoren aan openbare instellingen op cultureel, wetenschappelijk of onderwijsgebied zonder commerciële doeleinden, alsmede voor onderwijsinstellingen die deel uitmaken van het Spaanse onderwijssysteem. In de praktijk bestrijkt deze lijst de meeste openbare uitleeninstellingen. Finland kent een vrijstelling voor alle openbare bibliotheken en alle bibliotheken voor onderzoek- of onderwijsdoeleinden. België en Luxemburg moeten nog besluiten in werking doen treden, waarbij naar verwachting verschillende categorieën instellingen een vrijstelling zullen krijgen. Uitgeleende werken De lidstaten hebben in uiteenlopende mate gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het kader van artikel 5 van de richtlijn vrijstelling van het uitleenrecht te verlenen. Een aantal landen maakt bij de toepassing van het OUR geen onderscheid naar uitgeleende werken, zoals boeken, videogrammen of fonogrammen (Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk), terwijl sommige landen een uitsluitend uitleenrecht hebben verleend voor specifieke werken (bibliotheken al dan niet vrijstelling van betaling verlenend). In enkele landen geldt voor de uitlening van cinematografische werken een uitsluitend uitleenrecht (vooral in Denemarken, Finland en Zweden). In Italië wordt een uitsluitend uitleenrecht verleend voor de uitlening van fono- en videogrammen, maar alleen voor een periode van 18 maanden vanaf de eerste verspreiding. In Zweden en Denemarken wordt een uitsluitend uitleenrecht verleend voor de uitlening van cd-roms en films, terwijl er voor boeken en in Zweden voor banden alleen een recht op vergoeding bestaat. 5. CONCLUSIE 5.1. OUR en aspecten van de interne markt Aangezien het openbare uitleenrecht een van de meest besproken onderwerpen tijdens de onderhandelingen over Richtlijn 92/100/EEG was, is de mate van harmonisatie waarover indertijd overeenstemming werd bereikt, al een belangrijke stap voorwaarts, maar nog niet noodzakelijkerwijs de ultieme oplossing. De wijze waarop de meeste lidstaten de richtlijn hebben omgezet, is een verbetering ten opzichte van de bescherming in verband met openbare uitleenactiviteiten vóór de richtlijn. Er werd evenwel slechts een gedeeltelijke harmonisatie bereikt en de wettelijke regelingen van de lidstaten lopen nog sterk uiteen. Niet alle lidstaten hebben hun wetgeving veranderd en sommige hebben alleen kleine wijzigingen aangebracht omdat hun bestaande regels al in overeenstemming met de verplichtingen uit hoofde van de richtlijn zouden zijn. Men kan dan ook zeker niet zonder meer stellen dat alle lidstaten hebben voldaan aan hun minimale verplichtingen uit hoofde van artikel 5, met name om ervoor te zorgen dat ten minste auteurs een vergoeding krijgen voor het uitlenen van hun werken door bepaalde openbare instellingen. Wat de vrij geringe mate van harmonisatie van het OUR door de richtlijn betreft, heeft de Commissie tenminste voorlopig nog geen duidelijke aanwijzingen dat dit een duidelijk negatieve invloed heeft gehad op de economische belangen van de rechthebbenden of de goede werking van de interne markt. De Commissie ontvangt de laatste tijd echter informatie over mogelijke problemen bij de implementatie op nationaal niveau en over bepaalde belemmeringen voor de werking van de interne markt die kunnen voortvloeien uit de vrij geringe mate van harmonisatie. Zij bestudeert deze problemen zorgvuldig, waarbij ook rekening wordt gehouden met recente wijzigingen in de respectieve nationale wetten, tenminste in bepaalde lidstaten. Het vrij geringe aantal problemen tot nu toe mag geen reden tot zelfgenoegzaamheid zijn. Als waker over de verdragen is de Commissie verplicht ervoor te zorgen dat 7 jaar na de termijn voor de omzetting van de richtlijn het OUR in alle lidstaten volledig effectief moet zijn. 5.2. Vooruitzichten Zowel de mediamarkt als de rol van de bibliotheken wordt gekenmerkt door ingrijpende wijzigingen. Openbare bibliotheken verbeteren voortdurend hun diensten en betreden nieuwe gebieden nu zij dankzij nieuwe digitale mogelijkheden alle mediaproducten kunnen uitlenen. Rechthebbenden, uitgevers, de culturele wereld en de beleidsmakers volgen deze ontwikkelingen op de voet. Het gebruik van nieuwe technologieën in openbare bibliotheken bevindt zich nog in een experimentele fase. Alle ontwikkelingen bij de exploitatie van nieuwe technologieën en bibliotheken moeten worden gevolgd, met name wat hun mogelijke gevolgen voor de werking van de interne markt en voor de verhuur- en uitleenactiviteiten betreft. Het is nu nog moeilijk te zien hoe en in welke mate de traditionele openbare uitlening door bibliotheken zal worden vervangen door nieuwe vormen van on-lineverspreiding, die nu nog niet onder de richtlijn vallen. In dit verband zal de Commissie zich vergewissen van een goede werking van de OUR-regels in de richtlijn. Ook zal zij de werking van openbare uitlening en de nieuwe technologische ontwikkelingen in de uitleeninstellingen blijven volgen, met name om te beoordelen of nieuwe acties op dit gebied nodig mochten zijn.