Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52002AG0061

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 61/2002 door de Raad vastgesteld op 5 november 2002 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten

PB C 299E van 3.12.2002, pp. 1–15 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52002AG0061

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 61/2002 door de Raad vastgesteld op 5 november 2002 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten

Publicatieblad Nr. C 299 E van 03/12/2002 blz. 0001 - 0015


Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 61/2002

door de Raad vastgesteld op 5 november 2002

met het oog op de aanneming van Richtlijn 2002/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake toegang tot de markt voor havendiensten

(2002/C 299 E/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 80, lid 2,

Gezien de voorstellen van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Artikel 49 van het Verdrag heeft ten doel de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap weg te nemen. Overeenkomstig artikel 51 van het Verdrag moet dat doel worden verwezenlijkt in het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid, met eerbiediging van onder meer de regels inzake milieubescherming uit het Verdrag.

(2) Via Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen(5) en Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer)(6) is deze doelstelling gerealiseerd voor zeevervoerdiensten als zodanig.

(3) Havendiensten zijn van essentieel belang voor een goed functionerend zeevervoer, aangezien zij een onmisbare bijdrage leveren aan het efficiënte gebruik van de zeevervoerinfrastructuur.

(4) In haar Groenboek Havens en maritieme infrastructuur van december 1997 heeft de Commissie het voornemen kenbaar gemaakt een voorstel voor een regelgevingskader in te dienen met het oog op het verschaffen van toegang tot de markt voor havendiensten in havens in de Gemeenschap die internationaal verkeer verwerken.

(5) Als een van de maatregelen ter bevordering van de algemene concurrentie in en tussen havens van de Gemeenschap moeten, door de toegang tot de markt voor havendiensten op communautair niveau te vergemakkelijken, de bestaande beperkende factoren worden weggenomen die de toegang van verleners van havendiensten en zelfafhandelaars belemmeren, moet de kwaliteit van de aan de havengebruikers verleende diensten worden verbeterd, moeten efficiëntie en flexibiliteit worden verhoogd, moet een bijdrage worden geleverd aan het verlagen van de kosten en moeten zodoende de korte vaart en het gecombineerd vervoer worden bevorderd.

(6) Wanneer krachtens deze richtlijn een vergunning wordt verleend in de vorm van een contract dat onder de toepassing valt van de Richtlijnen 92/50/EEG(7), 93/36/EEG(8), 93/37/EEG(9) en 93/38/EEG(10), gelden die richtlijnen. Wanneer krachtens deze richtlijn een vergunning wordt verleend in de vorm van een overheidsopdracht die onder de toepassing valt van Verordening nr. 3577/92/EEG, geldt die verordening. Tot slot zijn in voorkomend geval ook de Richtlijnen 89/48/EEG(11), 92/51/EEG(12) en 99/42/EG(13) inzake wederzijdse erkenning door de lidstaten van beroepsopleidingen van toepassing.

(7) Contracten voor havendiensten die zijn gegund volgens een aanbestedingsprocedure op grond van een ander onderdeel van het Gemeenschapsrecht, mogen niet worden onderworpen aan een selectieprocedure volgens de bepalingen van deze richtlijn.

(8) Nationale wetgeving en praktijk hebben geleid tot discrepanties in de toegepaste procedures en hebben rechtsonzekerheid doen ontstaan ten aanzien van de rechten van de verleners van havendiensten en de plichten van de bevoegde instanties. Het is dan ook in het belang van de Gemeenschap een communautair regelgevingskader vast te stellen dat basisregels bevat met betrekking tot de toegang tot de markt voor havendiensten, de rechten en verplichtingen van de huidige en toekomstige dienstverleners, de zelfafhandelaars, de havenbeheerders, alsook de procedures voor vergunningverlening en selectie.

(9) Overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel kan het doel van de voorgestelde maatregel, namelijk toegang tot de markt voor havendiensten voor elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt wanneer er gemeenschappelijke beginselen voor alle lidstaten worden gehanteerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van genoemd artikel 5 gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.

(10) De communautaire wetgeving inzake toegang tot havendiensten mag de toepassing van andere communautaire regels, zoals concurrentieregels, met inbegrip van die welke betrekking hebben op diensten van algemeen economisch belang, met name op monopoliesituaties, niet uitsluiten.

(11) Om het doel van deze richtlijn te bereiken zonder kleinere havens extra te belasten, hetgeen niet in verhouding zou staan tot de te verwachten resultaten, dient deze richtlijn te gelden voor havens met een totaal jaarlijks zeevaartverkeersvolume dat overeenkomt met dat van "internationale zeehavens" (categorie A), als omschreven in Beschikking nr. 1692/96/EG(14), evenwel onverminderd de mogelijkheid dat de lidstaten besluiten de richtlijn ook op andere havens toe te passen. Bij de vaststelling van het jaarlijks verkeersvolume moeten lidstaten de mogelijkheid hebben geen rekening te houden met het verkeer in havens of delen van een haven die niet open staan voor algemeen handelsverkeer.

(12) De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om havens die een in hoge mate seizoengebonden karakter hebben, van het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te sluiten, mits zij ervan overtuigd zijn dat er een voldoende mate van toegang tot de markt voor havendiensten bestaat.

(13) Voor een havensysteem in eenzelfde geografisch gebied dat door een lidstaat is aangewezen, gelden dezelfde voorschriften als voor een individuele haven en voor de toepassing van deze richtlijn moeten de lidstaten het als één enkele haven kunnen behandelen.

(14) Aan de lidstaten zou de keuze moeten worden gelaten van het beheersmodel van twee of meer havens in eenzelfde geografisch gebied, dat in een havensysteem zou kunnen worden geïntegreerd.

(15) De lidstaten dienen de bevoegde instantie of bevoegde instanties aan te wijzen om deze richtlijn uit te voeren. Dit kunnen publieke of particuliere instanties zijn, die verantwoordelijk zijn voor één of meer in deze richtlijn genoemde taken en voor één of meer havens.

(16) In het belang van een efficiënt en veilig havenbeheer moeten de lidstaten kunnen eisen dat verleners van havendiensten en zelfafhandelaars over een vergunning beschikken. De criteria voor de verlening van die vergunning moeten objectief, transparant, niet-discriminerend, relevant en proportioneel zijn en moeten openbaar worden gemaakt.

(17) Om te zorgen voor passende toegang tot de nodige opleiding voor aspirantdienstverleners wanneer de vereiste technische beroepskwalificaties specifieke plaatselijke kennis of ervaring met plaatselijke omstandigheden omvatten, kunnen de lidstaten dienstverleners met die kennis of ervaring verplichten om zo nodig tegen betaling, de bedoelde nodige opleiding aan te bieden.

(18) Verleners van havendiensten en zelfafhandelaars dienen het recht te hebben zelf hun personeel te kiezen. Zij dienen de toepasselijke regels inzake arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en andere sociale aangelegenheden, met inbegrip van opleiding en vakbekwaamheid, na te leven.

(19) Aangezien havens een beperkt geografisch gebied beslaan, kan toegang tot de markt in bepaalde gevallen belemmerd worden door ruimte- of capaciteitsproblemen, door met de veiligheid van het verkeer samenhangende beperkingen of door milieuvoorschriften. In dergelijke gevallen kan het derhalve mede met het oog op het garanderen van de algehele efficiëntie in de havens, noodzakelijk zijn het aantal vergunninghoudende verleners van havendiensten te beperken terwijl de openbare-dienstverplichtingen van een dienstverlener of van de beherende haveninstantie en de milieuregels worden geëerbiedigd. De criteria voor een dergelijke beperking moeten objectief, transparant, niet-discriminerend, relevant en proportioneel zijn.

(20) In gevallen waarin de bevoegde instantie, overeenkomstig het gepubliceerde ontwikkelingsbeleid van de haven, het geheel van de in de haven of in delen daarvan uit te voeren handelsactiviteiten bepaalt, mag dit niet als beperking van het aantal dienstverleners worden beschouwd.

(21) Indien het aantal dienstverleners beperkt wordt, moet toch het in de gegeven omstandigheden hoogst mogelijke aantal worden gehandhaafd. De dienstverleners moeten door de bevoegde instantie worden geselecteerd door middel van een transparante, objectieve, open en eerlijke selectieprocedure met niet-discriminerende regels.

(22) Om redenen van openheid en transparantie moet de selectieprocedure aan de betrokken sectoren bekend worden gemaakt en moeten belangstellende partijen de volledige documentatie ontvangen. Ook het besluit dat na de selectieprocedure is genomen, wordt openbaar gemaakt.

(23) Het is van essentieel belang dat krachtens deze richtlijn genomen besluiten gebaseerd zijn op het beginsel van transparantie en niet-discriminatie, en dat daarover geen twijfel bestaat. Wanneer de bevoegde instantie die over de beperking van een of meer havendiensten in een bepaalde haven beslist zelf een dienstverlener is dan wel zelf een soortgelijke dienst aanbiedt, dient een andere en onafhankelijke bevoegde instantie te worden belast met elke beslissing over een beperking dan wel met de goedkeuring van of toezicht op een dergelijke beslissing. Wanneer de bevoegde instantie die in een haven een selectieprocedure uitvoert zelf een verlener van dezelfde of een soortgelijke dienst in die haven is, dient een andere en onafhankelijke bevoegde instantie met de procedure en de goedkeuring daarvan of het toezicht daarop te worden belast.

(24) De havenbeheerder mag niet discrimineren tussen dienstverleners. Met name discriminatie ten gunste van een onderneming of instantie waarin hij een belang heeft, moet vermeden worden.

(25) Wanneer na afloop van een selectieprocedure geen geschikte dienstverlener is gevonden, moet de havenbeheerder de mogelijkheid worden geboden de verlening van deze dienst gedurende een beperkte periode voor zichzelf te reserveren, mits hij aan de voor het verlenen van een vergunning vastgelegde voorwaarden en aan de transparantiecriteria van deze richtlijn voldoet.

(26) Een exploitant van een deel van een haven dat niet voor het algemene commerciële vervoer geopend is, moet van de lidstaten de toestemming kunnen verkrijgen om technisch-nautische diensten te leveren aan schepen aldaar, volgens andere bepalingen dan die van deze richtlijn, mits de veiligheid van de zeevaart en van de haven gewaarborgd is.

(27) Via een selectieprocedure verleende vergunningen moeten een beperkte looptijd hebben, maar wel worden verleend voor periodes die een normale afschrijving en een normaal rendement op de gedane investeringen mogelijk maken. Het is redelijk om bij het bepalen van de looptijd van een vergunning rekening te houden met de vraag of de dienstverlener al dan niet in activa heeft moeten investeren, en zo ja, of het roerende of onroerende activa betreft.

(28) Investeringen in roerende goederen die door de bevoegde instantie als duur worden aangemerkt, zoals kadekranen, brugkranen en gespecialiseerde sleepboten, moeten worden gelijkgesteld aan investeringen in onroerende goederen.

(29) De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om, indien er aanzienlijke investeringen zijn of zullen worden gedaan, bestaande vergunningen te verlengen en/of vervroegde selectieprocedures te starten, teneinde in stabiele omstandigheden investeringen op lange termijn aan te moedigen en aldus aan de ontwikkeling van de havens bij te dragen.

(30) Waar mogelijk wordt afhandeling in eigen beheer toegestaan overeenkomstig de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden en de voor afhandeling in eigen beheer geldende criteria moeten dezelfde zijn als die welke op verleners van havendiensten van toepassing zijn voor dezelfde of een vergelijkbare dienst.

(31) Zelfafhandeling mag geen belemmering vormen voor de algehele efficiëntie van de havenoperaties en mag vergeleken bij de situatie van het bestaande personeel, de gezondheid op de arbeidsplaats, de sociale en veiligheidsnormen of opleidingsniveaus niet verlagen, vooral niet tijdens overgangsperiodes voor lopende vergunningen, voorzover van toepassing.

(32) De lidstaten kunnen bepalen dat voor afhandeling in eigen beheer vooraf een vergunning moet worden verleend op basis van criteria met betrekking tot onder andere de werkgelegenheid en sociale aangelegenheden.

(33) Op loodsdiensten moeten, gezien de specifieke opleidings- en vakbekwaamheidseisen die daarvoor gelden en de noodzaak hoge veiligheidsnormen te behouden, specifieke voorschriften van toepassing zijn.

(34) In dit verband mogen de bevoegde instanties het dwingende karakter van loodsdiensten en andere technisch-nautische diensten erkennen.

(35) Het verhuren van uitrusting vormt geen havendienst; niettemin moeten daarbij de beginselen van transparantie en non-discriminatie worden geëerbiedigd.

(36) Aan de beheerders van onder deze richtlijn vallende havens die ook optreden als dienstverleners moet een verplichting worden opgelegd gescheiden boekhoudingen te voeren voor hun als havenbeheerder uitgevoerde activiteiten enerzijds en hun op basis van vrije concurrentie verrichte werkzaamheden anderzijds.

(37) Het voorschrift een gescheiden boekhouding te voeren voor elke havendienst dient te gelden voor alle ondernemingen die voor het verlenen van dergelijke diensten geselecteerd zijn.

(38) Er dient in beroepsprocedures tegen besluiten van de bevoegde instanties te worden voorzien.

(39) Deze richtlijn laat de rechten en plichten die de lidstaten en de door hen aangestelde bevoegde instanties hebben ten aanzien van ordehandhaving, veiligheid en beveiliging in havens en milieubescherming, alsook van de internationale status van havens, waterwegen en maritieme zones, volledig onverlet.

(40) Aan de toepassing van de nationale sociale wetgeving mag in geen geval door de bepalingen van deze richtlijn afbreuk worden gedaan.

(41) De huidige situatie in de havens in de Gemeenschap, die wordt gekenmerkt door een veelheid van vergunnings- en selectiemethodes en -periodes, en de behoefte aan rechtszekerheid vereisen dat duidelijke overgangsmaatregelen worden genomen. Deze maatregelen dienen onderscheid te maken tussen havens waar het aantal dienstverleners beperkt is en havens waar dit niet het geval is. Na het verstrijken van de periode waarin de overgangsmaatregelen gelden, moeten alle vergunningen worden afgegeven overeenkomstig deze richtlijn.

(42) Wanneer het aantal verleners van havendiensten niet beperkt is, is er geen reden om de bestaande vergunningen te wijzigen.

(43) Lopende vergunningen en contracten moeten aan nieuwe vergunningen worden gelijkgesteld, en dientengevolge moeten daarvoor, in geval van beperkingen, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn dezelfde maximale looptijden gelden.

(44) Wanneer het aantal dienstverleners beperkt is dan wel beperkt zal worden, dient de looptijd van bestaande vergunningen in overeenstemming te zijn met die welke voor nieuwe vergunningen geldt.

(45) Het is van belang dat deze richtlijn de ontwikkeling van nieuwe havens en havenfaciliteiten aanmoedigt. Uitgangspunt voor dergelijke investeringen van een commerciële entiteit, die in overeenstemming zijn met de nationale regels inzake eigendomsverwerving, moet zijn dat de gelegenheid hiertoe algemeen open heeft gestaan.

(46) De lidstaten worden door deze richtlijn niet verplicht vorderingen zoals ontneming van eigendom of beperking van eigendomsrechten in te stellen die niet stroken met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, tenzij bedoelde ontneming of beperking gerechtvaardigd is volgens die algemene beginselen, en een vergunninghoudende of geselecteerde dienstverlener overeenkomstig de genoemde algemene beginselen kan worden verplicht tot betaling van vergoeding voor bedoelde ontneming of beperking.

(47) Deze richtlijn laat de toepassing van de regels van het Verdrag onverlet; de Commissie heeft de mogelijkheid om met name op de naleving van deze regels te blijven toezien door waar nodig alle haar bij artikel 86 van het Verdrag verleende bevoegdheden uit te oefenen.

(48) Op basis van verslagen van de lidstaten over de toepassing van deze richtlijn moet de Commissie een evaluatie opstellen die in voorkomend geval samen met een voorstel voor een herziening van de richtlijn moet worden ingediend,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstelling

1. Vrije verlening van havendiensten in zeehavens geldt voor verleners van havendiensten in de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn.

2. De bepalingen van deze richtlijn houden in dat de vrijheid om havendiensten te verlenen geldt onder voorbehoud van de beperkingen die voor een haven of havensysteem gelden in verband met ruimte en capaciteit, de veiligheid van de zeevaart of het ontwikkelingsbeleid van een haven, eventueel met inachtneming van de eisen inzake veiligheid, milieubescherming en openbare-dienstverplichtingen. Diensten die verband houden met de waterwegen van en naar de haven of het havensysteem kunnen eveneens onderworpen zijn aan specifieke beperkingen in verband met de veiligheid van de zeevaart.

3. Verleners van havendiensten en zelfafhandelaars hebben niet-discriminerende toegang tot haveninfrastructuur die algemeen toegankelijk is, voorzover dit nodig is voor de uitoefening van hun activiteiten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op de in de bijlage vermelde havendiensthandelingen die worden verricht ten behoeve van gebruikers van de haven, hetzij binnen het havengebied, hetzij op de waterwegen naar en van de haven of het havensysteem waarop deze richtlijn van toepassing is.

2. Deze richtlijn geldt voor de op het grondgebied van een lidstaat gevestigde zeehavens of havensystemen die geopend zijn voor het algemene commerciële zeevervoer, mits het totale jaarlijkse zeevaartverkeersvolume van de betrokken haven in de afgelopen drie jaar ten minste 1,5 miljoen ton goederen of 200000 passagiers bedraagt.

In dit verband kunnen de lidstaten, indien van toepassing, besluiten dat verkeer in delen van een haven die niet voor het algemene commerciële zeevervoer geopend zijn, niet in aanmerking wordt genomen.

3. Wanneer een haven de in lid 2 vermelde vrachtverkeersdrempel bereikt, maar beneden de corresponderende drempel voor passagiersbewegingen blijft, is deze richtlijn niet van toepassing op havendiensten die uitsluitend voor passagiers gereserveerd zijn. Wanneer de drempel voor passagiersbewegingen wel, maar de vrachtverkeersdrempel niet wordt bereikt, is deze richtlijn niet van toepassing op havendiensten die uitsluitend voor vracht bestemd zijn.

4. De lidstaten mogen deze richtlijn ook op andere havens toepassen.

5. De lidstaten mogen havens die een in hoge mate seizoengebonden karakter hebben, uitsluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn, mits zij ervan overtuigd zijn dat een voldoende mate van toegang tot de markt voor havendiensten wordt gewaarborgd.

Een lijst van deze havens wordt regelmatig, en in elk geval voor het eerst binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, en daarna om de vijf jaar, getoetst, en wijzigingen worden ter informatie aan de Commissie meegedeeld.

6. De Commissie publiceert ter informatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een lijst van de in dit artikel bedoelde havens en havensystemen, die gebaseerd is op de door de lidstaten verstrekte gegevens. Deze lijst wordt voor het eerst drie maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens jaarlijks gepubliceerd.

7. De lidstaten kunnen eisen dat de verleners van havendiensten in de Gemeenschap gevestigd zijn en dat vaartuigen die voornamelijk voor de verlening van havendiensten worden gebruikt geregistreerd zijn in een lidstaat en de vlag van die lidstaat voeren.

8. De lidstaten kunnen diensten van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten indien deze onder artikel 296 van het Verdrag vallen, als geheim zijn bestempeld, of indien de uitvoering, overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat, bijzondere veiligheidsmaatregelen vereist, of indien de bescherming van de fundamentele veiligheidsbelangen van de lidstaat dit noodzakelijk maakt.

Artikel 3

Overige wetgeving

1. Deze richtlijn laat de verplichtingen van de bevoegde instanties uit hoofde van Richtlijn 92/50/EEG, Richtlijn 93/36/EEG, Richtlijn 93/37/EEG en Richtlijn 93/38/EEG onverlet.

Deze richtlijn laat tevens de op grond van Verordening (EEG) nr. 3577/92 gesloten openbare-dienstcontracten onverlet.

2. Wanneer op grond van een van de in lid 1 genoemde richtlijnen een dienstverleningscontract verplicht moet worden aanbesteed, zijn artikel 9, artikel 16, leden 1 en 2, en artikel 17 van deze richtlijn niet van toepassing op de gunning van dat contract. De lidstaten mogen bij de aanbesteding van dit soort contracten evenwel specifieke bepalingen met betrekking tot hun havens opnemen.

3. Deze richtlijn laat de verplichtingen van de bevoegde instanties die voortvloeien uit de Richtlijnen 89/48/EEG, 92/51/EEG en 1999/42/EG inzake wederzijdse erkenning van beroepsopleidingen door de lidstaten onverlet.

Artikel 4

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "zeehaven" of "haven": een uit land en water bestaand gebied met werken en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen en het in- en ontschepen van passagiers;

2. "waterwegen naar een haven": toegang via het water van de open zee tot de haven, zoals vaargeulen, rivieren, kanalen en fjorden;

3. "havensysteem": twee of meer havens in hetzelfde geografische gebied die onder eenzelfde havenbeheerder vallen;

4. "haven met een in hoge mate seizoengebonden karakter": een haven waar 50 % van het gemiddelde totale jaarlijkse zeevaartverkeersvolume over de afgelopen drie jaar in een periode van drie opeenvolgende maanden is verwezenlijkt;

5. "havenbeheerder" of "havenautoriteit" (hierna "havenbeheerder" te noemen): een instantie waarvan de doelstelling overeenkomstig de nationale wet- of regelgeving, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, bestaat in de administratie en het beheer van de haveninfrastructuur en de coördinatie alsmede, indien van toepassing, controle van de activiteiten van in de betrokken haven of het betrokken havensysteem opererende exploitanten. Zij kan bestaan uit verschillende afzonderlijke lichamen of verantwoordelijk zijn voor meer dan één haven;

6. "havendienst": in een haven verleende dienst die in de bijlage wordt genoemd;

7. "verlener van havendiensten": natuurlijke persoon of rechtspersoon die tegen betaling een of meer categorieën havendiensten verleent of wil verlenen;

8. "openbare-dienstverplichting": een door een bevoegde instantie opgelegde verplichting die een toereikende verlening van bepaalde categorieën havendiensten moet waarborgen;

9. "zelfafhandeling": de situatie waarin een onderneming die normaliter havendiensten zou kunnen kopen, voor zichzelf, met eigen vast personeel te land en/of eigen scheepsbemanning en eigen uitrusting, één of meer categorieën havendiensten verzorgt;

10. "verklaring van vrijstelling van loodsdiensten": een door de bevoegde instantie afgegeven bewijs dat een ontheffing dan wel wijziging van de verplichting tot gebruikmaking van loodsdiensten toegestaan is;

11. "vergunning": toestemming, met inbegrip van een contract, op grond waarvan een natuurlijke persoon of rechtspersoon één of meer categorieën havendiensten mag verlenen of voor zelfafhandeling mag zorgen;

12. "beperking van het aantal dienstverleners": een situatie waarin de havenbeheerder een dienstverlener die aan de overeenkomstig artikel 6 vastgestelde criteria voor vergunningverlening voldoet, niet toestaat één of meer categorieën diensten te verlenen.

Artikel 5

Bevoegde instanties

De lidstaten zorgen ervoor dat er een bevoegde instantie is (bevoegde instanties zijn) die verantwoordelijk is (zijn) voor de uitvoering van de artikelen 6, 7, 8, 9, 10, 13, 14, 16 en 25 van deze richtlijn.

Artikel 6

Vergunningverlening

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie kan eisen dat een verlener van havendiensthandelingen vooraf een vergunning verkrijgt, eventueel voor een beperkte duur, onder de in de leden 2, 3, 4 en 5 van dit artikel vermelde voorwaarden. Aan overeenkomstig artikel 8 geselecteerde dienstverleners wordt geacht een vergunning te zijn verleend.

2. De criteria voor de toekenning van een vergunning door de bevoegde instantie moeten transparant, niet-discriminerend, objectief, relevant en proportioneel zijn. De criteria mogen, indien van toepassing, alleen betrekking hebben op:

a) de beroepskwalificaties van de dienstverlener en diens personeel, zijn financiële positie en verzekeringsdekking;

b) maritieme veiligheid of de veiligheid van de haven of van de toegang tot die haven, de installaties, uitrusting en personen;

c) werkgelegenheid en sociale aangelegenheden;

d) eisen op milieugebied;

e) het ontwikkelingsbeleid van de haven.

De vergunning kan openbare-dienstverplichtingen met betrekking tot veiligheid, regelmatigheid, continuïteit, kwaliteit en prijs omvatten, alsook de voorwaarden waaronder de dienst mag worden verleend.

3. De lidstaten kunnen regels vaststellen met betrekking tot de toegang tot het beroep en de via examens te verwerven certificaten van bekwaamheid.

Wanneer de vereiste technische beroepskwalificaties specifieke plaatselijke kennis of ervaring met plaatselijke omstandigheden omvatten, moeten de lidstaten bovendien zorgen voor een passende toegang tot de nodige opleiding voor aspirant-dienstverleners, onder transparante en niet-discriminerende voorwaarden en, indien van toepassing, tegen betaling.

4. De in lid 2 bedoelde criteria worden openbaar gemaakt en de verleners van havendiensten worden van tevoren ingelicht over de procedure voor het verkrijgen van de vergunning. Dit voorschrift geldt tevens indien in een vergunning de dienstverlening wordt gekoppeld aan investeringen in onroerende activa.

5. De verlener van havendiensten heeft het recht zelf personeel te kiezen voor de uitvoering van de dienst waarop de vergunning betrekking heeft, mits hij voldoet aan de overeenkomstig lid 2 vastgestelde criteria en handelt in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat waar hij de betrokken diensten aanbiedt, op voorwaarde dat die wetgeving met het Gemeenschapsrecht strookt.

6. De bevoegde instantie kan een vergunning wijzigen of intrekken indien niet voldaan is aan de criteria van lid 2.

Artikel 7

Ontwikkelingsbeleid van de haven

De bevoegde instantie kan in voorkomend geval overeenkomstig het gepubliceerde Ontwikkelingsbeleid van de haven het geheel van de in de haven of in delen daarvan uit te voeren handelsactiviteiten bepalen, met name de categorieën van de te behandelen lading, alsook de toewijzing van havenruimte of -capaciteit voor dergelijke activiteiten, zonder dat dit als beperking van het aantal dienstverleners kan worden beschouwd.

Artikel 8

Beperkingen

1. Dit artikel, alsook de artikelen 9 en 12, is alleen van toepassing op één of meer havendiensten indien er een beperking geldt op het aantal verleners van havendiensten in de haven of het havensysteem.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie het aantal verleners van havendiensten alleen beperkt om redenen die verband houden met ruimte- of capaciteitsbeperkingen, veiligheidsoverwegingen of eisen op grond van de geldende milieuvoorschriften. In geval van een beperking van het aantal verleners moet de bevoegde instantie:

a) de belanghebbende partijen er onder opgave van redenen van op de hoogte stellen voor welke categorie of categorieën havendiensten en, indien van toepassing, voor welk specifiek gedeelte van de haven de beperkingen gelden;

b) het in de gegeven omstandigheden aangewezen maximumaantal dienstverleners toelaten.

Artikel 9

Selectieprocedure

1. Wanneer het aantal verleners van havendiensten overeenkomstig artikel 8 door de bevoegde instantie beperkt is, neemt deze de nodige maatregelen om te zorgen voor een transparante en objectieve selectieprocedure aan de hand van proportionele, niet-discriminerende en relevante criteria.

2. De bevoegde instantie maakt ter algemene kennisgeving aan de betrokken sectoren in de Gemeenschap een uitnodiging aan de belanghebbende partijen om aan het selectieproces deel te nemen bekend.

Deze bekendmaking vindt voor vergunningen met betrekking tot artikel 12, lid 2, punt b), en voor alle andere vergunningen, plaats in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op een geschikte wijze, zodanig dat de benodigde informatie tijdig ter beschikking staat van eenieder die in het selectieproces geïnteresseerd is.

3. De bevoegde instantie zorgt ervoor dat de belanghebbende partijen die daarom verzoeken, volledige documentatie wordt verstrekt. De aan mogelijke dienstverleners verstrekte documentatie bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de vergunningscriteria overeenkomstig artikel 6, lid 2, alsmede selectiecriteria die de minimumeisen van de instantie weergeven;

b) gunningscriteria die de basis vormen waarop de instantie een keuze zal maken uit de aan de selectiecriteria beantwoordende inschrijvingen;

c) regelgeving en organisatorische voorwaarden voor de dienstverleningsverplichtingen, waaronder de eisen die in de vergunning worden opgenomen en de materiële en immateriële activa die ter beschikking van de geselecteerde dienstverlener worden gesteld, onder vermelding van de daarbij geldende voorwaarden en regels;

d) boetes en de voorwaarden voor annulering, indien niet aan de criteria wordt voldaan; en

e) de periode waarop de vergunning betrekking heeft.

4. De procedure dient te voorzien in een tussenpoos van ten minste 52 dagen tussen de verschijning van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen en de uiterste indieningstermijn.

5. De bevoegde instantie maakt voor iedere procedure het besluit bekend dat het resultaat is van de selectieprocedure.

Artikel 10

Selectieprocedure

Indien de bevoegde instantie die beslist over beperkingen met betrekking tot één of meer havendiensten in een bepaalde haven of de selectieprocedure voor die dienst in de betreffende haven uitvoert, zelf in die haven dezelfde of een soortgelijke dienst of diensten verleent, dan wel directe of indirecte controle op een verlener van dezelfde of een soortgelijke dienst of diensten uitoefent, wijzen de lidstaten een andere, onafhankelijke bevoegde instantie aan en belasten haar met de beslissing inzake beperkingen dan wel de goedkeuring of supervisie van die beslissing, of met de selectieprocedure dan wel de goedkeuring of supervisie van die procedure.

Artikel 11

Specifieke havendiensten

1. Wanneer na afloop van een selectieprocedure als bedoeld in artikel 9 voor een specifieke havendienst geen geschikte dienstverlener is gevonden, kan de havenbeheerder met inachtneming van de voorwaarden van artikel 16, lid 1, de verlening van deze dienst gedurende een periode van minder dan 5 jaar reserveren voor zichzelf.

2. De lidstaten mogen toestaan dat de exploitant van een deel van de haven dat niet voor het algemene commerciële vervoer geopend is, technisch-nautische diensten verleent aan schepen aldaar, volgens andere bepalingen dan de artikelen 8 en 9, mits de veiligheid van de zeevaart en van de haven gewaarborgd is.

Artikel 12

Looptijd van de vergunning

Verleners van havendiensten worden geselecteerd voor een beperkte periode die wordt vastgesteld aan de hand van de volgende criteria:

1. wanneer er met het verlenen van de betrokken diensten geen investeringen zijn gemoeid die door de bevoegde instantie als aanzienlijk worden beschouwd, bedraagt de maximale looptijd van de vergunning tien jaar;

2. wanneer er investeringen die door de bevoegde instantie als aanzienlijk worden beschouwd zijn gemoeid met

a) roerende activa, bedraagt de maximale looptijd 15 jaar;

b) onroerende activa en roerende activa die door de bevoegde instantie als duur worden beschouwd, bedraagt de maximale looptijd 36 jaar, ongeacht of de eigendom daarvan na afloop al dan niet aan de havenbeheerder toevalt.

De lidstaten kunnen in de laatste 10 jaar van de looptijd van een vergunning eenmaal een verlenging van de vergunning met een periode van 10 jaar toestaan indien er aanzienlijke, door de bevoegde instantie als duur beschouwde investeringen in roerende en onroerende activa zijn verricht, of daartoe contractueel onherroepelijke verbintenissen zijn aangegaan.

Indien de dienstverlener zowel in roerende als in onroerende activa investeert, is de maximale looptijd de langste van de genoemde maximale looptijden;

3. de lidstaten kunnen een procedure invoeren op grond waarvan de dienstverlener, indien hij vóór het verstrijken van de bestaande vergunning aanzienlijke investeringen wil verrichten of zich daartoe contractueel onherroepelijk wil verbinden, en deze tot een aantoonbare verbetering van de algehele efficiëntie van de betrokken dienst leiden, de bevoegde instantie voor het verstrijken van de betrokken vergunning kan verzoeken een selectieprocedure overeenkomstig artikel 9 voor een nieuwe vergunning in te leiden.

Artikel 13

Zelfafhandeling

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om, waar mogelijk, zelfafhandeling overeenkomstig deze richtlijn toe te staan.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie zelfafhandeling alleen beperkt indien er objectieve redenen bestaan die verband houden met, en relevant zijn voor, de redenen voor beperkingen op grond van artikel 8.

2. Deze richtlijn doet op generlei wijze afbreuk aan de toepassing van nationale voorschriften op het gebied van werkgelegenheid en sociale aangelegenheden, mits deze verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de betrokken lidstaat.

3. Wanneer zelfafhandeling vergunningplichtig is, moeten de vergunningscriteria dezelfde zijn als die welke gelden voor verleners van dezelfde of een vergelijkbare havendienst, mits deze relevant zijn.

4. Indien voor zelfafhandeling een vergoeding moet worden betaald als bijdrage aan openbare-dienstverplichtingen voor technisch-nautische diensten die niet door zelfafhandelaars kunnen worden vervuld, wordt het bedrag van die vergoeding bepaald volgens relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

Artikel 14

Loodsdiensten

1. Wat de specifieke dienst van het loodsen betreft kunnen de lidstaten voor de toekenning van een vergunning overeenkomstig artikel 6 bijzonder strikte criteria op het gebied van de veiligheid van de zeevaart alsmede openbare-dienstverplichtingen toepassen.

Ook kunnen de bevoegde instanties het dwingende karakter van loodsdiensten erkennen en de organisatorische regels voorschrijven die zij om redenen van veiligheid en openbare-dienstverplichtingen passend achten; daartoe behoort, indien de omstandigheden in een haven of een groep havens en/of de daarheen leidende waterwegen zulks vereisen, de mogelijkheid de betrokken dienst aan zichzelf voor te behouden of eventueel rechtstreeks aan één dienstverlener toe te wijzen. Met name kunnen zij verlangen dat die dienst wordt verleend door competente personen die voldoen aan in het nationale recht vastgelegde billijke en niet-discriminerende voorwaarden.

2. De bevoegde instantie kan de zelfafhandeling beperken tot de afgifte van een verklaring van vrijstelling van loodsdiensten, dan wel de vrijstelling van bepaalde categorieën schepen van de verplichting tot gebruikmaking van loodsdiensten. In dat geval zijn de voorwaarden om een verklaring van vrijstelling van loodsdiensten te verkrijgen dan wel om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het gebruikmaken van loodsdiensten, relevant, objectief, transparant en niet-discriminerend.

3. Voor loodsdiensten wordt de maximale looptijd krachtens artikel 12, lid 1, vastgesteld op tien jaar.

Artikel 15

Boekhoudkundige bepalingen

De geselecteerde dienstverleners voeren voor elk van de betrokken havendiensten een afzonderlijke boekhouding. De boekhoudkundige procedures moeten in overeenstemming zijn met de gangbare commerciële praktijk en algemeen aanvaarde boekhoudprincipes.

Artikel 16

Transparantie

1. Wanneer de havenbeheerder havendiensten verleent, moet hij voldoen aan de criteria van artikel 6, lid 2, en voor elk van de door hem verleende havendiensten een afzonderlijke boekhouding voeren. De boekhoudkundige procedures moeten in overeenstemming zijn met de gangbare commerciële praktijk en algemeen aanvaarde boekhoudprincipes, om te verzekeren dat:

a) de interne rekeningen voor de verschillende activiteiten gescheiden zijn;

b) alle kosten en opbrengsten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;

c) de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de gescheiden boekhouding wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.

2. In het accountantsverslag over de jaarrekeningen moeten eventuele financiële stromen tussen de havendienstactiviteiten van de havenbeheerder en diens andere activiteiten worden vermeld. Het accountantsverslag moet door de lidstaten worden bewaard en op verzoek aan de Commissie ter beschikking worden gesteld.

Een afzonderlijk controleverslag kan toereikend worden geacht, mits dat dezelfde informatie bevat.

3. Deze richtlijn laat de rechten en verplichtingen van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 80/723/EEG van de Commissie van 25 juni 1980 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven(15) volledig onverlet.

Artikel 17

Beroepsprocedures

1. De lidstaten waarborgen dat elke partij die een rechtmatig belang heeft, het recht heeft tegen de overeenkomstig deze richtlijn door de bevoegde instanties of de havenbeheerder genomen besluiten of individuele maatregelen in beroep te gaan.

2. Wanneer overeenkomstig deze richtlijn een verzoek om toegang tot de markt voor havendiensten wordt afgewezen, wordt de aanvrager in kennis gesteld van de redenen waarom hij geen vergunning heeft verkregen of niet is geselecteerd. Deze redenen moeten objectief, niet-discriminerend en gegrond zijn en terdege worden gemotiveerd. Voor de aanvrager moeten beroepsprocedures beschikbaar zijn. Het moet mogelijk zijn in beroep te gaan bij een nationale rechterlijke instantie of een overheidsinstantie die naar organisatie, financiering, juridische structuur en besluitvorming onafhankelijk is van de bevoegde instantie of beheerder van de betrokken haven, alsook van enige dienstverlener.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de beroepsinstanties genomen besluiten onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing.

Artikel 18

Veiligheid, beveiliging en milieubescherming

Deze richtlijn laat de rechten en verplichtingen van de lidstaten en van de bevoegde instanties die door hen zijn aangesteld ten aanzien van ordehandhaving, veiligheid en beveiliging in havens, alsook ten aanzien van milieubescherming volledig onverlet.

Artikel 19

Sociale bescherming

Deze richtlijn laat de toepassing van de sociale wetgeving van de lidstaten, waaronder de toepasselijke voorschriften inzake indienstneming van personeel door een dienstverlener die als resultaat van een selectieprocedure een vergunning overneemt volledig onverlet. De sociale normen mogen niet lager liggen dan die welke in de toepasselijke communautaire wetgeving zijn neergelegd.

Artikel 20

Internationale status

Deze richtlijn laat de rechten en verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de internationale status van havens, waterwegen en maritieme zones volledig onverlet.

Artikel 21

Overgangsmaatregelen

1. Dit artikel is van toepassing op vergunningen die bestaan op het tijdstip waarop deze richtlijn in werking treedt.

2. Wanneer het aantal verleners van havendiensten in een haven niet beperkt is overeenkomstig artikel 8, kunnen bestaande vergunningen ongewijzigd van kracht blijven tot op het moment dat het aantal dienstverleners wordt beperkt.

3. Wanneer het aantal verleners van havendiensten in een haven beperkt is, kunnen de lopende vergunningen ongewijzigd van kracht blijven tot hun verstrijken, maar binnen de in artikel 12 en artikel 14, lid 3, gestelde looptijden, te rekenen vanaf de datum van omzetting van de richtlijn.

Wanneer het aantal verleners van havendiensten in een haven beperkt wordt na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, kunnen de lopende vergunningen ongewijzigd van kracht blijven tot hun verstrijken, maar binnen de in artikel 12 en artikel 14, lid 3, gestelde looptijden, te rekenen vanaf de datum waarop deze beperking zich voordoet.

Wanneer de vergunning voortvloeit uit de eigendom van een haven, bedraagt de maximale looptijd 36 jaar.

4. Na het verstrijken van de overgangstermijnen moeten alle vergunningen aan deze richtlijn beantwoorden.

Artikel 22

Nieuwe havens of nieuwe gedeelten van havens

1. De lidstaten kunnen bepalen dat er zonder verdere eisen vergunningen worden afgegeven aan een investeerder of aan investeerders die een nieuwe haven of een nieuw gedeelte van een haven, met inbegrip van basale infrastructuur, commercieel hebben gefinancierd en gezamenlijk hebben aangelegd, en die havendiensten willen verlenen, mits de gelegenheid tot investeren algemeen openstond.

2. Wanneer het besluit tot aanleg van een nieuwe haven of een nieuw gedeelte van een haven afhangt van het parallelle besluit van een toekomstige dienstverlener om zich contractueel onherroepelijk te verbinden tot aanzienlijke investeringen in die nieuwe haven of dat nieuwe havengedeelte, kunnen de lidstaten bepalen dat aan die toekomstige dienstverlener zonder verdere eisen vergunningen worden afgegeven; indien het aantal toekomstige dienstverleners beperkt is, volgen de lidstaten een open, niet-discriminerende, transparante procedure.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningen worden afgegeven voor een beperkte looptijd, die in overeenstemming is met artikel 12 dan wel ten hoogste 40 jaar bedraagt.

Artikel 23

Vergoeding

Dienstverleners die een vergunning hebben, kunnen overeenkomstig nationale voorschriften worden verplicht een vergoeding te betalen aan vorige dienstverleners of aan een andere betrokken partij.

Artikel 24

Verslaglegging en herziening

De lidstaten dienen uiterlijk ...(16) bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Op basis van de verslagen van de lidstaten stelt de Commissie een evaluatie van de uitvoering van de richtlijn door de lidstaten op, die zo nodig vergezeld gaat van een voorstel tot herziening van de richtlijn.

Artikel 25

Uitvoering

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(17) daaraan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter

(1) PB C 154 E van 29.5.2001, blz. 290 en C 181 E van 30.7.2002, blz. 160.

(2) PB C 48 van 21.2.2002, blz. 122.

(3) PB C 19 van 22.1.2002, blz. 3.

(4) Advies van het Europees Parlement van 14 november 2001 (PB C 140 E van 13.6.2002, blz. 294), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5 november 2002 en besluit van het Europees Parlement van ... (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(5) PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3573/90 van de Raad (PB L 353 van 17.12.1990, blz. 16).

(6) PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.

(7) Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209 van 24.7.1992, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/78/EG van de Commissie (PB L 285 van 29.10.2001, blz. 1).

(8) Richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 199 van 9.8.1993, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/78/EG.

(9) Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 199 van 9.8.1993, blz. 54). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/78/EG.

(10) Richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 199 van 9.8.1993, blz. 84) Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/78/EG.

(11) Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. (PB L 19 van 24.1.1998, blz. 16). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 206 van 31.7.2001, blz. 1).

(12) Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van Richtlijn 89/48/EEG (PB L 209 van 24.7.1992, blz. 25). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad.

(13) Richtlijn 1999/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 juni 1999 betreffende de invoering van een regeling voor de erkenning van diploma's betreffende beroepswerkzaamheden die binnen de werkingssfeer van de liberaliseringsrichtlijnen en van de richtlijnen houdende overgangsmaatregelen vallen en tot aanvulling van het algemene stelsel van erkenning van diploma's (PB L 201 van 31.7.1999, blz. 77).

(14) Beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (PB L 228 van 9.9.1996, blz. 1). Beschikking gewijzigd bij Beschikking nr. 1346/2001/EG (PB L 185 van 6.7.2001, blz. 1).

(15) PB L 195 van 29.7.1980, blz. 35. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/52/EG (PB L 193 van 29.7.2000, blz. 75).

(16) Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(17) Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

BIJLAGE

LIJST VAN ONDER DEZE RICHTLIJN VALLENDE HAVENDIENSTHANDELINGEN

1. Technisch-nautische diensten

a) loodsen, met inachtneming van de beperkingen van artikel 14;

b) slepen;

c) afmeren.

2. Vrachtafhandeling met inbegrip van laden en lossen, stuwen, overslag en ander vervoer binnen de terminal.

3. Passagiersdiensten (inclusief inschepen en ontschepen).

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

De Raad heeft in het kader van de medebeslissingsprocedure (art. 251 VEG) op 17 juni 2002 een politiek akkoord bereikt over de ontwerp-richtlijn inzake toegang tot de markt voor havendiensten(1). Na de bijwerking door de juristen/vertalers, heeft de Raad op 5 november 2002 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.

De Raad heeft in dit standpunt rekening gehouden met het advies van het Europees Parlement in eerste lezing van 14 november 2001(2), het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3) en dat van het Comité van de Regio's(4).

Het hoofddoel van de richtlijn is een gemeenschappelijk wettelijk kader vast te stellen dat moet zorgen voor vrije toegang tot de markt voor havendiensten in de havens met algemeen handelsverkeer in de lidstaten, onder transparante en gelijke voorwaarden, om de kwaliteit van deze diensten te verhogen, de kostprijs ervan te verlagen en zodoende de scheepvaart en het multimodale vervoer te stimuleren. Het voorstel beoogt een evenwicht te vinden tussen de toepassing van de algemene beginselen van het Verdrag en de complexe realiteit van de havensector, door toe te staan het aantal verleners van havendiensten te beperken met inachtneming van de eigen kenmerken van iedere haven, en regels in te voeren ter waarborging van duidelijke, transparante procedures voor de selectie van dienstverleners.

II. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Op grond van artikel 49, lid 1, van het Verdrag steunt de Raad de doelstelling om systematische regels vast te stellen ter waarborging van de vrije toegang tot de markt voor havendiensten onder transparante en gelijke voorwaarden. Tegelijk acht hij het evenwel van belang dat rekening wordt gehouden met de complexiteit en diversiteit van de havensector.

In de regel zou de vrijheid om havendiensten te verlenen voorrang moeten krijgen en zouden de beperkingen die de toegang tot deze markt belemmeren, moeten worden weggenomen. De Raad is van oordeel dat er geen specifieke diensten van het toepassingsgebied van de richtlijn mogen worden uitgesloten.

Een gemeenschappelijk juridisch kader dient evenwel ook verenigbaar te zijn met de uiteenlopende situaties in de havens van de Gemeenschap met betrekking tot, onder meer, hun locatie, omvang en openbare-dienstverplichtingen.

Ook acht de Raad het van belang dat het vrij verrichten van diensten de maritieme veiligheid en de milieubescherming niet in het gedrang brengt en geen afbreuk doet aan de sociale normen en de arbeidsvoorwaarden.

Voor het verrichten van havendiensten kunnen derhalve beperkingen gelden in verband met de capaciteit of de beschikbare ruimte van een haven, de veiligheid van het zeeverkeer en eisen inzake veiligheid, milieubescherming en/of openbare-dienstverplichtingen. Waar dergelijke beperkingen bestaan, dienen de verrichters van havendiensten via een transparante en niet-discriminerende procedure te worden geselecteerd.

De Raad is van oordeel dat de gemeenschappelijke regelgeving inzake het vrij verrichten van havendiensten in evenredigheid moet worden toegepast en de sector geen onnodige administratieve lasten mag meebrengen. Daarom is de Raad het erover eens dat de verplichte toepassing van de richtlijn beperkt dient te zijn tot havens van een bepaalde omvang, terwijl het de lidstaten vrijstaat de richtlijn ook op andere havens toe te passen.

Teneinde het toepassingsgebied van de richtlijn te verduidelijken en met het oog op de samenhang van de gemeenschapswetgeving inzake vervoer, wordt in de omschrijving van het toepassingsgebied verwezen naar de havens die als "internationale zeehavens (categorie A)" worden ingedeeld in de richtsnoeren van de Gemeenschap voor trans-Europese netwerken. Ook is duidelijk gemaakt dat het verkeer dat plaatsvindt in delen van een haven die niet openstaan voor algemeen handelsverkeer, niet in aanmerking hoeft te worden genomen. Het staat de lidstaten evenwel vrij om de richtlijn op havens van lagere categorieën toe te passen. Tot slot mogen de lidstaten, om sommige havens niet onevenredig te belasten, havens met een in hoge mate seizoensgebonden verkeer van het toepassingsgebied van de richtlijn uitsluiten.

Overeenkomstig de algemene doelstelling van de richtlijn, is ook de Raad de mening toegedaan dat zelfafhandeling, waar mogelijk, moet worden toegestaan onder dezelfde voorwaarden als die welke voor havendiensten in het algemeen gelden en dat er voor zelfafhandeling geen andere beperkingen mogen gelden dan die welke voor dezelfde of vergelijkbare havendiensten gelden. Zoals in het gemeenschappelijk standpunt is benadrukt, mag zelfafhandeling evenwel geen belemmering vormen voor de algehele efficiëntie van de havenoperaties en niet tot lagere arbeidsrechtelijke, sociale en gezondheidsnormen leiden.

De Raad acht het van belang dat de lidstaten de afgifte van een vergunning voor het verrichten van havendiensten, inclusief zelfafhandeling, kunnen onderwerpen aan een aantal criteria waaronder de vakbekwaamheid en de economische situatie van de dienstverrichter, veiligheids-, milieu-, sociale en arbeidsrechtelijke overwegingen en openbare-dienstverplichtingen. Ook moeten de lidstaten de toegang tot het beroep kunnen reguleren, door bijvoorbeeld via examens te verwerven getuigschriften. In dat verband zij opgemerkt dat de lidstaten op basis van het gemeenschappelijk standpunt bijzonder strikte criteria kunnen vaststellen inzake het verlenen van een vergunning voor het verrichten van loodsdiensten.

Wat betreft de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en sociale bescherming, benadrukt het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat het vrij verrichten van havendiensten de toepassing van de nationale wetgeving op geen enkele wijze in het gedrang mag brengen of tot lagere sociale normen mag leiden.

Evenzo is de Raad van mening dat het vrij verrichten van havendiensten, de kansen van een haven om een langetermijnontwikkelingsbeleid uit te werken en toe te passen, niet in de weg mag staan. De bepaling van het gamma handelsactiviteiten die uit het ontwikkelingsbeleid van een haven voortvloeit, dient derhalve niet te worden beschouwd als een beperking ten gevolge van restricties in verband met de beschikbare ruimte of capaciteit van een haven of in verband met veiligheids- of milieuvereisten. In dat geval hoeft er geen selectieprocedure te worden ingeleid.

Ook deelt de Raad de opvatting dat de selectieprocedure voor de dienstverrichters niet-discriminerend en zo transparant mogelijk dient te zijn. In dat verband zijn er voor de selectieprocedure eisen opgesteld die eventuele dienstverrichters voldoende waarborgen bieden en tevens duidelijk en praktisch zijn.

De Raad is van oordeel dat dienstverrichters in volledige rechtszekerheid moeten kunnen handelen, zodat tot het doel van ontwikkeling van de havensector kan worden bijgedragen door langetermijninvesteringen in stabiele omstandigheden. Daarom is voor via een selectieprocedure verleende vergunningen voor het verrichten van havendiensten een zodanige looptijd vastgesteld, dat een normale afschrijving en een normaal rendement op de gedane investeringen mogelijk zijn. Dientengevolge varieert de looptijd van de vergunning naar gelang van de gedane investeringen.

Voorts moeten volgens de Raad dienstverrichters recht hebben op verlenging van hun vergunning wanneer zij aanzienlijke investeringen hebben gedaan, dan wel via een nieuwe selectieprocedure een nieuwe vergunning kunnen verkrijgen wanneer zij voornemens zijn dergelijke investeringen te verrichten.

Ook de ontwikkeling van nieuwe havens moet tot de mogelijkheden behoren; daartoe zijn passende bepalingen opgenomen die op bovengenoemde beginselen gebaseerd zijn.

Voorts wenst de Raad voor bestaande vergunningen overgangsmaatregelen vast te stellen die een maximale rechtszekerheid garanderen en het investeringsbeleid in de sector niet verstoren.

III. WIJZIGINGEN

In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zijn de hoofdlijnen van de amendementen opgenomen die het Europees Parlement in eerste lezing heeft voorgesteld.

- Aansluitend op de algemene strekking van het advies van het Europees Parlement, heeft de Raad verschillende bepalingen gewijzigd om de tekst van de richtlijn te vereenvoudigen en te verduidelijken; het betreft in het bijzonder: artikel 6 (vergunning), artikel 9 (selectieprocedure), artikel 12 (looptijd) en artikel 21 (overgangsmaatregelen).

- De Raad deelt de zorg van het Parlement met betrekking tot maritieme veiligheid en milieubescherming. Daarom wordt in verschillende bepalingen met klem aan die zorgpunten gerefereerd, bijvoorbeeld in de bepalingen betreffende het doel van de richtlijn (artikel 1), de criteria voor de verlening van vergunningen (artikel 6), de beperkingen (artikel 8) en de loodsdiensten (artikel 14). Ook de zorg van het Parlement in verband met de arbeidsvoorwaarden en de sociale wetgeving is weerspiegeld in de gewijzigde bepalingen over vergunningen (artikel 6), zelfafhandeling (artikel 13) en sociale bescherming (artikel 19).

- Het toepassingsgebied van de richtlijn is uitgebreid tot waterwegen naar havens. Overeenkomstig het advies van het Parlement, wordt in het gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot de uitbreiding tot waterwegen naar de havens, op het belang van veiligheidsoverwegingen gewezen (artikel 1 en 2).

- De definitie van havensysteem is gewijzigd in overeenstemming met het amendement van het Parlement (artikel 4).

- De Raad is het met het Parlement eens dat het in havens waar beperkingen zijn in verband met de beschikbare ruimte of capaciteit niet nodig is de verplichting op te leggen ten minste twee dienstverrichters per goederencategorie toe te laten. De verplichting voor de bevoegde instantie om het in de gegeven omstandigheden passende hoogste aantal dienstverrichters toe te laten, zou in dit opzicht voldoende moeten zijn (artikel 8).

- De Raad is het eens met het standpunt van het Parlement dat de looptijd van een via een selectieprocedure aan een dienstverrichter verleende vergunning, deze in staat moet stellen gedurende een commercieel verantwoorde periode actief te zijn. Daarom wil hij de looptijd van de vergunning verlengen tot 10 jaar in gevallen waarmee geen aanzienlijke investeringen gemoeid zijn. Wanneer er wèl aanzienlijke investeringen in roerende activa zijn verricht, kan de looptijd van de vergunning tot 15 jaar bedragen en voor aanzienlijke investeringen in onroerende activa (en dure investeringen in roerende activa) bedraagt de maximale looptijd van de vergunning 36 jaar (artikel 12).

- De Raad deelt de mening van het Parlement dat het mogelijk moet zijn om van geselecteerde dienstverrichters te eisen dat zij de vorige dienstverrichters vergoeden (artikel 23).

- De Raad volgt het standpunt van het Parlement dat loodsdiensten van wezenlijk belang zijn voor de maritieme veiligheid. Hij vindt het evenwel niet opportuun de loodsdiensten van het toepassingsgebied van de richtlijn uit te sluiten. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de loodsdiensten, in het bijzonder met de opleidings- en vakbekwaamheidseisen, heeft de Raad voor het verrichten van deze dienst bijzondere regels ingevoerd waardoor voor het verlenen van een vergunning stringente criteria op het gebied van maritieme veiligheid en openbare-dienstverplichtingen kunnen worden toegepast. Voorts erkent de Raad, in overeenstemming met het amendement van het Parlement, dat de bevoegde instanties het dwingende karakter van loodsdiensten moeten kunnen erkennen en op die diensten de om redenen van veiligheid en openbare-dienstverplichtingen passend geachte organisatieregels, kunnen toepassen. De Raad heeft ook de mogelijkheid ingevoerd om de zelfafhandeling in deze dienst te beperken tot de afgifte van een ontheffingsbewijs inzake loodsdiensten dan wel de vrijstelling van bepaalde categorieën schepen van de verplichting tot gebruikmaking van loodsdiensten (overwegingen 33 en 34 en artikel 14).

- De Raad is het erover eens dat meer concurrentie tussen verrichters van havendiensten niet het enige element is dat het concurrentievermogen en de efficiëntie van havens zal bevorderen, waardoor tot de bevordering van de korte vaart en intermodaliteit wordt bijgedragen. Hij beschouwt in dit verband ook het scheppen van eerlijke en gelijke concurrentievoorwaarden door het transparant maken van financiële betrekkingen en overheidsfinanciering als een belangrijk element. Desalniettemin is geoordeeld dat, om het toepassingsgebied van deze richtlijn niet in onredelijke mate uit te breiden, het opportuner is deze kwesties in een andere context aan te pakken. Daartoe heeft de Raad een verklaring aangenomen waarin hij de Commissie verzoekt zeer binnenkort toepasselijke voorstellen voor wetgevingsbesluiten en andere maatregelen in te dienen over onder meer de concurrentie tussen havens, overheidsfinanciering van haveninfrastructuur, overheidssteun en de transparantie van overheidsfinanciering.

Het gemeenschappelijk standpunt bevat ook een aantal wijzigingen ten opzichte van het Commissievoorstel, die in overeenstemming zijn met de hierboven geschetste beginselen (II. Analyse van het gemeenschappelijk standpunt), over onder meer het toepassingsgebied van de richtlijn, de looptijd van de vergunningen of de overgangsmaatregelen.

(1) De Commissie heeft haar gewijzigd voorstel ingediend op 19 februari 2002 (PB C 181 E van 30.7.2002, blz. 160).

(2) PB C 140 van 13.6.2002, blz. 166.

(3) PB C 48 van 21.2.2002, blz. 122.

(4) PB C 19 van 22.1.2002, blz. 3.

Top