This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52002AG0041
Common Position (EC) No 41/2002 of 25 April 2002 adopted by the Council, acting in accordance with the procedure referred to in Article 251 of the Treaty establishing the European Community, with a view to adopting a Directive of the European Parliament and of the Council providing for public participation in respect of the drawing up of certain plans and programmes relating to the environment and amending with regard to public participation and access to justice Council Directives 85/337/EEC and 96/61/EC
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 41/2002 van 25 april 2002, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen van de Raad 85/337/EEG en 96/61/EG
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 41/2002 van 25 april 2002, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen van de Raad 85/337/EEG en 96/61/EG
PB C 170E van 16.7.2002, pp. 22–36
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 41/2002 van 25 april 2002, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen van de Raad 85/337/EEG en 96/61/EG
Publicatieblad Nr. C 170 E van 16/07/2002 blz. 0022 - 0036
GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 41/2002 door de Raad vastgesteld op 25 april 2002 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2002/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen van de Raad 85/337/EEG en 96/61/EG (2002/C 170 E/02) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 175, lid 1, Gezien het voorstel van de Commissie(1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2), Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3), Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4), Overwegende hetgeen volgt: (1) De Gemeenschapswetgeving op het gebied van het milieu beoogt bij te dragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en tot de bescherming van de gezondheid van de mens. (2) De communautaire milieuwetgeving omvat de bepalingen op grond waarvan de autoriteiten en andere instanties beslissingen nemen die aanmerkelijke gevolgen voor het milieu alsmede voor persoonlijke gezondheid en welzijn kunnen hebben. (3) Werkelijke inspraak bij het nemen van beslissingen biedt het publiek de gelegenheid zijn mening en bezorgdheid die van belang kunnen zijn voor die beslissingen te uiten en stelt de besluitvormers in staat daarmee rekening te houden, hetgeen de verantwoording en de transparantie van de besluitvorming vergroot en bijdraagt tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken. (4) Inspraak, waaronder inspraak van verenigingen, organisaties en groepen, in het bijzonder niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen, moet derhalve worden aangemoedigd. (5) Op 25 juni 1998 heeft de Europese Gemeenschap het Verdrag van de VN/ECE betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus), ondertekend. Het Gemeenschapsrecht dient met het oog op de bekrachtiging ervan door de Gemeenschap aan dat verdrag te worden aangepast. (6) Een van de doelstellingen van het verdrag is het waarborgen van rechten inzake inspraak bij bepaalde vormen van milieubesluitvorming teneinde bij te dragen tot de bescherming van het recht in een milieu te leven dat passend is voor persoonlijke gezondheid en welzijn. (7) Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in inspraak in besluiten over specifieke in bijlage I vermelde activiteiten en betreffende niet vermelde activiteiten welke aanmerkelijke effecten op het milieu kunnen hebben. (8) Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus regelt inspraak betreffende plannen en programma's betrekking hebbende op het milieu. (9) Artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot gerechtelijke of andere procedures voor het bestrijden van de materiële en formele rechtmatigheid van de besluiten, het handelen of het nalaten vallende onder de inspraakbepalingen van artikel 6 van het Verdrag. (10) Er dient ten aanzien van bepaalde richtlijnen op milieugebied die de overlegging van plannen en programma's betreffende het milieu door de lidstaten verlangen maar geen toereikende bepalingen betreffende inspraak bevatten in inspraak te worden voorzien in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, met name artikel 7. (11) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(5) en Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(6) dienen te worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat zij volledig stroken met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, met name artikel 6 en artikel 9, leden 2 en 4. (12) Aangezien de doelstelling van het overwogen optreden, namelijk bijdragen tot de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus, onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit van artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in dat artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is voor het bereiken van die doelstelling, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Doelstelling Deze richtlijn heeft ten doel bij te dragen tot de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus, in het bijzonder door: a) te voorzien in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu; b) de inspraak van het publiek te verbeteren en in de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad bepalingen betreffende toegang tot de rechter op te nemen. Artikel 2 Inspraak van het publiek in plannen en programma's 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "publiek" een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt in de opstelling en wijziging of herziening van de plannen of programma's die krachtens de bepalingen in bijlage I bij deze richtlijn dienen te worden opgesteld. Met het oog daarop zorgen de lidstaten ervoor dat: a) het publiek door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze, bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar, geïnformeerd wordt over alle voorstellen voor plannen of programma's van dien aard of voor de wijziging of herziening ervan, en dat het publiek relevante informatie betreffende dergelijke voorstellen ter beschikking wordt gesteld, onder andere informatie over het recht op inspraak in de besluitvorming en over de bevoegde instantie waaraan vragen en opmerkingen moeten worden gericht; b) het publiek het recht heeft opmerkingen en meningen kenbaar te maken wanneer alle opties open zijn, voordat besluiten betreffende de plannen en programma's worden genomen; c) bij de besluitvorming naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak; d) de bevoegde instantie zich naar behoren kwijt van haar taak het publiek te informeren over de besluiten die zijn genomen en de motivering daarvan. 3. De lidstaten wijzen het publiek aan dat voor de toepassing van lid 2 recht op inspraak heeft, waaronder betrokken niet-gouvernementele organisaties die aan eventuele voorschriften van de nationale wetgeving voldoen, zoals die welke zich inzetten voor milieubescherming. De nadere regelingen voor inspraak krachtens dit artikel worden door de lidstaten zodanig vastgesteld dat het publiek zich terdege kan voorbereiden en werkelijk inspraak heeft. Er wordt voorzien in redelijke termijnen, die voldoende tijd laten voor de verschillende fasen van de inspraak die dit artikel vereist. 4. Dit artikel is niet van toepassing op plannen en programma's die uitsluitend voor nationale defensiedoeleinden of civiele rampen bedoeld zijn. 5. Dit artikel is niet van toepassing op plannen en programma's als bedoeld in bijlage I waarvoor een inspraakprocedure wordt gevolgd krachtens Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de milieueffecten van bepaalde plannen en programma's(7) of krachtens Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(8). Artikel 3 Wijziging van Richtlijn 85/337/EEG Richtlijn 85/337/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1) in artikel 1, lid 2, worden de volgende definities toegevoegd: "'publiek': één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen; 'betrokken publiek': het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en voldoen aan de eisen van nationaal recht, geacht belanghebbende te zijn."; 2) in artikel 6 worden de leden 2 en 3 vervangen door: "2. Het publiek wordt door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze, bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar in een vroeg stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en uiterlijk zodra redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt in kennis gesteld van het volgende: a) de aanvraag om een vergunning; b) het feit dat het project aan een milieu-effectbeoordelingsprocedure is onderworpen en, voorzover relevant, het feit dat artikel 7 van toepassing is; c) nadere gegevens betreffende de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, die waarbij relevante informatie kan worden verkregen, die waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen; d) de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, van het ontwerp-besluit; e) een indicatie van de beschikbaarheid van de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie; f) tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie; g) nadere gegevens inzake de regelingen voor inspraak die ingevolge lid 5 van dit artikel zijn vastgesteld. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking van het betrokken publiek wordt gesteld: a) de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie; b) in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 2 van dit artikel; c) overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2002/... /EG van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie(9), andere informatie dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig lid 2 van dit artikel is geïnformeerd. 4. Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht wanneer alle opties open zijn opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen. 5. De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête), worden bepaald door de lidstaten. 6. Er wordt in redelijke termijnen voorzien, die voor elk van de verschillende in dit artikel bepaalde fasen voldoende tijd geven."; 3) artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt vervangen door het volgende: "1. Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieu-effecten zal hebben in een andere lidstaat, of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen: a) een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan; b) informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen, en geeft hij de andere lidstaat een redelijke termijn om kenbaar te maken of hij wenst deel te nemen aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures; tevens kan hij de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie verstrekken. 2. Wanneer een lidstaat die krachtens lid 1 informatie ontvangt, aangeeft dat hij voornemens is aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, dient de lidstaat op het grondgebied waarvan het project zal worden uitgevoerd, voorzover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe te sturen die krachtens artikel 6, lid 2, verstrekt en krachtens artikel 6, lid 3, de punten a) en b), ter beschikking gesteld moet worden."; b) lid 5 komt te luiden: "5. De nadere regelingen voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden bepaald door de betrokken lidstaten en bieden het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële mogelijkheden tot inspraak bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures betreffende het project."; 4) artikel 9, lid 2, komt te luiden: "2. De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die ingevolge artikel 7 is geraadpleegd op de hoogte en doen hem de in lid 1 genoemde informatie toekomen. De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking van het betrokken publiek op hun grondgebied wordt gesteld."; 5) het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 10 bis De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die: a) een voldoende belang hebben, dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten. De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, handelingen of nalatigheden kunnen worden aangevochten. Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 1, lid 2, geacht voldoende te zijn in de zin van punt a) van dit artikel. Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van punt b) van dit artikel. De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht. Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn. Ter verhoging van de effectiviteit van de bepalingen van dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties."; 6) in bijlage I wordt het volgende punt toegevoegd: "22. Wijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voorzover deze bestaan."; 7) in bijlage II, nr. 13, eerste streepje, wordt aan het slot het volgende toegevoegd: "(niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding)". Artikel 4 Wijziging van Richtlijn 96/61/EG Richtlijn 96/61/EG wordt als volgt gewijzigd: 1) artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: a) in punt 10 wordt de volgende zin toegevoegd: "In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, indien de wijziging of uitbreiding voldoet aan de in bijlage I genoemde drempelwaarden, voorzover deze bestaan."; b) de volgende punten 13 en 14 worden toegevoegd: "13. 'publiek': één of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen; 14. 'betrokken publiek': publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of de bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden; in de zin van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van nationaal recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn."; 2) in artikel 6, lid 1, eerste alinea, wordt het volgende streepje toegevoegd: "- een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voorzover deze bestaan;"; 3) artikel 15 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt te luiden: "1. De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de besluitvormingsprocedure voor: - de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties; - de afgifte van een vergunning voor een belangrijke wijziging in de exploitatie van een installatie; - de bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden voor een installatie overeenkomstig artikel 13, indien het milieueffect zo aanzienlijk is dat de geldende emissiegrenswaarden van de vergunning aanmerkelijk moeten worden gewijzigd. De procedure van bijlage V is voor deze inspraak van toepassing."; b) het volgende lid 5 wordt toegevoegd: "5. Wanneer een besluit is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek volgens de passende procedures hiervan in kennis en stelt zij het publiek de volgende informatie ter beschikking: a) de inhoud van het besluit, waaronder een afschrift van de vergunning en van alle voorwaarden en eventuele latere bijstellingen, en b) de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd."; 4) het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 15 bis Toegang tot de rechter De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die: a) een voldoende belang hebben, dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten. De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, handelingen of nalatigheden kunnen worden aangevochten. Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 2, lid 14, geacht te voldoen aan punt a) van dit artikel. Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van punt b) van dit artikel. De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht. Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn. Ter verhoging van de effectiviteit van de bepalingen van dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties."; 5) artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt vervangen door: "1. Wanneer een lidstaat constateert dat de exploitatie van een installatie significante negatieve effecten op het milieu van een andere lidstaat zou kunnen hebben, of wanneer een lidstaat die significante schade zou kunnen lijden daarom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan de aanvraag voor een vergunning overeenkomstig artikel 4 of artikel 12, lid 2, is ingediend, de andere lidstaat alle informatie die overeenkomstig bijlage V verstrekt moet worden of beschikbaar moet worden gemaakt, toekomen op het tijdstip waarop hij die informatie beschikbaar stelt voor de eigen burgers. Die gegevens dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de beide lidstaten volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling."; b) de volgende leden 3 en 4 worden toegevoegd: "3. De resultaten van overleg uit hoofde van de leden 1 en 2 moeten in aanmerking worden genomen wanneer de bevoegde autoriteit een besluit neemt over de aanvraag. 4. De bevoegde autoriteit stelt elke lidstaat waarmee uit hoofde van lid 1 is overlegd van het besluit over de aanvraag in kennis en doet die lidstaat de in artikel 15, lid 5, bedoelde informatie toekomen. Die lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de informatie op een geschikte wijze voor het betrokken publiek op zijn grondgebied beschikbaar wordt gesteld."; 6) bijlage V, als weergegeven in bijlage II bij deze richtlijn, wordt toegevoegd. Artikel 5 Uitvoering De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(10) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 7 Adressaten Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te ... Voor het Europees Parlement De voorzitter Voor de Raad De voorzitter (1) PB C 154 E van 29.5.2001, blz. 123. (2) PB C 221 van 7.8.2001, blz. 65. (3) PB C 357 van 14.12.2001, blz. 58. (4) Advies van het Europees Parlement van 23 oktober 2001 (PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 125), gemeenschappelijk standpunt van 25 april 2002 en besluit van het Europees Parlement van ... (nog niet verschenen in het Publicatieblad). (5) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG (PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5). (6) PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. (7) PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30. (8) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn als gewijzigd bij Besluit nr. 2455/2001/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1). (9) PB ... (10) Twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn. BIJLAGE I BEPALINGEN BETREFFENDE PLANNEN EN PROGRAMMA'S ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2 a) Artikel 7, lid 1, van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(1). b) Artikel 6 van Richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten(2). c) Artikel 5, lid 1, van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen(3). d) Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen(4). e) Artikel 14 van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval(5). f) Artikel 8, lid 3, van Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit(6). (1) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 96/350/EG van de Commissie (PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32). (2) PB L 78 van 26.3.1991, blz. 38. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/101/EG van de Commissie (PB L 1 van 5.1.1999, blz. 1). (3) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1. (4) PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/31/EG van de Raad (PB L 168 van 2.7.1994, blz. 28). (5) PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10. (6) PB L 296 van 21.11.1996, blz. 55. BIJLAGE II In Richtlijn 96/61/EG wordt de volgende bijlage V toegevoegd: "BIJLAGE V INSPRAAK VAN HET PUBLIEK IN DE BESLUITVORMING 1. Het publiek wordt (door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze) in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure, en uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van het volgende: a) de aanvraag om een vergunning of, naar gelang van het geval, het voorstel tot bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 15, lid 1, met de in artikel 6, lid 1, genoemde gegevens; b) indien van toepassing, het feit dat een besluit onderworpen is aan een nationale of grensoverschrijdende milieueffectbeoordeling of aan overleg tussen lidstaten overeenkomstig artikel 17; c) nadere gegevens betreffende de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen; d) de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, het ontwerp-besluit; e) indien van toepassing, de nadere gegevens betreffende een voorstel tot de bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden; f) tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie; g) nadere gegevens inzake de regelingen betreffende inspraak en raadpleging van het publiek die overeenkomstig punt 5 zijn bepaald. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking van het betrokken publiek wordt gesteld: a) in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met punt 1; b) overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2002/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie(1), andere informatie dan de in punt 1 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is geïnformeerd. 3. Het betrokken publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen. 4. De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van deze bijlage moeten naar behoren in aanmerking worden genomen bij de besluitvorming. 5. De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête) worden bepaald door de lidstaten. Er wordt in redelijke termijnen voorzien, die voor elk van de verschillende in deze bijlage bepaalde fasen voldoende tijd geven. (1) PB ...". MOTIVERING VAN DE RAAD I. INLEIDING 1. Op 19 januari 2001 heeft de Commissie bij de Raad een op artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag (medebeslissingsprocedure) gebaseerd voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot voorziening in inspraak van het publiek met betrekking tot de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad(1). 2. Het Europees Parlement heeft op 23 oktober 2001 advies in eerste lezing uitgebracht(2). Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 30 mei 2001 advies uitgebracht(3). Het Comité van de Regio's heeft op 14 juni 2001 advies uitgebracht(4). 3. In het licht van die adviezen heeft de Commissie op 13 december 2001 een gewijzigd voorstel bij de Raad ingediend(5). 4. De Raad heeft op 25 april 2002 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag. II. DOEL 5. Het voorstel dient als bijdrage tot de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de tweede pijler, inzake inspraak van het publiek, van het VN/ECE-Verdrag inzake toegang tot informatie, publieke inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden ("Verdrag van Aarhus"). Dit verdrag, dat door de lidstaten en de Gemeenschap is ondertekend, is op 30 oktober 2001 in werking getreden en is reeds door Denemarken en Italië bekrachtigd. Ingevolge het Verdrag van Aarhus moet het publiek inspraak krijgen in de besluitvorming betreffende bepaalde activiteiten met een aanzienlijk milieueffect, alsmede in de opstelling van plannen, programma's en projecten met betrekking tot het milieu. Deze inspraak omvat de volgende fasen: - het publiek wordt vroegtijdig op de hoogte gebracht van de voorgenomen plannen, programma's en projecten; - het betrokken publiek krijgt de gelegenheid om opmerkingen en standpunten in te dienen; - de overheidsinstanties houden bij de besluitvorming naar behoren rekening met de resultaten van de raadpleging van het publiek; - het betrokken publiek wordt ingelicht over de besluiten; - bij projecten ten aanzien waarvan de bepalingen inzake inspraak van het publiek gelden heeft het betrokken publiek ook het recht de rechtmatigheid van besluiten, handelen of nalaten te bestrijden. 6. Het doel van de ontwerp-richtlijn is, het invoeren of verbeteren van deze vorm van inspraak van het publiek met betrekking tot: - bepaalde plannen en programma's op milieugebied, als bedoeld in bijlage I van de ontwerp-richtlijn, - de projecten, bedoeld in Richtlijn 85/337/EEG van de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de "MER-richtlijn")(6); - vergunningen voor grootschalige industriële activiteiten, als geregeld bij Richtlijn 96/61/EG van de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (de "IPPC-richtlijn")(7). In het geval van de twee streepjes laatstgenoemde richtijnen zijn tevens bepalingen inzake de toegang tot de rechter van toepassing. 7. Deze vorm van inspraak van het publiek vergroot naar verwachting de aanspreekbaarheid en de transparantie van het besluitvormingsproces en draagt zo bij tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat bevorderlijk is voor de gezondheid en het welzijn van eenieder. 8. Het Commissievoorstel is een nieuwe stap voorwaarts, naast de ontwerp-richtlijn inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad, die betrekking heeft op de "informatie"-pijler van het Verdrag van Aarhus. Het Europees Parlement heeft op 6 februari 2002 het desbetreffende gemeenschappelijke standpunt van de Raad(8) ontvangen. III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 9. De Raad handhaaft in zijn gemeenschappelijk standpunt de door de Commissie voorgestelde benadering, maar verduidelijkt de bepalingen ervan of maakt ze beter uitvoerbaar. Een groot deel van de wijzigingen is bedoeld om de originele tekst van het Verdrag van Aarhus in ere te herstellen. 10. Artikel 1 is ingevoegd door de Raad en omschrijft de algemene doelstellingen van de richtlijn. 11. Artikel 2 voorziet in inspraak van het publiek in de opstelling van de plannen of programma's op milieugebied die dienen te worden opgesteld krachtens de in bijlage I genoemde richtlijnen betreffende het beheer van afvalstoffen, betreffende batterijen en accu's, betreffende de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten en betreffende het beheer van de luchtkwaliteit. De Raad heeft een nieuw lid 5 toegevoegd, dat bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is wanneer een inspraakprocedure wordt gevolgd krachtens Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van plannen en programma's of krachtens Richtlijn 2000/60/EG inzake communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, omdat die twee richtlijnen al in procedures voorzien die aan de eisen van het Verdrag van Aarhus voldoen. 12. Artikel 3 beoogt aanvulling van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MEB), die al een aantal bepalingen bevat over de inspraak van het publiek op het gebied van de afgifte van vergunningen voor het uitvoeren van grote bouwwerken en ingrepen in het landschap. Het ontwerp voert meer in het bijzonder een definitie van "betrokken publiek" in, waaronder ook niet-gouvernementele organisaties worden verstaan die zich voor milieubescherming inzetten. In het nieuwe artikel 6 betreffende het informeren en de raadpleging van de autoriteiten en het publiek worden bepaalde aangelegenheden gespecificeerd die in de oude richtlijn aan de nationale autoriteiten waren overgelaten, zoals het soort informatie dat verstrekt moet worden en de procedurele basisregelingen voor het informeren en raadpleging van het publiek. Het gewijzigde artikel 7 past de procedures voor grensoverschrijdende raadpleging aan de eisen van het Verdrag van Aarhus aan, zodat de betrokken lidstaten niet alleen aan de milieueffectbeoordelingsprocedures maar ook aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures kunnen deelnemen. Artikel 8 betreffende het rekening houden met de resultaten van de raadpleging behoefde niet te worden gewijzigd. Artikel 9 betreffende het informeren van het publiek over genomen besluiten is gewijzigd met het oog op het verstrekken van informatie aan het publiek in een lidstaat waarin een project grensoverschrijdende effecten heeft. Een nieuw artikel 10 bis opent de mogelijkheid van beroep bij een rechterlijke instantie tegen enig besluit, handelen of nalaten, vallende onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek. Wat bijlage I van Richtlijn 85/337/EEG (onder de richtlijn vallende activiteiten) betreft, is er een nieuw punt 22 opgenomen om de werkingssfeer van de richtlijn te verruimen tot wijzigingen of uitbreidingen van bestaande installaties die voldoen aan de in andere delen van die bijlage vastgestelde drempelwaarden. 13. Artikel 4 is bedoeld als aanvulling op Richtlijn 96/61/EG (IPPC) inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging met betrekking tot grootschalige industriële activiteiten. Een wijziging in artikel 2, punt 10, verduidelijkt dat wijzigingen of uitbreidingen van bestaande installaties, die aan eventuele drempelwaarden voldoen, worden geacht "belangrijk" te zijn. Er is een definitie van "betrokken publiek" toegevoegd. Artikel 15, betreffende het summier informeren van het publiek, is gewijzigd en aangevuld met een bijlage V, die in het gedetailleerd informeren en raadplegen van het publiek voorziet. Een nieuw artikel 15 bis biedt de mogelijkheid van beroep bij een rechterlijke instantie tegen enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek. Artikel 17 (activiteiten met grensoverschrijdende effecten) is vervangen door een nieuwe tekst die bepaalt dat de lidstaat op het grondgebied waarvan de activiteiten plaatsvinden, de in bijlage V bedoelde informatie moet verstrekken aan de getroffen lidstaat, zodat het betrokken publiek op het grondgebied van deze laatste lidstaat opmerkingen kan maken. 14. De richtlijn betreft uitsluitend bestaande richtlijnen. De Commissie is voornemens in al haar toekomstige voorstellen op het gebied van milieuplannen en -programma's bepalingen op te nemen betreffende de inspraak van het publiek in de besluitvorming op milieugebied. 15. In een voor het publiek beschikbare verklaring voor de notulen komen de Raad en de Commissie overeen ervoor te zorgen dat de tweede pijler van het Verdrag van Aarhus ook in de Gemeenschapsinstellingen wordt toegepast. IV. AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT DIE DOOR DE RAAD ZIJN OVERGENOMEN 16. De Raad heeft, in een enigszins afwijkende vorm ("bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar"), het voorstel van het Parlement overgenomen dat het publiek "langs elektronische weg" in kennis wordt gesteld, zoals opgenomen in de amendementen 9/10/33 betreffende artikel 1, lid 2, punt a) (artikel 2, lid 2, punt a), van het Gemeenschappelijk standpunt - hierna "GS" - ), in de amendementen 34/15/16 betreffende het nieuwe artikel 6, lid 3, in Richtlijn 85/337/EEG (artikel 6, lid 2, in het GS) en in de amendementen 27/28/29 betreffende de nieuwe bijlage V, punt 1, in Richtlijn 96/61/EG. Ook de Commissie had deze amendementen, eveneens in gewijzigde vorm, aanvaard. 17. De Raad heeft in artikel 2, punt a), in fine, het deel van de amendementen 9/10/33 opgenomen dat specificeert dat het publiek "onder meer informatie" verstrekt moet worden "over het recht op inspraak bij de besluitvorming en over de bevoegde autoriteit", dat ook door de Commissie was aanvaard. 18. Voortbouwend op een voorstel van de Commissie heeft de Raad, evenwel in een uit het Verdrag van Aarhus overgenomen formulering ("wanneer alle opties open zijn"), het idee overgenomen dat het publiek gerechtigd moet zijn "ongeacht de keuzemogelijkheden" opmerkingen kenbaar te maken, zoals opgenomen in de amendementen 9/10/33 betreffende artikel 1, lid 2, punt b) (artikel 2, lid 2, punt b), in het GS), en in de amendementen 34/15/16 betreffende het nieuwe artikel 6, lid 4, in Richtlijn 85/337/EEG. 19. Evenals de Commissie heeft de Raad in beginsel ingestemd met de amendementen 9/10/33, waarbij een nieuw artikel 1, lid 3 bis, wordt toegevoegd dat bepaalt dat de bevoegde autoriteit passende maatregelen neemt om aan de individuele of collectieve wensen van het publiek tegemoet te komen: dit voorstel heeft de Raad ertoe gebracht een nieuw artikel 2, lid 2, punt d), in te voegen, dat bepaalt dat de bevoegde instantie zich naar behoren kwijt van haar taak het publiek te informeren over de besluiten die zijn genomen en de motivering daarvan. In de amendementen 34/15/16 wordt voorgesteld een soortgelijke bepaling op te nemen in een nieuw artikel 6, lid 5 bis, in Richtlijn 85/337/EEG, en amendement 35 bevat hetzelfde voorstel voor een nieuw artikel 15, lid 4 bis, in Richtlijn 96/61/EG. De Commissie en de Raad achten deze amendementen niet nodig, omdat de inhoud daarvan reeds in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 85/337/EEG en in artikel 15, lid 5, punt b), van Richtlijn 96/61/EG zijn opgenomen. 20. In een gedeelte van amendement 14 betreffende een nieuw artikel 2, lid 3, punt b), in fine, in Richtlijn 85/337/EEG, alsmede de amendementen 20/21 met het oog op een nieuw artikel 9, punt a),in Richtlijn 85/337/EEG wordt voorgesteld dat de lidstaten praktische aanwijzingen geven inzake de beroepsprocedure overeenkomstig de nieuwe artikelen 10 bis en 15 bis. Voortbouwend op deze amendementen heeft de Raad aan het einde van artikel 10 bis in Richtlijn 85/337/EEG en aan het einde van artikel 15 bis in Richtlijn 96/61/EG een uit het Verdrag van Aarhus overgenomen zin toegevoegd die de lidstaten voorschrijft het publiek informatie te verstrekken over beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties. 21. De Raad heeft ingestemd met de amendementen 31 en 32/23 betreffende de beroepsprocedure bij een rechterlijke instantie in het nieuwe artikel 10 bis in Richtlijn 85/337/EEG en in het nieuwe artikel 15 bis in Richtlijn 96/61/EG. Tegelijk heeft de Raad in de derde, de vierde en de zesde alinea van de nieuwe artikelen 10 bis en 15 bis andere delen van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus opgenomen om met name de positie van de NGO's te verduidelijken. V. AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT DIE NIET DOOR DE RAAD ZIJN OVERGENOMEN 22. De Raad en de Commissie hebben niet ingestemd met amendement 1, met het tweede deel van amendement 2 en met het laatste deel van amendement 5, die tot doel hebben in de eerste, de tweede en de zesde overweging te verduidelijken dat de Gemeenschap wil bijdragen tot de bescherming van de "gezondheid van individu en samenleving", in plaats van de "gezondheid van de mens" of "persoonlijke gezondheid": de voorgestelde bewoordingen zijn niet gangbaar in de communautaire terminologie en de tekst van de Raad is in overeenstemming met artikel 174 van het Verdrag en met het zesde milieuactieprogramma, die aan de "gezondheid van de mens" refereren. 23. De Raad en de Commissie hebben niet ingestemd met het eerste deel van amendement 2 betreffende de tweede overweging, met amendement 3 met het oog op een nieuwe overweging 2 bis, met het eerste deel van amendement 5 betreffende de zesde overweging, met amendement 8 betreffende de tiende overweging en met amendement 26 met het oog op een nieuwe letter g) bis in bijlage I, die tot doel hebben de inspraak van het publiek uit te breiden tot communautaire wetgeving alsmede plannen en programma's die niet direct met het milieu te maken hebben, maar een aanzienlijke weerslag hebben op het milieu, de gezondheid en het welzijn: de communautaire wetgeving valt niet onder deze richtlijn; door een en ander tot plannen en programma's uit te breiden zou de werkingssfeer van de richtlijn zeer groot worden en het begrip "aanzienlijke weerslag" is niet precies omschreven. 24. Amendement 4, dat tot doel heeft in de derde overweging de woorden "publieke bekendheid met milieuaangelegenheden" te vervangen door "publieke steun voor de genomen beslissingen" is door de Commissie als toevoeging aanvaard, maar door de Raad verworpen, omdat "bekendheid" uit de negende overweging van het Verdrag van Aarhus is overgenomen en omdat inspraak van het publiek niet noodzakelijk garant staat voor publieke steun. 25. De Raad en de Commissie hebben de volgende amendementen verworpen: - de amendementen 6 en 7, waarin als motivering voor de richtlijn verwezen wordt naar artikel 8 van het Verdrag van Aarhus, waarin inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en algemeen toepasselijke bindende normatieve instrumenten wordt aangemoedigd en, impliciet, naar de laatste zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, waarin de partijen worden aangemoedigd inspraak te bevorderen bij de voorbereiding van beleid betrekking hebbende op het milieu; - de amendementen 9/10/39 betreffende de titel en betreffende artikel 2, lid 2, tweede alinea, punten a) en b) (artikel 1 van het Commissievoorstel), en amendement 25 betreffende de titel van bijlage I, waarin wordt voorgesteld dat de richtlijn ook geldt voor op de communautaire wetgeving gegrond beleid. Op grond van de laatste zin van artikel 7 en de inleidende zin van artikel 8 van het Verdrag van Aarhus geldt ten aanzien van de inspraak van het publiek bij de opstelling van wetgeving en beleid uitsluitend een inspanningsclausule, die alleen van toepassing is voor zover passend. Beleid valt sowieso onder de democratische controle van vertegenwoordigende organen zoals parlementen, gemeenteraden, enz. Om diezelfde reden heeft de Raad in de achtste overweging van het Commissievoorstel het woord "beleid" geschrapt. 26. Het Parlement heeft in de amendementen 9/10/33 betreffende artikel 1, lid 2 (artikel 2, lid 2, van het GS), in de amendementen 34/15/16 betreffende het nieuwe artikel 6, lid 4, van Richtlijn 85/337/EEG (artikel 6, lid 6, van het GS) en in amendement 35 betreffende het nieuwe artikel 15, lid 1, van Richtlijn 96/61/EG, voorgesteld om in inspraak van het publiek in "de diverse stadia" van de besluitvorming te voorzien. De Raad en de Commissie hebben die amendementen niet overgenomen, omdat artikel 2, lid 2, van het Gemeenschappelijk standpunt, het nieuwe artikel 6, lid 4 (inleidende zin), van Richtlijn 85/337/EEG, het nieuwe artikel 15, lid 1, van Richtlijn 96/61/EG en artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Aarhus al voorzien in "vroegtijdige en doeltreffende" inspraak van het publiek. Het Verdrag van Aarhus voorziet niet in inspraak in de diverse stadia van de besluitvorming, en bovendien zou dit de besluitvorming uiterst langdurig en omslachtig maken. 27. De Raad en de Commissie hebben niet ingestemd met het voorlaatste deel van de amendementen 9/10/33, dat tot doel heeft, in artikel 1, lid 3 (artikel 2, lid 3, van het GS), een op artikel 3, lid 3, van het Verdrag van Aarhus gebaseerde nieuwe alinea op te nemen die bepaalt dat tot de regelingen inzake inspraak van het publiek onder meer aan het publiek aangeboden scholing inzake openbare besluitvorming kan behoren: de Raad is van mening dat acties op het gebied van scholing niet thuishoren in de onderhavige richtlijn betreffende inspraak van het publiek en bovendien zijn de voorgestelde bewoordingen betrekkelijk vaag en wordt niet toegelicht wat precies van de lidstaten wordt verwacht. 28. In amendement 30 wordt voor artikel 1, een nieuw lid 3 ter voorgesteld om voor de in artikel 1 (artikel 2 in het GS) bedoelde plannen en programma's in een beroepsprocedure bij een rechterlijke instantie te voorzien die vergelijkbaar is met die van het nieuwe artikel 10 bis van Richtlijn 85/337/EEG en het nieuwe artikel 15 bis van Richtlijn 96/61/EG. De Raad en de Commissie hebben dit amendement niet overgenomen, omdat artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus de toegang tot de rechter alleen verplicht stelt in verband met de concrete projecten als bedoeld in artikel 6 en bijlage I van dat verdrag, en niet in verband met plannen, programma's en beleid als bedoeld in de artikelen 7 en 8. 29. De Raad heeft niet ingestemd met amendement 13, dat geen wijzigingen van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 85/337/EEG - "Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die bestemd zijn voor defensiedoeleinden" - tot doel heeft om deze bepaling facultatief te maken (de Commissie had dit amendement overgenomen). 30. De Raad zag ook geen heil in amendement 14, dat tot doel heeft aan artikel 2, lid 3, punt a), van Richtlijn 85/337/EEG (waarin is bepaald dat lidstaten die voor een welbepaald project vrijstelling van milieueffectbeoordeling verlenen, de gegevens betreffende deze vrijstelling en de redenen waarom zij is verleend, ter beschikking stellen) toe te voegen dat de lidstaten ook de gegevens ter beschikking stellen aan de hand waarvan is nagegaan of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is. De Commissie had dit deel met enkele redactionele wijzigingen overgenomen. 31. Het gedeelte van de amendementen 34/15/16 dat de inleidende zin en punt a) van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 85/337/EEG (artikel 6, lid 2, in het GS) beoogt te wijzigen met de bedoeling de inspraak van het publiek uit te breiden tot de procedure tot bijstelling van een vergunning, werd niet nodig geacht omdat voor wijzigingen in een bestaande installatie waarvoor een milieueffectbeoordeling vereist is, op grond van artikel 2 van Richtlijn 85/337/EEG reeds een vergunning verplicht is en het publiek dus al inspraak heeft. 32. De Raad en de Commissie hebben de amendementen 34/15/16 niet overgenomen; deze amendementen strekken ertoe aan het einde van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 85/337/EEG (artikel 6, lid 4, in het GS) de zin toe te voegen dat rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak, en dit is al in artikel 8 bepaald. 33. Het deel van de amendementen 34/15/16 betreffende artikel 6, lid 5, in fine, van Richtlijn 85/337/EEG en het deel van de amendementen 27/28/29 betreffende bijlage V, punt 4 (punt 5 in het GS) waarmee wordt gespecificeerd dat aan het publiek voldoende tijd moet worden gegeven om zich te kunnen informeren en deel te nemen (door de Commissie aanvaard) werd reeds bestreken door de woorden "die voor elk van de verschillende fasen voldoende tijd geven". 34. Aan het einde van de amendementen 20/21 betreffende artikel 9, lid 2, van Richtlijn 85/337/EEG en in amendement 24 betreffende artikel 17, lid 4, van Richtlijn 96/61/EG stelde het Parlement voor dat, ingeval van inspraak van het publiek in een andere lidstaat, de geraadpleegde lidstaten ervoor zorgen dat de informatie het publiek in de raadplegende lidstaat in de eigen taal beschikbaar wordt gesteld. De Raad en de Commissie hebben er de voorkeur aan gegeven een dergelijke verplichting niet op te leggen, gezien de enorme kosten, inspanningen en tijd die de vertaling van alle documentatie in beslag zou kunnen nemen. (Op grond van het subsidiariteitsbeginsel wordt vertaling aan de lidstaten overgelaten.) De Raad heeft in de tekst evenwel de in dit amendement voorgestelde woorden "op passende wijze" opgenomen. 35. De Raad en de Commissie hebben het voorstel in de amendementen 32/23 om aan het einde van het nieuwe artikel 15 bis van Richtlijn 96/61/EG op te nemen dat de beroepsprocedures "kosteloos moeten zijn of slechts geringe kosten met zich [mogen] meebrengen", en niet langer te stellen dat deze procedures "niet onbetaalbaar duur mogen zijn", niet overgenomen, omdat die laatste formulering in het Verdrag van Aarhus is gebruikt. Voorts heeft de Raad de door de Commissie voorgestelde zin volledig vervangen door artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus. 36. De Raad en de Commissie hebben het gedeelte van de amendementen 27/28/29 dat via een wijziging van bijlage V, punt 1, a), van Richtlijn 96/61/EG de inspraak van het publiek wil uitbreiden tot voorstellen voor de toetsing van vergunningen, niet overgenomen omdat een toetsing in principe een interne bestuurlijke handeling zonder gevolgen voor de vergunning is. Zijn daar toch gevolgen aan verbonden, dan zou de toetsing onder de categorie "bijstelling" vallen en voor inspraak van het publiek in aanmerking komen. De Raad heeft het voorstel verworpen om in bijlage V, punt 2, te specificeren dat het publiek gerechtigd is om schriftelijk of op een openbare hoorzitting opmerkingen kenbaar te maken (door de Commissie aanvaard), omdat dit de vrijheid van de lidstaten zou beperken om andere en betere manieren en middelen te kiezen om het publiek te raadplegen. De twee mogelijkheden om opmerkingen kenbaar te maken die het Parlement voorstelt, worden in punt 5 van het GS wel aangehaald als voorbeelden van nadere regelingen voor de raadpleging van het publiek. Voorts heeft de Raad het voorstel van het Parlement aanvaard om in punt 3 "op passende wijze" toe te voegen, maar hij heeft de voorkeur gegeven aan de formulering "naar behoren" uit artikel 6, lid 8, van het Verdrag van Aarhus. VI. ANDERE DOOR DE RAAD AANGEBRACHTE WIJZIGINGEN Ad titel en preambule 37. De Raad heeft in de titel en in de tiende overweging enkele redactionele wijzigingen aangebracht en de formulering van de twaalfde overweging, betreffende subsidiariteit en evenredigheid, aan de standaardformulering aangepast. Ad artikel 1 (doelstellingen) 38. Artikel 1 is ingevoegd door de Raad en omschrijft de algemene doelstellingen van de richtlijn. Ad artikel 2 (plannen en programma's) 39. De Raad heeft aan lid 2, inleidende zin, en aan punt a), de woorden "wijziging of" toegevoegd, naar analogie van Richtlijn 2001/42/EG betreffende plannen en programma's (SMEB). In lid 3 heeft hij de woorden "die aan eventuele voorschriften van de nationale wetgeving voldoen" toegevoegd. Voorts is dit lid in fine gewijzigd en is er de formulering van artikel 6, lid 3, van het Verdrag van Aarhus in opgenomen: "het publiek zich terdege kan voorbereiden en werkelijk inspraak heeft". Lid 4, dat een vrijstelling voor nationale defensiedoeleinden of civiele rampen bevat, is nieuw en komt uit artikel 3, lid 8, van de in lid 5 genoemde Richtlijn 2001/42/EG betreffende plannen en programma's. Ook lid 5 is nieuw (zie punt 11). Ad artikel 3 (Richtlijn 85/337/EEG) 40. De Raad heeft het begrip "vergunningsprocedure" vervangen door "de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures", om rekening te houden met de verschillen in de organisatie van de inspraak van het publiek door de lidstaten op grond van Richtlijn 85/337/EEG. 41. De Raad heeft het nieuwe artikel 6, lid 2 (het publiek krijgt in een vroeg stadium daadwerkelijk de gelegenheid tot inspraak), van het Commissievoorstel geschrapt en de inhoud overgebracht naar lid 4 van het GS, waar het uit chronologisch oogpunt meer op zijn plaats is. 42. Wat het nieuwe lid 2 (lid 3 in het Commissievoorstel) van het gewijzigde artikel 6 betreft, heeft de Raad in de inleidende zin het woord "redelijkerwijs" toegevoegd en punt c) gewijzigd om te verduidelijken dat het publiek nadere gegevens moeten worden verstrekt over elk van de drie genoemde instanties. De Raad heeft opgemerkt dat lid 2 hoofdzakelijk informatie bevat die beschikbaar is wanneer de vergunningsaanvraag voor het eerst wordt ingediend. In dat licht heeft hij een nieuw lid 3 toegevoegd, dat betrekking heeft op de informatie die na de eerste aanvraag ter beschikking gesteld wordt, en hij heeft de punten e) en f) van lid 2 van het Commissievoorstel naar dit lid overgebracht. Dat weerspiegelt de diverse punten van artikel 6, leden 2 en 6, van het Verdrag van Aarhus. Hetzelfde is gebeurd voor de nieuwe bijlage V van Richtlijn 96/61/EG, waar punt 1, f), van het Commissievoorstel naar het nieuwe punt 2 verplaatst is. 43. Van de laatste zin van lid 5 van het Commissievoorstel is een nieuw lid 6 gemaakt, om het vereiste van redelijke termijnen te veralgemenen. 44. Wat artikel 7, lid 1, betreft, heeft de Raad lid 1 van de basisrichtlijn volledig overgenomen en daarin de door de Commissie voorgestelde wijziging in gewijzigde vorm ingevoerd. 45. Artikel 7, lid 2, is in fine aangepast aan de opsplitsing van artikel 6, lid 3, van het Commissievoorstel (zie punt 42). 46. Artikel 3, lid 6, van de richtlijn, betreffende bijlage I, punt 22, neemt bijlage II van het Commissievoorstel over. De woorden "passende criteria" zijn geschrapt omdat zij niets toevoegen aan het begrip "drempelwaarden", dat alle relevante aspecten omvat. 47. Artikel 3, lid 7, bevat een verduidelijking van bijlage II van Richtlijn 85/337/EEG en herhaalt een formulering uit die bijlage. Ad artikel 4 (Richtlijn 96/61/EG) 48. De Raad heeft in de toevoeging betreffende artikel 2, lid 10, punt b), de woorden "passende criteria of" geschrapt om dezelfde redenen als die genoemd in punt 46. 49. De Raad heeft het voorstel voor artikel 15, lid 1, gewijzigd om te verduidelijken dat het publiek moet worden geraadpleegd wanneer een vergunning wordt afgegeven voor een nieuwe installatie dan wel met het oog op een belangrijke wijziging als gedefinieerd in artikel 2, lid 10, punt b). In het derde streepje is ook voorzien in inspraak van het publiek in geval van bijstelling van een vergunning overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 96/61/EG, indien de emissiegrenswaarden aanmerkelijk moeten worden gewijzigd. De Commissie is het niet eens met deze beperking, omdat daardoor belangrijke categorieën bijstellingen als bedoeld in artikel 13 uitgesloten worden, zoals bijstellingen om nieuwe technieken verplicht te stellen, ter verbetering van een veilige werking en om nieuwe wetgeving toe te passen; zij is namelijk van mening dat artikel 6, lid 10, van het Verdrag van Aarhus als beginsel de verplichting bevat dat bij elke bijstelling van een vergunning inspraak van het publiek vereist is. De Raad is evenwel van oordeel dat geen inspraak van het publiek nodig is wanneer de emissiegrenswaarden slechts weinig toenemen of de voorschriften voor de werking van een installatie worden aangescherpt, en merkt op dat het Verdrag van Aarhus inspraak in geval van bijstellingen alleen verplicht stelt "waar zulks passend is". 50. Wat de wijziging van artikel 17, lid 1, betreft, heeft de Raad aan het einde van dit lid de ongewijzigde tweede zin toegevoegd. 51. Met betrekking tot artikel 5 van de richtlijn heeft de Raad de datum van uitvoering gewijzigd. 52. Met betrekking tot bijlage I, punt f), stond de Raad voor de keuze om alle dan wel geen enkele van de op grond van Richtlijn 96/62/EG aangenomen "dochterrichtlijnen" te vermelden, en heeft voor de laatste oplossing geopteerd. Punt g) is geschrapt, aangezien Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen de voorschriften en procedures voor exploitanten die een aanpassingsplan voor een bestaande installatie indienen tot in detail regelt en weinig ruimte laat voor inspraak. De aanleg van een nieuwe stortplaats is onderworpen aan de in bijlage I, punt a), bedoelde afvalbeheerplannen overeenkomstig Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, en derhalve aan inspraak van het publiek. VII. CONCLUSIE 53. Het gemeenschappelijk standpunt beoogt het publiek de grootst mogelijke toegang tot milieubesluiten te geven en tegelijk voldoende flexibiliteit voor praktische regelingen op het niveau van de lidstaten te laten en om de voorschriften op het gebied van de inspraak van het publiek probleemloos in de dagelijkse bestuurlijke praktijk te integreren. Voorts worden in het gemeenschappelijk standpunt op verschillende plaatsen de bewoordingen van het Verdrag van Aarhus in ere hersteld, met dien verstande dat de niet-bindende delen zijn weggelaten. De Commissie stemt in met het gemeenschappelijk standpunt, behalve wat het onderdeel in punt 49 betreft. (1) PB C 154 E van 29.5.2001, blz. 123. (2) PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 125. (3) PB C 221 van 7.8.2001, blz. 65. (4) PB C 357 van 14.12.2001, blz. 58. (5) PB C ... (6) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40, als gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG (PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5). (7) PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. (8) 11878/1/01 ENV 441 INF 114 CODEC 882 REV 2 + ADD 1 REV 1.