This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52001PC0434
Proposal for a Council Regulation imposing a definitive anti-dumping duty and definitively collecting the provisional anti-dumping duty imposed on imports of certain iron or steel ropes and cables originating in the Czech Republic, Russia, Thailand and Turkey
Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije
Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije
/* COM/2001/0434 def. */
Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije /* COM/2001/0434 def. */
Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. Op 5 mei 2000 heeft de Commissie een bericht bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 127 van 5.5.2000, blz. 12) waarin zij de inleiding van een antidumpingprocedure aankondigde ten aanzien van de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit Tsjechië, de Republiek Korea, Maleisië, Rusland, Thailand en Turkije. 2. Bij Verordening (EG) nr. 230/2001 van 2 februari 2001 (PB L 34 van 3.2.2001, blz. 4) heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije, en verbintenissen die door bepaalde producten/exporteurs uit Tsjechië en Turkije werden aangeboden, aanvaard. 3. Bijgaand voorstel voor een verordening van de Raad is gebaseerd op de definitieve bevindingen inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap, waarin wordt bevestigd dat de instelling van definitieve antidumping maatregelen ten aanzien van Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije gerechtvaardigd is, en dat de procedure ten aanzien van de Republiek Korea en Maleisië moet worden beëindigd. 4. Voorts dienen de verbintenissen die door de medewerkende Thaise en Russische producten/exporteurs zijn aangeboden, te worden aanvaard. Dit zal gebeuren in een afzonderlijk besluit van de Commissie, tegelijkertijd met de beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer uit de Republiek Korea en Maleisië. 5. Het Raadgevend Comité is op 30 mei 2001 geraadpleegd. Negen lidstaten hebben een positief advies gegeven, vijf een negatief (DK, IRL, NL, S, UK) en één lidstaat heeft zich onthouden (D). 6. Er wordt derhalve voorgesteld dat de Raad zijn goedkeuring geeft aan bijgaand voorstel voor een verordening, die uiterlijk op 4 augustus 2001 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zou moeten worden bekendgemaakt. Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap [1], inzonderheid op artikel 9, [1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000 (PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2). Gezien het voorstel dat de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft voorgelegd, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE 1. Voorlopige maatregelen (1) Bij Verordening (EG) nr. 230/2001 van 2 februari 2001 [2] ("de verordening voorlopig recht") heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels ("staalkabel") uit Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije, en verbintenissen die door bepaalde producten/exporteurs uit Tsjechië en Turkije werden aangeboden, aanvaard. [2] PB L 34 van 3.2.2001, blz. 4. (2) Er werden geen voorlopige rechten ingesteld ten aanzien van de invoer uit de Republiek Korea ("Korea") en Maleisië, omdat de voor deze landen vastgestelde dumpingmarges minimaal bleken te zijn. 2. Vervolg van de procedure (3) Aansluitend op de mededeling van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten tot instelling van voorlopige antidumpingmaatregelen, hebben verschillende belanghebbende partijen schriftelijk opmerkingen ingediend. De partijen die om een onderhoud hadden verzocht, hebben de gelegenheid daartoe gekregen. (4) De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij noodzakelijk achtte om definitieve conclusies te trekken. (5) Alle partijen zijn in kennis gesteld van de de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan onderstaande aanbevelingen werden overwogen: - instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van staalkabel uit Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije, en definitieve inning van de bedragen die in de vorm van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld; - beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer van staalkabel uit Korea en Maleisië zonder dat er maatregelen worden ingesteld. (6) Er werd ook een termijn vastgesteld waarbinnen de belanghebbenden, na bekendmaking van deze informatie, hun standpunten konden uiteenzetten. (7) De door de belanghebbenden gemaakte mondelinge en schriftelijke opmerkingen werden onderzocht en de definitieve conclusies werden, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast. B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT 1. Betrokken product (8) In de verordening voorlopig recht werd het product omschreven als ijzeren of stalen kabels, gesloten kabels daaronder begrepen, met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings) (in de branche "staalkabel" genoemd). (9) Enkele belanghebbende partijen voerden andermaal aan dat staalkabel in twee groepen moest worden ingedeeld: sommigen maakten een onderscheid tussen staalkabel voor algemene doeleinden enerzijds en veeleisende toepassingen anderzijds, anderen tussen standaardkabel voor algemene doeleinden en kabel voor bijzondere toepassingen. Er werd betoogd dat zij niet als één enkel product konden worden aangemerkt vanwege hun uiteenlopende fysieke en technische kenmerken, de onderscheiden productie methoden, het feit dat zij nauwelijks onderling uitwisselbaar zijn, de gescheiden markten waarvoor wordt geproduceerd, en het ontbreken van noemenswaardige concurrentie. (10) Op dit puntzij allerereerst opgemerkt dat, ofschoon er velerlei soorten staalkabel worden vervaardigd die in fysiek en technisch opzicht in zekere mate van elkaar verschillen, zij toch allemaal dezelfde fysieke basiskenmerken hebben (d.w.z. de garens waaruit de strengen zijn opgebouwd, de strengen die om de kern worden geslagen en zo de kabels vormen, en de kern zelf) alsook dezelfde technische basiskenmerken (zij hebben allemaal een aantal garens per streng, een aantal strengen per kabel, een bepaalde diameter en een bepaalde constructie). Hoewel producten in het top- en het basissegment onderling niet uitwisselbaar zijn, zijn producten in aangrenzende segmenten dat wel. Derhalve werd geconcludeerd dat er tot op zekere hoogte sprake is van overlapping en concurrentie tussen staalkabel uit verschillende segmenten. Bovendien kunnen producten uit eenzelfde segment verschillende toepassingen hebben. (11) Ten tweede is het zo dat het onderscheid tussen staalkabel voor algemene doeleinden en staalkabel voor veeleisende toepassingen afhankelijk is van het gebruik dat ervan wordt gemaakt: er is m.a.w. staalkabel die op verschillende manieren kan worden ingezet in tegenstelling tot staalkabel die uitsluitend voor specifieke toepassingen bestemd is. Er zij opgemerkt dat de belanghebbende partijen niet hebben kunnen aantonen dat deze twee groepen duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Bovendien houdt deze indeling geen rekening met de rechtstreekse concurrentie die er bestaat, op het niveau van aangrenzende segmenten, tussen staalkabel voor algemene doeleinden en staalkabel voor specifieke toepassingen, die bijgevolg onderling uitwisselbaar zijn. (12) Het onderscheid tussen standaardkabel en kabel voor bijzondere toepassingen ten slotte verwijst naar de productiemethode die ofwel een norm volgt (ISO, DIN enz.) ofwel net niet ("bijzondere staalkabel"; bijzondere kabel is soms een variatie op de norm), ongeacht de specifieke toepassing van de kabel. Er zij opgemerkt dat de fysieke en technische basiskenmerken gemeenschappelijk zijn voor zowel standaardkabel als bijzondere kabel. Bovendien zijn er aangrenzende segmenten waarin standaardkabel concurreert met bijzondere kabel, omdat zij voor dezelfde toepassingen kunnen worden gebruikt en bijgevolg uitwisselbaar zijn. (13) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 9 tot 13 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 2. Soortgelijk product (14) In de verordening voorlopig recht werd de conclusie getrokken dat de staalkabel die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd vervaardigd en verkocht op de communautaire markt, vergelijkbaar was met de staalkabel die door de betrokken landen naar de Gemeenschap werd uitgevoerd alsmede die welke in de betrokken landen werd vervaardigd en daar op de binnenlandse markt werd verkocht. Evenzo werd geconcludeerd dat de staalkabel die in Korea werd vervaardigd en daar op de binnenlandse markt werd verkocht, vergelijkbaar was met de uit Rusland naar de Gemeenschap uitgevoerde staalkabel. (15) Sommige belanghebbenden betoogden dat de staalkabel die door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap werd verkocht, niet vergelijkbaar was met die welke uit de betrokken landen werd ingevoerd, met name omdat de uit de betrokken landen ingevoerde staalkabel hoofdzakelijk voor algemene doeleinden bestemd was, terwijl die welke door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd verkocht, grotendeels voor veeleisende toepassingen bestemd was. Als er al een procedure werd ingeleid, diende deze derhalve te worden beperkt tot staalkabel voor algemene doeleinden. Tevens werd verzocht staalkabel voor projecten uit te sluiten van de werkingssfeer van de maatregelen, omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap als leverancier op de communautaire markt vrijwel de volledige exclusiviteit had. (16) Er zij aan herinnerd dat in antidumpingprocedures het betrokken product en het soortgelijk product worden gedefinieerd aan de hand van de fysieke, technische en/of chemische basiskenmerken en het primaire gebruik van het product. Als het betrokken product, d.w.z. het product dat wordt vervaardigd in de betrokken landen en naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, eenmaal is gedefinieerd, dient te worden nagegaan of het product dat in de betrokken landen wordt vervaardigd en daar op de binnenlandse markt wordt verkocht, en het product dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd en in de Gemeenschap wordt verkocht, vergelijkbaar zijn met het betrokken product. Het feit dat een bepaalde productsoort niet in de Gemeenschap wordt vervaardigd, doet hier niet terzake. (17) In het bijzonder wat staalkabel voor projecten betreft, die wordt ontworpen volgens de specificaties van de klant en vervaardigd ná de sluiting van een overeenkomst ter uitvoering van een opdracht die in een aanbestedingsprocedure werd gegund, zij erop gewezen dat ook deze kabel dezelfde fysieke en technische basiskenmerken heeft als andere staalkabel. Ook al heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap een onmiskenbaar voordeel door haar geografische nabijheid, moet hoe dan ook worden opgemerkt dat niets de producenten/exporteurs belet aan aanbestedingen deel te nemen. (18) De conclusie luidde derhalve dat de fysieke en technische basiskenmerken en het primaire gebruik van de uit de betrokken landen ingevoerde staalkabel vergelijkbaar waren met die van de staalkabel die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd vervaardigd en in de Gemeenschap werd verkocht. (19) Gezien het vorenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 14 tot 16 van de verordening voorlopig recht bevestigd. C. DUMPING 1. Algemene werkwijze (a) Normale waarde (20) Enkele medewerkende producenten/exporteurs betwistten de methode voor de vaststelling van de bedragen van de winst waarmee de productiekosten en de verkoop-, algemene en administratiekosten (VAA-kosten) werden vermeerderd in de gevallen dat de normale waarden bij berekening dienden te worden vastgesteld. Ten aanzien van de medewerkende Russische en Thaise producenten/exporteurs zou de Commissie, door zich voor de vaststelling van de totale nettowinst uitsluitend op de verkochte hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties te baseren in plaats van op de totale omzet van de volledige binnenlandse verkoop van het betrokken product, de winstmarge in onredelijke mate opdrijven. Ten aanzien van de medewerkende Tsjechische producent/exporteur had de Commissie de binnenlandse verkoop van soorten staalkabel waarvan de omvang minder dan 5% van de uitvoer van dezelfde soort naar de Gemeenschap bedroeg, buiten beschouwing moeten laten. Aangezien de prijzen van dergelijke verkoop doorgaans niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de normale waarde omdat ze niet voldoende representatief zijn, zouden zij ook bij de vaststelling van de winstmarge buiten beschouwing moeten blijven. (21) Overeenkomstig de inleidende bepaling van artikel 2, lid 6, van Verordening (EG) nr. 384/96 ("de basisverordening") moeten de bedragen van de winst worden gebaseerd op gegevens over de productie en de verkoop, in het kader van normale handelstransacties, van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het land van uitvoer, als deze gegevens beschikbaar zijn. Er is derhalve geen reden om de redelijke winstmarge uit te drukken op basis van een reeks gegevens waarin ook de verkoop is opgenomen die buiten beschouwing moet worden gelaten omdat hij niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt ook dat, als er eenmaal is vastgesteld dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief is overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, het dienstig is de totale verkoop in aanmerking te nemen die in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden. Bovendien is het winstcijfer dat bij de berekening van de normale waarde wordt gebruikt, vastgesteld op het niveau van de onderneming en het soortgelijke product. De binnenlandse verkoop van een bepaald model in het kader van normale handelstransacties kan een afwijkend resultaat opleveren als de verkochte hoeveelheden niet representatief zijn ten opzichte van het exportvolume. De prijzen van deze verkoop worden dus buiten beschouwing gelaten omdat zij niet representatief worden geacht voor de vaststelling van de normale waarde voor een vergelijkbaar geëxporteerd model. De invloed van eventuele niet-representatieve gegevens wordt geneutraliseerd wanneer de verkoopcijfers van alle op de binnenlandse markt verkochte modellen op het niveau van de onderneming worden geaggregeerd, waarbij als voorwaarde geldt dat de totale binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties meer dan 5% van de uitvoer naar de Gemeenschap moet hebben vertegenwoordigd. (22) De medewerkende Thaise producent/exporteur plaatste voorts ook vraagtekens bij de redelijkheid van de winstmarge die volgens bovenstaande werkwijze werd vastgesteld. De vastgestelde winstmarge was evenwel gebaseerd op de onverkorte toepassing van de geschikte methoden op de door de medewerkende producent/exporteur verstrekte gegevens. (23) Deze verzoeken werden derhalve afgewezen. (24) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 18 tot 25 en 68 tot 70 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Uitvoerprijs en vergelijking (25) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de algemene werkwijze voor de vaststelling van de uitvoerprijs en de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 26 tot 28 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Dumpingmarges voor de onderzochte ondernemingen (26) De algemene werkwijze voor de vaststelling van de dumpingmarges voor de onderzochte ondernemingen, die is uiteengezet in overweging 29 van de verordening voorlopig recht, wordt bevestigd. (27) Ten slotte zij opgemerkt dat in de gevallen waar een producent/exporteur meer dan één productsoort naar de Gemeenschap uitvoerde, de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor het geheel werd berekend aan de hand van de dumping voor iedere soort, zonder dat daarbij de negatieve verschillen tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, die eventueel bij individuele soorten werden vastgesteld, tot nul werden herleid. (d) Dumpingmarge voor niet-medewerkende ondernemingen (28) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de algemene werkwijze voor de vaststelling van de residuele dumpingmarges, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 30 tot 34 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 2. Tjechië (29) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de niet-medewerking van één producent/exporteur uit Tsjechië, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 35 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (a) Normale waarde (30) Na de instelling van voorlopige maatregelen heeft DB a.s. bijkomende uitleg verstrekt over de allocatie van VAA-kosten. De VAA-kosten werden herzien door de elementen waarvan ten genoegen van de Commissie werd aangetoond dat zij geen betrekking hadden op de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product, in mindering te brengen. (b) Uitvoerprijs (31) DB a.s. stelde dat bij de bepaling van de uitvoerprijs geen rekening mocht worden gehouden met de uitvoer naar de Gemeenschap via zijn verbonden exporteur, omdat deze verbonden exporteur volgens de onderneming niet langer staalkabel naar de Gemeenschap uitvoerde sinds DB a.s. in september 2000 (na afloop van het OT) één van haar fabrieken had ontmanteld waar het grootste gedeelte van de staalkabel was vervaardigd die door de verbonden exporteur tijdens het OT was verkocht. (32) Dit argument kon niet worden aanvaard. Ontwikkelingen die plaatsgrijpen nádat het OT is afgelopen, kunnen bij uitzondering in aanmerking worden genomen als zou blijken dat de instelling van het antidumpingrecht op basis van de bevindingen uit het OT duidelijk zijn doel mist. Deze ontwikkelingen kunnen immers enkel worden meegewogen als de effecten ervan duidelijk, onbetwist en van blijvende aard zijn, niet gemanipuleerd kunnen worden en niet het gevolg zijn van een doelbewuste actie van belanghebbende partijen. De loutere sluiting van één van de fabrieken belet de verbonden exporteur niet staalkabel te verkopen die in de andere fabriek van DB a.s. werd vervaardigd. Er zij hier trouwens ook opgemerkt dat deze verbonden exporteur gedurende het OT bij gelegenheid staalkabel uit die andere fabriek verkocht heeft. Daarom werd geconcludeerd dat niet aan de voorwaarden was voldaan om bij de vaststelling van de uitvoerprijs voor DB a.s. rekening te houden met de aangevoerde stopzetting van de uitvoer van staalkabel door de verbonden exporteur. (33) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 38 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Vergelijking (34) DB a.s. betwistte de correctie van 5% voor de fictieve commissie die in mindering werd gebracht op de prijzen die door de verbonden exporteur aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werden aangerekend, omdat er geen verband zou bestaan met een werkelijk betaalde commissie. Voorts stelde de onderneming dat de verbonden exporteur als de exportafdeling van DB a.s. had moeten worden beschouwd. Omdat beide ondernemingen verbonden waren en één enkele economische entiteit vormden, meende zij dat het in mindering brengen van een fictieve commissie niet gerechtvaardigd was. (35) Uit het onderzoek bleek dat de verbonden exporteur niet in de plaats treedt van de exportafdeling van DB a.s. De exportafdeling van DB a.s. wikkelt immers zelf ook export af zonder dat de verbonden exporteur hierbij betrokken is. Een billijke vergelijking op het niveau "af fabriek" vereist dat een bedrag in mindering wordt gebracht op de prijzen die de verbonden exporteur aanrekent aan onafhankelijke ondernemers in de Gemeenschap, uitgaande van een fictieve commissie die overeenstemt met de extra commerciële rol van de verbonden exporteur, die kan worden vergeleken met de rol van een handelaar die op commissiebasis werkt. De correctie van 5% werd daarom gehandhaafd. (36) DB a.s. verzocht om een correctie van de berekende normale waarden voor verpakkingskosten, omdat deze kosten deel uitmaakten van de VAA-kosten en de uitvoerprijs was gecorrigeerd voor de kosten van de klossen. De Commissie stelde vast dat de door DB a.s. betoogde verschillen tussen de verpakkingskosten in de uitvoerprijs enerzijds en in de normale waarde op het niveau "af fabriek" anderzijds niet bestonden. De aangegeven bedragen voor vervoer, verzekering en verpakking in het kader van de VAA-kosten omvatten immers op geen enkele wijze verpakkingskosten, aangezien zij gelijk waren aan de bedragen die werden gevraagd als correctie voor uitsluitend vervoer en verzekering in het binnenland. Zelfs in de veronderstelling dat DB a.s. had vergeten de kosten voor vervoer, verzekering en verpakking op te splitsen om de correcties op de normale waarde te vragen, was dit verzoek niet gegrond omdat er een correctie was toegepast ten belope van het aangegeven bedrag voor vervoer en verzekering in het binnenland. Dit verzoek werd derhalve afgewezen. (37) De correctie voor vervoerkosten voor één transactie werd herzien aan de hand van de werkelijke kosten, omdat in het voorlopige stadium bij gebrek aan andere informatie van een schatting was uitgegaan. (38) De voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 39 en 40, worden derhalve, rekening houdend met bovengenoemde rectificatie, bevestigd. (d) Dumpingmarge (39) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (40) Na controle van de berekeningen bedraagt de definitief vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - DB a.s.: 30,7% (41) Aangezien er op dit punt geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen, wordt de in overweging 43 van de verordening voorlopig recht uiteengezette werkwijze voor de vaststelling van de residuele dumpingmarge bevestigd. Op basis hiervan bedraagt de definitieve residuele dumpingmarge 47,1%. 3. Republiek Korea (a) Normale waarde (42) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de normale waarde, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 45 tot 49 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Uitvoerprijs (43) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 50 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Vergelijking (44) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 51 tot 54 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (d) Dumpingmarge (45) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (46) Na controle van de berekeningen bedragen de definitief vastgestelde dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - Kiswire Ltd.: 0% - Chung Woo Rope Co.: 0% - DSR Wire Corp.: 0%. (47) In overweging 57 van de verordening voorlopig recht werd vastgesteld dat de drie medewerkende producenten/exporteurs volgens de invoercijfers van Eurostat goed waren voor de volledige uitvoer van het betrokken product uit Korea naar de Gemeenschap. De indiener van de klacht stelde dat Koreaanse producenten die geen medewerking aan het onderzoek verleenden, tijdens het OT naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd, en betoogde dat er derhalve misschien een residueel recht diende te worden ingesteld. De Commissie heeft daarop kunnen bevestigen dat er inderdaad ten minste één niet-medewerkende producent tijdens het OT naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd. (48) Ofschoon het niveau van de medewerking hoog was, werd vastgesteld dat één producent bewust niet had meegewerkt. De residuele dumpingmarge werd daarom vastgesteld op het niveau van de hoogste dumpingmarge die voor representatieve transacties van medewerkende producenten/exporteurs was vastgesteld. (49) Ten slotte werd voor Korea ook een gewogen gemiddelde dumpingmarge herberekend. Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening diende hiertoe een raming te worden gemaakt van het aandeel dat niet-medewerkende exporteurs hadden in de uitvoer naar de Gemeenschap. Daarvoor werd gebruik gemaakt van gegevens uit een eerdere procedure met betrekking tot hetzelfde product. De hieruit voortvloeiende dumpingmarge voor Korea, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt minder dan 2%. Overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de basisverordening, dient het onderzoek ten aanzien van de Republiek Korea derhalve te worden beëindigd. 4. Maleisië (a) Normale waarde (50) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de normale waarde, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 59 en 60 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Uitvoerprijs (51) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 61 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Vergelijking (52) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 62 en 63 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (d) Dumpingmarge (53) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (54) Na controle van de berekeningen bedraagt de definitief vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - Kiswire Sdn. Bhd.: 0% (55) De indiener van de klacht betoogde dat Maleisische producenten die niet aan het onderzoek hadden meegewerkt, mogelijkerwijze tijdens het OT naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd. Aangezien deze bewering niet met bewijsmateriaal werd gestaafd, kon de Commissie niet bevestigen of er tijdens het onderzoektijdvak inderdaad door niet-medewerkende producenten naar de Gemeenschap was uitgevoerd. (56) De voorlopige conclusies die zijn uiteengezet in overweging 66 van de verordening voorlopig recht, worden aldus bevestigd. Overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de basisverordening dient het onderzoek ten aanzien van Maleisië derhalve te worden beëindigd. 5. Thailand (a) Normale waarde (57) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de normale waarde, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 68 en 70 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Uitvoerprijs (58) De medewerkende producent/exporteur stelde dat de Commissie gegevens inzake winstmarges die zij van zijn verbonden importeurs had gekregen, had moeten gebruiken bij de samenstelling van de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening. Voorts voerde hij aan dat de verbonden importeurs ook optraden als niet-verbonden importeurs voor invoer van het soortgelijke product uit derde landen en dat de in die transacties behaalde winstmarges moesten worden gebruikt. (59) Artikel 2, lid 9, van de basisverordening bepaalt echter dat de winstmarge die wordt gebruikt voor de samenstelling van de uitvoerprijs, redelijk dient te zijn. Er zij opgemerkt dat een van de betrokken verbonden importeurs geen enkele winst maakt en dat de winst van de andere betrokken verbonden importeur slechts 0,8% van de omzet vertegenwoordigt. Deze winstniveaus konden niet als redelijk worden beschouwd, met name wanneer zij worden vergeleken met de winstmarge die werd behaald door medewerkende niet-verbonden importeurs in een eerdere procedure ten aanzien van hetzelfde product. (60) Bovendien is het twijfelachtig of de winstmarge die een verbonden importeur behaalt wanneer hij naar eigen zeggen als een niet-verbonden importeur handelt, als betrouwbaar kan worden beschouwd, aangezien deze naar alle waarschijnlijkheid beïnvloed zal zijn door de verkoop tegen verrekenprijzen tussen verbonden partijen. (61) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 71 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Vergelijking (62) De medewerkende producent stelde dat de door de Commissie toegepaste werkwijze voor de correctie van de normale waarden van individuele soorten, die volgens de producent/exporteur sterk op elkaar geleken, teneinde deze op een niveau te brengen dat vergelijkbaar is met de uitvoerprijs, niet correct is, omdat deze correctie, naast het verschil in fabricagekosten, ook een bedrag voor VAA-kosten en winst omvat dat er niet in opgenomen zou mogen worden. (63) Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening komt het bedrag van de correctie voor verschillen in "fysieke kenmerken" overeen met een redelijke raming van de marktwaarde van het verschil. Deze redelijke raming kan derhalve niet worden beperkt tot verschillen in fabricagekosten maar moet ook een redelijk bedrag voor verkoop-, algemene en administratiekosten en voor winst omvatten. (64) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 72 en 73 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (d) Dumpingmarge (65) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (66) Na controle van de berekeningen bedraagt de definitief vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - Usha Siam Steel Industries Ltd.: 28.9%. (67) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de residuele dumpingmarge, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 76 van de verordening voorlopig recht, bevestigd en op basis hiervan bedraagt de definitieve residuele dumpingmarge 42,8%. 6. Turkije (a) Normale waarde en uitvoerprijs (68) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de werkwijze voor de vaststelling van de normale waarde en de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 78 tot 80 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Vergelijking (69) Er werd nieuw bewijsmateriaal voorgelegd met betrekking tot de door één producent/exporteur gevraagde correctie van de normale waarde voor een belasting van 3% op de invoer van grondstoffen die met uitstel van betaling waren aangekocht, maar welke belasting niet zou worden geïnd voor grondstoffen voor de vervaardiging van voor de uitvoer bestemde staalkabel. Er werd ten genoegen van de Commissie aangetoond dat de belasting van 3% werd geheven over de grondstoffen die werden verwerkt in op de binnenlandse markt verkochte staalkabel, terwijl zij niet werd geïnd voor de grondstoffen die werden verwerkt in naar de Gemeenschap uitgevoerde staalkabel. Dit verzoek werd derhalve aanvaard. (70) Eén producent/exporteur herhaalde zijn verzoek om correcties van de normale waarde voor verschillen in handelsstadium met het argument dat alle uitvoer naar de Gemeenschap aan kleinhandelaren werd verkocht, terwijl op de binnenlandse markt zowel aan kleinhandelaren als aan eindgebruikers werd verkocht. Er werden nieuwe toelichtingen gegeven en nieuw bewijsmateriaal voorgelegd ter onderbouwing van het argument dat deze producent/exporteur in deze twee distributiekanalen een verschillende functie vervulde. De bovengenoemde informatie werd verstrekt toen het onderzoek al uitermate ver gevorderd was, en er was voordien nooit melding van gemaakt, hoewel er vragen waren gesteld in verband met de verschillen in de uitgeoefende functie ten aanzien van binnenlandse eindverbruikers en kleinhandelaren, zowel bij de herziening van het antwoord op de vragenlijst als nadien ter plaatse. Het antwoord op de vragenlijst, het antwoord op het verzoek om bijkomende informatie en ter plaatse ontvangen toelichtingen gaven als enige verklaring voor het prijsverschil dat kleinhandelaren het product moesten verder verkopen en daarom geen prijzen op gebruikersniveau konden aanvaarden. Bovendien ging de Commissie een tweede maal na of er bij voortduring sprake was van een prijsverschil aan de hand van een vergelijking van de aan eindgebruikers en kleinhandelaren aangerekende prijzen voor dezelfde soort staalkabel in dezelfde maand, gezien de hoge inflatie in Turkije gedurende het OT. Deze vergelijking toonde aan dat de prijzen binnen eenzelfde categorie van binnenlandse afnemers sterk varieerden en leidde niet tot de vaststelling dat de prijzen voor eindgebruikers bij voortduring hoger waren. Onder deze omstandigheden wordt het verzoek afgewezen en worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 83 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (71) De voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 81 en 83 tot 88 van de verordening voorlopig recht, worden derhalve, rekening houdend met bovengenoemde rectificatie, bevestigd. (c) Dumpingmarge (72) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (73) Na controle van de berekeningen bedragen de definitief vastgestelde dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - Celik Halat ve Tel Sanayii A.S: 55,2% - Has Celik ve Halat San Tic A.S: 17,8%. (74) Aangezien er op dit punt geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen, wordt de werkwijze voor de vaststelling van de residuele dumpingmarge, die is uiteengezet in overweging 91 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. Op basis hiervan wordt de definitieve residuele dumpingmarge vastgelegd op hetzelfde niveau als de hoogste marge die werd vastgesteld voor de medewerkende ondernemingen, d.w.z. 55,2%. 7. Rusland (a) Algemeen (i) Analyse van de status van marktgericht bedrijf (75) Aangezien er op dit punt geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen, wordt de conclusie inzake de niet-medewerking van één Russische producent/exporteur aan het onderzoek bevestigd. Na de publicatie van de verordening voorlopig recht hebben de medewerkende producenten/exporteurs opmerkingen ingediend met betrekking tot de toekenning van de status van marktgericht bedrijf ("SMB"), waarin hoofdzakelijk eerder gemaakte opmerkingen werden herhaald, die al waren ingediend na de mededeling van het voorgestelde besluit terzake en beantwoord bij de mededeling van de voorlopige conclusies. Er zij opgemerkt dat, aangezien JSC ChSPZ al opmerkingen had kunnen maken na de mededeling van het voorgestelde besluit over de verzoeken inzake de toekenning van de status van marktgericht bedrijf en deze opmerkingen geen nieuwe feiten of overwegingen hadden opgeleverd die de conclusies van de Commissie ter discussie stelden, de toekenning van de status van marktgericht bedrijf geldt gedurende de volledige looptijd van het onderzoek overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. De bezwaren die na de publicatie van de verordening voorlopig recht werden geuit, zouden hoe dan ook geen verschil hebben gemaakt bij de toekenning van deze status. (76) De medewerkende producent/exporteur betwistte de afwijzing van zijn verzoek inzake de toekenning van de status van marktgericht bedrijf op grond van drie hoofdargumenten: (i) de niet-naleving van de termijn van drie maanden voor het nemen van het besluit vormde een inbreuk op het juridische kader dat hem was voorgehouden, zijn recht op verdediging en het beginsel van goed bestuur; (ii) het verzoek om de vragenlijst inzake dumping in zijn geheel te beantwoorden (inclusief gegevens die relevant waren voor de vaststelling van de normale waarde) creëerde een overbodige werkdruk voor de onderneming; en (iii) voor de toekenning van de status van marktgericht bedrijf werd uitgegaan van een verkeerde interpretatie van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening en een onjuiste interpretatie of analyse van de feitelijke situatie van de aanvrager. Met name de kosten waarvan werd vastgesteld dat er geen sterke overeenstemming bestond met de marktwaarden, betroffen volgens de producent/exporteur geen kerngegevens; voorts betoogde hij dat hij wel degelijk één duidelijke basisboekhouding had (namelijk de boekhouding die werd gevoerd volgens de Russische regels), dat zijn boekhouding in een onafhankelijke audit overeenkomstig internationale verslagleggingsnormen was gecontroleerd en dat bestaande verschillen tussen de Russische en de internationale verslagleggingsnormen konden worden gecorrigeerd of met elkaar in overeenstemming worden gebracht en niet tot een afwijzing van zijn verzoek om toekenning van de status van marktgericht bedrijf moesten leiden. Voorts stelde hij dat betalingen via schuldcompensatie gedurende het OT een uitzondering hadden gevormd en dat zij hadden plaatsgevonden op basis van werkelijke marktwaarden, betrekking hadden op kleine kostenposten die geen verband hielden met het betrokken product, en niet kon worden aangemerkt als ruil- of compensatiehandel. (77) Ofschoon niet wordt betwist dat de Commissie er niet in geslaagd is haar besluit inzake de toekenning van de status van markgericht bedrijf te nemen binnen drie maanden na de inleiding van het onderzoek, heeft zij haar conclusies aan de onderneming meegedeeld zodra zij daartoe in staat was, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur. Het recht op verdediging van de producent/exporteur en zijn verwachting dat hij opmerkingen zou kunnen maken op een voorstel inzake de toekenning van de status van marktgericht bedrijf en daarvoor relevante informatie zou kunnen indienen, zijn echter in generlei wijze in het geding geweest, aangezien hij is verzocht zijn standpunten en tegenargumenten betreffende het voorgestelde besluit uiteen te zetten, binnen een redelijke periode, alsmede zijn opmerkingen te geven met betrekking tot de keuze van het referentieland. Zoals hierboven vermeld, hebben de opmerkingen die werden ontvangen naar aanleiding van de mededeling van het besluit inzake de toekenning van de status van markgericht bedrijf, geen nieuwe feiten of overwegingen opgeleverd die de conclusies van de Commissie ter discussie stelden. (78) Het verzoek om de vragenlijst in zijn geheel te beantwoorden was ingegeven door de wens de Commissie in staat te stellen de normale waarde vast te stellen op basis van de door de onderneming verstrekte gegevens in het geval dat de status van marktgericht bedrijf gerechtvaardigd was. Wat betreft de werkdruk die het beantwoorden van de vragenlijst met zich meebrengt, zij erop gewezen dat sommige gegevens die als antwoord op de vragenlijst moesten worden verstrekt, ook hadden moeten worden gebruikt voor het verzoek om toekenning van de status van markgericht bedrijf. In ieder geval is voldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de producent/exporteur, die tweemaal een verlenging van een week heeft gekregen op de oorspronkelijke uiterste termijn. (79) In tegenstelling tot de door de onderneming verstrekte gegevens bleek bij de controle ter plaatse en de toelichtingen van de onderneming dat de kosten van meerdere belangrijke factoren geen sterke overeenstemming met de marktwaarden vertoonden. Het is belangrijk op te merken dat de onderneming meer dan één financiële rekening had. Zij verstrekte (i) financiële staten in US dollar die waren opgesteld overeenkomstig internationale verslagleggingsnormen maar niet waren gecontroleerd, en (ii) financiële staten die waren gecontroleerd overeenkomstig Russische normen, die echter verschilden van de IAS-normen. Op herhaalde verzoeken om meer uitleg over de wijze waarop de vastgestelde discrepanties tussen deze uiteenlopende financiële staten met elkaar in overeenstemming konden worden gebracht, werd geen antwoord ontvangen. De onderneming bewees aldus dat zij niet over één enkele financiële rekening beschikte. Voorts werd geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat deze financiële staten in een onafhankelijke audit waren gecontroleerd overeenkomstig internationale verslagleggingsnormen. In de financiële staten in US dollar voor het jaar 1998 werd melding gemaakt van talloze "driehoekstransacties". De onderneming kon geen dergelijke financiële staten voor 1999 overleggen, waaruit zou kunnen worden afgeleid of zij deze praktijk tijdens het OT had gestaakt, en de Commissie stelde vast dat voor een aanzienlijk aantal transacties (grondgebruik in 1999, watervoorziening, m.a.w. algemene uitgaven die betrekking hebben op alle producten) de betalingen ten dele door een andere onderneming dan wel gezamenlijk waren verricht, een praktijk waarvan de onderneming zelf het bestaan toegaf. (ii) Keuze van het referentieland (80) Na de publicatie van de verordening voorlopig recht uitte de indiener van de klacht zijn bedenkingen over de keuze van Korea als referentieland in plaats van Tsjechië, dat in het bericht van aanleiding (samen met Brazilië) als een geschikt vergelijkbaar land was overwogen. De indiener van de klacht stelde dat de keuze van Korea Russische producenten/exporteurs bevoordeelde, zoals bleek uit het verschil tussen de voorlopige dumpingmarges van Rusland en Tsjechië. Ook het feit dat de Tsjechische en Russische producenten eenzelfde assortiment van staalkabelproducten voor de binnenlandse markt en voor de uitvoer aanboden, zou de motivering in overweging 99 van de verordening voorlopig recht om Tsjechië niet als referentieland te kiezen, ongeldig maken. (81) Alle belanghebbende partijen werden te gepasten tijde in de loop van het onderzoek in kennis gesteld van de redenen op grond waarvan werd overwogen Korea als een geschikt derde land met een markteconomie te kiezen. Alleen van de betrokken producenten/exporteurs werden opmerkingen ontvangen en zij stemden in met deze keuze. Bij ontstentenis van bezwaren werd Korea gekozen als geschikt vergelijkbaar land. Bovendien doet het feit dat het assortiment van de Tsjechische en Russische producenten dezelfde soorten staalkabel omvat, in deze absoluut niet terzake, aangezien er slechts een kleine overlapping bestond tussen de soorten staalkabel die de Russische producenten/exporteurs naar de Gemeenschap uitvoerden en die welke de Tsjechische medewerkende producent/exporteur op zijn binnenlandse markt verkocht gedurende het OT. Er werden geen andere argumenten aangevoerd die de geschiktheid van Korea als vergelijkbaar land ter discussie stelden. (82) Onder deze omstandigheden werd de keuze van Korea als een geschikt vergelijkbaar land gehandhaafd. (iii) Individuele behandeling (83) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de individuele behandeling, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 101 tot 105 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Normale waarde (84) De medewerkende producent/exporteur betoogde dat het gebruik van berekende normale waarden zijn dumpingmarge al te sterk opdreef. Hij stelde voor een ruimer gebruik te maken van de prijzen voor de binnenlandse verkoop door een aantal kenmerken die werden gebruikt om de verschillende modellen en soorten staalkabel te definiëren, minder strikt te interpreteren en zodoende het aantal soorten dat op de Koreaanse markt werd verkocht en vergelijkbaar was met de soorten die hij naar de Gemeenschap had uitgevoerd, te verhogen. (85) Artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening bepaalt dat bij de invoer uit landen zoals Rusland de normale waarden worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met markteconomie, tenzij een producent/exporteur aan de onder c) van bovengenoemd lid vermelde criteria voldoet. Het was derhalve niet mogelijk dit verzoek in te willigen. (86) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 106 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Uitvoerprijs (87) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de vaststelling van de uitvoerprijs, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 107 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (d) Vergelijking (88) De medewerkende producent/exporteur betwistte de werkwijze waarbij de correcties van de uitvoerprijzen voor vervoer- en aanverwante kosten (op- en overslag en aanverwante kosten) werden vastgesteld aan de hand van kosten in het referentieland. Hij stelde dat dit aan de hand van zijn eigen kosten diende te gebeuren, aangezien hij een beroep deed op onafhankelijke vervoerders en verzekeraars en zijn kosten daarom de marktprijzen volgden. Een dergelijke werkwijze zou ook in overeenstemming zijn met de werkwijze die de Commissie volgt bij de correcties voor commissielonen, verpakkingskosten en kredietverlening. Indien dat onmogelijk zou blijken, verzocht de medewerkende producent/exporteur om de correctie voor vervoerkosten, die hij onredelijk achtte, te controleren. (89) Het verzoek om de correctie te baseren op de vervoer- en aanverwante kosten van de Russische producent/exporteur kon niet worden ingewilligd. Deze producent werd immers niet behandeld als marktgericht bedrijf. Bovendien was er geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit bleek dat deze kosten op marktwerking gebaseerd waren. De correctie voor vervoerkosten werd gebaseerd op gegevens die werden verzameld en gecontroleerd in het referentieland. Overeenkomstig het verzoek werd de uitkomst hiervan opnieuw gecontroleerd en bevestigd. (90) Naar aanleiding van bovengenoemd verzoek en in het licht van de conclusies die zijn uiteengezet in de voorgaande alinea, herzag de Commissie haar werkwijze inzake verpakkingskosten en baseerde zij de correctie op gegevens die zij had verkregen bij de producent in het referentieland. (91) De correcties op de uitvoerprijzen voor kosten van kredietverlening en commissielonen bleven onveranderd, omdat het niet waarschijnlijk was dat deze werden verstoord door het ontbreken van markteconomische voorwaarden. (92) De voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 108 en 109, worden derhalve, rekening houdend met bovengenoemde rectificatie, bevestigd. (e) Dumpingmarge (93) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van iedere soort van het betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van iedere overeenkomstige soort. (94) Na controle van de berekeningen bedraagt de definitief vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor: - Cherepovetsky Staleprokatny Zavod: 36,1%. (95) Aangezien er op dit punt geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen, wordt de werkwijze voor de vaststelling van de residuele dumpingmarge, die is uiteengezet in overweging 112 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. Op basis hiervan bedraagt de definitieve residuele dumpingmarge 50,7%. D. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP (96) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de bedrijfstak van de Gemeenschap, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 114 tot 120 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. E. SCHADE 1. Inwinning van gegevens over schade (97) Enkele belanghebbende partijen waren het niet eens met de werkwijze van de Commissie om bij de volledige bedrijfstak van de Gemeenschap gegevens in te zamelen over het betrokken product met betrekking tot de productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoop, voorraden en werkgelegenheid, en om de analyse van de resterende schade-indicatoren te baseren op een steekproef van ondernemingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zij betoogden dat deze werkwijze het de Commissie naar verluidt niet mogelijk maakte aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 3, lid 5, van de basisverordening te voldoen. (98) Bij de vaststelling van haar voorlopige conclusies heeft de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van invloed zijn, beoordeeld en de in artikel 17 van de basisverordening beschreven steekproefmethode gebruikt. Het gebruik van de steekproefmethode, die naadloos aansluit bij de vereisten uit hoofde van artikel 3, lid 5, van de basisverordening, bleek noodzakelijk vanwege het aantal klagende/de klacht steunende EG-producenten en de behoefte om het onderzoek te beperken tot een redelijk aantal partijen die redelijkerwijze konden worden onderzocht binnen de beschikbare tijdsspanne (een steekproef van vijf ondernemingen). Er zij opgemerkt dat geen enkele belanghebbende de selectie van de in de steekproef op te nemen partijen noch de representativeit ervan heeft betwist. (99) Gezien het vorenstaande wordt de werkwijze, die is uiteengezet in de overwegingen 123 tot 125 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 2. Zichtbaar verbruik in de Gemeenschap (100) Eén belanghebbende partij betwistte de uitspraak in overweging 128 dat de daling van het zichtbare verbruik in 1999 te verklaren was door de verkoop uit de voorraden die de importeurs/handelaars in 1998 hadden opgebouwd. Hij stelde dat de daling van het zichtbare verbruik terug te voeren was op het besluit van de communautaire scheepvaart- en visserijbranche om staalkabel in derde landen te kopen zonder deze in de Gemeenschap in te klaren en op het besluit van een aantal importeurs om hun verkoop van staalkabel aan offshore-olieplatforms buiten de Gemeenschap op te voeren, teneinde niet de gevolgen van de instelling van de antidumpingmaatregelen te ondervinden. (101) Ten eerste is het belangrijk op te merken dat er geen bewijsmateriaal werd voorgelegd om deze bewering te staven. (102) Ten tweede wordt eraan herinnerd dat het zichtbare verbruik, d.w.z. de omvang van de verkoop van EG-producenten en de omvang van de invoer uit derde landen in de Gemeenschap, niet noodzakelijk het werkelijke verbruik van de betrokken gebruikers weerspiegelt. (103) Ten slotte is het, gezien het lage percentage dat staalkabel in de totale kosten van de gebruikers vertegenwoordigt - zoals in het kader van het eerdere onderzoek is vastgesteld -, onwaarschijnlijk dat de scheepvaart- en visserijbranche hun aankopen van staalkabel zouden laten afhangen van hun route. (104) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 126 tot 128 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 3. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer (105) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 129 tot 132 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 4. Invoer uit de betrokken landen (a) Omvang en marktaandeel van de invoer met dumping (106) De Thaise producent/exporteur stelde dat zijn uitvoer naar de Gemeenschap gedurende het volledige onderzoektijdvak te verwaarlozen was. (107) De invoer van staalkabel uit Thailand vertegenwoordigde in 1999 1,5% en in het OT 2%; hij was derhalve niet te verwaarlozen overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Bovendien was deze invoer in 1999 goed voor 4,6% van de omvang van de communautaire invoer van het betrokken product uit derde landen en in het OT voor 6,5%, waarmee hij ook de 3%-drempel van de WTO-antidumpingcode overschreed. (108) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 133 en 134 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Prijzen van de invoer met dumping (i) Prijsontwikkeling (109) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de prijsontwikkeling, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in overweging 135 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (ii) Prijsonderbieding (110) Eén belanghebbende partij stelde dat de dubbele omrekening die de Commissie verrichtte (van de valuta waarin de factuur is opgesteld, naar de nationale valuta van het land van uitvoer, en dan naar de euro), in strijd was met artikel 2, lid 4.1, van de WTO-antidumpingcode. (111) In dit opzicht zij opgemerkt dat artikel 2, lid 4.1, van de WTO-antidumpingcode uitsluitend betrekking heeft op de vaststelling van dumping en niet op de berekening van de prijsonderbieding. Om ieder risico op onnauwkeurigheden als gevolg van twee omrekeningen uit te schakelen, werden de berekeningen van alle producenten/exporteurs evenwel - overeenkomstig het verzoek - herzien. De cif-waarden werden in de valuta waarin zij door de producenten/exporteurs waren verstrekt, rechtstreeks omgerekend in euro met behulp van de toepasselijke wisselkoersen. (112) Eén Turkse producent/exporteur stelde dat voor de correctie voor het handelsstadium een ongeschikte importeur was gekozen, omdat deze noch een afnemer van de producent/exporteur was, noch een importeur van staalkabel uit Turkije. Voorts betoogde hij dat de correctie niet hoog genoeg was. Ter staving hiervan overlegde de producent/exporteur een steekproef van zijn verkoopfacturen voor bepaalde soorten staalkabel aan een niet-verbonden importeur in de Gemeenschap en diens verkoopfacturen aan afnemers in de Gemeenschap. In een latere fase werden ook de financiële overzichten van de niet-verbonden importeur ter staving van dit betoog overgelegd. De aldus verkregen marge, die het algemene verschil tussen de aankopen en de wederverkopen weerspiegelde, was hoger dan die welke door de Commissie was gebruikt in het voorlopige onderzoek. (113) Ten eerste zij opgemerkt dat bij gebrek aan onderbouwde gegevens van de enige medewerkende niet-verbonden importeur hieromtrent de prijzen van de producenten/exporteurs werden gecorrigeerd voor verschillen in het handelsstadium op basis van de beschikbare informatie, d.w.z. de informatie die werd verstrekt door een vereniging van importeurs in de Gemeenschap en die werd gestaafd door bewijsmateriaal dat een van de leden had voorgelegd. In dit verband dient te worden opgemerkt dat de Commissie bij de start van het onderzoek contact heeft opgenomen met de niet-verbonden importeur die door de Turkse producent/exporteur was voorgesteld, maar dat deze de vragenlijst niet heeft beantwoord noch enige andere informatie heeft verstrekt. De correctie werd meegedeeld aan de vereniging van importeurs, die hiertegen geen bezwaar maakte. Bovendien werd bij de correctie rekening gehouden met alle relevante kosten van niet-verbonden importeurs tussen het ogenblik van de invoer en de verkoop "af fabriek", waardoor deze niet de totale marge tussen aankoop en wederverkoop weerspiegelde, zoals de Turkse producent/exporteur stelde. Gezien het vorenstaande wordt de in het kader van het voorlopige onderzoek vastgestelde correctie geacht de verschillen in het handelsstadium op adequate wijze te weerspiegelen. Het verzoek werd derhalve afgewezen. (114) Enkele belanghebbende partijen betoogden dat de treksterkte, in tegenstelling tot wat de Commissie in overweging 137 van de verordening voorlopig recht stelde, wel een grote rol speelt bij de prijsvorming en verzochten om met dit criterium rekening te houden teneinde te vermijden dat de prijsonderbiedingsmarges worden opgedreven. (115) Ofschoon bij de analyse van de treksterkte soort per soort op het niveau van de individuele onderneming geen waarneembaar effect op de prijzen werd vastgesteld, bleek uit een vergelijking van de prijzen van de producenten/exporteurs met die van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat de treksterkte inderdaad een factor was die de prijs beïnvloedde. De prijsonderbieding werd daarom herberekend waarbij rekening werd gehouden met de treksterkte als een criterium voor de indeling van het product in categorieën. (116) Op basis van de werkwijze die is uiteengezet in de overwegingen 136 tot 139 van de verordening voorlopig recht en rekening houdend met de bovengenoemde wijzigingen en de correctie van tikfouten bedraagt het verschil tussen de prijzen, uitgedrukt als een percentage van de gewogen gemiddelde prijs ("af fabriek") van de bedrijfstak van de Gemeenschap, m.a.w. de prijsonderbiedingsmarge: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 5. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (a) Investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken (117) Enkele belanghebbende partijen stelden dat het effect van investeringen niet alleen mocht worden beoordeeld aan de hand van de afschrijvingen en de rente die wordt betaald voor de financiering van investeringen, maar ook een analyse van de kredietwaardigheid, de goodwill en de kosten en baten van het gebruik van financiële middelen moest omvatten. (118) Er zij opgemerkt dat de analyse van kredietwaardigheid is gebeurd in overweging 153 van de verordening voorlopig recht. (119) Goodwill kan worden gedefinieerd als het extra bedrag dat moet worden betaald, bovenop de (going concern-) waarde van de netto-activa van de onderneming, voor de verwerving van de gehele onderneming of een deel ervan (betaalde goodwill wordt onder de post activa geboekt). Goodwill wordt derhalve uitsluitend geanalyseerd als de afschrijving ervan de winstgevendheid heeft beïnvloed, wat niet het geval is. (120) Een kosten-batenanalyse van de investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap ten slotte die verder gaat dan de analyse die werd gemaakt van het effect van de investeringen op de winstgevendheid, valt buiten het bestek van deze procedure. (121) Dezelfde belanghebbende partijen stelden dat de Commissie in de loop van het onderzoek in het kader van de eerdere antidumpingprocedure had vastgesteld dat de investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 1994 en 1998 sterk waren toegenomen en dat het effect hiervan, wat betreft afschrijvingen en betaalde rente in de onderzochte periode, ook moest worden geanalyseerd. (122) Ofschoon de afschrijvingen in de onderzochte periode met 9% stegen, daalden de afschrijvingen van fabrieksuitrusting en machines met 3%, wat aantoont dat de investeringen niet buitensporig hoog zijn geweest, maar dienden om oude en al volledig afgeschreven machines te vervangen. De cijfers die betrekking hebben op de afschrijvingen, weerspiegelen tevens de afschrijvingskosten voor investeringen die werden gedaan vóór de onderzochte periode. Zoals in overweging 152 van de verordening voorlopig recht is vermeld, zijn de gevolgen van de toename van de afschrijvingen voor de winstgevendheid gering. (123) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 151 tot 153 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (b) Andere factoren (124) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op andere relevante factoren inzake schade, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 141 tot 150 en 154 tot 157 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. (c) Conclusie inzake schade (125) Op basis van het vorenstaande wordt bevestigd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zich in het onderzoektijdvak, na de instelling van de antidumping maatregelen in 1999, stabiliseerde, ofschoon haar positie zwak bleef: de productie bleef grotendeels gelijk, de bezettingsgraad stagneerde en de voorraden bleven grotendeels op hetzelfde niveau. Hoewel de verkoop enigszins steeg van 66 331 ton in 1999 tot 67 671 ton in het onderzoektijdvak, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn marktaandeel niet vergroten, ondanks het feit dat hij niet langer te lijden had van oneerlijke concurrentie uit de landen ten aanzien waarvan antidumpingmaatregelen waren genomen. Ook de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleven nagenoeg op hetzelfde niveau, ondanks de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999. (126) De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleef, ondanks een lichte verbetering van een verlies van 1,4% tot break-even in de onderzochte periode, nog altijd op een dergelijk laag niveau dat de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de lange termijn niet kan worden gegarandeerd. (127) De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft nauwelijks baat gehad bij de instelling van de antidumpingmaatregelen in 1999, omdat de omvang van de invoer uit de bij deze procedure betrokken landen is gestegen en deze invoer tegen prijzen plaatsvond die aanzienlijk onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen. (128) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 158 tot 161 van de verordening voorlopig recht, namelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3 van de basisverordening, bevestigd. F. OORZAKELIJK VERBAND (129) Na de mededeling van de voorlopige conclusies stelden enkele belanghebbende partijen dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, en dat de schade, in voorkomend geval, moest worden toegeschreven aan een combinatie van de volgende factoren: een daling van het zichtbare verbruik, zelfveroorzaakte schade als gevolg van verkeerde beslissingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap ten aanzien van zijn investeringen en bezettingsgraad, en invoer uit andere derde landen, waaronder Korea en Maleisië waarvoor geen dumping werd vastgesteld. (130) Aangezien er geen nieuwe gegevens werden voorgelegd die betrekking hadden op de situatie van de andere producenten van de Gemeenschap en op de ontwikkeling van de grondstofprijzen, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 172, 173 en 180 tot 182 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 1. Ontwikkeling van het zichtbare verbruik (131) Enkele belanghebbende partijen stelden dat de krimpende verkoop en productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap de ontwikkeling van het zichtbare verbruik volgden, wat aantoonde dat dit verbruik en niet de invoer met dumping uit de betrokken landen de oorzaak was van schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap leed. (132) Ten aanzien van de ontwikkeling van het zichtbare verbruik is het dienstig te herinneren aan de conclusies in de overwegingen 126 tot 128 en 169 tot 171 van de verordening voorlopig recht. (133) Hoewel het zichtbare verbruik in 1998 sterk toenam (+9%), kwam dit nauwelijks ten goede van de bedrijfstak van de Gemeenschap (stijging van de verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap met 2%), terwijl de betrokken landen hun uitvoer naar de Gemeenschap in hetzelfde jaar, toen er geen antidumpingmaatregelen van kracht waren, met 42% zagen stijgen. De sterke inkrimping van het zichtbare verbruik in 1999 (-14%), die samenviel met de instelling van de antidumpingmaatregelen, ging voorbij aan de betrokken landen, die een verdere stijging van hun uitvoer naar de Gemeenschap met 89% lieten optekenen. Dit toont duidelijk aan dat de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet te wijten is aan een daling van het verbruik, maar aan andere factoren zoals de onverminderd sterke toename van invoer met dumping uit de betrokken landen. (134) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 169 tot 171 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 2. Zelfveroorzaakte schade als gevolg van verkeerde investeringsbeslissingen (135) Enkele belanghebbende partijen stelden dat de lage winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT (0%) te wijten was aan de verkeerde beslissingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om de investeringen op te drijven. (136) Zoals in overweging 122 hierboven al is uiteengezet, daalden de afschrijvingen van fabrieksuitrusting en machines met 3% in de onderzochte periode, wat aantoont dat de investeringen niet buitensporig hoog waren, maar dienden om oude en al volledig afgeschreven machines te vervangen. Uiteraard heeft deze investering de capaciteit verhoogd, maar zij was nodig om het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap te handhaven. De lage winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap is hoofdzakelijk het gevolg van een lagere verkoop en het feit dat de bedrijfstak zijn prijzen moest aanpassen aan die van de goedkope invoer met dumping uit de betrokken landen. (137) Dezelfde belanghebbende partijen betoogden voorts dat bepaalde producenten van de Gemeenschap door de concurrentie werden weggedrukt omdat zij verzuimden in nieuwe productietechnieken te investeren, het onderzoek naar en de ontwikkeling van hun productenassortiment te innoveren en hun activiteiten in het algemeen te rationaliseren. (138) Er werd vastgesteld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap wel in nieuwe productietechnieken investeerde, in staat was te innoveren en haar activiteiten rationaliseerde. Wat dit laatste punt betreft, is het nuttig te verwijzen naar de herstructureringen van het productieproces en de verkoopactiviteiten die vele producenten van de Gemeenschap hebben doorgevoerd. (139) Er wordt derhalve geconcludeerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT niet kan worden toegeschreven aan verkeerde investeringsbeslissingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. 3. Invoer uit andere derde landen (140) Wat andere derde landen betreft, hebben enkele belanghebbende partijen verzocht ervoor te waken dat de gevolgen van de invoer uit andere derde landen werd toegeschreven aan de invoer uit de betrokken landen. De Russische producenten/exporteurs stelden dat de invoer uit Roemanië niet alleen onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap lag, maar ook onder hun prijzen. (a) Korea en Maleisië (141) Voor de invoer uit Korea en Maleisië werd een aanzienlijke stijging in de onderzochte periode (+288%) opgetekend, alsook een toename van het marktaandeel van 2,4% in 1997 tot 10% in het OT. Ook werd vastgesteld dat hun prijzen, met uitzondering van die van één Koreaanse producent/exporteur, lager lagen dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT. (142) Ofschoon de toename van de invoer uit de betrokken landen in de onderzochte periode minder sterk was (+215%), was hun marktaandeel in het OT (10,8%) nog steeds hoger dan dat van Korea en Maleisië. Bovendien was de algemene prijsonderbiedingsmarge die in het OT voor Korea en Maleisië werd vastgesteld, fors lager dan de voor de betrokken landen vastgestelde marge. (143) Zodoende zou de bedrijfstak van de Gemeenschap naar alle waarschijnlijk in staat zijn geweest zijn verkoop te verhogen indien er geen invoer met dumping uit de betrokken landen had plaatsgevonden, ondanks de concurrentie van de invoer uit Korea en Maleisië. De gevolgen van de invoer uit deze beide landen waren derhalve niet van dien aard dat zij het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tenietdeden. (b) Andere derde landen met uitzondering van Korea en Maleisië (144) De omvang van de verkoop van andere derde landen dan die welke bij dit onderzoek betrokken zijn, nam in de onderzochte periode af met 63%, hoofdzakelijk als gevolg van de daling van de invoer uit de landen ten aanzien waarvan de antidumping maatregelen golden. In deze context liep het marktaandeel van andere derde landen (met uitzondering van de betrokken landen, Korea en Maleisië) terug van 24,6% in 1997 tot 9,7% in het OT. Van de landen waarvan belanghebbende partijen aanvoerden dat zij de bedrijfstak van de Gemeenschap schade hadden veroorzaakt, hadden in het OT alleen Polen en Roemenië een marktaandeel van ten minste 1%. (145) Het marktaandeel van Polen daalde in de onderzochte periode van 3,3% tot 2,9%, terwijl de Poolse verkoopprijzen per kilogram met 23% stegen. In deze context kan niet worden betoogd dat Polen heeft bijgedragen aan de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. (146) Het marktaandeel van Roemenië is in de onderzochte periode gelijk gebleven (0,9% in 1997, 1,1% in 1998, 0,9% in 1999 en 1% in het OT), terwijl de invoer uit dit land met 8% groeide van 1 398 ton in 1997 tot 1 510 ton in het OT. In de onderzochte periode lagen de prijzen per kilogram voor Roemeense staalkabel, met uitzondering van 1998, steevast boven die van de Russische producenten/exporteurs en steevast onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Rekening houdende met Roemeniës onveranderde marktaandeel (dat in 1997 en 1999 te verwaarlozen was) kan worden verondersteld dat de gevolgen van de Roemeense invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van dien aard waren dat zij het oorzakelijke verband tussen de betrokken invoer en de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tenietdeden. (147) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 174 tot 179 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 4. Conclusie (148) Er wordt bevestigd dat, ondanks de eventuele negatieve gevolgen van andere factoren, in casu de invoer uit Korea, Maleisië en Roemenië, voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT, deze gevolgen niet van dien aard waren dat zij het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tenietdeden. Derhalve werd geconcludeerd dat de invoer uit de betrokken landen, afzonderlijk beschouwd, aanmerkelijke schade heeft veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals is uiteengezet in de overwegingen 164 tot 168 van de verordening voorlopig recht. G. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP 1. Verzameling van gegevens en belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap (149) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op de verzameling van gegevens en het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 186 tot 196 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 2. Belang van de toeleveranciers (150) Eén belanghebbende partij stelde dat de instelling van maatregelen negatieve gevolgen zou hebben voor de gronfstofleveranciers, omdat de Commissie geen rekening hield met de nadelige effecten van de geldende antidumpingmaatregelen op de leveranciers van garens die uitvoerden naar producenten in derde landen waarop maatregelen van toepassing waren. (151) De enige medewerkende grondstofleverancier (een producent van garens) gaf te kennen dat de instelling van maatregelen hem ten goede zou komen. Deze onderneming voerde ook uit naar derde landen, inclusief landen die bij het eerdere en het huidige onderzoek betrokken waren. Bovendien werden de conclusies met betrekking tot het belang van de toeleveranciers in de verordening voorlopig recht door geen enkele grondstofleverancier betwist. (152) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 197 tot 201 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 3. Belang van de importeurs/handelaars (153) Eén vereniging van importeurs stelde dat het voor de levensvatbaarheid van de importeurs, voor de meesten van wie de handel in staalkabel de hoofdactiviteit was, van essentieel belang was dat zij voldoende hoeveelheden konden blijven verkopen. Zij betoogde ook dat de EG-producenten hun eigen geïntegreerde distributiekanalen hadden en weigerden via onafhankelijke handelaars te verkopen. De importeurs zouden daardoor in een steeds moeilijkere situatie terechtkomen, rekening houdend met het aantal landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. (154) In de eerste plaats hebben de belanghebbende partijen geen nieuwe elementen terzake aangebracht die de bevindingen uit het voorlopige onderzoek zouden kunnen wijzigen. (155) Voorts werd vastgesteld dat er voor de levering van grondstoffen alternatieve bronnen konden worden aangeboord waarop geen maatregelen van toepassing waren, waaronder de bedrijfstak van de Gemeenschap. Ofschoon het waar is dat vele EG-producenten over eigen geïntegreerde distributiekanalen beschikken, blijkt uit de door de bedrijfstak van de Gemeenschap verstrekte informatie dat zij ook verkopen aan niet-verbonden importeurs/handelaars in de Gemeenschap. Dit argument moet derhalve worden verworpen. (156) Een andere belanghebbende partij stelde dat de maatregelen de concurrentie van de invoer zou vernietigen ten voordele van staalkabel uit Korea en Maleisië, die de markt van de Gemeenschap zou overspoelen. Dit zou opnieuw tot schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap leiden, het aanbod beperken en discriminatie inhouden ten opzichte van de afnemers van staalkabel uit de betrokken landen. (157) Hoewel het waarschijnlijk is dat de Koreaanse en Maleisische producenten/exporteurs hun marktaandeel zullen vergroten, is het onwaarschijnlijk dat zij de markt van de Gemeenschap zullen overspoelen, gezien hun huidige hoge bezettingsgraad en het feit dat het niveau van prijsonderbieding dat voor beide landen werd vastgesteld, lager is (of zelfs niet bestaat in het geval van een Koreaanse producent/exporteur) dan de niveaus die werden vastgesteld vor de betrokken landen. Wat discriminatie betreft, is het belangrijk op te merken dat er in dit opzicht geen sprake is van discriminatie, omdat uit de conclusies bleek dat er geen invoer met dumping plaatsvond uit Korea en Maleisië, in tegenstelling tot de andere betrokken landen. Dit argument moet derhalve worden verworpen. (158) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 202 tot 207 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 4. Belang van de gebruikers (159) Aangezien er geen nieuwe gegevens ter beschikking zijn gekomen die betrekking hebben op het belang van de gebruikers, worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 208 tot 211 van de verordening voorlopig recht, bevestigd. 5. Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap (160) Gezien het vorenstaande worden de voorlopige conclusies, die zijn uiteengezet in de overwegingen 212 tot 215 van de verordening voorlopig recht, bevestigd, d.w.z. dat er op grond van het belang van de Gemeenschap geen dwingende redenen bestaan om geen antidumpingmaatregelen in te stellen. H. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN 1. Niveau waarop de schade wordt tenietgedaan (161) Overeenkomstig de werkwijze die is uiteengezet in de overwegingen 216 tot 219 van de verordening voorlopig recht, en rekening houdende met de wijzigingen in de overwegingen 111 en 115 hierboven en de correctie van tikfouten, werden de gewogen gemiddelde uitvoerprijzen voor staalkabel vergeleken met de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap - met een correctie van 5% voor de winstmarge. Het verschil werd dan uitgedrukt als een percentage van de cif-uitvoerprijzen van de producenten/exporteurs grens Gemeenschap. 2. Definitieve antidumpingmaatregelen (162) In het licht van het vorenstaande wordt geoordeeld dat een definitief antidumpingrecht dient te worden ingesteld dat overeenstemt met de vastgestelde dumpingmarges, behalve voor twee ondernemingen - één in Thailand en één in Turkije - waarvoor een recht moet worden ingesteld dat overeenstemt met de schademarge die lager is, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening. >RUIMTE VOOR DE TABEL> 3. Beëindiging van de procedure ten aanzien van Korea en Maleisië zonder instelling van maatregelen (163) Gezien de uitkomst van het onderzoek voor Korea en Maleisië en ermee rekening houdende dat er voor deze twee landen een dumpingmarge werd vastgesteld die lager ligt dan de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening vastgestelde drempel van 2%, dient de procedure te worden beëindigd zonder dat er antidumpingmaatregelen worden ingesteld ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit Korea en Maleisië. 4. Verbintenissen (164) De door de producenten/exporteurs uit Tsjechië en Turkije aangeboden verbintenissen werden in het voorlopige onderzoek aanvaard. De daarin vastgelegde minimum prijzen zijn vervolgens aangepast om rekening te houden met de definitieve conclusies van het onderzoek. (165) Na de mededeling van de voorlopige conclusies hebben producenten/exporteurs uit Rusland en Thailand prijsverbintenissen aangeboden overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening. Zij hebben er aldus mee ingestemd om het betrokken product te verkopen tegen een prijs die overeenstemt met of hoger ligt dan het niveau waarop de schadelijke effecten van dumping worden tenietgedaan. De ondernemingen zullen de Commissie ook op gezette tijden gedetailleerde informatie verstrekken over hun uitvoer naar de Gemeenschap, waardoor de Commissie effectief kan toezien op de naleving van de verbintenissen. Bovendien zijn de aard van het product alsmede de structuur en de verkooppatronen van de ondernemingen van dien aard dat het risico dat zij de aangegane verbintenis ontwijken, beperkt is. (166) Gelet op het bovenstaande worden de aangeboden verbintenissen aanvaardbaar geacht en de betrokken ondernemingen zijn in kennis gesteld van de voornaamste feiten, overwegingen en verplichtingen waarop de aanvaarding is gebaseerd. (167) Om de Commissie voorts in staat te stellen na te gaan of de ondernemingen hun verbintenissen naleven, dient, wanneer de aangifte voor het vrije verkeer bij de douane wordt ingediend, vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk te worden gesteld van de overlegging van een handelsfactuur die ten minste de in de bijlage genoemde gegevens omvat. Aan de hand van deze gegevens kunnen de douaneautoriteiten tevens nagaan of de zendingen met de handelsdocumenten overeenstemmen. Wanneer een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, of wanneer deze niet met de aangeboden goederen overeenstemt, is het antidumpingrecht van toepassing. (168) Indien een verbintenis niet wordt nageleefd of wordt ingetrokken of indien het vermoeden rijst dat de verbintenis niet wordt nageleefd, kan een antidumpingrecht worden ingesteld ingevolge artikel 8, leden 9 en 10, van de basisverordening. (169) Voorts werd het onderzoek naar dumping, schade en belang van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de basisverordening, ten aanzien van de betrokken landen voltooid, ondanks het feit dat tijdens het onderzoek verbintenissen zijn aanvaard. De door twee producenten/exporteurs uit Thailand en Rusland aangeboden verbintenissen zijn bij besluit nr. [...] door de Commissie aanvaard. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ijzeren of stalen kabels, gesloten kabels daaronder begrepen, met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings), ingedeeld onder de GN-codes 7312 10 82, 7312 10 84, 7312 10 86, 7312 10 88 en 7312 10 99, van oorsprong uit Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije. 2. Het definitieve antidumpingrecht dat wordt toegepast op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de producten uit de hieronder vermelde landen, bedraagt: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 3. De bovengenoemde rechten zijn niet van toepassing op de door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten, waarover de volgende antidumpingrechten worden geheven: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 4. Tenzij anders aangegeven, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 1. De onder een van de volgende aanvullende TARIC-codes ingevoerde producten die vervaardigd worden en rechtstreeks uitgevoerd (dat wil zeggen gefactureerd en verzonden) worden door een hieronder vermeld bedrijf naar een bedrijf dat als importeur in de Gemeenschap optreedt, zijn vrijgesteld van de bij artikel 1 ingestelde antidumpingrechten op voorwaarde dat zij overeenkomstig het bepaalde in lid 2 worden ingevoerd. >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2. De onder lid 1 vermelde ingevoerde producten zijn vrijgesteld van het recht op voorwaarde dat: (a) een handelsfactuur die ten minste de in de bijlage genoemde gegevens omvat, aan de douaneautoriteiten van de lidstaten wordt overgelegd bij de indiening van de aangifte voor het vrije verkeer, en dat (b) de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, nauwkeurig overeenstemmen met de omschrijving op de handelsfactuur. Artikel 3 1. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige antidumpingrecht, dat bij Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie van 2 februari 2001 is ingesteld op de invoer van het in artikel 1, lid 1, omschreven product uit Tsjechië, Thailand en Turkije, worden geïnd ten belope van het ingestelde definitieve recht. Bedragen die als zekerheid zijn gesteld en het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven. 2. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige antidumpingrecht, dat bij Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie van 2 februari 2001 is ingesteld op de invoer van het in artikel 1, lid 1, omschreven product uit Rusland, worden geïnd ten belope van het voorlopig ingestelde recht. Artikel 4 De procedure ten aanzien van de invoer van het in artikel 1, lid 1, omschreven product uit de Republiek Korea en Maleisië wordt beëindigd bij besluit nr. [...] van de Commissie. Artikel 5 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, op Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE Te vermelden gegevens op de handelsfacturen bij de uitgevoerde producten die onder een verbintenis vallen: 1. De aanduiding "HANDELSFACTUUR - GOEDEREN DIE ONDER EEN VERBINTENIS VALLEN" 2. De naam van de in artikel 2, lid 1, genoemde onderneming die de handelsfactuur opstelt 3. Het nummer van de handelsfactuur 4. De datum waarop de handelsfactuur is opgesteld 5. De aanvullende TARIC-code die moet worden gebruikt bij de inklaring van de gefactureerde goederen aan de grens van de Gemeenschap 6. Een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van: - de productcode (Product Code Number of PCN) (zoals vastgesteld in de door de betrokken producent/exporteur aangeboden verbintenis), - het aantal strengen; het aantal draden per streng; de strengenconstructies (bv. standaard, Seale, Warrington enz.); de kenmerken van de kabel (draaiarm, gecompacteerd enz.), - de productcode van de onderneming (Company Product Code of CPC) (indien van toepassing), - GN-code, - de hoeveelheid (in kg en in lengte). 7. De verkoopvoorwaarden, met inbegrip van: - de prijs per kg, - de betalingsvoorwaarden, - de leveringsvoorwaarden, - de totale kortingen en rabatten. 8. De naam van de onderneming die optreedt als importeur en aan wie de onderneming haar factuur rechtstreeks richt. 9. De naam van de werknemer van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring: "Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Gemeenschap van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [naam van de onderneming] werd aangeboden en door de Europese Commissie bij [besluit nr. ...] werd aanvaard. Hij verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is."