Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001PC0137

Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffenstatistieken (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend)

/* COM/2001/0137 def. - COD 99/0010 */

52001PC0137

Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffenstatistieken (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2001/0137 def. - COD 99/0010 */


Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende afvalstoffenstatistieken (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend)

TOELICHTING

Op 27 januari 1999 heeft de Commissie haar voorstel voor een Ontwerp voor een verordening van de Raad betreffende de statistiek van het afvalbeheer [1] goedgekeurd. Op 22 september 1999 heeft het Economisch en Sociaal Comité over het voorstel een gunstig advies uitgebracht. [2] Tussen juni 1999 en september 2000 heeft een werkgroep van de Raad deze tekst vijf keer besproken. Op de laatste vergadering (op 29 september 2000) hebben de deelnemers aan de werkgroep een ruime consensus bereikt over de wijzigingen aan het voorstel van de Commissie, die zijn verwerkt in het ontwerp voor een Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistiek van het afvalbeheer. [hierna "consensusontwerp van de werkgroep" genoemd]. [3] De door de werkgroep van de Raad voorgestelde wijzigingen waren er vooral op gericht de geëiste gegevens te beperken en beoogden tevens een grotere flexibiliteit voor de lidstaten bij de melding van gegevens. Deze wijzigingen betekenen een verbetering ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel of worden op zijn minst door de Commissie aanvaardbaar geacht.

[1] PB C 87 van 29.3.1999, blz. 22.

[2] PB C 329 van 17.11.1999, blz. 17.

[3] Raad van de Europese Unie, 9868/2/00/Rev 2, ECO 179/ENV 213/CODEC 497, 11.10.2000.

Gezien het aantal wijzigingen, de aard van de wijzigingen en de in de werkgroep van de Raad bereikte consensus en teneinde de medebeslissingsprocedure te vergemakkelijken, verdient het aanbeveling dat de Commissie een gewijzigd voorstel voor een verordening indient. Dit document is dan het gewijzigde voorstel van de Commissie dat het oorspronkelijke voorstel vervangt. In het gewijzigde voorstel blijft de logica van het oorspronkelijke voorstel behouden. Bovendien is het gewijzigde voorstel vrijwel identiek met het consensusontwerp van de werkgroep. Het enige belangrijke verschil tussen beide is de frequentie van de gegevensverzameling op het gebied van afvalbehandeling, zoals hieronder besproken.

Het gewijzigde voorstel wijkt meer bepaald op de volgende punten af van het oorspronkelijke voorstel en van het consensusontwerp van de werkgroep:

1. Frequentie

In het gewijzigde voorstel van de Commissie blijft een frequentie van één jaar behouden voor een deel van de nieuwe bijlage II (betreffende terugwinning en verwijdering van afvalstoffen). Er moet met name jaarlijks informatie worden verkregen over gespecialiseerde afvalverwijderingsbedrijven en afvalverbrandingsinstallaties en driejaarlijks over niet-gespecialiseerde terugwinnings- en verwijderingsinstallaties. Een reeks jaarlijkse gegevens over afvalverwijdering en -verbranding is onontbeerlijk voor het bepalen en evalueren van het afvalstoffenbeleid en voor de planning van de capaciteit van afvalbehandelingsinstallaties. Passende en tijdige maatregelen op het gebied van afvalbehandelingsbeleid zullen niet genomen kunnen worden indien de informatie slechts om de drie jaar wordt verstrekt, zoals in het consensusontwerp van de werkgroep wordt voorgesteld. Onjuiste of onvoldoende maatregelen op dit gebied zouden als gevolg van investeringen onder het optimale niveau tot onnodig hoge kosten kunnen leiden.

In dit opzicht is het gewijzigde voorstel restrictiever dan het standpunt dat de Commissie in haar voorbehoud ten aanzien van het consensusontwerp van de Raad heeft ingenomen, daar het voor de jaarlijkse gegevensverzameling alleen op afvalbeheersinstallaties is gericht. Dit zal de nodige kerngegevens over afvalbehandeling opleveren ten behoeve van regelmatige beleidsevaluaties en beleidsmaatregelen. Tegelijkertijd zullen de lidstaten zo in staat worden gesteld de jaarlijkse enquêtes tot een kleine groep gespecialiseerde ondernemingen te beperken. Door gebruik te maken van steekproefmethoden en van administratieve of andere bronnen voor het verkrijgen van de informatie zullen de lidstaten de statistieken tegen lage kosten en met een beperkte belasting voor de respondenten kunnen opstellen.

2. Structuur van de bijlagen

In het gewijzigde voorstel wordt de nieuwe structuur van de bijlagen aanvaard zoals deze in het consensusontwerp van de werkgroep is voorgesteld. Derhalve bevat het gewijzigde voorstel drie bijlagen:

Bijlage I: afvalproductie;

Bijlage II: terugwinning en verwijdering van afvalstoffen; en

Bijlage III: schakelschema tussen de Europese afvalcatalogus (EAC) en de EAC-Stat v. 2 (die de afvalcategorieën bepaalt die in de communautaire afvalstoffenstatistieken moeten worden gebruikt).

Bijlage I heeft nu alleen betrekking op de afvalproductie, naar afvalcategorie en naar economische activiteit, met inbegrip van huishoudens (tweedimensionale matrix): 'afvalcategorieën' x 'economische activiteit'. In het oorspronkelijke voorstel werd daarentegen ook gevraagd om gegevens over de methode voor de terugwinning van de geproduceerde hoeveelheid afvalstoffen (driedimensionale matrix): 'afvalcategorieën' x 'economische activiteit' x 'terugwinningsactiviteit'). Door de vereenvoudiging kan het verband tussen de economische activiteit van de afvalproducent en de afvalterugwinningsmethode niet meer worden gelegd. Naar aanleiding van de besprekingen in de werkgroep van de Raad is echter besloten dat de verplichte verstrekking van deze gegevens een te grote belasting zou vormen. De Commissie heeft de vereenvoudiging daarom aanvaard, ook als dat betekent dat het moeilijker wordt afvalstromen in de economie te volgen.

De afzonderlijke bijlage over de inzameling van gemeentelijk afval werd in het consensusontwerp van de werkgroep samengevoegd met bijlage I. Dit werd in het gewijzigde voorstel overgenomen. De te verstrekken gegevens zijn echter hoofdzakelijk opgenomen in bijlage I (Productie van huishoudelijk afval en soortgelijk afval naar economische activiteit) en gedeeltelijk in bijlage II (Terugwinning en verwijdering van afvalstoffen).

Bijlage II van het gewijzigde voorstel omvat tevens de terugwinningsactiviteiten die tevoren in bijlage I waren opgenomen. Interne recycling ('recycling van afval op de plaats waar het afval werd geproduceerd') werd echter geschrapt, waardoor de gegevensverzamelingseisen verder werden vereenvoudigd.

3. Pilotstudies

De Commissie heeft het consensusontwerp van de werkgroep aanvaard om voor sommige gebieden pilotstudies te laten uitvoeren in plaats van de melding van gegevens op te leggen. Hierbij gaat het om de volgende gebieden:

in- en uitvoer van afvalstoffen (artikel 5);

verpakkingsafval (bijlage I, sectie 2, punt 4); en

voorbehandeling van afval (bijlage II, sectie 8, punt 3).

Voor deze gebieden kunnen lidstaten op basis van vrijwilligheid deelnemen aan door de Commissie gefinancierde pilotstudies om na te gaan of het zinvol en haalbaar is gegevens te verkrijgen. Bij de studies moet rekening worden gehouden met de meldingsverplichtingen overeenkomstig de desbetreffende wetgeving. [4] De resultaten van deze pilotstudies kunnen leiden tot voorstellen tot wijziging van de verordening.

[4] Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad (in- en uitvoer van afvalstoffen); Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (verpakking); bijlagen II A en II B bij Beschikking 96/350/EG van de Commissie (voorbehandeling).

4. Meer 'flexibiliteit'

Voor de bijlagen I en II wordt in het gewijzigde voorstel de tekst van het consensusontwerp van de werkgroep overgenomen, wat betekent dat niet alle cellen in de matrixen ingevuld hoeven te worden. Artikel 3, lid 3, van het gewijzigde voorstel luidt als volgt: "Aangezien de economische structuren en de technische voorwaarden voor de afvalbeheerregelingen in de lidstaten uiteenlopen, kan een besluit van een lidstaat om voor bepaalde onderdelen van die indeling geen gegevens te verstrekken, aanvaard worden...". De Commissie heeft deze wijziging aanvaard en erkent dat dit een flexibele aanpak mogelijk maakt. Tegelijkertijd ziet zij echter in dat dit het risico van onvolledige gegevensreeksen inhoudt. De regels voor de interpretatie van deze bepaling zijn vervat in de uitvoeringsmaatregelen van artikel 6.

Ook wordt meer flexibiliteit ingevoerd in bijlage I, sectie 8, punt 2, en in bijlage II, sectie 8, punt 4, van het gewijzigde voorstel, zodat de lidstaten kunnen kiezen tussen twee statistische eenheden: lokale eenheid of eenheid van economische activiteit (EEA).

5. Overige ingrijpende wijzigingen

De volgende door de Raad aangebrachte wijzigingen zijn in het gewijzigde voorstel van de Commissie opgenomen:

Rechtsgrondslag: In de eerste overweging is de rechtsgrondslag voor het voorstel niet langer artikel 213 maar artikel 285, overeenkomstig de eisen van het Verdrag van Amsterdam;

Comitologie: In artikel 7 is de beheersprocedure vervangen door de regelgevingsprocedure; tevens is een bepaling toegevoegd waarin wordt gezegd dat het comité voor de aanpassing van de EG-wetgeving aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de uitvoeringsmaatregelen op de hoogte zal worden gebracht.

MKB: Volgens artikel 3, lid 2, worden ondernemingen met minder dan tien werknemers bij de enquêtes uitgesloten, tenzij zij een belangrijk aandeel in de totale afvalproductie hebben.

1999/0010 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende afvalstoffenstatistieken

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285,

Gezien het voorstel van de Commissie, [5]

[5] PB C 87 van 29.3.1999, blz. 22.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, [6]

[6] PB C 329 van 17.11.1999, blz. 17.

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Gemeenschap heeft behoefte aan regelmatige communautaire statistieken over de productie en het beheer van huishoudelijk en bedrijfsafval, teneinde toezicht te kunnen houden op de toepassing van de drie beginselen van het afvalstoffenbeleid, namelijk voorkoming van afval, maximale terugwinning en veilige verwijdering.

(2) De begrippen voor de beschrijving van afval en afvalbeheer moeten worden gedefinieerd, om de vergelijkbaarheid van de afvalstoffenstatistieken te waarborgen.

(3) Ten behoeve van het afvalstoffenbeleid zijn een aantal uitgangspunten vastgesteld die door afvalproducerende eenheden en afvalbeheerders moeten worden nageleefd. Zulks vereist toezicht in de verschillende stadia van de afvalstroom: bij de productie, de inzameling, de terugwinning en de verwijdering.

(4) Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek [7] vormt het referentiekader voor de bepalingen van deze verordening.

[7] PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1.

(5) Om vergelijkbare resultaten te verkrijgen, moeten afvalstoffenstatistieken overeenkomstig de vastgestelde indeling in een passende vorm en binnen de vastgestelde termijn na afloop van het referentiejaar worden opgesteld.

(6) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals bepaald in artikel 5 van het Verdrag, kunnen de doelstellingen van de overwogen maatregel, namelijk regels vast te stellen voor de opstelling van communautaire afvalstoffenstatistieken, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt, daar de begrippen voor de beschrijving van afval en afvalbeheer moeten worden gedefinieerd om te waarborgen dat de door de lidstaten verstrekte statistieken vergelijkbaar zijn, en kunnen deze doelstellingen derhalve beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Deze verordening beperkt zich tot het minimum dat vereist is om deze doelstellingen te bereiken en gaat niet verder dan wat daartoe nodig is.

(7) Sommige lidstaten hebben voor het aanpassen of opzetten van hun afvalstoffenstatistieken wellicht een overgangsperiode nodig.

(8) De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening zijn maatregelen van algemene strekking overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. [8] Zij moeten worden goedgekeurd overeenkomstig de regelgevingsprocedure zoals bepaald in artikel 5 van dat besluit.

[8] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9) Het Comité statistisch programma is door de Commissie geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Doelstellingen

1. Doel van deze verordening is regels vast te stellen voor de opstelling van communautaire statistieken inzake de productie, de terugwinning en de verwijdering van afvalstoffen.

2. De lidstaten en de Commissie stellen binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden communautaire statistieken op over de productie, de terugwinning en de verwijdering van afvalstoffen, met uitzondering van radioactief afval, waarvoor reeds andere wetgeving bestaat.

3. De statistieken omvatten de volgende gebieden:

a) afvalproductie overeenkomstig bijlage I;

b) terugwinning en verwijdering van afvalstoffen overeenkomstig bijlage II.

Bij de samenstelling van de statistieken houden de lidstaten zich aan de gelijkwaardigheid tussen de bij Beschikking 94/3/EG van de Commissie [9] vastgestelde Europese afvalcatalogus (EAC) en de aggregatie naar stof, zoals aangegeven in bijlage III bij deze verordening.

[9] PB L 5 van 7.1.1994, blz. 15.

Artikel 2

Definities

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

a) "afvalstof": stof of voorwerp als omschreven in artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen [10], als gewijzigd;

[10] PB L 194 van 25.7.1975, blz. 47.

b) "gescheiden ingezamelde afvalfracties": huishoudelijk en soortgelijk afval dat selectief in homogene fracties is ingezameld door overheidsdiensten, organisaties zonder winstoogmerk en particuliere ondernemingen die actief zijn op het gebied van de georganiseerde inzameling van afval;

c) "recycling": de handelingen als gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 94/62/EG van de Raad [11];

[11] PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10.

d) "terugwinning": iedere handeling genoemd in bijlage II B bij Richtlijn 75/442/EEG, als gewijzigd [12];

[12] PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32.

e) "verwijdering": iedere handeling genoemd in bijlage II A bij Richtlijn 75/442/EEG, als gewijzigd; [13]

[13] PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32.

f) "terugwinnings- of verwijderingsinstallatie": een installatie waarvoor een vergunning of registratie vereist is overeenkomstig de artikelen 9, 10 of 11 van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad;

g) "gevaarlijke afvalstof": afvalstof als omschreven in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad [14];

[14] PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20.

h) "ongevaarlijke afvalstof": afval dat niet onder de definitie van punt g) valt;

i) "stortplaats": een afvalverwijderingsterrein als omschreven in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad; [15]

[15] PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.

j) "capaciteit van afvalverbrandingsinstallaties": de maximumcapaciteit voor de verbranding van afval, in aantal tonnen per jaar, of in gigajoules;

k) "capaciteit van afvalrecyclinginstallaties": de maximumcapaciteit voor de recycling van afval, in aantal tonnen per jaar;

l) "capaciteit van stortplaatsen": de resterende capaciteit (aan het einde van het referentiejaar voor de gegevens) van de stortplaats om afval in de toekomst te verwijderen, in aantal kubieke meters;

m) "capaciteit van andere verwijderingsinstallaties": de capaciteit van de installatie om afval te verwijderen, in aantal tonnen per jaar.

Artikel 3

Gegevensverzameling

1. De lidstaten verzamelen onder inachtneming van kwaliteits- en nauwkeurigheidseisen de nodige gegevens voor de beschrijving van de kenmerken, genoemd in de bijlagen I en II, door middel van:

- enquêtes; [16]

[16] Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel wordt het aan de lidstaten overgelaten te besluiten of zulke enquêtes al dan niet verplicht worden gesteld.

- administratieve of andere bronnen;

- statistische schattingen; of

- een combinatie van deze middelen.

Ter beperking van de belasting voor de respondenten hebben de nationale autoriteiten en de Commissie toegang tot administratieve gegevensbronnen onder de door elke lidstaat en de Commissie binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden vastgestelde beperkingen en voorwaarden.

2. Ter verlichting van de administratieve belasting voor kleine ondernemingen worden ondernemingen met minder dan tien werknemers bij de enquêtes uitgesloten, tenzij zij een belangrijk aandeel in de afvalproductie hebben.

3. De lidstaten stellen de statistische resultaten op volgens de in de bijlagen I en II vastgestelde indeling. Aangezien de economische structuren en de technische voorwaarden voor de afvalbeheerregelingen in de lidstaten uiteenlopen, kan een besluit van een lidstaat om voor bepaalde onderdelen van die indeling geen gegevens te verstrekken, aanvaard worden, mits dit gerechtvaardigd wordt in de in de bijlagen I en II genoemde kwaliteitsverslagen. De totale hoeveelheid afval voor elk van de in sectie 2, punt 3, en sectie 8, punt 1, van bijlage I genoemde afvalstoffen wordt in elk geval opgesteld.

4. De in de leden 2 en 3 bedoelde uitsluitingen moeten stroken met de in sectie 7, punt 1, van de bijlagen I en II genoemde doelstellingen inzake dekking en kwaliteit.

5. De lidstaten zenden de resultaten, met inbegrip van vertrouwelijke gegevens, in een passend formaat aan Eurostat toe binnen de in de bijlagen I en II bepaalde termijn na afloop van de referentieperiode.

6. De verwerking van vertrouwelijke gegevens en de in lid 5 bedoelde toezending van dergelijke gegevens vinden plaats overeenkomstig de bestaande communautaire bepalingen inzake statistische geheimhouding.

Artikel 4

Overgangsperiode

1. Ingeval de nationale statistische systemen aanzienlijk moeten worden aangepast, kan de Commissie op verzoek van de lidstaten en volgens de procedure van artikel 7, toestaan dat gedurende een overgangsperiode van ten hoogste twee jaar wordt afgeweken van de bepalingen van sectie 5 van de bijlagen I en II.

2. Deze afwijking kan alleen worden toegestaan voor de gegevens van het eerste referentiejaar.

Artikel 5

In- en uitvoer van afvalstoffen

1. De Commissie stelt een programma op van op basis van vrijwilligheid door de lidstaten uit te voeren pilotstudies inzake de in- en uitvoer van afvalstoffen. De pilotstudies hebben tot doel na te gaan of het zinvol en haalbaar is gegevens te verkrijgen, en de kosten en baten van het inzamelen van gegevens, alsmede de belasting voor het bedrijfsleven te evalueren.

2. Het pilotstudieprogramma van de Commissie moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de bijlagen I en II, met name met de aspecten betreffende de werkingssfeer en de dekking van afvalstoffen, de afvalcategorieën voor de indeling van afval, de referentiejaren en de frequentie, terwijl rekening moet worden gehouden met de in Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad [17] vervatte verplichting een verslag op te stellen.

[17] PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1.

3. De Commissie financiert de kosten van de uitvoering van de pilotstudies voor maximaal 100%.

4. Op basis van de conclusies van deze pilotstudies informeert de Commissie het Europees Parlement en de Raad over de mogelijkheden om statistieken op te stellen voor de activiteiten en kenmerken die onder de pilotstudies inzake de in- en uitvoer van afvalstoffen vallen. De Commissie kan een aanbeveling voor een nieuwe bijlage doen.

5. De pilotstudies moeten worden uitgevoerd binnen een periode van drie jaar na het eerste referentiejaar.

Artikel 6

Uitvoeringsmaatregelen

De maatregelen die met betrekking tot de onderstaande punten moeten worden genomen voor de uitvoering van deze verordening, worden volgens de procedure van artikel 7 vastgesteld. Het gaat hierbij om maatregelen:

a) tot aanpassing aan de economische en technische ontwikkelingen op het gebied van verzameling en statistische verwerking van gegevens en van verwerking en toezending van resultaten;

b) tot aanpassing van de in de bijlagen I, II en III genoemde specificaties;

c) voor het opstellen van resultaten overeenkomstig artikel 3, leden 2, 3 en 4;

d) voor het bepalen van de passende kwaliteitsevaluatiecriteria en de inhoud van de kwaliteitsverslagen als bedoeld in sectie 7 van de bijlagen I en II bij deze verordening;

e) voor het bepalen van het passende formaat waarin de resultaten door de lidstaten moeten worden toegezonden, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

f) voor het opstellen van de lijst van aan de lidstaten toegestane overgangsperiodes en afwijkingen, als bepaald in artikel 4;

g) voor de toepassing van de resultaten van de pilotstudies, als bepaald in artikel 5, lid 4, bijlage I, sectie 2, punt 4, en bijlage II, sectie 8, punt 3.

Artikel 7

Comitologie

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma dat is ingesteld bij Besluit 89/382/EEG, Euratom [18].

[18] PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

2. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, is artikel 5 van Besluit 1999/468/EG [19] van toepassing, onder naleving van artikel 7, lid 3, en artikel 8 daarvan. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode is vastgesteld op drie maanden.

[19] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

3. De Commissie geeft de aan het Comité statistisch programma voorgelegde maatregelen door aan het bij Richtlijn 91/156/EEG [20] betreffende afvalstoffen ingestelde comité voor de aanpassing van de EG-wetgeving aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

[20] PB L 78 van 26.3.1991, blz. 32.

Artikel 8

Verslag

1. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de drie jaar een verslag voor over de op grond van deze verordening opgestelde statistieken, en met name over de kwaliteit ervan en de belasting voor de ondernemingen.

2. Zo nodig legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een voorstel voor om elkaar overlappende rapporteringsverplichtingen af te schaffen.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

BIJLAGE I

Afvalproductie

Sectie 1

Dekking

De statistieken worden opgesteld voor alle activiteiten die vallen onder secties C tot en met Q, met uitzondering van afdeling 12, van de NACE Rev. 1 [21]. Onder deze secties vallen alle economische activiteiten, behalve landbouw, jacht en bosbouw (A) en visserij (B), die buiten deze bijlage vallen.

[21] PB L 83 van 3.4.1993, blz. 1.

Onder deze bijlage valt ook:

* huishoudelijk afval;

* afval van terugwinnings- en/of verwijderingsactiviteiten.

Sectie 2

Afvalcategorieën

1. De afvalcategorieën waarvoor statistieken inzake afvalproductie moeten worden opgesteld, zijn door aggregatie afgeleid van de Europese afvalcatalogus (EAC).

2. Iedere EAC-post wordt ingedeeld in de naar stof geaggregeerde lijst in punt 3 van deze sectie. Het schakelschema tussen de EAC en de aggregatie naar stof is opgenomen in bijlage III.

3. Er worden statistieken opgesteld voor de volgende afvalcategorieën:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Rekening houdend met de rapporteringsverplichting uit hoofde van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad [22] stelt de Commissie een programma op van door de lidstaten op basis van vrijwilligheid uit te voeren pilotstudies om te beoordelen of het zinvol is verpakkingsafval op te nemen in bovenstaande lijst (EAC-Stat v. 2). De Commissie financiert de kosten van deze pilotstudies voor maximaal 100%. Op basis van de conclusies van deze pilotstudies keurt de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen goed volgens de procedure van artikel 7 van deze verordening.

[22] PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10.

Sectie 3

Kenmerken

1. Kenmerken van de afvalcategorieën:

voor elke in sectie 2, punt 3, genoemde afvalcategorie moet de hoeveelheid geproduceerd afval worden aangegeven.

2. Regionale kenmerken:

bevolking of woningen die worden bereikt door een regeling voor de inzameling van gemengd huishoudelijk en soortgelijk afval (NUTS 2-niveau).

Sectie 4

Meldingseenheid

1. De voor alle afvalcategorieën te gebruiken meldingseenheid is 1 000 ton (normaal) nat afval. Voor de afvalcategorieën "slib" moet voorts de hoeveelheid droge stof worden vermeld.

2. De meldingseenheid voor de regionale kenmerken is het percentage van de bevolking of van de woningen.

Sectie 5

Eerste referentiejaar en frequentie

1. Het eerste referentiejaar is het tweede kalenderjaar na de bekendmaking van de verordening in het Publicatieblad.

2. De lidstaten verstrekken gegevens voor elk derde jaar na het eerste referentiejaar.

Sectie 6

Toezending van de resultaten aan Eurostat

De resultaten worden toegezonden binnen 18 maanden na afloop van het referentiejaar.

Sectie 7

Verslag over de dekking en kwaliteit van de statistieken

1. De lidstaten vermelden voor elke in sectie 8 (activiteiten en huishoudens) genoemde post welk percentage de verstrekte statistieken uitmaken van het totaal onder deze post. Het minimale dekkingspercentage wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 7.

2. De lidstaten dienen een kwaliteitsverslag in, waarin wordt aangegeven hoe nauwkeurig de verzamelde gegevens zijn. Er wordt een beschrijving gegeven van de schattingen, aggregaties of uitsluitingen, en van de gevolgen die deze maatregelen hebben voor de verdeling van de in sectie 2, punt 3, genoemde afvalcategorieën over de economische activiteiten en huishoudens als bedoeld in sectie 8.

3. De Commissie neemt de verslagen over de dekking en kwaliteit op in het in artikel 8 van deze verordening voorgeschreven verslag.

Sectie 8

Opstelling van resultaten

1. De resultaten voor de in sectie 3, punt 1, genoemde kenmerken moeten worden opgesteld voor:

1.1. de volgende secties, afdelingen, groepen en klassen van NACE Rev. 1:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1.2. huishoudens:

18 // Huishoudelijk afval

2. Voor economische activiteiten worden, overeenkomstig het statistisch systeem van elke lidstaat, als statistische eenheden lokale eenheden of eenheden van economische activiteit gebruikt, zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad inzake de statistische eenheden voor waarneming en analyse van het productiestelsel in de Gemeenschap [23].

[23] PB L 76 van 30.3.1993, blz. 2.

In het overeenkomstig sectie 7 uit te brengen kwaliteitsverslag kan een beschrijving worden opgenomen van de gevolgen die de keuze van de statistische eenheid voor de verdeling van de branchegegevens heeft.

BIJLAGE II

Terugwinning en verwijdering van afvalstoffen

Sectie 1

Dekking

1. De statistieken worden opgesteld voor alle terugwinnings- en verwijderingsinstallaties die de in sectie 8, punt 2, genoemde activiteiten uitvoeren en behoren tot of deel uitmaken van de economische activiteiten volgens de in bijlage I, sectie 8, punt 1.1, vermelde indeling van NACE Rev 1.

2. Installaties waarvan de afvalbehandelingsactiviteiten zich beperken tot de recycling van afvalstoffen op de plaats waar die afvalstoffen werden geproduceerd, vallen niet onder deze bijlage.

Sectie 2

Afvalcategorieën

De afvalcategorieën waarvoor statistieken voor iedere in sectie 8, punt 2, genoemde terugwinnings- of verwijderingsactiviteit moeten worden opgesteld, zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Sectie 3

Kenmerken

1. De kenmerken waarvoor statistieken inzake de in sectie 8, punt 2, genoemde terugwinnings- en verwijderingsactiviteiten worden opgesteld, staan vermeld in de onderstaande tabel.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Sectie 4

Meldingseenheid

De voor alle afvalcategorieën te gebruiken meldingseenheid is 1 000 ton (normaal) nat afval. Voor de afvalcategorieën "slib" moet voorts de hoeveelheid droge stof worden vermeld.

Sectie 5

Eerste referentiejaar en frequentie

1. Het eerste referentiejaar is het tweede kalenderjaar na de bekendmaking van de verordening in het Publicatieblad.

2. De lidstaten verstrekken gegevens overeenkomstig de volgende regeling:

a. voor elk jaar, na het referentiejaar, voor de installaties die zijn genoemd in sectie 8, punt 2, en die een van de activiteiten uitvoeren die zijn genoemd onder Verbranding (volgnummer 1 en 2) en Verwijdering (volgnummer 4 en 5), voorzover deze installaties behoren tot of deel uitmaken van de economische activiteiten volgens de indeling van NACE Rev. 1: E, 75 en 90;

b. voor elk derde jaar, na het referentiejaar voor alle terugwinnings- en verwijderingsinstallaties die de in sectie 8, punt 2, genoemde activiteiten uitvoeren en behoren tot of deel uitmaken van de economische activiteiten volgens de in bijlage I, sectie 8, punt 1.1, vermelde indeling van NACE Rev. 1.

Sectie 6

Toezending van de resultaten aan Eurostat

De resultaten worden toegezonden binnen 18 maanden na afloop van het kalenderjaar van de referentieperiode.

Sectie 7

Verslag over de dekking en kwaliteit van de statistieken

1. De lidstaten vermelden voor de in sectie 3 genoemde kenmerken en voor elk soort in sectie 8, punt 2, genoemde activiteit welk percentage de verstrekte statistieken uitmaken van het totaal van de onder de desbetreffende post vallende afvalstoffen. Het minimale dekkingspercentage wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 7.

2. Voor de in sectie 3, punt 2, genoemde kenmerken dienen de lidstaten een kwaliteitsverslag in, waarin wordt aangegeven hoe nauwkeurig de verzamelde gegevens zijn.

3. De Commissie neemt de verslagen over de dekking en kwaliteit op in het in artikel 8 van deze verordening voorgeschreven verslag.

Sectie 8

Opstelling van resultaten

1. Voor het in sectie 3 genoemde kenmerk 2 20 moeten de resultaten per in sectie 2 genoemde afvalcategorie worden opgesteld voor de hieronder gespecificeerde terugwinnings- en verwijderingsactiviteiten.

2. Lijst van terugwinnings- en verwijderingsactiviteiten; de codes verwijzen naar de codes in de bijlagen bij Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen, als gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG en aangepast bij Beschikking 96/350/EG van de Commissie [24]:

[24] PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. De Commissie stelt een programma op van op basis van vrijwilligheid door de lidstaten uit te voeren pilotstudies. Die pilotstudies hebben tot doel te beoordelen of het zinvol en haalbaar is gegevens te verkrijgen over de hoeveelheden afval die zijn voorbehandeld als omschreven in de bijlagen II A en II B bij Richtlijn 75/442/EEG van de Raad, als aangepast bij Beschikking 96/350/EG van de Commissie [25]. De Commissie financiert de kosten van de uitvoering van deze pilotstudies voor maximaal 100%. Op basis van de conclusies van deze pilotstudies zal de Commissie volgens de procedure van artikel 7 van deze verordening de nodige uitvoeringsmaatregelen goedkeuren.

[25] PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32.

4. Als statistische eenheden worden, naar gelang van het statistisch systeem van elke lidstaat, lokale eenheden of eenheden van economische activiteit gebruikt, zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad inzake de statistische eenheden voor waarneming en analyse van het productiestelsel in de Gemeenschap [26].

[26] PB L 76 van 30.3.1993, blz. 1.

In het overeenkomstig sectie 7 uit te brengen kwaliteitsverslag dient een beschrijving te worden opgenomen van de gevolgen die de keuze van de statistische eenheid heeft voor de verdeling van de gegevens over de groepen NACE Rev. 1-rubrieken.

BIJLAGE III

Schakelschema

(in verband met bijlage I, sectie 2, punt 2, en bijlage II, sectie 2)

tussen de EAC-Stat v. 2 (statistische indeling van afvalstoffen, naar stof)

en de Europese afvalcatalogus (EAC)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerking: De indeling als gevaarlijk afvalstoffen komt overeen met Beschikking 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994. [27]

[27] PB L 356 van 31.12.1994, blz. 14.

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. Benaming van de maatregel

Ontwerp voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffenstatistieken.

2. Begrotingsonderdeel

B4-304 en B5-600

3. Rechtsgrond

Artikel 285 van het EG-Verdrag

4. Omschrijving van de maatregel

4.1 Algemeen doel

Deze verordening van het Europees Parlement en de Raad heeft tot doel een communautaire statistische infrastructuur op te zetten op het gebied van productie, inzameling, terugwinning en verwijdering van afvalstoffen in de lidstaten.

De verordening omvat pilotstudies die door de lidstaten zullen worden uitgevoerd. De resultaten van deze studies kunnen tot wijziging van de verordening leiden.

4.2 Looptijd, vernieuwing of verlenging

Ten aanzien van de frequentie waarmee de gegevens worden verzameld, kunnen de afvalstoffenstatistieken worden onderverdeeld in:

A) De gegevensverzameling over de verbranding en definitieve verwijdering van afvalstoffen door gespecialiseerde afvalverwijderingsbedrijven zal jaarlijks gebeuren vanaf het referentiejaar, ofwel twee jaar na de bekendmaking van de verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

B) De gegevensverzameling over de productie, inzameling en terugwinning van afval en over de verbranding en definitieve verwijdering van afvalstoffen door niet-gespecialiseerde afvalverwijderingsbedrijven zal driejaarlijks gebeuren vanaf het referentiejaar, ofwel twee jaar na de bekendmaking van de verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

5. Indeling van uitgaven en ontvangsten

5.1 Verplichte/niet-verplichte uitgaven

5.2 Gesplitste/niet-gesplitste kredieten

5.3 Verwachte ontvangsten

Verkoop van publicaties.

6. Aard van uitgaven en ontvangsten

- Subsidie:

De bijdrage van de Gemeenschap aan de verzameling en bewerking van gegevens. De Gemeenschap kan slechts in geringe mate bijdragen in de kosten van de enquêtes, het gebruik van administratieve gegevens en de ontwikkeling van softwarehulpmiddelen.

De pilotstudies zullen door de Gemeenschap voor maximaal 100% van de kosten voor de uitvoering ervan worden gefinancierd.

7. Financiële gevolgen

7.1 Wijze van berekening van de totale kosten van de maatregel (samenhang tussen de kosten per onderdeel en de totale kosten)

De kosten doen zich voor op drie niveaus: bij het bedrijfsleven voor het verstrekken van informatie, bij de bureaus voor de statistiek van de lidstaten voor het verzamelen, bewerken en melden van de gegevens (op nationaal niveau en aan de Commissie) en bij Eurostat voor het bewerken en melden van de gegevens op Europees niveau.

Voor de uitvoering in de lidstaten is het volgende nodig:

- gebruik van administratieve bronnen en ontwikkeling van een informatiesysteem over afvalstoffengegevens;

- enquête over afvalproductie en -inzameling (eventueel);

- enquête over afvalterugwinning en -verwijdering (eventueel);

- specifieke pilotstudies (op basis van vrijwilligheid);

- IT-apparatuur; en

- gegevensverwerking en ontwikkeling van softwarehulpmiddelen.

Eurostat zal de vereiste activiteiten in de lidstaten ondersteunen, zoals in de onderstaande tabel gespecificeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de verwachte frequentie van de gegevensverstrekking (jaarlijks voor afvalverwijdering en driejaarlijks voor afvalproductie, -inzameling en -terugwinning).

Kosten voor Eurostat:

Voor de ontwikkeling van het systeem voor afvalstoffenstatistieken (inclusief de ontwikkeling van software, procedures voor de validering en analyse van de gegevens, het op gang brengen van het gegevensuitwisselingsysteem, methodologische hulp aan lidstaten enz.) heeft Eurostat EUR 500 000 nodig. Voor de regelmatige productie van de statistieken na de ontwikkeling van het systeem is EUR 70 000 vereist voor elke periode van drie jaar met ingang van 2005. Voor de uitvoering van de pilotstudies heeft Eurostat EUR 1 500 000 nodig.

Volgens een overeenkomst met DG ENV (begrotingsartikel B4-304) wordt 50% van de totale kosten (EUR 2 070 000) gefinancierd door DG ENV.

7.2 Kostenverdeling

Vastleggingskredieten (mln euro, lopende prijzen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.3 Beleidsuitgaven voor studies, deskundigen enz., opgenomen in deel B van de begroting

Vastleggingskredieten (mln euro, lopende prijzen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.4 Tijdschema voor de vastleggings- en betalingskredieten

mln euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. Maatregelen ter bestrijding van fraude

Betaling door de Commissie voor door haar gesloten contracten en overeenkomsten geschiedt alleen op basis van voortgangsverslagen en na verificatie van de resultaten.

Statistische informatie wordt beschouwd als een objectief instrument voor de evaluatie van de communautaire actieprogramma's en draagt zo bij tot een doeltreffende fraudebestrijding.

9. Elementen voor kosteneffectiviteitsanalyse

9.1 Specifieke en kwantificeerbare doelstellingen, doelgroep

- Specifieke doelstellingen: verband met de algemene doelstelling

Hoofddoelstelling van het ontwerp voor een verordening betreffende afvalstoffenstatistieken is het opzetten van een geharmoniseerd informatiesysteem op het gebied van productie, inzameling en verwijdering van afvalstoffen in de EU. Hierdoor komen er gegevens beschikbaar voor het toezicht op het EU-afvalstoffenbeleid. Met name wordt het mogelijk om nauwkeurig na te gaan welke soorten afval geproduceerd zijn, welke economische actoren hiervoor verantwoordelijk zijn en wat de bestemming van het afval is. Op grond van de verschillen in de hoeveelheid afval in de verschillende landen, kunnen dan op nationaal niveau concrete beleidsdoelen worden geformuleerd, teneinde in alle lidstaten een zekere ecologische minimumstandaard te bereiken en aan de doelstellingen van de EU te voldoen.

- Doelgroep:

Gemeenschapsinstellingen: Raad, Europees Parlement, Commissie enz.;

lidstaten;

algemeen publiek (bedrijfsleven, wetenschap, verenigingen enz.)

9.2 Motivering van de maatregel

De Europese afvalstoffenstatistieken, die nu gebaseerd zijn op een zeer globale vrijwillige enquête en op enkele meldingsverplichtingen over specifieke afvalstoffen (zoals afgewerkte olie), is absoluut ontoereikend om bruikbare informatie te verschaffen met het oog op een beter afvalbeheer. Zonder rechtsgrond is het onmogelijk vergelijkbare gegevens over het afvalbeheer te verkrijgen.

Dit is vooral te wijten aan de verschillen in de structuur en ontwikkeling van het afvalbeheer in de lidstaten (en aan het gebruik van uiteenlopende indelingen van de afvalcategorieën ten behoeve van de afvalstoffenstatistieken in de Europese Unie). Die verschillen worden door twee factoren veroorzaakt: "natuurlijke" verschillen (stedelijke tegenover landelijke gebieden, hooggeïndustrialiseerde tegenover agrarische gebieden) en politieke besluitvorming (sterk nationaal of regionaal gecentraliseerd afvalbeheer versus plaatselijk afvalbeheer).

9.3 Follow-up en evaluatie van de maatregel

Toezicht op de uitvoering van de verordening geschiedt in het kader van Verordening (EG) nr. 322/97 betreffende de communautaire statistiek en volgens de daarin vermelde procedure.

Het ontwerp voor een verordening bepaalt dat de lidstaten regelmatig gegevens over afval moeten verstrekken en stelt hiervoor bepaalde formaten en een bepaald kwaliteitsniveau vast. Ten slotte moet Eurostat de Raad om de drie jaar een verslag over de uitvoering van de verordening voorleggen.

10. Huishoudelijke uitgaven (Afdeling III, deel A, van de begroting)

De feitelijke beschikbaarstelling van de vereiste huishoudelijke middelen is afhankelijk van het jaarlijkse besluit van de Commissie betreffende de toewijzing van middelen, rekening houdend met de extra personele en financiële middelen die door de begrotingsautoriteit worden toegekend.

De vereiste personele en administratieve middelen vallen onder de aan de beheersdiensten toegewezen middelen.

10.1 Gevolgen voor de personeelssterkte

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.2 Financiële gevolgen van het extra personeel

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.3 Stijging van andere huishoudelijke uitgaven als gevolg van de maatregel

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Titel van het voorstel

Ontwerp voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffenstatistieken

Referentienummer van het document

98015

Inleiding

Ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor een Ontwerp voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de statistiek van het afvalbeheer (COM(1999), 31 def.) eist het gewijzigde voorstel minder gegevens vereist en biedt het bij de gegevensmelding meer flexibiliteit. Sommige moeilijkere gebieden (in- en uitvoer van afvalstoffen, verpakkingsafval, methoden voor voorbehandeling van afval) zullen volgens het gewijzigde voorstel eerst pilotstudies worden uitgevoerd en aan de hand van de resultaten daarvan zal het eenvoudiger zijn te beoordelen of het zinvol en haalbaar is over deze gebieden gegevens te verkrijgen. De pilotstudies worden door de lidstaten op basis van vrijwilligheid uitgevoerd.

De verschillen tussen de voorstellen zijn in de toelichting nader beschreven.

Het effect van het gewijzigde voorstel voor het bedrijfsleven, waarop hieronder nader wordt ingegaan, is positief daar het tot een minder belastende gegevensmelding dan het oorspronkelijke voorstel zal leiden.

Het voorstel

Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen-

Met het oog op de uitvoering van haar taken op het gebied van afvalbeheer zoals bepaald in het vijfde milieuactieprogramma en in de daaropvolgende richtlijnen en verordeningen, heeft de Commissie vergelijkbare informatie nodig over geproduceerd afval, teruggewonnen/gerecycleerd afval en definitief verwijderd afval.

De in de lidstaten beschikbare informatie is voor de beoordeling van de situatie op het gebied van afvalbeheer in de meeste lidstaten ongeschikt. De beschikbare informatie is eveneens ongeschikt voor vergelijkingen tussen de lidstaten aangezien definities en classificaties onsamenhangend zijn.

De meeste lidstaten zijn nog bezig met het opzetten van afvalcontrole- en -informatiesystemen die in overeenstemming zijn met de nationale en Europese wetgeving. Er moet dan ook dringend duidelijk worden bepaald welke informatie op Europees niveau nodig is om te vermijden dat informatiesystemen worden opgezet die niet-vergelijkbare gegevens opleveren.

Effect op het bedrijfsleven

Er zullen drie verschillende gegevensreeksen worden verlangd. Deze gegevensreeksen zijn bepaald in de bijlagen I en II van het gewijzigde voorstel voor een verordening en zorgen voor een verschillende dekking voor de diverse bedrijfstakken. Voor elke bijlage geldt wat de dekking betreft:

Voor de 'afvalproductie' (bijlage I; driejaarlijkse melding) worden alle economische activiteiten bestreken, met uitzondering van 'landbouw', 'jacht', 'visserij', 'bosbouw' en 'winning van uranium- en thoriumerts', overeenkomstig de statistische nomenclatuur van economische activiteiten NACE Rev. 1.

Voor de 'terugwinning en verwijdering van afvalstoffen' (bijlage II) worden alle terugwinnings- en verwijderingsinstallaties bestreken die afvalbehandelingsactiviteiten uitvoeren en die behoren tot of deel uitmaken van de bovengenoemde economische activiteiten. De melding gebeurt jaarlijks voor installaties die verbranding, meeverbranding en storten (verwijdering) van afval als voornaamste bedrijfsactiviteit hebben (specialisten). Voor installaties die terugwinningsactiviteiten uitvoeren of waarvoor de verwijdering van afvalstoffen niet hun hoofdactiviteit is (niet-specialisten) moet de melding driejaarlijks gebeuren. Installaties die het afval recycleren dat zij zelf produceren, zijn uitgezonderd.

De lidstaten kunnen de nodige gegevens ten behoeve van deze statistieken verwerven door middel van enquêtes, administratieve bronnen of statistische schattingen. In gevallen waarin over deze behandelingsactiviteiten al informatie is verzameld of in de nabije toekomst zal worden verzameld (krachtens EU-wetgeving of krachtens aanvullende nationale wetgeving) zal dit voor de ondernemingen geen extra belasting inhouden.

In het algemeen kan worden gesteld dat voornamelijk overheidsdiensten (gemeenten, milieubeschermings- en afvalcontrole-instanties) de gevolgen ondervinden van de gegevensverzamelingsactiviteit ten behoeve van het gewijzigde voorstel voor een verordening betreffende afvalstoffenstatistieken. Dit betekent dat gegevens voornamelijk moeten worden verzameld bij overheidsdiensten die op het gebied van afvalinzameling en -behandeling actief zijn of bij milieucontrole-instanties.

Ondernemingen met minder dan tien werknemers worden bij de enquêtes uitgesloten, tenzij zij een belangrijk aandeel in de afvalproductie hebben, overeenkomstig artikel 3, lid 2. Daar het gewijzigde voorstel voor een verordening betreffende afvalstoffenstatistieken geen indeling van de gegevens naar personeelssterkte of andere grootteklassen eist, hoeven niet alle bedrijfscategorieën op basis van omvang te worden bestreken. In het algemeen moeten de nodige gegevens bij grote ondernemingen worden verzameld als er geen administratieve bronnen beschikbaar zijn. De afvalproductie van de kleine en middelgrote ondernemingen kan dan worden geschat, ervan uitgaande dat de hoeveelheden afval in verhouding tot het aantal werknemers staan. Doel zou moeten zijn voor elke vereiste enquête de dekkingscriteria te halen door eerst de grote ondernemingen en vervolgens de middelgrote en kleine ondernemingen op te nemen.

Het instrument 'dekkingscriteria' is ingevoerd om de belasting voor ondernemingen (die de vragenlijsten beantwoorden) te beperken en de nationale bureaus voor de statistiek in staat te stellen op een flexibele en kostenefficiënte wijze te handelen.

Er moeten gegevens worden geproduceerd op NUTS 1- en NUTS 2-niveau voor terugwinning en verwijdering van afvalstoffen. Er is al EU-wetgeving waarin gegevens worden geëist voor installaties die gevaarlijk en ongevaarlijk afval behandelen. De voor de verordening betreffende afvalstoffenstatistieken vereiste gegevens kunnen op deze informatie worden gebaseerd indien deze geschikt is.

De lidstaten kunnen zelf kiezen of zij enquêtes willen uitvoeren. De geselecteerde ondernemingen zal worden gevraagd informatie te verstrekken over geproduceerd afval en/of teruggewonnen of verwijderd afval.

Daar de verordening betreffende afvalstoffenstatistieken tot doel heeft de melding van afval in het algemeen te harmoniseren en vooral het gebruik van bestaande administratieve bronnen beoogt, kunnen de lidstaten ervoor kiezen hun statistieken te baseren op administratieve gegevens die ondernemingen eerder aan de bevoegde instanties hebben verstrekt.

Een eerste doel van de voorgestelde verordening is het verstrekken van informatie over geproduceerde afvalhoeveelheden naar afvalsoort en van informatie over afvalrecycling naar overeenkomstige afvalsoort en afvalbehandelingsinstallaties. Deze informatie zal een samenhangend beeld opleveren van het bestaande afvalbeheer en van de nu nauwelijks zichtbare mogelijkheden die daardoor worden geboden. Op die manier zal zij bijdragen tot een optimalisering van de investeringen in afvalbeheersinstallaties. Aan de hand van samenhangende informatie die gebaseerd is op structurele bedrijfsstatistieken en op afvalstoffenstatistieken zal de doeltreffendheid van het productie- en het afvalbeheer kunnen worden verhoogd.

Zoals eerder vermeld zijn ondernemingen met minder dan tien werknemers, overeenkomstig artikel 3, lid 2, uitgesloten bij enquêtes die vereist zijn om aan de meldingsverplichtingen te voldoen. In specifieke gevallen is het mogelijk dat de minimumdekking niet wordt gehaald wanneer geen kleine ondernemingen (minder dan tien werknemers) worden opgenomen. In de meeste van deze gevallen gaat het om gevaarlijk afval, dat gewoonlijk bij de bevoegde instanties is gemeld; in dat geval wordt de ondernemingen geen extra belasting opgelegd. Economische activiteiten waarbij kleinere ondernemingen aanzienlijk tot de afvalproductie zouden kunnen bijdragen zijn bijvoorbeeld 'Recycling (NACE 37)', en diverse activiteiten onder NACE F-Q, bijvoorbeeld 'Afwerking van gebouwen', 'Onderhoud en reparatie van auto's', 'Groothandel in afval en schroot', 'Industriële reiniging', en 'Fotografen'. De voorgestelde verordening is zodanig opgezet dat voor afvalstoffenstatistieken administratieve gegevens moeten worden gebruikt.

Raadpleging

De volgende organisaties werden geraadpleegd en hebben positief gereageerd voordat het voorstel van de Commissie voor het Ontwerp voor een verordening van de Raad (EG) betreffende de statistiek van het afvalbeheer (COM(1999) 31. def.) werd goedgekeurd: het CSP, DG ENV, het Europees Milieuagentschap en het Europees Themacentrum inzake Afval (ETC/W).

Het voorstel werd diverse keren voorgelegd op de regelmatige bijeenkomsten van FEBI-FEBS-Eurostat over statistische informatie.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 september 1999 zijn advies goedgekeurd.

Top