Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001DC0568

Verslag Over de nakoming van de verplichtingen van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid - Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

/* COM/2001/0568 def. */

52001DC0568

Verslag Over de nakoming van de verplichtingen van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid - Europese Gemeenschap voor Atoomenergie /* COM/2001/0568 def. */


VERSLAG Over de nakoming van de verplichtingen van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid

(door de Commissie ingediend)

Samenvatting

De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) is een regionale organisatie als bedoeld in artikel 30, lid 4, van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid. Euratom is op 31 januari 2000 tot het Verdrag toegetreden, nadat dit voor alle vijftien lidstaten van Euratom van kracht was geworden.

Het verslag is ingedeeld volgens de richtlijnen die door de verdragsluitende partijen zijn opgesteld (INFCIRC/572/Rev.1).

Hoofdstuk 1, inleiding geeft een overzicht van de betrekkingen tussen Euratom en haar lidstaten en gaat nog eens in op de verklaring die Euratom overeenkomstig artikel 30, lid 4, onder iii) van het Verdrag heeft afgelegd.

In hoofdstuk 2, tenuitvoerlegging van het Verdrag, wordt de tenuitvoerlegging per artikel behandeld, waarbij de reikwijdte is beperkt in overeenstemming met bovengenoemde verklaring.

Hoofdstuk 3, geplande activiteiten ter verbetering van de veiligheid, heeft betrekking op het huidige kaderprogramma van Euratom voor activiteiten op het gebied van onderzoek en onderwijs.

1. INLEIDING

1.1. De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna "Euratom" genoemd) is opgericht bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, dat op 25 maart 1957 in Rome is ondertekend. Euratom, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap, vroeger Europese Economische Gemeenschap, worden samen de "Europese Gemeenschappen" genoemd.

Sinds in 1992 in Maastricht het Verdrag betreffende de Europese Unie werd aangenomen, waarbij een Europese Unie werd opgericht gebaseerd op de Europese Gemeenschappen, wordt de term Europese Unie veel gebruikt in algemene zin.

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Euratom-Verdrag, is sinds de goedkeuring ervan een aantal malen gewijzigd, met name in verband met de toename van het aantal lidstaten en in verband met procedurele kwesties. De laatste wijzigingen die thans van kracht zijn, zijn geïntroduceerd bij het Verdrag van Amsterdam dat op 2 oktober 1997 is ondertekend.

1.2. Euratom voldoet aan de voorwaarden van artikel 30, lid 4, van het Verdrag om partij bij het Verdrag te worden. Het is bij besluit van 16 november 1999 [1] tot het Verdrag toegetreden overeenkomstig artikel 101 van het Euratom-Verdrag na een besluit van de Raad van 1998. De akten van toetreding zijn op 31 januari 2000 bij de Directeur-generaal van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie neergelegd en het Verdrag is bijgevolg overeenkomstig artikel 31, lid 2, van het Verdrag op 30 april 2000 voor Euratom in werking getreden.

[1] Besluit 1999/819/Euratom van de Commissie van 16 november 1999 betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) tot het Verdrag inzake nucleaire veiligheid van 1994 PB L 318 van 11.12.1999, blz. 20.

Dit is het eerste rapport van Euratom betreffende de maatregelen die zij heeft genomen ter nakoming van elk van de verplichtingen van het Verdrag, als vereist krachtens artikel 5 van het Verdrag. Het is complementair aan de rapporten die zijn ingediend door de lidstaten van Euratom die verdragsluitende partij zijn.

1.3. Euratom bezit geen kerninstallaties als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van het Verdrag [2]. Kerninstallaties komen voor op het grondgebied waarop het Euratom-Verdrag van toepassing is. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van die installaties berust bij de lidstaten op het grondgebied waarvan de kerninstallatie zich bevindt.

[2] Voor de toepassing van dit Verdrag betekent "kerninstallatie", voor elke verdragsluitende partij: een onder haar rechtsmacht vallende op land gevestigde civiele kerncentrale, met inbegrip van de voorzieningen voor opslag, handling en bewerking van radioactieve stoffen die zich op hetzelfde terrein bevinden en rechtstreeks verband houden met de bedrijfsvoering van de kerncentrale. Een dergelijke kerncentrale houdt op een kerninstallatie te zijn wanneer alle splijtstofelementen permanent uit de reactorkern zijn verwijderd en veilig zijn opgeslagen in overeenstemming met goedgekeurde procedures, en het regulerend lichaam zijn goedkeuring heeft gehecht aan een programma voor permanente buitenbedrijfstelling (met inbegrip van ontmanteling).

Hieronder wordt nader ingegaan op de verantwoordelijkheden van Euratom; deze betreffen vooral de bescherming van de gezondheid van de werknemers en van de bevolking tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren.

1.4 Tot de akten van toetreding behoorde de verklaring die krachtens artikel 30, lid 4, onder iii) van het Verdrag moet worden ingediend. De verklaring luidt als volgt:

"Verklaring door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie overeenkomstig de bepalingen van artikel 30, lid 4, onder iii), van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid

De volgende staten zijn momenteel lid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie: het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

De Gemeenschap verklaart dat de artikelen 15 en 16, lid 2, van het Verdrag op haar van toepassing zijn. De artikelen 1 tot en met 5, artikel 7, lid 1, artikel 14, onder ii), en de artikelen 20 tot en met 35 zijn slechts op haar van toepassing voorzover het de onder de artikelen 15 en 16, lid 2, vallende terreinen betreft.

De Commissie beschikt over, met bovengenoemde lidstaten gedeelde, bevoegdheid voor de onder de artikelen 15 en 16, lid 2, van het Verdrag vallende terreinen overeenkomstig artikel 2, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de relevante artikelen van titel II, hoofdstuk 3, getiteld 'Bescherming van de gezondheid' [3]."

[3] In verband met deze alinea loopt momenteel een beroep bij het Europese Hof van Justitie dat kan leiden tot de nederlegging van een nieuwe verklaring ter vervanging van de huidige. PB C 100 van 10.4.1999, blz. 9.

1.5. In de preambule van het Euratom-Verdrag hebben de ondertekenaars verklaard dat zij onder andere:

- verlangende waren de veiligheidsvoorwaarden te scheppen waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend;

- geleid werden door de wens andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van atoomenergie.

Deze verklaringen stemmen volledig overeen met de doelstellingen van het Verdrag als beschreven in artikel 1 daarvan.

Dit artikel (te lezen in combinatie met artikel 2, "begripsomschrijvingen") betreft de doelstellingen van het Verdrag, die drieledig zijn:

- een hoog niveau van nucleaire veiligheid;

- bescherming van de bevolking en het milieu tegen ioniserende straling bij het ontwerp, de keuze van de vestigingsplaats, de bouw en de exploitatie van kerninstallaties; en

- het voorkomen van ongevallen en het beperken van de stralingsgevolgen van dergelijke ongevallen.

1.6. In artikel 2 van het Euratom-Verdrag is verklaard dat de Gemeenschap voor de vervulling van haar taak uit hoofde van het Euratom-Verdrag onder andere:

- onderzoek ontwikkelt en zorgt voor de verspreiding van technische kennis;

- uniforme veiligheidsnormen vaststelt voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor zorgt dat deze worden toegepast;

- met andere landen en met internationale organisaties alle betrekkingen tot stand brengt welke de vooruitgang in het vreedzame gebruik van de kernenergie kunnen bevorderen [4].

[4] De artikelen 101, 102 en 103 van het Euratom-Verdrag verlenen Euratom de bevoegdheid om met een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat over akkoorden of overeenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten.

Titel II, hoofdstuk 3, bescherming van de gezondheid, van het Euratom-Verdrag bevat een aantal gedetailleerde bepalingen met het oog op het opstellen, invoeren en toepassen van de in artikel 2, onder b), genoemde basisnormen. Dit hoofdstuk is niet gewijzigd sinds de inwerkingtreding van het Euratom-Verdrag in 1958.

Krachtens artikel 37 van het Euratom-Verdrag is Euratom rechtstreeks verantwoordelijk voor de bescherming tegen de gevaren van radioactieve straling als gevolg van de opberging van radioactief afval. De tekst luidt:

"Iedere lidstaat is gehouden, aan de Commissie de algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, in welke vorm ook, om vast te kunnen stellen of de uitvoering van dat plan een radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere lidstaat ten gevolge zou kunnen hebben.

De Commissie brengt, na raadpleging van de in artikel 31 bedoelde groep van deskundigen, binnen zes maanden haar advies uit."

Het advies van de Commissie ingevolge artikel 37 van het Euratom-Verdrag moet, om volledig effectief te zijn, ter kennis van de staat die de vergunning verleent worden gebracht voordat de vergunning wordt verleend. De adviezen van de Commissie krachtens artikel 37 worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

In de loop van de jaren is een aanzienlijk pakket Euratom-wetgeving inzake stralingsbescherming aangenomen en bijgewerkt.

Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren [5] (hierna de "basisnormenrichtlijn" genoemd) is het centrale element van deze wetgeving. De huidige Euratom-wetgeving wordt gecompleteerd door een reeks verordeningen van de Europese Gemeenschap waarin de voorwaarden zijn vastgesteld voor de invoer van landbouwproducten uit derde landen na het ongeval met de kerncentrale van Tsjernobyl. Deze hebben tot doel de gezondheid van de consumenten van die producten te beschermen.

[5] Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1).

De relatie tussen de door Euratom vastgestelde wetgeving en de nationale regelgeving van de lidstaten is krachtens artikel 161 van het Euratom-Verdrag als volgt:

"Voor de vervulling van hun taak stellen de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven beschikkingen en brengen aanbevelingen of adviezen uit, onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden.

Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend."

In artikel 164 van het Euratom-Verdrag is bepaald dat de tenuitvoerlegging van verordeningen, richtlijnen en beschikkingen geschiedt volgens bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt.

2. TENUITVOERLEGGING VAN HET VERDRAG

Behandeling per artikel

Overeenkomstig de eerder genoemde verklaring heeft dit hoofdstuk betrekking op de artikelen 15 en 16, lid 2, van het Verdrag en, voorzover het de onder die artikelen vallende terreinen betreft, de artikelen 1 tot en met 5, artikel 7, lid 1, artikel 14, onder ii) en de artikelen 20 tot en met 35 met betrekking tot hoofdstuk 3 van het Euratom-Verdrag en afgeleid gemeenschapsrecht.

2.1. Artikel 7 van het Verdrag - WET- EN REGELGEVEND KADER

Het Euratom-Verdrag bevat, met name in titel II, hoofdstuk 3, bescherming van de gezondheid, een aantal verplichtingen voor Euratom en haar instellingen en voor de lidstaten. De artikelen 31 en 32 van het Euratom-Verdrag beschrijven de procedure voor het vaststellen van het afgeleide recht inzake de basisnormen voor de stralingsbescherming.

Bij de procedure zijn drie van de vijf instellingen van Euratom [6] betrokken, namelijk het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Daarnaast brengt het Economisch en Sociaal Comité advies uit. Het Hof van Justitie waarborgt dat de wetgeving in acht wordt genomen bij de interpretatie en toepassing van het Euratom-Verdrag.

[6] De instellingen van Euratom, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer, zijn instellingen die de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Gemeenschap en de Europese Unie gemeen hebben.

De belangrijkste kenmerken van het wetgevend kader van Euratom inzake stralingsbescherming zijn samengevat in hoofdstuk 1 van dit verslag.

2.2. Artikel 15 van het Verdrag - STRALINGSBESCHERMING

2.2.1. Volgens artikel 2, onder b), van het Euratom-Verdrag moet de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor zorgen dat deze worden toegepast. Artikel 218 van het Euratom-Verdrag benadrukt nog eens het belang van de basisnormen voor Euratom door te bepalen dat deze binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Euratom-Verdrag moeten worden vastgesteld. De normen zijn voor de eerste maal vastgesteld in 1959 en de huidige veiligheidsnormen zijn vastgesteld bij de basisnormenrichtlijn [7].

[7] Zie voetnoot 5.

De richtlijn is gebaseerd op de aanbeveling uit 1990 van de International Commission on Radiological Protection (ICRP) en sluit aan bij de International Basic Safety Standards for Protection against Ionising Radiation and for the Safety of Radiation Sources die worden gesteund en uitgegeven door de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en tevens worden gesteund door vijf andere internationale organisaties die zich bezighouden met stralingsbescherming.

De basisnormenrichtlijn is ingedeeld in tien titels:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.2.2. Het optimalisatiebeginsel (ALARA)

De algemene beginselen van de stralingsbescherming: rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimieten, zijn voorgeschreven in artikel 6. In verband met de optimalisatie is in artikel 6, lid 3, onder a) bepaald:

"Elke lidstaat zorgt ervoor dat als onderdeel van de optimalisatie elke blootstelling zo laag wordt gehouden als redelijkerwijze mogelijk is, economische en sociale factoren in aanmerking nemende."

2.2.3. Dosislimieten

In verband met de beperking van de doses zijn in de basisnormenrichtlijn dosislimieten voor blootgestelde werkers, voor leerlingen en studerenden en voor leden van de bevolking vastgesteld. De desbetreffende artikelen zijn:

Artikel 9 - Dosislimieten voor blootgestelde werkers

1. De effectieve-dosislimiet voor blootgestelde werkers bedraagt 100 mSv in een periode van vijf opeenvolgende jaren, met dien verstande dat de maximale effectieve dosis in één jaar maximaal 50 mSv mag bedragen. De lidstaten kunnen een jaardosis bepalen.

2. Onverminderd lid 1:

(a) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de ooglens 150 mSv per jaar;

(b) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de huid 500 mSv per jaar. Deze limiet geldt voor de gemiddelde dosis op enig blootgesteld oppervlak van 1 cm , onafhankelijk van het blootgesteld gebied;

(c) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de handen, onderarmen, voeten en enkels 500 mSv per jaar.

Artikel 11 - Dosislimieten voor leerlingen en studerenden

1. De dosislimieten voor leerlingen en studerenden van achttien jaar en ouder die uit hoofde van hun studie verplicht zijn gebruik te maken van bronnen, zijn dezelfde als die voor blootgestelde werkers, zoals bepaald in artikel 9.

2. De effectieve dosislimiet voor leerlingen en studerenden tussen zestien en achttien jaar die uit hoofde van hun studie gebruik moeten maken van bronnen, bedraagt 6 mSv per jaar.

Onverminderd deze dosislimiet:

(a) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de ooglens 50 mSv per jaar;

(b) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de huid 150 mSv per jaar. Deze limiet geldt voor de gemiddelde dosis op enig blootgesteld oppervlak van 1 cm , onafhankelijk van het blootgesteld gebied;

(c) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de handen, onderarmen, voeten en enkels 150 mSv per jaar.

3. De dosislimieten voor leerlingen en studerenden die niet onder de leden 1 en 2 vallen, zijn gelijk aan de in artikel 13 bepaalde dosislimieten voor leden van de bevolking.

Artikel 13 - Dosislimieten voor de leden van de bevolking

1. Onverminderd artikel 14 worden voor de leden van de bevolking de in de leden 2 en 3 genoemde dosislimieten in acht genomen.

2. De effectieve-dosislimiet bedraagt 1 mSv per jaar. In buitengewone omstandigheden mag echter de effectieve dosis in één jaar hoger zijn, mits het gemiddelde over vijf opeenvolgende jaren niet meer dan 1 mSv per jaar bedraagt.

3. Onverminderd lid 2:

(a) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de ooglens 15 mSv per jaar;

(b) bedraagt de equivalente-dosislimiet voor de huid, gemiddeld op enig huidoppervlak van 1 cm , 50 mSv per jaar, onafhankelijk van het blootgestelde gebied.

2.2.4. Bepalingen in verband met het vrijkomen van radioactieve materialen

Artikel 37 van het Euratom-Verdrag is, zoals gezegd in de inleiding van dit verslag, relevant voor het vrijkomen van radioactieve materialen bij de opberging van radioactief afval.

In artikel 4, lid 1, onder a), van de basisnormenrichtlijn is onder andere bepaald dat voorafgaande vergunning vereist is voor de "exploitatie, buitengebruikstelling en ontmanteling van installaties voor de splijtstofcyclus".

In verband met handelingen die voor de bevolking een risico als gevolg van ioniserende straling opleveren zijn de lidstaten op grond van de artikelen 43 en 44 van de basisnormenrichtlijn verplicht de grondbeginselen voor de praktische bescherming van de bevolking toe te passen. Zo luidt artikel 44:

"De praktische bescherming van de bevolking omvat alle maatregelen en onderzoek ter opsporing en uitschakeling van de factoren die tijdens een willekeurige verrichting waardoor personen aan ioniserende straling worden blootgesteld, voor de bevolking een blootstellingsrisico kunnen scheppen dat vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd. Deze bescherming omvat de volgende taken:

(a) bestudering en goedkeuring, vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming, van de ontwerpen voor installaties die een blootstellingsrisico opleveren, alsmede van de voorgestelde vestigingsplaats van deze installaties op het betrokken grondgebied;

(b) goedkeuring vóór ingebruikneming van dergelijke nieuwe installaties, op voorwaarde dat er adequate bescherming wordt geboden tegen elke vorm van blootstelling of van radioactieve besmetting waarvan de invloed zich buiten het bedrijfsterrein kan doen gelden, zo nodig, met inachtneming van demografische, meteorologische, geologische, hydrologische en ecologische omstandigheden;

(c) bestudering en goedkeuring van de plannen voor de lucht- en waterlozing van radioactief materiaal.

Deze taken worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften die de bevoegde autoriteiten rekening houdende met de omvang van het betrokken blootstellingsrisico hebben vastgesteld.

Op grond van artikel 49 van de basisnormenrichtlijn moeten de lidstaten rekening houden met eventuele radiologische noodsituaties ten gevolge van handelingen die onder de richtlijn vallen en de daarmee overeenkomende potentiële blootstellingen bepalen.

Krachtens artikel 45 moeten ramingen worden opgesteld van de door de bevolking ontvangen doses in verband met kerninstallaties als gedefinieerd in het Verdrag en moet daarvan documentatie worden bewaard:

De bevoegde autoriteiten:

(a) zien erop toe dat zo realistisch mogelijk ramingen van de doses als gevolg van aan een vergunning onderworpen handelingen worden opgesteld voor de bevolking als geheel en voor referentiegroepen van de bevolking, overal waar dergelijke groepen kunnen voorkomen;

(b) stellen de frequentie van de bepalingen vast en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de referentiegroepen van de bevolking te identificeren, met inachtneming van de werkelijk door de radioactieve stoffen gevolgde routes;

(c) zien erop toe dat, met inachtneming van de stralingsrisico's, de ramingen van de door de bevolking ontvangen doses het volgende omvatten:

- bepaling van de doses ten gevolge van uitwendige straling, met, zo nodig, vermelding van de kwaliteit van de betrokken straling;

- bepaling van de opname van radionucliden, met vermelding van de aard van de radionucliden en, waar nodig, de fysische en chemische toestand ervan, alsmede vaststelling van de activiteit en concentraties ervan;

- bepaling van de doses die de referentiegroepen van de bevolking kans lopen te ontvangen, en specificatie van de kenmerken van deze groepen.

(d) stellen het verplicht dat de op de metingen van uitwendige blootstelling betrekking hebbende documenten, de ramingen van de opnamen van radionucliden en van radioactieve besmetting, alsmede de resultaten van de bepalingen van de door de referentiegroepen en de bevolking ontvangen doses worden bewaard.

2.2.5. Voorgeschreven controleactiviteiten

De lidstaten oefenen controle uit op de stralingsbescherming overeenkomstig artikel 35 van het Euratom-Verdrag, waar is voorgeschreven dat installaties moeten worden opgericht "om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem, evenals om controle uit te oefenen op de inachtneming van de basisnormen.

De Commissie heeft toegang tot deze controle-installaties; zij kan de werking en de doeltreffendheid van deze installaties nagaan."

De resultaten van de krachtens artikel 35 door de lidstaten uitgevoerde controles worden regelmatig aan de Commissie meegedeeld krachtens artikel 36 van het Euratom-Verdrag. Aanbeveling 2000/473/Euratom van de Commissie [8] heeft tot doel te zorgen voor de nodige uniformiteit, vergelijkbaarheid, transparantie en tijdigheid van de meegedeelde gegevens. De Commissie publiceert regelmatig samenvattingen van de door de lidstaten meegedeelde gegevens. Tevens maakt zij gebruik van haar recht op toegang krachtens artikel 35 van het Euratom-Verdrag.

[8] Aanbeveling 2000/473/Euratom van de Commissie van 8 juni 2000 inzake de toepassing van artikel 36 van het Euratom-Verdrag betreffende de controle van de omgevingsradioactiviteit ter beoordeling van de blootstelling van de bevolking. PB L 191van 27.7.2000, blz. 37.

Artikel 46 van de basisnormenrichtlijn luidt:

Wat de gezondheidsbescherming van de bevolking betreft, stelt elke lidstaat een inspectiesysteem in om de bepalingen te doen naleven die krachtens deze richtlijn worden ingevoerd en om de aanzet te geven tot toezicht op het gebied van stralingsbescherming.

2.3. Artikel 16 van het Verdrag - VOORBEREIDING OP ONGEVALLEN

In de Europese wetgeving zijn twee teksten opgenomen die specifiek betrekking hebben op de informatie van de bevoegde instanties en de leden van de bevolking.

2.3.1 In Beschikking 87/600/Euratom [9] worden regelingen vastgesteld voor de snelle uitwisseling van informatie tussen bevoegde instanties in geval van stralingsgevaar. Deze regelingen "zijn van toepassing op de kennisgeving en het verschaffen van informatie, wanneer een lidstaat besluit ter bescherming van de bevolking uitgebreide maatregelen te nemen in noodgevallen met radioactieve stoffen" (artikel 1 van de beschikking).

[9] Beschikking 87/600/Euratom van de Raad van 14 december 1987 inzake communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar, PB L 371 van 30.12.1987, blz. 76.

Artikel 2, lid 1, van deze beschikking bepaalt welke procedure een lidstaat moet volgen wanneer hij besluit de in artikel 1 bedoelde maatregelen te treffen:

a) aan de Commissie en aan de lidstaten die zijn of kunnen worden getroffen onverwijld kennis geven van die maatregelen alsmede van de redenen waarom zij worden genomen;

b) onmiddellijk de Commissie en de lidstaten die zijn of kunnen worden getroffen de beschikbare informatie verschaffen die van belang is om de voorziene gevolgen van de vrijgekomen radioactieve stoffen in die staten zoveel mogelijk te beperken.

In artikel 2, lid 2 worden de lidstaten opgeroepen kennis te geven van hun "voornemen onverwijld maatregelen als bedoeld in artikel 1 te nemen".

Tevens wordt in de beschikking de aard van de te verstrekken informatie nader omschreven en wordt voorgeschreven dat de eerste informatie met passende tussenpauzen dient te worden aangevuld.

De Commissie geeft de van een lidstaat ontvangen informatie door aan alle lidstaten die door die lidstaat nog niet rechtstreeks zijn geïnformeerd.

De beschikking is van toepassing op de lidstaten van Euratom en tevens op Zwitserland volgens een overeenkomst tussen Euratom en Zwitserland [10].

[10] In juni 1995 bij briefwisseling gesloten, PB C 335 van 13.12.1995, blz. 4.

De beschikking is verenigbaar met het Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval, zoals is gebleken bij verschillende oefeningen die zijn uitgevoerd in samenwerking met de IAEA en de staten die aan dergelijke oefeningen deelnemen.

2.3.2. Richtlijn 89/618/Euratom [11] van de Raad heeft betrekking op de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar te treffen maatregelen ter bescherming van de bevolking en over de in dat geval te volgen gedragslijn.

[11] Richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn, PB L 357 van 7.12.1989, blz. 31.

De richtlijn noemt twee soorten informatie die aan de bevolking moeten worden verstrekt:

- informatie vooraf die moet worden verstrekt aan de bevolkingsgroepen waarvoor de lidstaten actieplannen voor het geval van stralingsgevaar hebben opgesteld;

- informatie in geval van stralingsgevaar die moet worden verstrekt aan de bevolkingsgroepen die in geval van stralingsgevaar worden getroffen en waarvoor specifieke beschermingsmaatregelen worden genomen.

3. GEPLANDE ACTIVITEITEN TER VERBETERING VAN DE VEILIGHEID

Ingevolge artikel 7 van het Euratom-Verdrag voert Euratom onderzoek- en onderwijsprogramma's uit in verband met zaken die betrekking hebben op de artikelen 15 en 16, lid 2, van het Verdrag.

Momenteel wordt het vijfde kaderprogramma van Euratom voor activiteiten op het gebied van onderzoek en onderwijs [12] (1998-2002) uitgevoerd.

[12] Beschikking van de Raad van 25 januari 1999 tot vaststelling van een Euratom-programma voor onderzoek en onderwijs op het gebied van kernenergie (1998-2002), PB L 64 van 12.3.1999, blz. 142.

Het programma behelst werkzaamheden onder contract die worden uitgevoerd door O&O-instituten in de lidstaten en eigen werkzaamheden die worden uitgevoerd door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie.

De werkzaamheden onder contract vinden grotendeels plaats in de kernactiviteit "kernsplijting" en in de generieke onderzoekactiviteiten op het gebied van de "stralingsbescherming".

De kernactiviteit "kernsplijting" is opgedeeld in een aantal gebieden: "bedrijfsveiligheid van bestaande installaties", "veiligheid van de splijtstofkringloop", "veiligheid en doelmatigheid van toekomstige systemen" en "stralingsbescherming". De doelstellingen zijn: (i) het waarborgen van de bescherming van werknemers en publiek tegen straling en veilig en doeltreffend beheer en definitieve opberging van radioactieve afvalstoffen, (ii) verkenning van nieuwe, duurzame concepten die op langere termijn potentiële voordelen bieden wat betreft het rendement, de veiligheid, de gezondheid en het milieu en (iii) bijdragen tot de instandhouding van de grote deskundigheid en bekwaamheid op het gebied van nucleaire technologie en veiligheid.

De doelstellingen van de generieke onderzoekactiviteiten op het gebied van de stralingsbescherming zijn de kennis en deskundigheid te consolideren en uit te bouwen die essentieel zijn voor het veilig gebruik van kernsplijting en voor andere industriële en medische toepassingen van ioniserende straling, met inbegrip van het beheer van natuurlijke stralingsbronnen. Het onderzoek zal tevens bijdragen tot de geharmoniseerde toepassing en verdere consolidatie van de basisnormen op het gebied van de stralingsbescherming.

Met betrekking tot de "Direct Actions", en in overeenstemming met haar opdracht wetenschappelijke en technische bijstand aan het EU beleid te verlenen, centreert het JRC haar activiteiten op de volgende vakgebieden: afvalverwerking en -opslag; stralingsbescherming; reactorveiligheid, controle over splijtstoffen en bijdragen in verband met non-proliferatie; radionuclidenmetrologie.

Top