Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000PC0054

Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van behoud en duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

/* COM/2000/0054 def. - COD 99/0015 */

PB C 248E van 29.8.2000, pp. 97–107 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000PC0054

Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van behoud en duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden /* COM/2000/0054 def. - COD 99/0015 */

Publicatieblad Nr. C 248 E van 29/08/2000 blz. 0097 - 0107


Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende maatregelen ter bevordering van behoud en duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

A. Principes

1. De voorgestelde verordening beschrijft de doelstellingen en procedures voor activiteiten onder de huidige begrotingspost B7-6201 "Tropische bossen".

De eerste versie van dit voorstel werd door de Commissie op 3 februari 1999 ingediend (COM(1999) 41 def.).

Op basis van een verslag van de heer Pomés Ruíz heeft het Europees Parlement na eerste lezing het voorstel van de Commissie op 5 mei 1999 met 34 amendementen goedgekeurd.

In het licht van deze ontwikkelingen heeft de Commissie een gewijzigd voorstel opgesteld.

2. De Commissie heeft drie soorten wijzigingen aangebracht:

Ten eerste zijn naar aanleiding van de eerste lezing door het Europees Parlement een aantal nieuwe bepalingen aanvaard.

Ten tweede wordt in het gewijzigde voorstel tevens rekening gehouden met de besprekingen in de Raad, en met redactionele suggesties van de Juridische Dienst van de Raad.

Ten derde omvat het gewijzigde voorstel bepaalde veranderingen als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.

B. Toelichting

De Commissie kon 18 EP-amendementen geheel of gedeeltelijk overnemen. In bepaalde gevallen werd de formulering gewijzigd of werd de tekst in een ander deel van de verordening opgenomen dan aanvankelijk was voorgesteld. De meeste amendementen betroffen technische of beleidskwesties, met name de rechten van de inheemse bevolking - het merendeel van laatstgenoemde amendementen werd opgenomen in één bepaling.

De door de Commissie niet aanvaarde amendementen of belangrijke delen daarvan kunnen in een van de volgende categorieën worden ondergebracht:

_ amendementen betreffende kwesties van beheer die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren;

_ procedurele en administratieve amendementen die niet overeenstemden met de standaardformuleringen en praktijken voor soortgelijke verordeningen, waaronder het Financieel Reglement;

_ citaten uit wetteksten of beleidsdocumenten die werden geacht overbodig te zijn en de tekst onnodig lang te maken;

_ amendementen die onduidelijk of subjectief waren, of waarin ideeën werden herhaald die elders in de Verordening of in andere, geaccepteerde wijzigingen tot uitdrukking waren gebracht.

_ amendementen die, indien aanvaard, de in het kader van de verordening geplande activiteiten minder gericht en dus minder effectief zouden maken.

Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende maatregelen ter bevordering van behoud en duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 175 en 179,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] COM(1999) 41 def.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] REX/016 van 07.07.1999.

[Gezien het advies van het Comité van de regio's] [3]

[3]

Overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bossen diverse functies en waarden voor de mensheid hebben en kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkeling en milieu, zoals de strijd tegen de armoede, duurzame economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming;

(2) Het Europees Parlement in talrijke resoluties zijn bezorgdheid heeft uitgedrukt over de verwoesting van de bossen en de gevolgen voor bosafhankelijke bevolkingsgroepen in het bijzonder inheemse volkeren;

(3) In antwoord op het verzoek van het Europees Parlement in zijn resolutie over de bosbouwstrategie van de Europese Unie [4] de Commissie in ....... Mededeling "Bos en ontwikkeling - de EG-benadering" heeft vastgesteld, waarin een strategie voor maatregelen van de Gemeenschap ter bevordering van het behoud en duurzaam beheer van bossen in ontwikkelingslanden wordt omschreven;

[4] PB C 55 van 24.2.1997, blz. 22.

(4) De doelstellingen van deze strategie nagestreefd moeten worden in het kader van de bredere doelstelling van de Gemeenschap om behoud en duurzaam gebruik van bossen te bevorderen, ongeacht tot welke geografische of klimatologische zone zij behoren;

(5) De Gemeenschap en haar lidstaten hun handtekening hebben gezet onder de Verklaring van Rio en het Actieprogramma "Agenda 21" en dat zij zich inzetten voor het uitvoeren van de resolutie "Programma voor de verdere tenuitvoerlegging van Agenda 21" van de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (UNGASS);

(6) De Gemeenschap en haar lidstaten lid zijn van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en partij zijn bij multilaterale milieu-overeenkomsten, met name het Verdrag inzake biologische diversiteit, de Kaderovereenkomst inzake klimaatverandering en de Overeenkomst voor bestrijding van woestijnvorming; zij dan ook rekening dient te houden met de gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden van ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden met betrekking tot deze onderwerpen;

(7) De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zich in 1997 in een bijzondere zitting geschaard heeft achter de voorstellen voor maatregelen die werden gedaan in het kader van het intergouvernementele panel voor bossen (Intergovernmental Panel on Forests, IPF); de Gemeenschap en haar lidstaten zich hebben verbonden tot de tenuitvoerlegging van deze voorstellen;

(8) Verordening (EG) nr. 3062/95 van de Raad van 20 december 1995 betreffende maatregelen op het gebied van tropische bossen [5] het kader voor communautaire hulp op dit terrein heeft omschreven; Verordening (EG) nr. 3062/95 van toepassing is tot 31 december 1999; de bij de uitvoering van Verordening (EG) nr. 3062/95 opgedane ervaring in deze verordening moet worden verwerkt;

[5] PB L 327, van 30.12.1995.

(9) De Raad, in haar Resolutie van 30 november 1998 heeft erkend dat autochtonen bevolkingsgroepen en rol spelen bij het milieubeheer, met name wat betreft behoud en duurzaam beheer van bossen in ontwikkelingslanden;

(10) de Financiële instrumenten waarover de Gemeenschap beschikt ter ondersteuning van het behoud en de duurzame ontwikkeling van bossen dienen te worden aangevuld;

(11) Moet worden voorzien in de financiering van de in deze verordening beoogde activiteiten;

(12) Er gedetailleerde uitvoeringsregels dienen te worden neergelegd, in het bijzonder met betrekking tot de vorm van de maatregelen, de samenwerkingspartners en de besluitvormingsprocedure,

(13) Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vastelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegheden [6] dienen de nodige maatregelen ter uitvoering van de onderhavige verordening volgens de raadplegingsprocedure van artikel 3 van eerstgenoemd besluit te worden vastgesteld.

[6] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Gemeenschap zal financiële bijstand en passende deskundigheid verstrekken ter bevordering van het behoud en het duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden om in te spelen op de economische, sociale en milieu-eisen die worden gesteld aan bossen op lokaal, nationaal en mondiaal niveau.

De uit hoofde van deze verordening verstrekte bijstand en deskundigheid vormen een aanvulling op en een versterking van de bijstand die reeds door andere instrumenten van ontwikkelingssamenwerking wordt verstrekt.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. "Tropisch bos en andere bossen ": natuurlijke of semi-natuurlijke, primaire of secundaire bos-ecosystemen in gesloten dan wel open bosformaties, in droge, semi-aride en vochtige klimaatzones.

2. "Bosbehoud": alle activiteiten om bossen in stand te houden of weer in goede staat te brengen, in het bijzonder activiteiten met als doel de biologische diversiteit en de ecologische functies van het bos-ecosysteem te beschermen of te herstellen, en tegelijkertijd de huidige en toekomstige waarde van dit ecosysteem voor de mensheid en in het bijzonder voor bosafhankelijke bevolkingsgroepen zoveel mogelijk te behouden.

3. "Duurzaam bosbeheer": het beheer en het gebruik van bossen en beboste zones op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biologische diversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit, vitaliteit en vermogen behouden om nu en in de toekomst de relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht.

4. "Duurzame ontwikkeling": verbetering van de levensstandaard en het welzijn van de betrokken bevolkingen, binnen de grenzen van de capaciteit van het ecosysteem, door het behoud van natuurlijke rijkdommen en biologische diversiteit in het belang van de huidige en toekomstige generaties.

5. "Bosafhankelijke bevolkingsgroepen": de inheemse volkeren die het bos bewonen of dit als hun traditionele tehuis beschouwen en elke bevolkingsgroep die in of dicht bij het bos woont en die van oudsher rechtstreeks of in grote mate afhankelijk is van het bos.

Artikel 3

Activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden uitgevoerd zijn gericht op:

_ verhoging van de status van de bossen in nationaal beleid en de integratie van op duurzaam bosbeheer gebaseerd bosbeleid in ontwikkelingsplanning;

_ bevordering van de productie en het gebruik van hout en niet-houtige bosproducten uit duurzaam beheerde bronnen;

_ een adequate waardering van bosrijkdommen en -diensten.

Artikel 4

1. De uit hoofde van deze verordening te verrichten activiteiten zijn in het bijzonder gericht op:

(a) de ontwikkeling van passende nationale en internationale bosbeleidskaders op basis van een realistische waardering van de bossen, waaronder planning voor grondgebruik, eerlijke handel in duurzaam geproduceerde bosproducten, wettelijke en fiscale maatregelen, institutionele versterking, steun voor de zelfontwikkeling van bosafhankelijke bevolkingsgroepen met het oog op eigen sociale, economische en culturele ontwikkeling, en steun voor de particuliere sector. Hierbij wordt rekening gehouden met ander sectorieel beleid dat relevant is voor de bossen en met de belangen en traditionele rechten van bosafhankelijke bevolkingsgroepen;

(b) behoud en herstel van bossen die geacht worden van belang te zijn vanwege hun hoge ecologische waarde, inzonderheid hun belang voor het behoud van biologische diversiteit, of vanwege hun lokale en mondiale effecten, zoals de bescherming van stroomgebieden, het voorkomen van bodemerosieof klimaatverandering.

(c) duurzaam bosbeheer en -gebruik met het oog op de economische, sociale en milieuvoordelen, o.a. boscertificering - rekening houdend met de verschillende exploitatievoorwaarden van kleine en grote bosgebieden - en milieuvriendelijke oogst van zowel hout als andere bosproducten, en natuurlijke en ondersteunde bosregeneratie;

(d) de economische levensvatbaarheid van duurzaam bosbeheer, door het doeltreffender gebruik van bosproducten en technische verbeteringen van downstream-activiteiten in de bosbouwsector, zoals het op kleine en middelgrote schaal verwerken en verkopen van hout en niet-houtige bosproducten, het duurzaam gebruik van hout als energiebron en het bevorderen van alternatieven voor landbouwpraktijken gebaseerd op boskap;

(e) het voortbrengen en beheren van kennis en informatie over bosdiensten en -producten, met het oog op een gezonde wetenschappelijke basis voor de activiteiten onder (a) tot (d).

2. Tot de activiteiten dievoor financiering in aanmerking komen, behoren proefprojecten in het veld, innovatieve programma's, studies en onderzoek die niet enkel in hun doelstellingen, maar ook door hun resultaten bijdragen aan de ontwikkeling, aanpassing en betere uitvoering van het bos beleid van de Gemeenschap en van partnerlanden.

3. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan:

_ bevordering van een vanuit milieu- en sociaal oogpunt verantwoord particulier-ondernemerschap in de verwerking en afzet van bosproducten, in het kader van afgesproken beleid voor de ontwikkeling van de particuliere sector en rekening houdend met bestaande sociale stelsels en op de gemeenschappen gebaseerde economische activiteiten;

_ bevordering van de directe participatie van de samenwerkingspartners in de ontwikkelingslanden, waarbij er tegelijkertijd voor gezorgd moet worden dat de maatregelen op een passende schaal kunnen worden genomen en de administratieve procedures kunnen worden aangepast aan de lokale beheerscapaciteiten;

_ participatie van bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen aan activiteiten die in het kader van deze verordening plaatsvinden, rekening houdend met hun ontwikkelings prioriteiten en hun economische, sociale en culturele rechten, onder andere door versterking van instellingen, met het oog op hun volwaardige deelneming aan het besluitvormingsproces;

_ duurzaamheid van alle voorgestelde activiteiten, op sociaal, economisch en milieugebied;

_ adequate coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten teneinde coherentie van de activiteiten in de betrokken gebieden te waarborgen;

_ genderspecifieke rollen, kennis, vooruitzichten en bijdragen van vrouwen/meisjes en mannen/jongens aan het beheer en het gebruik van bossen.

4. De prioriteiten worden bepaald overeenkomstig:

_ de behoeften van elk land, zoals die tot uiting komen in het regionale en nationale ontwikkelings- en milieubeschermingsbeleid met betrekking tot het bosbestand, waaronder nationale bosplannen en plaatselijke behoeften, en

_ de bij de samenwerking met de Gemeenschap geldende prioriteiten zoals die door de Commissie zijn vastgesteld in gezamenlijk overeengekomen landstrategieën.

5. Activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden verricht, worden voorafgegaan door beoordelingen van de effecten op sociaal-cultureel en milieugebied, met inbegrip van een beoordeling van de samenhang tussen de beoogde activiteiten met de ontwikkelingsprioriteiten van de betrokken bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen, en door een analyse van de financiële en economische haalbaarheid. Voorafgaand aan deze activiteitenvindt een transparante informatie-uitwisseling met bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen plaats; hun steun is een voorwaarde voor de maatregelen.

6. De uit hoofde van deze verordening uitgevoerde activiteiten worden gecoördineerd met, en dienen ter ondersteuning van, nationale en internationale programma's en activiteiten voor het behoud en duurzaam beheer van de bossen, met name de voorstellen voor activiteiten die zijn opgesteld in het kader van het Intergovernmental panel for Forests/Intergovernmental Forum for Forests (IPF/IFF)-proces.

7. Waar gepast worden activiteiten uitgevoerd in het kader van regionale organisaties en internationale samenwerkingsprogramma's en ondersteunen ze de ontwikkeling van een algemeen beleid voor behoud en duurzaam beheer van het bos.

Artikel 5*

[*] NB: Nieuwe Zinnstelling.

Tot de samenwerkingspartners die steun kunnen genieten uit hoofde van deze verordening behoren internationale organisaties, staten, regio's en regionale organen, gedecentraliseerde departementen, openbare instanties, particulieren en industrieën, coöperaties, lokale gemeenschappen, niet-gouvernementele organisaties en verenigingen die de lokale bevolking, inzonderheid bosafhankelijke bevolkingsgroepen, vertegenwoordigen.

Artikel 6

1. Met de communautaire middelen mag het volgende worden gefinancierd: studies, technische bijstand, onderwijs en opleiding of andere dienstverlening, leveringen en werken, fondsen voor kleine bedragen aan niet-terugvorderbare hulp, alsmede beoordelingen en audits en evaluatie- en controlemissies. Binnen de jaarlijks door de begrotingsautoriteit vast te stellen grenzen mogen deze middelen gebruikt worden voor uitgaven van technische en administratieve bijstand, ten behoeve van de Commissie en van de partner, voor acties die niet als permanente taken van een overheidsbestuur kunnen beschouwd worden en die betrekking hebben op identificatie, voorbereiding, beheer, toezicht, audit en controle van programma's of projecten.

De communautaire financiering mag zowel gebruikt worden voor investeringsuitgaven, gebonden aan een specifieke activiteit met uitzondering van de aankoop van onroerend goed, als voor vaste kosten (onder meer administratieve, onderhouds- en werkingskosten).

Met uitzondering van de opleidings-, onderwijs- en onderzoeksprogramma's mogen vaste kosten over het algemeen slechts worden gedekt tijdens de aanloopfase, en wel in afnemende mate.

2. Voor elke samenwerkingsactivititeit wordt een financiële bijdrage van de in artikel 5 omschreven samenwerkingspartners verlangd. Deze bijdrage wordt ingevorderd naar draagkracht van de betrokken partners en naargelang van de aard van de betrokken activiteit.

3. Er mag gezocht worden naar mogelijkheden voor cofinanciering met andere geldverschaffers, met name de lidstaten en de betrokken internationale organisaties. In dit opzicht zal naar een coördinatie met door andere geldverschaffers genomen maatregelen gezocht worden.

4. Het nodige wordt gedaan om het communautaire karakter van de uit hoofde van deze verordening verleende hulp tot uitdrukking te brengen.

5. Teneinde de samenhang en het onderling aanvullende karakter als bedoeld in het Verdrag te verwezenlijken en een optimale doeltreffendheid van al deze activiteiten te waarborgen, neemt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, alle nodige maatregelen op het gebied van de coördinatie, met name:

(a) stelselmatige uitwisseling en analyse van gegevens over de gefinancierde acties en over de acties waarvan de financiering door de Gemeenschap en de lidstaten wordt overwogen;

(b) coördinatie van de activiteiten daar waar de activiteiten worden uitgevoerd, door middel van regelmatige bijeenkomsten en informatie-uitwisseling tussen de vertegenwoordigers van de Commissie en van de lidstaten in het ontvangende land .

6. Teneinde met de activiteiten zoveel mogelijk effect te bereiken op mondiaal, nationaal en plaatselijk niveau, neemt de Commissie in overleg met de lidstaten elk initiatief dat nodig is om, inzonderheid wat de uitwisseling van informatie betreft, te komen tot een goede coördinatie en nauwe samenwerking met de samenwerkingspartners , de geldverschaffers en andere betrokken internationale organisaties, met name die welke deel uitmaken van het stelsel van de Verenigde Naties.

Artikel 7

De financiële bijstand krachtens deze verordening wordt verstrekt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp.

Artikel 8

1. De Commissie is belast met de beoordeling, de besluitvorming over de financiering en het beheer van de onder deze verordening vallende activiteiten overeenkomstig de geldende begrotingsprocedures en andere procedures, met name de procedures die zijn vervat in het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

2. Jaarlijks legt de Commissie een document voor waarin strategische richtsnoeren en prioriteiten worden vastgesteld voor de in het volgende jaar uit te voeren activiteiten. Dit document wordt besproken in een gezamenlijke vergadering van de in artikel 9, lid 1, bedoelde comités.

3. Besluiten inzake subsidies van meer dan 2 miljoen EURO voor individuele activiteiten die krachtens deze verordening worden gefinancierd, worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 9.

4. De Commissie brengt het in artikel 9, lid 1, bedoelde comité bondig op de hoogte van elke financieringsbesluit dat zij voornemens is te nemen met betrekking tot activiteiten met een waarde van minder dan 2 miljoen euro. Deze informatie wordt meegedeeld uiterlijk een week voordat het besluit is genomen.

5. De Commissie kan aanvullende bedragen goedkeuren die nodig zijn ter dekking van te verwachten of reeds geregistreerde overschrijdingen of van bijkomende behoeften in verband met deze activiteiten, indien de overschrijding of bijkomende behoefte 20% of minder van het in het oorspronkelijke financieringsbesluit vastgestelde bedrag beloopt.

6. Elke uit hoofde van deze verordening gesloten financieringsovereenkomst of elk krachtens deze verordening gesloten financieringscontract voorziet er met name in dat de Commissie en de Rekenkamer controles ter plaatse kunnen uitvoeren volgens de gangbare procedures, vastgesteld door de Commissie in het kader van de geldende bepalingen, met name die van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

7. Voor zover de acties leiden tot financieringsovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de ontvangende landen wordt daarin bepaald dat de betaling van belastingen, rechten en lasten niet door de Gemeenschap wordt gefinancierd.

8. De deelneming aan aanbestedingen en opdrachten staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten en de ontvangende landen. Zij kan worden uitgebreid tot andere ontwikkelingslanden, en in uitzonderlijke goed gemotiveerde gevallen, tot andere derde landen.

9. De leveringen dienen van oorsprong te zijn uit de lidstaten, de ontvangende landen of andere ontwikkelingslanden. Indien de omstandigheden dat vereisen, kunnen de leveringen in uitzonderlijke gevallen van oorsprong zijn uit andere landen.

10. Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan:

_ kosteneffectiviteit en duurzaam effect van de activiteiten;

_ de duidelijke omschrijving van en controle op de doelstellingen en resultaatindicatoren voor alle activiteiten.

Artikel 9

1. De Commissie wordt bijgestaan door het comitéopgericht bij artikel 15 van verordening (EEG) nr. 443/92 van de Raad van 25 februari 1992 [7] (PVD-ALA), het comité opgericht bij artikel 11 van verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad van 23 juli 1996 (MEDA) [8] dan wel door het comité opgericht bij artikel 21 van het Intern akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol bij de vierde ACS-EG-Overeenkomst van Lomé [9].

[7] PB L 52 van 27.2.1992, blz. 1.

[8] PB L 189 van 30.7.1996, blz. 1-9.

[9] Ondertekend op 20.12.1995.

2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure van artikel 3 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7, lid 3, en van artikel 8 van dat besluit van toepassing.

Artikel 10

1. Tegen 1 september van elk begrotingsjaar dient de Commissie een jaarverslag in bij het Europees Parlement en de Raad, dat een overzicht bevat van de tijdens het begrotingsjaar gefinancierde activiteiten en een evaluatie van de uitvoering van deze verordening tijdens het begrotingsjaar.

Het verslag bevat met name gegevens over het aantal en de aard van de gefinancierde activiteiten , de samenwerkingspartners en de betrokken landen. Ook het aantal onafhankelijke evaluaties van specifieke activiteiten wordt vermeld.

2. De Commissie maakt regelmatig een beoordeling van de door de Gemeenschap gefinancierde activiteiten om vast te stellen of de met deze activiteiten beoogde doelstellingen verwezenlijkt zijn en om richtsnoeren te kunnen geven voor de verbetering van de doeltreffendheid van toekomstige activiteiten. In de evaluaties wordt rekening gehouden met de zienswijze van de begunstigden, met inbegrip van bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen. De Commissie legt het in artikel 9, lid 1, bedoelde comité samenvattingen van de evaluaties voor . De evaluatieverslagen worden ter beschikking van de lidstaten en het Europees Parlement gesteld.

3. De Commissie brengt de lidstaten uiterlijk één maand na haar besluit op de hoogte van de goedgekeurde activiteiten, met opgave van de betrokken bedragen, de aard, het betrokken land en de samenwerkingspartners.

4. Een handleiding voor financieringen, waarin de richtsnoeren en criteria voor de selectie van activiteiten zijn opgenomen, wordt gepubliceerd en aan geïnteresseerde partners ter hand gesteld door de bureaus van de Commissie met inbegrip van de delegaties van de Commissie in de betrokken landen.

Artikel 11

1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

2. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een algemene evaluatie voor van de in het kader van de algemene ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening door de Gemeenschap gefinancierde activiteiten, welke evaluatie vergezeld gaat van voorstellen voor de toekomst van de verordening , met inbegrip van mogelijke wijziging of intrekking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad Voor het Europees Parlement

De Voorzitter De Voorzitter

Top