This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52000DC0855
Commission report to the Council and the European Parliament on the quality strategy for olive oil
Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de kwaliteitsstrategie voor olijfolie
Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de kwaliteitsstrategie voor olijfolie
/* COM/2000/0855 def. */
Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de kwaliteitsstrategie voor olijfolie /* COM/2000/0855 def. */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over DE KWALITEITSSTRATEGIE VOOR OLIJFOLIE DE KWALITEITSSTRATEGIE VOOR OLIJFOLIE INHOUDSTAFEL INLEIDING 1. ANALYSE VAN DE HUIDIGE SITUATIE 1.1. Normen en regels 1.1.1. Het begrip kwaliteit 1.1.2. Geldende regelgeving 1.2. Marktsituatie 1.2.1. De marktdeelnemers en hun organisaties 1.2.2. Categorieën geproduceerde en verkochte olijfolie 1.3. Kwaliteitsfactoren 1.3.1. De olijventeelt 1.3.2. De productie van olijfoliën verkregen bij de eerste persing 1.3.2.1. Temperatuur, tijdsduur en extractiemiddelen 1.3.2.2. Verwijdering van residuen en afvallen 1.3.2.3. Oliën verkregen bij de tweede persing 1.3.3. Vermenging van op de markt gebrachte oliën 1.3.3.1. Bij eerste persing verkregen olijfolie 1.3.3.2. Geraffineerde olijfoliën en vermenging met olijfoliën van de eerste persing 1.3.3.3. Vermenging van olijfolie met andere plantaardige oliën Kader 1: Bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG - Benamingen en definities van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven, bedoeld in artikel 2. VOORGESTELDE BELEIDSLIJNEN 2.1. Indeling van olijfolie 2.1.1. Benaming van bepaalde categorieënolijfolie 2.1.2. Maximumzuurgraad 2.1.3. Verschil tussen ruwe olijfolie en olie uit afvallen van olijven 2.1.4. Andere punten 2.1.5. Categorieën voor de kleinhandel 2.2. Etikettering van olijfolie 2.2.1. Verplichte, facultatieve en verboden vermeldingen 2.2.1.1. Verplichte beschrijvende aanduiding van de olijfoliecategorie 2.2.1.2. Verbod om vermeldingen aan te brengen die ten onrechte een verband met de kwaliteit suggereren 2.2.1.3. Standaardisering van bepaalde facultatieve vermeldingen 2.2.2. Een bijzonder geval: de vermelding van de oorsprong 2.3. Controles door analyses 2.3.1. Beslissingsschema 2.3.2. Paneltest 2.3.3. Buiten de norm vallende resultaten 2.4. Organisatie en activiteiten van de marktdeelnemers 2.4.1. Werkterreinen 2.4.1.1. Kwaliteitsverbetering en verbetering van het milieueffect van de productie 2.4.1.2. Certificering en bewaking van de kwaliteit van olijfolie 2.4.1.3. Beheer van de sector en de markt 2.4.2. Financiering Kader 2: Voorstel voor benamingen en definities van olijfolie en olie uit afvallen van olijven, bedoeld in artikel CONCLUSIES VOOR HET TE VOEREN BELEID 1. Raadsverordening 1.1. Indeling van olijfolie en olie uit afvallen van olijven 1.2. Organisatie en activiteiten van de marktdeelnemers 2. Regelgeving van de Commissie 2.1. Paneltest 2.2. Vermelding van de oorsprong 2.3. Buiten de norm vallende olijfolie 2.4. Verplicht gebruik van kleine verpakkingen 2.5. Verplichte en verboden vermeldingen bij de etikettering 2.6. Standaardisatie van facultatieve vermeldingen 3. Overige initiatieven 3.1. Internationale organisaties 3.2. Onderzoek en werkzaamheden van deskundigen op het gebied van de olijfoliechemie INLEIDING Tijdens de besprekingen over de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie in 1998 [1], hebben de Raad en het Europees Parlement gewezen op een groot aantal tamelijk technische problemen, die onderling verband houden en in meerdere of mindere mate betrekking hebben op de valorisatie van de kwaliteit van olijfolie. De Raad en de Commissie waren van oordeel dat deze kwesties op een gecoördineerde wijze moesten worden onderzocht, en zij hebben zich ertoe verbonden. [1] Die besprekingen hebben geleid tot de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten. (PB L 210 van 28.7.1998, blz. 32). «om in de periode die voorafgaat aan de indiening van de voorstellen tot definitieve hervorming van de GMO voor olijfolie, bijzondere prioriteit toe te kennen aan een grondig onderzoek van de aspecten van de kwaliteitsstrategie, namelijk: - de kwaliteit van de olijven en de bestaande programma's voor de kwalitatieve verbetering van de olijfolieproductie, - de milieuaspecten van de olijfolieproductie, o.m. het probleem betreffende de afval van oliefabrieken, - de indeling van olijfolie en met name de toevoeging van een categorie «superieure» extra olijfolie verkregen bij de eerste persing, de aspecten met betrekking tot ontgeurde olijfolie voor verlichting, geraffineerde olijfolie en olie uit afvallen van olijven - de verbetering van de analysemethodes voor de indeling en controles van olijfolie, - aspecten met betrekking tot de oorsprongsbepaling en etikettering, - de vermenging van olijfolie met andere plantaardige olie, - de traceerbaarheid en de certificering van de kwaliteit, - de verbetering van de kwaliteitscontroles.» De Commissie voert sindsdien een grondige discussie over de verschillende aspecten van de kwaliteitsstrategie. De permanente groep «olijven en producten daarvan» van het Raadgevende Comité voor «bijzondere producties» is dikwijls bijeengekomen om dit onderwerp uit te diepen en is daarvoor uitgegaan van gezaghebbende artikelen van zijn leden, die de verschillende groepen binnen de sector vertegenwoordigen. De Internationale Olijfolieraad (IOR) en verschillende beroepsorganisaties hebben eveneens analysedocumenten verstrekt. Tenslotte is de groep chemiedeskundigen van het Comité van beheer voor oliën en vetten verschillende keren geconvoceerd om de meest technische aspecten en de controleproblemen te bespreken. Uit de analyse van de belangrijkste kwaliteitsfactoren blijkt dat inzake productie en afzet vooruitgang zou kunnen worden geboekt door de verplichte indeling en de etiketteringsregels te verbeteren. Dit kan alleen als ook inzake controle en organisatie van de sector vorderingen worden gemaakt. Olijfolie verschilt van andere oliën en vetten door zijn bijzondere voedingseigenschappen en organoleptische kenmerken, en de marktsituatie wordt bepaald door de transparantie ten aanzien van de diverse eigenschappen. De problemen met betrekking tot de valorisatie van de kwaliteit van olijfolie zijn niet allemaal even technisch of economisch belangrijk, maar thematisch kunnen zij in vier grote groepen worden ingedeeld: - De indeling beantwoordt niet meer aan de situatie op de markt waar de grote meerderheid van de olie extra olijfolie van eerste persing met tamelijk verschillende eigenschappen is. De benamingen waarmee de categorieën moeten worden aangeduid, zijn algemene benamingen die verwarring doen ontstaan en voor de consument misleidend kunnen zijn. De afbakening van de verschillende categorieën levert een reeks technische problemen op met betrekking tot bijvoorbeeld de betrouwbaarheid en de nauwkeurigheid van de analysemethodes of de aanwezigheid van olijfolie die van nature niet binnen de normen valt. - De etiketteringsregels zijn vaak onvoldoende nauwkeurig, met name ten aanzien van de verificatie van de claims. Dit leidt tot een overdaad aan vaak bedrieglijke informatie die moeilijk of niet te controleren is, wat de markt verstoort. - De controle op fraude, vooral ten aanzien van de opgegeven basiskwaliteit (ontgeuring van olijfolie van eerste persing voor verlichting, versnijding van olie voor verlichting en van olie verkregen bij een tweede persing van afvallen, vermenging met olie uit hazelnoten, ...) is een steeds weerkerend probleem. - De organisatie van de kwaliteitsverbetering, de oorsprongstracering en van de certificering ontbreekt of behoeft een betere coördinatie op het niveau van de olijventeelt, de productie en verwerking van olijfolie en de verwerking van de afvallen. De marktsituatie wordt dan ook verstoord door prijzen die niet altijd in verhouding staan tot de door de consument verwachte kwaliteit. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de vermeldingen op de etiketten, liggen de prijzen binnen eenzelfde categorie ver uiteen en overlappen ze die voor andere categorieën. Die verschillen zijn te wijten aan bepaalde handelsgebruiken, en zijn ook het gevolg van onvolkomenheden in de kwaliteitsregels en de toepassing ervan. Op lange termijn kunnen dergelijke onvolkomenheden de consument ontmoedigen en voor de sector een ernstig probleem gaan opleveren. De te nemen maatregelen zijn onderdeel van een gecoördineerd meerjarenbeleid en een kwaliteitsstrategie voor olijfolie waaraan de producenten, de verwerkende bedrijven en de handelaren van de sector meewerken, gebaseerd op onderzoeksactiviteiten en werkzaamheden van deskundigen, op door de Raad, de Commissie en de lidstaten elk op het eigen niveau vast te stellen regels, alsmede op aanpassingen van bepaalde internationale voorschriften op het niveau van de IOR en de CODEX Alimentarius. 1. ANALYSE VAN DE HUIDIGE SITUATIE 1.1. Normen en regels 1.1.1. Het begrip kwaliteit De Internationale Organisatie voor Normalisatie gebruikt voor de ISO-normen een definitie van kwaliteit die tamelijk goed het algemene concept weergeeft dat voor olijfolie geldt: «Kwaliteit is het geheel van aspecten en kenmerken van een product of een dienst waaruit de geschiktheid blijkt om aan geuite of impliciete behoeften te voldoen.» [2] [2] ISO-norm EN nr. 8402. De keuze van de consument is dus de kern van de definitie van de kwaliteit van een product. Maar de keuze van de consument wordt ook beïnvloed door factoren die niet altijd met de kwaliteit verband houden, zoals prijs en aanbiedingsvorm. Bovendien is het belang dat aan de criteria van de kwaliteitsbeoordeling wordt gehecht, afhankelijk van de smaak en de gewoonten in elke regio, alsmede van de ontwikkeling daarvan onder invloed van informatie en mode. De generische promotie voor olijfolie speelt terzake een zeer belangrijke rol. Een eerste reeks criteria betreft de «basiskwaliteit», d.w.z. de inachtneming van het begrip «gezonde handelskwaliteit», wat uiteraard een minimale eis is. De meeste van die criteria worden omgezet in normen die objectief kunnen worden gecontroleerd door fysische en chemische analyses. Het gaat bijvoorbeeld om grenswaarden voor verschillende voor de samenstelling van olijfolie typische bestanddelen of maximumgehalten aan ongewenste stoffen. Een tweede reeks criteria betreft de «intrinsieke kwaliteit». Vaak veranderen ze en hebben ze betrekking op de organoleptische kenmerken en de voedings eigenschappen. Sommige van die criteria, zoals de zuurgraad, kunnen zeer nauwkeurig worden gemeten. Andere, zoals de organoleptische eigenschappen, zijn moeilijker met voldoende betrouwbaarheid en reproduceerbaarheid te evalueren. Die criteria, die de kern van het begrip "kwaliteit" uitmaken, kunnen moeilijk los van elkaar op een eenduidige graadmeter worden uitgezet omdat elke consument zijn eigen voorkeur heeft. Zelfs de veelheid aan smaken van olijfolie kan op prijs worden gesteld. De intrinsieke kwaliteit lijkt gebaseerd op een impliciet compromis van de consument tussen sensorische aspecten en eerder fysisch-chemische aspecten, waarbij de zuurgraad een rol speelt. Een derde groep criteria betreft de met het product «geassocieerde kwaliteit» en heeft betrekking op veel subjectiever maar daarom nog niet geheel irreële aspecten. Het gaat met name om het imago van olijfolie, dat verwijst naar culinaire tradities en het mediterrane klimaat en landschap. Deze criteria hebben betrekking op waarden die nauwelijks te objectiveren en allerminst eenduidig zijn. Toch kunnen soms bepaalde aspecten die tot de beeldvorming bijdragen, zoals milieuvriendelijkheid of de oorsprong van de olie, concreet worden gecontroleerd en geëvalueerd. 1.1.2. Geldende regelgeving De kwaliteitsaanduiding moet voldoen aan de etiketteringsregels die zijn vastgesteld overeenkomstig de communautaire wetgeving, met name overeenkomstig Richtlijn 2000/13/EG [3]. [3] Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame. PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. De bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad [4] omvat de benamingen en definities van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven, die zijn ingedeeld in 9 voor de verkoop verplicht toe te passen categorieën, waarvan 4 uitsluitend voor de detailhandel [5] (zie kader 1 bij dit deel I). Die indeling van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven is opgenomen in de communautaire douanewetgeving, in de overeenkomst en de normen van de IOR en in de CODEX Alimentarius, met slechts enkele verschillen wat de toepassing van de organoleptische analyse en een aantal andere minder belangrijke punten betreft. [4] Verordening Nº 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 172 van 30.9.1966, blz. 3025/66), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2702/1999 (PB L 327 van 21.12.1999, blz. 7). [5] Krachtens artikel 35, lid 2, van Verordening 136/66/EEG mogen in de detailhandel alleen de categorieën «extra olijfolie verkregen bij de eerste persing», «olijfolie verkregen bij de eerste persing», «olijfolie» en «olie uit afvallen van olijven» worden verhandeld. Die indeling is verder uitgewerkt in Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie [6], waarbij olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven ten opzichte van elkaar en ten opzichte van andere oliën en vetten worden omschreven aan de hand van voor elke categorie in acht te nemen grenswaarden voor 28 kenmerken, die worden gemeten volgens 16 analysemethodes. In artikel 35bis van Verordening nr. 136/66/EEG is bepaald dat volgens de procedure van het beheerscomité handelsnormen kunnen worden vastgesteld die met name betrekking kunnen hebben op de kwaliteitsindeling, de verpakking en de aanbiedingsvorm, alsmede op de te gebruiken analysemethodes. [6] Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie van 11 juli 1991 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden, PB L 248 van 5.9.1991, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 379/1999 (PB L 46 van 20.2.1999, blz. 15). De meeste in Verordening (EEG) nr. 2568/91 opgenomen kenmerken zijn vastgesteld om de authenticiteit van het product en de aangegeven categorie te kunnen garanderen en fraude uit te sluiten. Samen met de horizontale verordening betreffende grenswaarden voor residuen, bieden deze kenmerken de consument garanties inzake de basiskwaliteit van het product. Andere kenmerken in Verordening (EEG) nr. 2568/91, zoals de zuurgraad en het peroxidegetal, en de beoordeling door een panel hebben duidelijk betrekking op de kenmerken van de intrinsieke kwaliteit van olijfolie. Zij zijn afhankelijk van de gebruikte olijven, het extractieprocédé en/of de raffinage, alsmede van de omstandigheden waaronder de olie wordt bewaard. De met het product geassocieerde kwaliteit wordt behandeld in specifieke niet-exhaustieve regelgeving. Voor alle producten worden bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad [7] de voorschriften inzake biologische landbouw vastgesteld; Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad [8] betreft de bescherming van de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen. Behalve aan de regels inzake BOB of BGA, die voor alle producten gelden, moet de oorsprongsaanduiding voor olijfolie ook voldoen aan het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2815/98 van de Commissie [9]. [7] Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1-15). [8] Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1-8). [9] Verordening (EG) nr. 2815/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende de handelsnormen voor olijfolie (PB L 349 van 24.12.1998, blz. 56). Bij de verordeningen inzake de verbetering van de kwaliteit moet ook Verordening (EG) nr. 528/1999 van de Commissie [10] worden vermeld omdat daarin is bepaald welke acties moeten worden gevoerd en welke bepalingen in acht moeten worden genomen om de kwaliteit van de olijfolieproductie en het effect ervan op het milieu te verbeteren. Die acties worden gefinancierd door middel van een inhouding van 1,4% op de productiesteun overeenkomstig artikel 20 quinquies van Verordening nr. 136/66/EEG. [10] Verordening (EG) nr. 528/1999 van de Commissie van 10 maart 1999 tot vaststelling van de maatregelen om de kwaliteit van de olijfolieproductie te verbeteren (PB L 62 van 11.3.1999, blz. 8)" Andere acties, die veeleer indirect met de kwaliteit van olijfolie verband houden, vinden plaats en worden gefinancierd in het kader van het beleid inzake plattelandsontwikkeling. 1.2. Marktsituatie 1.2.1. De marktdeelnemers en hun organisaties Alle marktdeelnemers in de olijfoliesector dragen bij tot de uiteindelijke kwaliteit van het aan de consument geleverde product. De structuur van de groepen marktdeelnemers in de olijfoliesector kan voor het verkoopseizoen 1998/99 schematisch als volgt worden weergegeven: >RUIMTE VOOR DE TABEL> In Spanje wordt per producent gemiddeld bijna 1 500 kg olijfolie geproduceerd, d.i. ongeveer 3 keer zoveel als in Italië of Griekenland. In Portugal en vooral in Frankrijk ligt de gemiddelde productie per producent zeer laag. In alle betrokken lidstaten wordt echter de laatste jaren in de olijfoliesector een toenemende concentratie van de bedrijven geconstateerd. Toch bestaat er een opvallend verschil tussen enerzijds Spanje, waar grote coöperatieve ondernemingen de olijven van hun leden verwerken en de olie bottelen, en anderzijds Italië en Griekenland, waar een zeer groot aantal kleinere, in de buurt van de olijfgaarden gelegen oliefabrieken de olijven verwerken voor rekening van de producenten. De olie van de Italiaanse en van de Griekse producenten wordt meestal via handelsagenten op de markt gebracht. De beroepsverenigingen die de bedrijfskolom op Europees niveau kunnen vertegenwoordigen, zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de verwerkende industrie, de handel en de telers, maar ze vormen samen geen brancheorganisatie: - FEDOLIVE, "Fédération de l'industrie de l'huile d'olive", is een sectorgebonden organisatie die bestaat uit vertegenwoordigers van de verwerkende industrie van de vijf lidstaten waar olijfolie wordt geproduceerd: Sevitel (Griekenland), Assitol (Italië), Federoliva (Spanje), Casa do Azeite (Portugal) en Fedico (Frankrijk), - COCERAL, "Comité du commerce des céréales; aliments du bétail; oléagineux, huile d'olive, huiles et graisses et agrofournitures de l'UE", bestaat uit verschillende voor de afzet van landbouwproducten, waaronder olijfolie, bevoegde organisaties: Federolio (Italië), Anierac (Spanje), Esvite (Griekenland) en Fedico (Frankrijk), - COPA/COGECA vertegenwoordigt de producentenorganisaties en de coöperatieve organisaties in de landbouwsector van de EU. COPA vertegenwoordigt 29 organisaties en COGECA telt 17 leden en 4 geassocieerde leden. De organisaties delen één secretariaat dat 50 werkgroepen telt, waarvan één gespecialiseerde werkgroep voor olijfolie. In de praktijk worden de 366 op grond van Verordening nr. 136/66/EEG erkende producentenorganisaties en hun 9 unies bij het beheer van de productiesteun betrokken, maar inzake kwaliteit hebben zij geen specifieke taak. Voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/01 houden die producentenverenigingen op de voor hun leden bestemde productiesteun 0,8% in om hun activiteiten te financieren. In Spanje is nauwelijks de helft van de producenten aangesloten bij producentenorganisaties, terwijl in Italië en in Griekenland bijna alle producenten lid zijn van een producentenorganisatie. 1.2.2. Categorieën geproduceerde en verkochte olijfolie In de totale productie kan het aandeel extra olijfolie van de eerste persing en het aandeel olijfolie van de eerste persing voor verlichting sterk variëren naargelang van het verkoopseizoen, maar de voorbije jaren heeft een sterke technische vooruitgang gezorgd voor een scherpe daling in het aandeel van de categorieën van minder goede kwaliteit. Nog geen tien jaar geleden bestond de productie over het algemeen voor 30 à 40% uit olijfolie van de eerste persing voor verlichting. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Bron: Statistieken lidstaten. De consumptie van olijfolie verkregen bij de eerste persing en van olie uit afvallen van olijven is tamelijk gering. De meest verkochte soorten zijn «extra olijfolie verkregen bij de eerste persing» en «olijfolie», d.i. een mengsel van geraffineerde olijfolie met bij de eerste persing verkregen olijfoliën andere dan die voor verlichting. De productie van deze twee categorieën verschilt naargelang van de lidstaat, wat onder meer verband houdt met verschillen in culinaire traditie. De consumptie van extra olijfolie verkregen bij de eerste persing neemt toe ten nadele van de categorie «olijfolie verkregen bij de eerste persing». De categorie «olijfolie», die zoeter is, wordt nog altijd op prijs gesteld voor bepaalde culinaire toepassingen en door een deel van de nieuwe consumenten die vooral belang hechten aan de voedingskwaliteiten van het product. >RUIMTE VOOR DE TABEL> (1) Geordend volgens grootte. 1.3. Kwaliteitsfactoren De belangrijkste factoren die de kwaliteit van olijfolie bepalen of beïnvloeden, betreffen hoofdzakelijk drie stadia: de olijventeelt, de productie van oliën verkregen bij de eerste persing, de vermenging van op de markt gebrachte oliën. 1.3.1. De olijventeelt De teeltomstandigheden en de eigenschappen van olijven zijn vaak bepalend voor de kwaliteit van de olie en de sensorische kenmerken ervan. Zo kunnen bijvoorbeeld een te sterke zuurgraad en bepaalde redhibitoire organoleptische gebreken worden voorkomen door behandelingen tegen de olijfvlieg en aandacht voor de oogstomstandigheden; de olijvensoorten en hun geschiktheid voor de betrokken regio zijn objectieve elementen die mede de basis vormen van het begrip regionale oorsprong; de gebruikte landbouwmethoden hebben een invloed op het imago en het milieueffect van de olijventeelt. Talrijke acties ter verbetering van de factoren die van belang zijn voor de basis- of de intrinsieke kwaliteit van olijfolie of voor het typische karakter ervan en voor het milieubehoud, zijn reeds tot een goed einde gebracht. Productiviteitsverhoging is echter vaak in strijd met deze acties. Systematische en overmatige irrigatie, gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, en grondbewerking zonder maatregelen om erosie tegen te gaan, schaden de kwaliteit in ruimere zin. De milieuvoorschriften in de landbouw en de actieprogramma's worden, terecht, opgesteld op regionaal niveau zodat optimaal rekening kan worden gehouden met de plaatselijke omstandigheden. Daarvoor wordt communautaire financiering verleend in het kader van het beleid inzake plattelandsontwikkeling en van de gemeenschappelijke marktordening. Een betere coördinatie en een algemene normering lijken echter noodzakelijk. Een op communautair niveau vastgestelde code voor goede landbouwpraktijken in de olijventeelt zou in dit verband als referentiedocument kunnen dienen. Aan de hand van die code zou bovendien kunnen worden bepaald welke praktijken verder gaan dan de «goede praktijken», en dus voor bijzondere vermeldingen of steun in aanmerking kunnen worden genomen. De resultaten van bepaalde door de Commissie gefinancierde studies [11] kunnen bij het opstellen van een dergelijke code worden gebruikt. De IOR is overigens met de werkzaamheden op dit vlak begonnen. [11] "L'impact environnemental de la production d'huile d'olive dans l'Union européenne". Mei 2000. Nog niet gepubliceerd. 1.3.2. De productie van olijfoliën verkregen bij de eerste persing De kwaliteit van rechtstreeks uit olijven verkregen olie hangt uiteraard af van de kwaliteit van die olijven, maar wordt ook beïnvloed door de omstandigheden van de extractie. Er kan een groot aantal verschillende technieken en materialen worden toegepast die elk hun eigen waarde hebben of optimale combinaties vormen. Er zijn drie soorten problemen geconstateerd. Een code van goede praktijken voor de oliefabrieken waarin alle problemen die zich bij de productie van olie van eerste persing kunnen voordoen, zouden worden behandeld, kan, zoals reeds voor de olijventeelt is aangegeven, als referentiedocument dienstig zijn, met name ten aanzien van de minimumvoorwaarden voor bepaalde kwaliteitsaanduidingen. In het kader van de IOR wordt momenteel grondig studie gemaakt van het geheel van industriële en commerciële praktijken. Voorts wordt er momenteel interessant werk verricht, dat nog zal worden geïntensiveerd, op het gebied van de automatische controle op de productieomstandigheden in de oliefabrieken, vooral met betrekking tot bepaalde parameters die de kwaliteit beïnvloeden. 1.3.2.1. Temperatuur, tijdsduur en extractiemiddelen De temperatuur en de tijdsduur voor de extractie van olie hangen af van de staat van de daarvoor gebruikte olijven. Uit gezonde olijven kan de meeste olie bij minder dan 30 graden worden geëxtraheerd, waarbij de organoleptische eigenschappen intact blijven. Om van beschadigde olijven een goed rendement te krijgen, is een hogere temperatuur nodig, maar de intrinsieke kwaliteit gaat daardoor achteruit, en vanaf 60 graden verliest de olie kenmerken van de basiskwaliteit. Bij een betrekkelijk lage temperatuur kan het rendement worden verbeterd door de te behandelen olijvenmassa langer te kneden. Wanneer langer dan een uur tot anderhalf uur wordt gekneed, verdwijnen echter de natuurlijke antioxidantia en de vitamines uit de olie. Voorts wordt, om een moeilijker te bewerken olijvenmassa te behandelen of om het rendement te verbeteren zonder de temperatuur of de tijdsduur al te sterk te verhogen, steeds meer gebruik gemaakt van hulpmiddelen zoals talk of bepaalde enzymen. Talk lijkt een louter mechanische werking te hebben en aangezien van deze stof geen residuen overblijven, wordt de olie er niet door veranderd. Enzymen hebben daarentegen een biochemische werking, waardoor het gehalte aan antioxidantia en vluchtige bestanddelen verkleint. Bij gebrek aan middelen voor controle achteraf is de communautaire regelgeving op dit punt tamelijk vaag. In de definitie van alle olijfoliën verkregen bij de eerste persing, in de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG wordt aangegeven dat het moet gaan om «oliën die uit de vrucht van de olijfboom uitsluitend zijn verkregen langs zuiver mechanische weg of via andere natuurkundige procédés onder met name thermische omstandigheden waardoor de olie niet wordt aangetast,...». Omdat er geen eenvoudige en efficiënte methode is waarmee kan worden uitgemaakt of de olijvenmassa bij te hoge temperatuur of te langdurig is behandeld, is het momenteel moeilijk om voor die parameters voorschriften vast te stellen. In het algemeen zou de kwaliteit evenwel gebaat zijn bij een redelijke verlaging van het voor bepaalde categorieën olijfolie vastgestelde maximale zuurgehalte. Ten aanzien van de toevoegingsmiddelen zal in de regelgeving duidelijk moeten worden bepaald dat middelen met een chemische of biochemische werking en middelen waarvan het gebruik in de olijfolie zichtbare sporen nalaat en die dus het imago van "natuurlijk product" schaden, uitgesloten zijn. 1.3.2.2. Verwijdering van residuen en afvallen Over het algemeen brengt olijfolie-extractie tamelijk droge afvallen voort, die met oplosmiddelen worden behandeld om "ruwe olie uit afvallen van olijven" te verkrijgen, waarna schroot overblijft dat als brandstof wordt gebruikt. Er wordt echter ook een grote hoeveelheid sterk vervuilend en moeilijk te lozen afvalwater voortgebracht. Voor de extractie door centrifugering in twee fasen, die in Spanje zeer veel wordt gebruikt, wordt minder water gebruikt en er is dan ook minder afvalwater. De methode levert echter zeer vochtige afvallen op die niet onmiddellijk kunnen worden verwerkt. De afvallen worden vaak gedroogd door verdamping in grote bezinktanks en gevreesd wordt dat hieraan risico's voor het milieu verbonden zijn. Specifieke communautaire regelgeving op dit gebied is onbestaand, maar op regionaal en nationaal niveau zijn talrijke, soms tegenstrijdige, voorschriften vastgesteld, en een aantal acties is met onder andere communautaire middelen gerealiseerd. In de meeste gevallen wordt op lokaal niveau beslist welke combinatie van technologieën wordt toegepast, maar via gemeenschappelijke richtsnoeren zou een zekere mate van coherentie kunnen worden bereikt. Dat zou een onderdeel kunnen zijn van de code van goede praktijken voor de oliefabrieken. 1.3.2.3. Oliën verkregen bij de tweede persing De extractie van olie door de olijvenmassa in twee fasen te centrifugeren, levert vochtige en vette afvallen op die 6 tot 9% olie bevatten. Die afvallen kunnen nogmaals, dikwijls bij hoge temperatuur, in dezelfde installatie worden behandeld. Deze tweede «persing», die erin bestaat de centrifuge te vullen met natte en vette afvallen in plaats van met olijvenmassa, levert restolie op en volledig uitgeperste afvallen met een oliegehalte van minder dan 4%. Die vochtige restafvallen zijn moeilijk rendabel te maken door de bedrijven die olie door middel van oplosmiddelen extraheren uit afvallen van olijven, en het is een sterk vervuilend afval waarvan de verwerking zeer duur is. De restolie van tweede persing wordt mechanisch verkregen, zonder gebruik van oplosmiddelen, en het is dus geen olie uit afvallen van olijven in de zin van de bestaande definitie. Deze olie heeft echter een te hoog wasgehalte om te kunnen worden aangemerkt als olijfoliën verkregen bij de eerste persing, en wordt over het algemeen aangelengd met olijfolie voor verlichting om gemiddeld aan de voor die laatste categorie vastgestelde normen te beantwoorden. De productie en het aanlengen van olie van de tweede persing is in strijd met de communautaire regelgeving, waarin is bepaald dat olijfolie verkregen bij de eerste persing afkomstig moet zijn van de vrucht van de olijfboom, en dus niet van afvallen, en niet mag worden vermengd met oliën van een andere soort. De olie van de tweede persing, al dan niet aangelengd, houdt geen risico in voor de gezondheid omdat ze hoe dan ook wordt geraffineerd, waardoor onder meer de was wordt verwijderd. Zij verstoort echter de markt door de hoeveelheid en de kwaliteit ervan. Olie verkregen bij een tweede persing wordt namelijk ten onrechte verkocht als olijfolie «voor verlichting», hoewel hij minder stabiel is dan bij de eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting. De opslag zonder kwaliteitsverlies en de raffinage van de betrokken oliën zijn delicate punten. Het is zeer moeilijk om via analyse te achterhalen of het gaat om door centrifugeren van afvallen verkregen olie dan wel om een mengsel op basis van die olie, of nog echte olie voor verlichting maar van mindere kwaliteit wegens bijvoorbeeld extractie bij hoge temperatuur. Ernstige twijfel ontstaat wanneer het wasgehalte tijdens de opslag snel toeneemt. Toepassing van een tweede persing kan echter worden aangetoond aan de hand van de voorraadboekhouding van de oliefabriek of van het oliegehalte van de afvallen. Om aan de hand van parameters te kunnen nagaan of olie door centrifugering van afvallen is verkregen, wordt steeds meer gebruik gemaakt van gelijktijdige evaluatie van het gehalte aan alcoholen en ethylesters enerzijds, en de hoeveelheden was en erythrodiol anderzijds. De hantering van die tamelijk complexe criteria zou nog moeten worden onderzocht voor olijfolie van de eerste persing van bepaalde regio's, en dan zou de in Verordening nr. 136/66/EEG vastgestelde indeling van olijfolie verkregen bij de eerste persing voor verlichting en ruwe olie uit afvallen van olijven moeten worden herzien. 1.3.3. Vermenging van op de markt gebrachte oliën 1.3.3.1. Bij eerste persing verkregen olijfolie Versnijding van olijfolie verkregen bij de eerste persing, andere dan voor verlichting, is een gangbare praktijk die vanuit economisch oogpunt in de regel nuttig of zelfs nodig is, maar die ook wordt gebruikt om een door de consument geapprecieerde stabiele kwaliteit te kunnen bieden. Oliën van bepaalde soorten olijven of van bepaalde gebieden moeten soms worden gemengd om een mengsel te verkrijgen dat qua structuur, stabiliteit of smaak alle eigenschappen van de diverse soorten in zich verenigt. Uit louter winstbejag wordt echter ook minderwaardige olie versneden, omdat die onder meer een tamelijk hoge zuurgraad heeft. Er bestaat geen analysemethode om de aandelen van de diverse soorten in versneden olijfolie verkregen bij de eerste persing, te bepalen, laat staan om na te gaan of de versnijding is toegepast om een hogere kwaliteit te verkrijgen. Het is echter duidelijk dat voor de categorie «extra olijfolie verkregen bij de eerste persing» een redelijke verlaging van het maximale zuurgehalte misbruiken zou helpen voorkomen. 1.3.3.2. Geraffineerde olijfoliën en vermenging met olijfoliën van de eerste persing Geraffineerde olijfoliën, doorgaans uit olijfoliën van de eerste persing voor verlichting, hebben geen kleur, geur of smaak en hebben een lage zuurgraad. Zij worden meestal onder de benaming «olijfolie» op de markt gebracht na vermenging met olijfolie van de eerste persing, andere dan voor verlichting. Dat olijfolie verkregen bij de eerste persing enerzijds en geraffineerde olijfolie anderzijds in «olijfolie» aanwezig is, kan via analyse worden aangetoond. Maar de totale afwezigheid van olijfolie verkregen bij de eerste persing is moeilijker aan te tonen en er is geen methode om de samenstelling van die mengsels te controleren. Er is overigens geen minimumgehalte vastgesteld voor olie van de eerste persing. De betrokken categorie is dan ook zeer heterogeen en omvat alle verhoudingen, van geraffineerde oliën met slechts één druppel olie van de eerste persing tot mengsels met duidelijke sensorische eigenschappen. Een argeloze consument van «olijfolie» wordt enigszins misleid omdat verwarring bestaat tussen de benaming van deze categorie olie en de algemene benaming van olijfoliën. Hij kan ook in verwarring worden gebracht door de zeer verschillende organoleptische eigenschappen van het aanbod «olijfoliën». Voorts bestaat er een markt voor met een geringe hoeveelheid olijfolie van de eerste persing gemengde olijfoliën, die met name in conserven en in gaarkeukens wordt gebruikt. Omdat het vrijwel onmogelijk is de samenstelling van «olijfoliën» te controleren, is het moeilijk voorschriften op dat gebied vast te stellen, maar ongetwijfeld moet de consument beter worden geïnformeerd. Een andere kwestie is dat olijfoliën van de eerste persing met een laag zuurgehalte die echter wegens hun sensorische tekortkomingen als «olie voor verlichting» worden aangemerkt, in de raffineerinstallaties kunnen worden ontgeurd. De ontgeuring, zoals ook andere vormen van gedeeltelijke raffinage, leidt ertoe dat olijfolie valselijk wordt bestempeld als «olijfolie verkregen bij de eerste persing» of «extra olijfolie verkregen bij de eerste persing». Omdat geen analysemethode bestaat om dergelijke fraude op te sporen en de ontwikkeling van een methode moeilijkheden blijft opleveren, kan de omvang van de fraude niet juist worden ingeschat, maar het blijkt om economisch zeer belangrijke fraude te gaan. Er zou kunnen worden gedacht aan toevoeging van een verklikstof, wat uiteraard geen gevolgen mag hebben voor de kwaliteit van de geraffineerde olie of voor de volksgezondheid. Die verklikstof zou in de oliefabriek moeten worden toegevoegd aan alle olijfoliën verkregen bij de eerste persing, voor verlichting, en zou raffinagebestendig moeten zijn. 1.3.3.3. Vermenging van olijfolie met andere plantaardige oliën Mengsels van olijfolie en andere plantaardige olie die valselijk als olijfolie worden verkocht, berokkenen de sector aanzienlijke schade. De analysemethodes zijn niet altijd voldoende nauwkeurig om dergelijke mengsels op te sporen, vooral wanneer de betrokken oliën weinig van elkaar verschillen in de vetzurensamenstelling. Dit geldt met name voor ontgeurde hazelnootolie die moeilijk op te sporen is, zelfs wanneer er in het mengsel een grote hoeveelheid van aanwezig is. Op dit gebied wordt actief onderzoek verricht en een voor de nabije toekomst wordt een aantal althans gedeeltelijke oplossingen verwacht. Mengsels van olijfolie en andere plantaardige olie die als dusdanig worden aangemerkt en verkocht, zijn op grond van de communautaire regelgeving niet verboden, maar zijn wel oorzaak van meningsverschillen tussen de lidstaten. Die producten moeten beantwoorden aan de nationale voorschriften die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn nr. 2000/13/EG waarbij is bepaald: - in artikel 2, dat de etikettering de koper niet mag misleiden, - in artikel 7, dat van een ingrediënt dat op de etikettering is aangegeven, de hoeveelheid moet worden vermeld. De lidstaten waar olijfolie wordt geproduceerd, zijn op grond van hun ervaringen van oordeel dat de betrokken mengsels profiteren van het imago van olijfolie, maar niet dezelfde voedingskwaliteiten hebben. Ze worden tegen tamelijk lage prijzen verkocht, wat tot verstoringen van de markt leidt. België en de producerende lidstaten, Frankrijk uitgezonderd, verbieden de productie van mengsels van olijfolie met andere plantaardige oliën voor verkoop op hun grondgebied. Zij baseren zich op het feit dat het vrijwel onmogelijk is na te gaan hoeveel olijfolie zich in het mengsel bevindt. Er is inderdaad geen analysemethode voorhanden om dat gehalte te bepalen. Zij staan echter wel de productie van mengsels toe voor uitvoer naar andere landen van de Unie en naar derde landen. Voor de andere lidstaten voldoen de betrokken mengsels aan een vraag van consumenten naar olijfolie met een minder uitgesproken smaak. Volgens hen kan het olijfoliegehalte worden gecontroleerd via de boekhouding, zoals dat voor andere op de markt aanwezige gemengde voedingsmiddelen gebeurt. De producerende lidstaten eisen dat mengsels van olijfoliën en andere plantaardige oliën in de Gemeenschap worden verboden, maar de meeste andere lidstaten verzetten zich daartegen. Vanuit juridisch oogpunt kan volgens de Commissie een volledig en onvoorwaardelijk communautair verbod op mengsels van verschillende soorten olie niet worden gerechtvaardigd, tenzij dit als essentieel wordt aangemerkt voor de werking van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie. Momenteel blijkt een dergelijke rechtvaardiging niet te bestaan. De betrokken mengsels worden immers verkocht met een etikettering waarin hun samenstelling en aard duidelijk is aangegeven. Dat het zeer moeilijk is de samenstelling van het mengsel te achterhalen, volstaat niet als argument ter rechtvaardiging van een algemeen verbod. Een dergelijke maatregel zou te streng zijn en zou leiden tot discriminatie van de marktdeelnemers in de Gemeenschap die de regels inzake voorlichting van de consument in acht nemen en voorzien in een vraag op de markt. Een lidstaat daarentegen zou eventueel ter bescherming van een bepaalde plaatselijke kwaliteit en productietraditie, regels kunnen vaststellen waarbij de productie van dergelijke mengsels, zonder de in- en uitvoer ervan te belemmeren, voor intern verbruik zou worden verboden. Uit een oogpunt van de communautaire wetgeving lijkt de huidige situatie aanvaardbaar, en kan zij niet worden veranderd door een veralgemening van het verbod op mengsels van olijfolie met andere plantaardige olie. Daarentegen zou, gelet op het belang van deze kwestie, de etikettering van dergelijke mengsels daarentegen kunnen worden onderworpen aan communautaire voorschriften. Zo zou bijvoorbeeld de vermelding dat het gaat om een mengsel «op basis» van olijfolie, of een mengsel dat olijfolie «bevat» of waaraan olijfolie is «toegevoegd» verplicht kunnen worden. Dit moet echter worden afgewogen tegen de complexiteit die daardoor voor de consument kan ontstaan. 2. VOORGESTELDE BELEIDSLIJNEN 2.1. Indeling van olijfolie De benamingen en definities van olijfolie en olie uit afvallen van olijven in de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG moeten in overeenstemming worden gebracht met de verplichte indeling die wordt voorgesteld in Kader 2 in de bijlage bij dit deel II. In de onderstaande punten 1.1 tot en met 1.4 worden de in te voeren wijzigingen beschreven. 2.1.1. Benaming van bepaalde categorieënolijfolie Volgens de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG geldt de benaming "olijfoliën verkregen bij de eerste persing" niet alleen voor olijfolie met een zuurgraad van ten hoogste 2%, maar ook voor alle rechtstreeks uit olijven verkregen oliën. Dat deze benaming dus wordt gebruikt voor zeer uiteenlopende categorieën olijfolie zorgt voor verwarring bij de marktdeelnemers in de sector. De consument is alleen vertrouwd met de categorieën "olijfolie verkregen bij de eerste persing" en "extra olijfolie verkregen bij de eerste persing". Deze benamingen zijn bepalend voor de waarde van die categorieën olijfolie en zorgen voor het onderscheid ertussen. Om communicatieproblemen tussen de marktdeelnemers te voorkomen, volstaat het de huidige bij de eerste persing verkregen categorieën "olijfolie voor verlichting", "courante olijfolie", "olijfolie" en "extra olijfolie" te groeperen onder de benaming "ruwe olijfolie". Daardoor zou de naamgeving in de gecombineerde nomenclatuur voor olijfolie sporen met die voor de overige plantaardige oliën. Voor de consument zou er niets veranderen. Het aanduiden met de benaming "olijfolie", van olie die vervaardigd is door het mengen van geraffineerde olijfolie met ruwe olijfolie, is een groter probleem op het niveau van de consument. Het gebruik van de algemene benaming van producten voor een bepaalde categorie ervan bemoeilijkt niet alleen de communicatie tussen marktdeelnemers, maar is vooral misleidend voor de argeloze consument. Zonder het imago van "olijfolie", overigens met name wat de nutritionele eigenschappen betreft een goed product, omlaag te halen, moet dit product toch meer specifiek worden aangeduid. Daartoe zijn talrijke toevoegingen bedacht, zoals "gewone" of "basis", maar deze hebben bijna allemaal een negatieve gevoelslading in een of andere van de belangrijkste betrokken talen. Het adjectief "standaard", dat geen vertaling behoeft, lijkt nog het meest bruikbaar te zijn. 2.1.2. Maximumzuurgraad Dankzij de technische vooruitgang, vooral op het gebied van de teelttechnieken heeft zich een opvallende ontwikkeling voorgedaan in het relatieve aandeel van de verschillende categorieën ruwe olijfolie binnen de totale productie. Momenteel bestaat in het algemeen bijna 70% van de productie uit "extra olijfolie verkregen bij de eerste persing" met een maximumzuurgraad van 1%. Het zou passend zijn ook de consument van deze vooruitgang te laten profiteren door de benaming "extra olijfolie van de eerste persing" voortaan uitsluitend voor de beste kwaliteit van deze olie te gebruiken. Daardoor zouden ook bepaalde excessen bij de extractie van de olie, weinig scrupuleuze versnijdingen met betrekkelijk zure ruwe olijfolie worden tegengegaan en zou de hoeveelheid olijfolie voor verlichting die zonder ontzuring kan worden ontgeurd, worden beperkt. De verlaging van de maximumzuurgraad mag echter niet te groot zijn, aangezien dit criterium alleen in samenhang met andere kenmerken, met name organoleptische, de kwaliteit van de olie bepaalt. De verscheidenheid in de beste olijfolie mag niet worden verkleind door te beperkende bepalingen inzake de zuurgraad, aangezien een lage zuurgraad alleen maar typerend is voor bepaalde olijvenrassen. Een verlaging van 1° naar 0,8° lijkt redelijk. Het aandeel van de olie aan het andere uiteinde van de schaal van de zuurgraden van ruwe olijfoliën, namelijk de olie "voor verlichting" (zuurgraad van meer dan 3,3%), neemt steeds verder af. Ook "courante olijfolie" met een zuurgraad van 2 tot 3,3% wordt zeldzamer op de markt. Het aanbod van de beide categorieën samen ligt nu onder de hoeveelheid olijfolie voor verlichting die in het verleden beschikbaar was. Anders dan olijfolie voor verlichting, die geraffineerd moet worden, kan courante olijfolie zonder verdere behandeling gebruikt worden voor versnijding met "olijfolie verkregen bij de eerste persing", met "extra olijfolie verkregen bij de eerste persing" of met geraffineerde olijfolie. Met het oog op een marktgerichte kwaliteitsverbetering is het dienstig courante olijfolie en olijfolie voor verlichting in één categorie samen te brengen of met andere woorden het maximum voor de zuurgraad van olijfolie voor verlichting te verlagen van 3,3 tot 2°. Bijgevolg zou, aangezien de markt van voldoende olie voor versnijding moet worden voorzien, de maximumzuurgraad van "olijfolie verkregen bij de eerste persing" onveranderd op 2° blijven. Voor geraffineerde olijfolie kan de maximaal toegestane vetzuurgraad dankzij de technische vooruitgang gemakkelijk verlaagd worden van 0,5 tot 0,3°. Bijgevolg en voorts rekening houdend met de hierboven in overweging genomen verlaging van de maximumzuurgraad van olie voor versnijding (samenvoeging van de categorieën "courante olijfolie" en "olijfolie voor verlichting" waarvoor raffinage verplicht is), moet de zuurgraad voor "standaard"-olijfolie verlaagd worden van 1,5 tot 1°. Dezelfde aanpassing van de maximaal toegestane zuurgraden moet worden doorgevoerd bij geraffineerde en bij ruwe olie uit afvallen van olijven. 2.1.3. Verschil tussen ruwe olijfolie en olie uit afvallen van olijven Volgens de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG ligt dat onderscheid in het gebruik van oplosmiddelen om de olie te verkrijgen. Voor het opsporen van olie uit afvallen van olijven die wellicht ten onrechte als ruwe olijfolie wordt aangeboden, worden bij de in Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie bedoelde chemische analyses echter gewerkt met het wasgehalte, het sterolgehalte, enz. van de olie. Dankzij de industriële vooruitgang is het echter mogelijk om langs mechanische weg steeds meer olie uit de olijven te halen. De laatste van die olie uit de olijven, die weliswaar zonder oplosmiddelen is verkregen, heeft toch vele analysekenmerken gemeen met ruwe olie uit afvallen van olijven, die dus is verkregen met gebruik van oplosmiddelen. Om rekening te houden met deze ontwikkeling en de nadelige gevolgen ervan voor de kwaliteit van olijfolie voor verlichting die geraffineerd moet worden, alsmede voor de olijfafvallen verwerkende bedrijven en hun rol bij de verwerking van een potentieel milieubelastend residu, moet de definitie van olie uit afvallen van olijven worden herzien. In de Raadsverordening moet worden bepaald dat uitsluitend als ruwe olijfolie kan worden aangemerkt olie met zodanige kenmerken dat ze in een van de betrokken gedefinieerde categorieën kan worden ingedeeld. Voorts moet aan de definitie van ruwe olie uit afvallen van olijven worden toegevoegd dat deze categorie niet alleen met gebruik van oplosmiddelen verkregen olie omvat, maar ook bepaalde langs mechanische weg verkregen oliën kan omvatten. In de regelgeving van de Commissie moet nader worden bepaald onder welke voorwaarden bepaalde langs mechanische weg verkregen oliën bij de categorie "ruwe olie uit afvallen van olijven" kunnen worden ingedeeld. 2.1.4. Andere punten In de definitie van ruwe olijfolie moet de precisering "met name thermische" als omstandigheid waardoor, volgens de betrokken Raadsverordening, de olie niet mag worden aangetast, worden weggelaten. Door deze parameter als voorbeeld aan te halen, wordt namelijk in de definitie ten onrechte de indruk gewekt dat de overige omstandigheden minder belangrijk zouden zijn. Om rekening te houden met de technologische vooruitgang moet de Raad in de definitie van ruwe olijfolie bovendien vermelden dat de olie niet verkregen mag worden met hulpstoffen met chemische of biochemische werking, aangezien dit het natuurlijke imago van het product schaadt. De Commissie zou het maximumgehalte aan residuen van de overige hulpstoffen moeten vaststellen op een niveau waaronder zij niet meer opgespoord kunnen worden. De door sommigen voorgestelde invoering van een extra categorie "super extra olijfolie van de eerste persing" is een minder gelukkig idee, omdat dit de indeling en de controles zou bemoeilijken. Bovendien maakt de verscheidenheid van het product in de Gemeenschap afbakening van deze categorie bijzonder moeilijk, zodat deze weinig selectief zou zijn en snel bijna alle huidige extra olijfolie van de eerste persing zou omvatten. 2.1.5. Categorieën voor de kleinhandel Alle in de verplichte indeling in de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG opgenomen categorieën zouden in het groothandelstadium onverpakt in voorraad mogen zijn, maar slechts enkele daarvan mogen via de kleinhandel in het verkeer worden gebracht. Analoog met hetgeen nu in artikel 35, lid 2, van Verordening nr. 136/66/EEG bepaald is, zouden de onderstaande verplichte benamingen van olijfolie in de kleinhandel gebruikt mogen worden: - extra olijfolie van de eerste persing, - olijfolie van de eerste persing, - standaardolijfolie, - olie uit afvallen van olijven. In de regelgeving van de Commissie zou de maximuminhoud van de verpakkingen in de kleinhandel echter beperkt moeten worden, bijvoorbeeld tot 5 liter. Dit zou de kwaliteit ten goede komen, omdat de olie in kleinere verpakkingen minder snel oxideert en kleine verpakkingen minder mogelijkheden geven voor bedrieglijke praktijken. 2.2. Etikettering van olijfolie In artikel 3 van Richtlijn 2000/13/EG is bepaald welke gegevens bij de etikettering van levensmiddelen vermeld moeten worden. Voor olijfolie zijn dat: - de benaming, overeenkomstig de indeling van Verordening nr. 136/66/EEG, waaronder het product wordt verkocht, - de nettohoeveelheid, - de datum van minimale houdbaarheid, - de bewaarvoorschriften, - de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant of van de verpakker of van een in de Gemeenschap gevestigde verkoper. Voorts moet op grond van Richtlijn 89/396/EEG [12] een vermelding worden aangebracht die het mogelijk maakt de partij waartoe een levensmiddel behoort, te identificeren. [12] Richtlijn 89/396/EEG van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren (PB L 186 van 30.6.1989, blz. 21). Alle overige vermeldingen of aanduidingen zijn facultatief, maar mogen: - niet misleidend voor de koper zijn, onder meer ten aanzien van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst van de levensmiddelen, - aan levensmiddelen geen eigenschappen toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte. Bepaalde facultatieve vermeldingen of aanduidingen moeten in overeenstemming zijn met de betrokken communautaire regelgeving. Voor olijfolie gaat het om: - Richtlijn 90/496/EEG [13] inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen, voor gegevens inzake voedingswaarde, [13] Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40). - Verordening (EEG) nr. 2092/91, voor de aanduiding dat het om een biologisch geteeld product gaat, - Verordening (EEG) nr. 2081/92, voor de vermelding van de beschermde oorsprongsbenamingen (BOB) en de beschermde geografische aanduidingen (BGA), - Verordening (EG) nr. 2815/98, voor de overige oorsprongsbenamingen. In het kader van deze regelgeving zijn bij de etikettering een groot aantal vermeldingen in omloop. Deze overdaad is schadelijk voor de doorzichtigheid en de waarde van erkende kwaliteiten en in het voordeel van aanduidingen die als kwaliteitsmaatstaf min of meer controleerbaar of terecht zijn. Aangezien de kwaliteit van groot belang is voor extra olijfolie van de eerste persing, leidt deze situatie tot een verstoring van de marktprijzen. Toch mag men van de huidige soepelheid bij de etikettering niet vervallen in het andere uiterste van een strikte reglementering waarbij een exclusieve lijst van toegestane vermeldingen met de voorwaarden voor het gebruik ervan wordt vastgesteld. In dat geval zouden alle aanduidingen waarvoor op grond van marktontwikkelingen of nieuwe reclameconcepten aanvragen worden ingediend, in zeer korte tijd in de regelgeving gestroomlijnd moeten worden. Bovendien zouden de nodige controles vastgesteld en uitgevoerd moeten worden, hetgeen voor elk geval een doeltreffend opsporingssysteem veronderstelt, terwijl nu de bewijslast bij de marktdeelnemer ligt die van een mogelijkheid gebruik maakt. 2.2.1. Verplichte, facultatieve en verboden vermeldingen Om de situatie te verbeteren, zonder een niet te beheren regeling tot stand te brengen, moeten in het kader van de huidige regeling uitgaande van artikel 35 bis van Verordening nr. 136/66/EEG: - de verplichte en verboden vermeldingen bij de etikettering zonodig worden aangevuld, en voorts - voor economisch belangrijke facultatieve aanduidingen de definities en te leveren bewijzen gestandaardiseerd worden. Voor de overige facultatieve vermeldingen en aanduidingen zou het bepaalde in de richtlijnen 2000/13/EG en 90/496/EEG uiteraard blijven gelden. Verordening (EEG) nr. 2815/98 van de Commissie betreffende de handelsnormen voor olijfolie zou op die manier overeenkomstig de eisen van de markt worden aangevuld. Zonder hiermee aanspraak te maken op volledigheid en zonder dat daarmee vooruitgelopen wordt op voorstellen van de Commissie, zouden de volgende aspecten onderzocht moeten worden: 2.2.1.1. Verplichte beschrijvende aanduiding van de olijfoliecategorie De betekenis van de vier in de kleinhandel toegestane benamingen (extra olijfolie, olijfolie en standaardolijfolie van eerste persing en olie uit afvallen van olijven) wordt door de nieuwe verbruikers niet steeds ten volle begrepen. Een door de Commissie in een verordening vastgestelde vermelding zou de betekenis ervan moeten verduidelijken uitgaande van de in Verordening nr. 136/66/EEG vastgestelde definities. Deze vermelding op het etiket zou verplicht zijn. 2.2.1.2. Verbod om vermeldingen aan te brengen die ten onrechte een verband met de kwaliteit suggereren Een voorbeeld van een aanduiding die tot concurrentievervalsing en verkeerde informatie van de consument schijnt te leiden, is de vermelding van de vetzuurgraad. Het gaat om een eenvoudig en gemakkelijk te controleren gegeven, maar vaak wordt het ten onrechte als kwaliteitsmaatstaf beschouwd. In werkelijkheid geeft het slechts gegeven slechts zin in samenhang met een categorie olijfolie, een olijvenras en een bepaalde oorsprong. Algemene interpretatie van de vetzuurgraad als kwaliteitscriterium kan de verbruiker doen geloven dat standaardolijfolie van hogere kwaliteit is dan extra olijfolie van de eerste persing, wat niet in overeenstemming is met de aanwijzingen uit de markt. 2.2.1.3. Standaardisering van bepaalde facultatieve vermeldingen Bepaalde vermeldingen zouden moeten worden geharmoniseerd, zoals reeds het geval is voor de oorsprongsbenamingen en de biologisch geteelde producten. Er zouden slechts specifieke communautaire regels worden vastgesteld voor bepaalde vermeldingen die aan door de Commissie vast te stellen criteria voldoen. Er zou zodoende slechts een standaardisering komen voor begrippen waarvoor een objectieve controle mogelijk is en die op Gemeenschapsniveau van aanzienlijke economische betekenis zijn. Wanneer een marktdeelnemer een facultatieve vermelding gebruikt, moet hij kunnen bewijzen dat deze in overeenstemming is met Richtlijn 2000/13/EG en in voorkomend geval ook met de desbetreffende standaardisatieregels van de Commissie. Het zou de marktdeelnemer vrij staan om facultatieve vermeldingen te hanteren of niet, maar als hij dit doet, zou hij verplicht zijn zich aan de terzake vastgestelde regels te houden. Een eerste voorbeeld van een te standaardiseren aanduiding betreft "eerste koude persing", een aanduiding die op de meeste etiketten voorkomt, terwijl de meeste olie niet meer door persing, maar door centrifugeren verkregen wordt en de "koude" temperatuur van de persing nergens bepaald is en ook niet te controleren valt. Een tweede voorbeeld van een te standaardiseren begrip betreft vermeldingen zoals "fruitig" of andere, die aan objectieve meetwaarden zouden moeten beantwoorden. Daarvoor is een objectieve paneltest nodig, die nu ontwikkeld wordt. Nog andere voorbeelden zijn de mengsels van olijfolie met zaadolie, waarvoor de verwijzing naar olijfolie gekoppeld zou kunnen worden aan een bepaald minimumgehalte, of olijfolies waarvoor wordt vermeld dat die uit bijzondere olijvenrassen gewonnen zijn. 2.2.2. Een bijzonder geval: de vermelding van de oorsprong Op grond van Verordening (EG) nr. 2815/98 van de Commissie mag in de Europese Gemeenschap de oorsprong van "extra olijfolie verkregen bij de eerste persing" en "olijfolie verkregen bij de eerste persing" tot en met 31 oktober 2001 worden vermeld. Aanduiding van de oorsprong van de overige categorieën olijfolie is niet toegestaan omdat er binnen deze categorieën geen wezenlijke en merkbare verschillen bestaan die verband houden met de oorsprong. De lidstaten moeten de oorsprong van de olie controleren in de erkende verpakkingsbedrijven. In Verordening (EG) nr. 2815/98 is bepaald dat regionale oorsprongsaanduidingen uitsluitend gebruikt mogen worden in BOB's en BGA's. De voorwaarden worden vastgesteld in een productdossier overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2081/92. Wanneer de Gemeenschap of lidstaat als oorsprong worden aangegeven: - is de plaats waar de olie is geproduceerd, bepalend voor de oorsprongsaanduiding, - moet alle betrokken olie of bij versnijding minstens 75% van de olie verkregen zijn in het vermelde oorsprongsgebied; bij versnijding is een bijzondere vermelding vereist om aan te geven dat de olie slechts gedeeltelijk van oorsprong uit het aangegeven gebied is. In eerste instantie is "oorsprong" een douanetechnisch begrip dat in de internationale handel wordt gebruikt in het kader van een tariefindeling en losstaat van de kwaliteit. Binnen de Gemeenschap verwijst het begrip niet naar een tariefindeling, maar correspondeert het met aan het product toegeschreven kwaliteitskenmerken. Deze beide aspecten moeten met elkaar verenigbaar zijn en gecoördineerd om verwarring tussen douane-aangifte en etikettering te voorkomen. Met betrekking tot de bepaling van de douaneoorsprong van goederen, met name voor de toepassing van de maatregelen van het handelsbeleid en voor de aanduiding van de oorsprong, worden in de WTO in het kader van de internationale harmonisering moeilijke onderhandelingen gevoerd over de niet-preferentiële oorsprongsregels. Hoewel die onderhandelingen nog aan de gang zijn, bestaat er over het basisprincipe eensgezindheid: olie is van oorsprong uit het land waar hij volledig is geproduceerd of uit grondstoffen geëxtraheerd. De oorsprong van olie hangt dus af van de plaats waar hij wordt verkregen, namelijk de oliefabrieken. Bovendien is de discussie over het communautaire voorstel om de raffinage als oorsprongbepalend te erkennen, nog niet afgesloten. Tenslotte is, wat de mengsels van oliën betreft, nog geen besluit genomen en er zou kunnen worden bepaald dat de oorsprong daarvan overeenstemt met de oorsprong van de olie met het hoogste gehalte in het mengsel, of het land is dat voor een bepaald minimumpercentage tot het mengsel heeft bijgedragen of het land waar de olie is gemengd. In Verordening (EG) nr. 2815/98 wordt het principe gevolgd dat voor de aanduiding van de nationale of de communautaire oorsprong het land waar de olie is geëxtraheerd wordt gebruikt. Voor de aanduiding van een regionale oorsprong, wat gebeurt via een BOB of BGA, zijn het geografische gebied, het olijvenras en de plaatselijke werkwijze doorslaggevend en wordt de oorsprong bepaald door de plaats waar de olijven geoogst zijn. De producenten van bepaalde lidstaten hebben deze aanpak bekritiseerd en hadden liever in alle gevallen gehad dat de oorsprong bepaald wordt door de plaats waar de olijven geoogst zijn. Niet alleen zou dit echter de controles compliceren, maar bovendien heeft de totale communautaire interne en externe handel in olijven voor de bereiding van olijfolie slechts betrekking heeft op een hoeveelheid van 454 ton olie in 1999 bij een totale productie van meer dan 1 700 000 ton en lijkt die handel dus economisch niet erg belangrijk. Verder stuit de toepassing van Verordening (EG) nr. 2815/98 op moeilijkheden en is er bij de bedrijven weinig belangstelling voor. Enerzijds hebben de nationale erkennings- en controlevoorschriften lang op zich laten wachten en anderzijds heeft de vermelding van een nationale of communautaire oorsprong overeenkomstig die verordening slechts weinig effect. De verplichte vermeldingen op het etiket, zoals merk- of bedrijfsnaam en het adres van de verpakker, en ook de op het etiket gebruikte taal zijn voor de marktdeelnemers gemakkelijker te hanteren indirecte oorsprongsaanduidingen. Deze indirecte aanduidingen kunnen echter misleidend zijn en geven de consument geen enkele garantie. De beste oplossing voor deze moeilijkheden bestaat erin te bepalen dat op het etiket: - hetzij de oorsprong aangeduid wordt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2815/98, - hetzij een in die verordening te preciseren vermelding wordt aangebracht waaruit duidelijk de reële situatie blijkt. 2.3. Controles door analyses Het aantal fysisch-chemische analyses dat nodig is voor de controle van olijfolie, is bijzonder indrukwekkend, maar de nauwkeurigheid van sommige analysemethoden moet nog verbeterd worden. Nieuwe analysemethoden worden onderzocht om fraude te bestrijden en er wordt nieuw onderzoek verricht. De verschillende resultaten zouden echter meer aan elkaar gekoppeld moeten worden om de conclusies te verbeteren en/of de kosten te drukken. Voorts is de controverse over de zogenaamde "paneltest"-methode nog steeds niet beslecht. 2.3.1. Beslissingsschema Nu wordt olijfolie of olie uit afvallen van olijven ingedeeld aan de hand van de resultaten van een toetsing aan de grenswaarden voor 28 criteria. Voor ieder criterium heeft de uitslag absolute consequenties "alles of niets", de uitslag ligt onder of boven de vastgestelde grenswaarde en er wordt geen rekening gehouden met de overige onderzochte parameters. Deze aanpak is tamelijk duur en tijdrovend omdat een groot aantal complexe analyses systematisch moet worden uitgevoerd. Voortdurend zijn er problemen in verband met de grenswaarden: doordat de consequentiesvan het "alles of niets"-type zijn wordt veeleer op conventionele dan op reële gronden olijfolie in bepaalde jaren en/of gebieden in een lagere categorie ingedeeld of zelfs van indeling als olijfolie uitgesloten. Om in deze situatie verbetering te brengen, zou het huidige systeem met "alles of niets"-criteria vervangen moeten worden door een "beslissingsschema". In een dergelijk schema worden stapsgewijze mogelijke alternatieven geschrapt of hypothesen door het opstapelen van bewijsmateriaal versterkt. Systematische toepassing van een reeks van elkaar losstaande analyses moet derhalve vervangen worden door een strikte procedure waarbij de analyses naar gelang van de vooraf verkregen resultaten worden uitgevoerd. Uiteraard moet deze procedure gevrijwaard zijn tegen de mogelijkheid tot interpretatie door de persoon die de analyse uitvoert. Bij een dergelijk beslissingsschema kan in de eenvoudige gevallen op kosten en tijd worden bespaard. In de meer ingewikkelde gevallen zou bij de indeling rekening kunnen worden gehouden met het profiel van alle uitslagen om te voorkomen dat het oordeel op één uitslag gebaseerd zou worden, terwijl de andere uitslagen tot een tegengestelde beslissing zouden leiden. De werkzaamheden die de chemiedeskundigen van het Comité van beheer voor oliën en vetten op dit gebied zijn begonnen, zijn veelbelovend. 2.3.2. Paneltest De paneltest is een sensorische analyse die ontwikkeld is om het advies van deskundigen over de organoleptische kenmerken van olijfolie te objectiveren. Het onderzoek strekt ertoe een werkwijze voor de kwantificering van de belangrijkste betrokken chemische bestanddelen te bepalen en te ontwikkelen om zo te komen tot een fysisch-chemische methode voor organoleptische analyse. Er moet echter nog verder onderzoek worden verricht. De huidige indeling van ruwe olijfolie in de Gemeenschap berust op de sensorische beoordeling van een reeks kenmerken door een smaakpanel volgens een nauwkeurig bepaalde procedure. Door de vele subtiele kenmerken die beoordeeld moeten worden en doordat gewerkt wordt met de gemiddelde beoordelingscijfers is deze methode moeilijk reproduceerbaar. In de communautaire regelgeving zijn ruime toleranties toegestaan bij de cijfers die de grenzen tussen olijfoliecategorieën aangeven. De toepassing van de methode door verscheidene proevers in een tempo dat verenigbaar is met het recupereren van hun beoordelingsvermogen, is tijdrovend en brengt hoge kosten mee. De Internationale Olijfolieraad (IOR) heeft een nieuwe paneltestmethode aangenomen die gebaseerd is op de beoordeling van een beperkt aantal gebreken, het al dan niet voorkomen van een "fruitige" smaak en het gebruik van de mediaanwaarde van de cijfers van het smaakpanel. Deze nieuwe methode is betrouwbaarder als ze, zoals bepaald, wordt uitgevoerd door ervaren en geschoolde proevers bestaat. Maar dan blijft het een omslachtige en dure werkwijze. Als het erkende panel wordt vervangen door één enkele proever, bestaat er dan weer kans op wisselvalligheden en betwisting van de resultaten. Aangezien moet worden aangetoond dat bepaalde sensorische kenmerken in "extra olijfolie van de eerste persing" en "olijfolie van de eerste persing" voorkomen en in afwachting van een fysisch-chemische methode, komt het er vooral op aan tegen lagere kosten een betrouwbare paneltest te organiseren. De Commissie zou kunnen kiezen voor de door de IOR (Internationale Olijfolieraad) aangenomen paneltestmethode met twee keuringsniveaus. De eerste keuring zou door één enkele erkende proever worden uitgevoerd. Wanneer volgens hem de organoleptische kenmerken niet overeenstemmen met de opgegeven olijfoliecategorie, zou hij een beroep moeten doen op de arbitrage van drie erkende jury's uit een communautaire lijst. Alleen de uitkomst van deze arbitrage zou gelden tegenover de opgave van de betrokken marktdeelnemer. 2.3.3. Buiten de norm vallende resultaten In elke complexe, op veel criteria gebaseerde indeling zijn er grensgevallen met abnormale resultaten. Jaarlijks is er in een of andere regio olijfolie die niet ingedeeld kan worden, omdat ze niet voldoet aan een bepaald criterium. Deze olie mag niet als olie van een van de categorieën ruwe olijfolie worden verkocht, maar wordt deze in de praktijk vaak clandestien versneden om zo aan de normen te voldoen. Door invoering van het in punt 3.1 beschreven beslissingsschema zou het aantal van dergelijke gevallen wel verminderen, maar volledig uitsluiten kan men ze niet. Invoering van een tolerantie is geen goede oplossing, omdat zulks kan leiden tot misbruik en fraude. Daarom moet gedacht worden aan een procedure waarbij de Commissie toestaat dat de betrokken olie in de fabrieken onder toezicht en onder de verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaten met de norm in overeenstemming gebracht wordt. 2.4. Organisatie en activiteiten van de marktdeelnemers Samen zouden producenten, oliefabrieken en olijfolie-industrie en -handel de organisatie en het functioneren van de sector moeten verbeteren, vooral door nieuwe activiteiten die gericht zijn op kwaliteitsproductie en -bewaking. Een sectororganisatie die op Europees of zelfs in alle lidstaten op nationaal niveau in staat is te zorgen voor verbetering, tracering en certificering van de verschillende olijfoliekwaliteiten bestaat niet en kan ook niet op korte of middellange termijn vanaf nul worden opgebouwd. Daarom moeten deze activiteiten per marktsegment worden georganiseerd, aanvankelijk wellicht op beperkte, maar mettertijd op steeds ruimere schaal. Een goed functionerend en geloofwaardig systeem moet zoveel mogelijk steunen op de samenwerking van verschillende betrokken groepen marktdeelnemers. Volgens dit plan zou een dergelijke plaatselijke, regionale of nationale groepering van betrokken marktdeelnemers door de lidstaat worden erkend voor de uitvoering van programma's op een of meer van de hierna beschreven werkterreinen. 2.4.1. Werkterreinen 2.4.1.1. Kwaliteitsverbetering en verbetering van het milieueffect van de productie De controle op een goede techniek bij de teelt, de oogst en de opslag van olijven is van het allergrootste belang, omdat de daarbij toegepaste werkwijze de uitgangskwaliteit en de eigenschappen van het product beïnvloedt en, met name wegens de gevolgen van de werkwijzen voor het milieu, medebepalend is voor het imago van het eindproduct bij de consument. Deze controle moet worden uitgebreid tot de werkwijze van de oliefabrieken, die de potentiële kwaliteit van de olijven kan verbeteren, veranderen of tenietdoen, en ook tot het afval van de olijven, dat grote milieuproblemen kan veroorzaken. De sector zou nog actiever kunnen zijn bij het opstellen en uitvoeren van de huidige kwaliteitsverbeteringsprogramma's die de Gemeenschap door middel van een inhouding van 1,4% op de steun financiert. Ook zou het nuttig zijn op plaatselijk niveau alle structuur- en milieumaatregelen op elkaar af te stemmen. De huidige, door de lidstaten ingediende programma's omvatten maatregelen op de volgende gebieden: - verbetering van de teeltomstandigheden en bestrijding van schadelijke organismen, - verbetering van de oogst en verwerking van olijven, de opslag van de olie en de verwijdering van de afvallen, - technische bijstand aan de olijventelers en de oliefabrieken, vooral ten aanzien van de effecten op de kwaliteit van de olie en op het milieu, - invoering van paneltests en medewerking aan programma's op het gebied van kwaliteits- en milieuonderzoek. Kwaliteitsverbetering en verbetering van het milieueffect van de productie komt de marktdeelnemers van de betrokken sector rechtstreeks ten goede, ook al is dit soms pas na verloop van enige tijd. Om de doeltreffendheid van de betrokken programma's te verhogen, zou de financiële bijdrage van de Gemeenschap daarom niet meer dan 75% moeten bedragen en lijkt het verantwoord te eisen dat de marktdeelnemers zelf een deel ervan financieren. 2.4.1.2. Certificering en bewaking van de kwaliteit van olijfolie Een element dat een grote rol speelt bij de kwaliteit en waarvoor de consument bereid is te betalen, is de garantie dat de vermeldingen op het etiket juist zijn. Controle op fraude ten aanzien van de etikettering behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar daarbovenop zouden de marktdeelnemersgroeperingen garant kunnen staan voor waarheidsgetrouwe vermeldingen op hun producten. Bovendien zouden deze groeperingen moeten fraude en voor de kwaliteit nadelige praktijken moeten opsporen, die henzelf en de hele sector schade berokkenen. Aangezien de marktdeelnemers van de sector hier als eersten belang bij hebben, moeten zij zich organiseren om kwaliteitsolijfolie te traceren en te certificeren en om, eventueel langs gerechtelijke weg, tegen misbruiken op te treden. De telers zouden garant staan voor de kwaliteit van de geleverde olijven, de oliefabrieken voor de kwaliteit van de extra olijfolie en olijfolie van de eerste persing, terwijl de oliefabrieken waar de olijfolie gemengd, geraffineerd en gebotteld wordt en ook de bedrijven waar, via extractie, olijfolie uit afvallen van olijven wordt geproduceerd, de kwaliteit van hun werk zouden waarborgen. De programma's op dit vlak zouden een tracerings- en certificeringsstelsel omvatten dat door een erkende groepering en onder toezicht van de lidstaat gecontroleerd wordt. In het kader van dit stelsel: - zou door de betrokkenen een bedrijfsprocesplan worden opgesteld waarin, naar het model van de HACCP-methode [14], de kritieke punten worden bepaald en de punten die daar onderen controle moeten zijn, [14] De HACCP-methode (Hazard Analysis at Critical Control Point) is gebaseerd op 7 principes: - zou dat bedrijfsprocesplan door de nationale autoriteiten worden aanvaard binnen een kaderregeling voor de Gemeenschap en zou op de uitvoering ervan worden toegezien volgens een nationale controleregeling. Dergelijke erkende marktdeelnemersgroeperingen die een door de lidstaten goedgekeurd en gecontroleerd bedrijfsprocesplan toepassen, zouden op het etiket mogen vermelden dat het product gevolgd is via op het niveau van de Gemeenschap vastgestelde regels die waarborgen dat alle vermeldingen op het etiket exact zijn. Uiteraard zullen de in dit verband erkende marktdeelnemers rechtstreeks en al vrij spoedig voordeel ondervinden van deze certificering en kwaliteitsbewaking baat. Daarom moet de medefinanciering van de Gemeenschap beperkt blijven tot 50% van de kosten, en moet minstens 25% ervan door de marktdeelnemers worden gedragen. 2.4.1.3. Beheer van de sector en de markt Momenteel is het de taak van de telersverenigingen de steunaanvragen in te zamelen, de inachtneming van de formele verplichtingen na te gaan en de aan hun leden verschuldigde bedragen uit te betalen. Deze werkzaamheden worden vergoed naargelang van de betrokken productie (0,8% van de steun), maar zouden meer direct gekoppeld moeten zijn aan de kosten en de dienstverlening per steunaanvraag. Bovendien kunnen de telersverenigingen, wanneer het GIS [15] bestaat, de door hun leden verstrekte gegevens lokaliseren en zo de teeltaangiften bijwerken. [15] Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1638/98 wordt door de lidstaten gewerkt aan het Geografisch Informatiesysteem (GIS) voor de olijventeelt. Met dit systeem zullen de door de steunaanvragende telers opgegeven olijfgaarden aan de hand van luchtfoto's kunnen worden gevisualiseerd en geteld met de computer. Inzake de ontwikkeling van de markt zouden de marktdeelnemersgroeperingen moeten zorgen voor betere kennis van de werkelijke situatie. Zij zouden een zodanige organisatie moeten opzetten dat objectieve informatie wordt verschaft over de vooruitzichten voor het verkoopseizoen, de geraamde opbrengsten van de kleine homogene productiegebieden, de voorraadmutaties, ook bij de producenten, om het afzettempo te kunnen bepalen. Daartoe kunnen de telersverenigingen door de sector zelf gecontroleerde systemen en werkwijzen ontwikkelen die aan alle betrokkenen de betrouwbaarheid van de gegevens garanderen. 2.4.2. Financiering Om de olijfoliesector beter te structureren en de marktdeelnemers meer bij het functioneren ervan te betrekken, zou de Gemeenschap een instrument kunnen creëren voor de financiering van programma's die op de volgende drie gebieden aan bepaalde voorwaarden voldoen: a) beheer van de sector en de markt, b) kwaliteitsverbetering en verbetering van het milieueffect van de productie, c) certificering en bewaking van de olijfoliekwaliteit. In de Gemeenschapsvoorschriften zou worden bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn en welke regels gelden voor de programma's die, althans gedeeltelijk, voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking komen. Marktdeelnemers die aan de voorwaarden voldoen, zouden hun programma's voor selectie en goedkeuring aan de lidstaten voorleggen. Werkzaamheden in verband met sector- en marktbeheer zouden voor 100% door de Gemeenschap gefinancierd worden. Kwaliteitsverbeteringsprogramma's zouden slechts voor 75% gesubsidieerd worden. Voor de certificerings- en kwaliteitsbewakingsprogramma's zou de medefinanciering van de Gemeenschap maximaal 50% van de uitgaven bedragen. Een eventuele financiële bijdrage van de lidstaten zou worden gekoppeld aan de voorwaarde dat ook de betrokken marktdeelnemers een deel van de kosten dragen, en wel minstens 25% bij de certificerings- en kwaliteitsbewakingsprogramma's. Een aantal van bovengenoemde werkzaamheden financiert de Gemeenschap nu met inhoudingen op de productiesteun. Het beheer van die middelen is niet eenvoudig, omdat zij bepaald worden door de grootte van de olijfolieproductie, die niet noodzakelijk rechtstreeks verband houdt met de kosten. De kwaliteitsverbeteringsprogramma's worden gefinancierd door 1,4% van de productiesteun in te houden, d.w.z. in totaal 33 miljoen euro op basis van de gegarandeerde nationale hoeveelheden. Daarnaast is een nationale financiering van 25% mogelijk. Bovendien wordt door de producentenorganisaties 0,8% van de aan hun leden toegekende steun, d.i. ongeveer 15 miljoen euro, ingehouden voor hun activiteiten. Als deze steun zou worden voortgezet, zouden deze inhoudingen vervangen moeten worden door de mogelijkheid voor de lidstaat om een deel van zijn gegarandeerde hoeveelheid te gebruiken als basis voor de financiering van de betrokken programma's. Dit deel zou worden afgetrokken van de GNA waarvoor productiesteun wordt toegekend. Zo zou bijvoorbeeld op basis van 3% van de huidige gegarandeerde nationale hoeveelheden ongeveer 70 miljoen euro aan gemeenschapsmiddelen beschikbaar komen, waarmee zowel de reeds bestaande, maar bijgestuurde maatregelen als de voor een eerste fase geplande nieuwe maatregelen gefinancierd kunnen worden. CONCLUSIES VOOR HET TE VOEREN BELEID Voor de uitvoering van een kwaliteitsstrategie voor olijfolie moeten de maatregelen in de tijd op elkaar worden afgestemd om zo een gecoördineerd optreden van de verschillende partijen over meerdere jaren mogelijk te maken. Door middel van de hierna opgesomde maatregelen kan de nieuwe regeling geleidelijk worden ingevoerd. Bepaalde effecten zullen er zal zijn in het verkoopseizoen 2001/02, andere pas later. Alle maatregelen zouden vanaf het verkoopseizoen 2003/04 kunnen worden toegepast. 1. Raadsverordening Aanpassing van de Raadsverordening (136/66/EEG) is een juridische voorwaarde om de meeste andere voorgenomen maatregelen te kunnen voorbereiden en vaststellen. De aanpassing betreft enerzijds de indeling van olijfolie en olie uit afvallen van olijven en anderzijds de organisatie en de activiteiten van de marktdeelnemers. In beide gevallen gaat het om maatregelen die pas twee verkoopseizoenen na de vaststelling ervan daadwerkelijk toegepast kunnen worden. Wat de indeling van de olijfolie betreft, is deze termijn noodzakelijk om de sector in staat te stellen zich aan te passen, de oude voorraden op te ruimen, de voorschriften in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de IOR-Overeenkomst en de CODEX en de douaneregelingen dienovereenkomstig aan te passen. Wat de producentenorganisaties betreft, moeten die twee verkoopseizoenen worden gebruikt enerzijds door de Commissie om nadere voorschriften vast te stellen en anderzijds door de marktdeelnemers om zich te organiseren en hun programma's op te stellen. Wanneer de Raad dus vóór 1 november 2001 een besluit neemt, kan de regeling daadwerkelijk worden toegepast in het verkoopseizoen 2003/04. 1.1. Indeling van olijfolie en olie uit afvallen van olijven De volgende wijzigingen worden voorgesteld: - ten behoeve van het bedrijfsleven wordt de benaming "olijfolie verkregen bij de eerste persing" vervangen door "ruwe olijfolie". De precisering "met name thermische" wordt geschrapt, - de in de detailhandel toegelaten categoriebenaming "olijfolie" wordt "standaardolijfolie", - de maximumzuurgraad van olijfolie van de eerste persing wordt verlaagd van 1 tot 0,8° en de categorie "courante olijfolie" gaat op in de categorie "olijfolie voor verlichting", - de maximumzuurgraad van geraffineerde olijfolie en van olie uit afvallen van olijven wordt vastgesteld op 0,3° in plaats van 0,5°, en dat van standaardolijfolie en van olie uit afvallen van olijven op 1° in plaats van 1,5°, - het gebruik van oplosmiddelen is niet langer bepalend voor het onderscheid tussen ruwe olijfolie en olie uit afvallen van olijven, - hulpstoffen met chemische of biochemische werking worden uitgesloten voor de extractie van ruwe olijfolie. 1.2. Organisatie en activiteiten van de marktdeelnemers De Raad zou reeds vóór het begin van het verkoopseizoen 2001/02 moeten bepalen dat de steunregeling die in voorkomend geval in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten zal worden ingevoerd, de lidstaten vanaf 1 november 2003 de mogelijkheid biedt middelen uit te trekken voor de financiering of medefinanciering van werkprogramma's op het gebied van: a) beheer van de sector en de markt, b) kwaliteitsverbetering en verbetering van het milieueffect van de productie, c) certificering en bewaking van de olijfoliekwaliteit. Ook zou de Raad nu reeds moeten bepalen dat de werkzaamheden in verband met sector- en marktbeheer voor 100% door de Gemeenschap gefinancierd worden. Voor de werkzaamheden ter verbetering van de kwaliteit en van het milieu-effect van de productie zou de Gemeenschapsfinanciering 75% bedragen en voor de certificering en de bewaking van de olijfoliekwaliteit 50%. Bovendien zouden ook de betrokken marktdeelnemers een deel van de kosten van de door de Gemeenschap meegefinancierde programma's moeten dragen; voor de certificering- en kwaliteitsbewakingsprogramma's zouden zij minstens 25% in de kosten moeten bijdragen. Ten slotte zou de Raad moeten aangeven dat de betrokken programma's voor bepaalde activiteiten volgens een nader vast te stellen procedure ingediend mogen worden door op grond van bepaalde criteria erkende marktdeelnemersgroeperingen. De Commissie zou dan in het verkoopseizoen 2001/02 de procedures voor de goedkeuring van de programma's, de in aanmerking komende activiteiten en de erkenningscriteria moeten vaststellen. 2. Regelgeving van de Commissie Naast bepalingen in verband met de organisatie en de activiteiten van de marktdeelnemers zouden in de regelgeving van de Commissie in het kader van artikel 35 bis van Verordening nr. 136/66/EEG de volgende punten behandeld kunnen worden: 2.1. Paneltest In Verordening (EEG) nr. 2568/91 zou de door een erkende deskundige uit te voeren nieuwe paneltest van de IOR moeten worden opgenomen. Wanneer deze deskundige de opgegeven organoleptische kenmerken van "olijfolie van de eerste persing" en "extra olijfolie van de eerste persing" niet bevestigt, zou zijn oordeel bevestigd moeten worden door de uitslag van de arbitrage met inschakeling van drie erkende panels. Een besluit terzake moet vrij snel worden genomen, zodat de voorschriften van de CODEX Alimentarius dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. Voor de daadwerkelijke toepassing van dit besluit is een overgangsperiode van enige maanden noodzakelijk om de bestaande voorraden te kunnen opruimen en de vereiste organisatiestructuur te kunnen opzetten. 2.2. Vermelding van de oorsprong De tot en met 31 oktober 2001 geldende bepalingen van Verordening (EG) nr. 2815/98 zouden verlengd moeten worden. Wanneer de oorsprong echter niet aangegeven zou worden overeenkomstig de nu geldende voorschriften, zou een etiket moeten worden aangebracht dat strookt met de werkelijke situatie. De nieuwe voorschriften zouden pas na enkele maanden van toepassing worden om de sector de nodige tijd voor omschakeling te gunnen. 2.3. Buiten de norm vallende olijfolie Invoering van de mogelijkheid voor de lidstaat om in bepaalde gevallen onder toezicht toe te staan dat olie die klaarblijkelijk van olijven afkomstig is, maar waarvan de kenmerken voor één enkel criterium niet aan de norm voldoen, zo wordt behandeld dat het eindproduct wel aan de normen voldoet. In principe zou een dergelijke bepaling snel van kracht moeten kunnen worden. 2.4. Verplicht gebruik van kleine verpakkingen De olie zou in de kleinhandel in verpakkingen van ten hoogste 5 liter met een niet-herbruikbare sluiting verkocht moeten worden. Dit kan voor bepaalde gebieden een verandering van gewoonten betekenen. Daarom moet een besluit ter zake reeds in het verkoopseizoen 2001/02 genomen worden, zodat het vanaf het verkoopseizoen 2003/04 daadwerkelijk kan worden toegepast. 2.5. Verplichte en verboden vermeldingen bij de etikettering In Verordening (EG) nr. 2815/98 zou de verplichting moeten worden opgenomen om een beschrijving van de categorie van de verkochte olijfolie of olie uit afvallen van olijven op het etiket te vermelden. Anderzijds zou verboden worden de zuurgraad van de olijfolie op het etiket als kwaliteitscriterium te hanteren. Deze maatregelen zouden pas na enige maanden na hun inwerkingtreding van toepassing worden, om de sector de nodige aanpassingstijd te gunnen. 2.6. Standaardisatie van facultatieve vermeldingen Zo nodig zou met ingang van het verkoopseizoen 2001/02 Verordening (EG) nr. 2815/98 worden aangevuld met nieuwe voorschriften voor begrippen die van economisch belang zijn voor extra olijfolie van de eerste persing, zoals bijvoorbeeld "eerste koude persing", "fruitig", of de aanduiding van een bepaald olijvenras. Voor de toepassing van deze nieuwe voorschriften zou rekening moeten worden gehouden met de tijd die de markt nodig heeft om zich aan te passen. 3. Overige initiatieven 3.1. Internationale organisaties - De IOR zou moeten worden verzocht voort te werken aan een gedragscode voor de olijventelers, voor de oliefabrieken en voor de andere verwerkende en handelsbedrijven van de sector, zodat de daarin gestelde eisen inzake vakbekwaamheid overgenomen kunnen worden voor de Gemeenschapsvoorschriften. - De CODEX Alimentarius moet in 2001 voor olijfolie worden herzien. De nieuwe paneltest zou bij die gelegenheid in de Codex kunnen worden opgenomen als de andere elementen van de geplande norm aanvaardbaar zijn. 3.2. Onderzoek en werkzaamheden van deskundigen op het gebied van de olijfoliechemie - Er moet dringend een methode worden ontwikkeld voor de opsporing van olijfolie die frauduleus met hazelnootolie is gemengd, en ook de overige methoden moeten worden verbeterd. - Er moet een opsporingsmethode voor ontgeurde olijfolie of een raffinagebestendige merkstof voor olijfolie voor verlichting worden ontwikkeld. - Er moet een beslissingsschema voor de toepassing van analysemethoden voor olijfolie en olie uit afvallen van olijven worden opgesteld. - Er moet apparatuur worden ontwikkeld om de oliekwaliteitsparameters in de oliefabrieken te controleren.