This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 51997PC0175
Proposal for a European Parliament and Council Decision establishing a programme of Community action to reinforce the functioning of the indirect taxation systems of the internal market (Fiscalis programme)
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis-programma)
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis-programma)
/* COM/97/0175 def. - COD 97/0128 */
PB C 177 van 11.6.1997, pp. 8–12
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis-programma) /* COM/97/0175 def. - COD 97/0128 */
Publicatieblad Nr. C 177 van 11/06/1997 blz. 0008
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis-programma) (97/C 177/05) COM(97) 175 def. - 97/0128(COD) (Door de Commissie ingediend op 29 april 1997) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag, (1) Overwegende dat in een interne markt de daadwerkelijke, eenvormige en doeltreffende toepassing van het Gemeenschapsrecht van wezenlijk belang is voor de werking van de stelsels van indirecte belastingen, in het bijzonder om de financiële belangen van de lidstaten en de Gemeenschap te beschermen door belastingvermijding en -fraude te bestrijden, mededingingvervalsing te voorkomen, en om onnodige administratieve rompslomp voor overheidsdiensten en belastingbetalers verder te verminderen; (2) Overwegende dat de Gemeenschap, tezamen met de lidstaten, verantwoordelijk is voor deze daadwerkelijke, eenvormige en efficiënte toepassing; dat de lidstaten weliswaar meer verantwoordelijkheid hebben wat betreft de te verstrekken middelen, maar dat bij de verschaffing van de infrastructuur en de nodige stimulansen voor de Gemeenschap een belangrijke rol is weggelegd; (3) Overwegende dat het van wezenlijk belang is voor een eenvormige toepassing van het Gemeenschapsrecht dat de met de indirecte belastingen belaste ambtenaren een goede gemeenschappelijke kennis van dit recht en van de toepassing ervan in de lidstaten hebben; dat dit alleen kan worden bereikt indien de lidstaten een goede begin- en voortgezette scholing verstrekken; dat aanvullende communautaire maatregelen nodig zijn om deze opleidingen te coördineren en te stimuleren; (4) Overwegende dat een doeltreffende, daadwerkelijke en uitgebreide samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen deze en de Commissie van wezenlijk belang is voor de werking van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt; dat een communautaire infrastructuur voor communicatie en informatie-uitwisseling hiertoe onontbeerlijk is; dat zonder een stimulans van de zijde van de Gemeenschap onvoldoende samenwerking zou worden bereikt; (5) Overwegende dat voortdurende verbetering van administratieve procedures van wezenlijk belang is voor de werking van de stelsels van de indirecte belastingen van de interne markt; dat ofschoon de verantwoordelijkheid hiervoor in de eerste plaats bij de lidstaten berust, aanvullende communautaire maatregelen nodig zijn om deze verdere ontwikkeling te coördineren en aan te moedigen; (6) Overwegende dat daarom overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3 B van het Verdrag, de in deze beschikking voorziene maatregelen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt; dat deze beschikking zich tot het vereiste minimum beperkt en niet verder gaat dan wat hiertoe nodig is; (7) Overwegende dat de ervaring met het bij Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad (1) ingevoerde BTW-informatiesysteem (VIES) heeft geleerd dat de informatietechnologie van nut kan zijn om inkomsten veilig te stellen en tegelijkertijd de administratieve rompslomp zoveel mogelijk te verminderen; dat het systeem een essentieel hulpmiddel voor de samenwerking is gebleken, dat de lidstaten tevens tot meer algemene samenwerking heeft aangespoord; (8) Overwegende dat communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen moeten worden ingevoerd, waarvan de werking moet worden aangepast naargelang de veranderende behoeften van de stelsels van indirecte belastingen teneinde verdere samenwerking te verzekeren; (9) Overwegende dat de ervaring van de Gemeenschap met het bij Beschikking 93/588/EEG van de Raad (2) vastgestelde Matthaeus-Tax-programma en met de organisatie van multilaterale controle heeft aangetoond dat de doelstellingen van het onderhavige programma kunnen worden verwezenlijkt door middel van uitwisselingen, studiebijeenkomsten en multilaterale controle waarbij ambtenaren van verschillende diensten in het kader van beroepswerkzaamheden worden bijeengebracht; dat deze activiteiten derhalve moeten worden uitgebreid en voortgezet; (10) Overwegende dat de ervaring met het Matthaeus-Tax-programma heeft aangetoond dat met een gecoördineerde ontwikkeling en uitvoering van het bij Beschikking 95/279/EG van de Commissie (3) vastgestelde gemeenschappelijke opleidingsprogramma de doelstellingen van het programma kunnen worden verwezenlijkt, in het bijzonder doordat een betere gemeenschappelijke kennis van het Gemeenschapsrecht wordt bereikt; dat dergelijke programma's verder dienen te worden ontwikkeld en dat de lidstaten derhalve ervoor moeten zorgen dat al hun ambtenaren de aanvankelijke opleiding en geregelde na- en bijscholing ontvangen die in de gemeenschappelijke opleidingsprogramma's zijn voorzien; (11) Overwegende dat ter vergemakkelijking van de samenwerking voldoende talenkennis van de op het gebied van de indirecte belastingen werkzame ambtenaren van wezenlijk belang is en dat de lidstaten derhalve het nodige talenonderricht aan hun ambtenaren dienen te verstrekken; (12) Overwegende dat het programma dient open te staan voor deelneming van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa; dat het programma tevens dient open te staan voor deelneming van Cyprus; (13) Overwegende dat de financiering van het programma wordt verdeeld tussen de Gemeenschap en de lidstaten en dat de bijdrage van de Gemeenschap in de begroting van de Commissie wordt opgenomen; (14) Overwegende dat in deze beschikking financiële bepalingen zijn opgenomen voor de gehele duur van het programma, die het voornaamste referentiepunt vormen, in de zin van punt 1 van de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 6 maart 1995, betreffende de opneming van financiële bepalingen in de wetgevingsbesluiten (4) voor de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 Fiscalis-programma Hierbij wordt voor de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 2002 een meerjarig communautair actieprogramma (Fiscalis-programma), hierna "programma" genoemd, vastgesteld ter verbetering van de werking van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt. Het omvat de in de artikelen 4, 5 en 6 genoemde actiegebieden. Artikel 2 Begripsomschrijvingen In deze beschikking wordt verstaan onder: a) "indirecte belastingen": de indirecte belastingen die binnen het toepassingsgebied van het Gemeenschapsrecht vallen; b) "overheidsdienst": de inzake indirecte belastingen bevoegde openbare diensten van de lidstaten en de Commissie; c) "ambtenaar": een ambtenaar die is belast met de toepassing van communautaire of nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen inzake indirecte belastingen; d) "uitwisseling": een in het belang van de Gemeenschap in het kader van het programma georganiseerd verblijf van een ambtenaar van een overheidsdienst bij een andere overheidsdienst; e) "bilaterale en multilaterale controle": samenwerking van twee of meer overheidsdiensten binnen de gemeenschapsregels inzake samenwerking, bij de controle van belastingplichtigen met verplichtingen inzake indirecte belastingen in elk van de betrokken lidstaten; f) "communautaire regels inzake samenwerking": de gehele Gemeenschapswetgeving inzake wederzijdse bijstand en administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de indirecte belastingen. Artikel 3 Doelstellingen Het programma heeft ten doel door middel van communautaire maatregelen de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen met het oog op: a) een goede gemeenschappelijke kennis van het Gemeenschapsrecht en van de uitvoering ervan in de lidstaten bij de ambtenaren; b) een doeltreffende, daadwerkelijke en uitgebreide samenwerking tussen de lidstaten en tussen deze en de Commissie; c) een voortdurende verbetering van de administratieve procedures, onder inaanmerkingneming van de behoeften van de overheidsdiensten en belastingbetalers, door de ontwikkeling en verbreiding van goede administratieve praktijken. Artikel 4 Communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen, handboeken en gidsen 1. De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor de totstandkoming en de werking van de vereiste communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen, alsmede voor de opstelling van handboeken en gidsen. 2. De communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen omvatten de voor alle lidstaten gemeenschappelijke apparatuur, programmatuur en netverbindingen tussen de lidstaten, die vereist zijn ter verzekering van de algehele koppeling en interoperabiliteit van de systemen, ongeacht of deze zich in de gebouwen van de Commissie (of van een aangewezen onderaannemer) dan wel in de gebouwen van de lidstaten (of van een aangewezen onderaannemer) bevinden. 3. De niet-communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen omvatten de nationale gegevensbanken die deel van deze systemen uitmaken, de netverbindingen tussen de communautaire en de niet-communautaire componenten alsmede de programmatuur- en apparatuurtoepassingen die iedere lidstaat voor de volledige benutting van deze systemen in zijn overheidsdiensten noodzakelijk acht. Artikel 5 Uitwisselingen, studiebijeenkomsten en multilaterale controle 1. De Commissie en de lidstaten organiseren uitwisselingen. De uitwisselingen variëren in duur, naargelang wenselijk wordt geacht, maar duren niet langer dan een jaar. Iedere uitwisseling is gericht op een bepaald werkterrein en wordt door de betrokken ambtenaren van tevoren voldoende voorbereid en achteraf beoordeeld. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de uit te wisselen ambtenaren daadwerkelijk aan de werkzaamheden van de ontvangende overheidsdienst kunnen deelnemen; hiertoe wordt deze ambtenaren toegestaan werkzaamheden te verrichten uit hoofde van de functie die de ontvangende overheidsdienst hun overeenkomstig zijn rechtsstelsel heeft toevertrouwd. Tijdens de uitwisselingsperiode geldt voor de uit te wisselen ambtenaar in de uitoefening van zijn functie dezelfde wettelijke aansprakelijkheid als voor de nationale ambtenaren van de ontvangende dienst. De uit te wisselen ambtenaren zijn aan dezelfde regels inzake ambtsgeheim onderworpen als de nationale ambtenaren. 2. De Commissie en de lidstaten organiseren studiebijeenkomsten. 3. De Commissie en de lidstaten organiseren binnen de communautaire rechtsregels inzake samenwerking proefprojecten betreffende bilaterale en multilaterale controle. Artikel 6 Gemeenschappelijk opleidingsinitiatief 1. De Commissie en de lidstaten ontwikkelen bestaande en nieuwe gemeenschappelijke opleidingsprogramma's teneinde te voorzien in een gemeenschappelijke kernopleiding voor ambtenaren. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun ambtenaren de beginopleiding alsmede geregeld na- en bijscholingscursussen volgen, zoals in de gemeenschappelijke opleidingsprogramma's is bepaald. 2. De lidstaten verstrekken hun ambtenaren het nodige talenonderricht opdat zij voldoende talenkennis verwerven. 3. De Commissie en de lidstaten ontwikkelen de communautaire hulpmiddelen voor opleidingen op het gebied van de indirecte belastingen, waaronder hulpmiddelen voor het talenonderricht. Artikel 7 Deelneming van de geassocieerde landen Het programma staat open voor deelneming van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa in overeenstemming met de voorwaarden die in de Europa-overeenkomsten of aanvullende protocollen daarbij zijn vastgesteld met betrekking tot hun deelneming aan communautaire programma's, zulks voorzover het Gemeenschapsrecht inzake indirecte belastingen dit toestaat. Het programma staat voorts open voor deelneming van Cyprus overeenkomstig de Gemeenschappelijke Resolutie betreffende een gestructureerde dialoog tussen de Europese Unie en Cyprus, zulks voorzover het Gemeenschapsrecht inzake indirecte belastingen dit toestaat. Artikel 8 Kosten 1. De voor de uitvoering van het programma benodigde kosten worden tussen de Gemeenschap en de lidstaten verdeeld, overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3. 2. De Gemeenschap neemt de volgende kosten voor haar rekening: a) de reis- en verblijfkosten van ambtenaren die in een andere lidstaat aan de in artikel 5 genoemde werkzaamheden deelnemen alsmede de kosten van de organisatie van de in artikel 5, lid 2 bedoelde studiebijeenkomsten; b) de kosten van de ontwikkeling van de in artikel 6, lid 3, bedoelde communautaire hulpmiddelen voor de opleiding op het gebied van de indirecte belastingen, alsmede van de opstelling van de in artikel 4, lid 1, bedoelde handboeken en gidsen; c) de kosten van de ontwikkeling, de aankoop, de installatie en het noodzakelijke onderhoud van de in artikel 4, lid 2, bedoelde communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen alsmede de kosten van de dagelijkse werking van de zich in de gebouwen van de Commissie (of van een aangewezen onderaannemer) bevindende communautaire componenten. 3. De lidstaten nemen de volgende kosten voor hun rekening: a) de kosten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde beginopleiding en de na- en bijscholing van hun ambtenaren, alsmede van het in artikel 6, lid 2, bedoelde talenonderricht aan hun ambtenaren. De lidstaten nemen de kosten voor hun rekening van de deelneming van hun ambtenaren aan extra activiteiten die in het kader van artikel 5 worden georganiseerd, naast die welke door de Gemeenschap worden bekostigd; b) de kosten van de totstandkoming en de werking van de in artikel 4, lid 3, bedoelde niet-communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen alsmede de kosten van de dagelijkse werking van de zich in hun gebouwen (of die van een aangewezen onderaannemer) bevindende communautaire componenten van deze systemen. Artikel 9 Financieel kader De totale begroting voor de tenuitvoerlegging van dit programma voor de periode 1 januari 1998 tot 31 december 2002 wordt vastgesteld op 45 miljoen ecu. De jaarlijkse begrotingskredieten worden voor de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten goedgekeurd. Artikel 10 Uitvoeringsbepalingen De Commissie stelt de voor de uitvoering van deze beschikking nodige bepalingen vast volgens de procedure van artikel 11. Artikel 11 Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 218/92 ingestelde Permanente Comité inzake administratieve samenwerking, op het gebied van de indirecte belastingen, dat een raadgevende taak heeft. 2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming. Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies. Artikel 12 Beoordeling 1. Dit programma wordt in onderling tussen de Commissie en de lidstaten voortdurend beoordeeld. De beoordeling geschiedt op grond van de in lid 2 en lid 3 bedoelde verslagen. 2. De lidstaten zenden aan de Commissie: a) uiterlijk op 30 juni 2000 een interimverslag; b) uiterlijk op 31 december 2002 een eindverslag, over de tenuitvoerlegging en de uitwerking van dit programma. 3. De Commissie zendt het Europees Parlement en de Raad: a) uiterlijk op 30 juni 2001 een mededeling, op basis van de interimverslagen van de lidstaten, over de wenselijkheid van de voortzetting van dit programma, zo nodig vergezeld van een voorstel terzake; b) uiterlijk op 30 juni 2003 een eindverslag over de tenuitvoerlegging van dit programma. Deze verslagen worden tevens ter kennisneming aan het Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio's toegezonden. Artikel 13 Inwerkingtreding Deze beschikking treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 1998. Artikel 14 Adressaten Deze beschikking is gericht tot de lidstaten. (1) PB nr. L 24 van 1. 2. 1992, blz. 1. (2) PB nr. L 280 van 13. 11. 1993, blz. 27. (3) PB nr. L 172 van 22. 7. 1995, blz. 24. (4) PB nr. C 102 van 4. 4. 1996, blz. 4.