This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 51995PC0119
Proposal for a EUROPEAN PARLIAMENT AND COUNCIL DECISION adopting an action programme for Community customs (Customs 2000)
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD houdende goedkeuring van een actieprogramma voor de douanediensten van de Gemeenschap ("Douane 2000")
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD houdende goedkeuring van een actieprogramma voor de douanediensten van de Gemeenschap ("Douane 2000")
/* COM/95/119 def. - COD 95/0087 */
PB C 346 van 23.12.1995, pp. 4–9
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD houdende goedkeuring van een actieprogramma voor de douanediensten van de Gemeenschap ("Douane 2000") /* COM/95/119DEF - COD 95/0087 */
Publicatieblad Nr. C 346 van 23/12/1995 blz. 0004
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende goedkeuring van een actieprogramma voor de douanediensten van de Gemeenschap ("Douane 2000") (95/C 346/04) COM(95) 119 def. - 95/0087(COD) (Door de Commissie ingediend op 6 april 1995) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 100A en 113, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Gezien het advies van het Comité van de Regio's, Overwegende dat, de voltooiing van de interne markt op 1 januari 1993, de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de uitbreiding van de Unie met nieuwe Lid-Staten en de snelle ontwikkeling van het handelsverkeer van de Unie met de rest van de wereld die het resultaat is van, onder meer, de overeenkomsten die in april 1994 in het kader van de GATT werden ondertekend en goedgekeurd door de Raad op 19 december 1994, het noodzakelijk maken dat een duidelijke strategie wordt vastgesteld en uitgevoerd zodat de taak die de douane in de Europese Unie moet vervullen beter omschreven kan worden; Overwegende dat het bestaan van een gemeenschappelijke buitengrens, waardoor de goederenbewegingen in het gehele gebied van de Unie zonder douaneformaliteiten kunnen plaatsvinden, procedures en controles noodzakelijk maakt die op elke plaats waar goederen het grondgebied van de Europese Unie binnenkomen of verlaten met dezelfde mate van doeltreffendheid worden uitgevoerd, opdat de tenuitvoerlegging van de communautaire beleidsmaatregelen en de bescherming van de legitieme belangen van de burgers en van de deelnemers aan het economisch proces zowel als van de financiële belangen van de Gemeenschap worden verzekerd, met inachtneming van de vereisten voor een snel en vlot verloop van de buitenlandse handel; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze procedures en controles aan de buitengrens van de Europese Unie berust bij de douanediensten van de Lid-Staten; dat een doeltreffend optreden van deze douanediensten noodzakelijk is om een goed beheer van de interne markt te waarborgen; dat het nochtans in bepaalde gevallen noodzakelijk kan blijken om op het vlak van de Gemeenschap overeenstemming te bereiken over de criteria die het niveau van de te verrichten controles bepalen; Overwegende dat een gelijkwaardig resultaat van de douaneafhandeling bij de toepassing van het communautaire recht slechts door nauwere samenwerking tussen de douanediensten van de Lid-Staten onderling en tussen deze laatste en de Commissie kan worden bereikt; dat de uitbreiding van deze samenwerking de doeltreffendheid van de instrumenten voor het beheer van de grenzen van de eenheidsmarkt, zoals Verordening (EEG) nr. 399/93 van de Raad van 8 februari 1993 betreffende controles op de overeenstemming van uit derde landen ingevoerde produkten met de op het gebied van de produktveiligheid toepasselijke voorschriften (1), alleen maar kan verbeteren; Overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 16 februari 1994 aan het Europees Parlement en de Raad over de ontwikkeling van de administratieve samenwerking voor de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving in het kader van de interne markt (2) de douane heeft genoemd als één van de factoren die tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoren; dat de Raad de Commissie en de Lid-Staten in zijn resolutie over hetzelfde onderwerp van 16 juni 1994 (3) heeft verzocht de werkzaamheden op dit gebied voort te zetten; Overwegende dat de noodzakelijke rol van de douane in de strijd tegen de illegale handel en tegen de fraude moet benadrukt worden en dat de Gemeenschap, binnen de grenzen van haar eigen bevoegdheden, de maatregelen van haar Lid-Staten op dit gebied moet kunnen steunen; dat, zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (4) of uit elke andere verordening die in de plaats zou komen, alle mogelijkheden die geboden worden door de communautaire wetgeving inzake de administratieve samenwerking ten volle benut moeten worden; Overwegende dat hetzelfde resultaat niet met afzonderlijke maatregelen van de Lid-Staten kan worden bereikt en dat het noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt dat de douanebeschikkingen op een eenvormige wijze worden toegepast; dat een communautair kader waarbinnen programma's en prioriteiten kunnen worden vastgesteld die het mogelijk maken het optreden van de Gemeenschap en de Lid-Staten te cooerdineren teneinde de douanediensten beter voor te bereiden op de taken die zij in een markt zonder binnengrenzen moeten vervullen, dus noodzakelijk is; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van een communautair actieprogramma één van de meest geschikte middelen is om dit doel te bereiken; Overwegende dat de doelstellingen van dit actieprogramma opgenomen moeten worden in een gemeenschappelijk kader van de Gemeenschap en de Lid-Staten om hun optreden te leiden; Overwegende dat een eerste initiatief op dit gebied werd genomen in de vorm van het communautair actieprogramma voor de beroepsopleiding van douaneambtenaren (Matthaeus-programma) (5); Overwegende dat bij de opleiding en de technische samenwerking rekening dient te worden gehouden met de externe dimensie van het optreden van de Gemeenschap en de Lid-Staten; Overwegende dat het actieprogramma door de Gemeenschap en de Lid-Staten gezamenlijk zal worden gefinancierd en dat de bijdrage van de Gemeenschap op de begroting van de Commissie zal worden opgenomen; dat deze beschikking, voor de volledige duur van het programma, een financiële toewijzing vaststelt die de bevoorrechte verwijzing, in de zin van punt 1 van de verklaring van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie van 6 maart 1995, voor de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, uitmaakt; Overwegende dat het dienstig is in een programma met een looptijd van vijf jaar te voorzien; Overwegende dat dit actieprogramma gebaseerd is op de ervaringen die met het in 1994 door de Commissie op gang gebrachte proefproject zijn opgedaan, HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD: Artikel 1 Vaststelling van het programma 1. Bij deze beschikking wordt een actieprogramma voor de douane van de Gemeenschap vastgesteld ter ondersteuning en aanvulling van de door en in de Lid-Staten genomen maatregelen, met inachtneming van hun verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschapsrecht. 2. Het actieprogramma wordt "Douane 2000" genoemd en wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 2000. 3. De maatregelen van de Gemeenschap zijn gebaseerd op een aantal gemeenschappelijke doelstellingen voor de tenuitvoerlegging van dit programma. 4. De in artikel 15 bedoelde procedure voor de voortgangscontrole en de evaluatie heeft ten doel de verkregen resultaten te analyseren en daaruit lering te trekken voor het verdere optreden van de Gemeenschap. Artikel 2 Gemeenschappelijke doelstellingen De gemeenschappelijke doelstellingen voorzien in artikel 1, lid 3, op basis waarvan de Gemeenschap en de Lid-Staten bepaalde voornemens en prioriteiten formuleren met het doel een gecooerdineerd optreden vast te stellen en ten uitvoer te leggen om te verzekeren dat de douaneafhandeling beantwoordt aan de noden van de interne markt van de Europese Unie, beogen: 1. De uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren teneinde op alle plaatsen aan de buitengrens van de Europese Unie gelijkwaardige resultaten te bereiken, om zodoende verstoringen die nadelig zijn voor de goede werking van de interne markt en die zich kunnen voordoen indien de douaneprocedures in de verschillende delen van de Unie op heterogene wijze worden toegepast, te voorkomen en om de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen. 2. Alle burgers en deelnemers aan het economisch verkeer in de Unie dezelfde bescherming te verlenen, ongeacht de plaats waar de goederen de buitengrens overschrijden, zonder dat de internationale handel daarvan hinder ondervindt. 3. Te bewerkstelligen dat de communautaire dimensie meer in acht wordt genomen bij de organisatie van de diensten en bij het voorzien van de infrastructuur en de materiële middelen en te bevorderen dat de materiële middelen voor de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving gemeenschappelijk worden gebruikt. 4. De initiatieven die de Lid-Staten zouden voorstellen individueel of gezamenlijk uit te voeren ter verbetering van de algehele doeltreffendheid van de douanediensten in de uitoefening van hun taak aan te moedigen en te ondersteunen. 5. De opleiding van de ambtenaren van de douanediensten te verbeteren door het onderricht te bevorderen van materies die deze ambtenaren helpen zich aan te passen aan de ontwikkeling van hun taak en van de technologie in overeenstemming met de communautaire dimensie van hun opdracht. 6. Door passende initiatieven op het gebied van de opleiding, de bijstand en de technische samenwerking, de oprichting of de ontwikkeling van bekwame douanediensten in derde landen die de wens daartoe te kennen geven te bevorderen en, terzelfder tijd, bij te dragen aan de ontwikkeling van de buitenlandse handel van de Unie. 7. De transparantie en de doeltreffendheid van de douanewerkzaamheden te bevorderen ten gunste van het legitieme handelsverkeer, met name door het versterken van de betrekkingen tussen de douanediensten van de Unie, het bedrijfsleven, de rechterlijke macht, de wetenschap en de deelnemers aan het internationale handelsverkeer. Artikel 3 Specifieke gemeenschappelijke initiatieven 1. Met het oog op de tenuitvoerlegging van de strategie zoals bepaald in de artikelen 5 (punten 1, 3, 4, 5, en 6), 6 en 9, voorziet de Commissie in een voortgangscontrole voor specifieke sectoren van de communautaire douanewetgeving. De Commissie stelt jaarlijks in overleg met de Lid-Staten de sectoren vast. Deze taak wordt uitgevoerd door gemengde werkgroepen, bestaande uit douanedeskundigen van de Commissie en van de Lid-Staten. De aldus samengestelde groepen zullen op thematische grondslag bepaalde plaatsen aan de buitengrenzen van de Unie bezoeken. Na afloop van deze bezoeken stellen zij een verslag op waarin de werkmethoden en de eventuele moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de wetgeving op de onderscheidene bezochte plaatsen worden uiteengezet en eventueel suggesties voor verbeteringen, zowel van de communautaire wetgeving als van de werkmethoden, worden gedaan, met het doel de douane in haar geheel doelmatiger te doen functioneren. 2. Naast deze voortgangscontrole zal de Commissie, in samenwerking met de Lid-Staten: a) aanvullend onderzoek verrichten om de zienswijze van de diverse deelnemers aan het internationale handelsverkeer te kennen; b) werkgroepen oprichten en seminars organiseren teneinde na te gaan met welke middelen het functioneren van de douanediensten op gecooerdineerde wijze kan worden verbeterd. Artikel 4 De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen voor de cooerdinatie en de organisatie van de tenuitvoerlegging van dit programma op nationaal niveau en voorzien, in het bijzonder, de passende structuren en mechanismen. Artikel 5 Controles aan de buitengrenzen De Lid-Staten en de Commissie, in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 2, leden 1 tot en met 4: 1. vergewissen zich ervan dat de controles uitgevoerd aan de buitengrens het vlot verloop van de handel verzekeren, de financiële belangen van de Gemeenschap beschermen, een daadwerkelijke, doeltreffende en homogene toepassing van de communautaire wetgeving en van alle vormen van gemeenschappelijke beleid waarborgen, een gelijkwaardig niveau van bescherming bieden en toelaten na te gaan of de procedures met betrekking tot de naleving van technische normen, de veiligheid van de ingevoerde produkten en inzake de gevaarlijke produkten werden nageleefd, ongeacht de plaats waar de buitengrens wordt overschreden; 2. werken samen om gelijkwaardige resultaten te bereiken aan de buitengrens, zowel wat betreft de controle als de vereenvoudiging van de handel, om zodoende verstoringen van de mededingingsverhoudingen die kunnen leiden tot verleggen van de handelsstroom te voorkomen en om een identieke behandeling van alle deelnemers aan het economisch verkeer te waarborgen; 3. voeren voor de verwezenlijking van deze doelstellingen nieuwe werkmethoden in en voorzien in de best gepaste uitrusting en materiële middelen om de doeltreffendheid van de controles aan de buitengrens te versterken; 4. zien erop toe dat de sancties toegepast op inbreuken tegen de communautaire wetgeving doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; 5. maken ten volle gebruik van alle mogelijkheden voorzien in de communautaire wetgeving tot regeling van de administratieve samenwerking en van de overeenkomsten voor wederzijdse bijstand gesloten met derde landen; 6. maken gebruik van gepaste analyse- en evaluatiemethodes om de toepassing van de controles en procedures aan de buitengrens naar waarde te schatten; 7. gaan over tot een diepgaande bezinning over de omschrijving en de uitoefening van de bevoegdheden van de douane-ambtenaren en over de mogelijkheden voor een gecooerdineerd gebruik van de beschikbare middelen. Artikel 6 Opvolging van de toepassing van de communautaire douanewetgeving en van haar voortdurende aanpassing aan de ontwikkeling van de internationale handel 1. De Commissie zorgt in samenwerking met de Lid-Staten en in nauw overleg met de economische partners voor een permanente opvolging van de communautaire wetgeving en de procedures waarin het Communautair Douanewetboek en de toepassingsbepalingen voorzien. 2. Deze opvolging heeft ten doel te verzekeren dat de communautaire wetgeving en procedures toereikend zijn voor de bescherming van de legitieme belangen van de Unie en van haar leden, zonder daarbij de behoeften van de deelnemers aan het internationale handelsverkeer uit het oog te verliezen. 3. De Commissie en de Lid-Staten trachten door middel van de uitvoering van de gemeenschappelijke acties als omschreven in artikel 3 na te gaan welke moeilijkheden zich bij de toepassing van deze wetgeving voordoen en welke problemen een ongecooerdineerde toepassing daarvan zou kunnen veroorzaken voor de werking van de interne markt. Artikel 7 Fraudebestrijding Ter bereiking van de in artikel 2, leden 1 tot en met 3, en artikel 5, leden 2 en 4, genoemde doelstellingen zullen de Commissie en de Lid-Staten alles in het werk stellen om de beschikbare middelen voor het bestrijden van fraude en illegale handel op de meest rationele en doeltreffende wijze te gebruiken. Deze maatregelen hebben een grote reikwijdte en betreffen alle wetgeving of bepalingen die van toepassing zijn op het handelsverkeer, van welke aard ook, tussen de Gemeenschap en derde landen, met inbegrip van het verblijf en het douanevervoer van goederen in het kader van dergelijk handelsverkeer. Met het oog hierop ontwikkelen en voeren de Commissie en de Lid-Staten een beleid, op het niveau van de Gemeenschap, voor de bestrijding van de fraude op douanegebied, om rekening te houden met de ontwikkelingen die zich voordoen bij de opbouw van Europa, de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, de evolutie van de douanewerkzaamheden en andere in dit verband uit te voeren taken evenals met de noodzaak de beschikbare middelen op optimale en complementaire wijze te gebruiken. Dit beleid beoogt met name: - een maximale toepassing van de bestaande wetgeving en, indien nodig, de wijziging daarvan, - een verbetering wat het verzamelen, de analyse, de verspreiding en de exploitatie van informatie op het niveau van de Gemeenschap betreft door zoveel mogelijk gebruik te maken van systemen voor automatische gegevensverwerking, - het verwijderen van de belemmeringen voor een doeltreffend optreden en samenwerken inzake de bestrijding van de fraude, en meer bepaald wat betreft de onderzoeksbevoegdheden van de douane-ambtenaren, - de toepassing van doeltreffende sancties, - de voortzetting en ontwikkeling van gecooerdineerde acties en met name van communautaire onderzoek- of controlemissies in derde landen, - het ontwikkelen van de samenwerking met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties evenals met de betrokken kringen van het bedrijfsleven, - een meer intensief beroep, ten gunste van de gehele Gemeenschap, op het personeel van de Commissie en van de Lid-Staten in derde landen, - de financiële opvolging van onregelmatigheden. Artikel 8 Taak van de douanediensten bij de toepassing van de gemeenschappelijke beleidsmaatregelen Bij de uitoefening van hun taak nemen de diensten van de Lid-Staten en van de Commissie belast met de toepassing van de douanewetgeving alle maatregelen die noodzakelijk zijn om hun verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de bepalingen ter uitvoering van gemeenschappelijke beleidsmaatregelen, op optimale wijze waar te nemen, en meer bepaald wat betreft de controle op de toepassing van het gemeenschappelijk handelsbeleid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. De Commissie en de Lid-Staten dragen in het bijzonder zorg dat de douanediensten op doeltreffende wijze kunnen optreden met het oog op de juiste toepassing van andere communautaire bepalingen die verband houden met het toezicht aan de buitengrenzen, met name die welke betrekking hebben op de ontwikkelingssamenwerking en de bescherming van de intellectuele eigendom, het milieu, de consumenten en het cultureel erfgoed. Artikel 9 Verbetering van de werkmethoden De Commissie steunt initiatieven die erop gericht zijn de werkmethoden van de douanediensten te verbeteren. In samenwerking met de Lid-Staten moedigt zij de ontwikkeling en de toepassing van nieuwe werkmethoden aan, met name op de hierna volgende gebieden: 1. de risico-analyse, om vast te stellen of de goederen die aan douanecontrole worden onderworpen het voorwerp moeten uitmaken van een fysieke controle of van een controle van de documenten alvorens te worden vrijgegeven, 2. het beroep op de boekhoudkundige controle van ondernemingen (audit), 3. de vereenvoudigde procedures voor het brengen van goederen onder een douanebestemming en voor het aanzuiveren, 4. de gecooerdineerde ontwikkeling van het gebruik van automatische gegevensverwerking van douaneprocedures, rekening houdende met de huidige stand van de automatisering bij de nationale douanediensten en met de belangen van de deelnemers aan het economisch verkeer in de Unie evenals met de internationale ontwikkelingen op dit gebied. Artikel 10 Bevoegdheden van de douane-ambtenaren De Commissie zal, in samenwerking met de Lid-Staten, onderzoeken of de bevoegdheden waarover de douane-ambtenaren van de Lid-Staten beschikken voor de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving en de controle van de buitengrens, toereikend zijn. Artikel 11 Rationeel en gecooerdineerd gebruik van de middelen 1. Met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 3, zal de Commissie een communautaire overleg- en cooerdinatieprocedure instellen om te verzekeren dat rekening wordt gehouden met de behoeften van de interne markt en om mogelijk te maken dat de omschrijving van de behoeften en de toewijzing van de middelen tussen de Lid-Staten op optimale wijze geschiedt. 2. In het kader van deze communautaire overleg- en cooerdinatieprocedure zal de Commissie, in samenwerking met de Lid-Staten, vaststellen op welke wijze voldoende middelen voor de douanewerkzaamheden kunnen worden vrijgemaakt, met name door gebruik te maken van alle financieringsinstrumenten waarover de Gemeenschap beschikt, door het gemeenschappelijk gebruik van uitrusting, het ontplooien van gezamenlijke initiatieven en door het uitvoeren van andere regelingen of acties die noodzakelijk zouden zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit programma. 3. Om te helpen bepalen welke initiatieven genomen moeten worden zal de Commissie vergaderingen van deskundigen bijeenroepen en seminars organiseren, waarbij, indien nodig, ook de vertegenwoordigers van de betrokken kringen van het bedrijfsleven zullen betrokken worden. Artikel 12 Douanesancties en maatregelen van gelijke werking De Commissie zal in nauwe samenwerking met de Lid-Staten en in overeenstemming met de beginselen van punt 4 van artikel 5, aan de hand van de verplichtingen voortvloeiend uit het communautair douanewetboek en de toepassingsbepalingen daarvan de onregelmatigheden op douanegebied vaststellen en een vergelijkende studie verrichten naar hun omschrijving en indeling in de juridische orde van de Lid-Staten rekening houdende met de ernst van de onregelmatigheid, om te bepalen welke minimale harmonisatie noodzakelijk is om verstoringen in de behandeling van de deelnemers aan het economisch verkeer te vermijden en om op een doeltreffende wijze de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen. Artikel 13 Opleiding en technische bijstand 1. Voor de toepassing van artikel 2, lid 5, dragen de Lid-Staten zorg voor de opleiding van de douane-ambtenaren overeenkomstig de voorschriften die ter zake door de Raad zijn vastgesteld in zijn beschikking van 20 juni 1991 houdende vaststelling van het Matthaeus-programma. 2. Bij de tenuitvoerlegging van dit programma, voeren de Lid-Staten en de Commissie de noodzakelijke maatregelen uit om een daadwerkelijk gemeenschappelijke opleidingsstructuur tot stand te brengen wat betreft de onderwerpen van het communautair douanewetboek. Een bijzondere inspanning moet geleverd worden voor de opleiding gegeven aan douane-ambtenaren bij hun indiensttreding, om gemeenschappelijke lessenpakketten betreffende het geheel van de douanewetgeving en procedures voor te bereiden en voor te stellen. Specifieke acties voor permanente vorming moeten worden voorzien en georganiseerd om het personeel van de douanediensten de opleiding te geven die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak. 3. Deze opleiding wordt aangevuld met initiatieven die erop gericht zijn de douanediensten van de Unie vertrouwd te maken met verbeterde werkmethoden en technieken die door de douanediensten van derde landen zijn ontwikkeld en meer in het algemeen met een nauwere samenwerking met deze landen. Met het oog hierop en met inachtneming van de vastgestelde behoeften, kunnen op basis van wederkerigheid, uitwisselingen met ambtenaren van deze diensten en opleidingsseminars worden georganiseerd. De aan de uitwisseling van ambtenaren van de douanediensten van de Unie verbonden kosten alsmede een geval per geval te bepalen bijdrage in de kosten verbonden met de organisatie van seminars komen ten laste van de begroting van de Gemeenschap. 4. Voor de toepassing van artikel 2, lid 6, cooerdineert de Commissie de opleiding, de bijstand en de technische samenwerking van de Gemeenschap en de Lid-Staten ten behoeve van de douanediensten van derde landen, teneinde de coherentie van de communautaire maatregelen voor de opleiding, zowel extern als intern, te waarborgen. De Gemeenschap verzekert eveneens de tenuitvoerlegging van de maatregelen voor de opleiding, bijstand en technische samenwerking ten behoeve van de diensten van derde landen. In dit verband, neemt zij de kosten met betrekking tot deze maatregelen ten laste. Artikel 14 Betrekkingen met de deelnemers aan de buitenlandse handel 1. Voor de tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 7, voert de Commissie programma's uit of steunt zij initiatieven van de Lid-Staten die erop gericht zijn de betrekkingen tussen de douanediensten van de Unie en de deelnemers aan de buitenlandse handel te verbeteren en te versterken. 2. Deze programma's kunnen betrekking hebben op: - de vervaardiging, de publikatie en de verspreiding van gegevensdragers met behulp waarvan de marktdeelnemers een betere kennis van de douaneprocedures kunnen verwerven, in het bijzonder van de vereenvoudigde in- en uitklaringsprocedures die erop gericht zijn de concurrentiepositie van de communautaire economie te verbeteren; - seminars waarbij een diepgaande gedachtenwisseling tussen het bedrijfsleven en de administratie kan plaatsvinden, met name over de in artikel 2, leden 1 en 2 genoemde onderwerpen; - opleidingsprogramma's die erop gericht zijn de kennis van de communautaire wetgeving bij de diverse deelnemers aan de internationale handel te verbeteren. Artikel 15 Voortgangscontrole, evaluatie en verslagen 1. Dit programma zal voortdurend opgevolgd worden in samenwerking tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten, in de deskundigengroep van het douanebeleid (leden en plaatsvervangers), samengesteld uit de directeuren-generaal voor douane van de Commissie en van de Lid-Staten van de Europese Unie of hun vertegenwoordigers. Dit geschiedt door middel van de in lid 3 bedoelde verslagen en door specifieke maatregelen. 2. Dit programma wordt op gezette tijden door de Commissie in samenwerking met de Lid-Staten geëvalueerd. 3. De Lid-Staten doen de Commissie uiterlijk op 31 december 1997 en 31 december 2000 verslagen betreffende de uitvoering en de resultaten van dit programma toekomen. 4. De Commissie zal het Europees Parlement en de Raad: - uiterlijk op 31 december 1998 een tussentijds verslag betreffende de uitvoering van dit programma doen toekomen, - uiterlijk op 30 juni 1999 een mededeling betreffende de wenselijkheid van voortzetting van dit programma doen toekomen, in voorkomend geval vergezeld van een passend voorstel, - uiterlijk op 30 juni 2001 een eindverslag over de uitvoering van dit programma voorleggen. Dit verslag zal eveneens, ter informatie, aan het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's worden toegezonden. Artikel 16 Financiering 1. Het actieprogramma wordt gezamenlijk gefinancierd door de Gemeenschap en de Lid-Staten. De financiële enveloppe voor de uitvoering van dit programma wordt voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 2000 vastgesteld op 139 670 000 ecu. De jaarlijkse kredieten worden toegestaan door de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van de financiële perspectieven. 2. De Lid-Staten dragen bij aan de verwezenlijking van het programma. Zij financieren de kosten verbonden aan de bestuursrechtelijke organisatie en de cooerdinatie van de activiteiten voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma op hun grondgebied, en meer bepaald de kosten voortvloeiend uit artikel 4 van deze beschikking. De Lid-Staten zien, wat dit betreft, erop toe dat de krachtens artikel 2, lid 3, van het Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad (6) vastgestelde inningskosten van de eigen middelen zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de onderhavige beschikking. Artikel 17 Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 1996. Artikel 18 Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten. (1) PB nr. L 40 van 17. 2. 1993, blz. 1. (2) COM(94) 29 def. van 16. 2. 1994. (3) Resolutie 94/C 179/01 (PB nr. C 179 van 1. 7. 1994, blz. 1). (4) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1. (5) Beschikking 91/341/EEG van 20. 6. 1991 (PB nr. L 187 van 13. 7. 1991, blz. 41). (6) PB nr. L 158 van 15. 7. 1988, blz. 26.