Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51994PC0460

Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector

/* COM/94/460 def. - ACC 94/0246 */

PB C 375 van 30.12.1994, pp. 1–58 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

51994PC0460

Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector /* COM/94/460DEF - ACC 94/0246 */

Publicatieblad Nr. C 375 van 30/12/1994 blz. 0001


Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector (94/C 375/01) (Voor de EER relevante tekst) COM(94)460 def. - 94/0246(ACC)

(Door de Commissie ingediend op 8 november 1994)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113, juncto artikel 228, lid 2, eerste zin,

Gezien de onderhandelingsrichtsnoeren die in het kader van het mandaat van 20 juli 1990 aan de Commissie zijn gegeven,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende dat de Commissie namens de Gemeenschap heeft onderhandeld over de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector en over een Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen;

Overwegende dat deze Overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en bepaalde derde landen inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van de Overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De Voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de in artikel 1 bedoelde Overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden, en de persoon aan te wijzen die bevoegd is de akte van goedkeuring neder te leggen in overeenstemming met artikel 12, lid 3, van de Overeenkomst.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(a): Gegevens van 1992.

(b): Inclusief banen in scheepswerven van de voormalige Duitse Democratische Republiek.

Tabel samengesteld aan de hand van gegevens uit nationale bronnen (n.b. = niet beschikbaar).

OVEREENKOMST INZAKE NORMALE CONCURRENTIEVOORWAARDEN IN DE COMMERCIËLE SCHEEPSBOUW- EN SCHEEPSREPARATIESECTOR

INHOUDSOPGAVE

Bladzijde

Preambule . 3

Tekst van de Overeenkomst . 4

Bijlage I Steunmaatregelen die strijdig zijn met normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector . 10

Aantekeningen bij bijlage I . 12

Bijlage II Bijzondere bepalingen inzake steunmaatregelen . 16

Aantekeningen bij bijlage II . 17

Bijlage III Prijsschadeheffingen . 20

Bijlage IV Geschillenbeslechting krachtens artikel 8 . 32

PREAMBULE

De partijen bij deze Overeenkomst,

Zich bewust van het belang voor de internationale en de nationale handel van een gezonde commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector,

Gelet op de doelstellingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en overwegende de belangrijke rol die haar werkgroep van de Raad inzake scheepsbouw speelt bij de bevordering van normale concurrentievoorwaarden in de scheepsbouw, en met name haar werkzaamheden met betrekking tot de "herziene algemene regeling voor de geleidelijke opheffing van belemmeringen voor normale concurrentievoorwaarden in de scheepsbouw" (RGA), de "overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen" en de "herziene richtsnoeren voor overheidsbeleid in de scheepsbouw",

Gezien de beginselen van de internationale handel zoals deze in de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (hierna GATT 1994 genoemd) zijn uiteengezet,

Overwegende het ernstige gebrek aan structureel evenwicht en de marktontwikkelingen waardoor de internationale scheepsbouw- en scheepsreparatiesector gedurende vele jaren nadelig werd beïnvloed, de toegenomen concurrentie, de dalende prijsniveaus en de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen van de overheid;

Wensende de doorzichtigheid wat betreft de belemmeringen die normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector in de weg staan, te verbeteren en ervoor te zorgen dat de OESO het verzamelen van gegevens over en het uitoefenen van controle op de marktsituatie, prijzen en het beleid in die industrie intensiveert;

Erkennende de noodzaak zich sterker in te zetten voor het tot stand brengen van normale concurrentievoorwaarden en het voorzien in doeltreffende middelen ter bescherming tegen de verkoop van schepen onder hun normale waarde waardoor schade wordt veroorzaakt;

Eveneens erkennende dat het door bijzondere kenmerken van scheepsaankooptransacties onmogelijk is geworden om compenserende en anti-dumpingrechten toe te passen, zoals voorzien in artikel VI van GATT 1994, de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen en de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van GATT 1994;

Voorts erkennende de noodzaak te voorzien in een snelle, doelmatige en rechtvaardige oplossing van geschillen over deze aangelegenheden,

KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN:

Artikel 1

Herstel en instandhouding van normale concurrentievoorwaarden

1. Partijen heffen overeenkomstig de in bijlage II vervatte specifieke bepalingen alle bestaande maatregelen of praktijken die onverenigbaar zijn met normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector overeenkomstig bijlage I (hierna "steunmaatregelen" genoemd), op.

2. Partijen voeren geen nieuwe steunmaatregelen in.

3. Partijen erkennen dat de verkoop van handelsschepen onder hun normale waarde moet worden veroordeeld, indien daardoor aanmerkelijke schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan een gevestigde scheepsbouw- en scheepsreparatiesector op het grondgebied van een andere partij of de vestiging van een nationale scheepsbouw- en scheepsreparatiesector daardoor aanzienlijk wordt vertraagd. Teneinde dergelijke schade veroorzakende prijzen te voorkomen, is bijlage III van toepassing.

Artikel 2

Toepassingsgebied van de Overeenkomst

1. Onder deze Overeenkomst vallen de bouw en de reparatie van alle zichzelf voortstuwende zeeschepen van 100 brt en meer die worden gebruikt voor het vervoer van goederen of personen of voor het verrichten van een speciale dienst (bij voorbeeld ijsbrekers en baggerschepen) en sleepboten van 365 kW en meer.

2. Deze Overeenkomst is niet van toepassing op:

a) militaire schepen en andere schepen die uitsluitend voor militaire doeleinden zijn aangepast of waaraan elementen zijn toegevoegd. Aan deze uitsluiting is de voorwaarde verbonden dat de op dergelijke schepen toegepaste maatregelen of praktijken, aanpassingen of toevoegingen geen verkapte handelingen ten gunste van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector zijn welke onverenigbaar zijn met deze Overeenkomst. Indien een partij van mening is dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan zij, onverminderd haar rechten om de overige in deze Overeenkomst voorziene procedures in te leiden, om verdere informatie verzoeken die de andere partij zo volledig en spoedig mogelijk moet verstrekken;

b) visserschepen bestemd voor de nationale vissersvloot van de partij op het grondgebied waarvan de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector is gevestigd. Aan deze uitsluiting is de voorwaarde verbonden dat de partij instaat voor volledige doorzichtigheid overeenkomstig artikel 4.

3. In het kader van deze Overeenkomst:

a) wordt een schip als een "zichzelf voortstuwend zeeschip" beschouwd, indien zijn permanente voortstuwing en besturing het alle kenmerken van zeewaardigheid verlenen;

b) omvat "reparatie" onder meer de verbouwing en modernisering van zichzelf voortstuwende zeeschepen als bedoeld onder a);

c) zijn "militaire schepen" schepen die overeenkomstig hun fundamentele structurele kenmerken en technisch vermogen zijn bedoeld om uitsluitend voor militaire doeleinden te worden gebruikt.

Artikel 3

De partijengroep

1. Een partijengroep, samengesteld uit een vertegenwoordiger van elk van de partijen bij deze Overeenkomst, onderzoekt de werking van de Overeenkomst en verricht de overige taken waarin deze Overeenkomst voorziet.

2. De partijengroep kiest jaarlijks een voorzitter, die deze taak in zijn persoonlijke hoedanigheid vervult. De voorzitter belegt jaarlijks, of, op verzoek van een partij, veelvuldiger, bijeenkomsten van de groep. Indien het land waarvan de voorzitter onderdaan is of waarin de voorzitter zijn gewone verblijfplaats heeft of is tewerkgesteld, een belanghebbende partij bij een procedure van advies of afwijking dan wel van geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 5 of artikel 8 is, kiest de partijengroep, op verzoek van een partij, een plaatsvervangend voorzitter om de met deze procedures verband houdende taken van voorzitter te vervullen.

3. De partijengroep besluit met eenstemmigheid, behalve indien anders bepaald. Een partij kan zich afzijdig houden en uiting geven aan een afwijkend standpunt zonder de eenstemmigheid in de weg te staan.

4. Het secretariaat-generaal van de OESO neemt het secretariaat voor de partijengroep op zich; de kosten hiervoor komen voor rekening van partijen en worden door de partijengroep goedgekeurd en omgeslagen.

Artikel 4

Het verstrekken en onderzoeken van informatie

1. Met het oog op doorzichtigheid verstrekt iedere partij via het secretariaat aan de partijengroep:

a) elk halfjaar alle niet-vertrouwelijke informatie over de prijsontwikkelingen van contracten en de kredietvoorwaarden voor alle onder deze Overeenkomst vallende schepen die in de voorgaande zes maanden werden verkocht;

b) zo vroeg mogelijk relevante informatie over steun die zij van plan is speciaal aan de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector te verlenen, inclusief relevante informatie over steun die niet is verboden bij bijlage I, deel B, onderdeel 1, onder h), van deze Overeenkomst, en onmiddellijke aanvullende informatie over aldus verleende steun en krachtens bijlage II A verleende steun;

c) informatie en kennisgevingen betreffende kredietvoorwaarden en -faciliteiten waarom de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen, als bedoeld in bijlage I, deel A, onderdeel 1, vraagt en dienovereenkomstige informatie en kennisgevingen betreffende bij bijlage I, deel B, onderdeel 2, punt 2, toegestade binnenlandse kredietstelsels;

d) voor scheepswerven die koopvaardijschepen van meer dan 5 000 brt kunnen bouwen, niet-vertrouwelijke informatie over capaciteitsontwikkelingen en de eigendomsstructuur (vermogenstructuur, percentage direct en indirect overheidsbezit), financiële jaarrekeningen (balans, winst- en verliesrekening), inclusief, indien voorhanden, afzonderlijke rekeningen betreffende de scheepsbouwactiviteiten van holdingmaatschappijen, de overdracht van openbare middelen (inclusief schuldgaranties, emissie van obligaties enz.), ontheffingen van financiële of andere verplichtingen (inclusief belastingvoorrechten enz.), kapitaalinbreng (inclusief de inbreng van eigen vermogen, de opneming van kapitaal, winst, leningen en de terugbetaling daarvan enz.), de afschrijving van schulden en de overdracht van verliezen.

2. Elke partij kan elke andere partij hetzij direct hetzij via het secretariaat om informatie verzoeken die zij van belang acht voor het verlenen van steunmaatregelen en kan aan de partijengroep informatie verstrekken over door een andere partij gehandhaafde of toegestane steunmaatregelen.

3. De partijengroep stelt om de drie jaar een diepgaand onderzoek in naar de op het grondgebied van elke partij bestaande concurrentievoorwaarden. Zulks zal mede het onderzoek omvatten naar de eventuele uitwerking op normale concurrentievoorwaarden van wijzigingen op het gebied van het eigendom van scheepswerven. Het secretariaat kan partijen verzoeken om de voor dit onderzoek benodigde informatie.

4. Elke partij verleent haar volledige medewerking teneinde krachtens deze Overeenkomst gevraagde informatie te verwerven.

5. Het bepaalde in dit artikel verplicht partijen niet vertrouwelijke informatie te verstrekken die een beletsel vormt voor de rechtshandhaving of anderszins in strijd is met het openbaar belang of schadelijk is voor de legitieme handelsbelangen van bepaalde overheids- of particuliere ondernemingen. Informatie die als vertrouwelijk werd verstrekt, mag niet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de de informatie verstrekkende partij worden bekendgemaakt.

Artikel 5

Adviezen en afwijkingen

1. Elke partij kan erom verzoeken dat de partijengroep een schriftelijk advies uitbrengt over de verenigbaarheid met deze Overeenkomst van maatregelen of praktijken (1).

a) die zij voorstelt of heeft genomen of bezigt of

b) die door een andere partij zijn genomen of worden gebezigd.

De partijengroep brengt dit advies binnen 60 dagen na de indiening van het verzoek uit.

2. Een met eenstemmigheid van alle leden van de partijengroep genomen advies is definitief en voor alle partijen bindend wat betreft die bepaalde maatregel of praktijk.

3. Indien er ten aanzien van een krachtens lid 1, onder b), ingewonnen advies bezwaar wordt gemaakt door een verzoekende partij of door de partij waarvan de maatregel of praktijk het voorwerp van het advies vormt, richt de partijengroep zich naar de consensus van de andere partijen. Een aldus uitgebracht advies heeft een raadgevend karakter.

4. Het door een partij inleiden van een adviesprocedure laat het recht van elke partij om krachtens artikel 8 stappen te doen tot de samenstelling van een panel onverlet. Indien een betwiste maatregel of praktijk aan het panel wordt voorgelegd, vinden de adviesprocedures een eind op een binnen 14 dagen na het verzoek om samenstelling van het panel of het verzoek om advies, ingediend verzoek van een partij bij het geschil gericht aan de partijengroep.

5. Een partij die meent dat zij in verband met buitengewone omstandigheden tijdelijk een maatregel moet nemen of een praktijk moet bezigen die onverenigbaar is met deze Overeenkomst, kan zulks slechts doen overeenkomstig de voorwaarden van een door de partijengroep toegekende afwijking. In kritieke omstandigheden die geen tijd laten voor een voorafgaand onderzoek door de partijengroep kunnen voorlopige maatregelen worden genomen, mits deze maatregelen op zijn laatst 30 dagen na hun begin worden opgeheven en alle aldus verkregen voordelen worden ingetrokken, tenzij voortzetting van een en ander door de partijengroep die in deze periode bijeenkomt, wordt goedgekeurd.

Artikel 6

Kennisgeving van onverenigbare maatregelen

Wanneer een partij reden heeft om aan te nemen dat een maatregel of praktijk in strijd met artikel 1, lid 1 of lid 2, door een andere partij werd ingevoerd of wordt gehandhaafd, stelt deze partij de partijengroep daarvan op de hoogte, waarbij zij het deel of de delen van de bijlagen I en II aangeeft waarmee zij de maatregel of praktijk onverenigbaar acht.

Artikel 7

Overleg

1. Een partij die redenen heeft om aan te nemen dat een steunmaatregel door een andere partij in strijd met artikel 1, lid 1 of lid 2, is of wordt ingevoerd of in stand gehouden, kan om overleg met die andere partij verzoeken. Dit verzoek omvat een opgave van de beschikbare gegevens met betrekking tot het bestaan en de aard van de betrokken steunmaatregel.

2. Een partij die van oordeel is dat een andere partij ten aanzien van een scheepsbouwer op zijn grondgebied een prijsschadeprocedure heeft toegepast op een wijze die niet met artikel 1, lid 3, en bijlage III, in overeenstemming is, kan binnen 60 dagen nadat de scheepsbouwer van het besluit tot oplegging van de prijsschadeheffing in kennis werd gesteld om overleg met die andere partij verzoeken.

3. Een partij kan om overleg met een andere partij of andere partijen verzoeken betreffende elke andere aangelegenheid in verband met de werking van deze Overeenkomst, met inbegrip van de eventuele inleiding van een procedure op grond van bijlage III.

4. De partij die om overleg verzoekt, stelt de partijengroep in kennis van dit verzoek en de redenen ervan.

5. De partij waaraan het verzoek om overleg is gericht, geeft voldoende gelegenheid tot overleg dat binnen 30 dagen na het verzoek wordt geopend. Dit overleg heeft ten doel tot opheldering van de feitelijke situatie te komen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing die met deze Overeenkomst in overeenstemming is.

6. De partijen bij het overleg stellen de partijengroep in kennis van aanmerkelijke ontwikkelingen in het overleg naarmate deze zich voordoen, en van de resultaten van het overleg.

Artikel 8

Panels voor geschillenbeslechting

1. Wordt tijdens het in artikel 7, lid 1, bedoelde overleg over een ingevoerde steunmaatregel of tijdens het in artikel 7, lid 2, bedoelde overleg over een opgelegde heffing binnen 30 dagen na het begin van het overleg of binnen 60 dagen na de datum van het verzoek, indien dit eerder is, geen oplossing gevonden die voor beide partijen aanvaardbaar is, dan kan elke partij bij het overleg om de instelling van een panel verzoeken om het geschil, in overeenstemming met bijlage IV, te onderzoeken. Dit recht is onafhankelijk van het feit of een betrokken scheepsbouwer bij de rechterlijke instanties van een partij in beroep is gegaan.

2. Een partij die de situatie wenst te verhelpen die door de schending van haar verplichtingen door een andere partij ontstaat, doet een beroep op en houdt zich aan de regels en procedures van deze Overeenkomst, zulks met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en van bijlage IV bij deze Overeenkomst. In dit geval gaat de partij uitsluitend tot vaststelling van de schending van verplichtingen door de andere partij over met inachtneming van bovenstaande bepalingen. Iedere partij ziet erop toe dat haar wetten, voorschriften en administratieve procedures met haar verplichtingen op grond van dit lid in overeenstemming zijn.

3. Indien een partij bij een geschil een scheepsbouwer een heffing wenst op te leggen of betwist dat haar scheepsbouwer een prijsschadeheffing wordt opgelegd, dan is deze scheepsbouwer, met de toestemming van zijn partij, gerechtigd aan de procedures van het panel deel te nemen en krijgt hij ruimschoots gelegenheid zijn argumenten tegen de oplegging van de heffing naar voren te brengen. De scheepsbouwer kan bij overeenkomst tussen de partijen bij het geschil worden uitgesloten van die aspecten van de procedure die op het overleg tussen de betrokken overheden betrekking hebben.

4. Elke andere partij bij deze Overeenkomst met een belang bij het geschil krijgt gelegenheid om zijn standpunt inzake het geschil aan het panel mede te delen.

5. Indien het geschil betrekking heeft op een in bijlage I genoemde steunmaatregel, bepaalt het panel of deze steunmaatregel met deze Overeenkomst in strijd is, dan:

a) maakt de partij die voor de steunmaatregel verantwoordelijk is daaraan een einde of wijzigt zij deze steunmaatregel zodat ze met de Overeenkomst in overeenstemming is binnen de door het panel gestelde termijn;

b) stelt het panel in zijn bevindingen vast:

i) welke scheepsbouwers voordeel hadden bij de steunmaatregel,

ii) de omvang van het voordeel dat elke betrokken scheepsbouwer ten gevolge van de steunmaatregel heeft verkregen, en

iii) de rente van het voordeel tegen de commerciële referentierentevoet ("CIRR") van het betrokken land vanaf de datum van ontvangst van het voordeel.

Voor subsidies in de zin van artikel 1 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen wordt het voordeel vastgesteld overeenkomstig artikel 14 van die overeenkomst. Voor andere maatregelen volgt het panel de algemeen aanvaarde handelspraktijken en/of -afspraken;

c) gaat de verantwoordelijke partij binnen de door het panel gestelde termijn over tot invordering van de heffing ten belope van het overeenkomstig letter b) vastgestelde bedrag bij de betrokken scheepsbouwer of, indien deze invordering wettelijk niet mogelijk is, kan deze partij, met de toestemming van de benadeelde partij of partijen andere passende maatregelen nemen om de verkregen voordelen teniet te doen of te compenseren.

6. Indien het geschil op een prijsschadeheffing betrekking heeft, onderzoekt het panel of de heffing in overeenstemming met bijlage III is opgelegd.

a) Bij de beoordeling van de feitelijke situatie bepaalt het panel of de feiten door de autoriteiten correct zijn vastgesteld en of hun beoordeling van de feiten onpartijdig en objectief was. Indien de feiten correct zijn vastgesteld en de beoordeling onpartijdig en objectief was, wordt deze beoordeling niet teniet gedaan, zelfs niet indien het panel tot een andere conclusie is gekomen.

b) Het panel interpreteert de Overeenkomst overeenkomstig de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationale publiekrecht. Komt het panel tot de conclusie dat een bepaling van de Overeenkomst voor meer dan een toegestane uitlegging vatbaar is, dan oordeelt het panel dat de maatregel van de autoriteiten niet met de Overeenkomst in strijd is indien deze op een toegestane uitlegging (2) is gebaseerd.

c) Komt het panel tot de conclusie dat de oplegging van een heffing niet met de Overeenkomst verenigbaar was, dan kan het panel, gelet op de aard van de onverenigbaarheid, aanbevelen dat de met het onderzoek belaste autoriteiten het onderzoek beëindigen of dat deze hun vaststellingen opnieuw, in het licht van de bevindingen van het panel, in overweging nemen. Indien het panel de aanbeveling doet dat de vaststellingen opnieuw in overweging worden genomen, kan het voorstellen doen ten aanzien van de wijze van uitvoering van de aanbeveling door de met het onderzoek belaste autoriteiten. De met het onderzoek belaste autoriteiten brengen hun vaststellingen met de bevindingen van het panel in overeenstemming.

7. Indien het gevraagde bedrag niet binnen de door het panel gestelde termijn wordt betaald, dan is rente verschuldigd tegen de CIRR van de valuta van de heffing, vanaf het verstrijken van de termijn in het lid 5 bedoelde geval, en vanaf het verstrijken van de in bijlage III, artikel 7, lid 3, bedoelde betalingstermijn in het in lid 6 bedoelde geval, tot de datum van betaling.

8. De besluiten van het panel zijn definitief en verbindend voor partijen bij het geschil, tenzij ze door de partijengroep binnen 30 dagen worden verworpen.

9. Bij een geschil over een in bijlage I bedoelde steunmaatregel, wanneer een partij bij het geschil de in lid 5, onder a) en c), bedoelde besluiten van het panel niet uitvoert of met de benadeelde partij of partijen geen overeenstemming bereikt over passende alternatieve compensatie- of herstelmaatregelen, kunnen, tot de uitvoering van deze besluiten of alternatieve maatregelen, de volgende maatregelen worden genomen waartegen op grond van enige andere overeenkomst geen klacht kan worden ingediend:

a) De partijengroep kan bij "consensus min één" besluiten dat de scheepsbouwers die voordeel hebben verkregen, maar die de heffing niet hebben betaald of die de overeengekomen alternatieve compensatie- of herstelmaatregelen niet hebben uitgevoerd, van de voordelen van artikel 1, lid 3, en bijlage III worden uitgesloten. Deze scheepsbouwers kunnen dan niet beschouwd worden als zijnde geschaad door de prijzen van vaartuigen die door scheepsbouwers van andere partijen zijn verkocht.

b) De benadeelde partij of partijen bij het geschil mogen gelijkwaardige concessies op grond van de GATT schorsen, tenzij de omvang van de geschorste concessies door de partijengroep bij "consensus min één" wordt afgekeurd. Bij de vaststelling van dergelijke schorsingen wordt de voorkeur gegeven aan die welke verband houden met het produkt of de produkten waarop de schending betrekking heeft. Indien een betrokken partij bezwaar maakt tegen de omvang van de voorgestelde schorsing van concessies of het produkt dat met de voorgestelde schorsing verband houdt, kan zij de kwestie aan het panel voorleggen.

10. Indien de betrokken scheepsbouwer binnen de gestelde termijn (3), de ingevolge bijlage III ingestelde heffing niet betaalt, de verkoop van het vaartuig onder de normale waarde niet ongedaan maakt of geen andere wettige alternatieve en gelijkwaardige herstelmaatregelen neemt die voor de met het onderzoek belaste autoriteiten aanvaardbaar zijn, dan kan de partij die het onderzoek verricht, besluiten geen ladings- en lossingsprivileges toe te staan van bepaalde door de betrokken scheepsbouwer gebouwde vaartuigen, doch zij mag daarbij niet verder gaan dan nodig is om het doel van bijlage III te bereiken. Tegen het niet toestaan van ladings- en lossingsprivileges kan uit hoofde van enige andere overeenkomst geen klacht worden ingediend.

a) De partij die het onderzoek verricht, kan deze tegenmaatregel instellen, mits zij dit 30 dagen van tevoren openbaar maakt, totdat de scheepsbouwer aan zijn verplichtingen voldoet, voor een periode van ten hoogste vier jaar na oplevering voor schepen ten aanzien waarvan gedurende een periode van ten hoogste vier jaar na afloop van de openbaarmakingstermijn een contract is gesloten.

b) Een partij bij een geschil kan om de instelling van een panel verzoeken om tegenmaatregelen te onderzoeken, voor zover er niet reeds een panel aanwezig is om de desbetreffende prijsschadevaststelling te onderzoeken:

i) Een panel verlengt of verkort de termijnen en/of geeft bijkomende partijen toestemming de tegenmaatregel toe te passen, voor zover deze niet verder gaan dan nodig is om het doel van bijlage III te bereiken.

ii) Overeenkomstig bijlage IV, afdeling 11, kan een panel de instelling van een tegenmaatregel tijdelijk schorsen of afzwakken, in afwachting van de voltooiing van het onderzoek van de kwestie indien dit, gezien de vooruitzichten van de partij die over de tegenmaatregel klaagt, over de grond van de zaak, nodig is om onherstelbare schade te voorkomen.

c) Het secretariaat stelt de lijst van vaartuigen op waarop tegen- of herstelmaatregelen van toepassing zijn, werkt deze regelmatig bij en doet ze aan partijen toekomen. Partijen verstrekken het secretariaat gegevens over de betrokken vaartuigen.

Artikel 9

Geschillenbeslechting voor exportkredieten

1. Bij elk geschil over de in bijlage I, deel A, onderdeel 1, bedoelde steunmaatregelen maken die partijen onbeperkt gebruik van de overlegmechanismen waarin het in bijlage I genoemde Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen voorziet.

2. Wordt een dergelijk geschil echter niet volledig opgelost door middel van het onbeperkte gebruik van de overlegmechanismen en is een partij bij het geschil van oordeel dat een hier bedoelde steunmaatregel het evenwicht tussen rechten en plichten op grond van deze Overeenkomst aanmerkelijk verstoort, dan kan deze partij de kwestie aan de partijengroep voorleggen, opdat deze vaststelt of de steunmaatregel het evenwicht tussen rechten en plichten op grond van deze Overeenkomst aanmerkelijk verstoort. Is de partijengroep van oordeel dat dit inderdaad het geval is, dan stelt zij vast onder welke voorwaarden de inbreukmakende partij een einde maakt aan de steunmaatregel die tot het geschil aanleiding heeft gegeven.

3. Indien gepast kan de partijengroep een wijziging van de Overeenkomst of van het Memorandum aanbevelen.

Artikel 10

Staatsveiligheid

1. Op voorwaarde dat de maatregelen of praktijken in verband met de staatsveiligheid geen verkapte maatregelen zijn ten gunste van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector die met de Overeenkomst in strijd zijn, wordt geen enkele bepaling van deze Overeenkomst zodanig uitgelegd dat zij:

a) een partij verplicht gegevens te verstrekken waarvan bekendmaking naar haar oordeel tegen haar wezenlijke veiligheidsbelangen indruist;

b) een partij belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die

i) betrekking hebben op splijtstoffen of grondstoffen waarvan deze kunnen worden vervaardigd;

ii) betrekking hebben op de handel in wapens, munitie en oorlogstuig en de handel in andere goederen en materialen die rechtstreeks of onrechtstreeks de bevoorrading van militaire installaties ten doel hebben;

iii) in tijden van oorlog of van ernstige internationale spanningen worden genomen, of

c) een partij belet maatregelen te nemen tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.

2. Indien een partij van oordeel is dat maatregelen of praktijken van een andere partij verkapte maatregelen zijn ten gunste van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector, kan zij, onverminderd haar rechten om op grond van deze Overeenkomst andere procedures in te leiden, om nadere inlichtingen verzoeken. De andere partij neemt deel aan de besprekingen of een maatregel of praktijk op wezenlijke veiligheidsbelangen betrekking heeft en verstrekt zo spoedig mogelijk zo volledig mogelijke inlichtingen via de daartoe geëigende overheidsinstanties.

Artikel 11

Herziening en wijziging van de Overeenkomst

1. De partijengroep onderwerpt deze Overeenkomst om de drie jaar aan een nieuw onderzoek. Zij onderwerpt deze Overeenkomst eveneens aan een nieuw onderzoek indien het aandeel in de wereldproduktie van partijen bij de Overeenkomst, in brutoton uitgedrukt, tot onder de 70 % daalt.

2. Elke partij kan de partijengroep voorstellen tot wijziging van deze Overeenkomst voorleggen. Elke wijziging die door de partijengroep wordt goedgekeurd, treedt in werking bij neerlegging van de akte van aanvaarding door alle partijen of op een later tijdstip dat door de partijengroep bij de goedkeuring van de wijzigingen kan worden vastgesteld.

Artikel 12

Ondertekening, ratificatie, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1. Tot de inwerkingtreding ligt deze Overeenkomst bij de OESO open voor ondertekening door de Europese Gemeenschap, Finland, Japan, de Republiek Korea, Noorwegen, de Verenigde Staten van Amerika en Zweden en door elke door hen uitgenodigde Staat die over een commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector beschikt. Deze Overeenkomst moet worden geratificeerd, aanvaard of goedgekeurd, welk doel de ondertekenaars vóór 1 januari 1996 zullen trachten te bereiken.

2. Na de inwerkingtreding kunnen Staten die over een commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector beschikken partij bij deze Overeenkomst worden, onder voorbehoud van de goedkeuring door de partijengroep.

3. Ratificatie, aanvaarding, goedkeuring en toetreding vinden plaats door middel van de neerlegging van een formele akte bij de depositaris.

Artikel 13

Inwerkingtreding

1. Deze Overeenkomst, waarvan de bijlagen een integrerend onderdeel vormen, treedt, na neerlegging van de akten van ratificatie, aanvaarding of goedkeuring door de Europese Gemeenschap, Finland, Japan, de Republiek Korea, Noorwegen, de Verenigde Staten van Amerika en Zweden (4), overeenkomstig artikel 12, op 1 januari 1996 in werking. Indien een of meer van hen een dergelijke akte niet uiterlijk op die datum hebben neergelegd, treedt de Overeenkomst in werking 30 dagen nadat de laatste akte is neergelegd.

2. Partijen aanvaarden het in bijlage I, deel A, punt 1, van deze Overeenkomst genoemde Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen.

Artikel 14

Opzegging

Elke partij kan deze Overeenkomst door middel van een schriftelijke mededeling aan de depositaris opzeggen. Deze opzegging wordt één jaar na ontvangst van de mededeling van kracht. Binnen deze termijn komt de partijengroep, op verzoek van een van de partijen, bijeen om de Overeenkomst aan een onderzoek te onderwerpen. Binnen 30 dagen na een dergelijke bijeenkomst van de partijengroep kan elke andere partij, door middel van een schriftelijke mededeling aan de depositaris, deze Overeenkomst opzeggen met ingang van de datum die geldt voor de partij die de Overeenkomst het eerst heeft opgezegd.

Artikel 15

Depositaris

De Secretaris-generaal van de OESO is de depositaris van deze Overeenkomst.

(1) "Maatregelen en praktijken" omvatten de materie die in artikel 1, leden 1, 2 en 3, aan de orde komt.

(2) Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder "toegestane uitlegging" verstaan "toegestane wijze van uitvoering". Om vast te stellen of een wijze van uitvoering is toegestaan, worden de speciale kenmerken van de commerciële scheepsbouw en de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende schade veroorzakende prijzen, waaronder met name die betreffende de betaling van een prijsschadeheffing door de betrokken scheepsbouwer, in aanmerking genomen. Komt het panel tot de conclusie dat de relevante bepaling van deze Overeenkomst betreffende schade veroorzakende prijzen voor meer dan een toegestane wijze van uitvoering vatbaar is, dan tracht de partijengroep, om geschillen te voorkomen, het eens te worden over een uniforme wijze van uitvoering. Zij kan de desbetreffende bepaling zo nodig wijzigen.

(3) Voor een heffing die een panel voor onderzoek is voorgelegd, is de termijn de door het panel vastgestelde termijn waarbinnen aan de verplichtingen moet worden voldaan.

(4) Indien Finland, Noorwegen en Zweden lid worden van de Europese Gemeenschap, treedt de Overeenkomst in werking bij hun toetreding tot de Europese Gemeenschap zonder dat deze landen deze behoeven te ratificeren. Deze landen krijgen dezelfde status ten aanzien van deze Overeenkomst als die van enige andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap voordat deze toetrad.

BIJLAGE I

STEUNMAATREGELEN DIE STRIJDIG ZIJN MET NORMALE CONCURRENTIEVOORWAARDEN IN DE COMMERCIËLE SCHEEPSBOUW- EN SCHEEPSREPARATIESECTOR

De volgende steunmaatregelen (1) zijn strijdig met normale concurrentievoorwaarden indien zij door een partij, met inbegrip van de deelstaten of de regionale of plaatselijke overheden van een partij of de instanties van een partij, of door middel van openbare middelen of overheidsinterventie in de een of andere vorm, rechtstreeks of onrechtstreeks, specifiek (2) ten behoeve van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector worden verleend.

A. EXPORTSUBSIDIES

1. Door de overheid gesteunde exportkredieten (3)

Exportkredietfaciliteiten die in strijd zijn met de bepalingen van het in document C/WP6(94) 6 opgenomen Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor scheepen en wijzigingen daarop die overeenkomstig clausule 14 van het Memorandum zijn goedgekeurd.

2. Exportsubsidies

Subsidies die, rechtens of feitelijk (4), uitsluitend of onder meer, afhankelijk zijn van exportprestaties, met inbegrip van die welke in de aantekening 8 bij deze bijlage zijn opgesomd (5).

B. BINNENLANDSE STEUN (6)

1. Directe binnenlandse steun

De volgende steunmaatregelen zijn met deze Overeenkomst in strijd wanneer ze rechtstreeks aan scheepsbouw- of scheepsreparatiebedrijven worden verleend:

a) giften;

b) kredieten op gunstigere voorwaarden dan die van vergelijkbare handelskredieten die het bedrijf daadwerkelijk op de markt kan verkrijgen;

c) kredietgaranties waardoor kredieten op gunstiger voorwaarden kunnen worden verkregen dan het geval zou zijn bij vergelijkbare handelskredieten zonder overheidsgarantie of op voorwaarden die gunstiger zijn dan anderszins op grond van deze Overeenkomst is toegestaan;

d) kwijtschelding van schulden;

e) inbreng van kapitaal die niet met de gewone handelspraktijken (met inbegrip voor de verschaffing van risicokapitaal) van particuliere investeerders op het grondgebied van die partij overeenstemt;

f) de levering van goederen en het verlenen van diensten tegen minder dan een toereikende beloning;

g) een fiscale politiek en fiscale praktijken ten voordele van de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector, zoals belastingkredieten;

h) andere steun met uitzondering van

i) steun om de kosten te dekken van maatregelen die uitsluitend ten gunste van werknemers worden genomen die pensioenrechten verliezen, die ontslagen worden of die definitief van werk in het betrokken scheepsbouwbedrijf worden uitgesloten, wanneer een dergelijke steun verband houdt met de opheffing of inkrimping van scheepswerven, faillissementen of het overschakelen op andere activiteiten dan de scheepsbouw, en

ii) steun voor onderzoek en ontwikkeling die overeenkomstig het bepaalde in afdeling B, onderdeel 3, wordt verleend.

2. Indirecte binnenlandse steun (7)

1. De volgende steunmaatregelen zijn met deze Overeenkomst in strijd wanneer het voordeel indirect via een reder of andere derde partij aan een scheepsbouw- of scheepsreparatiebedrijf wordt doorgegeven of wanneer redelijkerwijze verwacht kan worden dat dit zal gebeuren (8). Het is strijdig met deze Overeenkomst indien rechtens of in feite wordt geëist dat schepen in het binnenland worden gebouwd.

a) giften;

b) kredieten en kredietgaranties:

i) binnenlandse kredieten die gerelateerd zijn aan de contractwaarde van een nieuw vaartuig en die aan een binnenlandse reder of andere derde partij in het binnenland die voor een dergelijk vaartuig orders plaatst, op gunstiger voorwaarden worden verleend dan die van een vergelijkbaar handelskrediet dat een bedrijf daadwerkelijk op de markt kan verkrijgen, onder voorbehoud van de punten 2 en 3;

ii) andere kredieten, op gunstigere voorwaarden dan die van vergelijkbare handelskredieten die een bedrijf daadwerkelijk op de markt kan verkrijgen;

iii) kredietgaranties waardoor kredieten op gunstiger voorwaarden kunnen worden verkregen dan het geval zou zijn bij vergelijkbare handelskredieten zonder overheidsgarantie of op voorwaarden die gunstiger zijn dan anderszins op grond van deze Overeenkomst is toegestaan;

c) kwijtschelding van schulden;

d) een fiscale politiek en fiscale praktijken ten voordele van de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector, zoals belastingkredieten;

e) steun aan bedrijven die goederen leveren en diensten verlenen aan de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector, indien deze steun specifiek die sector van een land ten goede komt, of

f) indirecte steun die vergelijkbaar is met de onder a) tot en met e) genoemde praktijken, behalve steun voor onderzoek en ontwikkeling die in afdeling 3 wordt behandeld.

2. Punt 1, letter b), onder i) en iii), is niet van toepassing op kredieten en kredietgaranties ten behoeve van binnenlandse kopers, waarvan de voorwaarden dezelfde zijn als die welke ingevolge het memorandum van overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen (document C/WP6(94)6) kunnen worden toegekend, met inbegrip van, onder meer, de voorwaarden met betrekking tot rentevoet, aanbetaling, aflossingsvrije periode, looptijd, afbetaling en garantiepremies. Verlening van dergelijke kredieten en kredietgaranties kan tot de aankoop van schepen bij binnenlandse scheepswerven worden beperkt.

3. Overeenkomstig de door de werkgroep van de raad overeen te komen voorwaarden, is het bepaalde in punt 1, letter b), onder i) en iii), evenmin van toepassing op kredieten en kredietgaranties:

a) die gunstigere voorwaarden inhouden wanneer een binnenlandse reder een order voor een nieuw vaartuig bij een buitenlandse scheepswerf plaatst dan wanneer hij een order bij een binnenlandse scheepswerf plaatst, of

b) waarvan de verlening van de uitschrijving van internationale aanbestedingen afhankelijk is gemaakt;

c) die concessionele elementen bevatten waarvan het niveau niet hoger is dan dat van de kredieten die volgens punt 2 zijn toegestaan.

3. Onderzoek en ontwikkeling (9)

1. Overheidssteun aan scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven in de vorm van giften, preferentiële leningen, belastingvoordelen of andere middelen voor onderzoek en ontwikkeling, met uitzondering van:

a) fundamenteel onderzoek als in aantekening 5, onder b), omschreven;

b) industrieel basisonderzoek, wanneer de hoogte van de steun niet meer bedraagt dan 50 % van de in aanmerking komende kosten;

c) toegepast onderzoek, wanneer de hoogte van de steun niet meer bedraagt dan 35 % van de in aanmerking komende kosten;

d) ontwikkeling, wanneer de hoogte van de steun niet meer bedraagt dan 25 % van de in aanmerking komende kosten.

2. De maximaal toelaatbare steun voor onderzoek en ontwikkeling in verband met veiligheid en milieu mag 25 procentpunten hoger zijn dan de onder b), c) en d) genoemde cijfers, op voorwaarde dat de partijengroep het project bij "consensus min één" heeft goedgekeurd, of meer dan 25 procentpunten hoger indien de partijengroep het project bij consensus heeft goedgekeurd.

3. De maximaal toelaatbare steun voor onderzoek en ontwikkeling dat door kleine en middelgrote scheepsbouwbedrijven wordt uitgevoerd, is 20 procentpunten hoger dan de onder b), c) en d) genoemde cijfers. Kleine en middelgrote bedrijven zijn bedrijven met minder dan 300 werknemers, met een jaaromzet van niet meer dan 20 miljoen ecu en die voor niet meer dan 25 % eigendom van een grote onderneming zijn.

C. OFFICIËLE REGELGEVING EN PRAKTIJKEN

1. Administratieve besluiten, richtlijnen en praktijken die aan scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven toestemming verlenen, hen aanmoedigen of hen zelfs verplichten met concurrenten concurrentiebeperkende regelingen aan te gaan, waaronder overeenkomsten over prijsstelling, schijnoffertes, marktverdeling, produktie- of verkoopbeperking, of om oneerlijke praktijken toe te passen (10).

2. Eisen inzake "binnenlandse inbreng" bij scheepsbouw- en scheepsreparatiewerkzaamheden ten gunste van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven van de partij, of officiële voorschriften of praktijken van soortgelijke werking, waaronder ladingreserveringsregelingen die rechtstreeks verband houden met eisen inzake scheepsbouw of scheepsreparatie in het binnenland (11).

Aantekeningen bij bijlage I

1. Aantekening 1: De disciplines in deze bijlage hebben ook betrekking op steunmaatregelen aan gelieerde personen of bedrijven. Onder "gelieerd persoon of bedrijf" wordt een natuurlijke persoon of een rechtspersoon verstaan

i) die een scheepsbouwbedrijf bezit of daarover zeggenschap heeft, of

ii) die eigendom is van een scheepsbouwbedrijf of waarover een scheepsbouwbedrijf zeggenschap heeft, of dit nu rechtstreeks of onrechtstreeks is en of dit nu door middel van het bezit van aandelen of op andere wijze is.

Er is sprake van een weerlegbaar vermoeden van zeggenschap indien een persoon 25 % van een scheepsbouwbedrijf in eigendom heeft of daarover zeggenschap heeft, of vice versa.

2. Aantekening 2: Afdeling B is niet van toepassing op de in afdeling A bedoelde steunmaatregelen.

3. Aantekening 3: AFDELINGEN A, ONDERDEEL 1, EN B, ONDERDEEL 2

Transparantie en herziening van exportkredietregelingen en interne kredietregelingen

Binnen twee jaar na de inwerktreding van deze Overeenkomst richt de partijengroep een werkgroep op om de werking van afdelingen A, onderdeel 1, en B, onderdeel 2, punt 2, te bezien. Deze groep

i) onderzoekt de verslagen die jaarlijks worden ingediend over de waarde, tonnage, rentevoeten enz. met betrekking tot alle schepen die door middel van door de overheid gesteunde exportkredietregelingen en interne kredietregelingen zijn gefinancierd, en

ii) onderzoekt of de in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde kennisgevingsprocedures aan hun doel beantwoorden door de maatregelen of praktijken aan het licht te brengen die met de Overeenkomst strijdig zijn.

De werkgroep onderzoekt of deze maatregelen het evenwicht tussen rechten en plichten op grond van deze Overeenkomst aanmerkelijk hebben verstoord. Indien dit zo is, kan de werkgroep die partijengroep aanbevelen in de Overeenkomst of het Memorandum de nodige wijzigingen aan te brengen.

4. Aantekening 4: AFDELING B, ONDERDEEL 2

Een steunmaatregel wordt geacht via een reder of een andere derde partij ten gunste van een scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijf te worden verleend indien het voordeel, bij voorbeeld, aan het scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijf wordt doorgegeven of wanneer redelijkerwijze verwacht kan worden dat het voordeel aan dit bedrijf zal worden doorgegeven of wanneer het wettelijk verplicht is dat de werkzaamheden op de werven van een bepaald land worden uitgevoerd of wanneer dit in feite wordt gestimuleerd.

5. Aantekening 5: AFDELING B, ONDERDEEL 3

De volgende definities zijn van toepassing op onderzoek en ontwikkeling:

a) In aanmerking komende kosten:

i) kosten van apparatuur, materiaal, land en gebouwen, voor zover deze voor het welbepaalde onderzoek- en ontwikkelingsproject worden gebruikt;

ii) kosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel, voor zover dezen zich met het welbepaalde onderzoek- en ontwikkelingsproject bezighouden;

iii) adviesdiensten en gelijkwaardige diensten, met inbegrip van aangekocht onderzoek, technische kennis, octrooien enz.;

iv) algemene kosten (infrastructuur en ondersteunende diensten), voor zover zij verband houden met het onderzoek- en ontwikkelingsproject en ze niet hoger zijn dan 45 % van de totale kosten van het project voor industrieel basisonderzoek. Dit cijfer is 20 % in geval van projecten voor toegepast onderzoek en 10 % voor ontwikkelingsprojecten.

b) Onder "fundamenteel onderzoek" wordt onderzoek verstaan dat op onafhankelijke wijze door instellingen voor hoger onderwijs of onderzoekinstellingen wordt uitgevoerd met het oog op de uitbreiding van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen.

c) Onder "industrieel basisonderzoek" wordt origineel theoretisch en experimenteel werk verstaan dat gericht is op de verwerving van een nieuw en beter inzicht in wetenschappen en techniek in het algemeen, maar dat van toepassing zou kunnen zijn op een industriële sector of de activiteiten van een bepaalde onderneming.

d) Onder "toegepast onderzoek" wordt onderzoek of experimenteel werk verstaan uitgaande van de resultaten van fundamenteel onderzoek om bepaalde praktische doelstellingen gemakkelijker te kunnen bereiken, zoals de creatie van nieuwe produkten, produktieprocessen en diensten. Toegepast onderzoek wordt doorgaans afgesloten met de vervaardiging van een prototype en houdt geen werkzaamheden in met als voornaamste doel het ontwerp, de ontwikkeling of het uittesten van bepaalde artikelen of diensten met het doel ze op de markt te brengen.

e) Onder "ontwikkeling" worden werkzaamheden verstaan gebaseerd op het systematische gebruik van wetenschappelijke en technische kennis bij het ontwerpen, ontwikkelen, testen of beoordelen van potentiële nieuwe produkten, produktieprocessen of diensten of de verbetering van bestaande produkten of diensten waarbij aan bepaalde kwaliteitsnormen en -doelstellingen moet worden voldaan. Dit stadium houdt normalerwijze de vervaardiging van modellen in die aan de produktie voorafgaan, zoals proef- en demonstratieprojecten, maar houdt geen industriële toepassing en commerciële exploitatie in.

f) Overheidssteun voor onderzoek en ontwikkeling, specifiek ten behoeve van de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector, omvat, doch is niet beperkt tot:

i) onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die door scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven worden uitgevoerd of door onderzoekinstellingen waarover deze bedrijven zeggenschap hebben of die door deze bedrijven worden gefinancierd;

ii) onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die door scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven worden uitgevoerd of door onderzoekinstellingen waarover deze bedrijven zeggenschap hebben of die door deze bedrijven worden gefinancierd, indien het project rechtstreeks verband houdt met scheepsbouw of scheepsreparatie;

iii) onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die door universiteiten, openbare of onafhankelijke particuliere onderzoekinstellingen en andere industriesectoren in samenwerking met de scheepsbouwsector worden uitgevoerd;

iv) onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die door universiteiten, openbare of onafhankelijke particuliere onderzoekinstellingen en andere industriesectoren worden uitgevoerd, indien tijdens de periode waarin het project wordt uitgevoerd redelijkerwijze kan worden verwacht dat de resultaten specifiek voor de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector van aanmerkelijk belang zullen zijn.

6. Aantekening 6: AFDELING C, ONDERDEEL 1

Partijen erkennen dat er verschillen bestaan tussen hun beleid, wetten en voorschriften op het gebied van de mededinging. Afdeling C, onderdeel 1, heeft niet ten doel het mededingingsbeleid van partijen bij deze Overeenkomst eenvormig te maken noch een partij ertoe te verplichten haar nationale wet- en regelgeving op het gebied van de mededinging te wijzigen.

7. Aantekening 7: AFDELING C, ONDERDEEL 2

Hoewel douanerechten op nieuwgebouwde vaartuigen of scheepsreparaties onder het toepassingsgebied van afdeling C, onderdeel 2, vallen, hebben partijen niet het voornemen douanerechten als belemmeringen voor normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw aan te merken.

8. Aantekening 8: AFDELING A, ONDERDEEL 2

Lijst van voorbeelden van exportsubsidies:

a) Verlening door de overheid van directe subsidies aan ondernemingen of bedrijfstakken afhankelijk van exportprestaties.

b) Regelingen krachtens welke deviezen niet behoeven te worden afgedragen of soortgelijke praktijken die een exportpremie inhouden.

c) Interne vervoer- en vrachttarieven voor exportzendingen, door of in opdracht van de overheid toegepast, die voordeliger zijn dan de tarieven voor binnenlands zendingen.

d) Levering door de overheid of door overheidsorganen, direct dan wel indirect in het kader van overheidsregelingen, van ingevoerde of binnenlandse produkten of diensten voor gebruik bij de produktie van exportgoederen, op gunstigere voorwaarden dan bij de levering van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten of diensten voor gebruik bij de produktie van goederen voor binnenlands gebruik, indien (in geval van produkten) deze voorwaarden gunstiger zijn dan die welke op de wereldmarkt voor hun exporteurs commercieel verkrijgbaar zijn (12).

e) Gehele of gedeeltelijke vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling, speciaal in verband met de export, van directe belastingen (13) of sociale premies die door industriële of handelsondernemingen (14) zijn of moeten worden betaald.

f) Bijzondere aftrekmogelijkheden, rechtstreeks verband houdend met de export of met exportprestaties die, bij de vaststelling van de grondslag van de directe belastingen, worden toegestaan boven die welke voor de produktie voor binnenlands verbruik worden toegestaan.

g) Vrijstelling of kwijtschelding, uit hoofde van de produktie en distributie van exportprodukten, van een bedrag aan indirecte belastingen (15) dat hoger is dan het bedrag dat uit hoofde van de produktie en distributie van soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde produkten wordt geheven.

h) Vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van de voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen (16) op goederen en diensten die bij de produktie van exportprodukten worden gebruikt voor bedragen die hoger zijn dan de vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen op goederen of diensten die gebruikt worden bij de produktie van soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde goederen. Vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen kan voor exportprodukten worden toegestaan zelfs indien deze niet worden toegestaan voor soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde goederen, indien de in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen worden geheven op produktiemiddelen die bij de vervaardiging van het exportprodukt worden verbruikt (rekening houdend met normale verliezen) (17). Dit punt wordt geïnterpreteerd overeenkomstig de richtlijnen over het verbruik van produktiemiddelen in het produktieproces die in bijlage II bij de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen zijn opgenomen.

i) De kwijtschelding of terugbetaling van invoerheffingen (18) voor een hoger bedrag dan het bedrag van de invoerheffingen op de importprodukten die bij de vervaardiging van het exportprodukt zijn gebruikt (rekening houdend met normale verliezen). In bijzondere gevallen evenwel kan een bedrijf als vervangingsproduktiemiddelen een zelfde hoeveelheid binnenlandse produktiemiddelen van dezelfde kwaliteit en met dezelfde eigenschappen als ingevoerde produktiemiddelen gebruiken om voor deze bepaling in aanmerking te komen, indien zowel de import- als de overeenkomstige exporttransacties binnen een redelijke termijn plaatsvinden die niet meer dan twee jaar mag bedragen. Dit punt wordt geïnterpreteerd overeenkomstig de richtlijnen inzake het verbruik van produktiemiddelen in het produktieproces die in bijlage II bij de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen zijn opgenomen en de richtlijnen om vast te stellen of terugbetalingsregelingen voor vervangende produktiemiddelen exportsubsidies zijn die in bijlage III bij de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen zijn opgenomen.

j) Regelingen door de overheid (of door gespecialiseerde instellingen onder toezicht van de overheid) van exportkredietgarantie of -verzekering, om kostenstijgingen bij de export van produkten of wisselkoersrisico's te dekken, tegen premies die ontoereikend zijn om de bedrijfskosten en verliezen van deze regelingen op lange termijn te dekken.

k) Betaling door de overheid (of door instellingen onder toezicht van en/of handelende onder het gezag van de overheid) van alle of een gedeelte van de kosten van exporteurs of financieringsinstellingen om kredieten te verkrijgen, voor zover deze tussenkomst van de overheid een aanmerkelijk voordeel op het gebied van de exportkredietvoorwaarden inhoudt.

l) Alle andere uitgaven ten laste van de Schatkist die een exportsubsidie zijn in de zin van artikel XVI van GATT 1994.

Voetnoten bij de lijst van voorbeelden van exportsubsidies

(1) Zie aantekening 1 bij deze bijlage.

(2) Specificiteit wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

(3) Zie aantekening 3 bij deze bijlage.

(4) Aan deze norm wordt voldaan indien uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van exportprestaties afhankelijk is, in feite gebonden is aan bestaande of verwachte export of exportinkomsten. Het loutere feit dat een subsidie wordt toegekend aan ondernemingen die exporteren is op zich niet voldoende om aan te nemen dat er spake is van een exportsubsidie in de zin van deze bepaling.

(5) Maatregelen die volgens aantekening 8 bij bijlage I niet als exportsubsidies worden aangemerkt, zijn volgens deze Overeenkomst niet verboden.

(6) Zie aantekening 2 bij deze bijlage.

(7) Zie aantekening 3 bij deze bijlage.

(8) Zie aantekening 4 bij deze bijlage.

(9) Zie aantekening 5 bij deze bijlage.

(10) Zie aantekening 6 bij deze bijlage.

(11) Zie aantekening 7 bij deze bijlage.

(12) Onder "commercieel verkrijgbaar" wordt verstaan dat vrij tussen binnenlandse en importgoederen kan worden gekozen en dat deze keuze slechts van commerciële overwegingen afhangt.

(13) Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

- "directe belastingen": belastingen op lonen, winsten, rente, huursommen, royalty's en alle andere vormen van inkomen alsmede belastingen op het bezit van onroerende goederen;

- "invoerheffingen": douanerechten, andere rechten en overige niet elders in deze voetnoot genoemde belastingen die bij invoer worden geheven;

- "indirecte belastingen": belastingen op de verkoop, accijnzen, omzetbelasting, belastingen over de toegevoegde waarde, belastingen op concessies, zegelrechten, overdrachtsbelastingen, belastingen op voorraden en uitrusting, alsmede belastingaanpassingen aan de grens en alle overige belastingen, met uitzondering van directe belastingen en invoerheffingen;

- "in voorafgaande stadia geheven indirecte belastingen": belastingen geheven over goederen of diensten die direct of indirect bij de vervaardiging van het produkt zijn gebruikt;

- "cumulatieve indirecte belastingen": over verscheidene stadia gespreide belastingen waarvoor geen regeling voor belastingtegoeden bestaat wanneer de in een bepaald produktiestadium aan belasting onderworpen goederen of diensten in een later produktiestadium worden gebruikt;

- "kwijtschelding van belastingen": ook de terugbetaling van belastingen of belastingaftrek;

- "kwijtschelding of terugbetaling van rechten": ook volledige of gedeeltelijke vrijstelling of uitstel van betaling van invoerrechten.

(14) Partijen erkennen dat uitstel van betaling niet noodzakelijkerwijs een exportsubsidie inhoudt, bij voorbeeld wanneer een passende rente in rekening wordt gebracht. Partijen bevestigen het principe dat prijzen voor goederen bij transacties tussen exporteurs en buitenlandse kopers waarover zij zeggenschap hebben of waarover dezelfde persoon zeggenschap heeft, voor belastingdoeleinden de prijzen dienen te zijn die tussen onafhankelijke ondernemingen in omstandigheden van vrije concurrentie zouden worden aangerekend. Elke partij kan de aandacht van een andere partij vestigen op administratieve of andere praktijken die met dit principe in strijd zijn en die tot een aanmerkelijke besparing van directe belastingen bij exporttransacties leiden. In dergelijk geval zullen partijen normalerwijze trachten hun verschillen op te lossen door gebruikmaking van de faciliteiten van bestaande bilaterale belastingverdragen of andere specifieke internationale mechanismen, onverminderd de rechten en verplichtingen van partijen op grond van deze Overeenkomst, waaronder het recht van overleg waarvan in de vorige zin sprake is. Het bepaalde in letter e) strekt er niet toe een partij te beperken bij het nemen van maatregelen ter vermijding van dubbele belastingheffing op inkomsten van zijn ondernemingen of de ondernemingen van een andere partij uit buitenlandse bron.

(15) Het bepaalde in letter h) is niet van toepassing op stelsels van belasting over de toegevoegde waarde en daarvoor in de plaats tredende belastingaanpassingen aan de grens; het probleem van de te grote vermindering van de belasting over de toegevoegde waarde wordt uitsluitend in letter g) behandeld.

BIJLAGE II

BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE STEUNMAATREGELEN

De bestaande steunmaatregelen welke onverenigbaar zijn met de Overeenkomst, moeten bij de inwerkingtreding ervan worden afgeschaft, behalve die welke in de afdelingen A en B worden aangegeven. De vóór de inwerktreding van de Overeenkomst toegewezen steun kan na de inwerkingtreding worden uitgekeerd, indien hij in overeenstemming is met de in punt 3 van de slotakte van de onderhandelingen voor deze Overeenkomst opgenomen regeling.

A. STEUN VOOR HERSTRUCTURERINGSMAATREGELEN

Steun is mogelijk in het kader van de volgende programma's ten aanzien waarvan aan de werkgroep van de Raad kennisgeving is gedaan:

i) het aan de gang zijnde programma van de Republiek Korea betreffende Daewoo en KSEC omschreven in document C/WP6(91)58;

ii) de programma's inzake herstructureringssteun van België, Portugal en Spanje ten aanzien waarvan informatie wordt verstrekt in document C/WP6(93)31 en in aantekening 1 bij deze bijlage.

B. OFFICIËLE REGELINGEN EN PRAKTIJKEN

De kustvaartwetten van de Verenigde Staten van Amerika

1. De Verenigde Staten behouden zich het recht voor de nationale bouwvoorschriften welke in de publiekrechtelijke wetten vermeld in aantekening 2 bij deze bijlage zijn opgenomen, te handhaven.

2. Met betrekking tot de kustvaartwetten van de Verenigde Staten waarbij de binnenlandse afzet wordt voorbehouden aan de scheepswerven van de Verenigde Staten, worden de volgende bepalingen toegepast:

a) Alle nationale bouw-, herbouw- of reparatievoorschriften opgenomen in andere dan de in aantekening 2 bij deze bijlage vermelde wetten van de Verenigde Staten (hierna "de kustvaartwetten" genoemd), die niet met de Overeenkomst verenigbaar zijn, worden bij het in werking treden van de Overeenkomst opgeheven.

b) Aangezien een permanente afwijking voor de kustvaartwetten het rechten- en plichtenevenwicht tussen de partijen waarin de Overeenkomst voorziet, in het gedrang zou kunnen brengen en onaanvaardbaar is voor de andere partijen, komen de partijen overeen dat responsmaatregelen kunnen worden genomen overeenkomstig de hierna omschreven voorwaarden en in het kader van de speciale herzienings- en controleprocedure.

c) De Verenigde Staten zijn bereid hun medewerking te verlenen voor een jaarlijks onderzoek door de partijengroep en in alle opzichten doorzichtigheid te verzekeren ten aanzien van de bouw van bedoelde vaartuigen, met name door het verstrekken van gegevens betreffende nieuwe bestellingen en goedgekeurde contracten (beide aangepast in geval van latere annuleringen), en de verwachte en effectieve opleveringsdata, naar tonnage en scheepstype. Zij verstrekken die gegevens ten minste jaarlijks en vaker indien zij daarom worden verzocht of indien dat wenselijk is (bij voorbeeld wanneer het ernaar uitziet dat de jaarlijks verwachte en effectieve opleveringen kunnen oplopen tot boven het onder e) vermelde maximum).

d) De Verenigde Staten zijn van oordeel dat de gemiddelde jaarlijkse opleveringen voor onder de Overeenkomst vallende vaartuigen welke na het van kracht worden van de Overeenkomst conform de bepalingen van de kustvaartwetten worden gebouwd, het totaal van 200 000 brt niet zullen overschrijden.

e) De partijengroep controleert nauwlettend de gegevens welke op grond van het onder c) bepaalde worden verstrekt. Zij kan bij "consensus min één" besluiten nemen en machtiging verlenen tot het nemen van responsmaatregelen in overeenstemming met de volgende voorwaarden:

i) Indien, tot drie jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst, de partijengroep vaststelt dat, voor ongeacht welk jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, de verwachte of effectieve opleveringen 200 000 brt (1) overschrijden en dat het rechten- en plichtenevenwicht in het kader van de Overeenkomst door die opleveringen op ernstige wijze in het gedrang zal komen, kan de partijengroep een of meer getroffen partijen machtigen - ten aanzien van de scheepswerven waaraan, in het jaar waarin het maximum werd overschreden, de bouw van kustvaartuigen voordeel heeft gebracht - responsmaatregelen te nemen (bij voorbeeld de invoering van een recht of beperking op offertes of contracten) die gericht zijn op een vermindering van afzetmogelijkheden overeenkomend met het verlies veroorzaakt door de overschrijding van het maximum bij de oplevering van kustvaartuigen.

Voor de toepassing van dit punt brengen bovenbedoelde effectieve of verwachte opleveringen die in om het even welk jaar het maximum overschrijden, een weerlegbaar rechtsvermoeden tot stand dat het rechten- en plichtenevenwicht in het kader van deze Overeenkomst ernstig in het gedrang wordt gebracht.

ii) Indien, na verloop van de op de inwerkingtreding volgende drie jaar, de partijengroep vaststelt dat door de verwachte of effectieve opleveringen het rechten- en plichtenevenwicht waarin de Overeenkomst voorziet ernstig in gevaar komt, kan de partijengroep een of meer getroffen partijen machtigen tot het ten aanzien van scheepswerven waaraan de bouw van kustvaartuigen voordeel heeft gebracht, nemen van responsmaatregelen (bij voorbeeld de invoering van een recht of beperking op offertes of contracten), gericht op een vermindering van afzetmogelijkheden of andere commerciële voordelen die overeenkomt met het verlies veroorzaakt door opleveringen van kustvaartuigen.

Voor de toepassing van dit punt is er een weerlegbaar rechtsvermoeden dat het rechten- en plichtenevenwicht in het kader van deze Overeenkomst ernstig in het gedrang wordt gebracht.

f) Indien de Verenigde Staten van mening zijn dat de vermindering van de afzetmogelijkheden voor hun scheepsbouwers naar aanleiding van de omvang, de aard of de looptijd van de door een partij of partijen op grond van letter e) genomen maatregelen groter is dan het verlies veroorzaakt door de oplevering van kustvaartuigen, kunnen zij een beroep doen op de panelprocedure voor geschillenbeslechting, bedoeld in bijlage IV. Het panel gaat na of de op grond van letter e) genomen maatregelen buiten verhouding dan wel buitensporig zijn en doet de passende aanbevelingen. De door de partijen genomen maatregelen moeten met de aanbevelingen van het panel in overeenstemming worden gebracht.

g) In het kader van en lang genoeg vóór de eerste van de in artikel 11 van de Overeenkomst bedoelde driejaarlijkse herzieningen onderzoekt de partijengroep of de voorwaarden die de behoefte aan het onderhavige deel B hebben gecreëerd, nog aanwezig zijn en of de maatregelen van letter e) volstaan om het rechten- en plichtenevenwicht waarin de Overeenkomst voorziet, in stand te houden. Op basis van dat onderzoek en met het oog op de instandhouding van het rechten- en plichtenevenwicht in het kader van de Overeenkomst kan de partijengroep ertoe besluiten:

- het bepaalde in letter e) te wijzigen;

- andere rechten waarin de Overeenkomst voorziet, te herroepen;

- het intrekken van GATT-concessies toe te staan;

- andere passende maatregelen te nemen.

h) Indien, na voltooiing van het in letter g) bedoelde onderzoek, een partij van mening blijft dat de haar verleende mogelijkheden tot het nemen van responsmaatregelen ontoereikend zijn, kan zij zich, drie maanden na aan de partijengroep van haar voornemen kennisgeving te hebben gedaan, uit de Overeenkomst terugtrekken. Een partij die het recht heeft bovenvermelde responsmaatregelen te nemen, kan van dezelfde beëindigingsprocedures gebruik maken op om het even welk ogenblik nadat een termijn van vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst is verstreken, indien het onderhavige deel B van kracht blijft.

Aantekeningen bij Bijlage II

1. AANTEKENING BIJ DEEL A, onder ii): Herstructureringssteun

a) Met de in deel A, onder ii), bedoelde herstructureringsplannen zijn de volgende totale bedragen gemoeid:

- voor Spanje: 180 miljard pta,

- voor Portugal: 17,7 miljard esc.,

- voor België: 2 369 miljoen Bfr.

b) Deze totale steunbedragen hebben betrekking op:

i) steun voor sociale maatregelen vrijgesteld op grond van bijlage I, deel B, onderdeel 1, letter h);

ii) steun met betrekking tot herstructureringskosten die werden gemaakt vóór de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, welke vóór die datum door de respectieve nationale regeringen werden aangegaan en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden goedgekeurd, maar naar aanleiding van budgettaire moeilijkheden nog niet werden vergoed;

iii) andere steun voor toegezegde en betaalde herstructureringsmaatregelen, die betrekking heeft op de kosten welke vóór 1 januari 1996 zijn gemaakt;

iv) na 1 januari 1996 voor herstructureringsmaatregelen uitgekeerde steun van twee categorieën, te weten:

a) investeringssteun, en

b) alle niet op grond van bijlage I, deel B, onderdeel 1, letter h), vrijgestelde steun voor sociale maatregelen.

c) De Europese Gemeenschap verstrekt de partijengroep in overeenstemming met artikel 4, lid 1, letter b), van deze Overeenkomst gegevens betreffende de verdeling van de onder a) vermelde totale bedragen over de onder b) vermelde categorieën, zodat de partijengroep op de herstructureringsplannen toezicht kan houden.

d) De Europese Gemeenschap kan officieel vastleggen dat op de na 1 januari 1996 uitgekeerde steun van de onder b), punten i) en ii), omschreven categorieën voor die landen de volgende gespecificeerde maximumbedragen en uitkeringstermijnen worden toegepast:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

e) De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft met betrekking tot deze herstructureringsplannen nog niet de volledige informatie ontvangen welke haar op grond van de communautaire wetgeving moet worden verstrekt. Zij zal erop toezien dat op het ogenblik waarop zij haar definitieve besluiten tot machtiging van bedoelde steunmaatregelen neemt, bovenvermelde maxima en beperkingen volledig zijn nageleefd.

2. AANTEKENING BIJ DEEL B: De kustvaartwetten van de Verenigde Staten van Amerika

De Verenigde Staten behouden zich het recht voor de nationale bouwvoorschriften te handhaven welke zijn opgenomen in de hierna opgesomde wetgeving:

a) wetten waarbij het vervoer van goederen tussen plaatsen in de Verenigde Staten alleen is toegestaan met schepen die in de Verenigde Staten zijn gebouwd, waarvoor de door de wetgeving van de Verenigde Staten voorgeschreven documenten zijn afgegeven en die eigendom zijn van onderdanen van de Verenigde Staten:

paragraaf 27 van de wet van 5 juni 1920 (41 STAT. 999), zoals gewijzigd bij de wet van 11 april 1935 (49 STAT. 154); de wet van 2 juli 1935 (49 STAT. 442); paragraaf 1 van de wet van 14 juli 1956 (70 STAT. 544); paragraaf 27 (a) van Public Law 85-508 (72 STAT. 351); paragraaf 1 van Public Law 86-583 (74 STAT. 321); Public Law 89-194 (79 STAT. 823); Public Law 90-474 (82 STAT. 700); paragraaf 1 van Public Law 92-163 (85 STAT. 486); paragraaf 213 van Public Law 95-410 (92 STAT. 904); paragraaf 4 van Public Law 96-112 (93 STAT. 848); paragraaf 12 (49) van Public Law 97-31 (95 STAT. 157); paragrafen 502 en 504 van Public Law 97-389 (96 STAT. 1954, 1956); paragraaf 6 (c) (1) van Public Law 100-239 (101 STAT. 1782); paragraaf 1 (a) van Public Law 100-329 (102 STAT. 588) en paragraaf 5501 (b) van Public Law 102-587 (106 STAT. 5085);

b) wetten waarbij het vervoer van personen tussen plaatsen in de Verenigde Staten alleen is toegestaan met schepen die in de Verenigde Staten zijn gebouwd, waarvoor de door de wetgeving van de Verenigde Staten voorgeschreven documenten zijn afgegeven en die eigendom zijn van onderdanen van de Verenigde Staten:

paragraaf 8 van de wet van 19 juni 1886 (24 STAT. 81), zoals gewijzigd bij paragraaf 2 van de wet van 17 februari 1898 (30 STAT. 248);

c) wetten waarin wordt voorgeschreven dat baggermachines in de Verenigde Staten moeten worden gebouwd en geregistreerd:

paragraaf 1 van de wet van 28 mei 1906 (34 STAT. 204), zoals gewijzigd bij paragraaf 5501 (a) (1) van Public Law 102-587 (106 STAT. 5084);

d) wetten waarbij het slepen van vaartuigen van een haven of plaats in de Verenigde Staten naar een andere haven of plaats in de Verenigde Staten alleen is toegestaan met sleepboten die in de Verenigde Staten zijn gebouwd, waarvoor de door de wetgeving van de Verenigde Staten voorgeschreven documenten zijn afgegeven en die eigendom zijn van onderdanen van de Verenigde Staten:

herzien reglement nr. 4370 (54 STAT. 304), zoals gewijzigd bij paragraaf 10 van Public Law 99-307 (100 STAT. 447), en paragraaf 2 van Public Law 100-329 (102 STAT. 589);

e) ofschoon vissersvaartuigen bestemd voor de visserijvloot van een land van het toepassingsgebied van de Overeenkomst zijn uitgesloten, worden volledigheidshalve ook nog de wetten opgesomd op grond waarvan vissersvaartuigen, bevoorradingsschepen en fabrieksschepen voor de visserij in de wateren van de Verenigde Staten of in de wateren van de exclusieve economische zone van de Verenigde Staten (tenzij daarvoor een vergunning op grond van een vigerende internationale visserijovereenkomst is afgegeven) alleen mogen worden gebruikt, indien zij in de Verenigde Staten zijn gebouwd, beschikken over de door de wetgeving van de Verenigde Staten voorgeschreven documenten en eigendom zijn van onderdanen van de Verenigde Staten:

paragraaf 1 van Public Law 98-89 (97 STAT. 587), zoals gewijzigd bij paragraaf 301 (c) van Public Law 98-454 (98 STAT. 1734); paragraaf 3 (4), (5), 6 (a) (6) van Public Law 100-239 (101 STAT. 1779, 1782), en paragraaf 301 (a) (8) van Public Law 101-225 (103 STAT. 1921).

(1) Het maximum voor om het even welk gegeven jaar kan worden verhoogd door overbrenging uit het vorige jaar van een ongebruikte tonnage van maximaal 50 000 brt en door het vervroegde gebruik van 50 000 brt van het volgende jaar.

BIJLAGE III

PRIJSSCHADEHEFFINGEN

A. GRONDBEGINSELEN

1. De partijen erkennen dat de toepassing van schade veroorzakende prijzen, waardoor vaartuigen zoals bedoeld in artikel 2 van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector (hierna "vaartuigen" genoemd), van een land rechtstreeks of onrechtstreeks worden verkocht (1) aan één of verschillende onderdanen of ondernemingen van een andere partij (2), of aan één of verschillende ondernemingen die eigendom zijn (3), van of waarover zeggenschap (4) wordt uitgeoefend door die onderdanen of ondernemingen (5), voor minder dan de normale waarde van de vaartuigen, te veroordelen is indien daardoor ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan een op het grondgebied van een partij gevestigde bedrijfstak, dan wel dat de vestiging van een binnenlandse bedrijfstak daardoor aanzienlijk wordt vertraagd.

2. Teneinde de toepassing van schade veroorzakende prijzen te neutraliseren of te voorkomen, kan een partij de verkoper van een vaartuig die schade veroorzakende prijzen toepast, een prijsschadeheffing opleggen die niet hoger is dan de prijsschademarge voor het betreffende vaartuig.

3. Op geen enkel vaartuig van het grondgebied van een partij, dat aan een koper van een andere partij wordt verkocht, mogen prijsschadeheffingen worden toegepast op grond van de vrijstelling van het betreffende vaartuig van de rechten of heffingen die op soortgelijke vaartuigen worden toegepast wanneer zij aan een koper van de partij van oorsprong van het vaartuig worden verkocht, of op grond van het feit dat bedoelde rechten of heffingen worden terugbetaald.

4. a) Geen enkele partij legt een scheepsbouwer die een onderdaan of onderneming van een andere partij is, een prijsschadeheffing op tenzij zij vaststelt dat de toepassing van schade veroorzakende prijzen tot gevolg heeft dat ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan een op haar grondgebied gevestigde bedrijfstak, dan wel dat de vestiging van een binnenlandse bedrijfstak daardoor aanzienlijke vertraging ondervindt.

b) De partijen kunnen ontheffingen van het onder a) bepaalde toestaan teneinde een partij in staat te stellen een scheepsbouwer een prijsschadeheffing op te leggen voor de verkoop van een vaartuig aan een koper die een onderneming of onderdaan van die partij is, met de bedoeling het effect te neutraliseren van de toegepaste prijs, die ernstige schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een op het grondgebied van een andere partij gevestigde industrie die het betreffende produkt naar de partij van de koper uitvoert.

5. De partijen komen overeen hun optreden op grond van het in deze bijlage bepaalde te beperken tot de transacties in het kader waarvan schade veroorzakende prijzen worden toegepast voor vaartuigen waarop deze Overeenkomst betrekking heeft. Een partij onthoudt zich met betrekking tot een bepaalde transactie van maatregelen op grond van deze bijlage indien een lid van de Wereldhandelsorganisatie, dat geen partij bij deze Overeenkomst is, met betrekking tot die transactie reeds een anti-dumpingprocedure op grond van artikel VI van GATT 1994 en van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van GATT 1994 heeft ingeleid. Indien, na de aanzet tot maatregelen op grond van deze bijlage met betrekking tot een bepaalde transactie, een lid van de Wereldhandelsorganisatie, dat geen partij is bij deze Overeenkomst, met betrekking tot die transactie een anti-dumpingprocedure inleidt op grond van artikel VI van GATT 1994 en van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van GATT 1994, schort de partij die de aanzet tot maatregelen op grond van deze bijlage had gegeven, die maatregelen op. Indien het anti-dumpingonderzoek tot het opleggen van maatregelen of een negatieve bevinding leidt, worden maatregelen op grond van deze bijlage door een partij niet op gang gebracht of verder uitgevoerd. Indien het anti-dumpingonderzoek niet wordt afgesloten binnen een redelijke termijn, die niet op minder dan één jaar kan worden vastgesteld, of indien na een bevinding in positieve zin geen maatregelen worden genomen, kan de partij bij deze Overeenkomst haar onderzoek op gang brengen of voortzetten. Met betrekking tot een zelfde transactie kunnen echter nooit tegelijk een prijsschadeheffing op grond van deze Overeenkomsten en een anti-dumpingrecht op grond van GATT 1994 worden opgelegd.

B. BEPALINGEN TER AANVULLING VAN DE GRONDBEGINSELEN

Bij punt 1

1. Met betrekking tot de verkapte toepassing van schade veroorzakende prijzen door geassocieerde ondernemingen (d.w.z. de verkoop door een koper tegen een lagere prijs dan die welke wordt gefactureerd door de scheepsbouwer met wie de koper is geassocieerd, en dan die in het land van verkoop) kan de prijsschademarge worden berekend op basis van de prijs waartegen de vaartuigen door de koper worden doorverkocht.

2. Het ligt voor de hand dat, wanneer het gaat om verkoop vanuit een land dat van zijn handel het volledige of nagenoeg volledige monopolie bezit en waar alle binnenlandse prijzen door de Staat worden vastgesteld, het voor de toepassing van punt 1 onderzoeken van de vergelijkbaarheid van de prijs speciale moeilijkheden kan opleveren, zodat in dergelijke gevallen de partijen misschien de mogelijkheid in aanmerking moeten nemen dat een rigoureuze vergelijking met de binnenlandse prijzen in een dergelijk land niet altijd de aangewezen methode is.

Bij punt 2

Praktijken welke het gebruik van verschillende valuta's omvatten kunnen in bepaalde omstandigheden een soort toepassing van schade veroorzakende prijzen inhouden doordat de valuta van een land incidenteel wordt gedeprecieerd, zodat maatregelen op grond van punt 2 gerechtvaardigd zijn. Onder "praktijken welke het gebruik van verschillende valuta's omvatten" dienen praktijken van regeringen of door regeringen gesanctioneerde praktijken te worden verstaan.

Bij punt 4, onder b)

Ontheffingen op grond van punt 4, onder b), worden slechts toegestaan op verzoek van de partij die het opleggen van een prijsschadeheffing overweegt.

CODE SCHADE VEROORZAKENDE PRIJZEN IN DE SCHEEPSBOUW

De partijen,

ERKENNENDE dat maatregelen om schade veroorzakende prijzen tegen te gaan geen ongerechtvaardigde belemmering mogen vormen voor de internationale handel en dat heffingen om dergelijke prijzen te compenseren slechts mogen worden toegepast indien een gevestigde bedrijfstak door deze prijzen aanmerkelijke schade lijdt of dreigt te lijden of indien de vestiging van een bedrijfstak daardoor aanmerkelijk wordt vertraagd;

OVERWEGENDE dat het wenselijk is in billijke en open procedures te voorzien als grondslag voor een uitvoerig onderzoek van gevallen waarin schade veroorzakende prijzen zouden zijn toegepast;

WENSENDE de grondbeginselen te interpreteren en regels vast te stellen voor de toepassing van deze beginselen teneinde uniformiteit en zekerheid bij de toepassing te verkrijgen;

ERKENNENDE dat rekening moet worden gehouden met de complexiteit van de transacties voor de aankoop van schepen en de wijze waarop de eigendom van een vaartuig kan worden versluierd;

ERKENNENDE de aard van commerciële scheepsbouw en scheepsreparatie, waarbij het vaak om een enkele transactie voor een enkel vaartuig gaat die de aanpassing van de scheepswerf voor de bouw van dat vaartuig noodzakelijk kan maken, en ervan uitgaande dat de met het onderzoek belaste autoriteiten deze context en de andere bijzondere eigenschappen van de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector in aanmerking nemen bij de beoordeling van de weerslag van de verkoop in een binnenlandse bedrijfstak,

KOMEN HIERBIJ HET VOLGENDE OVEREEN:

Artikel 1

Beginselen

1. Een prijsschadeheffing op een vaartuig waarop artikel 2 van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector van toepassing is ("vaartuig") wordt uitsluitend toegepast in de omstandigheden die in deze bijlage zijn omschreven en ingevolge een onderzoek dat overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage wordt geopend (6) en uitgevoerd. De volgende bepalingen beheersen de toepassing van de grondbeginselen wanneer op grond van uitvoeringswetgeving of -voorschriften maatregelen worden genomen.

2. Partijen komen overeen in deze Code de wijzigingen op te nemen die in de toekomst in de overeenkomst voor de toepassing van artikel VI van GATT 1994 kunnen worden aangebracht. Aanpassingen van deze wijzigingen zullen beperkt blijven tot die welke noodzakelijk zijn vanwege de bijzondere kenmerken van de commerciële scheepsbouw.

Artikel 2

Vaststelling van het bestaan van schade veroorzakende prijzen

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de prijs van een vaartuig geacht schade te veroorzaken, dat wil zeggen dat het rechtstreeks of onrechtstreeks aan een of meer onderdanen of ondernemingen van een andere partij of aan een of meer ondernemingen die eigendom zijn van bedoelde onderdanen of ondernemingen of waarover bedoelde onderdanen of ondernemingen zeggenschap hebben, voor minder dan zijn normale waarde is verkocht (7), indien de exportprijs (8) van het verkochte vaartuig lager is dan de vergelijkbare prijs, in het kader van normale handelstransacties, van het soortgelijke vaartuig dat aan een koper van het land van uitvoer wordt verkocht.

2. Wanneer het soortgelijke vaartuig op de binnenlandse markt van het land van uitvoer niet in het kader van normale handelstransacties is verkocht, of indien het soortgelijke vaartuig daar wel is verkocht, maar indien het, vanwege de bijzondere marktsituatie, niet mogelijk is aan de hand van deze verkoop een deugdelijke vergelijking te maken, wordt de prijsschademarge bepaald door vergelijking met een vergelijkbare prijs van het soortgelijke vaartuig bij uitvoer naar een passend derde land, mits deze prijs representatief is. Indien er geen verkoop is naar een passend derde land of indien deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt de prijsschademarge vastgesteld door vergelijking met de produktiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten, algemene kosten en winst.

De verkoop van het soortgelijke vaartuig op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of de verkoop aan een derde land tegen prijzen die lager zijn dan de produktiekosten (vaste en variabele) per eenheid, vermeerderd met de administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten, mag uitsluitend worden behandeld als verkoop die, gezien de prijs, niet in het kader van normale handelstransacties (9) heeft plaatsgevonden en bij de vaststelling van de normale waarde buiten beschouwing wordt gelaten, indien de autoriteiten (10) vaststellen dat een dergelijke verkoop plaatsvindt tegen prijzen die het niet mogelijk maken binnen een redelijke termijn (11) alle kosten terug te verdienen. Prijzen die op het tijdstip van de verkoop beneden de kostprijs liggen, doch die hoger zijn dan de gewogen gemiddelde kostprijs in het onderzoektijdvak, worden geacht toereikend te zijn om de kosten binnen een redelijke termijn terug te verdienen.

Voor de toepassing van dit lid worden de kosten normaliter berekend aan de hand van de administratie van de onderzochte scheepsbouwer, mits deze wordt gevoerd overeenkomstig methoden die in het land van uitvoer algemeen aanvaard zijn en een redelijk beeld geeft van de kosten die aan de produktie en de verkoop van het betrokken vaartuig zijn verbonden. De autoriteiten houden rekening met al het beschikbare bewijsmateriaal betreffende de correcte kostenallocatie, met inbegrip van het bewijsmateriaal dat tijdens het onderzoek door de scheepsbouwer wordt verschaft, op voorwaarde dat dit betrekking heeft op de kostenallocatiemethode die deze scheepsbouwer in het verleden heeft gebruikt, meer bepaald bij het vaststellen van passende amortisatie- en afschrijvingstermijnen en correcties voor kapitaaluitgaven en andere ontwikkelingskosten. Tenzij bij de in deze alinea bedoelde kostenallocatie hiermede reeds rekening is gehouden, worden de kosten op passende wijze gecorrigeerd voor eenmalige kosten die ten behoeve van de toekomstige en/of de huidige produktie zijn gemaakt, of voor omstandigheden waarin ze gedurende het onderzoektijdvak door het opstarten van produktieprocessen (12) werden beïnvloed.

Voor de toepassing van dit lid worden de bedragen voor administratiekosten, verkoopkosten, algemene kosten en winst gebaseerd op de feitelijke gegevens in verband met de produktie en de verkoop van het soortgelijke vaartuig in het kader van normale handelstransacties van de scheepsbouwer waarop het onderzoek betrekking heeft. Wanneer deze bedragen niet op de bovenomschreven grondslag kunnen worden vastgesteld, mogen zij worden vastgesteld op basis van:

i) de werkelijke kosten en de winst van de betrokken scheepsbouwer bij de produktie en de verkoop van dezelfde algemene categorie vaartuigen op de binnenlandse markt van het land van oorsprong;

ii) het gewogen gemiddelde van de werkelijke kosten en de winst van andere scheepsbouwers in het land van oorsprong bij de produktie en de verkoop van het soortgelijke vaartuig op de binnenlandse markt van het land van oorsprong;

iii) elke andere redelijke methode (13), mits het aldus vastgestelde bedrag voor winst niet hoger is dan de winst die andere scheepsbouwers bij de verkoop van vaartuigen van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong gewoonlijk maken, en

iv) de aan de bouwwaarde toegevoegde winst die in alle gevallen wordt gebaseerd op de gemiddelde winst over een redelijke termijn (14) voor en na de verkoop waarop het onderzoek betrekking heeft en die met een redelijke winst op het tijdstip van de verkoop overeenkomt. Bij het maken van deze berekening wordt een correctie toegepast voor elke verstoring die tot andere resultaten zou leiden dan een winst die op het tijdstip van de verkoop redelijk is.

Gezien het lange tijdsverloop tussen het contract en de levering van het vaartuig, worden in de normale waarde niet de feitelijke kosten opgenomen die aan buitengewone omstandigheden zijn te wijten (bij voorbeeld arbeidsconflicten, brand, natuurramp), die aanmerkelijk hoger zijn dan de stijging van de kosten die de scheepsbouwer redelijkerwijze kon hebben verwacht en waarmede rekening werd gehouden op het tijdstip dat de materiële verkoopvoorwaarden werden overeengekomen (15).

3. Wanneer geen exportprijs beschikbaar is of de betrokken autoriteiten van oordeel zijn dat deze prijs onbetrouwbaar is wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de scheepsbouwer, de koper of een derde partij, kan de exportprijs worden geconstrueerd aan de hand van de prijs waartegen de vaartuigen voor het eerst aan een onafhankelijke koper worden doorverkocht of - indien de vaartuigen niet aan een onafhankelijke koper worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij voor het eerst werden verkocht - op een door de autoriteiten vastgestelde redelijke grondslag.

4. Er wordt een billijke vergelijking gemaakt tussen de exportprijs en de normale waarde. Deze vergelijking geschiedt op hetzelfde handelsniveau, gewoonlijk het stadium af fabriek, en voor verkoopdata op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende tijdstippen (16). Voor elk geval wordt, naar gelang van de bijzondere kenmerken van de zaak, rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, waaronder verschillen in verkoopvoorwaarden en -omstandigheden, belastingen en heffingen, handelsniveau, hoeveelheden, fysieke kenmerken en alle andere verschillen waarvan wordt aangetoond dat zij eveneens van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen (17).

In de in lid 3 bedoelde gevallen worden correcties toegepast voor de kosten tussen invoer en wederverkoop, met inbegrip van rechten, heffingen en winst. Indien in deze gevallen de prijzen niet geheel vergelijkbaar zijn, stellen de autoriteiten de normale waarde vast in een handelsstadium dat gelijkwaardig is aan het handelsstadium van de geconstrueerde exportprijs of passen zij de krachtens dit lid toegestane correctie toe. De autoriteiten delen de betrokken partijen mede welke gegevens zij voor een billijke vergelijking nodig hebben en leggen deze partijen geen onredelijke bewijslast op.

Wanneer het voor de in dit lid bedoelde vergelijking nodig is valuta om te rekenen, dient deze omrekening te geschieden tegen de wisselkoers die op de verkoopdatum (18) van toepassing was, met dien verstande dat, wanneer de verkoop van vreemde valuta op de termijnmarkt rechtstreeks aan de betrokken exportverkoop gekoppeld is, de bij de termijnverkoop toegepaste wisselkoers dient te worden gebruikt.

Onder voorbehoud van het bepaalde in dit lid betreffende de billijke vergelijking, wordt het bestaan van prijsschademarges in de onderzoekfase normaliter vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle vergelijkbare exporttransacties of door vergelijking van de normale waarde en de exportprijs per transactie. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag met de prijzen van individuele exporttransacties vergeleken worden indien de autoriteiten constateren dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, regio's en tijdvakken sterk uiteenlopen en verklaard wordt waarom met dergelijke verschillen niet op passende wijze rekening kan worden gehouden door het vergelijken van gewogen gemiddelden of van transacties.

5. Wanneer vaartuigen niet rechtstreeks aan een koper van een andere partij vanuit het land van oorsprong worden verkocht, doch via een intermediair land naar die andere partij worden uitgevoerd, dan wordt de prijs waartegen de vaartuigen vanuit het land van uitvoer naar de koper van die andere partij worden verkocht normaliter met de vergelijkbare prijs in het land van uitvoer vergeleken. Een vergelijking met de prijs in het land van oorsprong is evenwel toegestaan indien, bij voorbeeld, de vaartuigen slechts via het land van uitvoer worden doorgevoerd, dergelijke vaartuigen niet in het land van uitvoer worden gebouwd of in het land van uitvoer geen vergelijkbare prijs voor deze vaartuigen voorhanden is.

6. Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt onder "soortgelijk vaartuig" verstaan een vaartuig van hetzelfde type, voor hetzelfde doel bestemd en van ongeveer dezelfde grootte als het betrokken vaartuig en dat kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken vaartuig. Onder "hetzelfde algemene type vaartuig" wordt een vaartuig van hetzelfde type en voor hetzelfde doel bestemd verstaan, maar van een aanmerkelijk verschillende grootte. Kleine verschillen in grootte en uitrusting hebben geen invloed op de categorie van het vaartuig. Met deze verschillen kan rekening worden gehouden door bij berekeningen en vergelijkingen uit hoofde van deze Code correcties toe te passen.

7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de tweede aanvullende bepaling bij punt 1 van deel B in deze bijlage.

Artikel 3

Vaststelling van schade (19)

1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt een vaststelling van schade gebaseerd op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek naar a) de weerslag van de verkoop onder de normale waarde op de prijzen van soortgelijke vaartuigen op de binnenlandse markt en b) de weerslag van deze verkoop voor de binnenlandse producenten van soortgelijke vaartuigen (20).

2. Wat de weerslag van de verkoop onder de normale waarde op de prijzen betreft, gaan de met het onderzoek belaste autoriteiten na of de verkoop onder de normale waarde een aanmerkelijke prijsonderbieding inhoudt van de prijzen van soortgelijke vaartuigen van het land van de koper, of dat deze verkoop op andere wijze, en in aanzienlijke mate, de prijzen drukt of prijsverhogingen die anders hadden plaatsgevonden belet, waarbij geen enkele noch verscheidene van deze factoren noodzakelijkerwijs doorslaggevend is of zijn.

3. Wanneer de verkoop van vaartuigen uit meer dan een land terzelfder tijd aan een prijsschadeonderzoek wordt onderworpen, mogen de met het onderzoek belaste autoriteiten de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordelen indien zij vaststellen dat 1. de prijsschademarge die ten aanzien van de aankoop uit elk land is vastgesteld meer dan minimaal is zoals in artikel 5, lid 8, omschreven en 2. een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gepast is gezien de concurrentieverhoudingen tussen de door scheepsbouwers van andere partijen aan zijn kopers verkochte vaartuigen en de concurrentieverhoudingen tussen deze vaartuigen en de soortgelijke binnenlandse vaartuigen.

4. Het onderzoek naar de gevolgen van de verkoop onder de normale waarde voor de binnenlandse bedrijfstak omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van invloed zijn, zoals de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, winst, produktie, marktaandeel, produktiviteit, rentabiliteit, bezettingsgraad; factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen; de hoogte van de prijsschademarge; bestaande en potentiële negatieve gevolgen voor cash flow, voorraden, werkgelegenheid, lonen, groei, vermogen om kapitaal aan te trekken of investeringen. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn een of meer van deze factoren noodzakelijkerwijs doorslaggevend.

5. Aangetoond moet worden dat de verkoop onder de normale waarde, door de gevolgen van verkoop onder de normale waarde, zoals in de leden 2 en 4 omschreven, schade in de zin van deze Overeenkomst veroorzaakt of heeft veroorzaakt. Het oorzakelijke verband tussen de verkoop onder de normale waarde en de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt, wordt aangetoond door middel van een onderzoek van al het relevante bewijsmateriaal waarover de autoriteiten beschikken. De autoriteiten onderzoeken ook alle andere gekende factoren dan de verkoop onder de normale waarde die de binnenlandse bedrijfstak terzelfder tijd schade toebrengen en de schade die door deze andere factoren wordt veroorzaakt mag niet aan de verkoop onder de normale waarde worden toegeschreven. In dit verband kunnen de volgende factoren, onder meer, relevant zijn: de omvang van de verkoop van scheepsbouwers van andere partijen aan kopers van de onderzoekende partij tegen prijzen die niet onder de normale waarde liggen, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in gebruikspatronen, de handel beperkende maatregelen van en concurrentie tussen buitenlandse en binnenlandse producenten, technologische ontwikkelingen en de exportprestaties en produktiviteit van de binnenlandse bedrijfstak.

6. De gevolgen van de verkoop onder de normale waarde worden beoordeeld in verhouding tot de binnenlandse produktie van het soortgelijke produkt wanneer het op grond van de beschikbare gegevens mogelijk is die produktie aan de hand van criteria zoals produktieproces, verkoop en winst van de producenten duidelijk te onderscheiden. Indien het niet mogelijk is die produktie te onderscheiden, worden de gevolgen van de verkoop onder de normale waarde beoordeeld door de produktie te onderzoeken van de kleinste groep of serie produkten waartoe het soortgelijke produkt behoort en waarover de nodige gegevens kunnen worden verkregen.

7. De vaststelling van dreigende aanmerkelijke schade wordt op feiten gebaseerd en niet slechts op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden. De verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin de verkoop onder de normale waarde schade veroorzaakt, moet voor een nabije toekomst duidelijk zijn te voorzien (21). Om vast te stellen of er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade, nemen de met het onderzoek belaste autoriteiten onder meer de volgende factoren in aanmerking:

i) voldoende vrij beschikbare produktiecapaciteit van de exporteur, of een aanmerkelijke toename daarvan in de nabije toekomst, waardoor het waarschijnlijk is dat de verkoop onder de normale waarde naar het land van de koper aanzienlijk zal toenemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de bijkomende voor uitvoer beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen, en

ii) of de vaartuigen worden ingevoerd tegen prijzen die, en dit in aanzienlijke mate, druk op de binnenlandse prijzen zullen uitoefenen of die een stijging van deze prijzen zullen verhinderen, en de waarschijnlijkheid dat de vraag naar aankopen in andere landen zal toenemen.

Geen enkele van deze factoren is noodzakelijkerwijs doorslaggevend, maar de in overweging genomen factoren te zamen moeten tot de conclusie leiden dat de verkoop onder de normale waarde op korte termijn zal toenemen en dat daardoor, tenzij beschermingsmaatregelen worden genomen, aanmerkelijke schade zal ontstaan.

8. In de gevallen waarin verkoop onder de normale waarde schade dreigt te veroorzaken, wordt het besluit om prijsschademaatregelen te nemen bijzonder zorgvuldig overwogen.

Artikel 4

Omschrijving van het begrip "binnenlandse bedrijfstak"

1. In deze Overeenkomst wordt onder "binnenlandse bedrijfstak" verstaan de gezamenlijke binnenlandse producenten (22) van de soortgelijke vaartuigen of dat deel van de binnenlandse producenten wier gezamenlijke vermogen om een soortgelijk vaartuig te produceren een groot deel uitmaakt van het totale binnenlandse vermogen om een soortgelijk vaartuig te produceren, met dien verstande echter dat, indien producenten met de exporteurs of binnenlandse kopers gelieerd (23) zijn of zelf binnenlandse koper zijn van het vaartuig dat tegen een schade veroorzakende prijs zou zijn verkocht, onder "binnenlandse bedrijfstak" de overige producenten kan worden verstaan.

2. Wanneer twee of meer landen overeenkomstig het bepaalde in artikel XXIV, lid 8, onder a), van GATT 1994 zulk een niveau van integratie hebben bereikt dat zij de kenmerken van een enkele, eengemaakte markt hebben, wordt de bedrijfstak in het gehele geïntegreerde gebied beschouwd als de in lid 1 bedoelde binnenlandse bedrijfstak.

Artikel 5

Opening en uitvoering van het onderzoek

1. Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van schade veroorzakende prijzen geopend naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak.

2. Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt ingediend, in de in letter d), onder i) of ii), bedoelde gevallen, uiterlijk zes maanden nadat de aanvrager kennis heeft genomen of had dienen te nemen (24) van de verkoop van het vaartuig. Het wordt ingediend uiterlijk negen maanden gerekend vanaf dat tijdstip in het in letter d), onder iii), bedoelde geval, mits binnen zes maanden gerekend vanaf dat tijdstip de kennisgeving (25) wordt gedaan dat het voornemen bestaat een verzoek in te dienen, doch in geen geval later dan zes maanden na oplevering van het vaartuig. Het verzoek bevat bewijsmateriaal over:

a) schade veroorzakende prijzen (26);

b) schade in de zin van deze bijlage;

c) een oorzakelijk verband tussen de verkoop tegen schade veroorzakende prijzen en de beweerde schade, en

d) i) het feit dat de aanvrager, indien het vaartuig via een openbare aanbesteding (27) is aangekocht, heeft kunnen inschrijven, dat hij dit inderdaad heeft gedaan en zijn offerte substantieel aan de voorwaarden voldeed (namelijk leveringstermijn en technische specificaties), of

ii) het feit dat de aanvrager, indien het vaartuig via een andere aanbestedingsprocedure is aangekocht, heeft kunnen inschrijven, dat hij dit inderdaad heeft gedaan en zijn offerte substantieel aan de voorwaarden voldeed, of

iii) het feit dat de aanvrager, in afwezigheid van een andere inschrijvingsprocedure dan een openbare aanbesteding, in staat was het betrokken vaartuig te bouwen en, indien hij van de voorgenomen aankoop op de hoogte was of had dienen te zijn (28), aantoonbare pogingen heeft gedaan om een koopcontract te sluiten overeenkomstig de specificaties van de aanbesteding.

Loutere beweringen die niet door bewijsmateriaal worden gestaafd, kunnen niet als toereikend in de zin van dit lid worden beschouwd. Het verzoek bevat de gegevens die de aanvrager redelijkerwijs bekend zijn, zoals:

i) zijn identiteit en een opgave van het aantal soortgelijke vaartuigen, en de waarde daarvan, die hij in het binnenland bouwt. Wordt een schriftelijk verzoek namens de binnenlandse bedrijfstak ingediend, dan wordt de bedrijfstak namens welke het verzoek wordt ingediend daarin omschreven door middel van een lijst van alle gekende binnenlandse producenten van soortgelijke vaartuigen en bevat het, voor zover mogelijk, een opgave van het aantal soortgelijke vaartuigen en de waarde daarvan die deze producenten vertegenwoordigen;

ii) een uitvoerige beschrijving van het vaartuig dat tegen een schade veroorzakende prijs zou zijn verkocht, de naam van het betrokken land of de betrokken landen van oorsprong of uitvoer, de identiteit van elke gekende exporteur of buitenlandse producent en de identiteit van de koper van het betrokken vaartuig die een onderneming of onderdaan is van de partij die het onderzoek verricht;

iii) de prijzen waartegen dergelijke vaartuigen op de binnenlandse markt van het land of de landen van oorsprong of uitvoer worden verkocht (of, indien van toepassing, de prijzen waartegen deze vaartuigen vanuit het land of de landen van oorsprong of uitvoer aan een derde land of derde landen worden verkocht, of de geconstrueerde waarde van het vaartuig) alsmede informatie over de exportprijzen of, indien van toepassing, de prijzen waartegen dergelijke vaartuigen voor het eerst aan een onafhankelijke koper van het andere land worden doorverkocht;

iv) de weerslag van de beweerde verkoop tegen een schade veroorzakende prijs op de prijzen op de binnenlandse markt van soortgelijke vaartuigen en de weerslag van bedoelde verkoop op de binnenlandse bedrijfstak, zoals uit factoren en indicatoren betreffende de situatie van de binnenlandse bedrijfstak blijkt, waaronder die welke in artikel 3, leden 2 en 4, zijn genoemd.

3. De autoriteiten controleren de juistheid en toereikendheid van het bij het verzoek bevoegde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om tot de opening van een onderzoek over te gaan.

4. Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend nadat de autoriteiten, aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin het verzoek door de binnenlandse producenten van soortgelijke vaartuigen wordt gesteund of betwist, hebben vastgesteld dat het verzoek door of namens de binnenlandse bedrijfstak is ingediend (29). Het verzoek wordt geacht "door of namens de binnenlandse bedrijfstak" te zijn gedaan indien het gesteund wordt door de binnenlandse producenten wier gezamenlijke vermogen om een soortgelijk vaartuig te produceren meer dan 50 % bedraagt van het totale vermogen van dat deel van de binnenlandse bedrijfstak dat een soortgelijk vaartuig kan produceren, dat zich vóór of tegen het verzoek heeft uitgesproken. Er wordt geen onderzoek geopend wanneer de binnenlandse producenten die het verzoek uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % vertegenwoordigen van het totale vermogen van de binnenlandse bedrijfstak die een soortgelijk vaartuig kan produceren.

5. De autoriteiten geven geen bekendheid aan het verzoek tot opening van een onderzoek voordat het besluit daartoe is genomen. Voordat een onderzoek wordt geopend, ongeacht of dit naar aanleiding van een verzoek geschiedt of bij besluit van de autoriteit ingevolge lid 6, delen de autoriteiten dit mede aan de overheid van het betrokken land van uitvoer.

6. Indien, in bijzondere omstandigheden, de betrokken autoriteiten besluiten een onderzoek te openen zonder daartoe een schriftelijk verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak te hebben ontvangen, zetten zij de procedure slechts voort indien zij voldoende bewijs hebben van het bestaan van schade veroorzakende prijzen, schade en een oorzakelijk verband daartussen, en indien een lid van de binnenlandse bedrijfstak die benadeeld zou zijn, aan de criteria van lid 2, onder d), voldoet.

7. Het bewijsmateriaal ten aanzien van schade veroorzakende prijzen en schade zal terzelfder tijd in overweging worden genomen a) bij het besluit om al dan niet tot een onderzoek over te gaan en b) daarna, tijdens het onderzoek.

8. Een verzoek op grond van lid 1 wordt afgewezen en een onderzoek onmiddellijk beëindigd zodra de betrokken autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het bewijsmateriaal inzake schade veroorzakende prijzen of schade niet voldoende is om de procedure voort te zetten. De procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien de prijsschademarge minimaal is of de schade te verwaarlozen is. De prijsschademarge wordt geacht minimaal te zijn indien zij minder dan 2 % van de exportprijs bedraagt.

9. Een definitief besluit inzake de opening van een onderzoek wordt binnen 45 dagen na het verzoek genomen en, ingeval er geen verzoek is ingediend, binnen zes maanden nadat de met het onderzoek belaste autoriteiten van de verkoop van het vaartuig kennis hebben genomen of hadden moeten nemen. In gevallen waarbij prijzen met elkaar worden vergeleken en indien het vaartuig is opgeleverd, moet het onderzoek binnen een jaar na de opening ervan worden voltooid. Indien het soortgelijke vaartuig in aanbouw is, wordt het onderzoek binnen een jaar na oplevering van dat soortgelijke vaartuig voltooid. Onderzoeken waarbij de waarde wordt geconstrueerd, worden een jaar na hun opening voltooid of binnen een jaar na oplevering van het schip, indien dit later is.

Artikel 6

Bewijs

1. Belanghebbenden bij een prijsschadeonderzoek worden in kennis gesteld van de informatie die de autoriteiten wensen te ontvangen en krijgen ruimschoots gelegenheid om het bewijsmateriaal dat zij voor het betrokken onderzoek van belang achten (30) schriftelijk voor te leggen.

Exporteurs of buitenlandse producenten die een bij een prijsschadeonderzoek gebruikte vragenlijst ontvangen, beschikken over ten minste 30 dagen om deze te beantwoorden (31). Met redenen omklede verzoeken tot verlenging van de termijn van 30 dagen dienen in welwillende overweging te worden genomen en dienen, voor zover dit praktisch mogelijk is, te worden ingewilligd.

Onder voorbehoud van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, wordt bewijsmateriaal dat een belanghebbende schriftelijk heeft voorgelegd, zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de andere belanghebbenden die aan het onderzoek deelnemen.

Zodra een onderzoek is geopend, doen de autoriteiten de volledige tekst van het ingevolge artikel 5, lid 1, ontvangen schriftelijke verzoek aan de exporteur en de autoriteiten van het land van uitvoer toekomen en stellen deze, op verzoek, ter beschikking van de andere belanghebbenden, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, zoals in lid 5 bedoeld.

2. Tijdens het prijsschadeonderzoek dienen alle belanghebbenden steeds in de gelegenheid te zijn hun belangen te verdedigen. Te dien einde stellen de autoriteiten alle belanghebbenden op hun verzoek in de gelegenheid andere partijen met tegengestelde belangen te ontmoeten, zodat afwijkende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht. Bij het regelen van deze contacten dient rekening te worden gehouden met de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie en met de wensen van de belanghebbenden. Geen enkele belanghebbende is verplicht aan een vergadering deel te nemen, noch mag de afwezigheid van een partij op een bijeenkomst haar belangen schaden. Bovendien hebben de belanghebbenden het recht, op een met redenen omkleed verzoek, mondeling nadere informatie te verschaffen.

3. Met de overeenkomstig het bepaalde in lid 2 medegedeelde mondelinge informatie wordt door de autoriteiten slechts rekening gehouden voor zover deze achteraf ook schriftelijk wordt verstrekt en overeenkomstig het bepaalde in lid 1, derde alinea, ter beschikking wordt gesteld van andere belanghebbenden.

4. De autoriteiten geven, voor zover praktisch mogelijk, alle belanghebbenden voldoende gelegenheid tot inzage in alle voor de presentatie van hun zaak relevante stukken die niet vertrouwelijk zijn in de zin van lid 5 en die de autoriteiten bij een prijsschadeonderzoek gebruiken; zij geven deze belanghebbenden gelegenheid hun argumenten op grond van deze gegevens voor te bereiden.

5. Inlichtingen die vanwege hun aarde vertrouwelijk zijn (bij voorbeeld omdat bekendmaking ervan een concurrent aanmerkelijk zou bevoordelen of omdat bekendmaking ervan ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor de persoon die de informatie heeft verstrekt of voor de persoon van wie deze informatie is verkregen) of die door partijen bij een onderzoek als vertrouwelijk worden verstrekt, worden, indien daarvoor geldige redenen worden opgegeven, als dusdanig door de autoriteiten behandeld. Dergelijke informatie kan niet worden bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van de partij die ze heeft verstrekt (32).

De autoriteiten vragen dat belanghebbenden die vertrouwelijke inlichtingen verstrekken daarvan een niet-vertrouwelijke samenvatting toezenden. Deze samenvattingen moeten gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de essentie van de vertrouwelijk medegedeelde gegevens. In buitengewone omstandigheden kunnen belanghebbenden aangeven dat deze inlichtingen niet kunnen worden samengevat. In dergelijke buitengewone omstandigheden moet worden aangegeven waarom het niet mogelijk is een samenvatting te verstrekken.

Indien de autoriteiten van oordeel zijn dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt niet bereid is deze bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kunnen de autoriteiten deze informatie buiten beschouwing laten tenzij te hunnen genoegen uit goede bronnen blijkt dat de inlichtingen juist zijn (33).

6. Behoudens in de in lid 8 bedoelde omstandigheden, controleren de autoriteiten in de loop van het onderzoek of de inlichtingen die belanghebbenden hebben verstrekt en waarop zij hun bevindingen baseren, juist zijn.

7. Teneinde de ontvangen inlichtingen te verifiëren of nadere inlichtingen in te winnen, kunnen de autoriteiten zo nodig in andere landen een onderzoek instellen, mits de betrokken ondernemingen hiermee instemmen en de vertegenwoordigers van de overheid van het betrokken land van dit onderzoek in kennis worden gesteld en zij hiertegen geen bezwaar maken. De in addendum I omschreven procedures zijn van toepassing op onderzoeken die in exportlanden worden verricht. Onder voorbehoud van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, stellen de autoriteiten de resultaten van het onderzoek ter beschikking van de ondernemingen waarop ze betrekking hebben, of zorgen zij ervoor dat de resultaten aan de betrokken ondernemingen ter beschikking worden gesteld, overeenkomstig lid 9, en kunnen zij deze resultaten ook aan de indieners van het verzoek ter beschikking stellen.

8. Indien een belanghebbende binnen een redelijke termijn geen toegang verleent tot de noodzakelijke informatie of deze anderszins niet verstrekt, of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin. Bij de toepassing van dit lid worden de bepalingen van addendum II in acht genomen.

9. Voordat definitieve conclusies worden getrokken stellen de autoriteiten alle belanghebbenden in kennis van de voornaamste onderzochte feiten die aan het besluit tot het al dan niet nemen van definitieve maatregelen ten grondslag liggen. Deze kennisgeving moet tijdig genoeg gebeuren om alle partijen de gelegenheid te geven hun belangen te verdedigen.

10. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder "belanghebbende" verstaan:

i) een exporteur of buitenlandse producent of de koper van een vaartuig dat aan een onderzoek wordt onderworpen, of een organisatie waarvan de meeste leden producenten, exporteurs of binnenlandse kopers van dergelijke vaartuigen zijn,

ii) de overheid van het land van uitvoer, en

iii) een producent van het soortgelijke produkt in het land dat het onderzoek verricht of een organisatie waarvan de meeste leden producenten zijn van soortgelijke vaartuigen in het land dat het onderzoek verricht.

Deze lijst belet niet dat de partij die het onderzoek verricht andere binnen- of buitenlandse partijen dan bovengenoemde als belanghebbenden kan beschouwen.

11. Kopers (34) van het aan een onderzoek onderworpen vaartuig worden door de autoriteiten in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken in verband met het onderzoek inzake schade veroorzakende prijzen, schade, oorzakelijk verband en de in artikel 5, lid 2, onder d), vermelde factoren.

12. De autoriteiten houden rekening met de moeilijkheden die belanghebbenden, en met name kleine bedrijven, kunnen hebben om de gevraagde informatie te verstrekken en verlenen deze, voor zover praktisch mogelijk, hulp.

13. De hierboven omschreven procedures hebben niet ten doel de autoriteiten van een partij te beletten zo snel mogelijk te handelen bij het openen van een onderzoek, het trekken van conclusies in zowel positieve als negatieve zin, of het nemen van maatregelen, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 7

Prijsschadeheffingen

1. Het is aan de autoriteiten van de partij die het onderzoek verricht, te besluiten of een prijsschadeheffing al dan niet wordt ingesteld wanneer aan alle eisen voor het instellen van deze heffing is voldaan, en of deze heffing gelijk is aan de prijsschademarge of lager. Het is wenselijk dat de instelling van de heffing facultatief is en dat de heffing lager is dan de prijsschademarge indien deze lagere heffing voldoende is om een einde te maken aan de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt.

2. De prijsschadeheffing mag de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde prijsschademarge niet overschrijden.

3. Indien de partij die het onderzoek verricht vaststelt dat de instelling van een prijsschadeheffing gerechtvaardigd is, kan deze partij eisen dat de scheepsbouwer haar deze heffing betaalt binnen 180 dagen nadat zij de scheepsbouwer van het verschuldigde bedrag in kennis heeft gesteld. De scheepsbouwer beschikt over een naar redelijkheid verlengde betalingstermijn, indien betaling binnen 180 dagen tot zijn insolventie zou leiden of wanneer dit strijdig zou zijn met een reorganisatie onder gerechtelijk toezicht, in welk geval de partij kan eisen dat rente wordt betaald over elk onbetaald gedeelte, tegen de commerciële referentierentevoet (CIRR) van de valuta van de heffing.

4. De scheepsbouwer behoeft de heffing niet meer te betalen

i) indien hij de verkoop waarop de heffing was gebaseerd ongedaan maakt of een gelijkwaardige maatregel toepast die door de met onderzoek belaste autoriteit is aanvaard, of

ii) indien de overeenkomstig artikel 8 toegepaste tegenmaatregelen zijn vervallen.

Artikel 8

Openbaarmaking en motivering van de vaststellingen

1. Indien de autoriteiten ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijsmateriaal is om, overeenkomstig artikel 5, een prijsschadeonderzoek te openen, wordt dit medegedeeld aan de partij waarvan het vaartuig onderzocht zal worden en aan andere partijen waarvan de met het onderzoek belaste autoriteiten weten dat zij belang hebben bij het onderzoek. Tevens wordt een bericht gepubliceerd.

Het bericht over de opening van het onderzoek bevat voldoende gegevens over de volgende punten of vermeldt dat deze in een afzonderlijk verslag (35) beschikbaar zijn:

i) de naam en het land van de scheepsbouwer en van de kopers en een omschrijving van het betrokken vaartuig;

ii) de datum van opening van het onderzoek;

iii) waarom er volgens het verzoek sprake is van schade veroorzakende prijzen;

iv) een samenvatting van de factoren waarop de schadeklacht is gebaseerd;

v) het adres waaraan belanghebbenden opmerkingen kunnen toezenden, en

vi) de termijnen waarbinnen belanghebbenden hun standpunt bekend moeten maken.

2. Er wordt een bericht gepubliceerd over de bevindingen, ongeacht of deze positief of negatief zijn. Elk bericht bevat voldoende gedetailleerde gegevens, of vermeldt dat deze in een afzonderlijk verslag beschikbaar zijn, over de bevindingen en conclusies inzake alle feitelijke en juridische elementen die door de met het onderzoek belaste autoriteiten van belang werden geacht. Deze berichten en verslagen worden toegezonden aan de partij op het vaartuig waarvan deze bevindingen betrekking hebben en aan andere partijen waarvan bekend is dat zij daarbij belang hebben. Het bericht over de conclusies bevat alle relevante informatie over de feitelijke en juridische elementen en de redenen die tot het nemen van maatregelen hebben geleid, of vermeldt dat deze in een afzonderlijk verslag beschikbaar zijn, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie. Het bericht of verslag bevat met name de hieronder genoemde gegevens alsmede de redenen voor de aanvaarding dan wel afwijzing van de argumenten of eisen van exporteurs en kopers:

i) de naam van de scheepsbouwer, koper, indiener van het verzoek en het land van uitvoer;

ii) een omschrijving van type, doel en grootte van het vaartuig;

iii) de vastgestelde prijsschademarge en een uitvoerige opgave van de redenen voor het gebruik van de methoden met behulp waarvan, ingevolge artikel 2, de exportprijs en de normale waarde werden vastgesteld;

iv) de in artikel 3 genoemde overwegingen betreffende de vaststelling van schade, en

v) de voornaamste redenen die tot de vaststelling hebben geleid.

Artikel 9

Rechterlijk toezicht

Een partij waarvan de nationale wetgeving bepalingen over prijsschademaatregelen bevat, handhaaft de rechtbanken, scheidsgerechten of administratieve rechtbanken of procedures die onder andere ten doel hebben de administratieve maatregelen ten aanzien van definitieve vaststellingen terstond te onderzoeken. Deze rechtbanken, gerechten en procedures zijn onafhankelijk van de autoriteiten die voor de betrokken vaststelling verantwoordelijk zijn.

Artikel 10

Prijsschademaatregelen namens een derde land

1. Een verzoek tot het nemen van prijsschademaatregelen namens een derde land moet worden ingediend door de autoriteiten van het derde land dat om de maatregelen verzoekt.

2. Bij dit verzoek dient informatie over prijzen te worden gevoegd waaruit blijkt dat een vaartuig tegen schade veroorzakende prijzen wordt of is verkocht, en nauwkeurige gegevens waaruit blijkt dat deze beweerde verkoop onder de normale waarde de betrokken bedrijfstak in het derde land schade toebrengt of heeft toegebracht. De overheid van het derde land verleent de autoriteiten van het land van de koper alle nodige bijstand bij het verzamelen van aanvullende informatie die laatstgenoemde nodig kunnen hebben.

3. Bij het onderzoek van een dergelijk verzoek houden de autoriteiten van het land van de koper rekening met de gevolgen van de beweerde schade veroorzakende prijzen voor de betrokken bedrijfstak in het derde land in zijn geheel. Bij het beoordelen van de schade dient derhalve niet alleen rekening te worden gehouden met de gevolgen van de beweerde schade veroorzakende prijzen voor de betrokken bedrijfstak door de verkoop aan kopers van het land dat het onderzoek verricht, en zelfs niet met de totale export van de bedrijfstak.

4. Het besluit om een procedure al dan niet voort te zetten wordt door het land van de koper genomen. Indien het land van de koper bereid is maatregelen te nemen, dient dit land het initiatief te nemen om de goedkeuring (36) van de partijengroep aan te vragen.

Artikel 11

Overleg

Partijen nemen opmerkingen van andere partijen ten aanzien van elke kwestie in verband met de toepassing van deze bijlage in welwillende overweging en geven ruimschoots gelegenheid hierover overleg te plegen.

Artikel 12

Addenda

De addenda bij deze Code vormen een geheel met deze Code.

Artikel 13

Terugwerking

Deze bijlage is niet van toepassing op vaartuigen waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst contracten zijn gesloten, met uitzondering van vaartuigen waarvan na de opening van deze Overeenkomst voor onderteking contracten zijn gesloten en die meer dan vijf jaar na de contractdatum worden opgeleverd. Deze bijlage is op dergelijke vaartuigen van toepassing, tenzij de scheepsbouwer kan aantonen dat de leveringstermijn om normale commerciële redenen is verlengd en niet om de toepassing van deze bijlage te vermijden.

Addendum I

Procedures voor het onderzoek ter plaatse overeenkomstig artikel 6, lid 7

1. Wanneer een onderzoek wordt geopend dienen de autoriteiten van de exporterende partij en de ondernemingen waarvan bekend is dat zij bij de zaak betrokken zijn, ervan in kennis te worden gesteld dat het voornemen bestaat een onderzoek ter plaatse in te stellen.

2. Indien in uitzonderlijke omstandigheden het voornemen bestaat deskundigen die niet in overheidsdienst zijn in het onderzoeksteam op te nemen, dienen de ondernemingen en autoriteiten van de exporterende partij daarvan in kennis te worden gesteld. Tegen dergelijke deskundigen moeten daadwerkelijke sancties kunnen worden getroffen indien zij het vertrouwelijke karakter van de informatie niet respecteren.

3. De normale handelwijze dient erin te bestaan dat, voordat de definitieve datum van het bezoek wordt vastgesteld, de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken ondernemingen in de exporterende partij wordt verkregen.

4. Zodra de toestemming van de betrokken ondernemingen is verkregen, stellen de met het onderzoek belaste autoriteiten de autoriteiten van de exporterende partij in kennis van de namen en adressen van de te bezoeken ondernemingen en overeengekomen data.

5. De ondernemingen dienen ruim van tevoren in kennis te worden gesteld van het bezoek.

6. Bezoeken die ten doel hebben de vragenlijst toe te lichten vinden uitsluitend plaats op verzoek van de exporterende onderneming. Een dergelijk bezoek vindt uitsluitend plaats indien de met het onderzoek belaste autoriteiten de vertegenwoordigers van de overheid van de betrokken partij daarvan in kennis stellen en laatstgenoemden geen bezwaar hebben tegen het bezoek.

7. Aangezien het onderzoek ter plaatse voornamelijk ten doel heeft de verstrekte gegevens te verifiëren of aanvullende informatie te verzamelen, dient het plaats te vinden nadat het antwoord op de vragenlijst is ontvangen, tenzij de betrokken onderneming een andere regeling aanvaardt en de overheid van de exporterende partij door de met het onderzoek belaste autoriteiten in kennis wordt gesteld van het eerdere bezoek en daartegen geen bezwaar heeft. Voorts dient de normale handelwijze erin te bestaan dat de betrokken ondernemingen voorafgaand aan het bezoek in kennis worden gesteld van het algemene karakter van de te verifiëren informatie en van alle verdere inlichtingen die dienen te worden verstrekt, hetgeen echter niet belet dat ter plaatse nadere bijzonderheden kunnen worden gevraagd ter aanvulling van de verkregen informatie.

8. Vragen van de autoriteiten of ondernemingen van de landen van uitvoer, die van wezenlijk belang zijn voor het welslagen van het onderzoek ter plaatse, dienen, voor zover mogelijk, vóór het bezoek te worden beantwoord.

Addendum II

Beschikbare gegevens in de zin van artikel 6, lid 8

1. Zo spoedig mogelijk na de opening van het onderzoek geven de met het onderzoek belaste autoriteiten nauwkeurig aan welke gegevens zij van belanghebbenden wensen te ontvangen, evenals de wijze waarop belanghebbenden hun antwoorden dienen te structureren. De autoriteiten zien er bovendien op toe dat belanghebbenden ervan op de hoogte zijn dat, indien de informatie niet binnen een redelijke termijn wordt verstrekt, zij hun vaststellingen kunnen doen op basis van de beschikbare gegevens, met inbegrip van die welke door de binnenlandse bedrijfstak in het verzoek tot opening van het onderzoek zijn verstrekt.

2. De autoriteiten kunnen bovendien verlangen dat een belanghebbende zijn antwoord op een bepaalde drager (bij voorbeeld magneetband) of in een bepaalde computertaal verstrekt. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, gaan de autoriteiten na of de belanghebbende redelijkerwijze in staat is zijn antwoorden op de gevraagde drager of in de gevraagde computertaal te verstrekken en zij verlangen niet dat deze voor het verstrekken van zijn antwoord een ander dan zijn eigen computersysteem gebruikt. De autoriteiten eisen niet dat het antwoord via de computer wordt verstrekt indien de belanghebbende niet over een geautomatiseerde administratie beschikt en deze wijze van beantwoording van de gestelde vragen een onredelijke extra belasting voor hem zou inhouden, met andere woorden, indien dit onredelijke bijkomende kosten en moeilijkheden zou veroorzaken.

3. Alle controleerbare informatie die zo wordt verstrekt dat zij zonder grote moeilijkheden bij het onderzoek kan worden gebruikt, tijdig ter beschikking wordt gesteld en, in voorkomend geval, op een door de autoriteiten gevraagde drager of in een door de autoriteiten gevraagde computertaal wordt verstrekt, dient bij de vaststellingen in aanmerking te worden genomen. Indien een partij haar antwoord niet op de gewenste drager of in de gewenste computertaal verstrekt, maar de autoriteiten constateren dat aan de in punt 2 gestelde voorwaarden is voldaan, mag dit niet worden beschouwd als een aanmerkelijke belemmering van het onderzoek.

4. Wanneer de autoriteiten de op een bepaalde drager (bij voorbeeld magneetband) verstrekte informatie niet kunnen verwerken, dient deze schriftelijk of in een andere voor de autoriteiten aanvaardbare vorm te worden toegezonden.

5. Het feit dat de verstrekte informatie niet in alle opzichten ideaal is, mag voor de autoriteiten geen reden zijn deze buiten beschouwing te laden, indien de belanghebbende al het nodige heeft gedaan om de best mogelijke informatie te verstrekken.

6. Indien bewijsmateriaal of inlichtingen niet worden aanvaard, dient de partij die deze heeft verstrekt onverwijld in kennis te worden gesteld van de redenen die aan deze afwijzing ten grondslag liggen en dient zij in de gelegenheid te worden gesteld binnen een redelijke termijn nadere inlichtingen te verstrekken, waarbij rekening dient te worden gehouden met de termijnen van het onderzoek. Indien de nadere inlichtingen door de autoriteiten ontoereikend worden geacht, dienen de redenen voor de afwijzing van dergelijk bewijsmateriaal of dergelijke informatie te worden vermeld in alle vaststellingen die openbaar worden gemaakt.

7. Indien de autoriteiten hun bevindingen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de normale waarde, dienen te baseren op informatie uit secundaire bron, met inbegrip van informatie die in het verzoek tot opening van een onderzoek was opgenomen, dienen zij de nodige voorzorgsmaatregelen in acht te nemen. In dergelijke gevallen dienen de autoriteiten de verkregen informatie, indien mogelijk, te toetsen aan informatie uit andere onafhankelijke bronnen waarover zij beschikken, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële statistieken over de verkoop aan binnenlandse kopers en douanestatistieken alsmede aan de informatie die in de loop van het onderzoek van andere belanghebbenden werd verkregen. Het spreekt echter vanzelf dat, indien een belanghebbende geen medewerking verleent en de autoriteiten derhalve bepaalde relevante informatie wordt onthouden, dit ertoe kan leiden dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.

(1) Voor de toepassing van deze bijlage: a) heeft het begrip "verkoop" betrekking op het ontstaan of de overdracht van een eigendomsrecht op het vaartuig, met uitzondering van de eigendomsrechten welke, zoals in deze bijlage omschreven, ontstaan of worden verworven uitsluitend om als zekerheid voor een gewone commerciële lening te worden gebruikt; b) wordt onder "eigendomsrecht" verstaan ieder contractueel recht of recht als eigenaar dat de persoon of personen die in het genot zijn van dat recht, de mogelijkheid biedt van de exploitatie van het vaartuig profijt te trekken op een wijze welke in aanzienlijke mate vergelijkbaar is met de wijze waarop een eigenaar in staat is bij de exploitatie van een vaartuig baat te vinden; voor het vaststellen van aanzienlijke vergelijkbaarheid wordt door de bevoegde instanties uitgegaan van de volgende factoren: i) de voorwaarden en omstandigheden van de transactie; ii) de gangbare commerciële praktijken binnen de sector; iii) de vraag of het vaartuig waarop de transactie betrekking heeft, wordt geïntegreerd in de activiteiten van de rechthebbende of rechthebbenden, en iv) de vraag of in de praktijk mag worden aangenomen dat de rechthebbende of rechthebbende gedurende een aanzienlijk gedeelte van de levensduur van het vaartuig de voordelen hebben en de risico's op zich nemen van de exploitatie van het vaartuig; c) dient onder "koper" te worden verstaan om het even welke persoon die een eigendomsrecht verwerft, zij het door middel van leasing of van een gebruiksovereenkomst op lange termijn, op het ogenblik van de oorspronkelijke overdracht door de scheepsbouwer, rechtstreeks of onrechtstreeks, met inbegrip van een onderdaan of onderneming die eigenaar is van of zeggenschap heeft over een koper; d) moeten de termen "koper" en "verkoop" dienovereenkomstig worden geïnterpreteerd en wordt aangenomen dat voor een gegeven schip er meer dan één koper kan zijn.

(2) Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder "onderneming van een partij verstaan een juridische entiteit van om het even welk type, met inbegrip van een vennootschap, een maatschappij, een vereniging of een andere soort organisatie die op wettige wijze is opgericht overeenkomstig de wetten en voorschriften van dat land of een politieke onderverdeling ervan, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de vraag of die entiteit met een winstoogmerk is opgezet zich in particulier dan wel overheidsbezit bevindt of beperkt dan wel onbeperkt aansprakelijk is.

(3) Onder "eigendom" wordt een aandeel in het kapitaal van meer dan 50 % verstaan.

(4) Onder "zeggenschap" wordt verstaan dat op de voor de onderneming bepaalde koers effectief een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend, hetgeen verondersteld wordt het geval te zijn bij een kapitaalsparticipatie van 25 %. Indien is bewezen dat een onderneming eigendom is, wordt ervan uitgegaan dat met betrekking tot die onderneming er net ook nog een van die eigendom te onderscheiden zeggenschap bestaat, tenzij anders wordt bewezen.

(5) Voor de toepassing van deze bijlage wordt een verkoop niet aan een prijsschadeonderzoek onderworpen, indien het bestaan van eigendomsrecht wordt aangetoond voor een koper van de partij waarin het vaartuig van oorsprong is, tenzij er is vastgesteld dat de eigenaar in opdracht handelt van een "koper", zoals bedoeld in deze bijlage, van een andere partij of dat de rechten en aansprakelijkheden van de eigenaar van het vaartuig op een andere wijze door een dergelijke "koper" zijn overgenomen.

(6) Onder "geopend" wordt hierna de procedurele handeling verstaan waarmee een partij formeel een in artikel 5 bedoeld onderzoek begint.

(7) a) "Verkocht aan een koper van de partij waarin het vaartuig van oorsprong is" betekent, in de zin van deze bijlage, noch rechtstreeks of onrechtstreeks verkocht aan onderdanen of ondernemingen van andere landen noch aan ondernemingen die het eigendom zijn van deze onderdanen of ondernemingen of waarover deze onderdanen of ondernemingen zeggenschap hebben. b) De verkoop aan kopers van de partij waarin het vaartuig van oorsprong is, is in de zin van deze bijlage een "binnenlandse verkoop" en de daarbij toegepaste prijzen zijn "binnenlandse prijzen".

(8) In deze bijlage wordt onder "export of uitvoer" de verkoop van een vaartuig aan een koper verstaan die geen koper is van de partij waarin het vaartuig van oorsprong is.

(9) In dit artikel heeft "in het kader van normale handelstransacties" steeds dezelfde betekenis.

(10) Onder "autoriteiten" worden in deze Code autoriteiten van een voldoende hoog niveau verstaan.

(11) In deze bijlage wordt onder een "redelijke termijn" een periode van vijf jaar verstaan.

(12) Bij de correctie voor het opstarten van produktieprocessen wordt rekening gehouden met de kosten aan het einde van de opstartperiode of, indien deze periode langer is dan het onderzoektijdvak, met de meest recente kosten die bij het onderzoek redelijkerwijze door de autoriteiten in aanmerking kunnen worden genomen.

(13) Van een "andere redelijke methode" kan uitsluitend gebruik worden gemaakt bij afwezigheid van passende verkoop op de binnenlandse markt. In dat geval wordt, op grond van punt iii), in het algemeen gebruik gemaakt van de exportverkoop van de betrokken scheepsbouwer of, bij gebreke van een dergelijke verkoop, van die van andere scheepsbouwers in het land van oorsprong.

(14) In dit verband wordt onder een redelijke termijn de kortst mogelijke termijn verstaan die normalerwijze niet meer dan zes maanden is, zowel voor als na de verkoop waarop het onderzoek betrekking heeft.

(15) De bewijslast rust op de scheepsbouwer.

(16) Onder "verkoopdata op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende tijdstippen" wordt de verkoop verstaan binnen drie maanden voor of na de verkoop waarop het onderzoek betrekking heeft of, bij gebreke van een dergelijke verkoop, een passend geachte langere periode.

(17) Aangezien sommige van deze factoren elkaar kunnen overlappen, dienen de autoriteiten ervoor zorg te dragen dat de reeds uit hoofde van deze bepaling toegepaste correcties geen tweede maal plaatsvinden.

(18) Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder verkoopdatum de datum verstaan waarop de materiële voorwaarden van de verkoop zijn vastgesteld. Deze datum is bij de verkoop van schepen normalerwijze de datum van het contract. Indien de materiële verkoopvoorwaarden op een latere datum aanmerkelijk worden gewijzigd, wordt echter de wisselkoers gebruikt die op de datum van die wijziging van toepassing was. In een dergelijk geval passen de met het onderzoek belaste autoriteiten de nodige correcties toe ter compensatie van onredelijke gevolgen daarvan voor de prijsschademarge, die enkel aan het koersverschil tussen de oorspronkelijke verkoopdatum en de datum van deze wijziging te wijten zijn.

(19) In deze Code wordt onder "schade", tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade die een binnenlandse bedrijfstak lijdt, aanmerkelijke schade die een binnenlandse bedrijfstak dreigt te lijden of de aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak, en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel geïnterpreteerd.

(20) Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder "binnenlandse producenten van soortgelijke vaartuigen" mede verstaan scheepswerven die met hun bestaande uitrusting in staat zijn een soortgelijk vaartuig te bouwen of waarvan de uitrusting spoedig genoeg kan worden aangepast om een soortgelijk vaartuig te bouwen.

(21) Bij voorbeeld wanneer er overtuigende redenen zijn om aan te nemen dat er in de nabije toekomst een aanzienlijke toename zal zijn van de verkoop van dergelijke vaartuigen onder de normale waarde aan kopers van de partij die het onderzoek uitvoert.

(22) Zie voetnoot (2) op bladzijde 24.

(23) Voor de toepassing van dit lid worden producenten uitsluitend geacht met exporteurs of binnenlandse kopers gelieerd te zijn indien a) een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere of indien b) een derde persoon rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over hen beiden, of indien c) zij samen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap hebben over een derde persoon, voor zover er redenen zijn om aan te nemen of te vermoeden dat de betrokken producent zich door deze banden anders gedraagt dan een niet-gelieerde producent. Voor de toepassing van dit lid wordt een persoon geacht zeggenschap te hebben over een andere persoon wanneer eerstgenoemde, rechtens of feitelijk, in een positie is het handelen van laatstgenoemde te beperken of te leiden.

(24) Er is een weerlegbaar vermoeden dat een scheepsbouwer van de verkoop kennis heeft of diende te hebben vanaf het tijdstip van publikatie van de sluiting van het contract en van zeer algemene informatie over het vaartuig in internationale vakbladen.

(25) Met inbegrip van bewijsmateriaal waarover de aanvrager redelijkerwijze beschikt om de betrokken transactie nader te omschrijven.

(26) Met inbegrip van bewijsmateriaal over het bestaan van een koper die een onderneming of onderdaan is van de partij die het onderzoek verricht.

(27) Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder "openbare aanbesteding" verstaan een procedure waarbij de toekomstige koper een aanbesteding uitschrift waarop ten minste alle scheepsbouwers in het land van de koper waarvan het hem bekend is dat zij het betrokken vaartuig kunnen bouwen, kunnen inschriven.

(28) Er is een weerlegbaar vermoeden dat de aanvrager van de voorgenomen aankoop op de hoogte was of had dienen te zijn, indien wordt aangetoond dat: - de meeste bedrijven in het land van de aspirant-koper pogingen hebben gedaan om met deze een contract te sluiten over de verkoop van het betrokken vaartuig; algemene informatie over de voorgenomen aankoop beschikbaar was bij makelaars, financiers, classificatiebureaus, bevrachters, handelsorganisaties of andere personen of bedrijven die normaal bij scheepsbouwtransacties betrokken zijn en waarmee de scheepsbouwer regelmatige contacten had of zaken deed.

(29) Partijen zijn zich ervan bewust dat een verzoek op grond van lid 1 op het grondgebied van bepaalde partijen kan worden ingediend of gesteund door werknemers van de binnenlandse producenten van het soortgelijke produkt of vertegenwoordigers van deze werknemers.

(30) Dergelijk bewijsmateriaal kan betrekking hebben op de bevindingen van een onderzoek van deze zaak door de partij van de exporterende scheepsbouwer. Deze bevindingen worden door de met het onderzoek belaste autoriteit in aanmerking genomen en in het onderzoekdossier opgenomen.

(31) In het algemeen wordt de termijn voor exporteurs berekend vanaf de dag van ontvangst van de vragenlijst, die voor dit doel geacht wordt te zijn ontvangen binnen één week nadat hij aan de respondent of aan de geëigende diplomatieke vertegenwoordiger van het land van uitvoer was toegezonden.

(32) Partijen zijn zich ervan bewust dat op het grondgebied van bepaalde partijen bekendmaking bij een nauw omschreven conservatoir bevelschrift verplicht kan zijn.

(33) Partijen zijn het erover eens dat verzoeken om vertrouwelijke behandeling niet willekeurig van de hand mogen worden gewezen.

(34) Een beweerde koper mag informatie verstrekken over het feit dat hij al dan niet een koper is.

(35) Indien de gegevens en motivering overeenkomstig dit artikel in een afzonderlijk verslag worden opgenomen, zien de autoriteiten erop toe dat het publiek dit verlsag gemakkelijk kan verkrijgen.

(36) Goedkeuring kan worden gegeven bij consensus min de partij van de exporterende scheepsbouwer.

BIJLAGE IV

GESCHILLENBESLECHTING KRACHTENS ARTIKEL 8

Voor de toepassing van artikel 8 van deze Overeenkomst gelden de volgende bepalingen en procedureregels.

AFDELING 1 Inleiding van een panelprocedure

1. Een panelprocedure wordt ingeleid door het indienen van een verzoek om een panel te vormen; dit verzoek wordt langs diplomatieke weg schriftelijk medegedeeld aan de andere partij bij het geschil (hierna "de verwerende partij" te noemen) en aan de partijengroep via haar secretariaat, dat als secretariaat van het te vormen panel optreedt.

2. In het verzoek worden de partij die de procedure voor de vorming van een panel heeft ingeleid, de verwerende partij en de in het geding zijnde specifieke maatregelen opgegeven en wordt een beknopte samenvatting van de rechtsgrond voor de klacht opgenomen die het probleem duidelijk weergeeft.

3. De verwerende partij doet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek een afschrift toekomen aan elke scheepsbouwer die voldoet aan de voorwaarden om deelnemer te worden.

AFDELING 2 Scheepsbouwers-deelnemers en andere belanghebbende partijen

1. Een scheepsbouwer die aan de in artikel 8, lid 3, van deze Overeenkomst gestelde voorwaarden voldoet, wordt deelnemer door zijn voornemen om aan de procedure deel te nemen schriftelijk aan de andere partij en aan het panel via het secretariaat van het panel mede te delen binnen 15 dagen na de datum waarop hij de kennisgeving van het verzoek om een panel te vormen heeft ontvangen.

2. Elke andere partij bij de Overeenkomst die haar standpunt kenbaar wenst te maken aan het panel (hierna "een belanghebbende partij" te noemen) brengt dit ter kennis van het panel via het secretariaat van het panel binnen 30 dagen na de datum waarop de partijengroep in kennis werd gesteld van het verzoek om een panel te vormen.

AFDELING 3 Gemachtigden en verstrekking van documenten

1. Elke partij bij het geschil, scheepsbouwer-deelnemer en andere belanghebbende partij wijst een gemachtigde aan om haar/hem te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden van het panel en deelt de naam en het adres van haar/zijn gemachtigde mede aan het panel, via het secretariaat van het panel, en aan de andere partijen en deelnemers. Een partij bij het geschil verricht een en ander op het ogenblik dat zij of haar groep van partijen een lid van het panel benoemt. Een belanghebbende partij of scheepsbouwer-deelnemer verricht een en ander op het ogenblik dat zij/hij kennis geeft van haar/zijn belangstelling of voornemen om deel te nemen.

2. Als tijdens de werkzaamheden van het panel vertrouwelijke informatie over de zakelijke activiteiten van een scheepsbouwer wordt medegedeeld, kan het panel als eis stellen dat de vertegenwoordigers van de deelnemende scheepsbouwer niet in dienst zijn van, of anderszins onder de professionele leiding of onder zeggenschap staan van, de scheepsbouwer en dat de vertegenwoordigers zich ertoe verplichten deze informatie vertrouwelijk te behandelen.

3. Documenten die door een partij bij het geschil of een scheepsbouwer-deelnemer in het kader van een panelprocedure worden ingediend, worden gelijktijdig toegezonden aan het panel, via het secretariaat van het panel, en aan de andere partijen bij het geschil en andere scheepsbouwers-deelnemers, zulks onder voorbehoud van de door het panel vast te stellen bepalingen ter bescherming van het vertrouwelijke karakter. Een partij die documenten indient, stelt de andere belanghebbende partijen ervan in kennis dat zij documenten heeft ingediend en verstrekt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijkheid, deze documenten aan de andere belanghebbende partijen.

4. Documenten die door een belanghebbende partij worden ingediend, worden toegezonden aan het panel via het secretariaat van het panel, aan de partijen bij het geschil, alsmede aan elke scheepsbouwer-deelnemer en aan andere belanghebbende partijen.

5. Documenten kunnen worden verstrekt door ze langs diplomatieke weg toe te zenden aan een partij en aan het panel, of door persoonlijke overhandiging, per telefaxbericht of internationale koerier, dan wel expresdienst (EMS), waaronder exprespost, aan de persoon en het adres bedoeld in lid 1 van deze afdeling. Een document wordt geacht te zijn verstrekt als het document is ontvangen.

AFDELING 4 Termijnen

1. Als de laatste dag van een termijn valt op een wettelijke feestdag, dat wil zeggen op een dag waarop de kantoren van de overheidsdiensten van een partij bij het geschil officieel gesloten zijn, wordt de termijn verlengd tot de daaropvolgende werkdag.

2. Het panel kan na overleg met de partijen bij het geschil de in deze bijlage vastgestelde termijnen wijzigen.

AFDELING 5 Talen

1. Het panel beslist, met instemming van de partijen bij het geschil en de scheepsbouwers-deelnemers, welke taal of talen bij de werkzaamheden zullen worden gebruikt. Er wordt ten minste één officiële taal van de OESO gebezigd.

2. Als er meer dan één taal wordt gebruikt, geldt het volgende:

a) een tijdens een panelprocedure ingediend document dat niet is gesteld in een officiële taal van de OESO die in het kader van deze procedure wordt gebruikt, dient vergezeld te gaan van een vertaling in die officiële taal. Documenten welke in die officiële taal van de OESO worden ingediend, worden volgens de onderrichtingen van het panel vertaald in een of meer van de andere talen die in het kader van de procedure worden gebruikt, en

b) uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling deelt elke partij bij het geschil, andere belanghebbende partij en deelnemende scheepsbouwer het secretariaat mede welke taal of talen zij/hij of haar/zijn getuigen zullen gebruiken tijdens de mondelinge behandeling, waarop voor simultaanvertaling zal worden gezorgd.

3. De in een officiële taal van de OESO gestelde uitspraken en beslissingen van het panel als bedoeld in afdeling 13 worden door het secretariaat van partijengroep onverwijld in de andere officiële taal vertaald op kosten van de partijengroep.

AFDELING 6 Samenstelling van het panel

1. Het panel bestaat uit twee leden en een voorzitter, of, indien één van de partijen bij het geschil dat wenst, uit vier leden en een voorzitter (hierna "de panelleden") te noemen.

2. Elke partij bij het geschil benoemt één lid van het panel binnen 30 dagen na de datum waarop de verwerende partij de kennisgeving van het verzoek om een panel te vormen heeft ontvangen. Zijn er twee of meer partijen die als groep van partijen aan dezelfde kant in het geschil staan, of een scheepsbouwer-deelnemer en een of meer partijen, dan wijzen de partijen (en de deelnemer, met instemming van zijn partij) die aan dezelfde kant in het geschil staan, gezamenlijk een lid van het panel aan. De partij of groep van partijen die benoemt, deelt de naam van het betrokken lid van het panel mede aan het secretariaat. Als een partij of groep van partijen geen lid heeft benoemd binnen 30 dagen na de datum waarop de verwerende partij de kennisgeving van het verzoek om een panel te vormen heeft ontvangen, kiest de secretaris-generaal van de OESO in de daaropvolgende zeven dagen, na overleg met de partij of groep van partijen, een lid uit de lijst van benoembare panelleden die door de partijengroep overeenkomstig punt 5 van deze afdeling wordt bijgehouden, hierna "de lijst van de partijengroep" te noemen.

3. De panelleden kiezen binnen 30 dagen na de datum van hun benoeming gezamenlijk een voorzitter en, in voorkomend geval, twee andere leden van het panel uit de lijst van de partijengroep. Als de twee panelleden het niet eens kunnen worden over de keuze van een voorzitter of eventuele andere leden, kiest de secretaris-generaal, na overleg met de twee panelleden die overeenkomstig punt 2 van deze afdeling zijn gekozen, binnen een bijkomende termijn van zeven dagen de voorzitter of eventuele andere leden van het panel uit de lijst van de partijengroep. De panelleden of de secretaris-generaal kunnen, met instemming van de partijen bij het geschil, hun keuze laten vallen op een voorzitter en andere leden van het panel van wie de naam niet is vermeld op de lijst van de partijengroep.

4. Vacatures in het panel worden vervuld volgens de procedures die voor de functie gelden krachtens de punten 2 en 3 van deze afdeling.

5. Panelleden moeten beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van het recht, de internationale handel en het onderwerp van deze Overeenkomst in het algemeen en mogen geen banden hebben met enige regering. De lijst van benoembare panelleden wordt door de partijengroep tijdens haar eerste vergadering opgesteld en tijdens de daaropvolgende vergaderingen bijgewerkt aan de hand van voordrachten van de partijen en maatregelen ingevolge letter c) hieronder:

a) Elke partij mag de namen voordragen van ten hoogste vier personen die aan de voorwaarden voldoen om als panellid op te treden.

b) Elke voordracht wordt ingediend binnen een termijn van ten minste 60 dagen voordat zij door de partijengroep wordt onderzocht, en dient vergezeld te gaan van de volgende inlichtingen:

i) informatie van biografische aard waarin de kwalificaties van de voorgedragen persoon worden opgegeven, en

ii) informatie over alle financiële belangen die de voorgedragen persoon in de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector heeft of heeft gehad, alle banden die hij met die sector heeft of heeft gehad of de betrekkingen die hij bij een partij heeft of heeft gehad, dan wel de werkzaamheden die hij voor een partij heeft uitgevoerd.

c) Vertrouwelijke informatie die op grond van letter b), onder ii), is verstrekt, wordt vertrouwelijk behandeld door degenen aan wie ze is medegedeeld.

d) De naam van elke voorgedragen persoon wordt op de lijst geplaatst als de partijengroep tot de bevinding is gekomen dat hij in aanmerking komt voor benoeming.

e) Als de door een partij voorgedragen persoon niet benoembaar wordt geacht of zich terugtrekt, of als de voordragende partij haar voordracht intrekt vóór of na plaatsing op de lijst, mag de voordragende partij een nieuwe voordracht doen, die onverwijld door de partijengroep wordt onderzocht.

AFDELING 7 Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het panel

1. De partijen en andere deelnemers eerbiedigen de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de voorzitter en de leden van het panel.

2. Panelleden mogen geen financieel belang in de zaak hebben, mogen niet in dienst zijn van één van de partijen bij het geschil en mogen geen instructies van een partij bij het geschil aanvaarden.

3. Panelleden mogen geen onderdaan van een partij bij het geschil zijn en mogen, wat de Gemeenschap betreft, geen onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn, tenzij de andere partijen daarmee instemmen.

4. Panelleden dienen elk belangenconflict of schijnbare belangenconflict te vermijden. Elk panellid dient bij zijn benoeming schriftelijk te verklaren dat er geen belangenconflict bestaat en dient ervoor te zorgen dat hij op dat ogenblik en zolang de procedure loopt alle omstandigheden kenbaar maakt die aanleiding kunnen geven tot gewettigde twijfel omtrent de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het panellid, met inbegrip van zijn betrokkenheid bij enige kwestie waarvan bekend is dat zij het voorwerp uitmaakt van een geschil tussen partijen uit hoofde van de Overeenkomst.

5. Elke partij bij het geschil mag te allen tijde een panellid wraken op grond van gewettigde twijfel omtrent zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of vanwege een belangenconflict. Over de wraking wordt beslist binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van wraking. Het gewraakte panellid kan zich terugtrekken of kan worden teruggetrokken door de autoriteit die hem heeft benoemd overeenkomstig afdeling 6; een en ander kan in geen geval worden uitgelegd als een erkenning van de gegrondheid van de redenen tot wraking. Als de gewraakte benoeming niet wordt ingetrokken, wordt er een einde aan gesteld indien de wraking gegrond wordt geacht door een ander panellid dan een door de wrakende partij benoemd lid van het panel.

AFDELING 8 Vertrouwelijke behandeling

1. De beraadslagingen van het panel, die een vertrouwelijk karakter dragen, mogen, tenzij de partijen bij het geschil in het panel dit anders beslissen, alleen worden bijgewoond door het panel en de medewerkers van het panel, voor zover de partijen bij het geschil het panel toestemming hebben verleend om medewerkers aan te trekken.

2. Vertrouwelijke informatie die aan het panel is verstrekt, mag niet openbaar worden gemaakt zonder de formele machtiging van de persoon of autoriteit die de informatie verstrekt.

a) Op verzoek van de persoon of autoriteit die vertrouwelijke informatie verstrekt, kan het panel beslissen

i) om aan het mededelen van informatie de voorwaarde te verbinden dat een overeenkomst inzake niet-openbaarmaking wordt aangegaan, en

ii) om de informatie alleen mede te delen aan de partijen bij het geschil, met uitsluiting van scheepsbouwers-deelnemers en belanghebbende partijen.

b) Als een partij of scheepsbouwer-deelnemer zich met een verzoek om dergelijke informatie tot het panel heeft gericht, maar aan het panel geen machtiging is verleend om deze informatie vrij te geven, wordt een niet-vertrouwelijke samenvatting van de informatie verstrekt die is goedgekeurd door de autoriteit of persoon die de informatie verstrekt.

c) Vertrouwelijke informatie mag niet worden gebruikt tot staving van een voor een partij of scheepsbouwer-deelnemer ongunstige conclusie als haar/zijn vertegenwoordiger geen toegang tot die informatie is verleend.

3. Het panel onderzoekt elke bewering dat een partij of deelnemer haar/zijn verplichting om het vertrouwelijke karakter van de werkzaamheden te bewaren niet is nagekomen; als het panel tot het besluit komt dat de partij haar verplichting om het vertrouwelijke karakter te bewaren, niet is nagekomen, kan het panel voor de betrokken partij of deelnemer ongunstige conclusies trekken in zijn beslissing.

4. De voorzitter onderzoekt elke bewering dat een ander panellid zijn verplichting om het vertrouwelijke karakter van de werkzaamheden van het panel te bewaren, niet is nagekomen; als de voorzitter tot het besluit komt dat het panellid zijn verplichting om het vertrouwelijke karakter te bewaren, niet is nagekomen, kan de voorzitter het panellid van zijn functie ontheffen; de betrokkene wordt in dat geval vervangen overeenkomstig afdeling 6.

5. De andere panelleden onderzoeken elke bewering dat de voorzitter zijn verplichting om het vertrouwelijke karakter van de werkzaamheden te bewaren, niet is nagekomen; als zij tot het besluit komen dat de voorzitter zijn verplichting om het vertrouwelijke karakter te bewaren, niet is nagekomen, kunnen zij de voorzitter van zijn functie ontheffen; de voorzitter wordt in dat geval vervangen overeenkomstig afdeling 6.

6. De partijen zorgen ervoor dat ten aanzien van hun onderdanen of andere personen die onder hun jurisdictie vallen, doeltreffende wettelijke maatregelen worden getroffen wanneer vertrouwelijke informatie waarvan de betrokken personen tijdens hun deelneming aan de werkzaamheden van het panel kennis hebben genomen, op ongeoorloofde wijze openbaar worden gemaakt.

AFDELING 9 Taakomschrijving

De partijen bij het geschil beschikken over ten hoogste 60 dagen na de datum waarop zij het verzoek om een panel te vormen, hebben ontvangen, om gezamenlijk een taakomschrijving aan het panel voor te leggen en daarbij de in het geding zijnde kwestie of kwesties beknopt te beschrijven. Als de partijen het niet eens kunnen worden over de taakomschrijving, wordt het panel met de volgende taak belast:

"In het licht van de desbetreffende bepalingen in de Overeenkomst inzake eerbiediging van de normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatie-industrie de kwestie vermeld in het verzoek van (naam van de partij) om op (datum) een panel te vormen, te bestuderen en de beslissingen te nemen waarin genoemde Overeenkomst voorziet.".

AFDELING 10 Memories

1. De eerste memorie van elke partij bij het geschil en elke andere deelnemer omvat een uiteenzetting van de feiten en argumenten, vergezeld van de betrokken stukken tot staving van haar/zijn standpunt. In de eerste memorie van de verzoekende partij wordt ook het onderwerp van de vordering vermeld.

a) De eerste memorie van de verzoekende partij of groep van partijen, met inbegrip van elke scheepsbouwer-deelnemer die aan dezelfde kant in het geschil staat, wordt ingediend binnen 30 dagen na de datum waarop de voorzitter is aangewezen, of na de datum waarop de taakomschrijving van het panel is voorgelegd, indien laatstgenoemde datum later valt.

b) De eerste memorie van de verwerende partij of groep van partijen, met inbegrip van elke scheepsbouwer-deelnemer die aan dezelfde kant in het geschil staat, wordt ingediend binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste memorie van de verzoekende partij of groep van partijen is ingediend.

2. De tweede memorie van elke partij bij het geschil en scheepsbouwer-deelnemer wordt ingediend binnen 20 dagen na de datum waarop de eerste memorie van de verwerende partij of groep van partijen is ingediend. Deze memorie strekt alleen tot weerlegging van de argumenten en het bewijsmateriaal van de tegenpartij en omvat eventuele aanvullende bewijsstukken.

3. Memories van andere belanghebbende partijen worden gelijktijdig ingediend met die van de partij of groep van partijen welke een standpunt verdedigt dat het dichtst bij hun standpunt ligt.

4. Binnen 20 dagen na de datum van de in afdeling 12 bedoelde mondelinge behandeling kunnen de partijen bij het geschil en elke scheepsbouwer-deelnemer aanvullende memories indienen bij het panel, alsmede antwoorden op eventuele vragen, of verzoeken om bijkomende informatie van het panel voorleggen.

AFDELING 11 Voorlopige schorsing of verlichting van tegenmaatregelen

1. In een verzoek als bedoeld in artikel 8, lid 10, letter b), onder ii), worden het bewijsmateriaal en de argumenten met betrekking tot de kans op een gunstige uitslag op grond van de merites uiteengezet en wordt de onherstelbare schade die de scheepsbouwer zou lijden als de gevraagde voorlopige voorziening niet wordt getroffen, beschreven. Het verzoek wordt de partij die het onderzoek verricht, ter kennis gebracht overeenkomstig afdeling 3.

2. Binnen 20 dagen na de datum van kennisgeving deelt de partij die het onderzoek verricht, haar antwoord op het verzoek om een voorlopige voorziening mede.

3. Binnen 20 dagen na de datum waarop het antwoord is medegedeeld, neemt het panel zijn beslissing ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening. In de beslissing van het panel worden de feitelijke bevindingen en conclusies opgenomen overeenkomstig afdeling 14.

4. Een voorlopige voorziening van het panel eindigt automatisch wanneer het panel zijn beslissing over de grond van de zaak voorlegt. Als het panel de toepassing van tegenmaatregelen handhaaft, wordt de overeenkomstig artikel 8, lid 10, van de Overeenkomst vastgestelde termijn voor tegenmaatregelen geacht te zijn opgeschort gedurende elk tijdvak waarin tegenmaatregelen voorlopig zijn geschorst. Niets in deze afdeling doet afbreuk aan de bevoegdheid van het panel ingevolge artikel 8, lid 10, letter b), onder i), van de Overeenkomst om vorderingen met betrekking tot de toepassing van tegenmaatregelen te onderzoeken.

AFDELING 12 Mondelinge behandeling

1. Binnen 21 dagen na de datum waarop de tweede memories moeten zijn ingediend, vindt een mondelinge behandeling plaats.

2. Alle panelleden dienen de mondelinge behandeling bij te wonen.

3. Het secretariaat stelt de partijen 14 dagen van tevoren in kennis van de plaats, de datum en het uur van de mondelinge behandeling.

4. Elke partij of groep van partijen beschikt over evenveel tijd om tijdens een mondelinge behandeling bewijsmateriaal voor te leggen en argumenten aan te voeren. Het panel beslist in overleg met de partijen of groep van partijen bij het geschil hoeveel tijd wordt uitgetrokken voor de mondelinge behandeling. Scheepsbouwers-deelnemers mogen, met instemming van hun partij, tijdens de mondelinge behandeling bewijsmateriaal voorleggen en argumenten aanvoeren binnen de tijd die is toegewezen aan de partij of groep van partijen die in het geschil aan dezelfde kant staan. Het panel kan in overleg met de partijen bij het geschil andere belanghebbende partijen in de gelegenheid stellen hun standpunt kenbaar te maken.

AFDELING 13 Bewijsmateriaal

1. Als het geschil betrekking heeft op een steunmaatregel als bedoeld in bijlage I, of op een tegenmaatregel als bedoeld in artikel 8, lid 9, letter b), en artikel 10, letter b), onder i), gelden de volgende bepalingen:

a) De verzoekende partij of groep van partijen legt voldoende bewijsmateriaal voor om voorshands haar beweringen te staven.

b) De verwerende partij dient voldoende bewijsmateriaal voor te leggen om aan te tonen dat de beweringen feitelijk ongegrond zijn.

c) Het panel kan in het kader van een panelprocedure te allen tijde eisen dat de partijen documenten, officiële bewijsstukken of ander bewijsmateriaal overleggen binnen een door het panel vastgestelde termijn.

d) Als een partij of andere deelnemer weigert de door het panel gevraagde informatie te verstrekken, maakt het panel gebruik van de meest betrouwbare informatie waarover het beschikt.

e) Het panel beslist over de ontvankelijkheid, de toepasselijkheid, de belangrijkheid en het gewicht van het voorgelegde bewijsmateriaal.

f) Het panel kan bij alle dienstige maatregelen die het neemt om de feiten vast te stellen, zo nodig het advies van onpartijdige deskundigen inwinnen.

g) Als er getuigen moeten worden gehoord, stelt elke partij bij het geschil en scheepsbouwer-deelnemer ten minste tien dagen vóór de mondelinge behandeling het panel en de andere partij of groep van partijen in kennis van de naam en het adres van de getuigen van de betrokken partij of deelnemer, alsmede van het onderwerp waarover de getuigen een verklaring zullen afleggen.

h) Getuigen kunnen ook ondertekende schriftelijke verklaringen overleggen.

i) Als het panel de mondelinge behandeling eenmaal heeft afgesloten, mag geen enkele partij nog memories of nader bewijsmateriaal overleggen.

2. Als het geschil betrekking heeft op een door een partij toegepaste prijsschadeheffing als bedoeld in bijlage III, gelden de volgende bepalingen:

a) De partij die de heffing toepast, zorgt ervoor dat het dossier van de prijsschadeprocedure wordt bijgehouden met het oog op nader onderzoek door het panel. Tenzij de partijen bij het geschil of de scheepsbouwer de partij die de heffing toepast hierover anders beslissen, dient het dossier als volgt te zijn samengesteld:

i) een afschrift van alle informatie die de betrokken autoriteiten is voorgelegd of die de betrokken autoriteiten hebben ontvangen in het kader van de procedure als bedoeld in bijlage III, met inbegrip van alle overheidsmemoranda waaruit hun opvatting over het recht en de feiten blijkt en waarvan wordt uitgegaan bij het nemen van een beslissing;

ii) een afschrift van de beslissing en van alle transcripten of notulen van bijeenkomsten of mondelinge behandelingen.

b) De partij die de heffing toepast, verstrekt een gedetailleerd register op het dossier en doet het dossier ook toekomen aan de andere partij of partijen bij het geschil, aan elke deelnemende scheepsbouwer en aan het panel, binnen 45 dagen na de datum waarop het verzoek is ingediend om een panel te vormen. Het dossier blijft tijdens de hele panelprocedure ter inzage beschikbaar op een gemakkelijk bereikbare lokatie die beschikt over adequate voorzieningen voor de toepassing van deze bijlage. Elke partij of deelnemende scheepsbouwer mag een afschrift van ongeacht welk onderdeel van het dossier maken en het aan het panel voorleggen. De partij die de heffing toepast, dient elk onderdeel van het dossier over te leggen op een daartoe strekkend verzoek van het panel. Als de panelprocedure niet vlot verloopt omdat de nodige stukken niet beschikbaar zijn, kan het panel overwegen een in deze bijlage vermelde termijn te verlengen. Dit punt geldt onder voorbehoud van afdeling 8, punt 2.

c) Het panel onderzoekt in overeenstemming met artikel 8, lid 6, van deze Overeenkomst de kwestie aan de hand van de feiten die overeenkomstig toepasselijke binnenlandse procedures zijn verstrekt aan de autoriteiten van de partij die het onderzoek verricht. Het panel kan een kwestie op billijkheidsgronden terugverwijzen naar de met het onderzoek belaste autoriteit om opnieuw te worden onderzocht aan de hand van bewijsmateriaal dat tijdens het onderzoek niet is verstrekt, op voorwaarde dat dit bewijsmateriaal op het ogenblik van het onderzoek wel bestond, maar toen niet met gepaste zorgvuldigheid kon worden verstrekt (1).

AFDELING 14 Beslissingen

1. Het panel doet uitspraken of neemt beslissingen bij meerderheid.

2. In elke beslissing van het panel worden de feitelijke bevindingen, conclusies en redenen waarop de beslissing berust, opgenomen.

3. Het panel houdt op passende wijze rekening met niet-bindende adviezen en beschouwt alle door de partijengroep uitgebrachte definitieve en bindende adviezen als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst als concludent.

4. Binnen 30 dagen na de datum waarop de mondelinge behandeling is afgesloten, legt het panel de partijen bij het geschil en andere deelnemers zijn voorlopige beslissing voor.

5. Elke partij of groep van partijen en elke scheepsbouwer-deelnemer heeft gedurende 20 dagen de tijd om schriftelijk bezwaar in te dienen tegen elk onderdeel van de voorlopige beslissing van het panel waarmee de partij, groep van partijen of deelnemer het niet eens is.

6. Het panel kan, als er bezwaren zijn ingediend, elke partij of andere deelnemer verzoeken haar/zijn standpunt ook schriftelijk mede te delen en onderzoekt zijn voorlopige beslissing nader.

7. Het panel maakt zijn definitieve beslissing schriftelijk kenbaar binnen 180 dagen na de datum waarop de voorzitter is aangewezen.

8. Als de partijen er niet in slagen het geschil anders op te lossen, wordt de beslissing van het panel 15 dagen nadat het panel zijn beslissing heeft voorgelegd, openbaar gemaakt.

AFDELING 15 Kosten

De partijen bij het geschil dragen de door het panel toegewezen procedurekosten.

AFDELING 16 Algemene bepalingen

1. Het panel kan zijn procedureregels aanvullen in overeenstemming met artikel 8 van de Overeenkomst en de andere bepalingen van deze bijlage.

2. Het panel en een partij, deelnemer, deskundige of getuige mogen niet met elkaar in contact treden buiten medeweten van de andere partij.

3. Een panel dat een beslissing heeft voorgelegd waarbij een partij of scheepsbouwer wordt gelast maatregelen te nemen, blijft in functie totdat uitvoering is gegeven aan de beslissing, of gedurende een redelijke termijn na de uiterste datum die voor de naleving van de beslissing is vastgesteld, zulks voor het geval zich geschillen met betrekking tot de naleving, met inbegrip van de tegenmaatregelen, voordoen.

(1) Het is op grond van deze bepaling niet toegestaan een kwestie terug te verwijzen om opnieuw te worden onderzocht op grond van studies van deskundigen en rapporten die na het onderzoek zijn voltooid en die berusten op bewijsmateriaal dat met gepaste zorgvuldigheid voor dat doel tijdens het onderzoek had kunnen worden verstrekt.

MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR SCHEPEN

INHOUDSOPGAVE

Bladzijde

Tekst van het Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen . 38

Aantekeningen en referenties . 40

Bijlage I: Toezeggingen in verband met toekomstige werkzaamheden en overgangsregeling . 41

Bijlage II: Standaardformulier voor kennisgevingen uit hoofde van de clausules 6, 8 en 9 . 43

Bijlage III: Bepalingen overgenomen uit de regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten . 45

- Desbetreffende bepalingen . 45

- Aantekeningen op bijlage III . 51

- Protocol bij bijlage III . 53

- Aanhangsels I tot en met III bij bijlage III . 54

- Aantekening 2 bij bijlage III . 58

1. De deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming komen overeen voor elk contract betreffende een nieuw zeeschip of een scheepsverbouwing (1) (2) (3) waarover vanaf de inwerkingtreding van dat memorandum wordt onderhandeld, de bestaande officiële faciliteiten (4) op het gebied van exportkredieten af te schaffen en geen enkele andere nieuwe officiële faciliteit in te stellen voor condities inhoudende:

i) een maximale krediettermijn van meer dan twaalf jaar na de levering, en aflossing anders dan in gelijke termijnen met regelmatige tussenpozen van normaal zes maanden en hoogstens twaalf maanden (. . .);

ii) betaling tot en met de levering van minder dan 20 % van de contractprijs;

iii) een rentevoet (5) van minder dan de commerciële referentierentevoet (CIRR) (6) van de valuta waarin het krediet luidt (7*).

2. De minimumrentevoet is van toepassing op het krediet dat met overheidssteun wordt verleend door de bouwer aan de afnemer (in geval van een transactie met leverancierskrediet) of door een bank of een andere derde in het land van de bouwer aan de afnemer of aan een derde in het land van de afnemer (in geval van een transactie met financieringskrediet), ongeacht of deze overheidssteun voor het gehele krediet of slechts een gedeelte daarvan wordt toegekend.

3. De minimumrentevoet is eveneens van toepassing op kredieten die worden verleend met steun van de regeringen die aan dit Memorandum van Overeenstemming deelnemen, in het land van de bouwer aan deze of aan een andere derde, teneinde kredieten te kunnen verlenen aan de reder of een andere derde in het land van de reder, ongeacht of deze overheidssteun voor het gehele krediet of slechts een gedeelte daarvan wordt toegekend.

4. Voor zover andere overheidsinstanties deelnemen aan maatregelen ter bevordering van de export, komen de deelnemers overeen al hun invloed aan te wenden om te voorkomen dat de export wordt gefinancierd onder voorwaarden die in strijd zijn met bovenvermelde beginselen.

5. Wat betreft de regel dat regeringen (of speciale instellingen die door regeringen worden gecontroleerd) geen officiële exportkredietgarantie of verzekeringsprogramma's mogen verstrekken tegen premietarieven die niet volstaan om de exploitatiekosten en verliezen op lange termijn van de programma's te dekken, komen de deelnemers overeen dat deze regel ook betrekking dient te hebben op schepen.

6. Iedere deelnemer aan het Memorandum van Overeenstemming die, zuiver om redenen van hulpverlening, in een bijzonder geval gunstigere voorwaarden wenst toe te staan, mag zulks doen op voorwaarde dat:

a) alle deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming daarvan tijdig in kennis worden gesteld, als toegelicht in bijlage II, afdelingen A en C, en in bijlage III, punten 15, onder c) en d), 17 en 18;

b) het concessionaliteitsniveau van gebonden en gedeeltelijk ongebonden hulp, als omschreven in bijlage III, punt 24, onder i) en n), en de noten 12 tot en met 15, bedraagt ten minste 50 % voor minstontwikkelde landen (MOL) en ten minste 35 % voor andere landen van eindbestemming; punt 24, onder d), nummer 3, van bijlage III is van toepassing;

c) de voorwaarden die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren voor gebonden en gedeeltelijk ongebonden hulp en de procedures worden gevolgd die zijn omschreven in punten 7, onder b), 8, 10, onder b), 12, onder b), 14, 15, onder e), 19, 24, onder d), nummer 3, 24, onder i), noten 5 tot en met 8, het protocol, aanhangsel I en aanhangsel II van bijlage III;

d) bevestigd wordt dat het schip tijdens de looptijd van het krediet niet onder goedkope vlag zal worden geëxploiteerd en dat voldoende is verzekerd dat de uiteindelijke eigenaar verblijf houdt in het ontvangende land, geen niet-operationele dochteronderneming is van een buitenlandse belangengroep en zich ertoe heeft verbonden het schip niet te verkopen zonder goedkeuring van zijn overheid.

7. De deelnemers erkennen dat slechts zelden en bij uitzondering een beroep zal worden gedaan op punt 14, onder a), nummer 3 van bijlage III. Wanneer een partij van oordeel is dat niet zelden en bij uitzondering gebruik wordt gemaakt van punt 14, onder a), nummer 3, kan zij de partijengroep van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector (hieronder de "Overeenkomst" genoemd) verzoeken de situatie onmiddellijk te onderzoeken om te besluiten of corrigerende maatregelen nodig zijn dan wel of de Overeenkomst dient te worden gewijzigd in overeenstemming met artikel 11 daarvan. In afwachting van de afronding van dit onderzoek, dat binnen één jaar moet zijn voltooid, stellen de deelnemers alles in het werk om zich niet te verbinden tot enige transactie bedoeld in punt 14, onder a), van bijlage III. Indien na één jaar geen overeenstemming is bereikt over aanvaardbare corrigerende maatregelen, staat het de deelnemers opnieuw vrij predominante niet-commerciële redenen in te roepen.

8. Een deelnemer heeft het recht kredietvoorwaarden waarvan krachtens clausule 6 of clausule 9 kennis dient te worden gegeven, alsmede door een niet-deelnemer geboden kredietvoorwaarden te matchen. De geldigheidsduur van een matching-verbintenis mag de einddatum van de te matchen verbintenis niet overschrijden. De deelnemers matchen door voorwaarden aan te bieden die met dit Memorandum van Overeenstemming overeenstemmen, tenzij het aanvangsaanbod niet met dit Memorandum overeenstemt. Een deelnemer die voornemens is kredietvoorwaarden te matchen:

a) waarvan door een andere deelnemer kennis is gegeven, volgt de procedures omschreven in:

i) punt 16, onder a), van bijlage III, indien clausule 6 of clausule 9 van dit Memorandum van Overeenstemming van toepassing is op het aanvangsaanbod;

ii) punt 16, onder c), van bijlage III, wanneer het aanvangsaanbod een niet-conforme eerdere verbintenis is;

b) die door een niet-deelnemer worden geboden, volgt de in punt 16, onder d), van bijlage III omschreven procedure.

9. In afwijking van de operationele bepalingen van het protocol en van aanhangsel I bij bijlage III moet een deelnemer, indien hij voornemens is voorwaarden te steunen die niet in overeenstemming zijn met clausule 1 van het Memorandum van Overeenstemming en die niet strijdig zijn met de toezegging om niet af te wijken, in punt 12, onder a), van bijlage III, tijdig kennisgeving daarvan doen, als bedoeld in bijlage III en bijlage II van het Memorandum van overeenstemming.

10. Iedere deelnemer aan dit Memorandum van Overeenstemming kan van iedere andere deelnemer inlichtingen verkrijgen over de voorwaarden van alle overheidssteun voor een exportcontract, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze geen inbreuk maken op dit Memorandum. De deelnemers verbinden zich ertoe alle gevraagde inlichtingen voor zover mogelijk en zo spoedig mogelijk te verstrekken. Iedere deelnemer kan de secretaris-generaal, volgens de regels en de gebruiken van de OESO, verzoeken in voornoemde zaak namens hem op te treden en de verkregen inlichtingen aan alle deelnemers aan dit Memorandum van Overeenstemming mede te delen.

11. Iedere deelnemer verbindt zich ertoe de secretaris-generaal in kennis te stellen van zijn systeem voor het verlenen van overheidssteun en van de wijze van uitvoering van dit Memorandum van Overeenstemming.

12. De deelnemers aan dit Memorandum van Overeenstemming werken nauw samen met de deelnemers aan de regeling, om ervoor te zorgen dat aangelegenheden van wederzijds belang op samenhangende wijze worden behandeld. De voorzitter van de deelnemers aan de regeling zal worden verzocht deel te nemen aan de desbetreffende besprekingen van de groep van het Memorandum van Overeenstemming.

13. Het Memorandum van Overeenstemming wordt van kracht bij de inwerkingtreding van de overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de scheepsbouw- en scheepsreparatiesector. Deelnemers zijn de partijen bij die overeenkomst, de deelnemers aan de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen (document nr. C(81)103 (def.)) die de huidige herzieningen hebben aanvaard, en alle andere landen die over een scheepsbouw- en scheepsreparatiesector beschikken en die op verzoek van de andere deelnemers het Memorandum van Overeenstemming hebben aanvaard.

14. Het Memorandum van Overeenstemming wordt, telkens wanneer de deelnemers hierom verzoeken en in ieder geval ten minste eenmaal per jaar, aan een onderzoek onderworpen. Bij een dergelijk onderzoek mogen de deelnemers wijzigingen aannemen van het Memorandum van Overeenstemming die in werking treden op de datum die de deelnemers bij de aanneming van de wijziging hebben vastgesteld, tenzij een deelnemer de secretaris-generaal in kennis heeft gesteld van een bezwaar. Een deelnemer die geen partij is bij de Overeenkomst kan uit het Memorandum van Overeenstemming treden na één jaar van tevoren van zijn voornemen daartoe kennis te hebben gegeven. In de loop van deze periode komen, indien één van de deelnemers daarom verzoekt, de deelnemers bijeen om het Memorandum van Overeenstemming aan een onderzoek te onderwerpen en iedere andere deelnemer die geen partij is bij de Overeenkomst kan, na zijn partners van zijn voornemen in kennis te hebben gesteld, uit het Memorandum van Overeenstemming treden op dezelfde datum als de deelnemer die het eerst zijn deelneming heeft opgezegd.

Aantekeningen en referenties

(1*) Zie ook bijlage I.

(2) Het Memorandum van Overeenstemming heeft betrekking op alle nieuwe zeeschepen van 100 brt en meer die worden gebruikt voor het vervoer van goederen of personen of voor het verrichten van speciale diensten (bij voorbeeld vissersschepen, fabrieksschepen, ijsbrekers alsook baggerschepen, die op permanente wijze door hun voortstuwings- en besturingssysteem alle kenmerken vertonen van autonome bestuurbaarheid in volle zee), sleepboten van 365 kW en meer, en niet afgewerkte casco's die drijvend en mobiel zijn. Het Memorandum heeft geen betrekking op militaire vaartuigen. Drijvende dokken en mobiele offshore-installaties vallen niet onder het Memorandum, doch indien er problemen zouden rijzen in verband met exportkredieten voor dergelijke installaties dan kan de werkgroep van de raad inzake scheepsbouw, na onderzoek van gemotiveerde verzoeken van de deelnemende regeringen, besluiten dat zij wel onder het Memorandum vallen.

(3) Onder "scheepsverbouwing" wordt verstaan elke verbouwing van zeeschepen van meer dan 1 000 brt voor zover de uitgevoerde werkzaamheden een radicale wijziging van het laadplan, de romp of het voortstuwingsmechanisme meebrengen.

(4) Schepen van het type Hovercraft vallen niet onder het Memorandum van Overeenstemming. De deelnemers mogen exportkredieten toekennen voor dergelijke schepen op dezelfde voorwaarden als die van het Memorandum van Overeenstemming. Zij verbinden zich ertoe met mate gebruik te maken van deze mogelijkheid en dergelijke kredietvoorwaarden niet toe te kennen voor schepen van het type Hovercraft in gevallen waarin is vastgesteld dat er geen concurrentie bestaat onder de voorwaarden van het Memorandum van Overeenstemming.

In het Memorandum van Overeenstemming wordt onder "Hovercraft" verstaan een amfibievoertuig van ten minste 100 ton, ontworpen om uitsluitend te worden gedragen door lucht die uit het voertuig wordt geblazen en een luchtkussen vormt, vastgehouden binnen een soepele rok langs de rand van het voertuig en het grond- of wateroppervlak onder het voertuig, en dat kan worden voortgestuwd en bestuurd door middel van luchtschroeven of door omsloten ventilatoren of soortgelijke toestellen.

Overeengekomen wordt dat het toekennen van exportkredieten tegen dezelfde voorwaarden als die van de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen beperkt dient te blijven tot luchtkussenvaartuigen die worden gebruikt op zeeroutes en niet-landroutes, behalve om terminalinstallaties te bereiken die zich op ten hoogste 1 km afstand van het water bevinden.

(5) Officiële faciliteiten zijn die waarvoor de verzekering, de garantie of de financiering van de kredieten kan worden verricht door regeringen, overheidsinstellingen of met enigerlei vorm van directe of indirecte overheidsdeelneming.

(6) Rente omvat niet: enigerlei betaling uit hoofde van premie of andere kosten voor het verzekeren of garanderen van leverancierskredieten of financieringskredieten; enigerlei andere betaling uit hoofde van andere met het exportkrediet verband houdende bankkosten of provisies dan de jaarlijkse of halfjaarlijkse bankkosten die gedurende de gehele krediettermijn verschuldigd zijn, en door het importerende land geheven bronbelastingen.

(7) Als omschreven in aanhangsel III en de noot bij bijlage III.

(8) Uit de clausules 1 tot en met 4 vloeit voort dat alle kredietvoorwaarden van clausule 1 worden toegepast als een geheel van bindende voorwaarden voor alle exportkredieten voor schepen met overheidssteun, met inbegrip van de transactie met leverancierskrediet tussen de exporteur en de afnemer.

BIJLAGE I

TOEZEGGINGEN IN VERBAND MET TOEKOMSTIGE WERKZAAMHEDEN EN OVERGANGSREGELING

TOEZEGGINGEN IN VERBAND MET TOEKOMSTIGE WERKZAAMHEDEN

De deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming verzoeken de deelnemers aan de regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten een voorstel te doen voor een twaalfjarige commerciële referentierentevoet (CIRR), de vaststelling daarvan te baseren op het huidige CIRR-stelsel en de wijzigingen daarvan tot het nodige te beperken. Vervolgens zullen de deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming vóór 31 december 1994 de twaalfjarige CIRR vaststellen op basis van het voorstel van de deelnemers aan de regeling. De Republiek Korea dient te worden uitgenodigd op de door de deelnemers aan de regeling over dit onderwerp gevoerde besprekingen.

De deelnemers aan de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen werken samen met de deelnemers aan de regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten om voor de nodige samenhang tussen de Overeenkomst en die regeling te zorgen.

In het kader van deze samenwerking komen de deelnemers overeen:

a) de besprekingen over de regels inzake het gebruik van hulpkredieten voor de export van schepen voort te zetten met het oog op het verscherpen daarvan;

b) op grond van de ervaring een illustratieve lijst van scheepstypen op te stellen die algemeen als niet commercieel levensvatbaar worden beschouwd;

c) vraagstukken te bespreken die verband houden met "tweede loketten" in samenhang met de studie over zuivere dekking;

d) vraagstukken te bespreken die verband houden met artificiële rentevoeten. De deelnemers zullen alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat gedurende deze besprekingen geen artificiële rentevoeten worden toegepast;

e) in het Memorandum van Overeenstemming de relevante resultaten van de OESO-studie over premies te verwerken om distorsie van het handelsverkeer, veroorzaakt door premies dan wel door daarmee verband houdende voorwaarden, uit te schakelen.

ZUIVERE DEKKING

1. De deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming komen overeen in 1994 besprekingen te voeren over transacties met "zuivere dekking", waarbij de enige overheidssteun bestaat in het verlenen van een garantie. Binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector ("de Overeenkomst"), of zo snel mogelijk daarna, zal een verslag worden overgelegd waarin oplossingen voor dit probleem worden aanbevolen. De deelnemers werken bij dit onderzoek samen door om de drie maanden informatie te verstrekken over alle scheepsbouwcontracten die zijn gebaseerd op leninggaranties waarvoor de rentevoeten daadwerkelijk lager liggen dan de CIRR.

2. Iedere deelnemer mag om overleg met een andere deelnemer verzoeken en via het secretariaat bespreking in de partijengroep vragen indien hij van oordeel is dat de elementen van de transacties met zuivere dekking niet binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst vallen.

3. Tijdens de periode van twee jaar volgende op de inwerktreding van de Overeenkomst worden transacties tegen commerciële rentevoeten, andere dan de CIRR, toegestaan op voorwaarde dat de garantie geen voordeel toekent in de algemene zin van die in de Overeenkomst gebruikte term.

4. Na die periode zijn dergelijke transacties niet meer toegestaan, tenzij alle deelnemers ermee instemmen om de periode van twee jaar te verlengen.

5. Een deelnemer die voornemens is transacties met zuivere dekking te steunen, dient dit ten minste tien kalenderdagen voordat hij enige verbintenis aangaat ter kennis te brengen van alle andere deelnemers aan het Memorandum van Overeenstemming.

De kennisgeving dient te geschieden in overeenstemming met bijlage II en dient beperkt te blijven tot punten 1 tot en met 7, onder a) en 8, onder b).

6. Een deelnemer geeft op verzoek van een andere deelnemer onmiddellijk een afdoend antwoord op vragen in overeenstemming met aanhangsel I bij bijlage III (Systeem voor uitwisseling van informatie).

GARANTIES

1. Om de doorzichtigheid te vergroten verstrekken de deelnemers jaarlijks via het secretariaat informatie over:

a) de regelingen die worden toegepast voor het verstrekken van officiële garanties en verzekeringen voor exportkredieten voor schepen, en

b) de volgende gegevens over de onder a) bedoelde regelingen:

- jaarresultaten

- betaalde claims

- inkomsten uit premies en provisies

- inkomsten uit terugvorderingen

en andere relevante informatie indien nodig.

BIJLAGE II

STANDAARDFORMULIER VOOR KENNISGEVINGEN UIT HOOFDE VAN DE CLAUSULES 6, 8 EN 9

Voor kennisgevingen uit hoofde van de clausules 6, 8 en 9 moeten de volgende gegevens via real-time-verbindingen in onderstaande vorm aan alle deelnemers en het secretariaat worden medegedeeld:

1. Naam van de autoriteit/instelling die is belast met de kennisgevingen uit hoofde van het Memorandum van Overeenstemming.

2. Referentienummer (kenletters van het land dat de kennisgeving doet; jaar).

3. Kennisgeving uit hoofde van:

- clausule 6: hulpfinanciering,

- clausule 8: matching,

- clausule 9: afwijking,

- clausule 5 in bijlage I: transactie met zuivere dekking.

4. Land van afnemer/kredietnemer.

5. Naam, adres en status (openbaar/particulier) van afnemer/kredietnemer.

6. Aantal schepen en scheepstype (dwt, grt, en/of kW). Eventueel sluitingsdatum van de inschrijving; afloopdatum van de kredietlijn.

7. a) Waarde van het contract;

b) waarde van het krediet of van de kredietlijn;

c) waarde van het nationale aandeel van de exporteur;

d) minimumcontractwaarde in het kader van de kredietlijn.

Deze waarden dienen als volgt te worden aangegeven:

- Het juiste bedrag in de valuta waarin een kredietlijn luidt.

Deze waarden dienen overeenkomstig de hierna volgende schaal volgens orde van grootte in bijzondere trekkingsrechten (SDR) te worden aangegeven:

Klasse I: tot 1 000 000 SDR Klasse II: van 1 000 000 tot 2 000 000 SDR Klasse III: van 2 000 000 tot 3 000 000 SDR Klasse IV: van 3 000 000 tot 5 000 000 SDR Klasse V: van 5 000 000 tot 7 000 000 SDR Klasse VI: van 7 000 000 tot 10 000 000 SDR Klasse VII: van 10 000 000 tot 20 000 000 SDR Klasse VIII: van 20 000 000 tot 40 000 000 SDR Klasse IX: van 40 000 000 tot 80 000 000 SDR Klasse X: van 80 000 000 tot 120 000 000 SDR Klasse XI: van 120 000 000 tot 160 000 000 SDR Klasse XII: van 160 000 000 tot 200 000 000 SDR Klasse XIII: van 200 000 000 tot 240 000 000 SDR Klasse XIV: van 240 000 000 tot 280 000 000 SDR Klasse XV: van 280 000 000 SDR (*). (*) Vermeldt het werkelijke niveau in veelvouden van 40 000 000 SDR.

Bij gebruik van deze schaal de valuta van het contract vermelden.

8. Kredietvoorwaarden welke de kennisgevende instelling voornemens is te steunen (of heeft gesteund):

a) contante betalingen;

b) krediettermijn (met vermelding van de aanvangsdatum van de krediettermijn, de frequentie van de aflossingen en of deze aflossingen in gelijke bedragen plaatsvinden);

c) rentevoet.

9. Alle andere ter zake dienende gegevens, met inbegrip van verwijzingen naar verwante gevallen en eventueel:

a) motivering van matching (vermeldt referentienummer van de kennisgeving naar aanleiding waarvan matching plaatsvindt of andere referenties);

b) totaal concessionaliteitsniveau van de gebonden en gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering berekend overeenkomstig punt 24, onder n), en discontopercentage dat bij de berekening van dit concessionaliteitsniveau gebruikt is;

c) behandeling van contante betalingen bij de berekening van het concessionaliteitsniveau;

d) ontwikkelingshulp, vooraf gemengd krediet of gecombineerde financiering;

e) beperkingen op het gebruik van kredietlijnen.

INZAMELING VAN GEGEVENS UIT HOOFDE VAN CLAUSULE 10

Elk verzoek om informatie die een deelnemer van een andere deelnemer wenst te ontvangen, dient rechtstreeks tot het betrokken land te worden gericht, met een kopie aan het secretariaat en met vermelding van de motieven. Ook van het antwoord, dat zo snel mogelijk dient te worden gegeven, moet een kopie aan het secretariaat worden toegezonden.

BESLECHTING VAN GESCHILLEN TUSSEN TWEE DEELNEMERS

Voorafgaande kennisgevingen en elke daaropvolgende bespreking geschieden normaal via real-time-verbindingen.

Elk geschil tussen twee deelnemers dient, indien mogelijk, op bilaterale wijze te worden geregeld. Het secretariaat wordt in voorkomend geval op de hoogte gehouden.

De secretaris-generaal wordt, in overeenstemming met clausule 12, alleen gevraagd tussenbeide te komen indien de bilaterale aanpak geen bevredigende oplossing heeft opgeleverd.

WIJZIGINGEN IN DE REGELINGEN VOOR DE TOEKENNING VAN OVERHEIDSSTEUN VOOR DE EXPORT VAN SCHEPEN EN IN DE MIDDELEN VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN HET MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING

In overeenstemming met clausule 11 van het Memorandum van Overeenstemming moeten de deelnemers alle soortgelijke wijziginen ter kennis brengen van de secretaris-generaal.

Een dergelijke kennisgeving moet automatisch gebeuren, dit wil zeggen zodra een wijziging plaatsvindt, of indien mogelijk van tevoren, opdat het secretariaat de informatie zonder uitstel kan verspreiden.

BIJLAGE III

BEPALINGEN OVERGENOMEN UIT DE REGELING INZAKE RICHTSNOEREN VOOR DOOR DE OVERHEID GESTEUNDE EXPORTKREDIETEN

7 b): (MAXIMALE GELDIGHEIDSDUUR VAN VERBINTENISSEN (*), EERDERE VERBINTENISSEN EN BEPAALDE HULPVERBINTENISSEN)

De deelnemers stellen de kredietvoorwaarden voor afzonderlijke, gebonden of gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering met een lager concessionaliteitsniveau dan het in punt 12, letter b), onder i), voorgeschreven minimum niet vast voor een langere periode dan één jaar. Hulpprotocollen, hulpkredietlijnen of soortgelijke regelingen mogen niet gelden voor meer dan twee jaar na de ondertekening. De verlenging van een concessionele kredietlijn wordt aangemeld alsof het een nieuwe transactie betreft, met een aantekening dat het om een verlenging gaat onder de voorwaarden die op het tijdstip van kennisgeving van de verlenging zijn toegestaan.

8. (HANDELSGERELATEERDE CONCESSIONELE OF HULPKREDIETEN (5))

a) Criteria

Dit onderdeel is niet van toepassing op concessionele of hulpkredieten, hetzij gebonden hetzij gedeeltelijk ongebonden (*), met een waarde van minder dan 2 miljoen SDR, of op die waarvan het concessionaliteitsniveau 80 % of meer bedraagt, met uitzondering van concessionele of hulpkredieten of schenkingen die deel uitmaken van een gecombineerd (gemengd) kredietpakket en vallen onder het bepaalde in noot 12 van deze bijlage. In elk geval is afwijking van deze voorschriften mogelijk indien de deelnemers deze overeenkomen door middel van een procedure inzake een gemeenschappelijke gedraglijn (6).

i) Gebonden en gedeeltelijk ongebonden concessionele of hulpkredieten, behalve kredieten voor minstontwikkelde landen (MOL), worden niet toegekend voor openbare of particuliere projecten die normaliter commercieel levensvatbaar zouden zijn indien gefinancierd tegen voorwaarden van de markt of van het Memorandum van Overeenstemming.

De voornaamste criteria om voor een dergelijke hulpfinanciering in aanmerking te komen, zijn de volgende:

- Het project is financieel niet levensvatbaar, dat wil zeggen dat het met prijzen gebaseerd op de marktvoorwaarden niet in staat is een toereikende cash flow op te brengen om de bedrijfskosten, aflossingen en rentebetalingen te dekken, of

- op grond van overleg met andere deelnemers kan redelijkerwijze worden geconcludeerd dat het project waarschijnlijk niet tegen voorwaarden van de markt of van het Memorandum van Overeenstemming kan worden gefinancierd.

Op grond van bovengenoemde criteria kan worden omschreven hoe een project moet worden beoordeeld teneinde vast te stellen of het met een dergelijke hulpfinanciering of met exportkredieten tegen voorwaarden van de markt of het Memorandum van Overeenstemming zou moeten worden gefinancierd. Verwacht wordt dat in de loop van de tijd via het overleg voldoende ervaring wordt opgedaan waardoor zowel exportkrediet- als hulpinstellingen over meer gedetailleerde ex ante richtsnoeren zullen kunnen beschikken met betrekking tot het onderscheid tussen de twee categorieën projecten.

ii) Er worden geen gebonden of gedeeltelijk ongebonden concessionele of hulpkredieten toegekend voor landen die op grond van het BNP per capita niet in aanmerking komen voor leningen met een looptijd van 17 of 20 jaar van de Wereldbank (7).

b) Afwijkingsprocedure

De deelnemers kunnen afwijken van de onder a) bedoelde voorschriften door de procedures van punt 14 volgen.

c) Procedure voor kennisgeving

i) Indien een deelnemer voornemens is handelsgerelateerde gebonden of gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering

- met een waarde van 2 miljoen SDR of meer en een concessionaliteitsniveau van 80 % of meer, of

- met een waarde van minder dan 2 miljoen SDR en een concessionaliteitsniveau van 50 % of meer,

te steunen, stelt hij alle deelnemers en het secretariaat hiervan in kennis volgens de procedure van punt 15, onder d).

ii) Indien een deelnemer voornemens is handelsgerelateerde ongebonden, gebonden of gedeeltelijk ongebonden hulpkredieten die niet onder i) vallen, te steunen, geeft hij hiervan, onverminderd de door de commissie voor ontwikkelingsbijstand gevolgde procedures voor officiële ontwikkelingshulp, kennis overeenkomstig de procedures van punt 15, onder c), indien het concessionaliteitsniveau (*) minder dan 80 % bedraagt. Concessionele of hulpkredieten of schenkingen die deel uitmaken van een gecombineerd (gemengd) kredietpakket blijven onderworpen aan de bepalingen van noot 12 van deze bijlage.

iii) Geen kennisgeving is vereist voor ongebonden hulpfinanciering met een waarde van minder dan 2 miljoen SDR en een schenkingselement van meer dan 50 %.

iv) Uitzonderingen voor kleine projecten en technische bijstand:

De in de punten 12, onder b), en 15, onder c) en d), bedoelde kennisgevingen zijn niet van toepassing op de volgende transacties:

- hulpfinanciering waarbij de component officiële ontwikkelingshulp alleen bestaat uit technische samenwerking die minder bedraagt dan hetzij 3 % van de totale waarde van de transactie hetzij 1 miljoen US$, waarbij het laagste bedrag in aanmerking wordt genomen, en

- kapitaalprojecten van minder dan 1 miljoen US$ die volledig worden gefinancierd met ontwikkelingshulpschenkingen.

10. (MORELE VERBINTENIS VAN DE DEELNEMERS)

a) Doelstellingen

1. De in dit Memorandum van Overeenstemming neergelegde richtsnoeren behelzen de gunstigste kredietvoorwaarden die de deelnemers bij het verlenen van overheidssteun mogen bieden. Alle deelnemers zijn zich bewust van het risico dat deze richtsnoeren gaandeweg als de normale voorwaarden zullen worden beschouwd. Derhalve verbinden zij zich ertoe de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat dit risico wordt verwezenlijkt.

2. In het bijzonder zullen de deelnemers, wanneer in een afzonderlijke tak van handel of industrie waarop dit Memorandum van Overeenstemming van toepassing is, voor de afnemers minder gunstige kredietvoorwaarden dan de hierboven in het Memorandum van Overeenstemming omschreven voorwaarden gebruikelijk zijn, zulke gebruikelijke voorwaarden in acht blijven nemen en al het mogelijke doen om te voorkomen dat deze voorwaarden worden uitgehold als gevolg van de toepassing van de in dit Memorandum van Overeenstemming vervatte kredietvoorwaarden.

b) Vaste verbintenis

Overeenkomstig de onder a) aangegeven doelstellingen gaan de deelnemers, in het besef van de voordelen die verbonden kunnen zijn aan de vaststelling van een duidelijk omschreven gemeenschappelijke gedragslijn ten aanzien van de kredietvoorwaarden voor een bepaalde transactie, de vaste verbintenis aan om:

1. de bestaande kennisgevingsprocedures strikt in acht te nemen en in het bijzonder uiterlijk op het vastgestelde tijdstip vóór het aangaan van een verbintenis een voorafgaande kennisgeving te doen en alle nadere gegevens te verschaffen die in het in aanhangsel I van deze bijlage opgenomen formulier worden gevraagd;

2. optimaal gebruik te maken van de bestaande regelingen voor het uitwisselen van informatie (zie aanhangsel I van deze bijlage) in een vroeg stadium teneinde een gemeenschappelijke beleidslijn ten aanzien van de kredietvoorwaarden voor bepaalde transacties te bepalen;

3. bereid te zijn tot rechtstreeks overleg als een deelnemer in geval van belangrijke transacties daarom verzoekt, overeenkomstig het protocol bij deze bijlage.

11. (MATCHING)

Een deelnemer heeft het recht kredietvoorwaarden waarvan krachtens punt 15 kennis dient te worden gegeven, alsmede door een niet-deelnemer geboden kredietvoorwaarden te matchen. De geldigheidsduur van een matching-verbintenis mag de einddatum van de te matchen verbintenis niet overschrijden. De deelnemers matchen door voorwaarden aan te bieden die met dit Memorandum van Overeenstemming overeenstemmen, tenzij het aanvangsaanbod niet met dit Memorandum overeenstemt. Een deelnemer die voornemens is kredietvoorwaarden te matchen:

a) waarvan door een andere deelnemer kennis is gegeven, volgt afhankelijk van het geval de in punt 16, onder a), of c), omschreven procedure;

b) die door een niet-deelnemer worden geboden, volgt de in punt 16, onder b), omschreven procedure.

12. (TOEZEGGING OM NIET AF TE WIJKEN)

De deelnemers onthouden zich van:

a) afwijking van de richtsnoeren op het stuk van maximumkrediettermijnen (ongeacht de vorm van de steun), minimumrentevoeten en de beperking van de geldigheidsduur van de verbintenissen tot ten hoogste zes maanden, alsmede van verlenging van de toepasselijke krediettermijn door de aflossingsvrije periode langer te laten duren dan de gebruikelijke zes maanden na de aanvangsdatum,

b) gebruikmaking van de mogelijkheid die in punt 15 van deze bijlage wordt geboden om gebonden of gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering te steunen:

i) met een concessionaliteitsniveau van minder dan 35 %, of 50 % indien het ontvangende land een minstontwikkeld land (MOL) is zoals gedefinieerd door de Verenigde Naties, of

ii) niet voldoet aan de in punt 8, letter a), onder ii), van deze bijlage omschreven voorwaarden om voor hulpfinanciering in aanmerking te komen (6).

14. (OVERLEG)

a) 1. Elke deelnemer die opheldering wenst over een mogelijke commerciële motivering voor een gebonden of een gedeeltelijk ongebonden hulpkrediet kan verzoeken dat een volledige kwaliteitsbeoordeling van de hulp wordt verstrekt (zie aanhangsel II van deze bijlage). Elke deelnemer kan ingevolge de punten 2 tot en met 4 hierna verzoeken om overleg (8) met andere deelnemers, waaronder rechtstreeks overleg, teneinde te bespreken:

- ten eerste, of een aangeboden hulpkrediet voldoet aan de criteria van punt 8, onder a);

- indien nodig, of een aangeboden hulpkrediet gerechtvaardigd is zelfs wanneer niet aan de criteria van punt 8, onder a), wordt voldaan.

2. Het overleg wordt afgerond en het secretariaat deelt de bevindingen ten aanzien van de twee vragen in punt 1 aan alle deelnemers mede ten minste tien werkdagen vóór de eerste van de volgende twee data: de sluitingsdatum voor de indiening van offertes of de datum van verbintenis. Wanneer de overleg plegende partijen het niet met elkaar eens zijn, verzoekt het secretariaat andere deelnemers binnen vijf werkdagen hun standpunt mede te delen. Het brengt deze standpunten ter kennis van de deelnemers die de kennisgeving heeft verricht. Indien het aangeboden hulpkrediet niet in aanzienlijke mate wordt ondersteund, dient deze deelnemer te overwegen of hij al dan niet met de zaak doorgaat.

3. Een donor die ondanks het ontbreken van aanzienlijke ondersteuning een project wenst aan te vangen, stelt de andere deelnemers hiervan vooraf in kennis. Hij zet in een brief aan het secretariaat-generaal van de OESO de resultaten van het overleg uiteen en geeft een verklaring voor de doorslaggevende niet-handelsgerelateerde nationale belangen die hem tot dit optreden nopen. De deelnemers verwachten dat een dergelijke gang van zaken uitzonderlijk en zeldzaam zal zijn.

4. Her secretariaat ziet toe op de vordering en de resultaten van het overleg.

b) Overleg (8) wordt gepleegd over alle aanbiedingen voor gebonden of gedeeltelijk ongebonden concessionele of hulpkredieten voor projecten van meer dan 50 miljoen SDR met een concessionaliteitsniveau van minder dan 80 %. Concessionele of hulpkredieten of schenkingen die deel uitmaken van een gecombineerd (gemengd) kredietpakket blijven onderworpen aan de bepalingen van noot 12 van deze bijlage. Bij een dergelijk overleg wordt, wanneer wordt nagegaan of dergelijke hulpkredieten gerechtvaardigd zijn, bijzonder belang gehecht aan de te verwachten beschikbaarheid van financiering tegen voorwaarden van de markt of van het Memorandum van Overeenstemming.

15. (VOORAFGAANDE (*) EN ONMIDDELLIJKE (*) KENNISGEVING)

a) Derogaties: procedure voor voorafgaande kennisgeving en bespreking

1. Indien een deelnemer voornemens is het initiatief te nemen om voorwaarden die niet met dit Memorandum van Overeenstemming in overeenstemming zijn, te steunen, stelt hij ten minste tien kalenderdagen voordat hij enige verbintenis aangaat alle overige deelnemers in kennis van de voorwaarden waarvoor hij voornemens is steun te verlenen. Indien een der overige deelnemers gedurende deze periode om een bespreking verzoekt, wacht de het initiatief nemende deelnemer nogmaals tien kalenderdagen alvorens enige verbintenis met betrekking tot dergelijke voorwaarden aan te gaan. Normaliter vindt de bespreking plaats door onmiddellijke kennisgeving.

2. Indien de het initiatief nemende deelnemer zijn voornemen om de ter kennis gebrachte niet-conforme voorwaarden te steunen, afzwakt of intrekt, moet hij alle andere deelnemers daarvan onverwijld op de hooge brengen.

3. Een deelnemer die voornemens is ter kennis gebrachte voorwaarden die een derogatie inhouden, te matchen, volgt de procedure van punt 16, onder a), nummer 1.

b) Deviaties: procedure voor voorafgaande kennisgeving zonder bespreking

1. Een deelnemer stelt ten minste tien kalenderdagen voordat hij enige verbintenis aangaat alle andere deelnemers in kennis te stellen van de voorwaarden indien hij voornemens is:

iv) voor enigerlei scheepstype waarop de OESO-Overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen van toepassing is, kredietvoorwaarden te steunen die gunstiger zijn dan de bij de regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten toegestane voorwaarden.

2. Indien de initiatiefnemende deelnemer zijn voornemen om voor de ter kennis gebrachte kredietvoorwaarden die een deviatie inhouden, een dergelijke steun te verlenen, afzwakt of intrekt, moet hij alle andere deelnemers daarvan onverwijld op de hoogte brengen.

3. Een deelnemer die voornemens is ter kennis gebrachte voorwaarden die een deviatie inhouden, te matchen, volgt de procedure van punt 16, onder a), nummer 2.

c) Procedure voor voorafgaande kennisgeving van hulpfinanciering

Wanneer een deelnemer voornemens is een transactie als bedoeld in punt 8, letter c), onder ii), uit te voeren of te steunen is de procedure van punt 15, onder b), van toepassing met dien verstande dat steeds wanneer in punt 15, onder b), een periode van tien kalenderdagen wordt genoemd, een periode van 30 werkdagen vóór de sluitingsdatum voor de indiening van offertes of de datum van verbintenis (*) geldt, waarbij de eerder vallende datum van toepassing is, en dat deelnemers die voornemens zijn deze financiering te matchen, de procedure van punt 16, onder a), nummer 3, volgen. De kennisgevingen uit hoofde van dit punt kunnen niet in de plaats komen van de derogatieprocedures als bedoeld in punt 8, onder b).

d) Procedure voor onmiddellijke kennisgeving (*)

Zodra een deelnemer zich ertoe verbindt een transactie als bedoeld in punt 8, letter c), onder i), te steunen, stelt hij alle andere deelnemers onmiddellijk daarvan in kennis.

e) Gebonden karakter van kredieten

Elke deelnemer kan om aanvullende informatie verzoeken met betrekking tot het gebonden karakter van kredieten.

16. (PROCEDURES VOOR MATCHING)

a) Matching van overeenkomstig punt 15 ter kennis gebrachte voorwaarden

1. Matching van ter kennis gebrachte derogaties: bij en na het verstrijken van de eerste in punt 15, onder a), nummer 1, bedoelde periode van tien kalenderdagen, indien niet om bespreking is verzocht (of bij en na het verstrijken van de tweede periode van tien kalenderdagen indien wel om bespreking is verzocht) en tenzij de deelnemer die voornemens is tot matching over te gaan, van de het initiatief nemende deelnemer bericht heeft ontvangen dat laatstgenoemde zijn voornemen om niet-conforme voorwaarden te steunen heeft ingetrokken, heeft iedere deelnemer het recht om:

i) in geval van "identieke matching", voorwaarden te steunen die het identieke, niet-conforme element bevatten, maar die overigens wel met het Memorandum van Overeenstemming overeenstemmen, mits de deelnemer die tot matching overgaat zijn voornemen daartoe zo spoedig mogelijk ter kennis brengt, of

ii) in geval van "andere steun" naar aanleiding van de oorspronkelijke derogatie, elk ander niet-conform element van de voorwaarden te steunen met inachtneming van de beperking van punt 11, mits de reagerende deelnemer die een nieuwe derogatie introduceert, een procedure voor voorafgaande kennisgeving en bespreking met een periode van tweemaal vijf kalenderdagen inleidt en de voltooiing daarvan afwacht. Deze periode kan samenvallen met die van de door de oorspronkelijke afwijkende deelnemer ingeleide procedure voor voorafgaande kennisgeving en bespreking, doch kan niet verstrijken vóór de afloop van de in punt 15, onder a), nummer 1, bedoelde periode van tien of twintig kalenderdagen.

2. Matching van ter kennis gebrachte deviaties: bij en na het verstrijken van de in punt 15, onder b), nummer 1, bedoelde periode van tien kalenderdagen en tenzij de deelnemer die tot matching overgaat van de het initiatief nemende deelnemer bericht heeft ontvangen dat laatstgenoemde zijn voornemen om de overeenkomstig punt 15, onder b), nummer 1, ter kennis gebrachte voorwaarden te steunen, heeft ingetrokken, heeft iedere deelnemer het recht om:

i) in geval van "identieke matching", voorwaarden te steunen die het identieke, overeenkomstig punt 15, onder b), nummer 1, ter kennis gebrachte element bevatten, maar die overigens wel met het Memorandum van Overeenstemming overeenstemmen, mits de deelnemer die tot matching overgaat zijn voornemen daartoe zo spoedig mogelijk ter kennis brengt;

ii) in geval van "andere steun", elk ander element van de voorwaarden dat niet in overeenstemming is met het Memorandum van Overeenstemming te steunen met inachtneming van de beperkingen van punt 11, mits de reagerende deelnemer een procedure voor voorafgaande kennisgeving zonder bespreking met een periode van vijf kalenderdagen inleidt en de voltooiing daarvan afwacht. Deze periode kan samenvallen met die van de door de het initiatief nemende deelnemer ingeleide procedure voor voorafgaande kennisgeving, doch kan niet verstrijken vóór de afloop van de in punt 15, onder b), nummer 1, bedoelde periode van tien kalenderdagen.

3. Matching van vooraf ter kennis gebrachte hulpfinanciering: wanneer een deelnemer voornemens is hulpfinanciering te matchen, is de procedure van punt 16, onder a), nummer 2, van toepassing, met dien verstande dat in plaats van de in punt 16, onder a), nummer 2, genoemde periode van tien kalenderdagen een periode van 30 werkdagen vóór de sluitingsdatum voor de indiening van offertes of de datum van verbintenis geldt, waarbij de eerder vallende datum in aanmerking wordt genomen.

4. Matching naar aanleiding van een onmiddellijke kennisgeving: indien een deelnemer voornemens is voorwaarden te matchen waarvan onmiddellijke kennisgeving overeenkomstig punt 15, onder d), heeft plaatsgevonden, behoeft geen voorafgaande kennisgeving plaats te vinden.

5. Discontopercentage bij het matchen: bij het matchen van hulpfinanciering wordt onder "identieke matching" verstaan matching met een identiek concessionaliteitsniveau dat herberekend wordt met behulp van het ten tijde van het matchen geldende discontopercentage.

b) Matching van door een niet-deelnemer geboden exportkredietvoorwaarden

1. Alvorens matching van vermoedelijk door een niet-deelnemer geboden niet-conforme voorwaarden in overweging te nemen, stelt een deelnemer alles in het werk om te weten te komen of voor deze voorwaarden overheidssteun wordt verleend. Hij brengt de overige deelnemers op de hoogte van de aard en de resultaten van zijn informatiepogingen.

2. Een deelnemer die voornemens is door een niet-deelnemer geboden niet-conforme voorwaarden te matchen, volgt de in punt 15, onder a), nummer 1, omschreven procedure voor voorafgaande kennisgeving en bespreking.

c) Matching van eerdere verbintenissen die niet met deze regeling overeenstemmen

1. Een deelnemer die voornemens is een eerdere verbintenis te matchen getroost zich een redelijke inspanning om na te gaan of de niet-conforme voorwaarden van de betrokken afzonderlijke transactie of kredietlijn zullen worden gebruikt om een bepaalde transactie te steunen. Hij wordt geacht zich een dergelijke redelijke inspanning te hebben getroost, indien hij de deelnemer die wordt verondersteld dergelijke niet-conforme voorwaarden aan te bieden, door onmiddellijke mededeling van zijn voornemen tot matching in kennis heeft gesteld, maar in antwoord op deze kennisgeving binnen drie werkdagen, exclusief de dag van ontvangst, geen bericht heeft ontvangen dat de eerdere verbintenis niet zal worden gebruikt om de desbetreffende transactie te steunen.

2. Matching van een eerdere kredietlijn kan geschieden door middel van een afzonderlijke transactie of door middel van een kredietlijn. In beide gevallen mag de afloopdatum van het aanbod dat matching inhoudt, niet later vallen dan de afloopdatum van de kredietlijn ten aanzien waarvan matching plaatsvindt.

3. Een deelnemer die voornemens is een niet met deze regeling overeenstemmende eerdere verbintenis van een andere deelnemer te matchen volgt:

i) in geval van "identieke matching", de procedure van punt 16, letter a), nummer 1, onder i), bij matching van een derogatie en de procedure van punt 16, letter a), nummer 2, onder i), bij matching van een deviatie;

ii) in geval van "andere steun", de procedure van punt 16, letter a), nummer 1, onder ii), bij matching van een eerdere verbintenis die een derogatie inhoudt en de procedure van punt 16, letter a), nummer 2, onder ii), bij matching van een eerdere verbintenis die een deviatie inhoudt.

17. (INFORMATIE INZAKE VERBINTENISSEN)

Zodra een deelnemer zich verbindt ten aanzien van kredietvoorwaarden waarvan hij overeenkomstig punt 15 of punt 16 kennis heeft gegeven, brengt hij in alle gevallen alle deelnemers daarvan op de hoogte door het referentienummer van de kennisgeving op het desbetreffende (CRS - Creditor Reporting System)-formulier 1c te vermelden.

18. (IN HET KADER VAN DE PROCEDURES VOOR KENNISGEVING EN MATCHING TE VERSTREKKEN GEGEVENS)

De kennisgevingen in het kader van de bovengenoemde procedures geschieden aan de hand van het in bijlage II opgenomen "standaardformulier" en bevatten alle daarin vermelde gegevens; een afschrift wordt aan het secretariaat van de OESO toegezonden.

19. (TOEZICHT)

Het secretariaat ziet toe op de uitvoering van het Memorandum van Overeenstemming.

24, letter d), nummer 3. (DEFINITIES EN INTERPRETATIES: "RELAIS-LANDEN")

Bij uitvoer via een "relais-land" zijn de toepasselijke krediettermijn en rentevoet die welke gelden voor het land van eindbestemming in de gevallen dat:

i) betaling door het "relais-land" plaatsvindt, indien en wanneer het van het land van eindbestemming betaling heeft ontvangen, aan het exporterende land op basis van het aandeel van laatstgenoemd land in de totale exportwaarde, of

ii) zekerheidstelling of betaling door het land van eindbestemming plaatsvindt.

24, onder i). (DEFINITIES EN INTERPRETATIES: GEBONDEN HULPFINANCIERING)

Gebonden hulpfinanciering (10) wordt gedefinieerd als leningen of schenkingen of gecombineerde financiering met een concessionaliteitsniveau van meer dan 0 % die in feite zijn gebonden aan de aankoop van goederen en diensten in het donorland. Gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering (10) wordt gedefinieerd als leningen of schenkingen of gecombineerde financiering met een concessionaliteitsniveau van meer dan 0 % die in feite zijn gebonden aan de aankoop van goederen en diensten in het donorland en in een aantal andere landen (11).

1. Een dergelijke financiering kan de vorm aannemen van:

i) officiële ontwikkelingshulp in de vorm van leningen (ODA-leningen);

ii) officiële ontwikkelingshulp in de vorm van schenkingen (ODA-schenkingen);

iii) andere overheidsmiddelen (OOF) (inclusief schenkingen en leningen, maar exclusief door de overheid gesteunde exportkredieten welke in overeenstemming zijn met dit Memorandum van Overeenstemming);

iv) iedere combinatie, rechtens of feitelijk (12) op het niveau van de donor, de leninggever of de leningnemer, van twee of meer van de volgende elementen:

- officiële ontwikkelingshulp in de vorm van leningen (ODA-leningen);

- officiële ontwikkelingshulp in de vorm van schenkingen (ODA-schenkingen);

- andere overheidsmiddelen (inclusief schenkingen en leningen, maar exclusief door de overheid gesteunde exportkredieten welke in overeenstemming zijn met dit Memorandum van Overeenstemming);

- een exportkrediet dat door middel van een rechtstreeks krediet, herfinanciering, rentesubsidie, garantie of verzekering door de overheid wordt gesteund en waarop dit Memorandum van Overeenstemming van toepassing is, andere kredieten tegen of bijna tegen marktvoorwaarden of contante betalingen uit de eigen middelen van de afnemer.

2. Een dergelijke financiering wordt gedefinieerd als in feite gebonden aan de aankoop van goederen en diensten in één of een beperkt aantal landen wanneer:

i) een van de voornoemde financiële componenten, krachtens een daartoe strekkende formele of informele afspraak tussen het ontvangende land en het donorland, niet vrij en volledig beschikbaar is voor het financieren van de aankoop van goederen en diensten in het ontvangende land, vrijwel alle andere ontwikkelingslanden en de deelnemende landen, of

ii) zij gepaard gaat met praktijken die volgens de commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO of de deelnemers een binding als hier bedoeld met zich brengen (13).

3. De definitie van "officiële ontwikkelingshulp" (ODA) is gelijk aan die in de "richtlijnen van de commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO voor gecombineerde financiering en gebonden en gedeeltelijk ongebonden officiële ontwikkelingshulp".

24, onder 1). (DEFINITIES EN INTERPRETATIES: AANVANGSDATUM)

De omschrijving van de aanvangsdatum komt overeen met de momenteel geldende definitie van de Berner Unie en luidt als volgt:

1. In geval van een contract voor de verkoop van kapitaalgoederen, bestaande uit afzonderlijke, als zodanig te gebruiken delen (bij voorbeeld locomotieven), is de aanvangsdatum de gemiddelde datum of de feitelijke datum waarop de afnemer de goederen in zijn eigen land werkelijk moet overnemen.

2. In geval van een contract inzake de verkoop van kapitaalgoederen voor complete installaties of fabrieken waarbij de leverancier geen verantwoordelijkheid draagt voor de inbedrijfstelling, is de aanvangsdatum de datum waarop de afnemer de gehele installatie die volgens het contract moet worden geleverd (met uitzondering van reserveonderdelen) werkelijk moet overnemen.

3. In geval van constructiecontracten waarbij de aannemer geen verantwoordelijkheid draagt voor de inbedrijfstelling, is de aanvangsdatum de datum van voltooiing van de constructie.

4. In geval van contracten waarbij de leverancier of aannemer contractuele verantwoordelijkheid draagt voor de inbedrijfstelling, is de aanvangsdatum de datum waarop hij de installatie of constructie en de voorafgaande proeven ter verzekering dat zij bedrijfsklaar is, heeft voltooid. Zulks geldt ongeacht of de installatie of constructie op die datum al dan niet aan de afnemer wordt overgedragen overeenkomstig het contract en onverschillig of de leverancier of aannemer al dan niet een langer durende verplichting heeft, bij voorbeeld ter garantie van de goede werking of voor de opleiding van plaatselijk personeel.

5. Wanneer het contract met betrekking tot de in de punten 2, 3 en 4 bedoelde gevallen de aparte uitvoering van afzonderlijke delen van een project inhoudt, is de aanvangsdatum de datum die geldt als aanvangsdatum voor ieder afzonderlijk deel, of de gemiddelde datum van deze aanvangsdata of, wanneer het contract van de leverancier niet op het gehele project doch op een wezenlijk deel daarvan betrekking heeft, de aanvangsdatum die geldt voor het project in zijn geheel.

24, onder n). (DEFINITIES EN INTERPRETATIES: "CONCESSIONALITEITSNIVEAU")

1. Het begrip "concessionaliteitsniveau" staat zeer dicht bij het door de commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO gebruikte begrip "schenkingselement". In geval van schenkingen is het 100 %. In geval van leningen is het het verschil tussen de nominale waarde van de lening en de contante waarde van de toekomstige door de leningnemer te verrichten schuldendienst-betalingen, uitgedrukt als een percentage van de nominale waarde van de lening. Het wordt berekend overeenkomstig de door de DAC gebruikte berekeningsmethode voor het schenkingselement, behalve op de volgende punten:

i) Het bij de berekening van het concessionaliteitsniveau van een lening in een gegeven valuta gebruikte discontopercentage kan op 15 januari van elk jaar gewijzigd worden en wordt als volgt berekend:

- voor valuta's waarvoor de CIRR minder dan 10 % bedraagt: CIRR + >NUM>1/

>DEN>4

(10-CIRR),

- voor andere valuta's: CIRR, waarbij CIRR het gemiddelde is van de maandelijkse CIRR's in de zes maanden gerekend vanaf 15 augustus van het vorige jaar tot en met 14 februari van het lopende jaar. Het berekende percentage wordt op de naaste tien basispunten afgerond. Wanneer er meer dan één CIRR voor de valuta geldt, wordt de CIRR voor de langste looptijd voor deze berekening toegepast.

ii) De uitgangsdatum voor de berekening van het concessionaliteitsniveau is de in punt 24, onder 1), gedefinieerde aanvangsdatum.

2. Voor de berekening van het totale concessionaliteitsniveau van een gecombineerde financiering, wordt het concessionaliteitsniveau van:

i) exportkredieten die met deze bijlage, onder ii), overeenstemmen,

ii) andere middelen tegen of bijna tegen martkvoorwaarden,

iii) andere overheidsmiddelen met een concessionaliteitsniveau beneden het bij punt 12, onder b), toegestane minimum, behalve in geval van matching (14), of van

iv) contante betalingen uit de eigen middelen van de afnemer,

geacht nul te zijn.

Het totale concessionaliteitsniveau van een gecombineerde financiering wordt bepaald door deling van:

i) de som van de uitkomsten, verkregen door de nominale waarde van elke component van de gecombineerde financiering te vermenigvuldigen met het respectieve concessionaliteitsniveau van elke component, door

ii) de totale nominale waarde van de componenten.

3. Het discontopercentage voor een gegeven hulplening is het disconto geldend op het tijdstip van de kennisgeving (15), behalve in geval van onmiddellijke kennisgeving, in welk geval het op het tijdstip van de verbintenis geldende disconto wordt genomen. Een wijziging in het discontopercentage tijdens de looptijd van de lening brengt geen wijziging van het concessionaliteitsniveau met zich.

4. Onverminderd punt 3, is bij de berekening van het concessionaliteitsniveau van afzonderlijke transacties die in het kader van een hulpkredietlijn plaatsvinden, het discontopercentage het percentage dat oorspronkelijk voor de kredietlijn werd medegedeeld.

Aantekeningen bij bijlage III

(*) Het sterretje verwijst naar de desbetreffende definitie of interpretatie in punt 24.

(2) Zie aanhangsel III.

(5) De deelnemers hebben overeenstemming bereikt over het volgende algemene beginsel: "De beleidsmaatregelen van de OESO-leden inzake exportkredieten en gebonden hulpkredieten zouden elkaar moeten aanvullen; die voor exportkredieten zouden moeten worden gebaseerd op vrije concurrentie en het vrij spel van marktkrachten; die voor gebonden hulpkredieten zouden de benodigde buitenlandse middelen moeten verschaffen voor landen, sectoren of projecten die weinig of geen toegang tot marktfinanciering hebben, zo rendabel mogelijk moeten zijn, handelsdistorsie moeten minimaliseren en moeten bijdragen tot een efficiënt gebruik van deze middelen voor ontwikkelingsdoeleinden".

(6) Er zijn drie methoden volgens welke ingevolge punt 8, onder a), een deelnemer een niet-conforme aanbieding kan doen:

- gemeenschappelijke gedragslijnen;

- rechtvaardiging om hulpredenen en met ondersteuning van een aanzienlijk aantal deelnemers (punt 14, onder a), nummers 1 en 2), en

- met een brief aan de secretaris-generaal (punt 14, onder a), nummer 3). De deelnemers verwachten dat deze ongebruikelijke methode niet dikwijls zal voorkomen.

(7) BNP per capita van meer dan 2 465 US$ in 1990. Een land zal uitsluitend in of uit deze categorie worden gebracht nadat zijn Wereldbank-categorie twee achtereenvolgende jaren ongewijzigd is gebleven. Niettegenstaande de indeling van de landen die al dan niet in aanmerking komen voor gebonden hulp, valt het beleid inzake gebonden hulp voor Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek onder het tussen de deelnemers gesloten akkoord om, zolang dit akkoord geldt, te trachten deze kredieten, voor zover deze geen echte schenkingen, voedselhulp en humanitaire hulp betreffen, te vermijden. De OESO-ministers hebben in juni 1991 met dit beleid ingestemd.

(8) Op dat tijdstip kunnen zij onder meer om de volgende informatie verzoeken:

- Beoordeling van een gedetailleerde haalbaarheidsstudie/projectevaluatie.

- Is er een concurrerende aanbieding met niet-concessionele of hulpfinanciering?

- Wordt verwacht dat het project vreemde deviezen zal opleveren of besparen?

- Vindt samenwerking plaats met multilaterale organisaties zoals de Wereldbank?

- Aanwezigheid van ICB (International Competitive Bidding), in het bijzonder indien de leverancier van het donorland de gunstigste offerte doet.

- Milieu-aspecten.

- Deelneming van de particuliere sector.

- Termijnen voor de kennisgevingen (bij voorbeeld zes maanden voorafgaand aan de sluitingsdatum voor de offertes of de datum van de verbintenis) voor concessionele of hulpkredieten.

(10) Onder "gebonden hulpfinanciering" en "gedeeltelijk ongebonden hulpfinanciering" zijn niet begrepen hulpprogramma's van multilaterale of regionale instellingen.

(12) Gecombineerde financieringstransacties kunnen verschillende vormen aannemen, zoals "gemengd krediet", "gemengde financiering", "gezamenlijke financiering", "parallelle financiering" of afzonderlijke geïntegreerde transacties. Hun hoofdkenmerk is dat de concessionele component rechtens of feitelijk aan de niet-concessionele gekoppeld is, dat de niet-concessionele of de concessionele component of het gehele financieringspakket in feite gebonden of gedeeltelijk ongebonden is en dat de beschikbaarheid van de concessionele middelen afhankelijk is van het aanvaarden van de daaraan gekoppelde niet-concessionele component.

"Feitelijke" combinatie of koppeling wordt bepaald door factoren als het bestaan van informele afspraken tussen de ontvanger en de donor, de bedoeling van de donor om door het gebruik van ODA de aanvaardbaarheid van een financieringspakket te vergroten, het werkelijk binden van het gehele financieringspakket aan de aankoop van goederen en diensten in het donorland, het gebonden karakter van de ODA, de modaliteiten van de inschrijving en/of van het contract voor elke financieringstransactie, of iedere andere door de DAC of de deelnemers geïdentificeerde handelwijze waarbij de facto een band bestaat tussen twee of meer financieringscomponenten.

Geen van de volgende factoren vormt een beletsel voor de vaststelling dat er een "feitelijke" combinatie of koppeling bestaat: splitsing van een contract door afzonderlijke kennisgeving van onderdelen van één contract; splitsing van in verscheidene fasen gefinancierde contracten; niet-kennisgeving van onderling samenhangende delen van een contract; niet-kennisgeving als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van een financieringspakket.

(13) In geval van twijfel, of een bepaalde financieringsvorm onder bovengenoemde definitie valt, moet het donorland iedere bewerking dat bedoelde financiering ongebonden ist, met bewijzen staven.

(14) Bij identieke matching wordt het concessionaliteitsniveau van het OOF-deel van het aanbod van de het initiatief nemende deelnemer opgenomen in de berekening van het concessionaliteitsniveau van het oorspronkelijke aanbod, indien het matchende aanbod een OOF-deel bevat waarmee rekening is gehouden in zijn concessionaliteitsniveau, zelfs indien het OOF-deel van het oorspronkelijke aanbod een concessionaliteitsniveau beneden het toegestane minimum heeft.

(15) Indien de valuta gewijzigd wordt voordat het contract wordt gesloten, is een herziening van de kennisgeving vereist. Het discontopercentage voor de berekening van het concessionaliteitsniveau is dan het disconto geldend op het tijdstip van de herziening. Indien echter de oorspronkelijke kennisgeving de alternatieve valuta aangeeft en alle nodige informatie bevat, is een herziening niet nodig.

PROTOCOL BIJ BIJLAGE III

DE DEELNEMERS,

OVERWEGENDE dat tijdens de ministeriële zitting van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) op 17 en 18 mei 1983 de ministers de bevoegde instanties van de OESO hebben verzocht onverwijld maatregelen te treffen om de bestaande regelingen te verbeteren met het doel de doorzichtigheid en de discipline op het gebied van hulp en met handel samenhangende concessionele financiering met alle daarvoor in aanmerking komende middelen te versterken;

OVERWEGENDE dat de deelnemers aan de Consensus overtuigd zijn van de voordelen die verbonden kunnen zijn aan de vaststelling van een duidelijk omschreven gemeenschappelijke gedragslijn ten aanzien van de kredietvoorwaarden voor een bepaalde transactie en aan het optimale gebruik van de bestaande regelingen voor het uitwisselen van informatie in een vroeg stadium;

OVERWEGENDE dat het systeem voor uitwisseling van informatie (aanhangsel I) regels omvat voor het uitwisselen van informatie onder de leden van de OESO-groep voor exportkredieten en exportkredietgaranties;

OVERWEGENDE dat dit systeem de hoofdlijnen aangeeft van de procedures die gevolgd moeten worden indien alle leden die bij een uitwisseling van informatie zijn betrokken, ermee instemmen dat de kredietvoorwaarden voor een bepaalde transactie het voorwerp dienen te vormen van een bindende afspraak;

OVERWEGENDE dat in een vergadering van de Consensus-groep van de OESO in april 1984 alle deelnemers zich verbonden hebben rechtstreeks overleg in welwillende overweging te nemen als een deelnemer in geval van belangrijke transacties daarom verzoekt;

OVERWEGENDE dat de reden voor het aangaan van deze verbintenis de onbevredigende werking van de bestaande procedures voor het uitwisselen van informatie bij een aantal belangrijke transacties was;

OVERWEGENDE dat de uitvoering van de bepalingen van de Consensus in gevaar kan komen indien de procedures voor het uitwisselen van informatie niet doelmatig werken;

OVERWEGENDE dat elke verzwakking van de discipline in het kader van de Consensus kan leiden tot een heilloze concurrentie op het gebied van exportkredieten en/of gebonden hulpkredieten en tot een toeneming van subsidies;

OVERWEGENDE dat het streven naar een gemeenschappelijke gedragslijn niet belet dat de deelnemers het recht en de vrijheid behouden om, in het kader van hun internationale verplichtingen, kredieten voor een bepaalde transactie te verzekeren of te financieren,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLOTEN:

In het kader van de bestaande procedures voor door de overheid gesteunde exportkredieten en gebonden hulpkredieten en teneinde te komen tot een grotere doorzichtigheid:

1. bevestigen de deelnemers dat zij zullen trachten zoveel mogelijk bijzonderheden te verstrekken over de kredietvoorwaarden welke zij overwegen aan te bieden voor een transactie waaromtrent een uitwisseling van informatie plaatsvindt;

2. erkennen zij dat hun aller belangen het best worden gediend indien in een vroeg stadium een akkoord kan worden bereikt over een gemeenschappelijke gedragslijn ten aanzien van de exportkredietvoorwaarden voor een bepaalde transactie en indien aan de bepalingen van een dergelijk akkoord de hand kan worden gehouden;

3. verklaren zij derhalve nogmaals dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke gedragslijnen te bevorderen, vooral met betrekking tot belangrijke transacties;

4. erkennen zij dat onder bepaalde omstandigheden, en in het bijzonder wanneer de werking van de bestaande procedures voor het uitwisselen van informatie onbevredigend wordt geacht, rechtstreeks overleg de totstandkoming van een gemeenschappelijke beleidslijn kan vergemakkelijken;

5. verbinden zij zich ertoe om, onder dergelijke omstandigheden, aan elk verzoek om vroegtijdig rechtstreeks overleg een gunstig gevolg te geven en deel te nemen aan iedere bijeenkomst die wordt belegd om met de andere betrokken deelnemers een gemeenschappelijke gedragslijn ten aanzien van de kredietvoorwaarden te bepalen; in dit verband zal bijzondere aandacht worden besteed aan de naleving en de gemeenschappelijke interpretatie van de richtsnoeren;

6. bevestigen de deelnemers bovendien dat zij belang hechten aan een strikte inachtneming van de in deze bijlage III vastgelegde formele kennisgevingsprocedures.

Aanhangsel I bij bijlage III

(Systeem voor uitwisseling van informatie (SUI))

1. Werkingssfeer

Het systeem voor uitwisseling van informatie (SUI) heeft betrekking op de kredietvoorwaarden van alle exportkredieten of kredietgaranties die vallen onder clausule 1 van dit Memorandum van Overeenstemming, alsmede elke hulptransactie waarop de kennisgevingsprocedures van punt 15 van bijlage III van toepassing zijn.

2. Uitwisseling van informatie

a) Een deelnemer:

- kan bij een andere deelnemer informeren hoe deze zich opstelt tegenover een derde land, een instelling in een derde land of een bepaalde manier van zaken doen;

- die een aanvraag om overheidssteun heeft ontvangen, kan een verzoek om inlichtingen richten tot een andere deelnemer die de gunstigste kredietvoorwaarden toestaat waartoe hij zelf bereid zou zijn;

- die beweringen heeft ontvangen dat een andere deelnemer overheidssteun heeft aangeboden die afwijkt van het Memorandum van Overeenstemming kan een verzoek om informatie aan een andere deelnemer zenden waarin hij bijzonderheden over een dergelijke bewering vermeldt.

Indien een verzoek om informatie aan meer dan één deelnemer wordt gezonden, moet het een lijst van geadresseerden bevatten. Een afschrift van al deze verzoeken moet aan het secretariaat worden gezonden.

b) De deelnemer aan wie een verzoek om informatie wordt gericht, moet binnen zeven kalenderdagen antwoorden met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn. Zo mogelijk moet de deelnemer in zijn antwoord, zo nauwkeurig mogelijk als hij kan, vermelden welk besluit waarschijnlijk zal worden genomen. Zo nodig moet het volledige antwoord zo spoedig mogelijk volgen. Naar de andere geadresseerden van het verzoek om informatie en naar het secretariaat moeten afschriften worden gezonden.

c) Indien een antwoord op een verzoek om informatie ongeldig wordt omdat een aanvraag is gedaan, gewijzigd of ingetrokken, omdat andere voorwaarden worden overwogen of om enige andere reden, moet onmiddellijk een nieuw antwoord worden opgemaakt en een afschrift daarvan naar alle andere geadresseerden en naar het secretariaat worden gezonden.

d) Alle communicatie vindt plaats tussen de aangewezen contactpunten in elk land via real-time-verbindingen (bij voorbeeld elektronische post, telex, telefax). De informatie is vertrouwelijk.

3. Voorstellen voor gemeenschappelijke gedragslijnen

a) De uitwisseling van informatie of het rechtstreekse overleg (zie het protocol bij bijlage III) kan leiden tot een gemeenschappelijke gedragslijn. Een voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn wordt aan alle deelnemers, alle DAC-contactpunten en het secretariaat toegezonden. Het voorstel wordt gedateerd en wordt opgesteld volgens het volgende schema:

1. referentienummer, zoals voor kennisgevingen krachtens het Memorandum van Overeenstemming, maar gevolgd door "gemeenschappelijke gedragslijn";

2. naam van het importerende land en de afnemer;

3. naam of zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het project teneinde een duidelijke identificatie mogelijk te maken;

4. voorwaarden zoals beoogd door het het initiatief nemende land;

5. voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn;

6. nationaliteit en naam van bekende concurrerende aanbieders;

7. sluitingsdatum voor de commerciële en financiële offerte en aanbestedingsnummer voor zover bekend;

8. overige relevante informatie, met inbegrip van redenen voor het voorstellen van een gemeenschappelijke gedragslijn, beschikbaarheid van studies betreffende het project of bijzondere omstandigheden.

b) Een voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn kan voorwaarden inhouden die gunstiger of ongunstiger zijn dan de voorwaarden die zijn toegestaan krachtens het Memorandum van Overeenstemming.

4. Procedure voor een gemeenschappelijke gedragslijn

a) De deelnemer reageren zo spoedig mogelijk op een voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn, maar in elk geval binnen 20 kalenderdagen. De reactie kan zijn een verzoek om nadere informatie, een aanvaarding, een afwijzing, een voorstel tot wijziging van de gemeenschappelijke gedragslijn of een alternatief voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn. Een deelnemer die antwoordt dat hij geen standpunt heeft omdat hij niet is benaderd door een exporteur of door de autoriteiten in het ontvangende land in geval van hulpkredieten voor het project, wordt geacht het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn te hebben aanvaard. Ingeval een dusdanige deelnemer benaderd wordt nadat de gemeenschappelijke gedragslijn in werking is getreden, kan hij de procedures van punt 5 toepassen indien hij zachtere voorwaarden wenst toe te kennen dan die welke zijn vervat in de gemeenschappelijke gedragslijn.

b) Het secretariaat stelt na een periode van 20 kalenderdagen alle deelnemers in kennis van de status van het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn. Indien geen enkele deelnemer het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn heeft afgewezen, maar niet alle deelnemers het hebben aanvaard, wordt het voorstel voor een tweede periode van acht kalenderdagen aangehouden.

c) Indien de het initiatief nemende deelnemer en een deelnemer die een wijziging of een alternatief heeft voorgesteld, binnen de tweede periode geen overeenstemming kunnen bereiken over de gemeenschappelijke gedragslijn, kan deze periode met wederzijdse instemming worden verlengd. Het secretariaat stelt alle deelnemers van een dusdanige verlenging in kennis.

d) Na de tweede periode wordt elke deelnemer die de voorgestelde gemeenschappelijke gedragslijn niet expliciet heeft afgewezen, geacht de gemeenschappelijke gedragslijn te hebben aanvaard. Niettemin kan elke deelnemer, met inbegrip van de het initiatief nemende deelnemer, het aanvaarden door hem van de gemeenschappelijke gedragslijn afhankelijk maken van de expliciete aanvaarding door een of meer deelnemers.

e) Het secretariaat stelt alle deelnemers ervan in kennis dat de gemeenschappelijke gedragslijn in werking is getreden dan wel is afgewezen. De gemeenschappelijke gedragslijn treedt drie kalenderdagen na deze bekendmaking in werking. Het secretariaat stelt door middel van het on-line-systeem een voortdurend bijgewerkte inventaris beschikbaar van alle gemeenschappelijke gedragslijnen die zijn aanvaard of waarover nog niet is besloten.

5. Geldigheid van een gemeenschappelijke gedragslijn

a) 1. De regels van een overeengekomen gemeenschappelijke gedragslijn hebben uitsluitend voor het in de gemeenschappelijke gedragslijn omschreven project voorrang op de regels van het Memorandum van Overeenstemming.

2. Deelnemers die hebben ingestemd met de gemeenschappelijke gedragslijn delen het secretariaat mede wanneer de gemeenschappelijke gedragslijn niet langer van belang is.

3. Het secretariaat neemt door middel van een mededeling aan de deelnemers het initiatief tot een herziening van de gemeenschappelijke gedragslijn na elke periode van twee jaar na de datum waarop de gemeenschappelijke gedragslijn in werking is getreden. De gemeenschappelijke gedragslijn blijft van kracht indien een deelnemer zulks kenbaar maakt binnen 14 kalenderdagen.

b) Het voornemen om een aanbieding te doen die gunstiger is dan wat overeengekomen is in de gemeenschappelijke gedragslijn, moet ten minste 60 kalenderdagen voordat een verbintenis wordt aangegaan ter kennis worden gebracht van alle deelnemers en het secretariaat. De kennisgeving moet een uitleg inhouden van de reden voor de verbintenis, terwijl tevens moet worden aangetoond dat de verbintenis niet leidt tot een aankoopbesluit (mogelijkerwijs met inbegrip van de uitkomst van een ICB-procedure) die is beïnvloed door het beschikbaar zijn van hulp. Indien een deelnemer die belang stelt in deze specifieke transactie zulks verzoekt, organiseert het secretariaat een bilateraal overleg. De deelnemers onthouden zich van het aangaan van verbintenissen gedurende een termijn van 28 dagen na het bilaterale overleg, tenzij een alternatieve gemeenschappelijke gedragslijn wordt bepaald, of een termijn van 60 kalenderdagen na kennisgeving. Elke deelnemer kan zich het recht voorbehouden op matching met een financieel aanbod dat gunstiger is dan overeengekomen is in de gemeenschappelijke gedragslijn overeenkomstig punt 16 van bijlage III.

Aanhangsel II bij bijlage III

(Lijst ter controle van de ontwikkelingswaarde van met steun gefinancierde projecten)

Ter controle van de ontwikkelingswaarde van projecten in ontwikkelingslanden die geheel of gedeeltelijk met officiële ontwikkelingshulp (ODA) worden gefinancierd, is in de afgelopen jaren door de commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO (DAC) een aantal criteria uitgewerkt. Deze criteria zijn voornamelijk vervat in:

a) DAC-beginselen voor projectbeoordeling 1988;

b) DAC-richtlijnen voor gecombineerde financiering en gebonden of gedeeltelijk ongebonden officiële ontwikkelingshulp 1987;

c) praktijken voor de aanbesteding van goederen voor officiële ontwikkelingshulp 1986.

I. Overeenstemming van het project met de algemene investeringsprioriteiten van het ontvangende land (projectselectie)

1. Maakt het project deel uit van reeds door de centrale financiële en planningsautoriteiten van het ontvangende land goedgekeurde programma's voor investeringen on overheidsuitgaven?

(Beleidsdocument aangeven waarin het project vermeld is, bij voorbeeld overheidsinvesteringsprogramma van het ontvangende land).

2. Wordt het project medegefinancierd door een internationale instelling voor ontwikkelingsfinanciering?

3. Is aangetoond dat het project door een internationale instelling voor ontwikkelingsfinanciering of een ander DAC-lid is onderzocht en op grond van lage ontwikkelingsprioriteit is afgewezen?

4. Als het om een project in de particuliere sector gaat, is het dan goedgekeurd door de regering van de ontvangende land?

5. Valt het project onder een intergouvernementele overeenkomst die voorziet in een bredere scala van hulpactiviteiten door de donor in het ontvangende land?

II. Projectvoorbereiding en -beoordeling

6. Is het project voorbereid, ontworpen en beoordeeld overeenkomstig normen en criteria die in grote lijnen overeenkomen met de DAC-beginselen voor projectbeoordeling (PPA)? De relevante beginselen hebben betrekking op projectbeoordeling op grond van:

a) economische aspecten (punten 30 tot en met 38 van de PPA);

b) technische aspecten (punt 22 van de PPA);

c) financiële aspecten (punten 23 tot en met 29 van de PPA).

In het geval van een inkomsten genererend project, inzonderheid indien wordt geproduceerd voor een concurrerende markt: is het concessionele element van de hulpfinanciering doorgegeven aan de eindverbruiker van de middelen (punt 25 van de PPA)?

d) institutionele beoordeling (punten 40 tot en met 44 van de PPA);

e) sociale en distributionele analyse (punten 47 tot en met 57 van de PPA);

f) milieubeoordeling (punten 55 tot en met 57 van de PPA).

III. Aanbestedingsprocedures

7. Welke van de volgende aanbestedingsprocedures wordt toegepast? (Zie voor definities: Beginselen opgenomen in praktijken voor de aanbesteding van goederen voor ODA).

a) Open internationale aanbesteding (aanbestedingsbeginsel III en bijlage 2: minimumvoorwaarden voor doeltreffende op internationale aanbesteding).

b) Open nationale aanbesteding (aanbestedingsbeginsel IV).

c) Informele aanbesteding of rechtstreekse onderhandelingen (aanbestedingsbeginsel V A of B).

8. Wordt overwogen prijs en kwaliteit van leveringen te controleren (punt 63 PPA)?

Aanhangsel III bij bijlage III

(Vaststelling van commerciële referentierentevoeten (CIRR's))

1. De deelnemers hebben de volgende doelstellingen voor het vaststellen van de commerciële referentierentevoeten (CIRR's) aanvaard:

i) de CIRR's dienen representatief te zijn voor de effectieve commerciële rentevoeten voor leningen op de binnenlandse markt in de betrokken valuta;

ii) de CIRR's dienen nauw aan te sluiten bij de rente voor een eersteklas binnenlandse leningnemer;

iii) de CIRR's dienen zo mogelijk te worden gebaseerd op de fundingkosten voor financiering met vaste rente en een looptijd van niet minder dan vijf jaar;

iv) de CIRR's mogen niet leiden tot verstoring van de binnenlandse concurrentieverhoudingen;

v) de CIRR's dienen nauw aan te sluiten bij de rente die door de eersteklas buitenlandse leningnemers kan worden verkregen.

2. Met het oog op deze doelstellingen hebben de deelnemers besloten dat de CIRR's worden vastgesteld door toevoeging van een vaste marge aan de respectieve basisrentevoeten:

a) Voor elke valuta kunnen de basisrentevoeten zijn:

i) hetzij het rendement van driejaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen tot en met vijf jaar, vijfjaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen van meer dan vijf tot en met acht en een half jaar en zevenjaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen van meer dan acht en een half jaar,

ii) hetzij het rendement van vijfjaar-overheidsobligaties voor alle aflossingstermijnen, behalve in de gevallen waarin de deelnemers dit anders zijn overeengekomen.

b) De vaste marge is 100 basispunten, behalve in de gevallen waarin de deelnemers dit anders zijn overeengekomen.

Aantekening 2 op bijlage III

De CIRR's zijn gelijk aan een basisrente plus 100 basispunten. Voor elke valuta kunnen de basisrenten zijn:

i) enerzijds, het rendement over driejaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen tot en met vijf jaar; vijfjaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen van meer dan vijf tot en met acht en een half jaar en zevenjaars-overheidsobligaties voor aflossingstermijnen van meer dan acht en een half jaar,

ii) anderzijds, het rendement over vijfjaars-overheidsobligaties voor alle aflossingstermijnen.

Elke deelnemer kiest aanvankelijk één van de twee basisrentemethoden voor zijn valuta. Andere deelnemers gebruiken deze regeling voor de in die valuta aangeboden financiering. Elke deelnemer kan, met een opzegtermijn van zes maanden en met medewerking van de andere deelnemers, voor zijn valuta overgaan tot het andere systeem en de andere deelnemers passen dit dan voor die valuta toe. De yen-CIRR is de lange termijn "Prime Rate" min 20 basispunten voor alle aflossingstermijnen. De ecu-CIRR is het rendement op de secundaire markt van ecu-obligaties op middellange termijn op de Luxemburgse effectenbeurs, plus 50 basispunten.

Aan de CIRR's wordt een marge van 20 basispunten toegevoegd om voorafgaande aan het contract de rente vast te stellen. Rente mag niet voor meer dan 120 dagen worden vastgesteld.

Top