Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51994PC0131

Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD houdende zestiende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden

/* COM/94/131 def. - CNS 94/0108 */

PB C 118 van 29.4.1994, pp. 2–5 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

51994PC0131

Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD houdende zestiende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden /* COM/94/131DEF - CNS 94/0108 */

Publicatieblad Nr. C 118 van 29/04/1994 blz. 0002


Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (94/C 118/02) (Voor de EER relevante tekst) COM(94) 131 def. - 94/0108(CNS)

(Door de Commissie ingediend op 8 april 1994)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat het, op grond van de artikelen 2 en 4 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (1) de taak van de Raad is om, in het licht van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, de instandhoudingsmaatregelen vast te stellen die nodig zijn voor een rationele en verantwoorde exploitatie op duurzame basis van de levende mariene aquatische bestanden, daarbij onder andere rekening houdend met de consequenties van de visserij voor het mariene ecosysteem; dat de Raad daartoe technische maatregelen kan vaststellen betreffende het vistuig en de wijze waarop het dient te worden gebruikt;

Overwegende dat de beginselen en een aantal uitvoeringsbepalingen op het niveau van de Gemeenschap moeten worden vastgesteld, zodat iedere Lid-Staat de visserijactiviteiten kan beheren van de vaartuigen die zijn vlag voeren of onder zijn jurisdictie ressorteren;

Overwegende dat in Verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3034/92 (3), algemene technische voorschriften zijn vastgesteld voor de vangst en de aanvoer van levende rijkdommen uit de wateren die in genoemde verordening zijn gedefinieerd;

Overwegende dat, uitgedrukt in visserij-inspanning, de visserij met drijfnetten snel is toegenomen sinds deze vismethode in de Gemeenschap is ingevoerd; dat een ongecontroleerde toeneming van die activiteit een ernstig gevaar kan inhouden voor een excessieve vergroting van de visserij-inspanning op de betrokken doelsoorten;

Overwegende dat de visserij met drijfnetten op sterk migrerende soorten en zalmachtigen niet selectief genoeg is, leidt tot bijvangsten en een gevaar kan inhouden voor de populaties van andere soorten dan de doelsoorten;

Overwegende dat in artikel 130 R, lid 2, van het Verdrag is bepaald dat, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, alle maatregelen van de Gemeenschap moeten voldoen aan de eisen ter zake van milieubescherming;

Overwegende dat, met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap om bij te dragen tot de instandhouding en het beheer van de biologische rijkdommen in de internationale wateren, strikte regelingen moeten worden vastgesteld voor de verdere ontwikkeling van de visserij met drijfnetten door vissersvaartuigen uit de Gemeenschap;

Overwegende dat in verband met het gevaar voor ongecontroleerde toename van de visserij-inspanning bij de visserij met drijfnetten en de ontoereikende selectiviteit van de betrokken methode, deze visserij op termijn moet worden verboden en, om ecologische risico's te voorkomen, een korte overgangsperiode moet worden vastgesteld;

Overwegende dat de communautaire vissersvaartuigen die in 1992 en 1993 in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan met drijfnetten van meer dan 2,5 km op witte tonijn hebben gevist, te maken hebben met bepaalde economische wetmatigheden, zodat een overgangsperiode voor hun omschakeling nodig is en moet worden bepaald dat een beperkt aantal van die vaartuigen hun activiteit nog een jaar lang mogen voortzetten, met evenwel een zodanige beperking van hun vangsten dat geen acute ecologische risico's ontstaan;

Overwegende dat op grond van analoge economische en ecologische factoren ook de visserij met drijfnetten van meer dan 2,5 km in de Oostzee moet worden verboden na afloop van een overgangsperiode van één jaar;

Overwegende dat voortzetting van de visserij met drijfnetten moet gebeuren binnen een controleerbaar en effectief gecontroleerd kader;

Overwegende dat niet alle takken van de visserij waarbij drijfnetten worden gebruikt onder Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de Lid-Staten (4) vallen, en dat de algemene bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (5) die betrekking hebben op de logboeken en de aangiften van aanvoer met name niet vóór 1 januari 1999 van toepassing worden voor met name de Middellandse Zee;

Overwegende dat de controle op de visserij met grote drijfnetten bijzondere problemen geeft; dat daarom specifieke bepalingen voor deze visserij moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat het gebruik van drijfnetten geen gevaar voor de scheepvaart mag meebrengen en dat daarom moet worden bepaald dat de drijflijn bij de visserij in volle zee zich onder water dient te bevinden;

Overwegende dat de gevolgen van de visserij met drijfnetten voortdurend moeten worden geëvalueerd, en dat daarom de nodige gegevens moeten worden verzameld;

Overwegende dat de gegevens uit de logboeken moeten worden vergeleken met de aangevoerde hoeveelheden, die effectief moeten kunnen worden gecontroleerd;

Overwegende dat voor de periode waarin de visserij met drijfnetten met een lengte van meer dan 2,5 km toegestaan blijft, voor de betrokken vaartuigen aanvullende bepalingen moeten worden vastgesteld die proportioneel zijn met de mogelijke biologische effecten van het gebruik van deze netten;

Overwegende dat de Lid-Staten de Commissie bepaalde gegevens moeten meedelen die nodig zijn voor het toezicht, op communautair niveau, op de door hen verrichte controles,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 3094/86 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 9 bis wordt vervangen door:

"Artikel 9 bis

1. Geen enkel vaartuig mag een of meer drijfnetten waarvan de individuele of gezamenlijke lengte groter is dan 2,5 km aan boord hebben of daarmee vissen.

2. In afwijking van lid 1 is het vissersvaartuigen waaraan reeds een ontheffing is is verleend voor het gebruik van drijfnetten met een gezamenlijke lengte van meer dan 2,5 km en die sinds 1992 opgenomen zijn in een communautair register en in 1992 en 1993 met drijfnetten hebben gevist, toegestaan dergelijke drijfnetten aan boord te blijven hebben en daarmee op de in bijlage VIa vermelde soorten te blijven vissen, voor zover de gezamenlijke lengte van die netten niet meer bedraagt dan vijf km.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 is het vaartuigen die in de Oostzee op zijn minst in 1992 en 1993 met drijfnetten op zalm hebben gevist, toegestaan drijfnetten met een totale lengte van niet meer dan 21 km aan boord te hebben en ermee te vissen. Deze vaartuigen moeten zijn opgenomen in een lijst die door de Commissie wordt opgesteld op basis van door de Lid-Staten vóór 15 mei 1994 in te dienen deugdelijk gemotiveerde aanvragen.

4. De in de leden 2 en 3 vermelde ontheffingen lopen af op 31 december 1994.

Artikel 9 bis bis

1. Na 31 december 1997 mag geen enkel vaartuig nog een of meer drijfnetten aan boord hebben bestemd voor de vangst van de in de bijlagen VIa en VIb vermelde soorten of met deze netten vissen.

2. Tot en met 31 december 1997 mogen vissersvaartuigen alleen één of meer in lid 1 bedoelde drijfnetten aan boord hebben of voor de visserij gebruiken als hun daartoe een vergunning is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan zij de vlag voeren. Een vergunning mag alleen worden afgegeven aan vaartuigen die op zijn minst in 1992 of 1993 met dergelijk vistuig hebben gevist.

3. Voor de jaren 1995, 1996 en 1997 nemen de Lid-Staten maatregelen om ervoor te zorgen dat zowel de vangsten als de visserij-inspanning van de met de in lid 2 bedoelde drijfnetten uitgeoefende visserij ten opzichte van het referentiejaar 1994 dalen met respectievelijk een kwart in 1995, de helft in 1996 en driekwart in 1997.

4. De eenheid voor de berekening van de visserij-inspanning is één dag gebruik van één km drijfnet.

De referentie-visserij-inspanning en de referentie-vangst voor elke doelsoort zijn gelijk aan de som van de visserij-inspanningen en de som van de vangsten van de vaartuigen die in 1994 met drijfnetten met een lengte van niet meer dan 2,5 km hebben gevist, verhoogd met respectievelijk:

- voor de in artikel 9 bis, lid 2, bedoelde visserij, de helft van de visserij-inspanningen en de vangsten van de vaartuigen die in 1994 met drijfnetten met een lengte tot vijf km mochten vissen;

- voor de in artikel 9 bis, lid 3, bedoelde zalmvisserij, 11,5 % van de visserij-inspanningen en de vangsten van de vaartuigen die in 1994 met drijfnetten met een lengte van niet meer dan 21 km mochten vissen.

5. De Lid-Staten delen de Commissie voor elke doelsoort het volgende mee:

- elk jaar vóór 1 januari, de lijst van vaartuigen waaraan een vergunning is afgegeven om met de in lid 2 bedoelde drijfnetten te vissen; voor 1994 is de termijn voor deze mededeling evenwel 30 mei;

- elk jaar vóór 15 januari, de totale visserij-inspanning en de totale vangst per soort, in het voorafgaande jaar, van de gezamenlijke vaartuigen waaraan een vergunning is afgegeven op grond van lid 2; voor 1994 moeten de visserij-inspanningen en de vangsten van de vaartuigen waaraan een vergunning is afgegeven om met drijfnetten van meer dan 2,5 km te vissen afzonderlijk worden opgegeven.

Artikel 9 ter

1. Elk vissersvaartuig dat een of meer drijfnetten bestemd voor de vangst van de in bijlage VIa en VIb vermelde soorten gebruikt, moet bij het vissen de volgende voorwaarden naleven:

- het net moet tijdens het vissen steeds aan het vaartuig bevestigd blijven,

- aan de uiteinden van elk net moet een boei bevestigd zijn, zodat op elk moment de plaats van de netten duidelijk is. Deze boeien moeten steeds voorzien zijn van de registratieletter(s) en het registratienummer van het vaartuig waarbij zij horen.

2. Elk vaartuig dat met drijfnetten op de in bijlage VIa vermelde soorten vist, moet daarbij zo tewerk gaan dat de drijflijn zich ten minste twee meter onder water bevindt.

3. De kapitein van een vissersvaartuig dat één of meer van de in lid 1 bedoelde drijfnetten gebruikt, houdt een logboek bij en is verplicht om daarin dagelijks de volgende gegevens op te tekenen:

- de gezamenlijke lengte van de netten aan boord;

- de gezamenlijke lengte van de netten die bij elke trek zijn uitgezet;

- de bij elke trek van elke soort gevangen hoeveelheden, de bijvangsten en de weer over boord gezette vangsten, met name de aantallen cetaceeën, reptielen en zeevogels;

- de hoeveelheden van elke soort die aan boord zijn gehouden;

- de datum en de vangstplaats.

4. De in lid 3 bedoelde kapiteins verstrekken de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van aanvoer een aangifte waarin ten minste de van elke soort aangevoerde hoeveelheid, de data en de plaatsen van de vangst zijn vermeld.

5. De kapitein van een met één of meer van de in lid 2 bedoelde drijfnetten vissend vaartuig die wenst aan te landen in een aanvoerplaats in een Lid-Staat, moet de bevoegde autoriteiten van die Lid-Staat ten minste twee uur van tevoren de geplande aanvoerplaats en tijd van aankomst melden.

6. Alle vaartuigen die met één of meer van de in lid 1 bedoelde drijfnetten vissen, moeten een visvangstvergunning aan boord hebben die vooraf is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van deLid-Staat waarvan zij de vlag voeren. Deze visvangstvergunnning wordt, wanneer de in deze verordening vastgestelde verplichtingen niet worden nageleefd, door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert, ingetrokken of geschorst voor een periode die correspondeert met de ernst van de overtreding.

7. De kapitein van een vissersvaartuig die met één of meer van de in lid 1 bedoelde drijfnetten vist, moet de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan zijn vaartuig de vlag voert, in die gebieden waarvoor de ICES statistische vakken heeft vastgesteld, telkens een melding doen toekomen wanneer hij een dergelijk vak, corresponderend met een ICES-deelgebied binnenvaart of verlaat en moet anders een dergelijke melding verstrekken voor de FAO-sectoren; ook moet hij het begin en het einde van de visserijactiviteit melden.

Artikel 9 quater

1. Voor visserijactiviteiten met drijfnetten van meer dan 2,5 km geldt, naast artikel 9 ter, dat de Commissie dienaangaande vooraf haar goedkeuring moet hebben gegeven aan een door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten opgesteld specifiek gedetailleerd inspectie- en controleprogramma. Dit programma moet worden ingediend bij de Commissie, die over een termijn van tien werkdagen beschikt om het goed te keuren. In dit programma moeten ten minste de inspecties aan de wal en op zee worden opgegeven die door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten zullen worden uitgevoerd en moeten de volgende bepalingen worden vermeld:

a) de inspecties aan de wal betreffen met name de controle op de gezamenlijke lengte van de van boord gehaalde en aan boord genomen netten, welke controle wordt uitgevoerd telkens wanneer de betrokken vissersvaartuigen de haven verlaten of binnenlopen;

b) de inspecties op zee moeten tijdens het visseizoen ten minste tien dagen per maand worden uitgevoerd. Een inspectie van een vaartuig op zee dient ten minste te omvattten:

- controle van het logboek op de samenhang tussen de positie- en de vangstgegevens,

- raming van de hoeveelheden van de verschillende soorten vis aan boord en vergelijking met de in het logboek vermelde vangsten,

- meten van de lengte van de netten aan boord en/of van de uitgezette netten,

- controle op de naleving van de in artikel 9 ter, leden 1 en 2, vastgestelde voorwaarden.

2. Ieder vaartuig als bedoeld in artikel 9 bis, leden 2 en 3, moet een transponder aan boord hebben, zodat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan dat vaartuig de vlag voert de positie ervan altijd kunnen bepalen, ongeacht in welke maritieme wateren het vist of in welke haven het zich bevindt.

3. De gegevens uit de logboeken en uit de aangiften van aanvoer, alsmede de op grond van lid 2verzamelde positiegegevens en de uitkomsten van de in lid 1 bedoelde inspecties, worden geverifieerd via een systematische kruiscontrole die, zo nodig, wordt aangevuld met inspecties vanuit de lucht.

4. Tijdens het visseizoen worden, gedurende ten minste tien opeenvolgende dagen per vaartuig, door de vlaggestaat aangewezen waarnemers aan boord genomen door de vissersvaartuigen die de in artikel 9 bis, leden 2 en 3, bedoelde visserij uitoefenen. De ter zake getroffen regeling dient te waarborgen dat iedere maand gedurende ten minste de helft van het totale aantal visdagen waarnemers aan boord zijn. De waarnemers aan boord constateren en vermelden de visserijactiviteit van de betrokken vaartuigen in een rapport dat zij na afloop van de waarnemingsperiode doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggestaat, die het op zijn beurt doet toekomen aan de Commissie.

5. De in artikel 9 bis, lid 2, bedoelde drijfnetvissers mogen samen in 1994 niet meer dan 2 800 ton witte tonijn aanvoeren.

6. Wanneer de in lid 5 vermelde hoeveelheden zijn gevangen, vergewissen de Lid-Staten zich ervan dat de betrokken vaartuigen voor de rest van het jaar geen drijfnetten meer kunnen gebruiken.

7. De in de artikelen 14, 15 en 21 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vermelde procedures zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 9 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde visserij.

Artikel 9 quinquies

Ongeacht het bepaalde in artikel 1, lid 1, zijn de bepalingen van de artikelen 9 bis tot en met 9 quater op communautaire vissersvaartuigen van toepassing in alle wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallen, en daarbuiten.".

2. De tekst in de bijlage wordt bijlage VIa en VIb.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 1994.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

(1) PB nr. L 389 van 31. 12. 1992, blz. 1.

(2) PB nr. L 288 van 11. 10. 1986, blz. 1.

(3) PB nr. L 307 van 23. 10. 1992, blz. 1.

(4) PB nr. L 276 van 10. 10. 1983, blz. 1.

(5) PB nr. L 261 van 20. 10. 1993, blz. 1.

BIJLAGE

"BIJLAGE VIa

- Witte tonijn: Thunnus alalunga

- Tonijn: Thunnus Thynnus

- Grootoogtonijn: Thunnus obesus

- Listao of gestreepte tonijn: Katsuwonus pelamis

- Geelvintonijn: Thunnus albacores

- Zwartvintonijn: Thunnus atlanticus

- Boniet van het geslacht euthynnus: Euthynnus spp.

- Pacifische tonijn: Thunnus maccoyii

- Soorten van het geslacht auxis: Auxis spp.

- Pomfrets: Bramidae

- Marlijnen: Tetrapturus spp.; Makaira spp.

- Zeilvissen: Istriophorus spp.

- Zwaardvis: Xiphias gladius

- Makreelgepen: Scomberesox spp.; Cololabis spp.

- Dolfijnvis: Coryphaena spp.

- Haai: Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; Alopiidae; Carchahinidae; Sphyrnidae; Isuridae; Lamnidae

- Koppotigen: (alle soorten)

BIJLAGE VIb

- Zalmen en forellen: Salmo spp."

Top