Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32026R0697

Verordening (EU) 2026/697 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2026 betreffende samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van Richtlijn (EU) 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

PE/57/2025/REV/2

PB L, 2026/697, 20.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/697/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/697/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/697

20.3.2026

VERORDENING (EU) 2026/697 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2026

betreffende samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van Richtlijn (EU) 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de landbouw- en voedselvoorzieningsketen kunnen grote onevenwichtigheden in de onderhandelingspositie tussen leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten tot oneerlijke handelspraktijken leiden. Bij Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad (3) is met het oog op het terugdringen van oneerlijke handelspraktijken die een negatieve invloed op de levensstandaard van de landbouwbevolking hebben, op Unieniveau een minimumnorm ter bescherming tegen dergelijke praktijken vastgesteld.

(2)

In het verslag van de Commissie van 23 april 2024 getiteld “Uitvoering van het verbod op oneerlijke handelspraktijken voor een sterkere positie van landbouwers en marktdeelnemers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen — stand van zaken” werd erop gewezen dat er nog steeds onevenwichtigheden in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen bestaan, waardoor nieuwe maatregelen des te meer nodig zijn om de bescherming van leveranciers verder te versterken en alle marktdeelnemers een voldoende sterke onderhandelingspositie te geven.

(3)

Op grond van Richtlijn (EU) 2019/633 moeten de lidstaten handhavingsautoriteiten aanwijzen om de doeltreffende handhaving van de in die richtlijn neergelegde verbodsbepalingen te waarborgen. Op grond van die richtlijn zijn de Commissie en daarin genoemde handhavingsautoriteiten ook verplicht om nauw samen te werken om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de toepassing van de in die richtlijn vastgestelde regels. De handhavingsautoriteiten moeten er met name naar streven oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie die op hun respectieve grondgebied plaatsvinden, te voorkomen of te beëindigen. Zij moeten dit doen door samen te werken, onder meer door informatie uit te wisselen en te assisteren bij onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie. Hoewel het toepassingsgebied en de mogelijkheden voor samenwerking uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/633 volledig beschikbaar blijven voor de handhavingsautoriteiten van de lidstaten, is het passend bepaalde problemen in verband met het samenwerkingsmechanisme aan te pakken en de doeltreffendheid van dat mechanisme te vergroten.

(4)

Wegens het territorialiteitsbeginsel zouden de handhavingsautoriteiten moeilijkheden kunnen ervaren bij het verzamelen van informatie, het vaststellen van een inbreuk en het opleggen en afdwingen van een geldboete of een andere even doeltreffende sanctie wanneer een afnemer in een andere lidstaat gevestigd is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer marktdeelnemers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen of hun organisaties een grensoverschrijdende inkoopstrategie hebben. Die moeilijkheden zijn van invloed op het bij Richtlijn (EU) 2019/633 opgezette handhavingssysteem, dat afhankelijk is van de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten, en zou tot ongelijke handhaving met betrekking tot het verbod op oneerlijke handelspraktijken kunnen leiden, wat de door de richtlijn beoogde bescherming voor leveranciers van landbouw- en voedingsproducten kan ondermijnen. Derhalve is het passend om bepaalde uniforme regels vast te stellen om de samenwerking tussen handhavingsautoriteiten in grensoverschrijdende zaken te versterken. De versterking van die samenwerking zou leiden tot een doeltreffendere bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie en bijdragen tot de versterking van de positie van landbouwers in die toeleveringsketen, waardoor een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking wordt gewaarborgd.

(5)

Aangezien Richtlijn (EU) 2019/633 de lidstaten toestaat om strengere nationale regels te behouden of in te voeren met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken, moet worden verduidelijkt dat die regels niet onder deze verordening vallen. De lidstaten moeten echter wel kunnen beslissen dat hun handhavingsautoriteiten met betrekking tot die regels gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden op grond van het bij deze verordening vastgestelde mechanisme voor vrijwillige samenwerking. Die mogelijkheden kunnen met name van belang zijn in gevallen waarin strengere nationale regels in sommige lidstaten worden aangemerkt als bepalingen van bijzonder dwingend recht die tot doel hebben de stabiele en duurzame levering van levensmiddelen aan consumenten te waarborgen. In die gevallen moeten de lidstaten het recht hebben te weigeren om gevolg te geven aan een verzoek betreffende vrijwillige samenwerking.

(6)

Om hen in staat te stellen hun verplichtingen in het kader van deze verordening doeltreffend na te komen, moeten de handhavingsautoriteiten kunnen beschikken over de nodige middelen en deskundigheid.

(7)

Handhavingsautoriteiten moeten de bevoegdheid hebben om alle gegevens rechtens of feitelijk, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, aan elkaar te bezorgen of als bewijsmiddel te gebruiken overeenkomstig hun nationaal recht. De verstrekte informatie moet alleen als bewijsmiddel worden gebruikt voor de toepassing van deze verordening om de bij Richtlijn (EU) 2019/633 vastgestelde regels te handhaven en met betrekking tot het onderwerp waarvoor ze door de aangezochte handhavingsautoriteit is verzameld. De vertrouwelijkheid van de verstrekte informatie moet worden gewaarborgd met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van een betrokken natuurlijke of rechtspersoon. Verzoeken van klagers om bescherming van informatie op basis van artikel 5, lid 3, van Richtlijn (EU) 2019/633 moeten in aanmerking worden genomen en de bescherming moet ook worden gewaarborgd bij grensoverschrijdende handhaving.

(8)

Om oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie een halt toe te roepen, moeten de handhavingsautoriteiten op hun eigen grondgebied de bevoegdheid krijgen om onderzoeksmaatregelen te nemen namens andere handhavingsautoriteiten. Dergelijke onderzoeksmaatregelen moeten door de aangezochte handhavingsautoriteit worden genomen overeenkomstig de haar bij artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 verleende bevoegdheden en overeenkomstig haar nationale recht.

(9)

Samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten op het gebied van de handhaving van overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, punt e), van Richtlijn (EU) 2019/633 vastgestelde definitieve besluiten waarbij geldboeten of andere even doeltreffende sancties alsook voorlopige maatregelen worden opgelegd, is van groot belang om een doeltreffende bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie tot stand te brengen. Daartoe moet de aangezochte handhavingsautoriteit de bevoegdheid krijgen om een definitief besluit van de verzoekende handhavingsautoriteit te handhaven in het geval de inning van de geldboeten of de uitvoering van de even doeltreffende sanctie of van de voorlopige maatregel door de verzoekende handhavingsautoriteit geen resultaat oplevert. In gevallen waarin de inning van geldboeten of de uitvoering van even doeltreffende sancties of van de voorlopige maatregelen in de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit door een andere bevoegde nationale autoriteit wordt uitgevoerd, moet de aangezochte handhavingsautoriteit de bevoegdheid hebben om de inning van de geldboete of de uitvoering van de even doeltreffende sanctie of van de voorlopige maatregelen bij die andere bevoegde nationale autoriteit in te leiden.

(10)

Handhavingsautoriteiten moeten op hun eigen grondgebied en overeenkomstig hun nationaal recht de bevoegdheid hebben om definitieve besluiten waarbij geldboeten, andere even doeltreffende sancties dan wel voorlopige maatregelen worden opgelegd namens andere handhavingsautoriteiten te handhaven of om procedures voor de handhaving ervan in te leiden, mits die andere handhavingsautoriteiten hebben vastgesteld dat de geldboeten of andere even doeltreffende sancties dan wel voorlopige maatregelen niet kunnen worden gehandhaafd in de lidstaten van die andere handhavingsautoriteiten.

(11)

Om de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze verordening te vergroten, een vlotte samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten te waarborgen en buitensporige kosten voor de aangezochte handhavingsautoriteiten te voorkomen, moeten er regels worden vastgesteld over de dekking van de kosten van maatregelen die op grond van deze verordening worden genomen.

(12)

Handhavingsautoriteiten moeten elkaar in kennis stellen van elke oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie die op hun grondgebied plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

(13)

Handhavingsautoriteiten moeten met elkaar samenwerken door verzoeken om wederzijdse bijstand in te dienen. In deze verzoeken moet worden toegelicht welke informatie of maatregel in elke zaak noodzakelijk wordt geacht om onderzoeken uit te voeren naar oneerlijke handelspraktijken. Om de aangezochte handhavingsautoriteit in staat te stellen aan het verzoek te voldoen, moet het verzoek alle nodige informatie over de vermeende oneerlijke handelspraktijk bevatten.

(14)

Handhavingsautoriteiten mogen niet weigeren gevolg te geven aan een informatieverzoek of weigeren deel te nemen aan handhavingsmaatregelen, tenzij kan worden aangenomen dat andere handhavingsmaatregelen dan wel administratieve besluiten of gerechtelijke procedures die op nationaal niveau zijn genomen en buiten het mechanisme voor wederzijdse bijstand uit hoofde van deze verordening vallen, zouden waarborgen dat een einde wordt gemaakt aan de relevante oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie. Weigeringen moeten ook mogelijk zijn in gevallen waarin verzoeken buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen of in strijd zijn met het nationale recht van de aangezochte handhavingsautoriteit. Handhavingsautoriteiten moeten redenen opgeven voor dergelijke weigeringen.

(15)

Het ontbreken van procedurevoorschriften voor de talenregeling kan een belemmering vormen voor soepele samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten. Om die reden moeten de handhavingsautoriteiten overeenstemming kunnen bereiken over de in alle kennisgevingen, verzoeken en mededelingen tussen hen te gebruiken taal. Indien zij het niet eens kunnen worden over de te gebruiken taal, moeten de in deze verordening vastgestelde standaardregels inzake taalgebruik van toepassing zijn.

(16)

Indien mogelijk een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt waarbij afnemers en leveranciers uit ten minste drie lidstaten betrokken zijn, moeten de handhavingsautoriteiten die bij die praktijk betrokken zijn, waarschuwingen kunnen afgeven via een apart systeem, kunnen deelnemen aan gecoördineerde acties en een coördinator kunnen aanwijzen om de samenwerking tussen de betrokken handhavingsautoriteiten op wier grondgebied de praktijk beweerdelijk plaatsvindt, te coördineren. Om vast te stellen welke handhavingsautoriteiten betrokken zijn bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, moeten alle relevante aspecten in aanmerking worden genomen, met name de plaats waar de afnemer gevestigd is en de locatie van de leveranciers die mogelijk getroffen worden. Het opsporen van oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie moet worden ondersteund door het uitwisselen van informatie tussen handhavingsautoriteiten wanneer er een redelijk vermoeden bestaat van dergelijke praktijken. De coördinator moet zijn bevoegdheid uitoefenen in een kader van nauwe samenwerking met de andere betrokken handhavingsautoriteiten. Alle handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie moeten in een vroeg stadium actief aan het onderzoek deelnemen, de Commissie en de andere betrokken handhavingsautoriteiten waarschuwen en de informatie over dergelijke praktijken waarover zij beschikken delen.

(17)

Er moeten procedures worden vastgesteld om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen met betrekking tot wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie te coördineren. Gecoördineerde acties met betrekking tot dergelijke praktijken moeten ervoor zorgen dat de handhavingsautoriteiten de meest passende en doeltreffende instrumenten kunnen kiezen om een einde te maken aan die praktijken.

(18)

Het is noodzakelijk een lijst op te stellen van de gevallen waarin een betrokken handhavingsautoriteit die betrokken is bij een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie mag beslissen om te weigeren aan een gecoördineerde actie deel te nemen. Met name mag een tekort aan beschikbare middelen van de kant van een dergelijke handhavingsautoriteit geen rechtvaardiging zijn om deelname aan een gecoördineerde actie te weigeren.

(19)

Er moeten in deze verordening regels voor talenregelingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de handhavingsautoriteiten waarop de gecoördineerde actie betrekking heeft, over alle nodige instrumenten voor communicatie, samenwerking en coördinatie beschikken.

(20)

Aangezien Richtlijn (EU) 2019/633 er ook voor zorgt dat leveranciers in de Unie beschermd zijn tegen oneerlijke handelspraktijken van buiten de Unie gevestigde afnemers en buiten de Unie gevestigde leveranciers bescherming genieten tegen oneerlijke handelspraktijken bij de verkoop van landbouw- en voedingsproducten in de Unie, moet deze verordening ook regels omvatten voor de onderlinge samenwerking tussen handhavingsautoriteiten met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken waarbij buiten de Unie gevestigde afnemers en leveranciers betrokken zijn en die verboden zijn op grond van Richtlijn (EU) 2019/633.

(21)

Leveranciers in de Unie zijn door Richtlijn (EU) 2019/633 ook beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken van buiten de Unie gevestigde afnemers. Het is daarom passend regels vast te stellen op basis waarvan de handhavingsautoriteiten in dergelijke gevallen doeltreffender onderzoek kunnen doen. Daartoe moet een handhavingsautoriteit een afnemer kunnen verzoeken om binnen de Unie een contactpunt aan te wijzen dat als eerste aanspreekpunt voor de handhavingsautoriteit optreedt, waardoor het onderzoek wordt vergemakkelijkt. Handhavingsautoriteiten moeten elkaar en de Commissie ook in kennis stellen wanneer een afnemer niet aan een dergelijk verzoek voldoet.

(22)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend teneinde standaardformulieren voor verzoeken om wederzijdse bijstand te ontwikkelen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(23)

Met het oog op een doeltreffende uitvoering van de regels die bedoeld zijn om de positie van marktdeelnemers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen die aan oneerlijke handelspraktijken worden blootgesteld te versterken, moet het verslag over de toepassing van de regels uit hoofde van deze verordening als informatie dienen voor de herziening van Richtlijn (EU) 2019/633. Het is belangrijk dat de Commissie zicht heeft op de toepassing van deze verordening in de lidstaten. Daarnaast moet de Commissie de doeltreffendheid van deze verordening kunnen beoordelen. Daartoe moeten de handhavingsautoriteiten van de lidstaten in hun jaarverslagen aan de Commissie activiteiten opnemen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

(24)

Ten behoeve van een doeltreffende handhaving, moet de Commissie een platform aanbieden en beheren dat een snelle informatie-uitwisseling tussen de handhavingsautoriteiten en, waar nodig, met de Commissie mogelijk maakt.

(25)

Om rekening te houden met toekomstige technische behoeften, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden overgedragen ten aanzien van wijzigingen van het instrument dat moet worden gebruikt voor het beheer van de kennisgevingen en communicatie tussen de handhavingsautoriteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (5). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(26)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de constitutionele tradities van de lidstaten zijn erkend. Derhalve moet deze verordening in het licht van die rechten en beginselen worden uitgelegd en toegepast.

(27)

Strafrechtelijke onderzoeken of gerechtelijke procedures in de lidstaten mogen geen invloed ondervinden van de toepassing van deze verordening. Bijgevolg moeten Besluit 2008/976/JBZ van de Raad (6), Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad (7) en Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) voorrang hebben op deze verordening voor zover de betrokken oneerlijke handelspraktijk onder het toepassingsgebied van die rechtshandelingen valt.

(28)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het versterken van de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van het verbod op oneerlijke handelspraktijken uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/633 in grensoverschrijdende zaken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat zij niet voor samenwerking en coördinatie kunnen zorgen door alleen te handelen, maar vanwege haar territoriale en personele werkingssfeer beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(29)

Teneinde de handhavingsautoriteiten de tijd te geven die nodig is om de in deze verordening vastgestelde regels te kunnen uitvoeren, moet de toepassing ervan worden uitgesteld tot 18 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Met het oog op de bestrijding van praktijken die sterk afwijken van goed handelsgedrag, die in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling en die door één handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere handelspartner, worden in deze verordening bepaalde regels vastgesteld op grond waarvan de handhavingsautoriteiten die door hun lidstaten zijn aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van het verbod op oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen op grond van Richtlijn (EU) 2019/633 samenwerken en acties met elkaar coördineren om het nuttig effect van die richtlijn te verzekeren.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op de handhaving van het in artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 neergelegde verbod op oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen met een grensoverschrijdende dimensie die zich voordoen met betrekking tot de verkoop van landbouw- en voedingsproducten tussen in artikel 1, lid 2, van die richtlijn vermelde afnemers en leveranciers.

Hoofdstuk IV van deze verordening is ook van toepassing met betrekking tot korte termijnen van minder dan 30 dagen voor specifieke sectoren op basis van artikel 3, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/633 of tot op basis van artikel 9, lid 1, van die richtlijn gehandhaafde of vastgestelde nationale voorschriften, indien de lidstaat daartoe besluit overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van deze verordening.

Hoofdstuk VI van deze verordening is van toepassing met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken waarbij leveranciers of afnemers betrokken zijn die buiten de Unie gevestigd zijn.

2.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de regels van de Unie en de nationale voorschriften met betrekking tot het internationale privaatrecht, in het bijzonder de regels met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht.

3.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing in de lidstaten van maatregelen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken, met name de werking van het Europees justitieel netwerk zoals vastgesteld bij Besluit 2008/976/JBZ, en de toepassing van Kaderbesluit 2005/214/JBZ en Richtlijn 2014/41/EU.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/633. Daarnaast wordt verstaan onder:

1)

“handhavingsautoriteit”: een nationale autoriteit of nationale autoriteiten die door een lidstaat zijn aangewezen op grond van artikel 4, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633;

2)

“verzoekende handhavingsautoriteit”: een handhavingsautoriteit die om wederzijdse bijstand verzoekt;

3)

“aangezochte handhavingsautoriteit”: een handhavingsautoriteit die een verzoek om wederzijdse bijstand ontvangt;

4)

“oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie”: een oneerlijke handelspraktijk waarbij een leverancier en een afnemer betrokken zijn die in twee verschillende lidstaten gevestigd zijn;

5)

“wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie”: een oneerlijke handelspraktijk waarbij leveranciers en afnemers betrokken zijn die in ten minste drie lidstaten gevestigd zijn;

6)

“definitief besluit”: een besluit waartegen op grond van gewone rechtsmiddelen geen of niet langer beroep openstaat.

Artikel 4

Algemeen beginsel

De handhavingsautoriteiten werken met elkaar samen om oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie op hun grondgebied te voorkomen of te beëindigen.

HOOFDSTUK II

MIDDELEN, DESKUNDIGHEID EN VERTROUWELIJKHEID

Artikel 5

Middelen en deskundigheid

De lidstaten zorgen ervoor dat de handhavingsautoriteiten over de nodige middelen beschikken om deze verordening toe te passen en de bekendheid van de bepalingen ervan te vergroten bij afnemers en leveranciers.

Artikel 6

Vertrouwelijkheid van informatie

1.   Voor de toepassing van deze verordening zijn de handhavingsautoriteiten bevoegd onderling informatie uit te wisselen en die informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, rechtens of feitelijk als bewijsmiddel te gebruiken.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt uitsluitend als bewijsmiddel gebruikt voor de toepassing van deze verordening en met betrekking tot het onderwerp waarvoor zij door de aangezochte handhavingsautoriteit is verzameld.

3.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt door de handhavingsautoriteiten uitsluitend gebruikt met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van natuurlijke of rechtspersonen, met inbegrip van de bescherming van bedrijfsgeheimen en intellectuele-eigendomsrechten.

4.   In gevallen waarin een klager op grond van artikel 5, lid 3, van Richtlijn (EU) 2019/633 om bescherming van informatie verzoekt, vraagt de handhavingsautoriteit die de klacht ontvangt de voorafgaande toestemming van de klager alvorens de beschermde informatie aan een andere handhavingsautoriteit te verstrekken.

HOOFDSTUK III

MECHANISME VOOR WEDERZIJDSE BIJSTAND

Artikel 7

Verzoeken om informatie

1.   Op verzoek van een verzoekende handhavingsautoriteit verstrekt een aangezochte handhavingsautoriteit de verzoekende handhavingsautoriteit onverwijld en uiterlijk 90 dagen vanaf de datum van het verzoek de gevraagde informatie om vast te stellen of er een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit. De verzoekende handhavingsautoriteit en de aangezochte handhavingsautoriteit kunnen overeenkomen om die termijn van 90 dagen met 30 dagen te verlengen.

2.   Indien de aangezochte handhavingsautoriteit niet over alle uit hoofde van lid 1 verzochte informatie beschikt, kan zij op dat verzoek antwoorden met slechts een deel van de informatie of aangeven dat de verzochte informatie ontbreekt. In beide gevallen vermeldt de aangezochte handhavingsautoriteit wat de reden is voor dat antwoord. De aangezochte handhavingsautoriteit kan besluiten de ontbrekende informatie te verzamelen, in welk geval zij de verzoekende handhavingsautoriteit in kennis stelt van haar besluit om dat te doen en de verzamelde informatie vervolgens met die autoriteit deelt.

3.   De op grond van een verzoek uit hoofde van lid 1 te verstrekken informatie wordt door de aangezochte handhavingsautoriteit verzameld en door de verzoekende handhavingsautoriteit uitsluitend overeenkomstig hun respectieve nationale recht gebruikt.

Artikel 8

Verzoeken om onderzoeksmaatregelen

1.   Op verzoek en in naam van een verzoekende handhavingsautoriteit neemt de aangezochte handhavingsautoriteit onderzoeksmaatregelen overeenkomstig de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 bepaalde bevoegdheden en overeenkomstig haar nationale recht, om vast te stellen of er een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie heeft plaatsgevonden of plaatsvindt.

2.   Indien een aangezochte handhavingsautoriteit de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 bepaalde bevoegdheden uitoefent op verzoek van en in naam van een verzoekende handhavingsautoriteit, is het door de verzoekende handhavingsautoriteit gemachtigde of aangewezen ambtenaren en andere begeleidende personen toegestaan de verzoekende handhavingsautoriteit te vergezellen en bij te staan bij de uitoefening van haar bevoegdheden, onder toezicht van haar ambtenaren en op voorwaarde dat de verzoekende handhavingsautoriteit de aangezochte handhavingsautoriteit van tevoren heeft geïnformeerd over haar wens om deel te nemen.

3.   De aangezochte handhavingsautoriteit informeert de verzoekende handhavingsautoriteit onverwijld over de stappen en maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen uit hoofde van lid 1.

Artikel 9

Verzoeken om handhaving van besluiten waarbij geldboeten of andere even doeltreffende sancties alsook voorlopige maatregelen worden opgelegd

1.   Op verzoek van een verzoekende handhavingsautoriteit handhaaft de aangezochte handhavingsautoriteit overeenkomstig haar nationaal recht definitieve besluiten of leidt zij onverwijld procedures in voor de handhaving van definitieve besluiten, waarbij overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, punt e), van Richtlijn (EU) 2019/633 vastgestelde geldboeten of andere even doeltreffende sancties alsook voorlopige maatregelen worden opgelegd door de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit.

2.   Lid 1 is slechts van toepassing indien de verzoekende handhavingsautoriteit is nagegaan dat de afnemer jegens wie de geldboete en andere even doeltreffende sancties alsook voorlopige maatregelen uitvoerbaar zijn, niet over voldoende activa beschikt op het grondgebied van de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit.

3.   De verzoekende handhavingsautoriteit kan uitsluitend verzoeken om de handhaving van een definitief besluit.

4.   Vragen in verband met de verjaringstermijnen voor de uitvoering van geldboeten, andere even doeltreffende sancties alsook voorlopige maatregelen worden beheerst door het nationaal recht van de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit.

Artikel 10

Kosten

1.   De handhavingsautoriteiten brengen leveranciers geen kosten in rekening in verband met de grensoverschrijdende dimensie van een oneerlijke handelspraktijk.

2.   De handhavingsautoriteiten zien af van elke onderlinge vordering tot terugbetaling van de kosten die bij de toepassing van deze verordening zijn gemaakt, met uitzondering van kosten die zijn gemaakt als aangezochte handhavingsautoriteit in verband met op grond van artikel 7, 8, 9, 15 of 16 genomen maatregelen, zoals bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel.

3.   Met betrekking tot op grond van artikel 7, 8, 15 of 16 genomen maatregelen kan de aangezochte handhavingsautoriteit de verzoekende handhavingsautoriteit verzoeken alle redelijke extra kosten geheel of gedeeltelijk te dragen, met inbegrip van vertaalkosten, arbeidskosten en administratieve kosten. In dergelijke gevallen draagt de verzoekende handhavingsautoriteit die kosten, zoals verzocht.

4.   Met betrekking tot maatregelen die op grond van artikel 9 zijn genomen, kan de aangezochte handhavingsautoriteit de volledige gemaakte kosten, met inbegrip van vertaalkosten, arbeidskosten en administratieve kosten, terugvorderen uit de geldboeten die namens de verzoekende handhavingsautoriteit zijn geïnd. Indien het bedrag van de geldboeten de redelijke extra kosten niet dekt, of indien de aangezochte handhavingsautoriteit er ondanks alle redelijke inspanningen niet in slaagt de geldboeten te innen, kan de aangezochte handhavingsautoriteit de verzoekende handhavingsautoriteit verzoeken de gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk te dragen. In dergelijke gevallen draagt de verzoekende handhavingsautoriteit die kosten, zoals verzocht.

5.   De uit hoofde van dit artikel verschuldigde bedragen worden door de aangezochte handhavingsautoriteit ingevorderd in de valuta van haar lidstaat overeenkomstig haar nationale recht.

6.   De aangezochte handhavingsautoriteit rekent indien nodig het bedrag van de geldboeten om in de valuta van haar lidstaat tegen de wisselkoers die van toepassing is op de datum waarop de geldboeten zijn opgelegd, overeenkomstig haar nationale recht.

Artikel 11

Kennisgevingsmechanisme

De handhavingsautoriteiten stellen de Commissie en alle andere handhavingsautoriteiten in kennis van elk besluit tot vaststelling van het optreden van een oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie in hun lidstaat, binnen 30 dagen na de vaststelling van dat besluit.

Artikel 12

Procedure voor verzoeken om wederzijdse bijstand

1.   De verzoekende autoriteit doet bij het verzoek om wederzijdse bijstand het volgende:

a)

deze verordening, het nationale recht tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/633 en de overeenkomstige bepalingen van artikel 1, lid 2, en artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 als rechtsgrondslag voor dat verzoek vermelden, alsook het doel van het verzoek, met inbegrip van een beschrijving van de grensoverschrijdende dimensie van de vermeende oneerlijke handelspraktijk, en de uit hoofde van artikel 7, lid 1, gevraagde informatie of de uit hoofde van artikel 8 of 9 van deze verordening gevraagde handhavingsmaatregelen specificeren;

b)

alle relevante aanvullende informatie verstrekken die nodig is om de aangezochte handhavingsautoriteit in staat te stellen aan het verzoek te voldoen, waaronder alle informatie die enkel in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit kan worden verkregen.

2.   Verzoeken om wederzijdse bijstand en alle daarmee verband houdende communicatie worden schriftelijk ingediend. Voor verzoeken om wederzijdse bijstand worden standaardformulieren gebruikt waar die zijn vastgesteld door de Commissie.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen aannemen ter vaststelling van de in lid 2 bedoelde standaardformulieren voor de verzoeken om wederzijdse bijstand. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 13

Weigering gevolg te geven aan een verzoek om wederzijdse bijstand

1.   Een aangezochte handhavingsautoriteit kan enkel weigeren gevolg te geven aan een verzoek om informatie uit hoofde van artikel 7, lid 1, indien ten minste een van de onderstaande situaties van toepassing is:

a)

na overleg met de verzoekende handhavingsautoriteit zijn beide handhavingsautoriteiten het erover eens dat de informatie niet nodig is of dat er in een later stadium een nieuw verzoek kan worden ingediend;

b)

er is reeds een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of gerechtelijke procedure ingeleid tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder dat strafrechtelijke onderzoek of die gerechtelijke procedure vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn, voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte of van de verzoekende handhavingsautoriteit.

2.   Een aangezochte handhavingsautoriteit kan, na overleg met de verzoekende handhavingsautoriteit, enkel weigeren gevolg te geven aan een verzoek om handhavingsmaatregelen uit hoofde artikel 8, wanneer ten minste een van de onderstaande situaties van toepassing is:

a)

er is reeds een strafrechtelijke onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder dat strafrechtelijk onderzoek of die gerechtelijke procedure vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn, of er is een gerechtelijke schikking getroffen met dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk, voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit;

b)

er zijn reeds de nodige handhavingsbevoegdheden uitgeoefend, met inbegrip van administratieve procedures, of er is reeds een administratief besluit vastgesteld tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder de onderzoeken of het administratief besluit vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn, in de lidstaat van de aangezochte autoriteit om die oneerlijke handelspraktijk spoedig en doeltreffend te doen beëindigen;

c)

er is reeds een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder het strafrechtelijk onderzoek of de gerechtelijke procedure vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit;

d)

de aangezochte handhavingsautoriteit kan aantonen dat de verzochte handhavingsmaatregelen niet in artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2019/633 zijn voorzien, of kan aantonen dat het verzoek betrekking heeft op korte termijnen van minder dan 30 dagen die voor specifieke sectoren kunnen worden vastgesteld op basis van artikel 3, lid 1, punt b), van die richtlijn of betrekking heeft op nationale voorschriften die worden gehandhaafd of zijn vastgesteld op basis van artikel 9, lid 1, van die richtlijn;

e)

de aangezochte handhavingsautoriteit is niet in staat:

i)

overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Richtlijn (EU) 2019/633 te zorgen voor passende bescherming van de op grond van artikel 6, lid 4, van deze verordening verstrekte beschermde informatie, of

ii)

te voldoen aan het verzoek als zij geen toegang heeft tot bepaalde informatie omdat de klager daar op grond van artikel 6, lid 4, geen toestemming voor heeft gegeven;

f)

de verzoekende handhavingsautoriteit heeft niet overeenkomstig artikel 12 de nodige informatie verstrekt.

3.   Een aangezochte handhavingsautoriteit kan, na overleg met de verzoekende handhavingsautoriteit, enkel weigeren gevolg te geven aan een verzoek om handhavingsmaatregelen uit hoofde van artikel 9, wanneer ten minste een van de onderstaande situaties van toepassing is:

a)

er is reeds een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid of er is reeds een rechterlijke beslissing genomen tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk, of er is een gerechtelijke schikking getroffen met dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit;

b)

er zijn reeds de nodige handhavingsbevoegdheden uitgeoefend, met inbegrip van administratieve procedures, of er is reeds een administratief besluit vastgesteld tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk in de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit, om die oneerlijke handelspraktijk spoedig en doeltreffend te doen beëindigen;

c)

er is reeds een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure ingeleid tegen dezelfde afnemer met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit;

d)

de aangezochte handhavingsautoriteit kan aantonen dat het definitieve besluit betrekking heeft op korte termijnen van minder dan 30 dagen die zijn vastgesteld voor specifieke sectoren op basis van artikel 3, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/633 of op nationale voorschriften die worden gehandhaafd of zijn vastgesteld op basis van artikel 9, lid 1, van die richtlijn, of dat het definitieve besluit niet kon worden genomen of niet kan worden gehandhaafd in overeenstemming met haar nationaal recht;

e)

de verzoekende handhavingsautoriteit heeft de overeenkomstig artikel 12 benodigde informatie niet verstrekt.

4.   De aangezochte handhavingsautoriteit stelt de verzoekende handhavingsautoriteit onverwijld in kennis van een weigering om gevolg te geven aan een verzoek om wederzijdse bijstand en motiveert die weigering.

Artikel 14

Talenregeling

1.   Met de betrokken handhavingsautoriteiten wordt in onderling overleg vastgesteld welke talen zij gebruiken voor verzoeken, kennisgevingen en voor alle onder dit hoofdstuk vallende communicatie in verband met het mechanisme voor wederzijdse bijstand.

2.   Indien er tussen de betrokken handhavingsautoriteiten geen overeenstemming kan worden bereikt over te gebruiken talen, worden de verzoeken om wederzijdse bijstand toegezonden in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit, vergezeld van een hoffelijkheidsvertaling in het Engels indien daarom wordt verzocht. De antwoorden worden toegezonden in de officiële taal, of een van de officiële talen, van de lidstaat van de aangezochte handhavingsautoriteit, vergezeld van een hoffelijkheidsvertaling in het Engels indien daarom wordt verzocht.

HOOFDSTUK IV

VRIJWILLIGE SAMENWERKING

Artikel 15

Verzoeken om informatie met betrekking tot nationale voorschriften

1.   De lidstaten kunnen besluiten dat de handhavingsautoriteiten gebruik mogen maken van de mogelijkheden waarin artikel 7 van deze verordening voorziet met betrekking tot korte termijnen van minder dan 30 dagen die zijn vastgesteld voor specifieke sectoren op basis van artikel 3, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/633 of met betrekking tot nationale voorschriften die worden gehandhaafd of zijn vastgesteld op basis van artikel 9, lid 1, van die richtlijn.

2.   Indien een lidstaat daartoe besluit en een verzoekende handhavingsautoriteit gebruikmaakt van een of beide van de in lid 1 bedoelde opties, kan de aangezochte handhavingsautoriteit slechts gedeeltelijke informatie verstrekken of informatie weigeren te verstrekken. De aangezochte handhavingsautoriteit vermeldt de redenen voor dat gedeeltelijke antwoord of die weigering. In dergelijke gevallen is artikel 13 niet van toepassing.

Artikel 16

Verzoeken om onderzoeksmaatregelen met betrekking tot nationale voorschriften

1.   Indien een lidstaat op grond van artikel 3, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/633 voor specifieke sectoren korte termijnen van minder dan 30 dagen heeft vastgesteld en een andere lidstaat hetzelfde heeft gedaan, wat heeft geleid tot korte termijnen van gelijke duur voor dezelfde specifieke sectoren, kunnen de handhavingsautoriteiten van die lidstaten overeenkomen gebruik te maken van de mogelijkheden waarin artikel 8, lid 1, van deze verordening voorziet.

Evenzo kunnen, wanneer een lidstaat op basis van artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633 strengere nationale voorschriften heeft gehandhaafd of vastgesteld en een andere lidstaat hetzelfde heeft gedaan, wat heeft geleid tot even strenge nationale voorschriften voor dezelfde grootte exploitanten of dezelfde soorten oneerlijke handelspraktijken, de handhavingsautoriteiten van die lidstaten overeenkomen gebruik te maken van de mogelijkheden waarin artikel 8, lid 1, van deze verordening voorziet.

2.   Indien een verzoekende handhavingsautoriteit gebruik maakt van één of beide van de in lid 1 bedoelde opties, kan de aangezochte handhavingsautoriteit weigeren om onderzoeksmaatregelen te nemen, zonder vermelding van de redenen voor die weigering. In dergelijke gevallen is artikel 13 niet van toepassing.

Artikel 17

Verzoekprocedure

Indien een verzoekende handhavingsautoriteit gebruik maakt van de mogelijkheden waarin artikel 15 of 16 voorziet, stuurt zij een verzoek naar de aangezochte handhavingsautoriteit waarin zij:

a)

deze verordening als rechtsgrondslag vermeldt;

b)

het nationale recht vermeldt waarin het verbod op de betrokken oneerlijke handelspraktijk is vastgelegd die verder gaat dan Richtlijn (EU) 2019/633, en aangeeft of dat nationale recht is gestoeld op artikel 3, lid 1, punt b), of artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633;

c)

het doel van het verzoek beschrijft;

d)

de betrokken oneerlijke handelspraktijk beschrijft en specificeert in welke zin deze verder gaat dan Richtlijn (EU) 2019/633;

e)

specificeert om welke informatie of onderzoeksmaatregel wordt verzocht.

HOOFDSTUK V

ONDERZOEKS- EN HANDHAVINGSMECHANISMEN VOOR WIJDVERBREIDE ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN MET EEN GRENSOVERSCHRIJDENDE DIMENSIE

Artikel 18

Inleiden van een gecoördineerde actie en aanwijzen van de coördinator

1.   Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat mogelijk sprake is van een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, leiden de handhavingsautoriteiten die bij die vermeende praktijk betrokken zijn in onderling overleg een gecoördineerde actie in. Van de inleiding van die gecoördineerde actie wordt onverwijld kennisgegeven aan de Commissie.

2.   De handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij de vermeende wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie wijzen een handhavingsautoriteit als coördinator aan. Om overeenstemming te bereiken over de aanwijzing van de coördinator, kan de Commissie, indien nodig, de gesprekken tussen de betrokken handhavingsautoriteiten faciliteren. Indien die handhavingsautoriteiten geen overeenstemming kunnen bereiken over die aanwijzing, is de handhavingsautoriteit die op grond van artikel 24 de waarschuwing heeft afgegeven, de coördinator.

3.   De handhavingsautoriteiten die betrokken zijn bij de vermeende wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie voeren onderzoeken op basis van de informatie waarover zij beschikken. Zij waarschuwen de andere betrokken handhavingsautoriteiten op grond van artikel 24 over de resultaten van die onderzoeken.

4.   Een handhavingsautoriteit voegt zich bij de gecoördineerde actie indien tijdens die gecoördineerde actie blijkt dat zij betrokken is bij de vermeende wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie.

5.   Om vast te stellen of een handhavingsautoriteit betrokken is bij een vermeende wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, worden alle aspecten in aanmerking genomen, en met name:

a)

de lidstaten waar de afnemers gevestigd zijn;

b)

de lidstaten waar de leveranciers die mogelijk getroffen worden door de oneerlijke handelspraktijk gevestigd zijn.

Artikel 19

Redenen tot weigering van deelname aan een gecoördineerde actie

1.   Een handhavingsautoriteit kan enkel weigeren aan een gecoördineerde actie deel te nemen als een of meer van de volgende situaties van toepassing zijn:

a)

er is reeds een strafrechtelijk onderzoek ingesteld of een gerechtelijke procedure, dan wel administratieve procedure ingeleid, een rechterlijke beslissing genomen of een gerechtelijke schikking getroffen tegen dezelfde afnemer of afnemers met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder dat strafrechtelijk onderzoek, die gerechtelijke procedure of die administratieve procedure vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn, in de lidstaat van die handhavingsautoriteit;

b)

de handhavingsautoriteit heeft al vóór de afgifte van een waarschuwing als bedoeld in artikel 24 een onderzoek ingeleid, of er is een administratief besluit vastgesteld tegen dezelfde afnemer of afnemers met betrekking tot dezelfde oneerlijke handelspraktijk waarbij dezelfde leverancier en dezelfde periode van de onder het onderzoek of het administratief besluit vallende oneerlijke handelspraktijk betrokken zijn, in de lidstaat van die handhavingsautoriteit, om de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie te doen beëindigen;

c)

de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie heeft zich in de lidstaat van die handhavingsautoriteit niet voorgedaan en er hoeven door die handhavingsautoriteit derhalve geen handhavingsmaatregelen uit hoofde van artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/633 te worden genomen.

2.   Indien een handhavingsautoriteit weigert aan de gecoördineerde actie deel te nemen, stelt zij de Commissie en de andere handhavingsautoriteiten die bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie betrokken zijn, onverwijld in kennis van haar besluit, dat zij met redenen omkleedt en staaft met de nodige ondersteunende documenten.

Artikel 20

Onderzoeken bij gecoördineerde acties

1.   Aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten zorgen ervoor dat de onderzoeken en inspecties tijdig, doeltreffend en gecoördineerd worden gevoerd. Handhavingsautoriteiten streven ernaar onderzoeken en inspecties te verrichten, en, voor zover het nationale recht dat toelaat, voorlopige maatregelen gelijktijdig met die van andere handhavingsautoriteiten toe te passen.

2.   Aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten leggen de resultaten van het onderzoek en de beoordeling van de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie vast in een gemeenschappelijke verklaring, waarin de genomen nationale maatregelen en, in voorkomend geval, de verschillende standpunten van de handhavingsautoriteiten, worden samengevat.

3.   Zonder afbreuk te doen aan de voorschriften betreffende geheimhouding en op het gebied van het handelsgeheim die zijn vastgelegd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (9), maken de bij de gecoördineerde actie betrokken handhavingsautoriteiten de in lid 2 van dit artikel bedoelde gemeenschappelijke verklaring of delen daarvan bekend op hun websites, en stellen zij de Commissie in kennis van de bekendmaking ervan.

Artikel 21

Handhavingsmaatregelen bij gecoördineerde acties

1.   Aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten nemen binnen hun bevoegdheidsgebied alle noodzakelijke handhavingsmaatregelen uit hoofde van artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/633 tegen de afnemer of afnemers die verantwoordelijk zijn voor de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, teneinde die oneerlijke handelspraktijk te doen beëindigen.

2.   Handhavingsmaatregelen op grond van lid 1 worden door de handhavingsautoriteiten genomen overeenkomstig de nationale voorschriften van hun lidstaten en op een gecoördineerde wijze om de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie te doen beëindigen. De aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten streven ernaar gelijktijdig handhavingsmaatregelen te nemen in de lidstaten die bij die wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie betrokken zijn.

Artikel 22

Beëindigen van een gecoördineerde actie

1.   Een gecoördineerde actie wordt beëindigd als de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten concluderen dat de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie in alle betrokken lidstaten is beëindigd, of dat er geen oneerlijke handelspraktijk is bedreven.

2.   De overeenkomstig artikel 18, lid 2, aangewezen coördinator stelt de handhavingsautoriteiten van de bij de gecoördineerde actie betrokken lidstaten en de Commissie in voorkomend geval onverwijld in kennis van de beëindiging van de gecoördineerde actie.

Artikel 23

Rol van de coördinator

1.   De overeenkomstig artikel 18, lid 2, aangewezen coördinator doet met name het volgende:

a)

hij zorgt ervoor dat de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten naar behoren en tijdig worden geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek of van de handhavingsactie, de verwachte volgende stappen en de vast te stellen maatregelen;

b)

hij coördineert en ziet toe op de overeenkomstig deze verordening door de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten genomen onderzoeksmaatregelen;

c)

hij coördineert de opstelling en verspreiding van alle benodigde documenten onder de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten;

d)

hij informeert de afnemer of afnemers over de inleiding van een gecoördineerde actie en onderhoudt van contact met de afnemer of afnemers en andere partijen die betrokken zijn bij de onderzoeks- of handhavingsmaatregelen, naargelang het geval, tenzij anders is overeengekomen door de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten en de coördinator;

e)

coördineert, waar van toepassing, de beoordeling, de raadplegingen en het toezicht door de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten, evenals van de andere stappen die nodig zijn om de door de betrokken afnemer voorgestelde toezeggingen uit te voeren;

f)

coördineert, waar van toepassing, handhavingsmaatregelen die zijn vastgesteld door de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten;

g)

coördineert verzoeken om wederzijdse bijstand die zijn ingediend door de aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten uit hoofde van hoofdstuk III.

De coördinator wordt bij de uitvoering van de in lid 1, punten b), c), e), f) en g) van de eerste alinea genoemde taken bijgestaan door de andere aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten.

2.   De coördinator wordt niet verantwoordelijk gehouden voor de handelingen of omissies van de andere aan de gecoördineerde actie deelnemende handhavingsautoriteiten wanneer zij gebruikmaken van de in artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/633 en de in deze verordening bepaalde bevoegdheden.

Artikel 24

Waarschuwingssysteem

1.   Een handhavingsautoriteit waarschuwt de Commissie en alle andere handhavingsautoriteiten onverwijld wanneer mogelijk een wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt, ongeacht of die alleen binnen de Unie, dan wel zowel binnen de Unie als in een of meer derde landen plaatsvindt. De Commissie kan die waarschuwing aanvullen met alle informatie die een snel en passend optreden van de handhavingsautoriteiten kan vergemakkelijken.

2.   De handhavingsautoriteit verstrekt bij het afgeven van de in lid 1 bedoelde waarschuwing informatie over de vermoede wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie, zoals gedefinieerd in deze verordening, waaronder:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie;

b)

de lidstaten die betrokken zijn bij of die mogelijk betrokken zijn bij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie;

c)

de identiteit van de afnemer of afnemers van wie wordt vermoed dat hij of zij de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie heeft of hebben bedreven;

d)

de betrokken oneerlijke handelspraktijk uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/633 en het nationale recht;

e)

een beschrijving van alle gerechtelijke procedures, handhavingsmaatregelen of andere maatregelen die met betrekking tot de wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie zijn genomen en de datums en duur alsmede de status daarvan;

f)

de identiteit van de handhavingsautoriteiten die de procedure voeren en de in punt e) bedoelde maatregelen nemen.

3.   Bij het afgeven van een waarschuwing kan de handhavingsautoriteit handhavingsautoriteiten in andere lidstaten verzoeken om na te gaan of er, uitgaande van informatie waarover de desbetreffende handhavingsautoriteiten beschikken of die voor hen toegankelijk is, een mogelijk soortgelijke wijdverbreide oneerlijke handelspraktijk met een grensoverschrijdende dimensie plaatsvindt op het grondgebied van die andere lidstaten, dan wel of er in die andere lidstaten al procedures aanhangig zijn of handhavingsmaatregelen tegen die oneerlijke handelspraktijk zijn genomen. De handhavingsautoriteiten in die lidstaten antwoorden onverwijld op het verzoek.

Artikel 25

Talenregeling

1.   De door de handhavingsautoriteiten voor kennisgevingen en voor alle onder dit hoofdstuk vallende communicatie in verband met de gecoördineerde acties te gebruiken talen worden door de betrokken handhavingsautoriteiten overeengekomen.

2.   Indien er tussen de betrokken handhavingsautoriteiten geen overeenstemming kan worden bereikt, worden de kennisgevingen en andere communicatie toegezonden in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat die de kennisgeving of andere communicatie doet uitgaan, vergezeld van een hoffelijkheidsvertaling in het Engels indien daarom wordt verzocht.

HOOFDSTUK VI

SAMENWERKING MET BETREKKING TOT LEVERANCIERS OF AFNEMERS DIE BUITEN DE UNIE GEVESTIGD ZIJN

Artikel 26

Samenwerking met betrekking tot leveranciers of afnemers die buiten de Unie gevestigd zijn

Met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken zoals vastgelegd in artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 die zich voordoen in het kader van de in artikel 1, lid 2, van die richtlijn bedoelde verkoop van landbouw- en voedingsproducten tussen afnemers en leveranciers waarbij de leveranciers of afnemers buiten de Unie zijn gevestigd, kan een handhavingsautoriteit:

a)

een handhavingsautoriteit van een andere lidstaat om informatie verzoeken om vast te stellen of zich in de lidstaat van de verzoekende handhavingsautoriteit een oneerlijke handelspraktijk heeft voorgedaan of voordoet; voor de toepassing van dat verzoek zijn artikel 6, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikelen 10, 11 en 12, artikel 13, lid 1, en artikel 14 van overeenkomstige toepassing;

b)

de Commissie en andere betrokken handhavingsautoriteiten waarschuwen wanneer zij vermoeden dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk jegens een buiten de Unie gevestigde leverancier of door een buiten de Unie gevestigde afnemer en dat die praktijk van invloed zou kunnen zijn op afnemers of leveranciers in ten minste drie lidstaten; voor de toepassing van die waarschuwingen zijn artikel 6, artikel 24, leden 2 en 3, en artikel 25 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

Voor de Unie verantwoordelijke contactpersoon

1.   Indien een handhavingsautoriteit onderzoeksmaatregelen neemt tegen een buiten de Unie gevestigde afnemer met betrekking tot een in artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 vastgelegde oneerlijke handelspraktijk, en indien zij van oordeel is dat die afnemer niet met haar samenwerkt, kan zij van de afnemer eisen dat hij een op het grondgebied van de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon als zijn voor de Unie verantwoordelijke contactpersoon aanwijst.

2.   De in lid 1 bedoelde voor de Unie verantwoordelijke contactpersoon:

a)

treedt op als eerste aanspreekpunt voor de betrokken handhavingsautoriteit;

b)

faciliteert onderzoeken, onder meer door de gevraagde documenten, transactiedocumenten, gegevens en getuigenverklaringen aan de betrokken handhavingsautoriteit te verstrekken.

3.   Indien de buiten de Unie gevestigde afnemer niet voldoet aan het in lid 1 bedoelde verzoek, waarschuwt de handhavingsautoriteit die het verzoek heeft ingediend de Commissie en alle andere handhavingsautoriteiten onverwijld dat die afnemer geen voor de Unie verantwoordelijke contactpersoon heeft aangewezen. De Commissie kan de waarschuwing aanvullen met alle informatie die een snel en passend optreden van de handhavingsautoriteiten kan vergemakkelijken.

HOOFDSTUK VII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 28

Verslagleggingsplicht van de Commissie

1.   Uiterlijk op 11 september 2031 brengt de Commissie aan het Europees Parlement, aan de Raad, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s verslag uit over de toepassing van deze verordening. De Commissie houdt bij de evaluatie van Richtlijn (EU) 2019/633 rekening met dat verslag. Die evaluatie gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel betreffende deze verordening.

2.   De Commissie baseert het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag op de in artikel 10, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/633 bedoelde jaarverslagen. De Commissie kan de lidstaten indien nodig om aanvullende informatie verzoeken.

3.   In het in lid 1 bedoelde verslag wordt de ontwikkeling van de bij deze verordening ingestelde samenwerkingsmechanismen en de handhavingsactiviteiten beschreven, waarbij met name de meest voorkomende soorten grensoverschrijdende oneerlijke handelspraktijken, de zwaarst getroffen sectoren en de vaakst betrokken soorten afnemers, met inbegrip van buiten de Unie gevestigde afnemers, worden vastgesteld.

Artikel 29

Verslaglegging door de lidstaten

Het in artikel 10, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633 bedoelde jaarverslag bevat nadere bijzonderheden over de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Die bijzonderheden omvatten onder meer het aantal verzoeken dat aangezochte handhavingsautoriteiten overeenkomstig de artikelen 7, 8, 9 en 12 van deze verordening hebben ontvangen, alsook het aantal gecoördineerde acties tegen wijdverbreide oneerlijke handelspraktijken met een grensoverschrijdende dimensie, overeenkomstig artikel 18 van deze verordening, die in het voorgaande jaar zijn begonnen of afgerond. Voor elk verzoek dat of elke actie die is afgerond, bevat het verslag een beknopte beschrijving van de zaak en van de genomen stappen en maatregelen.

Artikel 30

Informatiesysteem interne markt

1.   Voor de toepassing van de artikelen 7, 8, 9, 11, 12 en 13, de artikelen 15 tot en met 22 en de artikelen 24, 26 en 27 van deze verordening wordt het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad (10) ingestelde Informatiesysteem interne markt (IMI)gebruikt.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1 van dit artikel te wijzigen wat betreft het instrument dat moet worden gebruikt voor het beheer van de kennisgevingen en communicatie tussen de handhavingsautoriteiten zodat rekening kan worden gehouden met toekomstige technische behoeften.

Artikel 31

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 30, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 9 maart 2026. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 30, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 30, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 32

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dat is ingesteld bij artikel 229 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 september 2027.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2026.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. RAOUNA


(1)   PB C, C/2025/2970, 16.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2970/oj.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 februari 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 5 maart 2026.

(3)  Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 59, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/633/oj).

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).

(5)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj).

(6)  Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/976/oj).

(7)  Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2005/214/oj).

(8)  Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/41/oj).

(9)  Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj).

(10)  Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie (“de IMI-verordening”) (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1024/oj).

(11)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/697/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top